5-392/1

5-392/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

27 OKTOBER 2010


Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake het erfrecht teneinde de inbreng en inkorting niet meer in natura, maar in waarde te bepalen en teneinde het tijdstip van de schenking als uitgangspunt voor de waardebepaling vast te leggen voor zowel roerende als onroerende goederen

(Ingediend door de heer Guy Swennen)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 22 mei 2008 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-776/1 - 2007/2008).

Dat erfenissen een bron zijn van betwistingen en ruzie voor het leven tussen de erfgenamen wordt sinds jaar en dag blijkbaar ervaren als een niet te vermijden fenomeen in onze samenleving.

Uit een enquête van de krant De Tijd — bijlage Netto (9 juni 2007) blijkt het om ronduit indrukwekkende aantallen ruzies te gaan. Van de tien ondervraagden die ooit al een erfenis ontvingen, zijn er niet minder dan vier die daarover ruzie hadden of nog hebben met een andere erfgenaam. Net niet de helft wordt dus ten gevolge van een erfenis geconfronteerd met ruzie, die bovendien in liefst zes van de tien gevallen blijkt te leiden tot een blijvende verbreking van de familiebanden. De Nederlandse Volkskrant (1 april 2005) berichtte op basis van een onderzoek van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) dat in ruim een kwart van de families ruzie ontstaat over de erfenis en dat het steeds vaker voorkomt. De KNB kwam tot die conclusie op basis van een onderzoek bij meer dan honderd leden. Tien procent van de bevraagde notarissen gaf aan dat het bij de helft van de erfenissen tot twisten leidt. Een ander Nederlands onderzoek (Het Volk, 10 april 2007) kwam ook tot de vaststelling dat erfenisverdelingen in een kwart van de families tot ruzie of breuk leidt. Familietherapeute Else-Marie van den Eerenbemt ondervroeg 1 821 mensen in dat verband. Als men daarbij voor ogen houdt dat de familieleden en rechtstreekse omgeving van de erfgenamen bij wijze van spreken participeren in die ruzies en er ook nog rekening mee houdt dat zogezegde opgeloste ruzies niet in de cijfers vervat zitten doch wel een blijvende onderhuidse wrevel veroorzaakt hebben, dan is het duidelijk dat erfenissen een bron van verzuring zijn tussen een gigantisch hoog aantal mensen in onze samenleving en blijkbaar ook in Nederland.

De Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen bevestigt de omvang van de erfenisruzies. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal gerechtelijke procedures inzake erfenissen, doch een rondvraag leert dat het niet om bijzonder grote aantallen gaat omdat de erfgenamen na een relatief korte periode of na jarenlang geruzie opteren voor de afhandeling en het zekere boven het onzekere verkiezen, een lange en kostelijke gerechtelijke procedure willen vermijden en tegelijkertijd een punt willen zetten achter een pijnlijke ervaring van kommer en kwel, ergernis en andere ellende. Toch doet deze vaststelling niets af aan het feit dat het geschetste kwaad van de onherstelbare geslagen wonden een brede maatschappelijke realiteit is : die van de vele vechterfenissen.

In de volksmond worden veelal de opgekropte wrijvingen die al lang in familieverband sluimeren en die aan de oppervlakte komen bij het openvallen van een erfenis als oorzaak aangewezen. Diezelfde volksmond stelt dat geld en hebzucht altijd wel doen vechten. Ongetwijfeld bevatten die stellingen een kern van waarheid.

Andere verklaringen van de (toenemende) erfenisruzies zijn volgens geciteerde Nederlandse onderzoeken divers van aard en zijn stellig van toepassing als verklaring van heel wat vechterfenissen in ons land : mondiger burgers, lossere familiebanden, een algemene « verruwing » van onze samenleving, een groeiend aantal stiefoudersituaties en nieuwsamengestelde gezinnen in het algemeen en het ontbreken van een testament.

Uit een grondige studie van ons erfrecht blijkt daarnaast een andere onthutsende waarheid : onze wetgeving inzake het erfrecht is de oorzaak van heel veel erfenisruzies, mede omdat ze achterhaald is, aangezien deze wetgeving nog uit de napoleontische tijd dateert; omdat de wetgeving onduidelijk is of ronduit van aard is om ruzie te veroorzaken. Niemand zal tegenspreken dat het de plicht is van de wetgever om elke onderdeel in het erfrecht dat aanzet of verplicht tot vechterfenissen te schrappen of te veranderen. Er is echter meer, de uitdaging moet groter zijn : waarom geen bepalingen in ons erfrecht opnemen die erop gericht zijn ruzies te voorkomen ? Zo een wetgevende vernieuwing moet hand in hand gaan met een algemene modernisering van ons erfrecht, die voluit oog heeft voor een heel nieuwe maatschappelijke werkelijkheid.

