5-1417/1 | 5-1417/1 |
23 DECEMBER 2011
1. Inleiding
In zijn arrest nr. 1/2011 van 13 januari 2011stelt het Grondwettelijk Hof een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vast door de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister (Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2009).
Een eerste schending waartoe het Grondwettelijk Hof besluit vindt haar oorsprong niet in een bestreden bepaling, doch wel in een lacune in de wetgeving. De wet zou een persoon de mogelijkheid moeten bieden om, onder bepaalde voorwaarden, de schrapping van de vermelding van een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring in het uittreksel van het strafregister « model 2 » te verkrijgen.
Een tweede schending vindt zijn oorsprong in het artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 6, 1º, van de wet van 31 juli 2009, in zoverre de bepaling voorziet in het behoud van de vermelding dat een persoon een verbod werd opgelegd om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen, op een uittreksel van het strafregister « model 2 », tot het moment dat de daaropvolgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Het Hof vernietigde daartoe gedeeltelijk de nieuwe bepaling.
Daarentegen bevestigt het Hof wel dat de wetgever, gezien de omvang van de schade die de minderjarige slachtoffers van dergelijke handelingen lijden, alle maatregelen mag nemen teneinde de risico's van herhaling te vermijden ten aanzien van personen die in het verleden schuldig zijn bevonden aan strafbare feiten jegens minderjarigen. « De bescherming van minderjarigen tegen elke vorm van misbruik en geweld gepleegd te hunnen aanzien, is een legitiem doel dat het verschil in behandeling tussen de personen die de uitreiking van een uittreksel « model 1 » en diegenen die de uitreiking van een uittreksel « model 2 » aanvragen, kan verantwoorden. (...) Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid [van de wetgever] om te beslissen welke adequate maatregelen moeten worden genomen om dat risico van herhaling te beperken. In dat opzicht is het informeren van de verantwoordelijken van instellingen of organisaties waar activiteiten bestemd voor minderjarigen plaatsvinden, over feiten waaraan de kandidaten voor een betrekking of een activiteit in die instellingen of organisaties zich schuldig hebben gemaakt jegens minderjarigen, een adequaat middel om die risico's te verminderen.
Het verschil in behandeling tussen de personen aan wie kan worden gevraagd een uittreksel uit het strafregister « model 2 » voor te leggen en diegenen aan wie niet wordt gevraagd een dergelijk uittreksel voor te leggen, berust op het feit dat de eerstgenoemden solliciteren naar een betrekking of vragen om verantwoordelijkheid in een sector waarin zij in contact komen met minderjarigen. Het criterium van onderscheid is dus relevant ten opzichte van het met de bestreden bepaling nagestreefde doel van bescherming van minderjarigen. De artikelen 10, 11 en 24, § 4 van de Grondwet zijn niet geschonden. » (overweging B.11.3)
Het Hof stelde dat de inmenging van de regeling in het recht op het privéleven en in het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid niet onevenredig is, zodat de Grondwet niet geschonden werd. (overweging B.11.6)
De indieners van dit wetsvoorstel bevestigen het belang van het « model 2 » voor de bescherming van de minderjarigen voor inbreuken ten aanzien van hun persoon en herhaling van ernstige feiten te vermijden. Het wetsvoorstel doet geen afbreuk aan dit uitgangspunt, doch wil een wettelijke oplossing bieden ten aanzien van de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminaties.
2. De vermelding van het verbod van de onderzoeksrechter om ingeval van vrijheid onder voorwaarden of invrijheidstelling onder voorwaarden een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact komt met minderjarigen
De wet van 31 juli 2009 die het voorwerp uitmaakte van het vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof voorziet voor de onderzoeksrechter in de mogelijkheid, wanneer deze in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis een verdachte vrijlaat onder voorwaarden, de verdachte een verbod op te leggen om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen (artikel 35, § 1, tweede lid, wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis). Conform het nieuwe artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering wordt dit verbod ook opgenomen in het uittreksel van het strafregister « model 2 ».
Het Grondwettelijk Hof bevestigt in zijn arrest dat de vermelding van dit verbod op de uittreksels uit het strafregister « model 2 » beantwoordt aan de doelstelling om de effectiviteit van dat door de onderzoeksrechter uitgesproken verbod te verzekeren als voorwaarde die het de betrokkene mogelijk maakt om geen voorlopige hechtenis te ondergaan (1) .
