Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-203

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 30 september 2010

aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, toegevoegd aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie

Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn - Verhoogde Staatstoelage - Criteria voor de steden en gemeenten - Aanpassing

OCMW
minimumbestaansinkomen
sociale integratie
sociale economie
opneming in het beroepsleven

Chronologie

30/9/2010 Verzending vraag
7/12/2011 Dossier gesloten

Heringediend als : schriftelijke vraag 5-4064

Vraag nr. 5-203 d.d. 30 september 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De federale overheid kent aan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW's) van sommige steden en gemeenten een verhoogde staatstoelage toe - namelijk 25 %, wat de staatstoelage op 125 % leefloon brengt - voor specifieke initiatieven gericht op de sociale inschakeling.

Een koninklijk besluit van 11 juli 2002 legt de criteria vast waaraan de gemeenten moeten voldoen en op basis waarvan de gemeenten nominatief worden vastgelegd. Voormeld koninklijk besluit bevat voor 2003 een lijst van veertien Vlaamse, twaalf Brusselse en negen Waalse gemeenten.

Het ministerieel besluit van 20 mei 2010 tot vaststelling van de lijst van steden en gemeenten waarvan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een verhoogde staatstoelage kunnen genieten voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling, legt de lijst vast voor 2010, waarbij 7.855.019,39 euro wordt verdeeld tussen de gemeenten van dezelfde, ongewijzigde lijst die in 2002 werd vastgelegd.

Voor 2010 wordt 2.903.247 euro voorbehouden aan Vlaamse gemeenten, 2.297.285 euro aan Brusselse en 2.654.485 euro aan Waalse gemeenten. Een analyse van die criteria leert dat kleinere centrumsteden onmogelijk op deze toelagen een aanspraak kunnen maken, hoewel ze, verhoudingsgewijs, even veel problemen kunnen hebben als in grotere steden.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1. Kan de staatssecretaris voor elke gemeente opgeven op grond van welke criteria (artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 2002) ze voor betoelaging werd geselecteerd ? Zijn die criteria, voor wat de gemeenten betreft, gedurende de voorbije acht jaar steeds ongewijzigd gebleven?

2. In hoeveel betoelaagde OCMW's werd het gewestelijke gemiddelde van het aantal tewerkstellingen van gerechtigden op maatschappelijke integratie, overschreden? Wil de staatssecretaris die gegevens voor de betoelaagde gemeenten op een lijst zetten voor de voorbije acht jaar en tegelijkertijd voor alle Belgische OCMW's vermelden waar dat in die jaren niet het geval was?

3. In welke mate werden de sociale inschakelingsinitiatieven geėvalueerd en hoe luiden de conclusies? Wil de staatssecretaris aangeven waaruit de "specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling" juist bestonden? In welke mate verschillen die van de initiatieven die werden / worden genomen door de OCMW's die niet in de lijst voorkomen?

4. Hoeveel en welke OCMW's kregen in de voorbije acht jaar een negatieve beoordeling in toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 2002? Aan hoeveel OCMW's werd, in toepassing van dit artikel 4, het saldo niet uitgekeerd en bijgevolg het voorschot van 75 % teruggevorderd?

5. Konden de door voormelde regelgeving begunstigde OCMW's in de voorbije periode ook een beroep doen op de traditionele maatregelen in het kader van de Sociale Inschakelingseconomie (SINE-maatregelen)? Zo ja, met hoeveel van die OCMW's werd gedurende deze acht jaar een overeenkomst gesloten en voor hoeveel tewerkstellingen? Graag cijfers per gewest.