3-424/6

3-424/6

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

15 DECEMBER 2003


Ontwerp van programmawet

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW SFIA BOUARFA


I. INLEIDING

Het verslag van de commissie heeft zowel betrekking op het ontwerp van programmawet (stuk Senaat, nr. 3-424/1) als op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (stuk Senaat, nr. 3-425/1).

Het ontwerp van programmawet is een optioneel bicameraal wetsontwerp dat door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend op 24 november 2003 (stuk Kamer, nr. 51-473/01) en in de Kamer werd aangenomen op 12 december 2003.

Het werd op 12 december 2003 overgezonden aan de Senaat en op dezelfde dag geŽvoceerd.

Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen is een bicameraal wetsontwerp dat door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend op 24 november 2003 (stuk Kamer, nr. 51-474/1) en in de Kamer werd aangenomen op 12 december 2003.

Het werd op dezelfde dag overgezonden aan de Senaat.

Beide ontwerpen werden door de commissie besproken tijdens haar vergaderingen van 9 en 12 december 2003.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE HEER PATRICK DEWAEL, VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN, OVER HET ONTWERP VAN PROGRAMMAWET (ARTIKELEN 399 TOT EN MET 425, ARTIKEL 509) EN HET WETSONTWERP HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (ARTIKELEN 22 TOT EN MET 24)

1. Bijzonder Fonds voor het Rijksregister

De minister merkt op dat artikel 399 van het ontwerp van programmawet bepaalt dat ook de uitgaven en inkomsten betreffende de elektronische identiteitskaart aan het fonds aangerekend kunnen worden. Artikel 400 van het ontwerp van programmawet bepaalt dat in het kader van niet-overheidstoepassingen, de Koning de retributies aanrekent voor de raadpleging van de staat van de getuigschriften die op de elektronische identiteitskaart staan. Die retributie wordt aangerekend aan de instellingen of organisaties die deze dienst aan hun klanten aanbieden.

2. Fonds voor de levering van kledij en uitrusting

De artikelen 404 en 405 van het ontwerp regelen de oprichting van een begrotingsfonds voor de verrichtingen die voortvloeien uit de betaling door de federale politie en de terugbetaling door de betrokken zones van de kosten inzake kledij en uitrusting. De federale politie schiet de aankoop van de uniformen voor en de zones betalen de afgenomen uniformen terug.

De Federale Politie is belast met de normering, het beheer en de bevoorrading van de basisuitrusting ten voordele van de geÔntegreerde politie, zoals voorzien in het nationaal veiligheidsplan 2003-2004.

Voor het nieuwe politie-uniform werd tijdens de begrotingsbesprekingen 2004 een bijkomend budget van 3 miljoen euro toegekend en de federale politie zal deze nieuwe uniformen in grote hoeveelheden aankopen om de lokale politie te kunnen bevoorraden.

3. Begrotingsfonds voor de ontvangsten en uitgaven van de Staat in verband met federale politieambtenaren

De oprichting van dat fonds is gebaseerd op de uitvoering van de ministeriŽle omzendbrief GPI 39 van 15 mei 2003. Hij bepaalt dat de detachering van federale politieambtenaren naar een politiezone aan die zone gefactureerd worden.

Aangezien de federale politie eerst de bedragen van de bezoldigingen van de federale politieambtenaren moet storten voor zij van de zones teruggevorderd kunnen worden, moeten die uitgaven via een fonds vooraf gefinancierd kunnen worden.

4. Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

Artikel 419 heft artikel 18bis van de vreemdelingenwet op.

Artikel 18bis bepaalt dat bepaalde categorieŽn vreemdelingen een verblijfplaats kan worden opgelegd. Doel is te grote concentraties van vreemdelingen in de grote steden te vermijden. Deze bepaling heeft echter nauwelijks resultaten opgeleverd ≠ het artikel werd het laatst toegepast in 1992. Bovendien is het sedert de toepassing van het spreidingsplan voor asielzoekers in 1994 overbodig geworden.

De artikelen 420 tot 424 van het ontwerp van programmawet zijn technische aanpassingen om een vergetelheid bij de wetswijziging van 18 maart 2003 te herstellen. Deze laatste wet beoogde de omzetting van richtlijn 2001/55/EG houdende de minimumnormen inzake tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden. De personen op wie deze tijdelijke bescherming van toepassing is hebben ook toegang tot de asielprocedure.

