Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-216

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 8 oktober 2010

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie

Ioniserende straling van medische oorsprong - Hoeveelheden - Vermindering

ioniserende straling
medische diagnose
radiobiologie
officiële statistiek
geografische spreiding

Chronologie

8/10/2010 Verzending vraag
10/3/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-216 d.d. 8 oktober 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Volgens een interne nota van de Rijksdienst voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) krijgt een Belg gemiddeld 2,25 millisievert "ioniserende stralingen van medische oorsprong" door zich heen. Dat is driemaal meer dan een Nederlander. Onze artsen laten te vaak röntgenopnamen (RX) en CT-scans maken. Die stralingen kunnen kankers en misvormingen bij foetussen veroorzaken.

In navolging van andere landen zal ons land een campagne voeren om die stralingen te beperken. De ziekteverzekering (RIZIV) en het departement Volksgezondheid zullen dit doen op vraag van de ziekenfondsen en artsenorganisaties. Huisartsen en reumatologen krijgen hun "profiel" waarin staat hoeveel onderzoeken ze voorschrijven vergeleken met anderen. De internationale "richtlijnen voor goed medisch handelen" worden opnieuw verspreid. Er komt ook een publiekscampagne.

Het is de bedoeling deze stralingen zo weinig mogelijk te gebruiken en bij gebruik de voorkeur te geven aan de machines met de laagste straling. Dat dient de gezondheid en spaart het budget. Daarmee wil het RIZIV 30 miljoen euro besparen. Als onze artsen de internationale richtlijnen zouden volgen, zou de gemiddelde stralingsdosis en de kosten al met 25 % dalen ("Belgen worden te veel bestraald", De Standaard, 3 september 2010, blz. 3).

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Heeft de minister cijfers over de hoeveelheid ioniserende stralen van medische oorsprong die Belgen in 2007, 2008, 2009 en de eerste helft van 2010 door zich heen kregen? Graag cijfers voor elk gewest afzonderlijk. Over hoeveel en welke onderzoeken gaat het hier precies?

2) Kan zij meedelen hoe die cijfers zich verhouden ten opzichte van de cijfers in de ons omringende landen (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, …)?

3) Bevestigt zij dat er een campagne gevoerd zal worden? Hoe zal die eruit zien?

4) Deelt zij de mening dat het volgen van de internationale richtlijnen de stralingsdosis en de kosten kunnen doen dalen? Hoe groot raamt zij die daling?

5) Acht zij nog andere maatregelen noodzakelijk om deze problematiek te verhelpen? Kan zij haar antwoord motiveren?

Antwoord ontvangen op 10 maart 2011 :

1. Volgens het Federaal Agentschap voor nucleaire controle (FANC) bedroeg in 2008 de gemiddelde individuele effectieve dosis, ten gevolge van medische beeldvorming 2,13 mSv. Deze 2,13 mSv staat los van de gemiddelde natuurlijke stralingsbelasting die in België ongeveer 2 mSv per jaar bedraagt.

De gegevens voor 2007 en 2009 zijn nog niet beschikbaar.

Men schat dat de gemiddelde individuele effectieve dosis jaarlijks met ongeveer 4% toeneemt.

In 2008 werden in België 13 034 247 radiodiagnostische onderzoeken uitgevoerd (met uitzondering van onderzoeken binnen de tandheelkunde).

Bij gelijke verdeling van leeftijd en geslacht kan uitgegaan worden van een variatie van 30 % tussen de verschillende provincies.

Een gedetailleerde tabel met verschillen per provincies en leeftijd vindt u in bijlage 1.

De onderzoeken die het meest bijdragen aan de dosisbelasting van de Belgische bevolking zijn:

de computerized axial tomography (CT-TDM):57%

de klassieke projectieradiografie (waaronder RX Thorax): 28%

onderzoeken op de dienst nucleaire geneeskunde (Scintigrafie, PET): 10%

In bijlage 2 vindt u een overzicht van de meest uitgevoerde onderzoeken en hun dosis.

Gemiddeld ondergaat één Belg op vijf jaarlijks een CT-onderzoek en een radiografisch onderzoek (cijfers 2008).

2. In Frankrijk bedroeg de gemiddelde individuele effectieve dosis bedroeg in 2007 1,3 mSv.

In Engeland bedroeg de gemiddelde individuele effectieve dosis in 2007 0,63 mSv.

In het Groot Hertogdom Luxemburg bedroeg de gemiddelde individuele effectieve dosis in 2002 1,97 mSv.

