4-860/1

4-860/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

8 JULI 2008


Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 30 van de Grondwet, om de bescherming der talen uit te breiden

(Ingediend door de heer Joris Van Hauthem c.s.)


TOELICHTING


Dit voorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 3 februari 2006 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-1560/1 - 2005/2006).

Sinds 7 februari 1831 stelt de Grondwet in artikel 23 (het huidige artikel 30 van de GecoŲrdineerde Grondwet) dat het gebruik van de in BelgiŽ gesproken talen vrij is en niet kan worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. Dit artikel is al meer dan 175 jaar ongewijzigd gebleven.

Nochtans is deze grondwetsbepaling zeer ingrijpend. Zij stelt immers als absoluut beginsel van de grondwettelijke taalregeling de taalvrijheid voorop, de vrijheid dus om, naar eigen keuze de taal te gebruiken die het individu wenst te hanteren.

De eerste decennia van het bestaan van BelgiŽ is die grondwettelijke bepaling dan ook duchtig gebruikt en vooral misbruikt door de Franstalige gevestigde machten in een poging om Vlaanderen massaal te verfransen. De taalvrijheid gold in de ogen van de toenmalige machthebbers immers niet zozeer of niet in de eerste plaats voor de burgers, maar evenzeer en misschien zelfs in de eerste plaats voor de vrijwel exclusief Franstalige ambtenarij om in haar contacten met het publiek de taal te gebruiken die zij zťlf verkoos. Schrijnende wantoestanden waren hiervan het gevolg. Wij herinneren in dit verband slechts aan enkele van de meest bekende gevallen, zoals de zaak-Coucke en Goethals (1860 — terdoodveroordeling in het Frans van twee Fransonkundige Vlamingen en terechtstelling), de zaak-Karsman (1863 — verbod om in het Nederlands te pleiten) en de zaak-Schoep (1872 — veroordeling wegens geboorteaangifte in het Nederlands). Het toenmalige artikel 23 van de Grondwet leverde in de 19e en de 20e eeuw echter vooral de legitimatie en de nodige juridische rugdekking voor de massale verfransingsoperatie die toen onder sociaal-maatschappelijke druk plaatsgreep, niet alleen in de hoofdstad en in de grensgebieden tussen beide volkeren in dit land, maar evenzeer in de steden van Vlaanderen. Uiteindelijk is dit uitgemond in een grootschalige gebiedsroof ten nadele van Vlaanderen en in de taalkundige en culturele ontworteling en vervreemding van honderdduizenden Vlamingen.

Krachtens dit grondwetsartikel kan het taalgebruik in principe slechts bij wet of decreet worden geregeld en dit enkel voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. Onder druk van de Vlaamse beweging werd pas vanaf 1873 — en dan nog op een tergend langzame wijze — van deze bepaling gebruik gemaakt om het Nederlands in Vlaanderen stukje bij beetje bestaansrecht te geven op een aantal maatschappelijke domeinen. Op wetgevend gebied werd er aldus voor het eerst taalbeschermend opgetreden op gerechtelijk vlak, met name in strafzaken (1873), vervolgens in bestuurszaken (1878) en in het onderwijs (1878). Sindsdien werden de taalregelingen op deze en op enkele andere gebieden regelmatig verder uitgebreid en/of aangepast.

De formulering van dit grondwetsartikel dringt de verdedigers van het Nederlands (maar ook van het Frans en het Duits) in dit land echter in een zeer eng keurslijf. Er kan immers alleen wetgevend worden opgetreden inzake handelingen van het openbaar gezag en gerechtszaken. Weliswaar kreeg de wetgever met de grondwetswijziging van 1970 uitgebreidere bevoegdheid en kan hij voortaan krachtens het huidige artikel 129 van de Grondwet in taalkundig opzicht eveneens expliciet regelgevend optreden inzake het onderwijs in de door de overheid ingestelde, gesubsidieerde of erkende inrichtingen en inzake de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel alsmede met betrekking tot de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden. Niettemin belet het huidige artikel 30 van de Grondwet de wetgever nog altijd enige rechtsregels op te leggen inzake taalgebruik op een aantal belangrijke maatschappelijke domeinen, zoals het culturele en religieuze leven, de commerciŽle sector, enz.

In andere landen die geconfronteerd worden met de taalproblematiek en die de noodzaak hebben aangevoeld om de landstaal te beschermen tegen verdringing door andere, dominantere talen, bestaan er beschermingsbepalingen die veel ruimer zijn dan wat momenteel door artikel 30 van de Belgische Grondwet wordt toegestaan.

Er kan in dit verband worden verwezen naar het Canadese Quťbec, waar het Frans een vergaande bescherming geniet op maatschappelijke domeinen die in BelgiŽ door artikel 30 van de Grondwet van enige taalkundige bescherming totaal worden uitgesloten. Die zijn vervat in de Charte de la langue franÁaise en leggen onder meer taalkundige verplichtingen op inzake economie en tewerkstelling, publicaties en handelsreclame, webstekken en software, culturele aangelegenheden, enz.

Gelet op de gewijzigde maatschappelijke context van de jongste decennia, en met name de nieuwe bedreigingen die uitgaan van fenomenen zoals de globalisering, de verengelsing en de ongebreidelde immigratie voor het bestendigen van het Nederlands als volwaardige cultuurtaal voor alle maatschappelijke aspecten, vinden de indieners van dit voorstel de tijd meer dan rijp om de beperkingen die door artikel 30 van de Grondwet worden opgelegd aan de bescherming van de talen voor een deel op te heffen.

Meer bepaald zijn de indieners van mening dat het voor de wetgever ook mogelijk moet zijn taalregelend op te treden op het vlak van de handelsreclame, waar de verengelsing zich de afgelopen decennia met kracht heeft doorgedrukt.

Ook op het culturele en religieuze vlak moet het volgens de indieners mogelijk worden om taalregelend op te treden. Met het oog op de stabiliteit van een samenleving is het bijvoorbeeld absoluut niet gewenst dat in moskeeŽn nagenoeg uitsluitend in het Arabisch en Turks kan worden gepreekt, omdat dit duidelijk indruist tegen de vereiste aanpassing en assimilatie van immigranten die hier wensen te blijven, met alle maatschappelijke spanningen van dien.

Ook op een aantal andere vlakken wordt momenteel algemeen de nood aangevoeld om taalregelend op te treden, daar waar artikel 30 van de Grondwet dit onmogelijk of bijzonder moeilijk maakt. Gedacht wordt in dit verband bijvoorbeeld aan het opleggen aan artsen van kennis ťn gebruik van de streektaal bij de behandeling van de patiŽnten. De schrijnende toestanden die er ter zake momenteel bestaan in Vlaams-Brabant en in de Brusselse ziekenhuizen zijn alom gekend en worden ook algemeen veroordeeld, maar kunnen momenteel op wetgevend gebied slechts moeizaam en op onbevredigende wijze worden aangepakt.

Vanuit die bekommernissen lijkt het de indieners van dit voorstel dan ook noodzakelijk artikel 30 van de Grondwet voor herziening vatbaar te verklaren, teneinde de materies die in aanmerking komen voor een taalregeling door de wetgever uit te breiden.

Joris VAN HAUTHEM
Nele JANSEGERS
Yves BUYSSE.

VOORSTEL VAN VERKLARING


De Kamers verklaren dat er reden bestaat tot herziening van artikel 30 van de Grondwet, om de bescherming der talen uit te breiden.

24 juni 2008.

Joris VAN HAUTHEM
Nele JANSEGERS
Yves BUYSSE.