5. Externe communicatie (artikel 509)

Dit artikel regelt de opening van een thesaurierekening bij de federale overheidsdienst Kanselarij van de eerste minister. Op deze rekening worden de uitgaven aangerekend met betrekking tot de informatie- en communicatieopdrachten uitgevoerd ten behoeve van federale en programmatorische overheidsdiensten.

In het rapport over de begroting 2004 heeft het Rekenhof immers een aantal problemen aangestipt in verband met dit fonds. Om dit in de toekomst te vermijden wordt in een thesaurierekening buiten de begroting voorzien.

6. Wet houdende diverse bepalingen (artikelen 26 tot en met 28)

Ontwerpartikel 26 voert het beginsel in dat asielzoekers die gemachtigd zijn tot een verblijf voor onbeperkte tijd, geacht worden niet langer betrokken te zijn bij de asielprocedure. Als zij niet uitdrukkelijk vragen de behandeling voort te zetten, wordt de asielprocedure gesloten.

De artikelen 27 en 28 wijzigen lichtjes de bevoegdheidsoverdracht van de minister aan zijn bestuur. Het bestuur kan voortaan zelf een verzoek tot herziening onontvankelijk verklaren wanneer het na acht werkdagen wordt ingediend.

III. ALGEMENE BESPREKING VAN DE ARTIKELEN 399 TOT EN MET 425, ARTIKEL 509 VAN HET ONTWERP VAN PROGRAMMAWET EN DE ARTIKELEN 26 TOT EN MET 28 VAN HET WETSONTWERP HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (LUIK MINISTER DEWAEL)

De heer Moureaux zegt tevreden te zijn dat de wet van 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (de zogenaamde wet-Gol) niet langer zal worden toegepast.

Hij vraagt of het Fonds voor de levering van kledij en uitrusting door de federale Staat vooraf zal worden gefinancierd en of de politiezones betalingsfaciliteiten zullen krijgen voor de kosten inzake kledij en uitrusting van de politieagenten. Hij onderstreept dat die kosten voor de gemeenten hoog oplopen.

De minister antwoordt dat het uniform van de politie leidt tot een grotere herkenbaarheid. Het fonds verplicht de gemeenten niet hun bestellingen van uniformen te versnellen maar wil enkel de mogelijkheid creŽren uniformen in grote hoeveelheden aan te kopen tegen, uiteraard, lagere prijzen.

De heer Moureaux antwoordt dat de bestellingen sneller moeten worden geplaatst.

De minister van Binnenlandse Zaken verklaart dat de federale dotatie aan de gemeenten reeds voorziet in een gedeelte voor de aankoop van uniformen.

De heer Van Peel vraagt hoe de overgangsproblemen voor de gemeentelijke administratieve overheden in verband met de elektronische identiteitskaarten zullen opgelost worden.

De minister antwoordt dat er op het einde van dit jaar een evaluatie zal gebeuren van een elftal lopende pilootprojecten. Het regeerakkoord bepaald dat de tijd voor de invoering van de elektronische identiteitskaart wordt ingekort tot drie jaar. Voor de uitreiking zullen alle overheidsbedrijven worden ingeschakeld en niet langer enkel De Post zoals bepaald door de eerste programmawet van dit jaar. Er wordt over gewaakt dat dit geen meerkost vormt voor de steden en gemeenten.

Artikel 399 bepaalt dat de kosten voor infrastructuur en informatie van het publiek ten laste zullen vallen van het Bijzonder Fonds voor het Rijksregister.

De heer Van Peel vraagt of artikel 18bis van de vreemdelingenwet, dat in artikel 440 wordt opgeheven, door een doelmatig instrument zal worden vervangen. Hij wijst erop dat het huidige spreidingsplan van de asielzoekers niet afdoende is wegens het gebrek aan solidariteit tussen de betrokken overheden. Om hier aan te verhelpen, stelt spreker voor om de asielzoekers te verplichten een woonplaats te kiezen in de gemeente waaraan zij op basis van een quotum zijn toegewezen.

