5-2035/1

5-2035/1

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

17 APRIL 2013


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen, teneinde het toepassingsgebied ervan te verruimen tot de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon

(Ingediend door de dames Cécile Thibaut en Freya Piryns)


TOELICHTING


De milieubeweging pleit voor de ondersteuning van de korte keten, die de producenten een billijk inkomen bezorgt én garandeert dat de consument over kwaliteitsproducten kan beschikken. Dat uitgangspunt brengt de indieners van dit wetsvoorstel ertoe op te komen voor de ondersteuning van onze lokale en zelfstandige landbouwers, die zorgen voor de vitaliteit van het platteland.

Het probleem bij uitstek waarmee niet alleen de korte keten maar ook de hele voedingssector te maken heeft, is de volatiliteit van de verkoopprijzen. Landbouwactiviteiten vergen hoge investeringen, die voor de lange termijn worden aangegaan. Als gevolg daarvan hebben de landbouwers het vaak moeilijk hun vaste aflossingen te betalen, temeer daar zij tevens het hoofd moeten bieden aan fors gestegen productiekosten. Door al die problemen wordt het bestaan van almaar meer landbouwers bedreigd, en beslissen er ook steeds meer er de brui aan te geven. Een en ander heeft tevens tot gevolg dat in de landbouwsector minder mensen aan de slag zijn.

De federale regering heeft nochtans mechanismen ingesteld ter ondersteuning van de economische actoren die tijdelijk met problemen te kampen hebben. In dat verband werd de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen aangenomen, om de ondernemingen in moeilijkheden van bij het opduiken van problemen diverse middelen aan te reiken om het roer om te gooien en, indien mogelijk, een faillissement te voorkomen. In die omstandigheden heeft de onderneming de keuze tussen drie procedures van gerechtelijke reorganisatie : de gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord, de gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord over een reorganisatieplan, of de gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag. Er zij op gewezen dat artikel 3 van de voormelde wet, dat het toepassingsgebied ervan afbakent, bepaalt dat de wet van toepassing is op « de kooplieden bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van koophandel, de landbouwvennootschappen bedoeld in artikel 2, § 3, van het Wetboek van vennootschappen en de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm bedoeld in artikel 3, § 4, van hetzelfde wetboek ».

In de eerste jaren na de inwerkingtreding van de wet is een aantal tekortkomingen aan het licht gekomen, die zo snel mogelijk door de wetgever moeten worden weggewerkt.

In dat opzicht roept het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 24/2013 van 28 februari 2013 op tot een wijziging van artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen, meer bepaald in het licht van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof werd immers gevraagd te oordelen of het feit dat de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon, van het toepassingsgebied van voornoemde wet uitgesloten zijn, verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, meer bepaald erop gelet dat zowel de landbouwers die hun beroepsactiviteit uitoefenen in het raam van een landbouwvennootschap of een burgerlijke vennootschap met handelsvorm als de kooplieden die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen, wel het voordeel van die wet genieten. Een dergelijk verschil in behandeling zou alleen worden aanvaard als dit verschil objectief en redelijkerwijze verantwoord is.

De wetgever had het verschil in behandeling tussen de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon, en die welke hun activiteit uitoefenen in het raam van een landbouwvennootschap, indertijd gerechtvaardigd door erop te wijzen dat het vermogen dat verband houdt met de beroepsactiviteit van de landbouwer die zijn activiteit uitoefent als natuurlijke persoon, niet afgescheiden is van zijn persoonlijk vermogen. Ondanks de objectieve aard van het « criterium van onderscheid op grond van de rechtspersoonlijkheid en met betrekking tot het al dan niet bestaan van afgescheiden vermogens », heeft het Hof evenwel geoordeeld dat dit criterium « niet als relevant [kan] worden beschouwd in het kader van de toepassing van de in de wet betreffende de continuďteit van de ondernemingen bedoelde maatregelen en procedures, aangezien de kooplieden die hun activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen en bijgevolg evenmin over een afgescheiden vermogen beschikken, van hun kant wel het voordeel van de in de in het geding zijnde wet bedoelde regeling genieten » (1) . Bijgevolg besluit het Hof dat « artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen (...) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet [schendt] in zoverre het inhoudt dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel van de bij die wet in werking gestelde maatregelen en procedures geniet ».

De indieners van dit wetsvoorstel willen de conclusies van het arrest van het Grondwettelijk Hof verankeren in de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen en het toepassingsgebied ervan aldus verruimen tot de landbouwers die hun beroepsactiviteit uitoefenen als natuurlijke persoon.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel beoogt de lijst van de schuldenaren waarop de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen toepasselijk is in die zin aan te passen dat ook de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon, aan die lijst worden toegevoegd.

Artikel 3

Gelet op de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid, zou het wenselijk zijn dat de wet de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad in werking treedt.

Cécile THIBAUT.
Freya PIRYNS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuďteit van de ondernemingen worden tussen de woorden « de landbouwvennootschap bedoeld in artikel 2, § 3, van het Wetboek van vennootschappen » en de woorden « en de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm bedoeld in artikel 3, § 4, van hetzelfde wetboek », de woorden « alsook de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon » ingevoegd.

Art. 3

Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

11 april 2013.

Cécile THIBAUT.
Freya PIRYNS.

(1)  Grondwettelijk Hof, arrest nr. 24/2013 van 28 februari 2013, B.5.2.