2-559/1 | 2-559/1 |
26 OKTOBER 2000
Er worden in België steeds meer honden gekocht en gehouden die de specifieke karakterkenmerken en/of het gedrag van een vechthond vertonen. Sommige eigenaars van vechthonden verzuimen de agressiviteit van hun dier aan banden te leggen of richten het dier doelbewust af om de aangeboren agressiviteit ervan nog te versterken.
Deze handelwijze heeft in ons land geleid tot een opmerkelijke stijging van het aantal verwondingen en overlijdens door hondenbeten.
Zowel de schrijvende pers als de andere nieuwsmedia hebben uitvoerig bericht over deze ernstige gebeurtenissen.
Het fenomeen is niet tot België beperkt. Er hebben zich soortgelijke gebeurtenissen voorgedaan in andere lidstaten van de Europese Unie. Landen als Duitsland en Frankrijk hebben stringente maatregelen uitgevaardigd om dergelijke incidenten op hun grondgebied te voorkomen.
In België is deze materie door geen enkele wet geregeld.
Een ministerieel besluit van 21 oktober 1998 had tot doel de identificatie en de registratie van bepaalde categorieën van honden te regelen. De Raad van State heeft dit besluit echter, door zijn arrest nr. 80.521 van 31 mei 1999, vernietigd wegens procedurefouten. Tot op heden zijn er dus geen wettelijke of reglementaire bepalingen meer die de identificatie en de registratie van de gevaarlijke honden regelen.
Wat de identificatie van de gevaarlijke honden betreft, lijkt het verstandig om in de wet een kader vast te leggen dat de minister van Volksgezondheid in staat stelt om nauwkeurig de karaktereigenschappen te bepalen van de honden die tot de verschillende gevaarlijke categorieën behoren. De registratieprocedure dient echter volledig door een wet te worden voorgeschreven.
Het bezit, het rondlopen in openbare ruimten en het africhten van gevaarlijke honden moeten wettelijk worden aangepakt.
De wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren bepaalt in artikel 9, gewijzigd door de wet van 4 mei 1995, de voorwaarden waaraan een persoon of een gemeentebestuur voor het opvangen van een zwervende, verloren of achtergelaten hond moet voldoen. Die bepalingen dienen in deze nieuwe wet betreffende de gevaarlijke honden te worden aangevuld met mechanismen om te voorkomen dat een gevaarlijk hond gaat zwerven of dat de eigenaar een gevaarlijke hond verliest.
Er moeten strafrechtelijke sancties worden ingevoerd waarmee de rechter overtredingen van deze wet kan straffen.
Artikel 2 verduidelijkt dat de wet niet van toepassing is op de politie en de douane, noch op het leger en de hulpdiensten wanneer die een beroep doen op honden. Ze moeten de kans krijgen hun honden correct te trainen zodat zij hun taak doeltreffend kunnen uitvoeren.
Artikel 3 deelt de categorie van de gevaarlijke honden op in twee subcategorieën : vechthonden en waak- en verdedigingshonden.
Artikel 4 stelt de hondenrassen vast die tot de subcategorie van de vechthonden behoren : de Staffordshire Terrier en de American Staffordshire Terrier (gewoonlijk Pitbull genoemd), de Mastiff (gewoonlijk Boerbull genoemd) en de Tosa. Honden die door hun morfologische kenmerken met een van de rassen in artikel 4 kunnen worden gelijkgesteld, behoren ook tot de subcategorie van de vechthonden.
Artikel 5 stelt de hondenrassen vast die tot de subcategorie van de waak- en verdedigingshonden behoren : de Staffordshire Terrier en de American Stafforeshire Terrier, de Rottweiler en de Tosa. Net als in artikel 4 wordt bepaald dat honden die door hun morfologische kenmerken met een van de voornoemde rassen in artikel 5 kunnen worden gelijkgesteld, ook tot de subcategorie van de waak- en verdedigingshonden behoren.
Artikel 6 verleent aan de Koning de bevoegheid de elementen vast te stellen om de honden bedoeld in de artikelen 4 en 5 aan te duiden.
Artikel 7 voert het principe in volgens hetwelk het verboden is om zich, om niet of onder bezwarende titel, een vechthond aan te schaffen. Er wordt een uitzondering toegestaan. Een dierenasiel of een dierentuin wordt van rechtswege eigenaar van de gevaarlijke hond die hem is toevertrouwd, indien de eigenaar van de hond deze niet binnen een termijn van vijftien dagen heeft afgehaald. Indien de hond door het gemeentebestuur of door een asiel aan een persoon is toevertrouwd, wordt de termijn gebracht op vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het dier aan het gemeentebestuur is toevertrouwd.
Artikel 8 voorziet dat bepaalde categorieën van personen geen gevaarlijke honden mogen houden. Personen jonger dan 18 jaar worden beschouwd als te jong om het dier correct in de hand te houden en gepast te reageren op de eventuele agressiviteit die het dier dat zij onder hun hoede hebben, kan tonen. Onbekwaam verklaarde meerderjarigen krijgen om dezelfde reden het verbod opgelegd om gevaarlijke honden te houden. Een derde categorie van mensen die deze dieren niet mogen houden, zijn personen die wegens een overtreding van deze wet veroordeeld zijn tot een boete of een gevangenisstraf.
Men moet immers elk risico op recidive voorkomen. Ten slotte mogen personen aan wie het recht om een gevaarlijke hond te houden ontnomen is, niet de kans krijgen opnieuw een gevaarlijke hond te houden, tenzij daarvoor een afwijking wordt toegestaan door de burgemeester.
Artikel 9 verplicht de bezitter van een hond om aangifte te doen bij de gemeente waar de eigenaar van de hond zijn verblijfplaats heeft en, indien die niet dezelfde is als deze van de eigenaar, waar de hond verblijft. Deze aangifte moet ieder jaar opnieuw gebeuren en telkens als de eigenaar van de hond van woonplaats verandert, of als de hond van verblijfplaats verandert.
Artikel 10 bepaalt dat de eigenaar of de bewaarder van het dier aan de gemeente de nodige bewijzen moet overleggen om aan te tonen dat de hond geïdentificeerd kan worden door een microchip, dat hij gevaccineerd is tegen hondsdolheid en, indien het om een vechthond gaat, dat hij gesteriliseerd is. Voorts moet de eigenaar of de bewaarder van de hond een verzekering wettelijke aansprakelijkheid hebben gesloten met betrekking tot de schade die het dier kan toebrengen aan derden.
Wat de identificatie van de hond door middel van een microchip betreft, gebeurt de registratie volgens de procedure vastgelegd in het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de identificatie en de registratie van honden. Artikel 13, 2º, van het koninklijk besluit is evenwel niet van toepassing.
De familieleden van de eigenaar of de bewaarder van het dier worden, indien het dier hun schade toebrengt, beschouwd als derden.
Aan de voorwaarden bepaald in artikel 10 moet steeds voldaan zijn. Indien er aan een van die voorwaarden niet is voldaan, moet de eigenaar of de bewaarder van het dier het gemeentebestuur daarvan binnen twee dagen op de hoogte brengen.
In artikel 11 wordt bepaald dat de eigenaar of de bewaarder van het dier, nadat hij de in artikel 9 bedoelde stukken aan het gemeentebestuur heeft bezorgd, een ontvangstbewijs krijgt.
Volgens artikel 12 bewaart het gemeentebestuur daarvan een exemplaar.
Artikel 13 bepaalt dat het gemeentebestuur een kopie van de verklaring doorzendt naar het plaatselijke politiecommissariaat dat op dat grondgebied bevoegd is.
Artikel 14 betreft de vechthonden. Zij mogen op bepaalde plaatsen niet komen, namelijk op openbare plaatsen met uitzondering van de openbare weg, in ruimten toegankelijk voor het publiek en in het openbaar vervoer. Ook mogen zij niet blijvend aanwezig zijn in de gemeenschappelijke ruimten van flatgebouwen. Het gaat hier om een radicale maatregel die tot doel heeft het risico dat een derde of een huisdier gebeten wordt, volledig uit te sluiten.
Wanneer zij zich op de openbare weg begeven of daar langere tijd aanwezig zijn en wanneer zij in de gemeenschappelijke ruimten van flatgebouwen verblijven, moeten vechthonden gemuilkorfd en aangelijnd zijn. Deze twee maatregelen beletten de hond te bijten en zorgen ervoor dat hij voortdurend onder de controle en het gezag van de eigenaar of de bewaarder blijft.
Artikel 15 legt, ook voor de waak- en verdedigingshonden het gebruik van de muilkorf en de lijn op wanneer de hond zich in een openbare plaats, in een voor het publiek toegankelijke plaats of in het openbaar vervoer bevindt.
Artikel 16 verleent de burgemeester de bevoegdheid om besluiten uit te vaardigen teneinde gevaar te voorkomen. De burgemeester kan bijvoorbeeld de eigenaar of de bewaarder van een gevaarlijke hond gelasten om een omheining te plaatsen en voldoende voorzorgen te nemen om te voorkomen dat de hond vrij kan rondlopen op de openbare weg of op het privé-terrein van andere mensen.
Deze besluiten worden door de burgemeester op eigen initiatief genomen of op verzoek van een belanghebbende persoon. De burgemeester is immers de aangewezen persoon om op te treden wanneer er een probleem rijst met een gevaarlijke hond. De procedure is soepel, aangezien het initiatief zowel van de burgemeester zelf kan uitgaan als van een belanghebbende persoon die daarom heeft verzocht.
Artikel 17 stelt de sancties vast die worden opgelegd wanneer de eigenaar of de bewaarder van het dier de maatregelen bepaald in artikel 16 niet in acht neemt. De burgemeester kan besluiten het dier in een bewaarplaats onder te brengen. Dan zijn de bepalingen terzake van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren van toepassing.
Artikel 18 bepaalt dat de burgemeester de hond door een dierenarts kan laten inslapen indien het dier bepaalde karakter- of gedragskenmerken vertoont die gevaar opleveren voor personen of huisdieren.
Volgens artikel 19 kan pakwerkdressuur alleen bij hondenselectie onder toezicht van een door het ministerie van Volksgezondheid erkende vereniging.
Artikel 20 bepaalt dat de hondentrainers en de verantwoordelijken voor de selectie van honden een bewijs van voldoende bekwaamheid moeten hebben om het voor deze dressuur benodigde materiaal aan te kopen.
Artikel 21 verduidelijkt dat dit bewijs alleen kan worden uitgereikt door een vereniging erkend door het ministerie van Volksgezondheid. De kandidaat-aanvrager moet bewijzen dat hij over de nodige bekwaamheid beschikt om het dier te leiden, te bevelen en onder controle te houden.
Het bewijs, dat vijf jaar geldig is, moet gehomologeerd worden door de gemeentelijke overheid. Dankzij deze formaliteit kan het gemeentebestuur nagaan of de in wet vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
Volgens artikel 22 moet aan de verkoper of de schenker van materiaal voor de africhting van vechthonden en van waak- en verdedigingshonden het bewijs worden voorgelegd, bedoeld in de voorgaande artikelen.
Artikel 23 bepaalt bovendien dat de verkoper of de schenker van het materiaal de vervreemding moet inschrijven in een speciaal daartoe bestemd register.
Artikel 24 verbiedt het op het Belgische grondgebied invoeren en binnenbrengen van gevaarlijke honden.
De artikelen 25, 26 en 27 stellen de toepasbare straffen vast : respectievelijk een boete en een gevangenisstraf, de verbeurdverklaring van de hond en, in geval van hondenbeten, de inbeslagneming van het dier.
| Anne-Marie LIZIN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Deze wet is niet van toepassing op de politie, de douane, het leger en de hulpdiensten wanneer die gebruik maken van honden.
Art. 3
De hondentypes die als gevaarlijk worden beschouwd, zijn verdeeld in twee categorieën :
de vechthonden;
de waak- en verdedigingshonden.
Art. 4
Tot de categorie van de vechthonden behoren :
de honden van het ras Staffordshire Terrier;
de honden van het ras American Staffordshire Terrier;
de honden van het ras Mastiff;
de honden van het ras Tosa;
de honden die door hun morfologische kenmerken tot een van de hierboven vermelde rassen gerekend kunnen worden.
Art. 5
Tot de categorie van de waak- en verdedigingshonden behoren :
de honden van het ras Staffordshire Terrier;
de honden van het ras Rottweiler;
de honden van het ras Tosa;
de honden die door hun morfologische kenmerken tot een van de hierboven vermelde rassen gerekend kunnen worden.
Art. 6
De Koning bepaalt de kenmerken waardoor de honden bedoeld in de artikelen 3 en 4 geïdentificeerd kunnen worden.
Art. 7
De aanschaf om niet of onder bezwarende titel van vechthonden als bedoeld in artikel 4 is verboden, behalve in het geval bedoeld in artikel 9, § 2, derde lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.
Art. 8
Het houden van de rassen vermeld in de artikelen 4 en 5 is verboden aan :
personen jonger dan 18 jaar;
onbekwaam verklaarde meerderjarigen, tenzij zij hiertoe de toestemming hebben gekregen van hun raadsman;
personen die de huidige wet overtreden hebben en die veroordeeld zijn tot een van de straffen bepaald in de artikelen 24, 25 en 26;
personen aan wie, met toepassing van deze wet, het recht om een gevaarlijk geachte hond te bezitten of te bewaren is ontnomen.
Personen aan wie, met toepassing van deze wet, het recht om een gevaarlijk geachte hond te bezitten of te bewaren is ontnomen, kunnen evenwel de burgemeester verzoeken om een afwijking op het verbod toe te staan. Deze afwijking kan echter niet worden toegestaan dan nadat een termijn van ten minste vijf jaar is verstreken vanaf het verlies van het bezit in hoofde van de eigenaar of de bewaarder.
Art. 9
Iedere eigenaar van een gevaarlijk geachte hond moet ieder jaar een verklaring indienen bij de gemeente waar de eigenaar van het dier zijn verblijfplaats heeft en, indien die hiervan verschilt, bij de gemeente waar de hond verblijft.
Deze verklaring moet bovendien opnieuw worden ingediend telkens wanneer er een verandering optreedt met betrekking tot de woonplaats van de eigenaar van de hond of telkens wanneer er een verandering optreedt met betrekking tot de verblijfplaats van de hond.
Art. 10
Bij het indienen van die verklaring moet de eigenaar van de gevaarlijk geachte hond of de persoon die de hond in bewaring heeft en die door de eigenaar daartoe gemachtigd is, de volgende documenten overleggen :
het bewijs dat de hond geïdentificeerd kan worden door de ingeplante microchip;
een geldig vaccinatiebewijs voor de hond wat hondsdolheid betreft;
het bewijs dat de hond gesteriliseerd werd wanneer het om een aanvalshond gaat;
het bewijs dat de eigenaar en, in voorkomend geval, de bewaarder van het dier een verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid heeft afgesloten om elke schade te dekken die het dier zou kunnen toebrengen aan derden.
De eigenaar van de hond of, in voorkomend geval, de bewaarder van het dier, moet erop toezien dat er steeds is voldaan aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid. Indien een van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet meer is vervuld, moet hij de gemeente binnen twee werkdagen daarvan op de hoogte brengen.
Art. 11
Wanneer de stukken bedoeld in artikel 9, eerste lid, worden overgelegd, geeft de burgemeester een ontvangstbewijs af aan de eigenaar of de bewaarder van de gevaarlijk geachte hond.
Art. 12
Het gemeentebestuur bewaart een exemplaar van de verklaring.
Art. 13
Het gemeentebestuur zendt een kopie van de verklaring over aan het plaatselijke politiecommissariaat dat bevoegd is voor het gebied.
Art. 14
Vechthonden hebben geen toegang tot openbare plaatsen behalve tot de openbare weg, noch tot voor het publiek toegankelijke plaatsen of tot het openbaar vervoer.
Vechthonden mogen niet in de gemeenschappelijke ruimten van flatgebouwen verblijven.
Wanneer zij zich op de openbare weg begeven of daar aanwezig zijn, of wanneer zij aanwezig zijn in de gemeenschappelijke ruimten van flatgebouwen, moeten vechthonden gemuilkorfd en aangelijnd zijn.
Art. 15
Waak- en verdedigingshonden moeten gemuilkorfd en aangelijnd zijn wanneer zij zich op openbare plaatsen begeven of daar aanwezig zijn, in voor het publiek toegankelijke ruimten en in het openbaar vervoer.
Art. 16
Indien een hond als bedoeld in de artikelen 4 en 5 gevaar kan opleveren voor mensen of huisdieren, kan de burgemeester op eigen initiatief of op verzoek van een belanghebbende persoon, de eigenaar of de bewaarder van de hond bevelen maatregelen te nemen om gevaar te voorkomen.
Art. 17
Indien de eigenaar of de bewaarder van de gevaarlijk geachte hond verzuimt de maatregelen bedoeld in artikel 16 te nemen, kan de burgemeester bij politiebesluit bevelen de hond te laten onderbrengen op een plaats die geschikt is voor de opvang en de bewaring van het dier.
Artikel 9, §§ 2 tot 5, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren is van toepassing.
Om de hond die naar een opvang- of bewaarplaats is gebracht terug in zijn bezit te krijgen, moet de eigenaar of de bewaarder van de hond de maatregelen uitvoeren die de burgemeester heeft bevolen.
Art. 18
Indien het gevaar dat de hond voor personen of huisdieren oplevert zulks rechtvaardigt, kan de burgemeester bevelen het dier door een dierenarts te laten doden.
Art. 19
Het africhten voor pakwerk van gevaarlijk geachte honden is alleen bij de hondenselectie toegestaan onder toezicht van een door het ministerie van Volksgezondheid erkende vereniging.
Art. 20
Alleen de africhters en wie verantwoordelijk zijn voor de hondenselectie die in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs, kunnen gevaarlijk geachte honden africhten voor pakwerk en zich het hiervoor benodigde materiaal aanschaffen.
Art. 21
Het bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven door alle door de minister van Volksgezondheid erkende verenigingen wanneer de kandidaten met het door de verenigingen georganiseerde examen bewijzen dat zij het dier kunnen leiden, onder controle houden en bevelen.
Het bekwaamheidsbewijs moet gehomologeerd worden door het gemeentebestuur van de verblijfplaats van de kandidaat. Daartoe moet het gemeentebestuur eerst nagaan of er voldaan is aan de door deze wet bepaalde voorwaarden.
Het bewijs blijft vijf jaar geldig.
Art. 22
Bij de aanschaf om niet of onder bezwarende titel van materiaal bestemd voor het africhten van gevaarlijk geachte honden, moet de koper zijn bekwaamheidsbewijs overleggen aan de persoon die het materiaal verkoopt of schenkt.
Art. 23
De aanschaf wordt opgetekend in een bijzonder register gehouden door de persoon die het materiaal verkoopt of schenkt.
Dit register moet ter beschikking worden gehouden van de politie en de overheden die belast zijn met de uitvoering van deze wet.
Art. 24
Het op het Belgische grondgebied invoeren en binnenbrengen van de honden bedoeld in de artikelen 4 en 5 is verboden.
Art. 25
Onverminderd de eventuele toepassing van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt hij die de bepalingen van deze wet overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van één maand tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen.
Art. 26
Iedere overtreding van deze wet brengt als bijkomende straf mee dat de gevaarlijk geachte hond en het betrokken materiaal verbeurdverklaard wordt.
Art. 27
Iedere hond die een persoon of een huisdier heeft gebeten, wordt in beslag genomen.
| Anne-Marie LIZIN. |