De minister van Binnenlandse Zaken antwoordt dat artikel 18bis van de vreemdelingenwet al meer dan tien jaar niet meer wordt toegepast wegens de omslachtige procedure en het beperkt toepassingsgebied ratione personae. In 1994 reeds werd een plan uitgewerkt voor de spreiding van de asielzoekers over de verschillende Belgische gemeenten.

De minister wijst er daarenboven op dat artikel 2.1 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentale vrijheden, bepaalt dat ę eenieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen Ľ.

De uitoefening van deze rechten kan krachtens artikel 2.3 en 2.4 enkel beperkt worden bij wet en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.

IV. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVROUW MARIE ARENA, MINISTER VAN AMBTENARENZAKEN, MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE EN GROOTSTEDENBELEID EN GELIJKE KANSEN (ARTIKELEN 490-497)

Het systeem van opvang van asielzoekers is in de loop van het jongste decennium talloze keren aangepast. Er werden ingewikkelde instrumenten in stelling gebracht :

≠ om de solidariteit tussen de gemeenten tot stand te brengen op het vlak van de financiŽle en administratieve last van de opvang (spreidingsplan);

≠ om te bemiddelen bij bevoegdheidsconflicten tussen de OCMW's (circulaires, reglementswijzigingen);

≠ om het profitariaat te neutraliseren, waartoe ons systeem aanleiding kan geven (in de eerste fase materiŽle hulp);

≠ om de diverse wijzen van de opvang te managen en te coŲrdineren (oprichten van het agentschap voor de opvang van asielzoekers).

Het regeerakkoord voorziet in de omzetting in de Belgische rechtsorde tegen februari 2005 van Europese richtlijn 2003/9/EG van de Raad betreffende minimumnormen voor de opvang van asielzoekers van de lidstaten. Daartoe zal de regering een wetsontwerp indienen betreffende de opvang dat, enerzijds ieders rechten en plichten duidelijker zal vastleggen en dat, anderzijds, tot meer coherentie zal verplichten tussen de verschillende opvangswijzen. De minister wil bij die gelegenheid kwaliteitsnormen vastleggen voor de begeleiding van en de hulp aan de asielzoekers. Haar aanpak strekt ertoe de levensomstandigheden en de mogelijkheid voor de asielzoekers om een toekomst uit te bouwen tijdens de procedure te verbeteren, ongeacht de uitkomst ervan. Die wettelijke regeling zal gunstig zijn voor de instellingen, bijvoorbeeld voor de OCMW's, en voor de asielzoekers.

Het is evenwel niet wenselijk om te wachten tot de wetgeving betreffende de opvang er is om andere initiatieven terzake te nemen. Bepaalde initiatieven zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van verbeteringen waarin het regeerakkoord voorziet. Andere worden door bijzondere omstandigheden opgelegd. De hoofdlijnen ervan zien eruit als volgt :

1. Niet-begeleide minderjarigen (artikel 495)

De regering wil een opvang organiseren die veilig is en de belangen van het kind eerbiedigt. De juridische voogdij zal systematisch worden georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een specifieke dienst van het ministerie van Justitie. De opvang die momenteel door de federale overheid wordt georganiseerd, zal worden geŽvalueerd en eventueel zullen de begeleidende normen en de pedagogische projecten worden verduidelijkt. Gezien de bevoegdheid van de gemeenschappen in jeugdzaken zullen eerlang besprekingen worden aangeknoopt om coherente opvangparcours voor die jongeren uit te stippelen.

2. Bevoegdheid voor het vaststellen van de verplichte inschrijvingsplaats (artikelen 492-494)

Vier veeleer technische bepalingen regelen momenteel de organisatie van de dienst ę dispatching Ľ van FEDASIL. Wanneer een asielzoeker een dossier indient bij de Dienst Vreemdelingenzaken, bepaalt een bureau van FEDASIL op basis van de beschikbare plaatsen welk opvangcentrum of lokaal opvanginitiatief materiŽle hulp moet bieden. Datzelfde bureau beslist ook welk OCMW bevoegd is om hem financiŽle hulp te verlenen wanneer de aanvraag ontvankelijk is verklaard.

