4-420/1

4-420/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

23 NOVEMBER 2007


Wetsvoorstel tot uitbreiding van de cumulatie van het beroepsinkomen van de persoon met een handicap en de integratietegemoetkoming

(Ingediend door mevrouw Christiane Vienne en Sfia Bouarfa)


TOELICHTING


Idealiter zouden de activiteitsgraad, de werkgelegenheidsgraad en de werkloosheidsgraad van mensen met een handicap vergelijkbaar moeten zijn met die van de niet-gehandicapten. Om niet te discrimineren moeten dezelfde doelstellingen inzake arbeidsparticipatie worden nagestreefd. Men moet er dus werk van maken de kloof tussen de werkgelegenheidsgraad van de mensen met een handicap en die van de validen te verkleinen.

Werken en iedere maand een loon krijgen als tegenprestatie voor een geleverde inspanning en zoals iedere andere burger een sociaal, liefdes- en gezinsleven leiden, is voor mensen met een handicap immers meer dan een wens : het is een recht, en voor de overheid en de samenleving is het een echte uitdaging.

Als men er bovendien van uitgaat dat de arbeidsmarkt en dus de onderneming een sociale rol moeten spelen, dan gaat het daarbij ten dele om de inschakeling van allen en dus ook van de mensen met een handicap in de samenleving. Het is zeker niet de bedoeling zichzelf een goed of een slecht geweten te geven. Buiten de doelstellingen zoals productiviteit, het welslagen en het genereren van rijkdom heeft de onderneming echter ook een fundamenteel sociaal doel dat ze in acht moet nemen.

Voorts is de beroepsactiviteit voor de persoon met een handicap ontegenzeglijk een middel om een plaats te verwerven in de samenleving. De gehandicapte wordt reeds al te vaak anders bekeken en het feit dat hij buiten spel wordt gezet, kan zwaar wegen. Voor een samenleving als de onze is het dus normaal dat aan die mensen dezelfde kansen worden geboden om financieel onafhankelijk te worden door arbeid en op dezelfde manier als de valide burgers deel te nemen aan en bij te dragen tot het sociaal en economisch leven van de samenleving.

De arbeidsmarkt heeft weliswaar geleidelijk een plaats ingeruimd voor mensen met een handicap, maar toch bedraagt hun arbeidsparticipatie slechts 30 %, terwijl het Europese gemiddelde 39 % is. Die arbeidsparticipatie ligt aanzienlijk lager dan die van de validen, terwijl de werkloosheidsgraad onder de mensen met een handicap nog steeds boven het nationale gemiddelde ligt. Ons land, onze samenleving, onze ondernemingen hebben dus ontegenzeglijk een achterstand wat de inschakeling van mensen met een handicap in het beroepsleven betreft.

Hoe kan die situatie worden verklaard ?

Tal van werkgevers deinzen er nog altijd voor terug personen met een handicap in dienst te nemen : zij vrezen voor een dalende productiviteit, voor moeilijkheden bij de aanpassing van de werkplek van de mindervalide werknemer, ze vinden dat de quota bij de overheid al te zelden in acht worden genomen enzovoort. Maar evengoed moet melding worden gemaakt van de zeer reële moeilijkheden waarmee de gehandicapten zelf te kampen hebben om uit het systeem van de uitkeringen te ontsnappen. Dat is te wijten aan wat men de werkloosheidsvallen noemt.

Vandaag wordt het bedrag van de integratietegemoetkoming van een persoon met een handicap berekend op grond van eensdeels zijn beroepsinkomen en anderdeels het inkomen van de persoon met wie hij of zij een huishouden vormt. Een deel van het beroepsinkomen van de persoon met een handicap is echter vrijgesteld ten belope van 16 354,13 euro (1) , en de helft van het inkomen dat boven dat maximum ligt, wordt afgetrokken van de integratietegemoetkoming. Met andere woorden, als iemand met een handicap een betrekking aanvaardt waarvan de bezoldiging meer dan 1 362,84 euro (2) per maand bedraagt, zal het bedrag van de integratietegemoetkoming worden verlaagd met de helft van het inkomen dat boven het voormelde bedrag ligt.

