Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-2568

van Jurgen Ceder (Vlaams Belang) d.d. 12 januari 2009

aan de minister van Justitie

Beleidscellen - FOD's - POD's - Studieopdrachten

ministerie
dienstverleningscontract
openbare aanbesteding
overheidsadministratie
overheidsopdrachten

Chronologie

12/1/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 12/2/2009 )
9/6/2009 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 4-1938
Geherkwalificeerd als : vraag om uitleg 4-951

Vraag nr. 4-2568 d.d. 12 januari 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Regelmatig worden er door de ministers en staatssecretarissen, hun beleidscellen (cellen beleidsvoorbereiding) en administraties studies besteld bij derden.

Kan u mij voor elke studieopdracht die vanaf 10 juni 2007 door u, uw eventuele voorganger(s), uw kabinet of administratie werd uitgeschreven het volgende meedelen:

1. het onderwerp van de studieopdracht en omschrijving ervan;

2. de vraagstelling of beleidsproblematiek die aan de basis ligt van de opdracht; welke beleidsdoelstelling wordt er met andere woorden mee betracht?

3. de wijze van gunning en naam en plaats van de exploitatiezetel/woonplaats van diegene aan wie de studieopdracht werd toegewezen,

4. Werd de opdracht aan de meest voordelige (goedkoopste) offerte toevertrouwd en zo neen, waarom niet?

5. de datum waarop de opdracht werd aanbesteed en datum waarop deze dient/diende te worden afgeleverd.

6. de totale kostprijs van de studie;

7. de taal/talen waarin deze studie (eindrapport) werd/wordt opgesteld en afgeleverd;

8. de verspreiding die aan het eindrapport van deze studie werd/wordt gegeven;

9. de concrete gevolgen er aan de resultaten en de conclusies van deze studie werden gegeven.

10. Op welke wijze werden de conclusies van de studie met andere woorden in het beleid omgezet en uitgevoerd? Wat is in voorkomend geval de actuele stand van zaken van de uitvoering van de conclusies van deze studie?

Antwoord ontvangen op 9 juni 2009 :

Directoraat –generaal Justitiehuizen

1. Onderzoek naar het statuut van de werkgestrafte/dienstverlener in het kader van de wetgeving inzake het welzijn op het werk.

Het onderzoek omvat volgende vragen:

1. Is de wet inzake het welzijn op het werk van toepassing op personen die een werkstraf uitvoeren?

2. Wie is in voorkomend geval te beschouwen als werkgever van voor de toepassing van de wet en haar uitvoeringsbesluiten?

3. Welke rechten en plichten hebben de betrokken actoren: de werkgestrafte, de prestatieplaats, de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie?

4. Verdient het, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de arbeid verricht door een werkgestrafte en naar analogie van bijzondere statuten voor ander personen betrokken bij triangulaire arbeidsverhoudingen (interimarbeiders, stagiairs), aanbeveling te voorzien in een apart statuut voor de werkgestrafte/dienstverlener in het kader van de wetgeving inzake het welzijn op het werk en, in voorkomend geval, hoe kan een dergelijk statuut worden tot stand gebracht?

Dit onderzoek moet resulteren in een eindrapport.

2. Met dit onderzoek wil ik tegemoetkomen aan de steeds weerkerende vraag van prestatieplaatsen om, in het kader van de werkstraf, tussen te komen in de kosten die voortvloeien uit de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Deze wet stelt dat dergelijke kosten dienen gedragen te worden door de werkgever. De wetgever blijft echter vaag over wie als “werkgever” en wie als “werknemer” dient te worden beschouwd. Gezien het bij de werkstraf om een bijzondere vorm van arbeid gaat (binvoorbeeld. tijdelijke arbeid, geen arbeidsovereenkomst, geen loon, uitvoeren tijdens vrije tijd, enz.) is een uitklaring op dit punt noodzakelijk.

3.Onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.

Vrije Universiteit Brussel

Pleinlaan 2

1050 Brussel

België

4. Er werd drie universiteiten, te weten de KUL, de Universiteit Antwerpen en de VUB, voorgesteld de studie te maken.

Enkel de VUB heeft het idee van het project aanvaard. De twee andere universiteiten hebben geweigerd. De vraag is dan ook niet van toepassing.

5. De datum van aanbesteding is 10 maart 2008 en de studie is definitief afgeleverd op 21 augustus 2008.

6. De totale kostprijs bedraagt 5 500 euro inclusief BTW.

7. De studie is opgesteld en afgeleverd in het Nederlands.

8. Het eindrapport werd tot op heden nog niet verspreid via publicatie.

9. Rekening houdende met de conclusies van het onderzoek, wordt momenteel onderzocht op welke manier en in welke mate de FOD Justitie kan tegemoet komen in de terugbetaling van de kosten die voortvloeien uit de wet van 4 augustus 1996.

10. Zoals ik heb aangekondigd in mijn beleidsverklaring zal in de loop van 2009 een duidelijke regeling worden uitgewerkt.