Momenteel moet het ministerie van Binnenlandse Zaken de gegevens invoeren in het wachtregister. De minister stelt voor die nutteloze stap af te schaffen. Volgens het regeerakkoord moet worden gestreefd naar een betere opvang in de open centra. Daarom is beslist het concept in te voeren van de opvang die ę het best is aangepast Ľ aan de situatie van het ten laste genomen gezin of de ten laste genomen persoon. Zo zal FEDASIL meer rekening kunnen houden met hun humanitaire, sociale, medische en gezinssituatie bij de vaststelling van de verplichte inschrijvingsplaats op basis van het aantal beschikbare plaatsen.

3. ę Zakgeld Ľ en gemeenschapsdienst in de opvangstructuren (artikel 490)

Sinds 1992 wordt de materiŽle hulp aangevuld met een zeer beperkte financiŽle hulp. Ongeacht de kwaliteit en de omvang van de opvang, is de federale overheid er altijd vanuit gegaan dat het onwaardig en onverantwoord was om niet een soort van zakgeld te geven aan mensen die zich minstens enkele maanden op ons grondgebied bevinden zonder iets te kunnen kopen ≠ al was het maar een tramticket, een kopje koffie of een pakje sigaretten. De minister wil deze praktijk regulariseren.

Zoals reeds vermeld in een memo van FEDASIL van juni 2003, is het voor het sociaal en cultureel leven in en het beheer van de opvangcentra absoluut nodig dat de bewoners worden betrokken bij hun leefomgeving. Concreet moeten de asielzoekers een aantal huisregels naleven. Zij zijn ook verantwoordelijk voor de ruimten die hen ter beschikking worden gesteld. Zo zijn ook een aantal taken vastgesteld die de bewoners uitvoeren tegen een kleine verhoging van hun zakgeld. Die taken betreffen hetzij groepswerk binnen de gemeenschap, hetzij het onderhoud van de gemeenschappelijke structuren. Voor de bewoners is het een nuttige bezigheid die bijdraagt tot hun welzijn. Bovendien krijgen ze zo meer eerbied voor de gemeenschappelijke installaties en ruimten.

Deze handelwijze is zeker positief maar wordt nu toegepast in een rechtsvacuŁm dat tot verwarring en misbruiken kan leiden. Daarom moet dit in een wet worden geregeld.

De minister stelt voor de kwestie van het ę zakgeld Ľ te verduidelijken en de gemeenschapsdiensten te regulariseren. Belangrijk is dat het niet gaat om een arbeidsovereenkomst, noch om prestaties die recht geven op een vergoeding en zeker niet om werk waarvoor een vergunning nodig is.

De prestaties worden geleverd op vrijwillige basis en omvatten taken die horen bij het gemeenschapsleven. De taken worden onder toezicht van FEDASIL georganiseerd door de opvangstructuur met het oog op de goede werking ervan. Ze zijn beperkt in omvang.

Verscheidene bepalingen zijn van louter technische aard :

4. Europees Fonds voor vluchtelingen (artikel 491)

Hier wordt bevestigd dat FEDASIL is aangesteld als autoriteit verantwoordelijk voor het Europees Vluchtelingenfonds dat voordien onder toezicht stond van de minister van Maatschappelijke Integratie.

5. Wedertewerkstelling van het personeel na de sluiting van asielcentra (artikel 497)

De centra van Houthalen en Westende worden ten gevolge van een gerechtelijke beslissing gesloten. Dat kan leiden tot een heus sociaal drama. Meteen na haar benoeming heeft de minister een sociaal plan uitgewerkt dat er in de eerste plaats op gericht is het ontslagen personeel opnieuw tewerk te stellen. Zij heeft tijdens de begrotingsbesprekingen gepleit voor de financiering van hulp bij wedertewerkstelling, en die financiering ook verkregen. Dankzij deze bepaling kan FEDASIL de procedures en de financiering van het sociaal plan beheren.

V. ALGEMENE BESPREKING VAN DE ARTIKELEN 490 TOT EN MET 497 VAN HET ONTWERP VAN PROGRAMMAWET (GEDEELTE MINISTER ARENA)

Mevrouw Thijs heeft vragen over artikel 490, namelijk het feit dat asielzoekers die zich in een asielcentrum bevinden daar karweien kunnen opknappen en daarvoor hoger zakgeld zouden ontvangen. Dit systeem bestaat reeds en is geen slecht initiatief. Het motiveert de mensen om het asielcentrum waar zij verblijven te onderhouden.

