Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-3811

van Sabine de Bethune (CD&V) d.d. 17 juli 2009

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan - Bevordering van borstvoeding - Maatregelen

volksgezondheid
moedermelk
Wereldgezondheidsorganisatie
vroegste kinderjaren
bewustmaking van de burgers

Chronologie

17/7/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 20/8/2009 )
7/9/2009 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 4-1032

Vraag nr. 4-3811 d.d. 17 juli 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan voor BelgiŽ (NVGP-B) werd in december 2005 opgesteld als antwoord op een aantal evoluties uit onze samenleving die leiden tot ongezonde leef- en voedingsgewoonten en vermindering van de fysieke activiteit. Het NVGP-B baseert zich hiervoor op de internationale initiatieven die bestaan op niveau van de Europese Unie en de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO), en in het bijzonder de WGO Globale strategie betreffende voeding, fysieke activiteit en gezondheid.

Ook inzake borstvoeding worden een aantal concrete doelstellingen geformuleerd. De voeding tijdens de eerste levensmaanden is van cruciaal belang. Het is de meest natuurlijke manier om baby's en jonge kinderen te voeden en verzekert de meest optimale groei, ontwikkeling en gezondheid van de zuigeling en het jonge kind.

De bescherming en bevordering van borstvoeding is een belangrijke prioriteit voor de volksgezondheid en het NVGP-B.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen:

1. Het NVGP-B streeft naar een percentage van 50 % borstvoeding op de leeftijd van drie maanden tegen 2010. Volgens cijfers van Kind en Gezin krijgt in Vlaanderen slechts 35 % van de kinderen nog borstvoeding op drie maanden. Wat is het percentage momenteel voor gans BelgiŽ? Is 50 % tegen volgend jaar haalbaar?

2. Tegen 2015 wil men de Zweedse standaard halen en meer dan 90 % van de pasgeborenen gedurende zes maanden borstvoeding geven. Welke beleidsondersteunende maatregelen - zoals de verbetering van de voorwaarden voor het ouderschapsverlof - zal de geachte minister nemen om deze doelstelling te halen?

3. In welke mate wordt het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding nageleefd in de geest van de " Internationale Wereldgezondheidsorganisatie-code inzake Marketing van Borstvoedingssubstituten "?

4. Tegen 2010 zou 25 % van de ziekenhuizen de status van " Baby-vriendelijk ziekenhuis " moeten hebben. Volgens mijn informatie hebben momenteel dertien ziekenhuizen dit label. Welke inspanningen worden er genomen om meer ziekenhuizen te stimuleren dit kwaliteitscertificaat te behalen?

5. In welke mate worden er maatregelen genomen om de opleiding van gezondheidswerkers op het vlak van borstvoeding beter uit te werken?

6. Welke maatregelen neemt zij om borstvoeding bij pre- en dysmaturen aan te moedigen?

Antwoord ontvangen op 7 september 2009 :

1.In Vlaanderen wijzen beschikbare cijfers van 2002 erop dat ongeveer 63,4 % van de kinderen op de leeftijd van zes6 dagen borstvoeding krijgen en ongeveer 25 % van de vrouwen nog steeds exclusief borstvoeding geven na 3 maanden. 14 % van de kinderen krijgt na 3 maanden reeds gemengde voeding (gedeeltelijk borstvoeding, aangevuld met volledige zuigelingenvoeding en/of vaste voeding). In de Franse Gemeenschap kregen in 2003 gemiddeld 77 % van de zuigelingen borstvoeding na de bevalling. Op de leeftijd van 3 maanden kregen nog 40 % van de zuigelingen exclusief borstvoeding.

Er zijn momenteel nog geen nationale gegevens ter beschikking rond exclusieve borstvoeding na 48 uur en 6 maanden (twee referentietijdstippen zoals aanbevolen door de WGO). In het kader van het Europees actieplan ter bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding, heeft het Nationaal Voedings- en Gezonheidsplan (NVGP) financiële ondersteuning verleend voor een project waarbij gegevens werden verzameld bij 14 Belgische materniteiten rond de voeding van zuigelingen 48 uur en 6 maanden na de geboorte. De gegevens worden momenteel nog gevalideerd door de projectcoördinator. Er werden initiatieven gestart om een regelmatige verzameling van vergelijkbare gegevens rond exclusieve borstvoeding en de voeding van zuigelingen op nationaal niveau te organiseren.

1. Er wordt ook onderzocht in hoeverre het mogelijk is om het babyvriendelijk ziekenhuisinitiatief (BFHI) verder te zetten en eventueel uit te breiden: de keuze voor flesvoeding vloeit namelijk vaak al voort uit moeilijkheden bij het starten met borstvoeding na de bevalling.

2. Zoals in Zweden, is het streven naar eenvormigheid in de begeleiding van borstvoeding in de kraamklinieken is fundamenteel in het voeren van een borstvoedingsbeleid. Een uitwisseling van ervaringen tussen materniteiten is hierbij zeer belangrijk.

De hervatting van buitenhuis werken speelt ook een grote rol. Het is daarom redelijk te veronderstellen dat de prevalentie en duur van borstvoeding sterk zouden kunnen verhoogd worden indien een geheel van specifieke ondersteunende maatregelen zouden genomen worden zoals bijvoorbeeld borstvoedingspauzes, borstvoedingsverlof, ouderschapsverlof, enz. Op termijn zou het niveau zoals geobserveerd in de Scandinavische landen kunnen bereikt worden.

3. De bepalingen met betrekking tot zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding in het koninklijk besluit van 18 februari 1991 zijn een omzetting van de Europese richtlijn 2006/141/EG inzake zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en tot wijziging van de richtlijn 1999/21/EG. Overweging 27 van de Europese richtlijn geeft duidelijk aan dat rekening gehouden met de Internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk.

4. Op dit moment hebben 14 materniteiten het BFHI-certificaat. Dit jaar zijn er 16 materniteiten die er zich eveneens op voorbereiden en waarvoor eind 2010, na de evaluatie, zal gekend zijn of ze voldoen aan de criteria om dit certificaat te behalen. De doelstelling dat een kwart van de ziekenhuizen (30 van de 121 materniteiten) dit label dragen tegen 2010, zal dan ook hoogstwaarschijnlijk gehaald worden.

5. De opleiding van gezondheidswerkers is een bevoegdheid van de Gemeenschappen. De continue bijscholing is ook belangrijk. Daarom zal er op 2 oktober 2009 een wetenschappelijk symposium georganiseerd worden door het NVGP. Het symposium is bedoeld voor gezondheidswerkers (gynaecologen, anesthesisten, kinderartsen, huisartsen, lactatiedeskundigen, kinderverpleegkundigen, enz.). De verschillende thema’s die aan bod zullen komen zijn het belang van borstvoeding, kinder- en moedervriendelijke praktijken voor en na de bevalling, het overkomen van moeilijkheden voor het behalen van het BFHI label.

6. Deze problematiek wordt behandeld in het kader van het BFHI. Moeders van pre- en dysmaturen hebben nood aan bijkomende ondersteuning bij de geven van borstvoeding; borstvoeding (indien nodig afgekolfd) is de meest aangewezen voeding voor pre- en dysmaturen, die met borstvoeding inderdaad sneller zullen ontwikkelen en bijkomen dan met aangepaste zuigelingenvoeding. In het kader van het NVGP werd dan ook de aanbeveling geformuleerd aan het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekeringen (RIZIV) om alle materniteiten te voorzien met een gespecialiseerde lactatiedeskundige.