Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-4015

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 28 december 2011

aan de minister van Justitie

Partnergeweld - Aantallen - Profielen van de daders en de slachtoffers - Maatregelen

huiselijk geweld
seksueel geweld
geografische spreiding
officiŽle statistiek
slachtofferhulp

Chronologie

28/12/2011 Verzending vraag
3/6/2013 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 5-685

Vraag nr. 5-4015 d.d. 28 december 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Een van de meest onderschatte problemen blijft partnergeweld. Uit een rapport van 2009 van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijkt bijvoorbeeld dat geweld tegen vrouwen in hoofdzaak gepleegd wordt door de mannelijke intieme partners. Vijftien tot eenenzeventig procent van de vrouwen, afhankelijk van het land, wordt in de loop van haar leven slachtoffer van lichamelijk of seksueel geweld door hun echtgenoot of partner. In vier tot vierenvijftig procent van de gevallen was dit het geval in de laatste twaalf maanden. Partnergeweld kan ook fataal aflopen. Moorden op vrouwen worden in veertig tot zeventig procent van de gevallen gepleegd door de intieme partner.

Om een realiteitsgetrouw beeld van de omvang van het probleem samen te stellen, leg je best twee cijferreeksen naast elkaar: incidentiecijfers en prevalentiecijfers. Incidentiecijfers geven weer hoe vaak de politie geweldmeldingen geverbaliseerd heeft. We spreken ook van officiŽle criminaliteitscijfers. Prevalentiecijfers zijn het resultaat van (sociologisch) onderzoek. Zij geven aan welk percentage van de ondervraagde vrouwen tot dan toe geconfronteerd werd met geweldervaringen. Aan de hand van deze onderzoeken kan gepoogd worden een beeld te krijgen van het 'dark number' en dus het reŽle voorkomen van het fenomeen.

Het is tot op de dag van vandaag in BelgiŽ niet geheel duidelijk in welke mate partnergeweld voorkomt. Incidentiecijfers tonen vaak maar het topje van de ijsberg. Er heerst nog altijd een taboe rond partnergeweld. Er wordt bijgevolg niet altijd aangifte gedaan. Zeker bij seksueel geweld wordt zelden aangifte gedaan. Prevalentiemetingen zijn dan weer zeldzaam, verouderd of meten slechts een beperkt aspect.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1. Beschikt u over cijfergegevens betreffende partnergeweld voor 2007, 2008, 2009 en 2010, opgesplitst per gewest en naar aard en ernst van de feiten?

2. Kan u meedelen in hoeveel gevallen er werd gedagvaard voor de rechtbank? Tot hoeveel en welke veroordelingen heeft dit aanleiding gegeven? Kan u een gedetailleerde profielschets van de daders geven?

3. Beschikt u over cijfergegevens betreffende de zorg die aan slachtoffers van partnergeweld werd gegeven in voornoemde periode? Om welke behandelingen gaat het precies? Met welke problematiek kampten de slachtoffers? Kan de minister een gedetailleerde profielschets van het slachtoffer geven?

1) Kan u, binnen uw bevoegdheidsdomein, aangeven welke maatregelen de afgelopen drie jaar werden genomen om aan de problematiek van partnergeweld het hoofd te bieden? Acht u deze maatregelen voldoende of ziet u nog ruimte voor andere initiatieven en dewelke? Kan u uw antwoord motiveren?

Antwoord ontvangen op 3 juni 2013 :

Op basis van de inlichtingen die door de bevoegde diensten werden overgemaakt, kan ik u volgende elementen van antwoord meedelen.

1. Wat betreft de cijfergegevens inzake partnergeweld kan ik verwijzen naar een eerdere uitgebreide analyse van de statistische analisten bij het College van procureurs-generaal, die werd toegelicht in de Senaat als antwoord bij de parlementaire vragen nr. 4-6835 van de heer Dirk Claes en nr. 5-2356 van mevrouw Sabine de Bethune.

Samenvattend kan ik u melden dat in 2010 in totaal 50 095 dossiers partnergeweld binnengekomen zijn bij de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg. De meest voorkomende aard betreft slagen en verwondingen (ongeveer 41 %).