Wat in het ontwerp wordt voorgesteld zal leiden tot bureaucratisering want dit gebeurt op dit ogenblik reeds op eigen initiatief in de verschillende centra. Elk centrum bepaalt de hoogte van de vergoeding, die moet worden goedgekeurd door het agentschap.

In de toekomst echter zal er voor elke taak een bedrag moeten worden voorzien, anders zullen de bedragen verschillen in de centra. Het zal onvoorstelbaar veel werk veroorzaken om een definitieve regeling te kunnen treffen. Daarenboven kan de vergoeding niet meer bedragen dan hetgeen is vastgesteld in het koninklijk besluit.

Is het de bedoeling van de minister om per centrum een boekhouder aan te stellen, gelast met de taak om dit te controleren en bij te houden ?

Wat artikel 492 betreft, vraagt mevrouw Thijs of het een goed idee is dat FEDASIL bevoegd wordt voor de spreiding van de asielzoekers. Betekent dit in concreto ook dat het agentschap 24 uur op 24 bereikbaar zal zijn ?

Mevrouw De Schamphelaere heeft een specifieke vraag over het centrum van Wommelgem. Dit centrum werd eveneens vervroegd gesloten zonder dat er wedertewerkstelling werd voorzien voor het personeel. Is dit correct ? Zijn er andere oplossingen voorzien voor deze personeelsleden ?

Ten tweede is zij de mening toegedaan dat een degelijk spreidingsplan nodig is voor de grote steden. Zolang er echter geen huisvestingsplicht bestaat voor de asielzoekers is de kans op slagen zeer beperkt. Er zijn verscheidene systemen uigedokterd, zoals extra beloningen voor de OCMW's, zonder effectief resultaat. Mensen met een zelfde culturele achtergrond zoeken elkaar op en dit gebeurt vanzelfsprekend in de grote centra. Zonder een effectieve huisvestingsplicht is het al te gemakkelijk om de plattelandscentra met de vinger te wijzen. Ze kunnen de huisvesting immers niet afdwingen.

Mevrouw Geerts veronderstelt dat artikel 492 enkel betrekking heeft op de mensen die naar een asielcentrum gaan. Zij deelt voor een stuk de bekommernis van de vorige spreekster. Sommige personen die in ons land komen denken ter goeder trouw dat zij niet naar een asielcentrum hoeven te gaan omdat zij familieleden hebben op ons grondgebied. Zij komen dan terecht in een zeer moeilijke situatie omdat zij over geen enkel financieel middel beschikken en omdat zij de financiŽle draagkracht van de familiale solidariteit hebben overschat. Bestaan er geen elementen om die personen ertoe te bewegen toch naar een asielcentrum te gaan ?

De heer Moureaux komt terug op het spreidingsplan. Hij veronderstelt dat dit louter een bevestiging van de situatie inhoudt en dat de manier waarop de zaken worden toegepast, niet zal veranderen. De spreiding vormt immers een aanzienlijke vooruitgang in vergelijking met de tijd toen sommige gemeenten de wet wel toepasten en andere niet, waardoor een ondraaglijk onevenwicht ontstond. Hij wenst de garantie te krijgen dat het slechts een formele en geen inhoudelijke wijziging betreft.

Met betrekking tot artikel 496 uit spreker zijn verbazing over de manier waarop de opmerkingen van het Arbitragehof zijn verwerkt. Hij kan zich niet van de indruk ontdoen dat wordt getracht de beslissing van het Hof te omzeilen. Die beslissing werd genomen vanwege het beleid van de OCMW's die zelf op basis van de wet geen mensen meer konden helpen. Zodra volgens het Arbitragehof hulp moet worden geboden aan kinderen van illegalen, past dit weer in de algemene opdrachten van de OCMW's die een uitzondering hadden gemaakt. Dit artikel verandert niets : als het OCMW weigert hulp te bieden aan mensen die, binnen de strikte voorwaarden van het Arbitragehof, om hulp vragen, zal dat OCMW veroordeeld worden. Daarover is trouwens almaar meer rechtspraak, ook zonder dat die gebaseerd is op het arrest van het Arbitragehof.

Spreker twijfelt aan de doeltreffendheid van het voorgestelde artikel 496 : uiteindelijk zal de last opnieuw door de OCMW's gedragen moeten worden en is er weer sprake van algemene hulp aan alle personen.

