1-270/3 (BIJLAGE) | 1-270/3 (BIJLAGE) |
22 OKTOBER 1996
Wetsvoorstel betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde
A. OPMERKINGEN VAN HET HOF VAN CASSATIE OVER HET WETSVOORSTEL BETREFFENDE DE AANWERVING, DE BEVORDERING EN DE BEOORDELING VAN GRIFFIERS, SECRETARISSEN EN PERSONEEL VAN DE RECHTERLIJKE ORDE (Nr. 1-147/1 VAN DE HEREN ERDMAN EN LALLEMAND c.s.)
Brussel, 29 april 1996.
Mijnheer de minister,
Wij achten het passend U onze opmerkingen mee te delen in verband met het wetsvoorstel betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde, op 6 november 1995 in de Senaat ingediend door de heren Erdman en Lallemand c.s.
Dit voorstel heeft drie doelstellingen :
1º de gewone examens met het oog op de aanwerving vervangen door een vergelijkend examen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat;
2º een procedure voor de periodieke beoordeling van alle personeelsleden;
3º een nieuwe reglementering voor de adviesprocedure bij benoemingen en promoties.
1) Aanwerving door middel van een vergelijkend examen (art. 2 tot 5 en 7 tot 10)
Voor de werving van opstellers, beambten en bodes van de griffies, lijkt het vergelijkend examen immers beter geschikt dan het gewone examen, omdat het minder ruimte biedt aan willekeur, aangezien de autoriteit die belast is met de benoeming hoewel het voorstel dit niet met zoveel woorden zegt verplicht is voorrang te geven aan degenen die bij het vergelijkend examen het best gerangschikt zijn.
Wat de organisatie van het vergelijkend examen door het Vast Wervingssecretariaat betreft, gaat het voorstel in op de unanieme wens van de auteurs van de « Doorlichting van de administratieve taken bij de rechterlijke orde ».
Toch zou het misschien beter zijn duidelijk te vermelden dat het gaat om een vergelijkend examen dat speciaal bedoeld is voor betrekkingen in een griffie of een parket.
Moet voorts niet de voorkeur worden gegeven aan de termen « examen inzake beroepsbekwaamheid » of gewoon « vergelijkend examen » (zie Gerechtelijk Wetboek, art. 259bis ) in plaats van « maturiteitsexamen » ?
Het zou volgens ons hoe dan ook beter zijn om er enerzijds op toe te zien dat de benoemingsprocedure versneld en niet vertraagd wordt tengevolge van de voorgestelde hervorming en anderzijds dat de wervingsreserve maar voor een beperkte tijd wordt aangelegd, zodat alleen de beste elementen uit het vergelijkend examen worden aangeworven, in plaats van kandidaten die onderaan de rangschikking staan.
2) Periodieke beoordeling van de personeelsleden (art. 287ter en quater in te voegen in het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 6 van het voorstel)
Deze hervorming lijkt in beginsel te moeten worden goedgekeurd; zij stemt overeen met de algemene administratieve praktijk alsmede met de thans heersende inzichten. Een periodieke beoordeling is beter dan een eenmalig advies dat wordt verstrekt wanneer de betrokkene naar een promotie dingt of wanneer een tuchtprocedure tegen hem loopt.
Normaal is ook dat de betrokkene kennis krijgt van de beoordeling die van hem wordt gemaakt.
Artikel 287ter , § 1, bevat volgens ons een anomalie aangezien daarin « alle personeelsleden van de griffies en de parketten, zoals vermeld in de artikelen 260 en 270 tot en met 285 » worden bedoeld, terwijl de griffiers die vermeld worden in artikel 260, geen « personeelslid van de griffies » zijn.
3) Adviesprocedure (art. 287bis en quater in te voegen in het Gerechtelijk Wetboek bij art. 6 van het voorstel)
De noodzaak om een profielomschrijving van elke functie te maken, lijkt ons niet vanzelfsprekend. Afgezien van de moeilijkheid van deze taak die de minister van Justitie opgedragen krijgt, kan men zich afvragen of de autoriteiten die een advies moeten geven over de kandidaturen, moeten kunnen refereren aan een vooraf opgestelde « profielomschrijving » om te weten of de kandidaat voldoet aan de eisen van de functie.
Voorts lijken de indieners van het voorstel van wet niet voldoende aandacht te hebben geschonken aan de benoemingsvoorwaarden waarin het Gerechtelijk Wetboek reeds voorziet.
