Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-1052

van Alain Destexhe (MR) d.d. 5 juni 2008

aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen

Btw - Belastbare gebouwen - Terbeschikkingstelling - Wijziging van de exploitatievoorwaarden

BTW
gebouw
verhuur van onroerend goed
Hof van Justitie van de Europese Unie

Chronologie

5/6/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 10/7/2008 )
14/7/2008 Antwoord

Vraag nr. 4-1052 d.d. 5 juni 2008 : (Vraag gesteld in het Frans)

Wanneer de prijs voor de terbeschikkingstelling van een gebouw afhankelijk is van de gerealiseerde omzet van de uitbater, en de eigenaar van dat gebouw het recht heeft om de exploitatievoorwaarden te wijzigen om te beantwoorden aan de eisen die worden gesteld als het bedrijf deel uitmaakt van een internationale onderneming, is het dan uitgesloten dat die activiteit beschouwd wordt als een relatief passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop, zoals de verhuur van een onroerend goed?

Antwoord ontvangen op 14 juli 2008 :

Het begrip onroerende verhuur is voor de toepassing van de BTW, zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds heeft benadrukt, een autonoom communautair rechtsbegrip waaraan derhalve een communautaire definitie moet worden gegeven. Het Hof heeft in talrijke arresten, waaronder de zaak C-326/99 van 4 oktober 2001, Stichting Goed wonen tegen staatssecretaris van Financiën, dat begrip verhuur van onroerende goederen aldus omschreven dat het er in wezen in bestaat dat een verhuurder van een onroerend goed onder bezwarende titel en voor een overeengekomen tijdsduur aan de huurder het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. De onroerende verhuur vormt in de regel een betrekkelijk passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert.

Uit deze definitie en talrijke arresten van het Hof over dat onderwerp, blijkt dat hoewel de tegenprestatie voor de verhuurder, die strikt verband houdt met de duur van het gebruik van het goed door de huurder, het passieve karakter van de verhuur het beste lijkt weer te geven, hieruit niet kan worden afgeleid dat een tegenprestatie waarbij ook met andere elementen rekening wordt gehouden de kwalificatie als « verhuur van onroerende goederen » in de zin van artikel 135, lid 1, punt I) van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 (voorheen artikel 13, B, sub b), van de zesde richtlijn waarvan het artikel 44, § 3, 2º, van het BTW-Wetboek de omzetting in het Belgisch recht vormt), noodzakelijkerwijze uitsluit, met name wanneer de andere elementen waarmee rekening wordt gehouden een kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van het deel van de tegenprestatie dat met het tijdsverloop verband houdt of geen vergoeding vormen voor een andere prestatie dan de eenvoudige terbeschikkingstelling van een goed (zie punt 23 van de zaak C-284/03 van 18 november 2004, Belgische Staat tegen Temco Europe).

Men kan het begrip onroerende verhuur bijgevolg niet uitsluiten door het eenvoudig feit dat de prijs van de terbeschikkingstelling van een onroerend goed afhankelijk is van de door de uitbater gerealiseerde omzet. Bovendien benadrukt advocaat-generaal Alber, in zijn conclusies van 10 oktober 2002, in de zaak C-275/01, Commissioners of Customs and Excise tegen Sinclair Collis Ltd, dat het irrelevant is voor de kwalificatie van de hoofdprestatie van de overeenkomst dat de tegenprestatie niet uit een vast bedrag, maar uit een percentage van de opbrengst bestaat.

Wat de inmenging van de verhuurder in de exploitatievoorwaarden van de huurder betreft, dient de objectieve aard van de betrokken handeling in aanmerking te worden genomen. Deze inmenging kan op zichzelf geen onderscheidend criterium zijn dat toelaat de handeling te kwalificeren, des te meer omdat deze inmenging, alles tezamen genomen, zeer beperkt kan zijn. Waar het in de eerste plaats om gaat is de onroerende verhuur te kunnen onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de eenvoudige terbeschikkingstelling van een goed. Men dient zich daarom te baseren op een geheel van criteria (duur van het gebruik, het recht derden uit te sluiten, ...) en niet enkel op één ervan.

Hoe dan ook, indien het geachte lid een bijzonder geval beoogt, nodig ik hem uit mij de gegevens van de betrokken belastingplichtigen mee te delen zodat ik dat geval kan voorleggen aan de bevoegde diensten van mijn administratie.