Ook de indieners van het voorstel zijn van oordeel dat de vermelding in het uittreksel noodzakelijk is in het kader van het doel van de maatregel, namelijk de bescherming van minderjarigen tegen elke vorm van misbruik en geweld ten aanzien van hun persoon.
Daarentegen stelt het Hof wel een schending van het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel vast doordat het nieuwe artikel 596, tweede lid van het Wetboek van strafvordering, voorziet dat het verbod op het uittreksel dient te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen, zonder rekening te houden met de gevallen waarin dat verbod wordt opgeheven of niet verlengd worden gedurende de onderzoeks- of berechtingsfase. Het is in die gevallen volgens het Grondwettelijk Hof niet verantwoord dat het verbod op de uittreksels blijft staan tot het daaropvolgende vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, omdat dit ogenblik heel ver in de tijd kan liggen.
Het Hof vernietigde daartoe in de voorlaatste zin van artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de volgende woorden : « tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. »
Het Hof voegt er aan toe dat die bepaling « voortaan in die zin moet worden begrepen dat zij erin voorziet dat de vermelding van het verbod wordt geschrapt uit het uittreksel uit het strafregister « model 2 » zodra het verbod wordt opgeheven of wanneer het niet wordt verlengd. »
De indieners van dit wetsvoorstel willen tegemoet komen aan de vaststelling van het Grondwettelijk Hof door de bewuste regeling aan te passen, zodanig dat enkel voor de duur van het verbod, dit vermeld wordt op het bedoelde uittreksel. Gelet op het vermoeden van onschuld en de lange verjaringstermijnen in criminele zaken, waardoor een veroordeling van een verdachte heel ver in de tijd kan liggen, mag het niet de bedoeling zijn dat ten aanzien van een aanvankelijke verdachte, die een verbod werd opgelegd om in contact te komen met minderjarigen hetwelk opgeheven of niet verlengd werd, tot het ogenblik van een eventuele rechterlijke uitspraak dit verbod vermeld wordt in het model 2 van de uittreksels uit het strafregister.
3. De mogelijkheid om een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit te wissen en voor de veroordeelde tot een eenvoudige schuldigverklaring, om herstel in eer en rechten te verkrijgen
Sinds de wet van 30 juni 2000 tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (Belgisch Staatsblad van 2 december 2000), kent onze strafprocedure een wettelijke verankering van de mogelijkheid om wegens het overschrijden van de redelijke termijn de dader te veroordelen bij eenvoudige schuldigverklaring of hem te veroordelen tot een straf die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. De wetgever codificeerde daarbij de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgens dewelke de sanctie van de overschrijding van de redelijke termijn niet het verval van de strafvordering was; uit de vaststelling dat de redelijke termijn overschreden is, kan de rechter niet besluiten dat de strafvordering ontoelaatbaar is (2) . In zijn later arrest van 9 december 1997 oordeelde het Hof van Cassatie dat de bodemrechter kan besluiten tot strafvermindering of zelfs tot een eenvoudige schuldigverklaring zonder straf (3) .
