4-1670/1

4-1670/1

Belgische Senaat

ZITTING 2009-2010

24 FEBRUARI 2010


Voorstel van resolutie teneinde het aantal fatale hartstilstanden op publieke plaatsen te reduceren met behulp van automatische uitwendige defibrillatoren (AED)

(Ingediend door mevrouw Lieve Van Ermen c.s.)


TOELICHTING


In BelgiŽ worden ieder jaar 10 000 mensen getroffen door een plotselinge hartstilstand buiten het ziekenhuis : op straat of op het werk maar vooral thuis. Dat betekent dat er een incidentie is van 1 per 1 000 per jaar : de tol van een plotse-dood-equivalent van dagelijks een neerstortende Boeing 747.

Onder normale omstandigheden slaat het hart in een regelmatig ritme (de hartspier trekt bij een gezonde volwassene 60 tot 80 keer per minuut samen en ontspant zich weer) om zuurstofrijk bloed naar alle delen van het lichaam te vervoeren. Dit ritme wordt gestuurd via elektrische impulsen die de afzonderlijke delen van de hartspier in een ordelijke sequentie doen samentrekken. In bepaalde omstandigheden kan er een verstoring van deze elektrische impulsen ontstaan, waardoor er een plotselinge hartstilstand kan optreden. Nu overleeft slechts 5 tot 10 % van de slachtoffers. Een automatische defibrillator binnen handbereik zou dat overlevingspercentage kunnen opdrijven tot 70 %.

In de meeste gevallen van plotse hartstilstand betreft het een ventrikelfibrillatie : verschillende spiergroepjes trekken ongecontroleerd samen : het hart ę trilt Ľ waardoor de normale pompwerking uitvalt. Hierdoor vallen de bloedtoevoer en het zuurstoftransport stil en na 4 tot 6 minuten lopen de hersencellen onherstelbare schade op door een gebrek aan zuurstof. Ook lichaamscellen worden niet meer van zuurstof voorzien, met weefselnecrose tot gevolg. De fibrillatie houdt aan totdat de zuurstofreserves in de hartspier zelf onvoldoende worden waarna het hart volledig stilstaat. Ventrikelfibrillatie komt voor bij 80 % van de hartstilstanden, vooral bij patiŽnten met ischemische hartziekten. Het is voornamelijk frequent in de vroege stadia van hartinfarct. Ventrikelfibrillatie, eventueel voorafgegaan door ventrikeltachycardie, wordt gezien bij 80 tot 90 % van de patiŽnten die overlijden ten gevolge van een plotselinge hartstilstand buiten het ziekenhuis. De behandeling van deze fibrillatie bestaat uit de toediening van een elektrische schok. Hoe sneller deze kan worden toegediend na de start van de fibrillatie, hoe groter de kans op succes. Als er binnen de eerste 6 minuten niet ingegrepen wordt, zijn de overlevingskansen vrijwel onbestaande, maar als binnen de 2 minuten een stroomstoot van een defibrillator wordt toegediend, stijgt de overlevingskans met zo'n 80 %.

Zolang er geen defibrillatie wordt toegepast zal de amplitude van de fibrillatiegolf progressief verminderen tot het hart in asystolie gaat. Hoe sneller men het ongecontroleerde ritme van de fibrillatie kan herstellen door behandeling met een ę defibrillator Ľ, hoe meer overlevingskansen het slachtoffer heeft. Zonder defibrillatie daalt de overleving na een hartstilstand door ventrikelfibrillatie met 7 tot 10 % per minuut. Door zo snel mogelijk een automatische defibrillator aan te leggen kan het hartritme gedetecteerd worden en in geval van een ventrikelfibrillatie is een snelle defibrillatie een noodzaak. In 2000 werden de Internationale richtlijnen voor reanimatie gepubliceerd door ILCOR (het International Committee on Resuscitation met als belangrijkste organisaties, de European Resuscitation Council en de American Heart Association). Hierin wordt de reanimatieprocedure opgedeeld in een aantal elkaar opvolgende, kritische perioden die zo snel en efficiŽnt mogelijk in elkaar moeten overgaan. Het gaat in deze ę overlevingsketen Ľ om vier belangrijke schakels :

— snel alarmeren van ambulancehulp;

— snel beginnen met de basisreanimatie (CPR = cardiopulmonaire resuscitatie);

— vroeg defibrilleren;

— snel beginnen met de gespecialiseerde reanimatiehandelingen.