De heer Vandenhove, als burgemeester van een stad waar zich een asielcentrum bevindt, stelt vast dat dit asielcentrum zeer goed functioneert maar dat hij problemen ondervindt sinds de oprichting van FEDASIL. Hij stelt voor om hieromtrent ten gepaste tijde een bespreking over te organiseren. FEDASIL kan als overkoepelend orgaan nuttig werk leveren maar dit mag zeker niet ten koste gaan van een soepele en autonome werking van de asielcentra Er moet dus een evenwicht worden gevonden tussen de overkoepeling en de autonomie. Hij onderschrijft derhalve voor een deel de opmerkingen van Mevrouw Thijs.

De minister verduidelijkt meteen dat de programmawet geen bureaucratisering wil invoeren, maar dat hij de goede handelwijze wil homogeniseren. FEDASIL is een nieuw agentschap, dat belast is met het opmaken van een stand van zaken en het identificeren van de goede handelwijze, die dan beschouwd kan worden als een werkwijze die voor alle centra geldt.

Wat betreft het zakgeld en de gemeenschappelijke taken is gebleken hoe belangrijk het is de handelwijze zowel in de federale centra als in de erkende, door NGO's beheerde, centra te homogeniseren. Dank zij het gemeenschappelijk kader voor de opvang kunnen latere ontsporingen worden vermeden.

Wat betreft de vestingingplaatsen bevestigt de minister dat het wel degelijk om een formele wijziging gaat zonder praktische gevolgen. Het is gewoon een officiŽle erkenning van de bevoegdheid van FEDASIL terzake. De werkwijze en de procedures, en de samenwerking met de Dienst Vreemdelingenzaken, blijven onveranderd.

Op de vraag betreffende Wommelgem antwoordt de minister dat er twee verschillende toestanden bestaan. De eerste is die van de open centra voor onbepaalde duur (Houthalen en Westende), die om milieuredenen aangevoerd door de gewesten verplicht werden hun deuren te sluiten. Aangezien die sluiting niet voorzien was, werd besloten een sociaal plan op te stellen voor de 170 werknemers. Dat plan is goedgekeurd door twee van de drie bevoegde vakbonden en zal kunnen worden uitgevoerd dank zij de maatregel van artikel 497. Het centrum van Wommelgem is een ander geval, aangezien daar van meet af aan vaststond dat het voor een bepaalde duur open zou zijn. De werknemers wisten heel goed dat het centrum op een welbepaalde datum zou sluiten en er zijn dan ook geen contracten voor onbepaalde duur gesloten. Op 29 werknemers in Wommelgem zijn 22 nu reeds werkzaam in activiteiten van FEDASIL. Een sociaal plan is dan ook niet te verantwoorden.

Wat betreft de verplichting om asielzoekers in de tweede fase te laten verblijven in de hen toegewezen gemeente en het verzet tegen vrij verkeer van personen die financiele bijstand genieten, is het duidelijk dat zulks niet voortvloeit uit het regeerakkoord. In de tweede fase beschikken de OCMW's over voldoende stimulansen om die personen in hun gemeenten te houden. Het solidariteitsplan wordt deels gewaarborgd door het spreidingsplan.

De ervaring leert helaas dat de asielzoekers zich vaak in zogenaamd ę zwarte Ľ gemeenten bevinden waar zij niet naartoe gestuurd zijn. Zij vormen dan een maatschappelijke overbelasting voor die gemeenten.

De nieuwe kaderwet over de opvang maakt het mogelijk om te reflecteren over een beter systeem, waarbij de gemeenten waar die personen zich vestigen, hun vrije keuze behouden, maar waarbij die mensen ook worden gestimuleerd om zich op bepaalde plaatsen te vestigen.

Dat voorkomt ook de verspilling van overheidsgelden. Asielzoekers die zich in grote steden vestigen, moeten immers een groter deel van hun financiŽle middelen besteden aan de huur. Door het systeem in evenwicht te brengen en de bestaande middelen ≠ en de lokale opvanginitiatieven ≠ te gebruiken, is een beter beheer en een betere opvang mogelijk.

