Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-330

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 5 november 2010

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie

Ziekenhuizen - Verloning van het personeel - Verschillen tussen openbare ziekenhuizen en andere ziekenhuisstructuren

ziekenhuis
personeel
bijkomend voordeel
arbeidsbezoldiging
loonpremie
verplegend personeel

Chronologie

5/11/2010 Verzending vraag
19/1/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-330 d.d. 5 november 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Openbare besturen hebben het niet altijd gemakkelijk om op een marktconforme en concurrentiŽle wijze aan personeels- en managementbeleid te doen. Zo hebben de openbare ziekenhuizen veel minder mogelijkheden om het personeel en het management een aantrekkelijk salaris en dito extralegale voordelen te bieden dan een ziekenhuis met het statuut van vereniging zonder winstoogmerk (vzw) of een privťziekenhuis. Een en ander is het gevolg van de schaarste aan verplegend personeel, waardoor er shopping- en wegkoopverschijnselen optreden. Dat hypothekeert voor een deel de slagkracht en het concurrentievermogen van de openbare ziekenhuizen.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) In welke mate bestaan er verschillen in de mogelijkheid om het personeel van vzw-ziekenhuizen of private ziekenhuizen beter te verlonen en extralegale voordelen toe te kennen, dan het personeel van openbare ziekenhuizen?

2) Heeft de minister een zicht op de verschillen die er ter zake bestaan (graag een oplijsting met een onderverdeling per gewest)? Erkent zij dat dit een concurrentieprobleem creŽert tussen openbare en andere ziekenhuizen?

3) Is het haar bekend dat directieleden van niet-openbare ziekenhuizen beduidend beter worden verloond (wedde, bedrijfswagen, groepsverzekering,†Ö)? Zo ja, kan zij dit toelichten? Staan er wettelijke voorschriften in de weg om directieleden van openbare ziekenhuizen een bedrijfswagen en andere extralegale voordelen toe te kennen? Staat de reglementering toe dat openbare ziekenhuizen via managementtoelagen werken?

4) Heeft zij een zicht op de loonspanningen, namelijk het verschil tussen de wedde op het laagste verdienniveau en die van het hoogste bij gelijke anciŽnniteit en de beginwedde van het laagste barema en dit van de hoogste anciŽnniteit in het hoogste barema, die in de ziekenhuissector van toepassing zijn? Zo ja, wil zij die oplijsten naargelang het gaat om een openbaar dan wel een niet-openbaar ziekenhuis, met een uitsplitsing per gewest?

Antwoord ontvangen op 19 januari 2011 :

Het budget van financiële middelen waarvan sprake in artikel 95 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, is een van de inkomstenbronnen van een ziekenhuis dat in essentie bepaald wordt door de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

In dit kader en globaal genomen maken de nadere regels voor het bepalen van dit budget van financiële middelen, concreet vastgelegd in het koninklijk besluit van 25 april 2002 (betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen) geen onderscheid tussen openbare of privéziekenhuizen, behalve voor wat betreft een aantal weinig relevante bijzondere maatregelen waartoe werd beslist tijdens de laatste sociale akkoorden die werden afgesloten voor de gezondheidszorgsector.

Vervolgens wil ik u eraan herinneren dat de verschillende onderdelen van bovenvermeld budget hoofdzakelijk forfaitair worden vastgelegd, met andere woorden zonder rechtstreekse link met de reële lokale kosten die door elk van deze onderdelen zijn gedekt. En dit principe van een forfaitaire financiering wordt ook toegepast voor de personeelskosten, ongeacht om welke personeelscategorie het gaat (met inbegrip van het omkaderingspersoneel, het verpleegkundig personeel, het wetenschappelijk personeel, …). De eventuele extra-legale voordelen of voordelen « in natura » die worden toegekend aan het ziekenhuispersoneel zijn niet gedekt door de federale forfaitaire financiering van de ziekenhuizen.

Voor de privé-instellingen worden de loonschalen in het paritair comité bepaald, en in het gewestelijk comité C en plaatselijk comité voor wat de overheidsinstellingen betreft.

Ongeacht het statuut van het ziekenhuis en in weerwil van die forfaitaire financiering, beschikt de federale minister van Volksgezondheid echter niet over de wettelijke middelen om een ziekenhuisbeheerder ertoe te dwingen om bepaalde – al dan niet belangrijke - extralegale voordelen al of niet aan zijn personeel of aan een deel daarvan toe te kennen, of om eenvoudigweg de loonschalen die als referentie dienen voor het vastleggen van de bovenvermelde forfaitaire financiering toe te passen.

Ik beschik niet over een geüpdate inventaris van de verschillen qua bezoldiging tussen de privésector en de openbare sector. Al lijkt het mij dat de eenmaking van het geldelijk (en administratief) statuut van aard is om ongewenste concurrentie in de ziekenhuissector te vermijden, toch moet ik de enerzijds aan de Gewesten en lokale besturen en anderzijds aan de sociale partners in het algemeen toegekende bevoegdheden eerbiedigen. Ik kan echter niet ontkennen dat een aantrekkelijke bezoldiging of extra-legale voordelen argumenten zijn die het mogelijk maken om, net zoals in elke andere activiteitssector, het beste of het meest gekwalificeerde personeel aan te trekken. Of men dit nu wil of niet, maar de ziekenhuissector is sinds de invoering van de gesloten budgettaire enveloppen, een concurrerende sector geworden. Dit is een realiteit waarvan men zich niet kan ontdoen; wat niet wegneemt dat wij, als beleidsverantwoordelijken, aandacht moeten blijven schenken aan het gebruik van de staatsgelden en aan een adequate en efficiënte controle daarop aan de hand van strikte en regelmatig geüpdate financieringsregels.

Wat tot slot de loonspanningen betreft, beschik ik niet over de nodige gegevens om u de gepaste informatie te verstrekken in verband met het verschil, bij gelijke anciënniteit, tussen de laagste en de hoogste wedde.