Voor verbetering van de overlevingskans moeten alle schakels afzonderlijk en in samenhang worden geŽvalueerd en verbeterd. Uit onderzoek is gebleken dat twee belangrijke determinanten vooral invloed hebben op het eindresultaat, namelijk de tijd tussen het moment van de bewusteloosheid, ademstilstand en hartstilstand van de betrokkene en het begin van de basisreanimatie ťn de tijd tussen hetzelfde moment en de defibrillatie. De tijd nodig om een defibrillator naar een slachtoffer te brengen was een zwakke schakel in de overlevingsketen. Om die reden ontwikkelde men kleinere, lichtere en meer automatische defibrillatoren. Deze automaticiteit is gebaseerd op de technologie gebruikt bij implanteerbare defibrillatoren, die het hartritme analyseren en met een grote betrouwbaarheid een ventrikelfibrillatie herkennen. In de Verenigde Staten en ook op verschillende plaatsen in Europa zijn deze automatische defibrillatoren meer en meer beschikbaar voor het grote publiek zoals bijvoorbeeld in vliegtuigen. Bij de automatische externe defibrillatoren moet de gebruiker enkel de elektroden aansluiten op de borstkas van het slachtoffer. Het toestel analyseert het hartritme en bepaalt of een ventrikelfibrillatie aanwezig is. Enkel in dat geval laadt het toestel zichzelf op en dient het automatisch de schok toe. Sommige toestellen vragen aan de gebruiker om een knop in te drukken, waardoor de schok wordt toegediend, andere zullen de schok automatisch toedienen. De automatische uitwendige defibrillator is een technologische verworvenheid die, ook bij toepassing door leken, veilig en betrouwbaar is. Het is ook in de wet van 12 juni 2006 vastgelegd dat de defibrillator door een niet-arts mag worden gehanteerd.

Het blijft echter nog maar de vraag of deze wetgeving nut heeft indien er zich op publieke plaatsen, waar dagelijks een groot aantal mensen rondlopen, geen defibrillatoren verplicht aanwezig zijn. Steeds meer gemeenten stellen op openbare plaatsen een defibrillator ter beschikking en talrijke bedrijven en particulieren halen eveneens dergelijk automatisch reanimatieapparaat in huis, zo ook aan het onthaal aan het Huis der parlementsleden of op het jacht van het Koningspaar. De grote Belgische stations echter, waar duizenden mensen per dag, ook hartpatiŽnten, al dan niet gehaast hun verbindingen dienen te halen zijn niet uitgerust met automatische uitwendige defibrillatoren (AED). Ook luchthavens en vliegtuigen zijn niet standaard uitgerust met een AED, waardoor hartpatiŽnten in feite risico lopen niet tijdig behandeld te worden bij een hartstilstand. Publieke locaties, waar zich dagelijks een groot aantal mensen bevinden, universiteitsfaculteiten en aula's, grote studentenrestaurants of zelfs plaatsen waar aan sport (fitness, voetbalstadia) of inspanning wordt gedaan dienen in feite allen uitgerust te worden met een AED.

Alvorens de patiŽnt echter door een schok kan worden gereanimeerd, is het nodig dat omstaande getuigen hulp bieden door middel van hartmassage en mond-op-mondbeademing. In geval van een geobjectiveerde collaps kan slechts 38 % van de aanwezige getuigen hulp bieden. Onderzoek heeft aangetoond dat patiŽnten die door een getuige onmiddellijk hartmassage kregen, meer overlevingskansen hadden. De impact van onmiddellijke CPR wordt vertaald in de evolutie van de slachtoffers : wanneer de eerste professionele helpers ter plaatse komen en er CPR werd uitgevoerd door getuigen noteren we dat in 52 % van de gevallen het slachtoffer opnieuw hartritme verkrijgt, in tegenstelling tot slechts 20 % in de groep zonder onmiddellijk opstarten van reanimatiehandelingen.