Huidig voorstel is onderdeel van een reeks wetsvoorstellen die in dat verband een effectieve trendbreuk willen realiseren.

Dit voorstel beoogt een aantal wetsbepalingen inzake inbreng en inkorting te wijzigen die technisch-juridisch verouderd zijn en daardoor een bron van betwistingen zijn.

De inbreng werd in de oorspronkelijke Code Napoléon als mechanisme ingebouwd met de bedoeling de gelijkheid tussen de wettige erfgenamen te waarborgen.

Wanneer iemand een gift doet aan één van zijn (al dan niet reservataire) toekomstige erfgenamen, dan kan dat met de bedoeling zijn deze erfgenaam een groter deel te geven dan wat hem normaal in de erfenis zou toekomen. In dit geval is er sprake van een schenking vooruit en buiten deel, ook genoemd gift bij vooruitmaking, buiten paart, met vrijstelling van inbreng. Als er reservataire erfgenamen zijn, dan zal die gift onderworpen worden aan de toets van de beschikbaarheid, namelijk « aangerekend » worden op het beschikbaar deel en zo de gift of de giften het beschikbaar deel hebben overschreden, zal er kunnen « ingekort » worden.

Als iemand de bedoeling heeft met een gift een toekomstige erfgenaam op voorhand reeds iets te gunnen dat hij later toch zal krijgen, zonder evenwel de bedoeling te hebben om de gelijkheid tussen de erfgenamen te verbreken, dan is er sprake van een schenking als voorschot op erfdeel of een gift zonder vrijstelling van inbreng. De begiftigde zal, tenzij hij de nalatenschap verwerpt, de gift « inbrengen » in de nalatenschap. Het is dus duidelijk geen kwestie van bevoordeling tegenover de andere erfgenamen.

De regel is dat elke schenking (of elk legaat) aan een erfgerechtigde moet ingebracht worden, tenzij anders is bepaald. Inbreng is de regel, vrijstelling van inbreng is de uitzondering. Wil men vrijstellen van inbreng, dan moet men dat uitdrukkelijk bedingen.

De inbreng van onroerende goederen

Artikel 859 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ten aanzien van onroerende goederen de inbreng in natura kan geëist worden wanneer het geschonken onroerend goed door de begiftigde niet vervreemd is en in de nalatenschap geen onroerende goederen aanwezig zijn van gelijke waarde en aard en deugdelijkheid waaruit men voor de andere erfgenamen ongeveer gelijke kavels kan samenstellen.

De inbreng of het terugbrengen van het onroerend goed geschiedt aan de waarde ervan op het ogenblik van de inbreng.

Heeft de begiftigde het goed vervreemd of zijn er nog voldoende onroerende goederen van gelijke aard, waarde en deugdelijkheid in de nalatenschap, dan dient de inbreng niet in natura te gebeuren, maar door mindere ontvangst. Bij vervreemding van het onroerend goed vóór het overlijden van de schenker is de waarde verschuldigd van het onroerend goed op de dag van het overlijden.

De inbreng van roerende goederen

Volgens de artikelen 868 en 869 van het Burgerlijk Wetboek gebeurt de inbreng van roerende goederen en van geschonken geldsommen door « mindere ontvangst ». De inbreng dient te gebeuren aan de hand van de waarde ten tijde van de gift.

De inbreng en inkorting in natura als bron van rechtsonzekerheid en betwistingen

Talloze problemen en bijgevolg betwistingen tussen erfgenamen betreffen de inbreng en inkorting, doordat de wetgever in vele gevallen in de inbreng en inkorting in natura voorziet. Dat uitgangspunt had uiteraard ten tijde van de totstandkoming van het Burgerlijk Wetboek meer dan reden omdat op dat moment roerende goederen een zeer hoge waarde hadden. Intussen is dit, de uitzondering niet te na gesproken, evenwel sinds geruime tijd niet (meer) het geval.

