Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-4030

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 28 december 2011

aan de staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken, en staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister

Artikel 38, § 5, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer - Verval van het recht tot sturen - Cijfergegevens over het aantal uitspraken

rijbewijs
overtreding van het verkeersreglement
verkeersveiligheid
vonnis
officiėle statistiek
geografische spreiding

Chronologie

28/12/2011 Verzending vraag
30/1/2012 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 5-846

Vraag nr. 5-4030 d.d. 28 december 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Artikel 38, § 5, van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer van 16 maart 1968 bepaalt dat de rechter het verval van het recht tot sturen moet uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B.

De wetgever heeft hier een afbakening gemaakt van categorieėn en heeft er duidelijk voor gekozen om enkel de duurtijd van het bezit van het effectief rijbewijs, en dus niet van het voorlopig rijbewijs, in rekening te brengen. Daar valt op zich veel voor te zeggen omdat de periode van het voorlopig rijbewijs toch eerder als een proefperiode kan worden beschouwd. Anderzijds neemt iemand met een voorlopig rijbewijs wel volwaardig deel aan het verkeer.

In bepaalde gevallen kan dit bizar overkomen. Bijvoorbeeld wanneer een bestuurder blijkt jaren met een voorlopig rijbewijs te hebben rondgereden. Het debat kan bijgevolg worden gelanceerd of de periode van het voorlopig rijbewijs al dan niet ook in aanmerking dient te worden genomen.

Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komt de redenering van de wetgever erop neer dat bestuurders die minder dan twee jaar een rijbewijs hebben en wegens onverantwoord rijgedrag veroordeeld worden tot het verval van het recht tot sturen, streng dienen te worden aangepakt en dit niet enkel, zoals het Grondwettelijk Hof aangeeft, omwille van hun beperkte rijervaring. In de praktijk gaat het vaak om jonge chauffeurs en er wordt vanuit gegaan / gehoopt dat een strenge aanpak in het begin van hun tijd als bestuurder, een zeker schokeffect zal teweeg brengen om zo tot betere inzichten te komen. De redenering als zouden jongeren nog " kneedbaar " zijn en nog op het rechte pad te brengen.

De praktijk zou echter leren dat het relatief veel voorkomt dat rechters in zaken te maken hebben met verlengingen van voorlopige rijbewijzen waardoor heel wat bestuurders jarenlang met een voorlopig rijbewijs rondreden. Alhoewel de redenering en de opvoedkundige bedoeling van het Grondwettelijk Hof gedeeld worden, wordt de sanctie, door rechters en praktijkmensen, zeker voor een eerste overtreding of voor sommige overtredingen, die niets met verkeersveiligheid te maken hebben, als overdreven ervaren. Zij zijn eerder van oordeel dat deze maatregel ook zou moeten gelden in de periode van het voorlopig rijbewijs te meer dat zij in de praktijk vaststellen dat vele van deze bestuurders de voorwaarden voor een voorlopig rijbewijs aan hun laars lappen.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Kunnen de geachte ministers meedelen hoeveel uitspraken er in de periode september 2007 tot op heden in ons land, opgesplitst per gewest en naar ernst en oorzaak, zijn geweest op basis van artikel 38, § 5, WPW? Tot welke sanctie werd er in die gevallen veroordeeld?

2) Kunnen de geachte ministers meedelen hoe vaak en voor welke duur voorlopige rijbewijzen de afgelopen vijf jaar in ons land zijn verlengd? In hoeveel gevallen werd er meer dan twee jaar rondgereden met een voorlopig rijbewijs?

3) Achten de geachte ministers het aangewezen de periode van het voorlopig rijbewijs ook in rekening te brengen voor de bepaling van artikel 38, § 5, WPW? Achten zij de sanctie voor een eerste overtreding of voor sommige overtredingen, die niets met verkeersveiligheid te maken hebben, als overdreven? Kunnen zij hun antwoord motiveren?

Antwoord ontvangen op 30 januari 2012 :

Ik verwijs voor de eerste vraag naar de minister van Justitie, die ter zake bevoegd is.

Voorlopige rijbewijzen worden nooit verlengd (tenzij voor de duur van een verval van het recht tot sturen), wel hernieuwd. Er zijn 3 modellen van voorlopig rijbewijs: het voorlopig rijbewijs voor categorie B (model 36 maanden of model 18 maanden) en het voorlopig rijbewijs voor de overige categorieën (model 3).

Een voorlopig rijbewijs van model 36 maanden (vrije opleiding met begeleider) kan altijd worden hernieuwd, op voorwaarde dat de kandidaat sinds minder dan drie jaar geslaagd is voor het theoretisch rijexamen. Bovendien bepaalt art. 3, derde lid, van het koninklijk besluit. van 10 juli 2006 dat na het verstrijken van de geldigheidsduur, de kandidaat pas een nieuw voorlopig rijbewijs kan bekomen na opnieuw in het theoretisch examen te zijn geslaagd.

Een voorlopig rijbewijs van model 18 maanden (20 rijschooluren en rijden zonder begeleider) is niet hernieuwbaar. Na het verstrijken van de geldigheidsduur kan de kandidaat enkel nog aanspraak maken op een voorlopig rijbewijs van 36 maanden, op voorwaarde dat hij sinds minder dan 3 jaar geslaagd is voor het theoretisch rijexamen.

Een voorlopig rijbewijs van model 3 (een jaar geldig) kan in principe niet worden hernieuwd voor dezelfde categorie, tenzij de geldigheid ervan sinds meer dan drie jaar is verstreken. Bovendien moet ook hier de kandidaat sinds minder dan 3 jaar geslaagd zijn voor het theoretisch examen.

Er zijn geen statistieken over hernieuwingen voor alle rijbewijshouders voorhanden.

Mijn administratie heeft, in de schoot van een werkgroep waarin ook politie, justitie en het Belgisch Instituut voor Verkeers Veiligheid (BIVV) vertegenwoordigd zijn, een wetsontwerp voorbereid waarin artikel 38, §5 van de Wegverkeerswet wordt aangepast en uitgebreid naar houders van een voorlopig rijbewijs, zodat er sprake is van een gelijke behandeling.

Het lijkt mij niet overdreven dat men vanaf de eerste overtreding tussenbeide wenst te komen. Gedurende de rijopleiding, alsook tijdens de twee jaren na het behalen van het rijbewijs, is een voorbeeldfunctie immers noodzakelijk, waarbij men na een overtreding onmiddellijk moet kunnen ingrijpen. Een recente studie van het BIVV aangaande de risico’s voor jonge bestuurders in het verkeer wijst op een duidelijk effect van ervaring op het ongevalsrisico: het ongevalsrisico neemt af met leeftijd en het is het hoogst tijdens de eerste duizenden gereden kilometers. Reden te meer dus om beginnende bestuurders weliswaar alle kansen te geven, met dien verstande dat zij, indien zij bepaalde overtredingen begaan, bijgestuurd moeten kunnen worden.