In een Zweedse observatie van prehospitaalbehandeling van plots overlijden is duidelijk naar voor gekomen dat de verbeterde overleving over de jongste veertien jaar onder andere het gevolg is van meer reanimatiehandelingen door aanwezige getuigen, wat de rol van onmiddellijke reanimatiemaatregelen onderstreept op de uiteindelijke overleving. In de periode voorafgaandelijk aan het gebruik van automatische externe defibrillatoren is de kans om een dergelijk incident te overleven in de buurt van de 2 %. In ideale omstandigheden met onmiddellijk opstarten van klassieke basisreanimatiehandelingen en het gebruik van externe defibrillatoren kan de overleving evenwel reiken tot 70 %. Het juist en snel opeenvolgen van alle schakels binnen de overlevingsketen zonder tijdverlies bepaalt in grote mate de succesratio van de overlevingskansen van het slachtoffer, hetgeen pleit voor een zo wijd mogelijk verspreide reanimatiekennis, enerzijds, en het beschikbaar stellen van het juiste materieel, anderzijds.

Ten slotte achten de indieners het nuttig te verwijzen naar een onderzoek van het Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) naar de meerwaarde, de kosteneffectiviteit en de budgetimpact van de inwendige hartdefibrillator. Het KCE besluit dat deze interne defibrillatoren zeer duur zijn (25 000 euro per implantatie) en bovendien niet altijd zo efficiŽnt wat de levensverlenging van de patiŽnt betreft. Dit is dan ook een argument om meer (goedkopere) AED-apparaten te plaatsen op zoveel mogelijk openbare plaatsen en zodoende de publieke middelen beter besteed te zien.

Lieve VAN ERMEN
Wouter BEKE
Marleen TEMMERMAN
Louis IDE.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. Is van oordeel dat het aantal slachtoffers van plotse hartaanvallen op publieke plaatsen substantieel is;

B. Wijst op de relatief lage kost van een AED-toestel, zijnde om en bij de 1 800 euro;

C. Verwijst naar de wet van 12 juni 2006 die het bedienen van automatische ę externe Ľ defibrillatoren toelaat, die toelaat dat AED-apparaten door niet-medisch personeel kunnen en mogen worden bediend;

D. Is van mening dat de situatie voldoende ernstig is om de regelgeving inzake automatische uitwendige defibrillatoren te wijzigen;

Vraagt de federale regering om in samenwerking met de Gemeenschappen :

1. Een degelijke samenwerking met betrokken ministeriŽle instanties op het getouw te zetten om de kennis inzake reanimatie (CPR) zo wijd mogelijk te verspreiden, te beginnen op de secundaire schoolbanken;

2. de zichtbaarheid van de automatische externe defibrillatoren te verhogen door meer aandacht te besteden aan het belang van deze toestellen en aan reanimatietechnieken in het algemeen, tijdens de eerste hulp bij ongevallen, vorming en vergelijkbare opleidingen in het reguliere onderwijs, in sportverenigingen en in de lerarenopleiding.

3. ervoor te pleiten dat de bevoegde ministers van sport op nationaal vlak een regelgeving uitwerken met betrekking tot het uitrusten van fitness- en sportcentra met AED-toestellen;

4. publieke overheidsgebouwen, zoals alle grote Belgische stations, luchthavens, vliegtuigen van Belgische maatschappijen, sportstadia, faculteiten, aula's en locaties waar zich grote massa's kunnen bevinden, uit te rusten met AED-toestellen;

5. te voorzien in het onderhoud van de toestellen.

26 januari 2010.

Lieve VAN ERMEN
Wouter BEKE
Marleen TEMMERMAN
Louis IDE.