In bijlage 3 vindt u een overzicht terug afkomstig uit het UNSCEAR (United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation) rapport van 2008. De cijfers geven een overzicht van het aantal uitgevoerde radiodiagnostische onderzoeken en de populatie. Om de interpretatie van deze gegevens te bevorderen werd de verhouding aantal radiodiagnostische onderzoeken/populatie berekend (ratio).

In bijlage 4, opgesteld door het Franse Institut de Veille Sanitaire (INVS), vindt u een overzicht van de verschillen tussen enkele landen.

HERCA (Heads of European Radiological protection Competent Authorities) – Working Group 6 “on the surveillance of collective doses from medical exposures”) stelde in 2008 een lijst samen met de 20 meest uitgevoerde radiodiagnostische onderzoeken. De dosissen van deze 20 onderzoeken werden van 12 Europese landen per land opgeteld.

In bijlage 5 worden de aandelen van interventionele onderzoeken, radiografische- en fluoroscopische onderzoeken, “plain film radiografie” (klassieke radiografie) en Computer Tomografie weergegeven. Bijlage 5 toont dat in vergelijking met andere landen de stralingsdosis, afkomstig van diagnostische onderzoeken, in België erg hoog ligt. Dit door het veelvuldig gebruik van diagnostische technieken die gebruik maken van ioniserende straling, in het bijzonder CT.

3. In het kader van deze problematiek werd door de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid een werkgroep opgericht. Deze werkgroep is een overkoepelende werkgroep die drie subwerkgroepen stuurt. De overkoepelende werkgroep is opgebouwd uit de leden van de drie subwerkgroepen. Het gaat dus niet om losstaande initiatieven maar om initiatieven die ingebed zijn in een groter geheel. Binnen de overkoepelende werkgroep worden alle relevante partijen vertegenwoordigd. Alle in dit stuk vernoemde initiatieven zijn het resultaat van besprekingen tussen het FOD Volksgezondheid, het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) en het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC).

Iedere werkgroep zal initiatieven tot uitvoer brengen om een antwoord te bieden aan deze problematiek. De verschillende initiatieven worden onderstaand per werkgroep gegroepeerd.

Werkgroep sensibilisatie:

In het kader van een sensibilisatiecampagne zal een informatiefolder gemaakt en verspreid worden. Naast deze folder en affiche zal ook een website opgericht worden. De werkgroep baseert zich hierbij op de initiatieven van de AB campagne.

De informatiefolder richt zich tot de patiënt en zal verdeeld worden via de gemeentehuizen, de mutualiteiten en de artsen zelf.

In deze folders zal gewerkt worden rond drie punten:

- justificatie

- optimalisering (ALARA)

- informatie over gevoelige doelgroepen (bijvoorbeeld het ongeboren kind).

De folder zal inhoudelijk beknopte en voor de patiënt begrijpbare informatie bevatten. Door de patiënt te informeren zal deze minder druk zetten op de voorschrijvende arts en zouden minder onnodige onderzoeken door de patiënt gevraagd worden. De patiënt zal dus ook assertiever worden en meer communiceren met de arts over het gebruik van ioniserende straling.

De folders die de artsen zullen uitdelen zullen ook helpen om de arts zelf te sensibiliseren doordat hij zich zal voorbereiden op de vragen die patiënten hem hieromtrent zullen stellen.

Naast de folder zal de werkgroep ook affiches laten maken. Affiches zullen een zeer breed bereik hebben en zullen ook patiënten kunnen bereiken die weinig baat hebben bij de folder en de website. De affiche en de folder zullen dezelfde centrale slagzin vermelden.

De folder en de affiche zullen het adres van deze website vermelden. Op de website zullen patiënten uitgebreidere informatie kunnen terugvinden.

Werkgroep accreditering

Deze werkgroep werkt aan de ontwikkeling van een accrediteringsplan. Het doel van dit plan is de kwaliteit op de diensten medische beeldvorming te verbeteren.

Werkgroep guidelines

De werkgroep guidelines ontwikkelde richtlijnen voor het voorschrijven van diagnostische onderzoeken binnen de diensten radiologie en nucleaire geneeskunde. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de Franse richtlijnen gepubliceerd in 2005. De Franse Guidelines zijn een update van de «Guideline Summary Tables, Draft for consultation», voorgesteld door de European Association of Radiology in 2002.

