5-508/2

5-508/2

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

7 DECEMBER 2010


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Co÷rdinatieorgaan voor de dreigingsanalyse


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW MATZ


I. INLEIDING

Het wetsvoorstel waarover dit verslag handelt, werd op 24 november 2010 in de Senaat ingediend door de heer Danny Pieters c.s. (Stuk Senaat, nr. 5-508/1).

De commissie heeft het wetsvoorstel besproken tijdens haar vergadering van 7 december 2010.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER PIETERS, MEDE-INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

De heer Pieters verklaart dat het wetsvoorstel werd ondertekend door alle de leden van de Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast ComitÚ van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het betreft een wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Co÷rdinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

In het kader van de onderzoeken naar het functioneren van de inlichtingendiensten en van het OCAD kan het Vast ComitÚ I desgevallend de leden van de inlichtingendiensten, van het OCAD en van de ondersteunende diensten dagvaarden en laten getuigen onder ede.

Zowel door het Vast ComitÚ I als door de begeleidingscommissie is echter vastgesteld dat in bepaalde gevoelige onderzoeken ook personen die niet langer lid zijn van deze diensten onder dezelfde voorwaarden zouden moeten kunnen gehoord worden. De huidige wet laat dit echter niet toe.

De leden van het Vast ComitÚ I en van de Begeleidingscommissie zijn samen van oordeel dat de wetgeving moet gewijzigd worden zodat ook gewezen leden van deze diensten gedagvaard kunnen worden en desnoods tot getuigenis gedwongen. Dezelfde mogelijkheid wordt in het wetsvoorstel ook voorzien voor de gewezen leden van de politiediensten die door het Vast ComitÚ van toezicht op de politiediensten moeten kunnen worden gehoord.

III. ALGEMENE BESPREKING

Als lid van de begeleidingscommissie van het Vast ComitÚ I, steunt de heer Claes het voorstel ten volle. Uit verschillende verslagen van het Vast ComitÚ I is immers gebleken dat er een reŰel probleem is. Om die reden verdient het wetsvoorstel het dat het zonder verwijl wordt gestemd.

De heer Deprez verklaart dat ook zijn fractie dit wetsvoorstel steunt.

Mevrouw Niessen merkt op dat het wetsvoorstel verwijst naar een wet die haar fractie niet heeft gesteund wegens een te ruime definitie van het begrip terrorisme en van het begrip activiteit die een dreiging vormt of kan vormen. Deze definities, gekoppeld aan de definitie van het radicaliseringsproces, scheppen een veel te vaag gedragsveld.

Het ingediende wetsvoorstel verandert niets aan de basisvoorwaarden van de wet, en haar fractie zal zich dan ook onthouden bij de stemming.

Mevrouw Matz betreurt dat haar fractie niet werd gevraagd om het wetsvoorstel mede te ondertekenen, maar zal het volledig steunen.

De heer Pieters wijst er op dat de auteurs geenszins de bedoeling hadden een fractie uit te sluiten. Het is getekend door alle leden van de begeleidingscommissie om de noodzaak van de wijziging te benadrukken.

De heer Demeyer verklaart dat zijn fractie dit wetsvoorstel ook zal steunen.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Artikel 1

Dit artikel geeft geen aanleiding tot bespreking en wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 2

Artikel 2 geeft geen aanleiding tot bespreking en wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 3

Artikel 3 geeft geen aanleiding tot bespreking en wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Het wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Vanessa MATZ. Philippe MOUREAUX.