Arresten van het Arbitragehof over sociale maatregelen zijn zelden eenvoudig. Het arrest is inderdaad dubbelzinnig omdat het bepaalt dat men via materiŽle steun moet zorgen voor de ontplooiing van illegale kinderen. Bovendien moet die materiŽle steun niet naar de ouders, maar naar de kinderen gaan. Kinderen kunnen zich echter alleen optimaal ontplooien in de aanwezigheid van hun ouders. Daarom mogen kinderen niet gescheiden worden van hun ouders.

Bovendien mag ons land niet evolueren naar een procedure waarbij illegale kinderen systematisch van hun ouders worden gescheiden : als de ouders worden uitgewezen, blijft het kind alleen op het grondgebied achter.

Het arrest van het Arbitragehof vormt een mengeling van die principes.

Als BelgiŽ echter geen initiatieven neemt, zullen de rechters vrijgevig zijn en de OCMW's opdragen om financiŽle steun te bieden aan het kind dat het recht doet ontstaan.

De regering moet dus snel en efficiŽnt reageren op het arrest van het Hof en ervoor zorgen dat het kind, dat deze waarborgen niet heeft, zich kan ontplooien.

Het OCMW moet de situatie analyseren ≠ bijvoorbeeld via een maatschappelijk onderzoek ≠ maar het uiteindelijke antwoord moet worden gegeven door instrumenten zoals FEDASIL en niet door de OCMW's.

Deze programmawet heeft dus tot doel een oplossing voor het probleem mogelijk te maken en te organiseren via de bestaande instrumenten. Het is niet de bedoeling het arrest van het Arbitragehof te omzeilen maar juist zo efficiŽnt mogelijk in te vullen met de beschikbare budgetten en structuren. Dat blijft echter een complex probleem.

De heer Moureaux zegt niet erg overtuigd te zijn door het artikel zoals het is opgesteld. Het zou nuttig zijn te pogen tot een verstandhouding met de betreffende gemeenschappen te komen. Die hebben bijvoorbeeld de mogelijkheid kinderen van illegalen in hun scholen in te schrijven. Dit beantwoordt reeds ten dele aan de doelstelling dat de kinderen zich moeten kunnen ontplooien.

Er bestaan echter feitelijke toestanden die buitengewoon ernstig zijn. Sinds twee of drie jaar worden plaatselijke organisaties steeds vaker geconfronteerd met kinderen die niets meer te eten hebben en die totaal ondervoed zijn. Men kan daarvan zeggen wat men wil, maar dergelijke toestand is totaal onaanvaardbaar, zowel menselijk als maatschappelijk. Op die manier zijn er officiŽle en informele hulpinitiatieven tot stand gekomen. In sommige gemeenten is de toestand tragisch aan het worden. We moeten verder kijken dan de regels en op zoek gaan naar oplossingen. Het afschaffen van de automatische hulp, waarvan de logica begrijpelijk is, heeft tot andere situaties geleid die menselijk heel moeilijk zijn en die men niet kan negeren.

Spreker meent dat men dus met de programmawet de bedoeling heeft bijzondere machten te verlenen, om het probleem met koninklijke besluiten op te lossen. Het blijft boter aan de galg.

Mevrouw Thijs stelt dat er nog een ander probleem rijst. De wet geeft de mensen het recht om regularisatie aan te vragen maar vanaf het ogenblik dat zij de aanvraag tot regularisatie indienen verliezen ze de OCMW-steun en de werkvergunning. In die omstandigheden is het onmogelijk om te overleven. Elke kleine en grote gemeente wordt met dit probleem geconfronteerd.

De minister verklaart dat de verzoeken betreffende de regularisatie tot de bevoegdheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken behoren.

Wat de asielzoekers betreft die in de eerste fase door hun familie worden opgevangen en die geen inkomen hebben, heeft de vorige regering het standpunt ingenomen dat ze in fase 1 recht hebben op materiŽle hulp en in fase 2 op financiŽle hulp. Ook nu wordt dat onderscheid nog gemaakt.

De minister komt terug op het arrest van het Arbitragehof en geeft toe dat het al te gek is dat medische spoedhulp wettelijk is en dat het toegestaan is een ondervoed kind een infuus met suiker toe te dienen, terwijl men het niet eens een boterham mag geven. Die paradox zal worden opgeheven omdat men die kinderen in de toekomst materiŽle hulp zal kunnen bieden en zal vastleggen hoe dat zal gebeuren.