Experts van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Radiologie hebben de Franse richtlijnen geactualiseerd voor wat de radiologische onderzoeken betreft en aan de Belgische situatie aangepast. In een tweede tijd zullen aangepaste aanbevelingen voor nucleaire geneeskunde worden uitgeschreven. Deze guidelines worden online ter beschikking gesteld en zullen naar de toekomst toe ook in boekvorm verschijnen. De guidelines zullen tussentijds geüpdatet worden aan de hand van de publicatie van Focus On Medical Imaging. Deze folia zullen opgebouwd worden conform de reeds bestaande Folia Pharmacotherapeutica.

Daarbij aansluitende initiatieven zijn het informeren van voorschrijvende artsen door het RIZIV. Terugkoppelingen van het voorschrijfgedrag door het RIZIV. Voorstellen met betrekking tot verbeterde elektronische communicatie om beter gebruik van reeds beschikbaar klinische gegevens te bevorderen.

4. Het RIZIV raamt de potentiële besparing voor wat betreft radiologische onderzoeken die gebruik maken van ioniserende straling op 30 miljoen euro. Tegelijkertijd zou een vermindering van de stralingsbelasting met ongeveer 25% bekomen worden.

5. Wij zijn ons er van bewust dat er veel aandachtspunten zijn. Een aantal van deze aandachtspunten worden in onderstaand stuk besproken:

a. De technologische evolutie van de apparatuur, gebruikt voor medische beeldvorming, gaat ontzettend snel. Hierdoor is het belangrijk om te investeren in moderne apparatuur. Moderne apparatuur biedt het potentieel om de dosis te verminderen (wanneer deze goed ingesteld worden). Bovendien kunnen sommige stralingsbelastende onderzoeken vervangen worden door onderzoeken met een NMR. Dit kan echter enkel wanneer NMR-toestellen voldoende beschikbaar zijn. De dosisbelasting voor de patiënt bij nieuwe apparatuur ligt bovendien veel lager dan bij oudere toestellen.

De initiatieven van de werkgroep guidelines zal vermoedelijk een kostenreductie veroorzaken door Evidence Based en rationeler gebruik van medische beeldvorming.

De hierdoor vrijgekomen bedragen zullen nodig zijn om de apparatuur op de diensten radiologie en nucleaire geneeskunde te vernieuwen.

b. Indien een onderzoek aangevraagd wordt dat niet aangewezen lijkt heeft een radioloog vandaag de dag niet altijd de mogelijkheid om dit onderzoek niet uit te voeren en nog minder om dit te vervangen door een meer aangewezen onderzoek. Radiologen zijn vragende partij voor dit substitutierecht. Hierbij moet echter overconsumptie door radiologen vermeden worden.

Bovendien moet men beseffen dat artsen zich in hun voorschrijfgedrag soms meer laten leiden door vrees voor mogelijke juridische geschillen met betrekking tot medische aansprakelijkheid dan door strikt medische overwegingen.

c. Door communicatie kunnen radiologen en voorschrijvende artsen van elkaar leren. Nu weet een radioloog vaak niet wat de onderliggende klinische problematiek is en kent hij onvoldoende de exacte klinische vraagstelling van de voorschrijvende arts, waardoor het door hem afgeleverde protocol een suboptimale meerwaarde biedt voor de verdere zorgverstrekking.

De technische instellingen van bestaande apparatuur kunnen verbeterd worden. Door het wijzigen van parameters op bepaalde toestellen kan men reeds een dosisvermindering verkrijgen zonder dat de diagnostische kwaliteit van de beelden achteruit gaat. Hierbij is vooral de aanwezigheid van aangepaste parameters voor onderzoeken op pediatrische patiënten noodzakelijk. Dit heeft des te meer belang omdat deze kinderen beduidend meer stralingsrisico lopen dan volwassenen.

In de praktijk wordt de positionering van de patiënt voor een radiografische opname vaak geleid door scopie. Dit is vaak niet nodig (of kan vaak tot een minimum beperkt worden). Deze praktijk draagt ongetwijfeld bij tot de hoge stralingsdosissen die in dit land vastgesteld worden.

d. Vaak worden kinderen op dezelfde wijze bestraald als volwassenen, dit terwijl dit absoluut niet nodig is. Het maken van diagnostische beelden bij kinderen vraagt andere parameters en vaak kunnen ook andere maatregelen (bijvoorbeeld opnames zonder strooistralenrooster) de dosis al drastisch verminderen.

De door het geachte lid gevraagde gegevens werden haar rechtstreeks meegedeeld. Gelet op de aard ervan worden zij niet gepubliceerd, maar liggen zij ter inzage bij de griffie van de Senaat.