In tegenstelling tot hetgeen in de toelichting bij het voorstel staat (blz. 3, laatste alinea, en blz. 4, eerste en tweede alinea), kunnen de griffiers-hoofden van dienst, griffiers en klerken-griffiers, de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst, adjunct-secretarissen en klerken-secretarissen alleen worden benoemd op voordracht van welbepaalde meerderen (korpschef, hoofdgriffier, secretaris van het parket : art. 182, 261, 262, 273 van het Gerechtelijk Wetboek).
Het voorstel houdt volstrekt geen rekening met deze benoemingsvoorwaarde die zij gelukkig impliciet in stand laat, terwijl zij er de noodzaak van een gewoon advies van dezelfde meerderen aan toevoegt ! Ofwel moet de genoemde benoemingsvoorwaarde worden opgeheven, wat jammer zou zijn, ofwel moet het advies worden opgeheven, althans wat de niet behoorlijk voorgedragen kandidaten betreft.
De adviesprocedure waarin het voorstel voorziet, heeft geen betrekking op opstellers, vertalers, beambten en bodes, voor wier benoeming, zoals nu reeds het geval is, een voorafgaand advies van de gezagsdragers genoemd in de artikelen 177 tot 180 en 183 van het Gerechtelijk Wetboek noodzakelijk moet blijven.
Is dit advies, afgezien van aanvragen om overplaatsing van een reeds benoemde kandidaat van het ene gerecht naar het andere, nog wel noodzakelijk wanneer de aanwerving ingevolge het wetsvoorstel zal geschieden op basis van een vergelijkend examen ?
Anderzijds kan men zich afvragen of § 2 van het voorgestelde nieuwe artikel 287bis dat begint met de woorden « voor dezelfde benoemingen », de minister verplicht om het advies in te winnen van de korpsoverste en de dienstoverste (van de rechtsmacht waar de kandidaat was tewerkgesteld) voor alle kandidaten, zoals de Nederlandse tekst lijkt te eisen, of alleen voor de « candidat proposé » zoals in de Franse tekst staat. In dat laatste geval, over welk « voorstel » gaat het dan ?
Gebleken is dus dat het wetsvoorstel, ofschoon het lofwaardige doelstellingen nastreeft, zou moeten worden herwerkt, waarbij moet worden gelet op de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
Er zou ook rekening moeten worden gehouden met het plan van de Regering om de benaming « bode » af te schaffen.
Ten slotte zou ook moeten worden voorzien in overgangsbepalingen ten behoeve van de verworven rechten, met name van degene die geslaagd zijn voor het recente examen voor beambte, opsteller of vertaler, en die nog niet benoemd zijn.
| De Procureur-generaal, | De Eerste Voorzitter, |
B. OPMERKINGEN VAN HET HOF VAN CASSATIE OVER DE WETSVOORSTELLEN TOT WIJZIGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET GERECHTELIJK WETBOEK MET BETREKKING TOT HET PERSONEEL VAN DE GRIFFIES EN PARKETTEN (GEDR. ST., SENAAT, NR. 1-270/1; GEDR. ST., KAMER, 1995-1996, NR. 491/1)
Brussel, 30 mei 1996
SPOEDEISEND
Aan de heer S. De Clerck
Minister van Justitie
Waterloolaan 115
1000 Brussel
Nr. Doss. 1549/I/38
Bijlage(n) : 2
Mijnheer de minister,
In antwoord op uw brief nr. KAB/96/2/mb van 13 mei 1996, betreffende « de behandeling in de Senaatscommissie van wetsvoorstellen met betrekking tot een betere valorisatie van de griffiers, de parketsecretarissen en hun personeel », heb ik de eer u hierbij in kennis te stellen met een nota d.d. 24 mei 1996, van de hand van advocaat-generaal Piret, waarin de opmerkingen zijn vervat die ik meen te moeten maken bij de in uw brief bedoelde wetsvoorstellen Vandenberghe (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1) resp. Vandeurzen (Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 491/1).
Ik wil erop wijzen dat die nota enkel een actualisering is van degene die ik op 11 mei 1994 aan uw geachte voorganger heb doen toekomen bij mijn brief Doss. 1549/I/38, naar aanleiding van het destijds door senator Arts ingediende wetsvoorstel met gelijke strekking (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 605/1).
Gemakshalve voeg ik hierbij dan ook een copie van de vorige nota uit 1994.
Met bijzondere hoogachting
Voor de procureur-generaal, afwezig
De eerste advocaat-generaal
Opmerkingen betreffende de wetsvoorstellen tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en de parketten
(Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1;
Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 491/1)
I. Algemene opmerkingen
De algemene opmerkingen vervat in mijn nota van 19 januari 1994 betreffende het voorstel Arts (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 605-1), waarvan bijgaand een kopie, worden geacht hier te zijn neergeschreven.
II. Artikelsgewijze toelichting van het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1)
Artikelen 3, 15, 56, 63, 64, 65, 68
Zie mijn opmerkingen betreffende de overeenstemmende artikelen van het voorstel Arts (respectievelijk de artikelen 2, 14, 56, 63, 64, 65, 68).
Artikel 16
Zie mijn opmerkingen betreffende artikel 15 van het voorstel Arts. Voorts is het vrij verrassend te lezen dat de griffiers « hun taken in de griffie vervullen ».
Artikel 18
Zie mijn opmerkingen betreffende artikel 17 van het voorstel Arts wat betreft de taak van de griffier om ervoor te zorgen dat de procedureregels in acht genomen worden. Het zou een goede zaak zijn om ofwel de woorden « wat hem betreft » toe te voegen, ofwel aan te geven, op zijn minst in de toelichting, dat deze opdracht niet het recht behelst bevelen te geven aan de partijen in het geding...
Anderzijds zie ik niet wat er tegen kan zijn dat, zoals de C.E.N.E.G.E.R. voorstelt, tot de taken die aan de griffier worden opgedragen ook het voeren van de boekhouding van het rechtscollege en het bijhouden van dossiers zouden behoren.
Artikel 22
Zie mijn opmerkingen betreffende artikel 21 van het voorstel Arts, die stroken met de wensen van de C.E.N.E.G.E.R. en het A.C.O.D. Het is echter normaal dat, zoals de aan de Senaat voorgelegde tekst bepaalt, de hoofdsecretaris van het parket onder het gezag staat van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en niet alleen onder hun « toezicht », zoals de afgevaardigden van de C.E.N.E.G.E.R. en het A.C.O.D. ten onrechte beweren.
Artikel 27
Dit artikel bepaalt dat de griffier-hoofd van dienst wordt voorgedragen door de « voorzitter van de rechtbank », ook bij de politierechtbank, hoewel het ambt van voorzitter bij de politierechtbank niet bestaat (Gerechtelijk Wetboek, art. 68)
Artikelen 29 tot 50
Zie mijn opmerkingen betreffende de artikelen 28 en 49 van het voorstel Arts.
Wat betreft de artikelen 31 en 41 zie ik geen grote bezwaren om in te gaan op het voorstel van de C.E.N.E.G.E.R. wat betreft de mogelijkheid een hoofdgriffier van een rechtbank of een hoofdsecretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur te benoemen nadat zij gedurende ten minste tien jaar het ambt van respectievelijk adjunct-griffier van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, ofwel dat van adjunct-secretaris van een parket of een auditoraat.
Artikel 61
In § 6 is er een discrepantie tussen de Nederlandse tekst (maximum zes maanden) en de Franse tekst (six mois ou plus). Indien men, zoals te verwachten valt, voor de Nederlandstalige versie kiest, moet die termijn dan niet verlengbaar zijn ?
Artikel 68
Zoals C.E.N.E.G.E.R. aanstipt, is de overgangsbepaling neergelegd in artikel 75 van het wetsvoorstel Vandeurzen c.s. te verkiezen.
Ik bevestig in dit verband het i.v.m. artikel 68 van het voorstel Arts reeds geopperde voorstel om een bepaling op te nemen ertoe strekkende dat de nieuwe anciënniteitsvoorwaarden slechts zullen worden geëist na een termijn van 5 jaar vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
III. Artikelsgewijze toelichting van
het wetsvoorstel Vandeurzen c.s.
Voor zover zij afwijken van het wetsvoorstel Vandenberghe, kunnen bij die artikelen de volgende specifieke opmerkingen worden gemaakt :
Artikelen 4 en 5
Deze voorstellen lijken mij terecht.
Artikel 24
Zoals opgemerkt bij artikel 22 van het voorstel Vandenberghe, is in het derde lid het woord « gezag » m.i. te verkiezen boven het woord « toezicht ».
Artikel 68, 8º
Zou het niet nuttig zijn te bepalen dat de opdracht om het ambt van adjunct-griffier uit te oefenen, die door het voorstel tot een maand wordt beperkt, kan worden verlengd ?
Artikel 75
Zie hierboven de opmerking in verband met artikel 68 van het voorstel Vandenberghe.
24 mei 1996.
J.M. PIRET.
Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie
Opmerkingen betreffende het voorstel van wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten
(Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 605-1)
I. Algemene opmerkingen
Zoals wordt erkend in de memorie van toelichting, valt een aantal belangrijke elementen die de werking van de griffies en de secretariaten van de parketten efficiënter kunnen maken, buiten het bestek van dit voorstel, dat budgettair neutraal wil zijn en « het concreet omschrijven van de structuren, de bevoegdheden en de taken en het vastleggen van objectieve criteria voor aanwervingen, benoemingen en bevorderingen » tot doel heeft.