Tijdens de parlementaire besprekingen die de wet van 30 juni 2000 voorafgingen, werd geoordeeld dat de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring niet het onderwerp moesten uitmaken van een vermelding in het strafregister (4) . Nu de wet van 31 juli 2009 de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaringen ook in het Centraal Strafregister laat opnemen, heeft deze maatregel tot gevolg dat er een onderscheid ontstaat tussen personen die tot een welbepaalde straf veroordeeld worden en deze die omwille van het overschrijden van de redelijke termijn, veroordeeld worden bij eenvoudige schuldigverklaring. In de huidige stand van zaken is voor deze sanctie geen uitwissing of eerherstel mogelijk. In zijn advies van 2 maart 2009 haalde de Raad van State (5) dit probleem aan :
« Aangezien het voorontwerp ertoe strekt aan de lijst van geregistreerde inlichtingen in het Strafregister de vermelding toe te voegen van de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken bij toepassing van artikel 21ter van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, is er geen reden om de aldus veroordeelde personen uit te sluiten van het voordeel van de gevolgen van de uitwissing, die van toepassing is op veroordelingen tot politiestraffen, of van de gevolgen van het herstel in eer en rechten, dat van toepassing is op personen die veroordeeld zijn tot criminele en correctionele straffen. Die gevolgen worden opgesomd in artikel 634 van het Wetboek van strafvordering. Het is immers niet voldoende dat de inlichting betreffende de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring na drie jaar niet meer vermeld mag worden op de uittreksels uit het Strafregister die opgevraagd worden door de openbare overheden (ontworpen artikel 594 van het Wetboek van strafvordering) of door de belanghebbende zelf (ontworpen artikel 595 van het Wetboek van strafvordering); het is de bedoeling, zoals dat reeds het geval is voor de personen die veroordeeld zijn tot straffen, alle gevolgen van de veroordeling voor de toekomst te doen vervallen en inzonderheid geen melding meer te maken van die veroordeling in de uittreksels uit het Strafregister die overlegd worden door de gerechtelijke overheden bij latere vervolgingen wegens nieuwe strafbare feiten. De steller van het ontwerp dient er dan ook op toe te zien dat ofwel artikel 619 van het Wetboek van strafvordering, ofwel artikel 620 van het Wetboek van strafvordering wordt aangevuld, waarbij hij dient te verantwoorden waarom hij kiest voor de ene, dan wel voor de andere bepaling. Daarbij verdient het aanbeveling eveneens na te gaan of de procedure van uitwissing van veroordelingen of die van herstel in eer en rechten ook niet dient te kunnen worden toegepast op bepaalde beslissingen of op bepaalde maatregelen waarop deze of gene procedure thans niet van toepassing is. »
Het Grondwettelijk Hof vergelijkt in de zaak de situatie van een dader van strafbare feiten jegens een minderjarige die veroordeeld wordt bij eenvoudige schuldigverklaring en een dader die omwille van dezelfde feiten veroordeeld wordt tot een straf. Het Hof maakt de overweging dat de eenvoudige schuldigverklaring volgt uit de vaststelling van de rechter dat de redelijke termijn in de zaak overschreden was. Was de redelijke termijn niet overschreden, dan zou de betrokkene een veroordeling tot een straf opgelopen hebben en zou hij nadien — onder vervulling van een aantal strikte voorwaarden — de mogelijkheid hebben om zijn herstel in eer en rechten aan te vragen en in voorkomend geval ook te verkrijgen. Doordat er bij een eenvoudige schuldigverklaring geen veroordeling is tot een straf, kunnen de daders geen herstel in eer en rechten aanvragen.
Het Hof stelt dat voor zover het gaat om uittreksels uit het strafregister « model 1 » de behandeling niet discriminerend is. Dit geldt wel voor de uittreksels uit het strafregister « model 2 », daar op deze « de eenvoudige schuldigverklaringen, wanneer zij betrekking hebben op feiten gepleegd jegens minderjarigen, immers weergegeven worden zonder enige beperking in de tijd, zonder dat de betrokkene enige mogelijkheid heeft om de uitwissing ervan of zijn herstel in eer en rechten aan te vragen, zelfs na het verstrijken van een vrij lange termijn. Daaruit volgt dat de persoon die wegens dezelfde feiten is veroordeeld, gunstiger wordt behandeld dan die welke het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring heeft uitgemaakt, zonder dat er voor dat verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat.
Het staat aan de wetgever een einde te maken aan de vastgestelde discriminatie. Die vindt haar oorsprong niet in [artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering], maar wel in de ontstentenis van een bepaling die het de betrokkene mogelijk maakt om, onder bepaalde voorwaarden, de schrapping van de vermelding van de schuldigverklaring in het uittreksel uit het strafregister « model 2 » te verkrijgen. » (6)
Om tegemoet te komen aan de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminatie stellen de indieners voor de uitwissing voor de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring te voorzien, dan wel de verdachte de mogelijkheid te geven om hersteld te worden in eer en rechten, zoals door de Raad van State werd gesuggereerd.
Omdat zoals duidelijk uit de parlementaire besprekingen bij de wet van 31 juli 2009, alsook uit de overwegingen van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring betrekking kunnen hebben op zwaarwichtige feiten, zijn indieners van oordeel dat niet zomaar alle veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring kunnen worden uitgewist na het verstrijken van drie jaar vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling. Hoewel er bij een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring geen straf wordt uitgesproken, wordt in de mate van het mogelijke het onderscheid tussen de automatische uitwissing en het eerherstel gerespecteerd.