Die regeling zou kunnen worden verantwoord in het raam van een inkomensvervangende tegemoetkoming. Dat het inkomen in aanmerking wordt genomen, spoort immers met de huidige strekking van de regeling inzake maatschappelijke integratie (een niet contributieve uitkering), die zich aldus onderscheidt van het systeem van de sociale verzekering. De problematiek van de integratietegemoetkoming is, door het doel dat ze nastreeft, van een andere aard dan die van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Die laatste is namelijk bedoeld om ervoor te zorgen dat iemand wiens verdienvermogen verminderd is als gevolg van zijn handicap bestaanszekerheid heeft, terwijl de integratietegemoetkoming tot doel heeft de bijkomende kosten te dekken die de handicap met zich brengt. Die kosten blijven dus noodzakelijkerwijs bestaan, ongeacht het inkomen en de gezinssituatie van de persoon met een handicap.

Het échte probleem is het bedrag van de bovengrens van het beroepsinkomen van de persoon met een handicap dat werd bepaald als berekeningsgrondslag voor de integratietegemoetkoming. Vastgesteld moet immers worden dat die 18 785 euro veel lager ligt dan het nationaal gemiddeld loon van 32 436 euro (3) .

Daarom kan men zich terecht afvragen of iemand met een handicap er wel belang bij heeft een baan te hebben die kan leiden tot het volledige verlies van de financiële middelen die onontbeerlijk zijn om de kosten te dekken die zijn zelfredzaamheidsverlies met zich brengen. Het thans vastgestelde maximumbedrag leidt dus tot een fenomeen dat bekend staat als de werkloosheidsval.

Hoe kan de overheid dan bevorderen dat mensen met een handicap een baan zoeken en hebben, en hoe kunnen die mensen tegelijkertijd die doelstelling van inschakeling verwezenlijken zonder dat het middel daartoe (met name de arbeid) ze financieel bestraft ?

Zijn mensen met een handicap gedoemd alleen slecht betaalde banen te zoeken en te aanvaarden, waarbij het voormelde maximumbedrag liefst niet wordt overschreden ? In tegenstelling tot de validen, zouden zij er dan naar streven vooral geen loonbedrag proberen te bereiken dat gelijk is aan of hoger ligt dan dat van het nationaal gemiddeld loon !

De indieners van dit wetsvoorstel wijzen op die ongerijmdheid en zijn daarom van oordeel dat dit kennelijk te lage en dus contraproductieve maximumbedrag dringend moet worden opgetrokken. Mensen met een handicap ontmoedigen te werken en zich dus te integreren in de samenleving, in de arbeidswereld, financiële onafhankelijkheid te zoeken, zich persoonlijk te ontplooien enzovoort, het zijn kennelijk allemaal kwalijke gevolgen van de vigerende regeling. Daarom wordt voorgesteld het aanvaarden van een betrekking aan te moedigen door een uitgebreider cumulatie van het beroepsinkomen van de persoon met een handicap en de integratietegemoetkoming toe te staan.

De indieners van dit wetsvoorstel stellen dan ook voor het momenteel toepasselijke maximumbedrag te verhogen tot dat van het nationaal gemiddeld loon. Door dit thans zo ontmoedigende maximumbedrag aanzienlijk op te trekken, zouden ten dele de doelstellingen worden bereikt die ertoe strekken personen met een handicap aan te moedigen een betrekking te aanvaarden, zodat de werkgelegenheidsgraad van de mindervaliden wordt verhoogd en daarbij tegelijkertijd de werkloosheidsvallen worden beperkt, die iemand die werkt in feite financieel bestraffen.

Christiane VIENNE.
Sfia BOUARFA.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 9ter, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 3. Van het arbeidsinkomen worden de eerste 32 436 euro vrijgesteld, alsook de helft van het arbeidsinkomen dat meer bedraagt dan 32 436 euro. ».

Art. 3

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

25 oktober 2007.

Christiane VIENNE.
Sfia BOUARFA.

(1) Dit wil zeggen 18 785 euro voor 2006.

(2) Dit wil zeggen 1 565 euro.

(3) Cijfer van de algemene directie Statistiek en Economische Informatie, 12 juli 2007.