Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2355

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 18 mei 2011

aan de minister van Klimaat en Energie

Europees energiediversificatiebeleid - Afhankelijkheid van Russisch gas - Nieuwe pijpleidingen - Internationaal overleg

energievoorziening
energiediversificatie
energiebeleid
gasleiding
Rusland
zekerheid van voorziening

Chronologie

18/5/2011 Verzending vraag
18/7/2011 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2354

Vraag nr. 5-2355 d.d. 18 mei 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Sinds de Russisch-OekraÔense gascrisissen van 2006 en 2009 is de Europese Unie (EU) erg bezorgd om haar afhankelijkheid van Russisch gas. Uit vrees dat ze eenzelfde lot staat te wachten als OekraÔne is ze daarom haar energiebevoorrading gaan diversifiŽren. Deze beleidskeuze veruitwendigt zich in de aanleg van een nieuw pijpleidingnetwerk, de " Fourth Corridor ". De Nabucco-gaspijpleiding, het pronkstuk van de EU, maakt hier deel van uit. Onlangs raakte bekend dat de ingebruikname van de pijpleiding met twee jaar is verschoven naar 2017. In datzelfde jaar zouden ook de ITIGI- (Interconnector Turkey-Greece-Italy) en de TAP- (Trans Adriatic Pipeline) pijpleiding operationeel zijn. Het beperkt zich niet tot deze drie pijpleidingen. Om de afhankelijkheid van Russisch gas te reduceren wordt momenteel ook gewerkt aan de aanbouw van de Galsi-, Medgaz-, Baku-Tbilisi-Ceyhan- en Trans-Saharan Gas- pijpleiding.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Hoeveel draagt de Europese Commissie bij in de financiering van de hier bovenvermelde pijpleidingen?

2) Hoe rijmt de aanleg van een nieuw pijpleidingnetwerk met de EU-2020 doelstelling en de oproep van het Internationaal Energieagentschap (IEA) om " het roer radicaal om te gooien en te werken naar een post-fossiele toekomst "?

3) Deelt de geachte minister de mening dat de Russische economie sterk afhankelijk is van de export van fossiele brandstoffen naar de EU en het Russisch energiewapen daarom gerelativeerd moet worden? Zo ja, op welke grond kan de aanleg van de " Fourth Corridor " dan gelegitimeerd worden?

4) Hoe staat de hij tegenover de politisering van de energiebetrekkingen? Hoe staat hij tegenover de aanwezigheid van de Chinese en Amerikaanse vloot in zogenaamde " energy chokepoints ", zoals de straat van Hormuz en de straat van Malacca? Doet het geopolitiek getouwtrek hem denken aan de " Scramble for Africa " en de " Great Game " van de negentiende eeuw? Zo ja, hoe kunnen de spanningen die inherent voorkomen uit de wedren naar fossiele brandstoffen geneutraliseerd worden? Is een verhoogde internationale coŲrdinatie wenselijk?

5) Wat zijn de gevolgen van de oorlog in LibiŽ op de gastoevoer naar de EU via de Greensteam-pijpleiding? Dreigt een ernstig energietekort in ItaliŽ en Spanje als de Arabische lente overslaat naar Algerije, de derde belangrijkste bevoorrader in gas van de EU? Zo ja, zal de solidariteitsclausule zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon dan in werking treden? Is deze kwestie besproken in de Raad van de Europese Unie?

Antwoord ontvangen op 18 juli 2011 :

Ik heb de eer het geachte lid te antwoorden:

1. In november 2010 presenteerde de Europese Commissie de Communicatie inzake de infrastructuurprioriteiten tot 2020. In dit document werd de Zuidelijke Gas Corridor -waar onder andere het Nabucco_project, de Interconnector Turkije-Griekenland-Italië (ITIGI) en de Trans Adriatische Pijpleiding (TAP) binnen ressorteren- als een prioritaire corridor in de Europese infrastructuurontwikkeling bestempeld. De initiële ideeën in deze Communicatie, die verder bouwt op het bestaande TEN-E-kader, worden momenteel door de Europese Commissie uitgewerkt in een wetgevend initiatief, het zogenaamde "European Energy Security and Infrastructure Instrument".

Voor verdere details verwijs ik naar het antwoord van de minister van Buitenlandse zaken op de vragen met hetzelfde onderwerp die het geachte lid hem heeft gesteld.

Dit wetgevende voorstel zal onder andere de band leggen tussen de objectieve selectie van projecten van Europees belang en de financiering van deze projecten. Als uitgangspunt wordt hierbij het “de verbruiker betaalt” principe gehanteerd. Slechts in de uitzonderlijke gevallen waar een strategisch project niet door de markt wordt opgenomen kan publieke financiering aangewend worden om private fondsen aan te trekken.