De indieners verwijzen daarbij naar het feit dat de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring geen grond vindt in de gedragingen van de dader, doch wel in het onredelijk langdurige optreden van het gerecht, waardoor er mogelijk een schending plaatsvindt van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
Door het openstellen van de automatische uitwissing en het herstel in eer en rechten wordt het onderscheid dat nu bestaat tussen zij die werkelijk worden veroordeeld tot een straf en zij die eenvoudig schuldig worden verklaard, op het vlak van de vermelding van de veroordeling op het uittreksel van het strafregister « model 2 », uitgeschakeld.
Het kan immers niet de bedoeling zijn dat iemand die na veroordeling geen straf opgelegd kreeg niet de mogelijkheid krijgt om eerherstel te krijgen, dat als gevolg heeft dat de veroordeling niet langer vermeld wordt op het uittreksel van het strafregister « model 2 » en hij die wel een straf opgelegd kreeg, deze mogelijkheid wel krijgt.
Als wettelijk criterium voor de beoordeling of een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring automatisch wordt uitgewist, dan wel of de veroordeelde eerherstel kan vragen, wordt de strafbaarstelling gehanteerd. Ingeval de door de rechter weerhouden feiten aanleiding geven tot een politiestraf, dan zal binnen de in artikel 619 van het Wetboek van strafvordering bepaalde voorwaarden, de veroordeling automatisch worden uitgewist. In de andere gevallen kan de veroordeelde, volgens de voorwaarden bedoeld in de artikelen 621 en volgende van het Wetboek van strafvordering in aanmerking komen voor eerherstel.
Artikel 2
Dit artikel wijzigt artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering door te bepalen dat het beroepsverbod bedoeld in artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis, zoals ingevoerd door de wet van 31 juli 2009 op het uittreksel « model 2 » moet vermeld worden tot de beëindiging van deze maatregel, door opheffing of niet-verlenging en bij gebreke aan beëindiging, ten laatste tot het ogenblik van het verkrijgen van kracht van gewijsde van de daarop volgende rechterlijke uitspraak. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het arrest van het Grondwettelijk Hof.
Artikel 3
Dit artikel wijzigt artikel 619 van het Wetboek van strafvordering, dat de uitwissing van veroordelingen tot politiestraffen betreft. Voortaan zullen veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring ook automatisch kunnen worden uitgewist, drie jaar na de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, voor zover de feiten die aanleiding gegeven hebben tot de veroordeling strafbaar gesteld zijn met politiestraffen.
Artikel 4
Artikel 621 van het Wetboek van Strafvordering wordt aangevuld met een nieuw tweede lid met het oog op het openstellen van het herstel in eer en rechten in strafzaken voor veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, die niet automatisch kunnen worden uitgewist.
Door de verwijzing naar het eerste lid, is ook de voorwaarde dat men geen eerherstel mag genoten hebben in de tien voorgaande jaren van toepassing, evenals de uitzondering die gemaakt wordt in het laatste lid.
Door het openen van de mogelijkheid tot eerherstel na een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, dienen naast artikel 621 ook nog de artikelen 625, 626, 627 en 629 worden aangepast.
Artikel 5
Artikel 625 van het Wetboek van strafvordering bepaalt het ogenblik waarop de proeftijd die moet doorlopen worden om te kunnen genieten van het eerherstel een aanvang neemt.
De proeftijd begint naar analogie met de voorwaardelijke veroordeling te lopen op de dag van de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring.
Artikel 6
Artikel 626 legt de minimumduur vast van de proefperiode die doorlopen moet worden alvorens men van het eerherstel kan genieten. Naar analogie met de bestaande regeling, wordt een onderscheid gemaakt, naar aanleiding van de zwaarte van de feiten waarvoor men veroordeeld werd. Zijn de feiten in de strafwet strafbaar gesteld met een correctionele gevangenisstraf, dan bedraagt de minimumduur van de proefperiode drie jaar. Ingeval dat de feiten kunnen bestraft worden met een criminele straf, dan bedraagt de minimumduur van de proefperiode vijf jaar.
Artikel 7
De nieuwe mogelijkheid om eerherstel aan te vragen na een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring vereist ook een toevoeging aan artikel 627 van het Wetboek van strafvordering.
Artikel 8
Omdat het eerherstel ingeval van een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring niet vereist dat een straf ondergaan is, wordt de formulering in artikel 629 tekstueel aangepast, zodat ook bij een veroordeling zonder dat een straf werd uitgesproken, het dossier ingeval van seksuele misdrijven ook een advies dient te bevatten van een gespecialiseerde dienst in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten. Er bestaat namelijk geen reden om hierin een onderscheid te maken, daar de veroordeling op basis van artikel 21ter van de Voorlopige Titel bij het Wetboek van strafvordering kan plaatsvinden na zwaarwichtige feiten.
| Sabine de BETHUNE. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Peter VAN ROMPUY. | |
| Martine TAELMAN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen door de wet van 31 juli 2009, wordt de derde zin, deels vernietigd door het arrest nr. 1/2011 van het Grondwettelijk Hof vervangen als volgt : « Dit verbod wordt vermeld op het uittreksel tot de beëindiging ervan wegens opheffing of niet-verlenging en ten laatste tot het ogenblik van het verkrijgen van kracht van gewijsde van de daarop volgende rechterlijke uitspraak. »
Art. 3
In artikel 619, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt tussen de eerste en de tweede zin, die de derde zin wordt, een nieuwe zin ingevoegd, luidende : « Onder dezelfde omstandigheden wordt de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitgewist indien het feit waarvoor de veroordeling werd uitgesproken strafbaar is met een politiestraf. »
Art. 4
In artikel 621 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1997, wordt tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, een nieuw lid ingevoegd, luidende :
« Het vorige lid geldt eveneens voor de personen, veroordeeld bij eenvoudige schuldigverklaring, van wie de veroordeling niet kan worden uitgewist overeenkomstig artikel 619. »
Art. 5
In artikel 625 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 26 april 2007, wordt het 1º aangevuld met de woorden : « of van de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring; »
Art. 6
In artikel 626 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 26 april 2007, wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende : « Ingeval van een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, bedraagt de minimumduur van de proeftijd drie jaar, als de feiten die ten grondslag liggen van de veroordeling strafbaar zijn met een correctionele straf, en vijf jaar, als de feiten die ten grondslag liggen van de veroordeling strafbaar zijn met een criminele straf. »
Art. 7
In artikel 627 van hetzelfde Wetboek, opnieuw ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1997, worden de woorden « veroordeeld is bij eenvoudige schuldigverklaring of » ingevoegd tussen de woorden « in de vorige artikelen » en de woorden « veroordeeld is tot een politiestraf, ».
Art. 8
In artikel 629, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1997, worden in de derde zin de woorden « Wanneer de veroordeelde een straf heeft ondergaan » vervangen door de woorden « Wanneer de veroordeling uitgesproken werd ».
5 mei 2011.
| Sabine de BETHUNE. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Peter VAN ROMPUY. | |
| Martine TAELMAN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |
(1) Grondwettelijk Hof nr. 1/2011 van 13 januari 2011, overweging B.19.2.
(2) Cass. 1 februari 1994, Arr. Cass. 1994, 136; Bull. 1994, 140; Jaarboek Mensenrechten 1994, 311, noot L. Arnou; P&B 1994, 135; Pas. 1994, I, 140; TGR 1994, 125, noot P. Traest.
(3) Cass. 9 februari 1997, Arr. Cass. 1997, 1333, concl. Bresseleers; Bull. 1997, 1441; Jaarboek Mensenrechten 1997-98, 181, noot T. De Pelsmaeker en A. Van Geuchte; JT 1998, 792, noot F. Kury; Journ. proc. 1998, afl. 358, 26, noot P. Chome; Pas. 1997, I, 1411; RW 1998-99, 14, concl. Bresseleers; TBP 1998, 830; P&B 1998, 137.
(4) Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel in het Wetboek van strafvordering, Verslag namens de Commissie Justitie, Parl. St. Kamer, 1998/1999, nr. 1961/5, blz. 10-11. Zie eveneens : J. Rozie, « Schuldigverklaring bij overschrijding van de redelijke termijn », RW 1998/1999, nr. 1, blz. 5.
(5) Advies van de Raad van State nr. 45.929/2 van 2 maart 2009, Parl. St. Kamer, 2008/2009, nr. 1997/1, blz. 17 en 18.
(6) Grondwettelijk Hof nr. 1/2011 van 13 januari 2011, overwegingen B.15.2 en B.15.3.