Het is van even groot belang dat men de regels en de voorwaarden om dat te doen vastlegt, aangezien het niet de bedoeling is een maatregel te treffen die belangrijke gevolgen heeft voor de migratiestromen.

VI. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE HEER VINCENT VAN QUICKENBORNE, STAATSSECRETARIS VOOR ADMINISTRATIEVE VEREENVOUDIGING, TOEGEVOEGD AAN DE EERSTE MINISTER, OVER ARTIKEL 508 VAN HET ONTWERP VAN PROGRAMMAWET

Het doel van dit artikel is uitvoering te geven aan het regeerakkoord dat bepaalt dat de verplichting om documenten eensluidend te verklaren door een gemeentebestuur voor de federale overheid definitief wordt afgeschaft.

Tal van organisaties zijn gecontacteerd (de Vereniging voor Vlaamse steden en gemeenten, Union wallonne des communes et des villes, ...). Daaruit bleek dat deze afschaffing maar liefst 660 000 verplaatsingen uitspaart van en naar de Belgische gemeentehuizen.

Uit een onderzoek van Test-Aankoop blijkt trouwens dat in 88 % van de gevallen de eensluidendverklaringen onterecht worden verstrekt.

In de eerste paragraaf van dit artikel wordt het principe van de eensluidendverklaring afgeschaft.

In de volgende paragrafen wordt geregeld wat er moet gebeuren wanneer er gegronde twijfel bestaat over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde documenten. Daarbij is gebruik gemaakt van de techniek die reeds in Frankrijk wordt toegepast. Met de gewesten en gemeenschappen is inmiddels afgesproken dat ook zij de eensluidendverklaring zullen afschaffen.

VII. BESPREKING VAN HET ARTIKEL 508

Volgens de heer Thissen is de ontworpen bepaling een volwaardige maatregel van administratieve vereenvoudiging. Hij vraagt de minister in een volgende stadium te reflecteren over de noodzaak alles te moeten bevestigen met een aangetekende brief. Dat is vrij omslachtig omdat in tal van gevallen de thans beschikbare communicatiemiddelen zulks niet kunnen rechtvaardigen.

Staatssecretaris Van Quickenborne vindt dit een uitstekende suggestie die hij zeker zal onderzoeken. Het is om die reden trouwens dat hij een website heeft opengesteld (www.kafka.be) waarop burgers terecht kunnen met hun suggesties voor administratieve vereenvoudiging.

Volgens mevouw Bouarfa wacht de bevolking reeds lang op het gedeelte ę administratieve vereenvoudiging Ľ. In bepaalde gevallen kan men gewagen dat een aantal besturen de burgers blijven lastig vallen. Zij stelt vast dat vreemdelingen vaak kopieŽn van documenten moeten afgeven (diploma's, uittreksel van geboorteakte, ...). Zij vraagt of de administratieve vereenvoudiging ook voor hen geldt.

Staatssecretaris Van Quickenborne antwoordt dat dit artikel een algemene regeling treft. Het eensluidend afschrift zoals dat in een bepaald aantal gevallen door de federale overheid wordt gevraagd wordt met deze maatregel afgeschaft. Dit geldt in die gevallen eveneens voor vreemdelingen. Uiteraard zullen er altijd uitzonderingen bestaan en het ontworpen artikel treft dus veiligheidshalve een regeling wanneer bedrog vermoed wordt.

VIII. STEMMING OVER DE NAAR DE COMMISSIE VERWEZEN ARTIKELEN VAN HET ONTWERP VAN PROGRAMMAWET (stuk Senaat, nr. 3-424/1)

Het geheel van de naar de commissie verwezen artikelen wordt eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

IX. STEMMING OVER DE NAAR DE COMMISSIE VERWEZEN ARTIKELEN VAN HET ONTWERP VAN WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (stuk Senaat, nr. 3-425/1)

Artikelen 26 tot en met 28

Deze artikelen worden telkens eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

Stemming over het geheel

Het geheel van de naar de commissie verwezen artikelen wordt eveneens eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Sfia BOUARFA. Ludwig VANDENHOVE.

De door de commissie aangenomen teksten
zijn dezelfde als die van de door de Kamer van
volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerpen
(zie stukken Kamer, nrs. 51-473/38 en 51-474/8)