Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-1918

van Jurgen Ceder (Vlaams Belang) d.d. 29 oktober 2008

aan de eerste minister

Vakbonden - Federale overheid - Ledentelling - Controle

vakbond
ambtenarenvakbond
personeelsvertegenwoordiging
telling
vakbondsvrijheid

Chronologie

29/10/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 27/11/2008 )
27/11/2008 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-1919

Vraag nr. 4-1918 d.d. 29 oktober 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Een veel voorkomende klacht van onafhankelijke vakbonden bij de overheid is dat hun leden actief en streng geteld worden, terwijl dit bij ACV, ABVV en ACLVB niet gebeurt. Deze telling is voorgeschreven in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Graag antwoord deze vragen:

1. Welk is het algemeen comité dat bevoegd is voor het personeel van de federale overheid, zoals bepaald in artikel 4 van de bovenvermelde wet?

2. Welke vakbonden worden beschouwd als representatief in de zin van artikel 6 en 7 van deze wet? Meent de geachte minister dat deze wetgeving moet aangepast worden om ook onafhankelijke vakbonden hier toe te laten?

3. Welke sectorcomités zijn bevoegd voor het personeel van de federale overheid?

4. Welke bijzondere comités zijn bevoegd voor het personeel van de federale overheid?

5. Welke is de vakbond die bij de federale overheid 'het grootste aantal bijdrageplichtige leden telt onder de andere vakorganisaties dan die bedoeld in 1° en die een aantal bijdrageplichtige leden telt dat ten minste 10 procent vertegenwoordigt van de personeelssterkte van de diensten welke onder het comité ressorteren.', zoals bepaald in artikel 8 van deze wet?

6. Volgens de wet worden de ledenaantallen van de vakbonden bij de overheid elke zes jaar geteld door een commissie voor representativiteitscontrole. Wanneer voerde deze commissie de laatste keer haar telling uit, wie waren de leden ervan, en hoeveel leden telden de vakorganisaties toen bij de federale overheid?

7. Uit mijn gegevens blijkt dat vakbonden leden driedubbel tellen, en leden blijven handhaven als 'lid' ook al betalen zij al jaren geen lidgeld meer. Heeft deze commissie iets meer gedaan dan een 'verklaring' te vragen aan de vakbonden? Heeft zij effectief bij ACV, ABVV en ACLVB een controle gedaan van de ledenlijsten? Werd hiervan een rapport gemaakt? Zo ja, kreeg ik graag een kopie.

8. Wanneer zal deze commissie haar eerstvolgende ledentelling uitvoeren? Wie maakt er deel van uit? Meent de geachte minister dat een daadwerkelijke controle bij ACV, ABVV en ACLVB tegen dubbeltellingen en valse leden moet uitgevoerd worden?

9. Hoeveel syndicale premies betaalde de federale overheid uit in het jaar dat de ledentelling door de commissie werd uitgevoerd? Komt dit aantal overeen met het aantal door de commissie vastgestelde vakbondsleden, en zo neen, waarom niet?

Antwoord ontvangen op 27 november 2008 :

Voorafgaande opmerking:

In de publieke sector zijn niet de Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) en de Algemene Centrale der liberale vakbonden van België (ACLVB) actief maar wel de Federatie van de christelijke syndicaten der openbare diensten (FCSOD), de Algemene Centrale der openbare diensten (ACOD) en het Vrij Syndicaat van het openbaar ambt (VSOA).

1. - 5. Ik verwijs naar het antwoord van de minister van Ambtenarenzaken, aan wie de vraag eveneens werd gesteld (schriftelijke vraag nr. 4-1919).

6. Sedert de wetswijziging van 15 januari 2002 (Belgisch Staatsblad van 25 januari 2002) worden de vakorganisaties die voldoen aan de bepalingen van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 ambtshalve beschouwd als representatief om zitting te hebben in alle sectorcomités (artikel 8, paragraaf 1, 1°) en in alle bijzondere comités (artikel 8, paragraaf 2, 1°). Een ledentelling is derhalve niet langer nodig voor de ACOD, de FCSOD en het VSOA.

Voor de Nationale Unie van openbare diensten (NUOD) vond de laatste controle plaats in 2001-2002 (voor de zesjarige periode 1 december 2002 - 1 december 2008; zie artikel 52 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel).

De Controlecommissie voor de representativiteit van de vakorganisaties in de publieke sector, hierna Controlecommissie genoemd, bestaat uit een voorzitter en twee leden die op gezamenlijke opdracht van de eerste minister, van de minister van Justitie en van de minister van Ambtenarenzaken door de Koning worden benoemd uit de magistraten van de rechterlijke orde (artikel 66 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974).

Thans bestaat de Controlecommissie uit:

- de heer G. Vande Vyver, eerste voorzitter bij het Arbeidshof van Gent, voorzitter ;

- mevrouw B. Ceulemans, eerste voorzitter bij het Arbeidshof van Brussel, lid ;

- de heer L. Nouwynck, advocaat-generaal bij het Hof van beroep van Brussel, lid.

Zie het koninklijk besluit van 9 december 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 februari 1985 houdende de benoeming van de leden van de Commissie bedoeld in artikel 14 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (Belgisch Staatsblad van 17 december 1999) en het koninklijk besluit van 5 september 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 februari 1985 houdende de benoeming van de leden van de Commissie bedoeld in artikel 14 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (Belgisch Staatsblad van 15 september 2001).

Het aantal leden van de vakorganisaties wordt niet meegedeeld gelet op de geheimhoudingsplicht waartoe de Controlecommissie gehouden is overeenkomstig artikel 14, paragraaf 1, 4de lid, van de wet van 19 december 1974.

7. Zoals vermeld in punt 6 is een ledentelling niet langer nodig voor de ACOD, de FCSOD en het VSOA.

8. De Controlecommissie gaat over tot een volgende controle zodra zij, overeenkomstig artikel 63 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een lijst van de bevoegde minister ontvangt, van de vakorganisaties die vragen om in een of meer bepaalde sectorcomités of in een of meer bepaalde bijzondere comités zitting te hebben krachtens artikel 8, paragraaf 1, 2°, of, paragraaf 2, 2°, van de wet.

Voor de samenstelling van de Controlecommissie verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.

9. Voor de ACOD, de FCSOD en het VSOA werd de laatste ledentelling door de Controlecommissie uitgevoerd in 1996 (met als referentieperiode april tot september 1995).

In het jaar 1995 werden 337 434 vakbondspremies uitbetaald.

Vóór de wetswijziging van 15 januari 2002 (Belgisch Staatsblad van 25 januari 2002) diende de Controlecommissie na te gaan of het aantal bijdrageplichtige leden van de betrokken vakorganisaties ten minste 10 % vertegenwoordigde van de personeelssterkte van de diensten die onder de betrokken comités vielen, waarvoor de vakorganisaties de representativiteit hadden aangevraagd.

Vermits de ledentelling in het kader van de representativiteitscontrole werd afgesloten zodra de 10 % drempel (per vakorganisatie) werd bereikt, kan niet worden meegedeeld of het totaal aantal vakbondsleden overeenkomt met het totaal aantal uitbetaalde vakbondspremies.

Bovendien vragen niet alle aangesloten vakbondsleden een vakbondspremie aan.