De inbreng in natura, principieel van toepassing bij giften van onroerende goederen, doet in de praktijk al geruime tijd heel wat problemen rijzen. De inkorting/inbreng in natura is de oorzaak van veel onbegrip met alle gevolgen van dien. Dit onbegrip doet zich zowel in hoofde van de begunstigde voor, die vaak uitgaat van het principe « gegeven is gegeven » en niet begrijpt dat hij nadien geschonken goed nog moet teruggeven. Anderzijds leeft er ook onbegrip bij de derde-verkrijger van een geschonken goed die thans niet beschermd kan worden. Dit leidt tot een juridische onzekerheid. Vanzelfsprekend is één en ander niet van aard om de vrede tussen de erfgenamen te bevorderen, om het met een understatement uit te drukken.

De volgende analyse van M. Puelinckx-Coene in Erfrecht, 1988, p. 347-348 formuleert de kritiek op de inbreng in natura als volgt : « Ook de inbreng in natura, in principe van toepassing bij giften van onroerende goederen, schept heel wat problemen. Op de gift kan hierdoor steeds teruggekomen worden. Het goed moet immers zelf in de te verdelen massa worden ingebracht. Bij gebreke van akkoord tussen de erfgenamen kan het lot van de verdeling het goed (vrij en onbelast) aan een ander erfgenaam doen toekomen. Tot de hinderlijke gevolgen behoren het feit dat een ouder (in principe) niet bij gewone schenking een onroerend goed definitief aan een kind kan schenken en toch de gelijkheid tussen de kinderen bewaren. Nadelig is ook dat een aldus geschonken goed een weinig betrouwbaar onderpand vormt voor de schuldeisers, zelfs de hypothecaire ! Bovendien gebeurt de inbreng van roerende goederen in mindere ontvangst. Het onderscheid roerend-onroerend is nu in grote mate achterhaald. Deze verschillende regeling heeft evenwel tot gevolg dat bijvoorbeeld een ouder die aandelen in een familieonderneming aan één van zijn kinderen legateert (bij schenkingen is er immers het gevaar van de waardeschommelingen), dit op een definitievere manier kan doen dan een landbouwer die zijn hoeve met landerijen (aan dewelke hij geen vennootschapsvorm heeft gegeven) aan zijn opvolger wil overlaten. Het notariaat heeft herhaaldelijk op de hinderlijke gevolgen van deze verouderde regel gewezen. Tijdens de Notariële Dagen te Brugge (1980) werd dan ook gepleit voor een wettelijke regeling waarbij het principe van inbreng in natura vervangen wordt door inbreng in waarde. De wetgever is hierop niet ingegaan, ook niet ter gelegenheid van de hervormingen van 1981 en 1987, waar slechts partieel aan de inbrengregeling gesleuteld werd waardoor de situatie nog een stuk ingewikkelder werd. »

Het is duidelijk dat er argumenten op overschot zijn om de inbreng in waarde systematisch in de plaats te stellen van de inbreng in natura. Het is een voor de hand liggende modernisering die tegelijkertijd een forse afbouw van het conflictgehalte van een deel van ons erfrecht realiseert.

Het tijdstip van de waardebepaling bij inbreng en inkorting als bron van betwistingen

De waarde van de op voorhand geschonken goederen kan sinds het tijdstip van de schenking fors gewijzigd zijn. Dit is zoals hoger geschetst meestal geen probleem voor onroerende goederen die volgens de algemene regel in natura (en dus volgens de waarde op het ogenblik van het overlijden) ingebracht moeten worden. De roerende goederen die moeten worden ingebracht daarentegen worden geschat op hun waarde ten tijde van de schenking, hoezeer zij achteraf ook in waarde gestegen zijn (of gedaald). Maar dit is niet de waarde die als basis fungeert om de reserve te berekenen. En dat genereert bijzondere problemen.

