Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-2312

van Guy D'haeseleer (Vlaams Belang) d.d. 29 januari 2019

aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Sociale huurders - Bezit van onroerende eigendom in het buitenland - Onderzoek - Uitwisseling van gegevens met het buitenland - Verdragen - Stand van zaken

sociale woning
onroerend eigendom
tweede woning
uitwisseling van informatie

Chronologie

29/1/2019 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 28/2/2019 )
4/3/2019 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 6-1088

Vraag nr. 6-2312 d.d. 29 januari 2019 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In Vlaanderen mogen sociale huurders geen onroerende eigendom bezitten, ook niet in het buitenland. Het probleem is echter dat Vlaanderen voor heel veel (kandidaat-)sociale huurders geen sluitend onderzoek kan verrichten omtrent de vraag of zij al dan niet in dat geval verkeren, omdat de Vlaamse administratie in vele landen geen onderzoek kan doen naar eventuele onroerende eigendommen van (kandidaat-)sociale huurders.

Vlaanderen (en de andere Gewesten) is voor deze informatie naar verluidt immers geheel afhankelijk van de federale overheid die ter zake verdragen moet afsluiten betreffende de automatische uitwisseling van gegevens inzake onroerende goederen. En dat is tot op heden blijkbaar alleen maar het geval met een beperkt aantal Europese landen.

1) Bestaat er reeds een internationaal formaat om efficiŽnt de elektronische uitwisseling tussen partnerstaten te realiseren voor onroerende goederen gelegen in een andere Staat dan diegene van de fiscale woonplaats van de eigenaars†? Graag de nodige verdere precisering.

2) Met welke landen bestaat momenteel een dergelijke uitwisseling van gegevens en op welke grondslag†?

3) Naar welke landen werd tot op heden een ontwerpakkoord van zulk verdrag opgestuurd met het oog op een afsluiting daarvan†? Graag vermelding van data en van de stand van zaken.

4) De grootste problemen doen zich voor met Marokkanen en Turken. Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze landen†? Indien daarover nog geen verdragen zijn of onderhandelingen gaande zijn, overweegt u dan deze op te starten†? Zo neen, waarom niet†?

5) Welke maatregelen neemt u desgevallend in zijn algemeenheid om dit dossier opnieuw te dynamiseren†?

Antwoord ontvangen op 4 maart 2019 :

Momenteel is de automatische uitwisseling van informatie over het eigendom van of de inkomsten uit een onroerend goed enkel geregeld tussen de lidstaten van de Europese Unie (zie artikel 8 van de Europese Richtlijn 2011/16/EU inzake administratieve wederzijdse bijstand). De lidstaten moeten evenwel enkel gegevens automatisch uitwisselen in de mate dat deze beschikbaar zijn. Bovendien mogen de ontvangen gegevens in principe enkel worden gebruikt voor fiscale doeleinden. Hiervan kan enkel worden afgeweken indien de wetgeving van de verstrekkende en van de ontvangende staat dergelijk ander gebruik toelaten en de verstrekkende staat hiermee expliciet instemt.

Met betrekking tot niet-EU landen zal ter verificatie van het onroerend goed bezit aldaar een beroep moeten gedaan worden op uitwisseling op verzoek voorzien in internationale belastingovereenkomsten (hetzij een dubbelbelastingverdrag, hetzij een "Tax Information Exchange Agreement", hetzij het multilateraal verdrag van de OESO en de Raad van Europa). Van belang is allereerst dat de Belgische fiscus enkel om inlichtingen kan verzoeken met het oog op een fiscale finaliteit. Er zal dus enkel een verzoek om inlichtingen kunnen worden gedaan aan een partnerland in het kader van een fiscaal onderzoek. Vooraleer dergelijk verzoek kan worden gedaan moet de Belgische fiscus wel eerst de nationale rechtsmiddelen hebben uitgeput om de inlichtingen te verkrijgen. Men kan zich dus pas naar de partnerstaat richten na beroep te hebben gedaan op de nationale controlemiddelen (verzoek om inlichtingen, etc.).

Een tweede belangrijke beperking is dat de ontvangen inlichtingen alleen ter kennis mogen gesteld worden van de personen of autoriteiten die betrokken zijn bij de vestiging of de invordering van de belastingen. In principe mogen de in het kader van de verdragen ontvangen inlichtingen van derde landen dus niet meegedeeld worden aan de sociale huisvestingsmaatschappijen. Het multilateraal verdrag van de OESO en de Raad van Europa en een aantal Belgische dubbelbelastingverdragen bepalen dat het gebruik voor andere doeleinden is toegestaan indien de wetgeving van beide betrokken staten dit toelaat en de verstrekkende staat hiervoor toelating verleent.

Los daarvan is het wel zo dat inlichtingen omtrent in het buitenland gelegen onroerende goederen worden verwerkt in het aanslagbiljet (al dan niet via een gewijzigde belastingaanslag) en op die manier ter beschikking kunnen komen van bijvoorbeeld de sociale huisvestingsmaatschappijen.

Mijn voorganger heeft de bevoegde dienst binnen de fiscale administratie gevraagd om contact op te nemen met een aantal landen teneinde te polsen naar hun bereidheid om een akkoord te sluiten voor de automatische uitwisseling van informatie over onroerende goederen. Concreet werd er contact opgenomen met Kameroen, Marokko, Rusland en Turkije. Geen van deze landen was bereid om onderhandelingen op te starten. De redenen hiervoor waren min of meer altijd de volgende: (1) er wordt momenteel prioritair werk gemaakt van de uitvoering van de automatische uitwisseling van financiële informatie conform de “Common Reporting Standard”, waartoe men zich heeft geëngageerd; (2) er is momenteel geen uniform internationaal formaat beschikbaar voor de automatische uitwisseling van informatie van onroerende goederen; (3) op internationaal vlak zijn er quasi geen landen die vragende partij zijn om dergelijke informatie uit te wisselen; (4) de informatie is niet steeds centraal en op elektronische wijze beschikbaar.

In het algemeen luidt de conclusie dat er buiten de EU context op dit ogenblik geen belangstelling is om een automatische uitwisseling van informatie over onroerende goederen te organiseren.

Specifiek nog met betrekking tot Marokko en Turkije kan ik mededelen dat België met beide landen informatie met betrekking tot onroerende goederen “op verzoek” kan uitwisselen. Zoals reeds eerder aangegeven moet dit verzoek een fiscale finaliteit hebben en moeten eerst alle intern onderzoeksmogelijkheden zijn uitgeput. De aldus ontvangen inlichtingen mogen voor andere doeleinden worden gebruikt indien de interne wetgeving van beide staten dit toelaat en de verstrekkende staat daarmee instemt.

Uit dit alles moet blijken dat het sluiten van fiscale akkoorden voor de automatische uitwisseling van informatie over onroerende goederen momenteel geen haalbare piste is. Zelfs indien een partnerstaat bereid zou worden gevonden hierover onderhandelingen op te starten dienen dergelijke akkoorden een fiscale finaliteit hebben, t.t.z. dat ze in de eerste plaats dienen om fiscale wetgeving te handhaven en fiscale fraude te voorkomen en te bestrijden. Mijn administratie is immers niet bevoegd voor het voeren van verdragsonderhandelingen die kaderen in de naleving van de sociale wetgeving of de bestrijding van sociale fraude beogen. Het lijkt me derhalve eerder aangewezen dat de hiervoor bevoegde Minister in overleg met de betrokken gewestelijke instanties onderzoekt of de nodige initiatieven kunnen worden ondernomen.