Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-7496

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 7 december 2012

aan de minister van Justitie

Prostitutie - Strafbaarheid - Vraag van vrouwenorganisaties - European Women's Lobby

prostitutie
vrouwenbeweging
strafsanctie

Chronologie

7/12/2012 Verzending vraag
13/12/2013 Herkwalificatie
18/12/2013 Antwoord

Geherkwalificeerd als : vraag om uitleg 5-4527

Vraag nr. 5-7496 d.d. 7 december 2012 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het gaat over een oud, maar nog steeds relevant discussiepunt: moet prostitutie strafbaar worden. De Europese vrouwenlobby (European Women's Lobby of EWL) bracht het punt terug op de politieke agenda, met een sterk pleidooi om prostitutie buiten de wet te plaatsen. De argumenten betreffen zowel de vaak gewelddadige en ontmenselijkte omgeving waarin prostitutie zich meestal afspeelt als algemeen morele en ethische overwegingen.

De EWL bepleit een algemene Europees aanpak; een nationale biedt weinig oplossingen. De blijkbaar positieve ervaringen met het Zweedse beleid, waar prostitutie 10 jaar geleden werd verboden, versterken dit voorstel.

De tegenstanders wijzen steeds op de onvermijdelijke verschuiving van prostitutie naar de illegale en daarom veel meer risicovolle circuits, waar zowel de prostituees als de klanten veel meer gevaren lopen.

Hierover de volgende vragen:

1) Welk standpunt huldigt de minister over het al dan niet strafbaar stellen van prostitutie?

2) Welke argumenten vindt zij het meest doorslaggevend en waarom?

3) Overweegt zij een nieuwe beleidsaanpak of blijft alles zoals het nu is?

Antwoord ontvangen op 18 december 2013 :

1. Allereerst moet worden verduidelijkt dat prostitutie in Zweden niet echt verboden is, in die zin dat de geprostitueerde persoon zelf niet onder de strafwet valt. Zweden stelt prostitutie echter gelijk met mensenhandel, ervan uitgaande dat de kwestie van de instemming in het kader van de prostitutie niet bestaat, en heeft dus beslist het betalen voor seksuele diensten strafrechtelijk te bestraffen. Het is dus wel degelijk de klant van prostitutie en niet de prostitutie op zich die strafrechtelijk kan worden bestraft. 

Het is trouwens utopisch ervan uit te gaan dat de louter juridische aanpak zou volstaan om een dergelijk complex fenomeen met danig veel aspecten (economisch, ethisch, sociaal, strafrechtelijk, enz.) te moduleren.  

Verder moeten we benadrukken dat het grensoverschrijdende karakter en het aanpassingsvermogen van prostitutie het effect beperken van elke poging om het fenomeen in te perken of aan te pakken, en diverse perverse effecten veroorzaken. 

Het bestraffen van de klant, zoals in Zweden, wekt een belangrijke vraag op: welke rol kan de klant in het kader van de strijd tegen gedwongen prostitutie spelen en wat is zijn verantwoordelijkheid? Een algemene bestraffing van de klant is op heden voor een land als België te ongenuanceerd. Enerzijds dreigt dit soort wetgeving op weinig bijval bij de bevolking te kunnen rekenen, waardoor de efficiëntie ervan zou verminderen. Anderzijds, ofschoon sommige klanten van geprostitueerde personen oneerbiedig of zelfs gevaarlijk kunnen zijn, kunnen andere klanten ook getuige zijn van verschillende misbruiken. Op die manier vormen ze een "inkijk” in de kern van het fenomeen. Een genuanceerdere houding ten aanzien van deze "getuigen" lijkt me dus constructief. Zo zouden we een voorbeeld kunnen nemen aan de goede Nederlandse praktijk “appearance is deceptive” of aan de werkzaamheden die in het kader van de mensenhandel op federaal niveau werden gevoerd, waarbij verschillende indicatoren werden bepaald die feiten van mensenhandel/mensensmokkel laten vermoeden. Deze elementen zouden de basis kunnen vormen van een informatie- en responsabiliseringscampagne van klanten van prostitutie om hen in staat te stellen vormen van dwang te ontdekken, maar ook om hen op hun verantwoordelijkheid aan te spreken voor het bestaan en de ernst van deze fenomenen. Deze impuls zou trouwens versterkt kunnen worden door de gedeeltelijke strafbaarstelling van het betalen voor seksuele diensten, waarvan men wist of had moeten weten dat ze onder dwang werden uitgevoerd. 

2. De prioritaire elementen waarop moet worden toegezien bij een mogelijke herziening van de wetgeving, zijn: 

In eerste instantie moeten de nefaste effecten van de wettelijke onduidelijkheid rond prostitutie worden benadrukt. Artikelen 379, 380 en 380bis van het Strafwetboek bestraffen weliswaar verschillende omkaderende handelingen rond prostitutie, die op zich wordt toegestaan, maar de toepassing ervan gebeurt niet systematisch. De aanpak van prostitutie gebeurt dus voornamelijk op lokaal niveau door gemeentelijke verordeningen en stedenbouwkundige voorschriften, waardoor er onveiligheid, heterogeniteit of zelfs tegenspraak tussen de verschillende lokale beleidsprojecten ontstaat en het fenomeen zich verplaatst.

Hieruit blijkt het belang van een overleg op zowel lokaal, nationaal als internationaal vlak om het aanpassingsvermogen en het grensoverschrijdende karakter van het fenomeen zo goed mogelijk tegen te werken.

3. Deze wetgevende opheldering zou er idealiter moeten komen door het opzetten van een geïntegreerd en integraal nationaal actieplan dat zich niet louter beperkt tot het wetgevende aspect. Zo zal de nodige aandacht moeten uitgaan naar: