4-386/1 | 4-386/1 |
12 NOVEMBER 2007
Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 6 maart 2007 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-2108/1 - 2006/2007).
Op 16 januari 2007 werd in de Senaat het rapport voorgesteld van de Koning Boudewijnstichting betreffende het mensenhandelbeleid in België. Dit onderzoek onder leiding van professor G. Vermeulen bevraagde de diverse actoren op het terrein, analyseerde de voornaamste beleidsdocumenten en plaatste dit in het licht van het bestaande wetenschappelijk onderzoek en de gespecialiseerde literatuur.
Aangezien reeds de nieuwe mensenhandelwet van 10 augustus 2005 in het onderzoeksveld werd opgenomen, zijn de belangrijkste bevindingen ervan uiteraard voor deze wetgevende vergadering uitermate interessant.
| Wouter BEKE Els SCHELFHOUT Nahima LANJRI Dirk CLAES Sabine de BETHUNE. |
De Senaat,
A. Overwegende dat het EU-kaderbesluit inzake mensenhandel ijvert voor een gemeenschappelijke definitie van mensenhandel voor alle EU-lidstaten en dat hieraan jaren van overleg vooraf gingen om tot een definitie te komen waarin iedereen zich kan vinden.
B. Overwegende dat dit besluit gebaseerd is op het Gemeenschappelijk Optreden van 24 februari 1997 ter bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen en dat dit Gemeenschappelijk Optreden op Belgisch initiatief werd aangenomen.
C. Overwegende dat de wet van 10 augustus 2005 beoogde om de Belgische mensenhandelwetgeving in lijn te brengen met de bestaande normen op het internationale vlak.
D. Vaststellende dat in de Europese definitie, zoals in alle internationale definities, de elementen dwang en onvrijheid wezenlijke kenmerken uitmaken van mensenhandel en dus constitutieve elementen van het misdrijf mensenhandel zijn.
E. Vaststellende dat er in de wet van 10 augustus 2005 voor gekozen is om, in afwijking van deze wijd verspreide en algemeen aanvaarde definities, niet te vereisen dat er een element van dwang of onvrijheid dient aanwezig te zijn om het misdrijf mensenhandel te doen ontstaan.
F. Vaststellende dat dit er toe leidt dat talrijke praktijken die, weliswaar ongeoorloofd zijn maar niet de kwalificatie mensenhandel verdienen, toch onder deze strafbaarstelling worden gebracht.
G. Vaststellende dat hierdoor de strafbaarstelling van mensenhandel wordt afgeleid van zijn primaire doelstelling, namelijk de bescherming van de menselijke waardigheid, en dat meer personen aanspraak zullen proberen te maken op het bijzonder slachtofferstatuut, waardoor dit op termijn uitgehold wordt.
H. Vaststellende dat door de afwezigheid van het kenmerk dwang als constitutief element het openbaar ministerie dit ook niet dient te bewijzen waardoor zelfs echte slachtoffers steeds minder « voor het onderzoek nuttige verklaringen » zullen kunnen afleggen en dus ook veel minder aanspraak zullen kunnen maken op de bescherming van het bijzonder slachtofferstatuut
I. Vaststellende dat door deze definitie het juridische onderscheid tussen mensenhandel en mensensmokkel in de praktijk vervaagt, met als gevolg dat voornamelijk gevallen van mensensmokkel zullen worden vervolgd omdat dit makkelijker te bewijzen valt en de strafmaat dezelfde is. Hierdoor verdwijnen de echte slachtoffers van mensenhandel steeds meer uit beeld en kunnen zij dus minder gebruik maken van het slachtofferstatuut.
J. Vaststellende dat artikel 11, § 1, 1º, van de wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de mensensmokkel, mensenhandel definieert als de misdrijven die bedoeld worden in de artikelen 379, 380, 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek, terwijl artikel 433quinquies Sw. op haar beurt ook verwijst naar artikelen 379 en onderdelen van artikel 380 zodat men strafbaarstellingen bekomt als « mensenhandel met het oog op mensenhandel » wat de verwarring over welke misdrijven als mensenhandel moeten worden beschouwd alleen maar vergroot.
Vraagt de regering :
1. Ook voor ons land de definitie van mensenhandel te construeren op basis van wat internationaal beschouwd wordt als de essentiële constitutieve elementen.
2. Op deze wijze het onderscheid met mensensmokkel duidelijk in de wetgeving tot uiting te laten komen.
3. De onduidelijkheid met betrekking tot de dubbele strafbaarstelling weg te werken door een coördinatie van de betrokken bepalingen.
4. Aan de Senaat verslag uit te brengen over de wijze waarop aan deze en de andere aanbeveling van het rapport gevolg werd gegeven of om welke reden ze dit niet nuttig acht.
3 augustus 2007.
| Wouter BEKE Els SCHELFHOUT Nahima LANJRI Dirk CLAES Sabine de BETHUNE. |