2. De 20-20-20 doelstelling beoogt niet het volledig vervangen van fossiele brandstoffen, maar beoogt het huidige energiesysteem duurzamer te maken door onder meer het aandeel van hernieuwbare energie in de Europese energiemix te versterken. Het nieuwe Europese energie infrastructuurplan waarvan het pijpleidingennetwerk slechts een facet is, legt de Europese corridors voor het transport van gas, olie en elektriciteit vast. Het doel van de Zuidelijke Corridor is de gasmarkt van de Europese Unie (EU) rechtstreeks te verbinden met de grootste gasreserves ter wereld, geraamd op 90,6 triljoen kubieke meter. Het strategische doel van deze corridor is een voorzieningsroute voor de EU te verwezenlijken van ongeveer 10 tot 20 % van de Europese gasvraag in 2020. De operationele doelstelling van de ontwikkeling van een strategie voor de Zuidelijke Corridor is dat de Europese Commissie en de Lidstaten samenwerken met gasproducerende landen, alsook met landen die cruciaal zijn voor energietransport naar de EU, met de gezamenlijke doelstelling op snelle wijze duidelijke verbintenissen aan te gaan voor de levering van gas en de bouw van de infrastructuur voor het gastransport die noodzakelijk is in alle fasen van deze ontwikkeling.

3. Energie neemt een centrale plaats in de economische relaties tussen de EU en Rusland in. Een wederzijdse afhankelijkheid manifesteert zich doordat Rusland de belangrijkste energieleverancier van de EU is (25 % van totale petroleuminvoer en 25 % van totale gasinvoer), maar tegelijkertijd is Rusland sterk afhankelijk van Europese investeringen en van de EU als zijn belangrijkste afzetmarkt. Het globale energiebeleid van de EU is gericht op de verhoging van de energiezekerheid door het nastreven van diversificatie, zowel op het vlak van energiebronnen, als energieleveranciers en aanvoerroutes.

4. De combinatie van de toenemende vraag en onvoldoende uitbreiding van de productiecapaciteit in de wereld, heeft geleid tot een gespannen oliemarkt. De productiecapaciteit is geconcentreerd in slechts een aantal landen, waarvan Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten over een grote flexibiliteit beschikken om het aanbod te variëren. Hierdoor zou geopolitieke competitie kunnen ontstaan tussen consumerende landen om toekomstige energiestromen veilig te stellen.

Ik stel inderdaad vast dat landen zoals China en India langjarige contracten afsluiten met producerende landen om ook in de toekomst verzekerd te zijn van olie en gas, in ruil voor investeringen in verschillende sectoren in de producerende landen. In termen van internationale coördinatie onderneemt de Europese Unie reeds geruime tijd actie om de Europese coördinatie met betrekking tot externe relaties te versterken. Het aankomende Poolse Voorzitterschap heeft bovendien aangekondigd hiervan een prioriteit te maken. In het najaar zal de Europese Commissie een voorstel voor een Europese strategie voor externe betrekkingen voorleggen.

5. De conflicten in Libië hebben tijdens de nacht van 22 februari 2011 geleid tot de totale onderbreking van de gasstromen naar Italië via de « Greenstream »-pijpleiding. De invoer van gas uit Libië bedroeg nauwelijks 2 % van de gasvraag van de EU. Binnen de EU voeren enkel Italië en Spanje gas uit Libië in. Behalve de impact op de prijzen zou de bevoorrading van België weinig te lijden hebben van de politieke gebeurtenissen in Libië.

De onderbreking van de gasaanvoer via de « Greenstream»-pijpleiding betekent voor Italië een gasverlies van 29,2 mcm per dag; dat is 8,8 % van haar totale invoercapaciteit (332,4 mcm per dag). De aanvoeronderbreking vanuit Libië heeft geen gevolgen voor de Italiaanse gasconsumptie en brengt de bevoorrading van de klanten niet in het gedrang. Voor Spanje blijft de impact van de Libische crisis uiterst beperkt omdat tal van leveranciers die aardgas en LNG leveren aan de Spaanse markt zich in Algerije bevoorraden via pijpleidingen.

De Europese Commissie houdt de situatie voortdurend in het oog en evalueert haar constant. Het spreekt vanzelf dat een ernstigere politieke situatie in Algerije veel verstrekkendere gevolgen zou hebben voor de EU.

Het is duidelijk dat indien aanvoeronderbrekingen het evenwicht op de markten ernstig verstoren, er gebruik kan gemaakt worden van de toepassing van de solidariteitsmechanismen inzake olie en gascrisisbeleid. Dit dient evenwel in overleg te gebeuren met alle Lidstaten en via de geijkte fora. Ik herinner eraan dat dit voor gas dient te gebeuren via de Europese “Gas Coordination Group” en voor olie via het Internationaal Energie Agentschap dat over een wettelijk crisismechanisme beschikt.

Momenteel zijn er noch op de gas- noch op de oliemarkten indicaties dat er ernstige aanvoertekorten. Op 23 juni laatstleden heeft het EIA haar belangrijkste olie-invoerende leden opgeroepen om voor een periode van 30 dagen, eventueel verlengbaar met nog eens 30 dagen, een bepaald gedeelte van de nationale strategische voorraden vrij te geven voor eventueel gebruik door de markt. In dit kader heeft België zich verbonden om voor een totaal van ongeveer 810 000 vaten ter beschikking te stellen. Na afloop van vermelde periode zullen deze voorraden binnen de 60 dagen opnieuw vastgelegd worden (Belgisch Staatsblad van 29 juni 2011). Ik herinner er aan dat algemeen is aangenomen dat de strategische stocks niet dienen om de internationale prijzen te beïnvloeden maar om fysische olietekorten op te vangen.