Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8935

van Hassan Bousetta (PS) d.d. 3 mei 2013

aan de minister van Werk

Het statuut van huisbediende

huishoudkunde
personeelsstatuut
dienstpersoneel
arbeidscontract
hulp in het huishouden
arbeidsvoorwaarden

Chronologie

3/5/2013 Verzending vraag
19/7/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-2981

Vraag nr. 5-8935 d.d. 3 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Frans)

De Nationale Arbeidsraad aanvaardde op 19 december 2012 unaniem het advies nummer 1.828, dat luidt: “....... drukt de Raad de wens uit dat het verdrag nr. 189 betreffende waardig werk voor het huispersoneel en de aanbeveling nr. 201 betreffende waardig werk voor het huispersoneel zo vlug mogelijk geratificeerd worden en dat daarnaast overleg plaatsvindt om voor de geleidelijke tenuitvoerlegging ervan te zorgen.”

De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt:

“De arbeidsovereenkomst voor dienstboden is de overeenkomst waarbij een werknemer, de dienstbode, zich verbindt tegen loon en onder gezag (...) van een werkgever, in hoofdzaak huishoudelijke handarbeid te verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin”. (artikel 5)

Onze wetgeving omvat dus specifieke bepalingen omtrent deze activiteit.

Sommige lijken uit een andere tijd te dateren, zoals bijvoorbeeld de verplichting van de werkgever om : “aan de dienstbode de middelen ter beschikking te stellen om zijn persoonlijke voorwerpen te bewaren”. (artikel 110 van de wet van 3 juli 1978)

Volgens een onderzoek over huispersoneel van de Organisatie voor Clandestiene Arbeidsmigranten, ORCA, zijn er in die sector niet alleen veel vrouwelijke buitenlandse werknemers, maar is het statuut ook minder gunstig dan dat van arbeiders of bedienden. Het loon van huispersoneel is het absolute minimumloon, het aantal overuren is onbeperkt en er is voor hen geen algemeen verbod op nachtarbeid. Hun statuut is des te problematischer omdat het huispersoneel geen volledige toegang heeft tot de sociale zekerheid (Het huispersoneel: een andere kijk - Brussel, maart 2010).

Het internationaal verdrag van de IAO nr. 189 voor het huispersoneel, waarover de NAR onlangs advies uitbracht, legt de minimale garanties en rechten vast voor de loontrekkenden in deze sector.

Volgens de informatie die op de websites van de verschillende vakbondsorganisaties circuleert, zouden slechts 3 van de 183 staten die lid zijn van de Internationale Arbeidsorganisatie dit internationale verdrag hebben geratificeerd (http://www.cgt.fr/).

Er zullen zeker dringender zaken zijn dan de ratificatie van dit verdrag, maar zou het niet aangewezen zijn dat Belgie een daadkrachtig signaal geeft inzake de sociale en juridische bescherming voor alle werknemers?

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op volgende vragen:

1) Zijn de leemten en de kwetsbaarheid van het statuut van het huispersoneel, die in het onderzoek van ORCA naar voren komen, nog steeds actueel? Welke maatregelen zal de minister nemen om dit te verhelpen?

2) Is het specifieke statuut van huispersoneel nog altijd gerechtvaardigd in het Belgische arbeidsrechtssysteem, dat op het punt staat de statuten van arbeiders en bedienden te harmoniseren?

Antwoord ontvangen op 19 juli 2013 :

Het engagement om de IAO-conventie betreffende het huispersoneel te ratificeren was reeds opgenomen in het regeerakkoord van 1 december 2011. Bovendien is de ratificatie van de IAO-conventie nr. 189 betreffende waardig werk voor het huispersoneel, zoals onderstreept in mijn nota over het algemeen beleid, één van mijn prioriteiten.

Overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), werd op 11 januari 2013 de regeringsverklaring die de voorlegging van het instrument van de IAO begeleidt, voorgelegd aan het Parlement. Deze regeringsverklaring houdt rekening met het op 18 december 2012 door de Nationale Arbeidsraad uitgebracht advies nr. 1829. 

Momenteel hebben reeds 7 landen de conventie nr. 189 geratificeerd en zou België dus in staat moeten zijn om deze zeer spoedig te ratificeren. 

Om deze ratificatie mogelijk te maken, is het in overeenstemming brengen van onze wetgeving met het door de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen instrument momenteel aan de gang.

Zo zal een einde worden gemaakt aan de uitsluiting van dienstboden en huispersoneel uit het toepassingsgebied van de welzijnswet van 4 augustus 1996.

Bovendien worden eveneens de noodzakelijke aanpassingen aangebracht aan de wetgeving inzake sociale zekerheid opdat alle huispersoneelsleden genieten van de sociale zekerheid. 

Ik vestig eveneens de aandacht op het feit dat de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor dienstboden onder de bevoegdheid vallen van het paritair comité nr. 323 voor het beheer van gebouwen en de dienstboden. Er werden in dit kader collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten inzake de barema’s en de arbeidsvoorwaarden van deze werknemers. 

Tenslotte onderscheidt de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten meerdere soorten arbeidsovereenkomsten : de arbeidsovereenkomst voor bedienden, voor werklieden, voor handelsvertegenwoordigers en voor dienstboden. Hier worden eveneens de arbeidsovereenkomst voor studenten en voor tewerkstelling van huisarbeiders aan toegevoegd. Titel 1 van deze wet groepeert de voor deze diverse overeenkomsten gemeenschappelijke bepalingen en de volgende titels bevatten de specifieke bepalingen voor iedere categorie werknemers.

De specifieke normen opgenomen in de titel van arbeidsovereenkomst voor dienstboden beogen vooral bepalingen in te voeren die aangepast zijn aan de integratie van een werknemer in een gezin.

Het behoud van deze bijzondere normen lijkt me dus steeds opportuun.