M. Puelinckx-Coene, o.c., omschrijft het als volgt : « De reserve wordt immers afgeleid van de fictieve massa en overeenkomstig artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek wordt voor deze massa rekening gehouden met de waarde van de goederen op het ogenblik van het overlijden. Deze fictieve massa — en dus ook de daarvan afgeleide reserve — wordt ingeval de geschonken goederen in waarde stegen op die manier een stuk groter. Hoe deze tegenstelling tussen de artikelen 868 en 922 oplossen ? Een mogelijke oplossing — immers de ganse schenking moet verrekend worden — bestaat er in de ontstane meerwaarde aan te rekenen op het beschikbaar deel ! Deze onverwachte aanrekening op het beschikbaar deel veronderstelt dat dit beschikbaar deel nog vrij is. Bovendien wordt zodoende het beschikbaar gedeelte in elk geval aangetast en dit in het nadeel van de latere begiftigden, wat de plannen van de ouder nog meer in de war kan brengen. Deze kan immers, overtuigd dat hij alleen schenkingen als voorschot op erfdeel gedaan had, het beschikbaar deel nadien voor andere specifieke doeleinden hebben bestemd ! In de rechtsleer wordt dan ook terecht gepleit om de toepassing van artikel 868 te beperken tot die gevallen waarvoor het in 1804 — ter vrijwaring juist van de gelijkheid — oorspronkelijk was bedoeld : schenking van verslijtbare goederen, de enige toen gekende roerende goederen ! Door het gebruik — dat tot voordeel van de begiftigde had gestrekt — was de waarde van deze goederen normaal lager op het ogenblik van de verdeling dan bij de schenking. De inbreng, aan een hogere dan de reële waarde compenseerde zoals gezegd het genoten gebruik door de begiftigde. Dergelijke redenering gaat niet op bij waardefluctuaties van roerende beleggingsgoederen. De schatting naar schenkingsmoment zeker in combinatie met artikel 922 leidt, zoals aangetoond tot ongelijkheid tussen de erfgenamen ! ».

Het is dus overduidelijk dat heel wat betwistingen een gevolg zijn van de inschatting van de wetgever anno 1804. Een inschatting die door een volstrekt andere werkelijkheid inmiddels volledig achterhaald is. Zoals al werd aangegeven, was het niet enkel zo dat roerende goederen tweehonderd jaren geleden niet in waarde stegen, wat nu wel het geval is, (bijvoorbeeld aandelen); bovendien hadden roerende goederen in die tijd ook een hogere waarde ten opzichte van onroerende goederen dan vandaag het geval is. De huidige wettelijke regeling leidt ook vanuit die historisch achterhaalde inspiratie tot ernstige wrevel en conflicten. Stel dat een ouder vier kinderen op eenzelfde ogenblik begiftigt, twee krijgen een geldsom ter waarde van 100 000 euro en de twee anderen een onroerend goed van exact dezelfde waarde. Op het ogenblik van het overlijden van de ouder blijkt het beschikbaar gedeelte overschreden en moet dus ingebracht en ingekort worden. Degenen die een onroerend goed ontvingen zien zich geconfronteerd met een inbreng van de geactualiseerde waarde van het onroerend goed op het ogenblik van het overlijden (althans op die basis zal een akkoord betracht worden, teneinde de problematiek van de inbreng in natura te vermijden). Voor degenen die de geldsom ontvingen geldt die updating in waarde niet. Het is duidelijk dat de ouder beduidend de gelijkheid voor ogen had, hetgeen door de combinatie van de geschetste wettelijke bepalingen niet gerespecteerd wordt. Het lijkt ons vanzelfsprekend een harmonisatie van de diverse bepalingen in te voeren wat betreft het tijdstip van de waardebepaling van het geschonken goed. Er wordt resoluut voor geopteerd dat de waarde die in acht moet genomen worden voor de inkorting en voor de waarde van de fictieve massa, de waarde is op het ogenblik van de schenking. In die zin wordt artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek aangepast. Ook in de bepalingen inzake inbreng wordt hetzelfde uitgangspunt ingebracht.

Deze keuze wordt onder meer gemaakt omdat dit enerzijds het meest de vermoede wil van de schenker benadert en anderzijds het beste criterium is om zoveel mogelijk scheve situaties en conflicten te vermijden.

Er dient trouwens aangestipt dat de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat reeds een pleidooi hield voor de waardebepaling op het ogenblik van de schenking.

Ter illustratie van de betwistingen die ingevolge bovenstaande problematiek in de huidige stand van de wetgeving (kunnen) ontstaan, volgen enkele (theoretische) voorbeelden uit de notariële praktijk :

1. Ouders waren eigenaar van een woning. Zij hebben deze woning geschonken aan één kind en willen een gelijkwaardige som schenken aan hun ander kind. Zij stellen echter vast dat er geen zekere manier meer is om dit te bewerkstelligen : het onroerend goed moet immers worden geherwaardeerd op het ogenblik van het overlijden en is, gelet op de evolutie van de woningprijzen, op dat moment waardevoller dan de gelijkwaardige schenking in geld (op het ogenblik van de schenking) !

