Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-10286

van Guido De Padt (Open Vld) d.d. 4 november 2013

aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Justitie

Uitwijzing van niet EU-burgers wegens een onredelijke kost voor de sociale zekerheid - Dienst Vreemdelingenzaken - Cijfergegevens

Dienst Vreemdelingenzaken
verwijdering
officiŽle statistiek
sociale zekerheid
buitenlandse staatsburger
sociale lasten
immigratie
politiek asiel
asielzoeker

Chronologie

4/11/2013 Verzending vraag
5/12/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-10286 d.d. 4 november 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uit het antwoord op de eerder aan de geachte staatssecretaris gestelde parlementaire vraag nr. 5-9985 van 2 oktober 2013, blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) reeds gegevens over bepaalde categorieŽn van niet EU-onderdanen krijgt die een onredelijke belasting betekenen voor het sociale zekerheidsstelsel. Dit zou met name het geval zijn voor niet EU-burgers die een toelating tot verblijf hebben gekregen als familielid van een vreemdeling die hier een verblijfsrecht geniet (art. 10 en 10bis van de wet van 15/12/1980) en een niet EU-student die een verblijfsmachtiging heeft gekregen in het kader van zijn studies (art. 58 of art. 9 van de wet van 15/12/1980).

1) Kan de geachte staatssecretaris - in aansluiting op vraag 5-9985 - meedelen hoeveel niet EU-burgers uit ons land werden uitgewezen omdat ze een onredelijke kost betekenden voor onze sociale zekerheid?

2) Beschikt ze over cijfergegevens per bepaalde categorieŽn van niet EU-onderdanen die een onredelijke belasting betekenen voor het sociale bijstandsstelsel?

Antwoord ontvangen op 5 december 2013 :

Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op zijn vraag.

Wat de niet-EU burgers betreft, ontvangt de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) pas sinds april 2013 informatie van de Federale Overheidsdienst (FOD) Maatschappelijke Integratie over de familieleden van vreemdelingen en de niet-EU studenten die een beroep doen op het stelsel van sociale bijstand.

Er dient opgemerkt te worden dat het concept “onredelijke belasting” in de wet enkel voorzien is voor EU-onderdanen. Voor derde landers is er in bepaalde gevallen een inkomensvoorwaarde voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning. Tijdens de controleperiode kan nagegaan worden of er nog aan de voorwaarden, onder andere de inkomensvoorwaarde, voldaan is.

Sinds eind april 2013, werden 82 verblijfstitels ingetrokken van niet EU-burgers die een recht op verblijf bekomen hebben in toepassing van de artikelen 10/10bis van de Vreemdelingenwet als familieleden van een vreemdeling die in België een verblijfsrecht geniet omdat de betrokkenen niet meer beschikken over voldoende, regelmatige en stabiele inkomsten. Er dient te worden opgemerkt dat alvorens een beslissing tot intrekking van een verblijfstitel te nemen, de DVZ altijd rekening moet houden met de aard en de hechtheid van de familiebanden van de persoon, de duur van zijn verblijf in het Rijk, en het bestaan van familiale, culturele of sociale betrekkingen met het land van herkomst.

Voor wat de niet-EU studenten betreft die een verblijfsmachtiging hebben bekomen in het kader van de studies in toepassing van artikel 58 of artikel 9 van de Vreemdelingenwet, heeft de DVZ vastgesteld dat op de 128 gevallen die voorkomen op de lijst, er slechts 29 vreemdelingen waren die nog het statuut van student hadden. Om een einde te kunnen stellen aan het verblijf van deze studenten, dient de DVZ het artikel 61, § 2, 3° van de Vreemdelingenwet toe te passen dat zeer dwingend is. Een bevel om het grondgebied te verlaten mag slechts genomen worden indien de student een financiële steun van een Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) genoten heeft waarvan het totale bedrag berekend over een periode van twaalf maanden voorafgaand aan het nemen van de maatregel tot verwijdering, hoger is dan drie keer het maandelijks bedrag van het bestaansminimum en voor zover die hulp niet werd terugbetaald binnen zes maanden na de laatste ontvangen steun. In de praktijk schrijft de DVZ in dit geval de personen aan om te vragen te bewijzen dat zij de steun die hen werd toegekend, hebben terugbetaald. Als dat niet het geval is, krijgen zij een bevel om het grondgebied te verlaten.