2. Ook deze cijfers werden gedeeltelijk toegelicht bij de hierboven genoemde vragen. Er wordt ongeveer in 12,5 % van de dossiers partnergeweld overgegaan tot rechtstreekse dagvaarding voor de rechtbank. Tot hoeveel en welke veroordelingen dit aanleiding gegeven heeft, is niet na te gaan. Op de website van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid kan u weliswaar de veroordelingsstatistiek raadplegen voor de periode van 1995 tot 2010 (zie: http://www.dsb-spc.be/stat). Maar deze veroordelingsstatistieken laten echter niet toe om de concreet gevraagde cijfers aan te reiken. De gehanteerde parameters (nomenclatuur, jaartal, jurisdictie, …) volstaan hiervoor niet. Veroordelingsstatistieken worden immers per misdrijf opgemaakt en partnergeweld betreft niet één misdrijf, maar kan onder vele strafbaarstellingen vallen. Zo zal bijvoorbeeld moord op de partner geregistreerd worden als moord (art. 394 Sw.). Uit de statistieken van moord is vervolgens niet te achterhalen hoeveel van deze moorden gepleegd werden door de intieme partner. Bovendien is het niet mogelijk om eenzelfde feit van partnergeweld doorheen de verschillende databanken te volgen. Er zou daarom een specifieke statistische zoekopdracht moeten worden geprogrammeerd wat, gezien de werklast en de beperkt beschikbare capaciteit voor dergelijke statistische opdrachten, niet haalbaar is in het kader van deze (parlementaire) vraag.

De databanken laten niet toe een gedetailleerde profielschets te maken van daders van partnergeweld. Op individueel dossierniveau gebeurt een profilering wel: het Openbaar Ministerie zal zijn beslissing tot bijvoorbeeld vervolging baseren op tal van elementen waaronder ook persoonsgebonden elementen van de verdachte. Daarbij kan de parketmagistraat, indien aan de voorwaarden voldaan is, beroep doen op het justitiehuis tot het opmaken van een maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsrapport. Deze informatie blijft echter op individueel dossierniveau.

Deze thematiek is wel reeds stof geweest tot wetenschappelijke studies. Ter illustratie verwijs ik graag naar D. DUTTON en andere, De partnermishandelaar. Een psychologisch profiel, Basic Books, Ney York, 2000, 195 p.

3. Deze informatie kan eerder gevonden worden bij de verschillende diensten onder de voogdij van de ministers bevoegd voor welzijn. Ik beschik over onvoldoende gegevens om een sluitend antwoord op deze vraag te geven. De diensten slachtofferbejegening en slachtofferonthaal van respectievelijk de politie en het Openbaar Ministerie (daartoe bijgestaan door de justitiehuizen) moeten het slachtoffer wel correct ontvangen en informeren. De justitieassistenten zorgen ervoor dat de slachtoffers binnen parket en rechtbank de nodige aandacht krijgen. Deze assistenten geven echter zelf geen (psychosociale) hulp, maar kunnen de slachtoffers wel in contact brengen met daartoe competente instanties en organisaties. Cijfergegevens omtrent het aantal slachtoffers van partnergeweld dat de justitiehuizen reeds bijstonden zijn nog niet voorhanden. Hieraan wordt echter gewerkt zodat dit in de toekomst wel mogelijk is. Net zoals bij de daders zullen justitieassistenten in concrete dossiers eveneens een schets maken van het profiel van het slachtoffer. Hierin worden echter geen typologieën gemaakt en dit wordt eveneens niet dossieroverkoepelend geregistreerd.

4. Met betrekking tot partnergeweld staan de voornaamste maatregelen gebundeld in de gemeenschappelijke omzendbrief nr. COL 4/2006 van de minister van Justitie en het College van Procureurs-generaal betreffende het strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld (in werking sinds 3 april 2006) en in het Nationaal Actieplan ter bestrijding van Partnergeweld en andere vormen van intrafamiliaal geweld 2010-2014. Beide beleidsdocumenten worden voortdurend opgevolgd en werden reeds geëvalueerd of worden momenteel geëvalueerd. Met betrekking tot de omzendbrief nr. COL 4/2006 verwijs ik graag naar de rapporten van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid, die u kan nalezen op haar website (www.strafrechtelijkbeleid.be). Wat het Nationaal Actieplan betreft, verwijs ik graag naar het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, onder de voogdij van mijn collega bevoegd voor Gelijke Kansen, die de coördinatie waarneemt van dit actieplan alsook van de opvolging ervan. Ook op hun website (http://igvm-iefh.belgium.be/) vindt u verdere informatie met betrekking tot dit beleidsdocument.

De genomen maatregelen hebben al tot een enorme verbetering van de aanpak van partnergeweld geleid. Ze zijn aldus voldoende, doch verbeteringen zijn uiteraard steeds mogelijk. Het lijkt mij daartoe opportuun de adviezen af te wachten van de specifieke werkgroepen terzake: met betrekking tot omzendbrief is dit een werkgroep “Intrafamiliaal geweld” in de schoot van het College van procureurs-generaal; met betrekking tot het Nationaal Actieplan is dit een interdepartementale werkgroep onder coördinatie van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen.