5-1047/1

5-1047/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

26 MEI 2011


Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 3bis van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent

(Ingediend door de heer Bart Laeremans c.s.)


TOELICHTING


De indieners van dit voorstel zijn van oordeel dat het toekennen van een jaarlijkse dotatie aan leden van de Koninklijke Familie in een democratische rechtsstaat niet hoort te zijn en hebben in het verlengde hiervan dan ook reeds eerder een voorstel ingediend om deze volledig af te schaffen (Senaat, stuk nr. 5-780, 2010-2011).

De discussie omtrent het toekennen van een dotatie aan een specifiek lid van de Koninklijke Familie is intussen evenwel opnieuw opgelaaid naar aanleiding van het incident dat is ontstaan ten gevolge van een reis van Prins Laurent naar Congo. Die reis is blijkbaar doorgegaan tegen de uitdrukkelijke wil van het Hof en de regering in, zelfs nadat de eerste minister hierover een brief had geschreven naar de betrokkene. Sindsdien zijn er ook andere onthullingen omtrent een aantal ongeoorloofde activiteiten van de prins aan het licht gekomen, zodat er urgentie is om het dotatie-stelsel voor deze ene prins te herzien in afwachting dat het globale systeem kan worden herbekeken.

Dit incident en de nasleep ervan maken immers pijnlijk duidelijk dat er een onoplosbare contradictie zit in het toekennen van dotaties aan koningskinderen die niet rechtstreeks troonopvolger zijn. Enerzijds verklaarde de eerste minister op 24 februari 2011 op vraag van kamerlid Bert Schoofs dat de handelingen en uitspraken van Prins Laurent niet onder de verantwoordelijkheid van de regering vallen. Anderzijds krijgt deze prins wel een royale dotatie van de belastingbetaler en wordt als tegenprestatie hiervoor verwacht dat de betrokkene zijn doen en laten afstemt in overleg met het Hof en de regering. In hoofde van de dotatie die hij ontvangt van de overheid wordt immers geoordeeld dat hij tot op zekere hoogte als officiële vertegenwoordiger van dit land kan worden beschouwd, zodat zijn optreden hoe dan ook politieke betekenis en politieke gevolgen heeft of kan hebben. Tegelijkertijd is met dit incident evenwel bewezen dat de betrokkene als lid van het Koninklijk Hof niet ter verantwoording kan worden geroepen en ook geen enkele verantwoording moet afleggen.

Het toekennen van een dotatie aan de koningskinderen is, wanneer men de historiek van de dotaties overloopt, overigens in feite een anomalie.

Zowel de Civiele Lijst als de dotaties aan de leden van de Koninklijke Familie worden strikt genomen als dotaties beschouwd in de rechtsleer. Zij worden dan ook onder de noemer « dotaties » in de begroting opgenomen. Toch is er juridisch een duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds de Civiele Lijst en anderzijds de dotaties.

De Civiele Lijst vindt haar oorsprong in artikel 89 van de Grondwet, die bepaalt dat zij door de wet wordt vastgesteld voor de duur van de regering van elke Koning. Zij vormt het geheel van middelen die de Staat ter beschikking stelt van het Staatshoofd om in morele en materiële onafhankelijkheid zijn koninklijke en grondwettelijke functie uit te oefenen. Zij bestaat uit een eenmalig bij wet vast te stellen dotatie en uit het recht gebruik te maken van koninklijke woningen. Zij kan gebruikt worden voor personeelsuitgaven en werkingskosten (administratie, verwarming, meubilair, onderhoud woningen, voertuigenpark, reiskosten) (1) .

In tegenstelling tot de Civiele Lijst zegt de Grondwet niets over het verstrekken van dotaties aan de andere leden van de Koninklijke Familie.

Volgens de rechtsleer kan effectief door speciale wetten een dotatie worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie omdat de Grondwet dat niet verbiedt (2) . Blijkbaar kan dit ook krachtens de jaarlijkse begrotingswet gebeuren (3) , maar men kan zich de vraag stellen waarom aan deze leden een dotatie moet worden toegekend, vermits zij grondwettelijk en staatkundig geen enkele rol vervullen.

In de regel werden in het verleden dergelijke dotaties toegekend aan welbepaalde leden van de Koninklijke Familie die zich in een specifieke situatie bevinden : het betrof weduwen van overleden vorsten, afgetreden Staatshoofden en ten slotte koningskinderen die rechtstreeks troonopvolger zijn, om hen in staat te stellen zich voor te bereiden op de bestijging van de troon (4) .

Op deze ongeschreven regels werden in het verleden slechts een paar uitzonderingen genoteerd, die als anomalieën moeten worden beschouwd. In 1856 kreeg Prins Philippe, als niet-troonopvolger een dotatie, die vervolgens overging op zijn weduwe. In 2000, naar aanleiding van de aanpassing van de dotatie van Prins Filip naar aanleiding van zijn huwelijk, werd een dotatie ingevoerd voor Prinses Astrid (5) . In 2001 werd bijkomend een dotatie toegekend aan Prins Laurent (6) . Als motivatie hiervoor wordt aangehaald dat men daarmee meent « een punt te [kunnen] zetten achter [de] huidige gang van zaken, waarbij Prins Laurent een — tevens gedeeltelijk door de gemeenschappen gefinancierde — bezoldiging ontving via het Koninklijk Instituut voor duurzame beheer van de natuurlijke rijkdommen en de bevordering van schone technologie. » (7) .

Aan al deze dotaties waren in beginsel geen voorwaarden verbonden wat betreft besteding of controle. Wel worden zij onverenigbaar geacht met het ontwikkelen van commerciële activiteiten (8) .

De bovengenoemde incidenten die door Prins Laurent werden uitgelokt, maken zoals gesteld evenwel duidelijk dat hij niet in staat is om zich aan de opgelegde voorwaarden te houden. Er bestaat een onoplosbare spanning tussen enerzijds het verstrekken van een dotatie aan deze prins, waaruit volgt dat hij in zijn handelingen en uitspraken de facto als officiële vertegenwoordiger van dit land kan worden beschouwd, en anderzijds het feit dat de regering voor zijn daden niet verantwoordelijk is en hiervoor ook niet ter verantwoording kan worden geroepen. Er is vooral een groot probleem doordat de betrokkene zelf niet ter verantwoording wil worden geroepen en ook niet van zin is om zijn handelingen en uitspraken vooraf te overleggen met en af te stemmen op het beleid van de democratisch gelegitimeerde regering. Het maakt duidelijk dat deze toestand onhoudbaar is en daar kan maar één oplossing aan gegeven worden, namelijk door de dotatie van de prins af te schaffen.

Het incident dat Prins Laurent heeft uitgelokt met zijn reis naar Congo heeft dan ook opnieuw het debat geopend over de vraag of het wel opportuun is om een dotatie van de belastingbetaler te verlenen aan koningskinderen die geen troonopvolger zijn. Een meerderheid in het Parlement was reeds tweeënhalf jaar geleden tot de conclusie gekomen dat in de toekomst koningskinderen die geen troonopvolger zijn, moeten worden uitgesloten van het krijgen van een dotatie, maar liet de situatie voor wat ze was met betrekking tot de dotaties van Prins Laurent en Prinses Astrid. Het voorval met Prins Laurent maakt nu evenwel duidelijk dat voor deze prins de situatie zo spoedig mogelijk genormaliseerd moet worden. Minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere, formuleerde het naar aanleiding van dit incident treffend als volgt : de tijd is nu rijp om deze prins te verlossen van zijn dotatie als hij toch verlost wil worden van de officiële kant van zijn leven. Vandaar dat de indieners de opheffing van de dotatie aan deze prins voorstellen met ingang van 1 januari 2012.

Bart LAEREMANS
Yves BUYSSE
Jurgen CEDER
Filip DEWINTER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Het opschrift van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent vervangen bij wet van 13 november 2001, wordt vervangen als volgt :

« Wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid ».

Art. 3

Artikel 3bis van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 13 november 2001, wordt opgeheven.

Art. 4

In artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij wet van 22 december 2008, worden de woorden « , 3 en 3bis » vervangen door de woorden « en 3 »

Art. 5

Deze wet treedt in werking op 1 januari 2012.

12 april 2011.

Bart LAEREMANS
Yves BUYSSE
Jurgen CEDER
Filip DEWINTER.

(1) Kamer, stuk nr. 1155/1 - 1992/1993, blz. 1-2.

(2) Senelle Robert en Clement Emiel, Dotaties, Die Keure, 1990, blz. 8.

(3) Kamer, Vragen en Antwoorden, nr. 49-23, blz. 2537.

(4) Senaat, stuk nr.  2-1054.

(5) Kamer, stuk nr. 353 (1999-2000).

(6) Kamer, stuk nr. 1274 (2000-2001).

(7) Kamer, stuk nr. 1274 (2000-2001), blz. 3.

(8) Kamer, Handelingen van 17 april  2008, blz. 5.