Dienst voor het Strafrechtelijk beleid

1.Onderwerp en omschrijving: wetenschappelijk onderzoek houdende de “kwalitatieve evaluatie van het pilootproject “Drugsbehandelingskamer” aan de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent”

Voorwerp van de studieopdracht

a) Het onderzoek omvat twee evaluatiemomenten. Enerzijds wordt een tussentijdse kwalitatieve evaluatie voorzien en anderzijds een eindevaluatie. De evaluaties zullen plaatsvinden door middel van interviews bij alle stakeholders (betrokken partners - zetel, parket, griffie, balie, hulpverlening, justitiehuizen en cliënt).

De tussentijdse kwalitatieve evaluatie vindt plaats in mei 2009 en behelst een eerste kwalitatieve inschatting, gericht op een eventuele bijsturing van het pilootproject.

De kwalitatieve eindevaluatie vindt plaats in mei 2010.

In het kader van deze twee evaluatiemomenten, dienen onder meer volgende elementen in rekening worden gebracht: beleving door actoren, tijdsinvestering, trajectverloop, samenwerking tussen actoren, beslissingscriteria in de verschillende fasen van het project en de kritieke succesfactoren van het project.

b) Het onderzoek dient een wetenschappelijke methodologie aan te reiken die de verdere kwalitatieve opvolging van het project in de toekomst mogelijk maakt. Hierbij dienen de eerder beschreven elementen namelijk. beleving door actoren, tijdsinvestering (hoe beoordelen de actoren de ‘return on investment’ ten aanzien van de geïnvesteerde tijd), trajectverloop, samenwerking tussen actoren, beslissingscriteria in de verschillende fasen van het project en de kritieke succesfactoren van het project in rekening worden gebracht, en is het belangrijk dat de vooropgestelde doelstellingen van het project SMART worden gedefinieerd.

c) De onderzoeksploeg dient aanbevelingen en goede praktijken te definiëren met het oog op een eventuele uitbreiding of veralgemening van het project in de Rechtbanken van Eerste Aanleg.

Vraagstelling/beleidsproblematiek:

Situering van het evaluandum:

Op 19 maart 2008 werd het samenwerkingsprotocol ‘pilootproject drugbehandelingskamer’ afgesloten tussen de minister van Justitie, het Netwerk Zorgcircuit Middelenmisbruik Oost-Vlaanderen, de Procureur des Konings te Gent, de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent en de Stafhouder van de balie te Gent.

Het pilootproject 'drugbehandelingskamer' heeft tot doel binnen de schoot van de rechtbank van eerste aanleg te Gent een gespecialiseerde kamer te voorzien voor niet georganiseerde drug- en druggerelateerde criminaliteit waarbij in hoofde van de beklaagden een verslavingsproblematiek aan de grondslag ligt van de feiten waarvoor zij worden gedagvaard. Het pilootproject is van start gegaan op 1 mei 2008, en loopt over een periode van twee jaar.

Overeenskomstig het protocol wordt het pilootproject wetenschappelijk begeleid en geëvalueerd door de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid.

Het kwantitatieve luik van de evaluatie zal door de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid zelf worden gewaarborgd. Enerzijds wordt voorzien in de creatie van een databank op maat waarin de cijfermatige gegevens voor de opvolging van het pilootproject kunnen worden gevat, anderzijds staat de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid in voor de analyse van deze cijfergegevens.

Het kwalitatieve luik van het evaluatieonderzoek zal aan een universiteit worden uitbesteed en maakt daarom het voorwerp uit van onderhavige studieopdracht.

3. Gunning: de gunning gebeurde via een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in overeenstemming met de gunningscriteria, vermeld in artikel 1.14 van het bijzonder bestek, met name de prijs (60/100) en de kwaliteit van de voorgestelde offerte en van de personen die meewerken aan de studie (40/100).

4. Er werden twee offertes ingediend.

De opdracht werd in casu gegund aan de meest voordelige (goedkoopste) offerte.

5. Datum aanbesteding: 18 september 2008 ; duur van de opdracht: de opdracht vangt aan op 1 januari 2009 en de diensten moeten in elk geval worden verleend binnen de vastgestelde termijn van achttien maanden.

6. Totale kostprijs van de studie = 12 741.30 euro (inclusief BTW).

7. Taal: Nederlands (gelet op het feit dat het pilootproject dat het voorwerp van de studie uitmaakt uitsluitend in een Nederlandstalig rechtsgebied plaatsvindt)

8. Verspreiding: benevens een studiedag en het benutten van de onderzoeksresultaten in het kader van het universitair onderwijs, zijn verdere modaliteiten van verspreiding van het eindrapport nog niet bepaald. Mogelijkerwijs zal het rapport het voorwerp uitmaken van publicatie in de publicatiereeks van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid.

9. Gevolgen: deze kunnen nog niet worden ingeschat aangezien de studie nog niet van start is gegaan. Mogelijke gevolgen zijn de stopzetting of verderzetting (al dan niet na bijsturing) van het pilootproject en/of een ruimere implementatie.

10. Nog niet van toepassing.