2-1169/1

2-1169/1

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

24 MEI 2002


Wetsvoorstel tot wijziging van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 strekkende om de procedure tot toekenning van de status van vluchteling te hervormen

(Ingediend door de heer Georges Dallemagne)


TOELICHTING


Zie het wetsvoorstel ingediend op basis van artikel 78 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 2-1168/1).

Artikelsgewijze bespreking

Artikel 2

Omdat de voorafgaande ontvankelijkheidsfase wordt opgeheven, behoort de verwijzing van artikel 57-11 naar het dringend beroep voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met de beslissing van de minister over de ontvankelijkheid te vervallen. Voortaan zullen alle beroepen worden ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, behalve bij weigering van de minister om gebruik te maken van de mogelijkheid om een aanvraag te laten behandelen waarvoor België overeenkomstig de Overeenkomst van Dublin niet verantwoordelijk is.

Artikel 3

De personeelssterkte van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen moet sterk worden opgevoerd, om het hoofd te bieden aan alle beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

Overigens moeten de hypothesen worden aangepast waarin een procedure op tegenspraak met een alleenrechtsprekend lid kan plaatsvinden voor de Vaste Beroepscommissie met de nieuwe bevoegdheid die haar wordt gegeven inzake de beroepen tegen beslissingen van ontvankelijkheid genomen door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Aangezien de hypothesen waarin het commissariaat-generaal kan beslissen dat een aanvraag onontvankelijk is, beperkt zijn tot de eenvoudige hypothesen, lijkt een procedure met één rechter verantwoord voor de beroepen tegen de beslissingen van onontvankelijkheid genomen door het commissariaat-generaal.

Het behouden van een procedure op tegenspraak met een alleenrechtsprekend lid voor de gevallen van kennelijke onontvankelijkheid van de beroepen die werden ingediend bij de Vaste Beroepscommissie is gerechtvaardigd om redenen van efficiëntie.

Artikel 4

Dit is een technische wijziging.

Artikel 5

De opheffing van het dringend beroep tegen de beslissingen van de minister over de ontvankelijkheid van de asielaanvragen is gerechtvaardigd wegens de fusie van de twee procedurefasen. Elke beslissing over het asiel, of het nu gaat over de ontvankelijkheid of over de grond, komt in aanmerking voor een eenmalig en opschortend beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen en de staatlozen. Tegen de beslissing van die Vaste Beroepscommissie is administratief cassatieberoep mogelijk voor de Raad van State.

Artikel 6

Dit is een technische bepaling om artikel 71 aan dit voorstel aan te passen.

Georges DALLEMAGNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 57-11, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 14 juli 1987 en van 6 mei 1993, worden de woorden « Behoudens de beslissingen genomen met toepassing van artikel 63/3, zijn de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. » vervangen door de woorden « De beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn niet vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. »

Art. 3

Artikel 57-12 van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 18 juli 1991, van 6 mei 1993, van 15 juli 1996 en van 9 maart 1998 wordt gewijzigd als volgt :

1º het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 57-12. ­ De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bestaat uit ten minste negen Nederlandstalige vaste leden, namelijk een voorzitter, twee ondervoorzitters en zes bijzitters, en ten minste negen Franstalige vaste leden, namelijk een voorzitter, twee ondervoorzitters en zes bijzitters. »;

2º het derde lid wordt hersteld in de volgende lezing :

« Wanneer de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, na inzage van het verzoekschrift, oordeelt dat het beroep onontvankelijk is, kan hij het beroep zelf behandelen als alleenrechtsprekend lid. Indien na behandeling blijkt dat het beroep niet onontvankelijk is, verwijst het alleenrechtsprekend lid de behandeling van het beroep naar een drieledige kamer. »;

3º tussen het herstelde derde lid en het vierde lid, wordt het volgende lid ingevoegd :

« Wanneer de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, na inzage van het verzoekschrift, oordeelt dat het beroep ingesteld tegen een beslissing van onontvankelijkheid van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk ongegrond is, kan hij het beroep zelf behandelen als alleenrechtsprekend lid. Indien na behandeling blijkt dat het beroep niet kennelijk ongegrond is, verwijst het alleenrechtsprekend lid de behandeling van het beroep naar een drieledige kamer. »

Art. 4

Artikel 63 van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 6 mei 1993, wordt gewijzigd als volgt :

1º in het eerste lid vervallen de woorden « ofwel voor een dringend beroep, »;

2º in het tweede lid vervallen de woorden « en van titel III, hoofdstuk Ibis, »;

3º het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De kennisgeving van de beslissingen bepaald in de artikelen 8, 11, 13, derde lid, 16, 22, 24, 25, 30, 46, 50, 52bis, 54, 55, 57, 57-5, 58, 61, 67 en 73, vermeldt de wettelijk bepaalde beroepsmiddelen en de termijnen binnen welke die beroepen kunnen worden ingesteld. »

Art. 5

Artikel 69bis van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.

Art. 6

Artikel 71, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 10 juli 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsbeneming, genomen met toepassing van de artikelen 7, 25, 27, 29, tweede lid, 52bis, vierde lid, 54, 57-5ter, vierde lid, 67 en 74/6, kan tegen die maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen. »

1 maart 2002.

Georges DALLEMAGNE.