Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-379

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 24 november 2010

aan de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, toegevoegd aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie

Recht op maatschappelijke integratie - Leefloon - Schorsing door zwartwerk - Uitwisselen van informatie tussen openbare centra voor maatschappelijk welzijn

OCMW
minimumbestaansinkomen
zwartwerk
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid
sociale integratie

Chronologie

24/11/2010 Verzending vraag
20/4/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-379 d.d. 24 november 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI-wet) kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) een beslissing herzien in geval van "verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon".

In dat verband is ons het geval bekend van een persoon die samenwoonde met een echtgenote en enkele kinderen en als leefloongerechtigde een schorsing van twaalf maanden opgelegd kreeg wegens het uitvoeren van zwartwerk. Na de betekening van die beslissing verliet betrokkene het gezin en ging hij zich (samen met een van de kinderen) in een andere gemeente vestigen, waar hij opnieuw een leefloon verkreeg, ondanks zijn nog steeds lopende schorsing (uitgesproken door het OCMW dat oorspronkelijk bevoegd was). Ondertussen vroeg ook zijn vroegere samenwonende partner een leefloon aan, waarbij het overigens meer dan waarschijnlijk is dat ze op de hoogte was van het illegale werk.

Het stoot tegen de borst dat dergelijke vormen van shopping mogelijk zijn omdat dit de gelijkheid van behandeling doorkruist. Anderzijds blijkt er geen structurele gegevensdoorstroom te bestaan over het “leefloontrajectregister", omdat er desbetreffende geen centraal consultatieloket bestaat. Mocht dat wel het geval zijn, zouden de OCMW's in staat zijn om bij het onderzoek van een dossier, zonder verdere plichtplegingen, kennis te nemen van de "leefloonhistoriek" van een steunzoekende burger. Tevens blijkt er geen systeem te bestaan waarbij een structurele gegevensuitwisseling mogelijk is tussen en met. andere overheden (bijvoorbeeld de politie, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de arbeidsinspectie, arbeidsauditoraten, ...), wanneer er in hoofde van leefloongerechtigden onregelmatigheden worden vastgesteld. Wellicht kan worden onderzocht of de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid met betrekking tot deze informatie (of een deel ervan) geen informatieverstrekkend instrumentarium kan ontwikkelen.

1) In hoeveel dossiers werden herzieningsbeslissingen genomen in 2007, 2008, 2009 en 2010, in toepassing van artikel 22, § 1, van de RMI-wet?

2) In hoeveel van die gevallen ging het om het verzuim de inkomsten (al dan niet binnen het regulier arbeidscircuit en zo mogelijk met deze uitsplitsing) aan te geven die men samen met het leefloon genoot?

3) Werd al onderzocht, of is de staatssecretaris bereid dit te doen, of de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid geen informatieverstrekkend instrumentarium kan ontwikkelen om een structurele gegevensuitwisseling over de leefloontrajecten mogelijk te maken?

4) In welke mate kan het OCMW rekening houden met het verzuim van een meerderjarige samenwonende persoon, om inlichtingen mee te delen die een weerslag konden hebben op de situatie van de aanvankelijke, maar inmiddels geschorste, titularis van het leefloon, als die nadien financiële steun aanvraagt?

5) Acht de staatssecretaris het niet nuttig de instructie te geven dat, wanneer het leefloon wordt geschorst op grond van de vaststelling dat inmiddels inkomsten werden verworven uit zwartwerk, elk ander bevoegd OCMW die maatregel moet uitvoeren?

Antwoord ontvangen op 20 april 2011 :

In antwoord op uw vragen, kan ik u het volgende meedelen.

1.en 2. Mijn diensten beschikken niet over dergelijke statistieken. In de terugbetalingsprocedure die het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW)’s moeten volgen, moet immers niet worden meegedeeld waarop een bepaalde beslissing werd herzien, geschorst, ingetrokken of stopgezet, noch waarom een aan de Staat terugbetaalde som bij de betrokkene werd teruggevorderd. Natuurlijk is er hier wel een controle op voorzien, maar deze gebeurt ter plekke bij de OCMW’s. Bij de controle van de verslagen van de gevoerde sociale onderzoeken kan door de inspectiedienst van de Programmatorische Overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie dan wel worden vastgesteld welke onderzoeksdaden werden verricht en waarom een bepaald dossier werd herzien, maar cijfers daaromtrent worden niet systematisch bijgehouden.

3. In het managementplan 2010-2012 van de POD Maatschappelijke Integratie wordt een project rond het “elektronisch sociaal rapport” voorzien. Bedoeling is om te komen tot een gemeenschappelijke set van gegevens voor alle OCMW’s met betrekking tot het sociaal onderzoek, dat transfereerbaar is. Dit zou de OCMW’s moeten helpen bij het voeren van het eigen sociaal onderzoek en de daaruit vloeiende beslissing, zonder steeds van nul te moeten beginnen. Het project bevindt zich nog in de “pre-analyse-fase”.

4. Daar waar bij het leefloon een aantal voorwaarden tegelijk moeten vervuld zijn om al dan niet ervan te kunnen genieten, beoogt de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren dat éénieder in de mogelijkheid wordt gesteld een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Indien de menselijke waardigheid in het gedrang is, is het de plicht van het OCMW om op te treden. Het is echter aan het OCMW om bij iedere individuele aanvraag op autonome wijze - op basis van een sociaal onderzoek - te beslissen welke de meest aangewezen vorm van hulp voor die behoeftige is. Deze hulp kan evenwel verschillende van aard zijn : financieel, materieel, psychologisch;…

5. In de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie werd in artikel 30,§3, al uitdrukkelijk de mogelijkheid vermeld dat de door het bevoegde centrum uitgesproken administratieve sancties verder kunnen uitgevoerd worden door het centrum dat naderhand bevoegd wordt.