Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-1613

van Paul Wille (Open Vld) d.d. 23 september 2008

aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen

Wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken - Evaluatie

verbeurdverklaring van goederen
corruptie
belastingfraude
mensenhandel
handel in verdovende middelen
zwarte handel
diefstal
georganiseerde misdaad
prostitutie
toepassing van de wet

Chronologie

23/9/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 23/10/2008 )
5/1/2009 Dossier gesloten

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-1612
Heringediend als : schriftelijke vraag 4-2550

Vraag nr. 4-1613 d.d. 23 september 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Sinds de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, de zogenaamde 'kaalplukwet', heeft de wetgever een verruimde verbeurdverklaring ingevoerd. Deze slaat niet alleen op de vermogensvoordelen in rechtstreeks verband met het misdrijf, maar ook op vermoedelijke vermogensvoordelen verworven uit andere misdrijven dan deze die bewezen verklaard werden en waarvoor men werd veroordeeld.

Deze verbeurdverklaring slaat dus op andere vermogensvoordelen waarbij aanwijzingen bestaan dat deze voortspruiten uit hetzelfde misdrijf, hetzij uit identieke feiten gepleegd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling tot aan de datum van de uitspraak.

Deze verruimde confiscatie van vermogensvoordelen kan enkel uitgesproken worden ten aanzien van personen die schuldig bevonden werden aan:

- publieke/private omkoping (drughandel, mensenhandel, toedienen van hormonen aan dieren (art. 43quater, § 1 (a) Strafwetboek));

- een aantal strafbare feiten gepleegd in het kader van een criminele organisatie (jeugdbederf, prostitutie, zware diefstal, roofmoord, wapenhandel…) (art. 43quater, § 1 (b) Strafwetboek);

- strafbare feiten gepleegd in het kader van ernstige en georganiseerde fiscale fraude (btw-carrousels,…) (art. 43quater, § 1 (c) Strafwetboek).

De bewijslast bij de verruimde verbeurdverklaring, zijnde de zogenaamde “kaalplukwet” is in ons land verdeeld tussen het parket en de veroordeelde.

Het parket moet enkel het bewijs leveren van concrete en ernstige aanwijzingen die aantonen dat de vermogensvoordelen een criminele oorsprong hebben. Wil de veroordeelde na dit geleverde bewijs van aanwijzingen de dans ontsnappen dan moet hij geloofwaardig maken dat de aangroei van zijn vermogen niet afkomstig is van feiten waarvoor hij werd veroordeeld noch afkomstig van identieke feiten. De veroordeelde moet dus de legale oorsprong van zijn goederen aantonen (het tegendeel bewijzen).

In Nederland gaan er stemmen op om tot een nog strengere regeling te komen waarbij voor alle misdrijven de bewijslast volledig wordt omgekeerd. Bovendien zou de bewijslast volledig rusten bij elke veroordeelde die zijn integraal vermogen dient te legitimeren.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Kan de geachte minister aangeven hoeveel het totaalbedrag is van de zaken die definitief verbeurd werden verklaard onder de gewone of klassieke verbeurdverklaring en dit respectievelijk voor 2005, 2006 en 2007? Kan hij deze bedragen duiden?

2) Kan hij aangeven hoeveel het totaalbedrag is van de zaken die definitief verbeurd werden verklaard onder de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen of voordeelsontneming en dit respectievelijk voor 2005, 2006 en 2007? Kan hij deze bedragen duiden?

3) Kan hij aangeven hoeveel het totaalbedrag is van de zaken die definitief verbeurd werden verklaard onder de verruimde voordeelsontneming (bovenvermelde wet van 19 december 2002, art. 43quater, Strafwetboek) en dit respectievelijk voor 2005, 2006 en 2007? Kan hij deze bedragen duiden?

4) Kan hij aangeven hoeveel het totaalbedrag is van alle inbeslagnames (gewone, voordeelsontneming en 'kaalplukwet') voor respectievelijk 2005, 2006 en 2007? Kan hij deze cijfers bespreken?

5) Kan hij aangeven hoe hij de wet van 19 december 2002, art. 43quater, Strafwetboek, evalueert en dit zowel wat betreft het effect op het terrein bij de desbetreffende criminele organisaties als wat betreft de efficiëntie en effectiviteit om criminelen “kaal te plukken”?

6) Kan hij aangeven welke elementen van de wet 19 december 2002, art. 43quater Strafwetboek, vatbaar zijn voor verbetering alsook aangeven of en zo ja wanneer hij deze wijzigingen zou voorleggen aan het Parlement?

7) Kan hij aangeven of hij voorstander is van een uitbreiding rationa personae (de categorie van veroordeelde criminelen die onder de toepassing van de wet vallen) wat betreft de zogenaamde 'kaalplukwet' van 19 december 2002, art. 43quater, Strafwetboek, en zo ja op welk vlak en wanneer zou hij deze wijzigingen voorleggen aan het parlement?

8) Kan hij aangeven of hij voorstander is van een verder aanscherpen van de wet van 19 december 2002 art. 43quater, Strafwetboek, wat betreft de omkering van de bewijslast ingeval van een effectieve veroordeling als crimineel en zo ja, hoe ver wil hij gaan in het kaalplukken van criminelen en wanneer zou hij deze wijzigingen voorleggen aan het Parlement?