2. Ouders hebben twee kinderen. Zij hebben een woning geschonken aan hun dochter. Zij hebben een gelijke som geschonken aan hun zoon. De dochter wenst de woning te verkopen. Probleem : het is onmogelijk om zekerheid te bieden aan de derde die het huis wenst te verkrijgen want de ouder noch de broer kunnen garanderen dat er geen conflict zal zijn op het ogenblik van overlijden van (één van de) ouders, wanneer de inbreng in natura (dus van de woning zelf) kan worden gevraagd. Er is immers niets in de wet voorzien om de derde te beveiligen (verbod inzake overeenkomsten voor een niet-opengevallen nalatenschap overeenkomstig artikel 1130 van het Burgerlijk Wetboek).

3. Guy heeft drie kinderen tussen wie de verstandhouding verstoord is. Guy is eigenaar van een garage (uitgebaat onder de vorm van een BVBA, waarin één van de zonen meewerkt), een woning en spaargeld, elk ter waarde van 100 000 euro. Één van de kinderen is echter niet akkoord dat er wordt overgegaan tot lottrekking of dat er minnelijk loten worden gevormd (en waarbij aan de zoon die helpt in de garage deze garage zou worden toebedeeld), omdat ze niet kunnen worden samengesteld uit goederen van dezelfde aard. Hij eist de verkoop van het geheel... De rechter geeft hem gelijk want de wet voorziet dit in artikelen 826 en 827 van het Burgerlijk Wetboek.

Dit is des te schrijnender in vergelijking met de regeling (bescherming) voor landbouwbedrijven waarbij, gelet op de voorrechten toegekend aan landbouwers, degene die de landbouwgoederen wenst over te nemen dit (waarschijnlijk) effectief zouden kunnen, maar dit recht is enkel voorbehouden voor landbouwers (ibidem). Uiteraard is ook dit « verschil » tussen landbouwbedrijven en andere economische activiteiten historisch te verklaren, maar vandaag compleet achterhaald.

Deze vernieuwde uitgangspunten, zoals hierboven voorgesteld, vergen een hele reeks aanpassingen in de desbetreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Het betreft een (erg) technisch kluwen dat wellicht past in een globale modernisering van ons erfrecht maar waartoe we toch een eerste aanzet willen geven. Op die manier kunnen niet alleen heel wat betwistingen en aanslepende ruzies over de vereffening en verdeling vermeden worden, maar wordt ook een aanzienlijke vereenvoudiging totstandgebracht.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Het principe van de verdeling in waarde komt in de plaats van de verdeling in natura.

Artikel 3

Bij verdeling in waarde is dit artikel overbodig.

Artikel 4

Dit artikel kan vervallen gelet op het feit dat de waarde van aan inbreng onderworpen goederen op het ogenblik van de schenking wordt vastgelegd.

Artikel 5

Wie moet inbrengen heeft de keuze dat te doen in natura of in tegenwaarde, afhankelijk van wat ingebracht moet worden (bijvoorbeeld kunstwerk of woning).

Artikel 6

Vervanging van het tijdstip van de waardebepaling.

Artikel 7

Deze bepalingen kunnen vervallen waar het de verplichte inbreng in natura betreft.

Artikelen 8 en 9

Voor schenkingen wordt de waardebepaling vastgelegd op het ogenblik van de schenking.

Guy SWENNEN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 826 van het Burgerlijk Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden de woorden « in natura » vervangen door de woorden « in waarde » en vervalt het zinsdeel « met uitzondering van de goederen bedoeld bij artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten »;

2º in het tweede lid vervallen de woorden « voor enige verdeling in natura ».

Art. 3

Artikel 827 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 4

Artikel 856 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 5

Artikel 858 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 858. — Inbreng geschiedt in natura, in waarde of door mindere ontvangst, naar keuze van de persoon die gehouden is tot inbreng. Niemand kan worden gedwongen tot inbreng in natura. »

Art. 6

In artikel 858bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op de dag van het overlijden » vervangen door de woorden « op de dag van de schenking ».

Art. 7

De artikelen 859 tot 864 en de artikelen 866 en 867 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.

Art. 8

Artikel 890 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :

« Wat de schenkingen betreft wordt de waarde beoordeeld op het tijdstip van de schenking. »

Art. 9

In artikel 922 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, tweede zin, in fine, worden de woorden « en hun waarde ten tijde van het overlijden van de schenker » vervangen door de woorden « en hun waarde ten tijde van de schenking door de erflater »;

2º het tweede lid wordt opgeheven.

24 september 2010.

Guy SWENNEN.