Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8169

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 19 februari 2013

aan de staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen, en staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister

Rijbewijs - Sanctie bij het niet tijdig inleveren - Cijfergegevens - Vervolging

rijbewijs
officiële statistiek

Chronologie

19/2/2013 Verzending vraag
28/5/2013 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-8168

Vraag nr. 5-8169 d.d. 19 februari 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Artikel 67 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt dat de bestuurder die een verval van het recht op sturen heeft opgelopen, zijn rijbewijs binnen de vier dagen na de dag waarop de kennisgeving door het openbaar ministerie is gedaan, moet inleveren bij de griffie van het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Dit geldt zowel voor het verval dat wordt uitgesproken om medische als om strafrechtelijke redenen.

Hieraan gekoppeld bepaalt artikel 40 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer dat elk verval dat als straf is uitgesproken ingaat de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan.

Er was echter in geen enkele sanctie voorzien voor de bestuurder die de bepaling uit het betreffende koninklijk besluit niet naleeft en zijn rijbewijs niet tijdig inlevert. Bijgevolg kon het openbaar ministerie alleen maar terugvallen op artikel 29, § 2, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de niet-naleving van deze bepaling laten vervolgen als een overtreding van de eerste graad.

Om daaraan te verhelpen werd op 18 juli 2012 de wet tot wijziging (toevoeging art. 49/1) van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer betreffende de inlevering van het rijbewijs bij het verval van het recht op sturen, goedgekeurd (BS 12.02.13). Daarin wordt bepaald dat met een geldboete van 200 euro tot 2000 euro en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste een maand of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, nadat tegen hem een verval van het recht tot sturen werd uitgesproken, zijn rijbewijs niet inlevert binnen de door de Koning bepaalde termijn.

De vraag is nu of een parket thans nog de keuzemogelijkheid heeft om deze overtreding te vervolgen door toepassing van art. 29 § 2 (geldboete van 50 euro), dan wel door toepassing van art. 49/1 ( geldboete van 200 euro tot 2000 euro, telkens maal 6) van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. Artikel 29, § 2 werd immers ongewijzigd gelaten. Indien dit het geval is, is het toch wel heel merkwaardig dat dezelfde strafbare feiten op een verschillende wijze kunnen worden bestraft.

In dit kader volgende vragen:

1) Beschikt de bevoegde minister over cijfergegevens voor de periode 2008 - 2012 betreffende het aantal personen dat zijn rijbewijs na het uitspreken van een verval ging inleveren? Hoeveel personen kwamen in die periode die verplichting niet na? Hoeveel personen werden op basis van artikel 29, § 2, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer vervolgd voor de niet-naleving?

2) Heeft een parket nu de keuzemogelijkheid om deze overtreding te vervolgen door toepassing van art. 29 § 2 (geldboete van 50 euro), dan wel door toepassing van art. 49/1 (geldboete van 200 euro tot 2000 euro, telkens maal 6) van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer? Zijn de parketten dan verplicht om de lichtste straf uit te spreken? Erkent de minister dat de wetgeving hier dan haar doel voorbijschiet? Zo ja, wat wenst ze daar aan te doen?

Antwoord ontvangen op 28 mei 2013 :

1) Deze cijfergegevens dienen te worden gevraagd aan mijn collega, de minister van Justitie. 

2) Er zijn meerdere argumenten die tegenspreken dat de strafrechter een keuzemogelijkheid zou hebben tussen de toepassing van artikel 29, paragraaf 2 en van artikel 49/1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, voor de bestraffing van een vervallenverklaarde persoon die het rijbewijs niet tijdig inlevert.  

Allereerst neemt, ingevolge het rechtsbeginsel lex specialis derogat legi generali, artikel 49/1 voorrang op artikel 29, paragraaf 2. De toepassing van het rechtsprincipe lex posterior derogat legi anteriori, heeft dezelfde uitwerking. Tot slot dient de rechter, ingevolge artikel 65 van het Strafwetboek, alleen de zwaarste straf uit te spreken wanneer een zelfde feit verscheidende misdrijven oplevert, dus de straf bepaald in artikel 49/1. 

Al deze argumenten gelden voor de strafrechter, ongeacht de kwalificatie die het openbaar ministerie aan het vervolgde feit heeft gegeven.