De herwaardering van de ambten van griffier en secretaris bestaat er volgens de auteurs van het voorstel hoofdzakelijk in die titels te vervangen zonder de daaraan verbonden taken of bezoldiging te wijzigen.
De vraag mag worden gesteld of het voor wijzigingen die enkel betrekking hebben op de naam van een functie, niet beter zou zijn om ten eerste te wachten tot de begrotingstoestand het mogelijk maakt daar een salarisverhoging aan te koppelen en voorts te wachten op het resultaat van de « doorlichting van het administratief personeel van de rechterlijke macht », waar de regering mee bezig is.
Wat de taken betreft, staat de precisie waarmee die van de griffiers zijn omschreven (art. 16 en 17), tegenover de summiere wijze waarop die van de parketsecretarissen zijn gedefinieerd (art. 21). Dat hoeft niet noodzakelijk een slechte zaak te zijn, op voorwaarde dat de korte opsomming van de taken van de secretaris niet betekent dat deze worden beperkt of dat hun belang wordt onderschat.
II. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
De Koning is gemachtigd de wetten en besluiten zodanig te wijzigen dat de benaming die wordt gegeven aan de onderscheiden ambten in de griffies en de parketten, door andere wordt vervangen. Deze wijziging geldt als « een begin van de opwaardering van deze functies ».
Deze wijziging lijkt geen bezwaren op te roepen, behalve dat men zich kan afvragen wat het eigenlijke nut ervan is zolang daar geen hogere salariëring mee gepaard gaat.
Hoe het ook zij, de vervanging van de woorden « griffier-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier », « klerk-griffier » door « adjunct-griffier » en « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris » kan alleen maar worden toegejuicht.
Artikel 2
Het artikel voorziet in het vaststellen van een bijzonder reglement voor de politierechtbank, naar analogie van het bepaalde in artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de andere rechtbanken.
Het nut van een dergelijk reglement staat buiten kijf, maar moet ook het vooraf inwinnen van het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet verplicht worden gesteld, aangezien het voormelde artikel 88 het advies vereist van de eerste voorzitter van het hof van beroep inzake het reglement van de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel ?
Voorts eist het voorstel het advies van de voorzitter van de politierechtbank, terwijl art. 68 van het Gerechtelijk Wetboek alleen spreekt van de oudst benoemde rechter, en wel voor zover de rechtbank meer dan één rechter omvat. De toelichting bij het voorstel specifieert inderdaad dat het woord « voorzitter » op de oudstbenoemde rechter slaat wanneer het om de politierechtbank gaat (blz. 16, vijfde alinea). Maar het zou beter zijn als de wettekst zelf op dat punt geen twijfel laat bestaan.
Artikel 3
Zie artikel 1 hierboven.
Artikel 4
In de Franse tekst leze men « greffier-chef de greffe » in plaats van « greffier-chef de service ».
Is het overigens verantwoord griffiers-hoofden van dienst aan te wijzen in de politierechtbanken, als zelfs de grootste daarvan slechts een beperkt aantal griffiers tellen ?
Artikelen 5 tot 13
Geen opmerkingen.
Artikel 14
Het kan verbazend lijken dat aan artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek waarin staat « de griffier staat de rechter bij in alle verrichtingen van zijn ambt », wordt toegevoegd dat de griffier « de griffietaken vervult ».
De toelichting bij het voorstel verantwoordt deze schijnbaar overbodige vermelding door aan te tonen dat de griffier nog andere taken heeft dan het bijstaan van de rechter (zie in dat verband artikel 415 van het Gerechtelijk Wetboek).
Misschien zou het verkieslijk zijn de woorden « de griffietaken, te vervangen door « de taken opgesomd in artikel 173 » (gewijzigd bij artikel 17 van het voorstel).
Ook zou men het huidige artikel 170, waarvan de inhoud zou kunnen worden overgenomen en verfijnd in het nieuwe artikel 173, kunnen opheffen.
Als dat gebeurt, moeten de woorden « op deze laatste regel wordt slechts uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd » worden verschoven naar het tweede lid van het nieuwe artikel 173.
Artikel 15
In dit artikel staat dat « de griffiers een gerechtelijke functie uitoefenen ».
Op 1 juni 1971 heeft de Raad van State aan de minister van Justitie een advies verstrekt volgens hetwelk men ervan moet uigaan dat de griffiers, leden van de rechterlijke macht, een gerechteljke functie uitoefenen in de zin van de artikelen 191 en 194 van het Gerechtelijk Wetboek (in hun toenmalige redactie).
Het verslag van een werkgroep over de opleiding en de werving van magistraten, ingesteld door de minister van Justitie en voorgezeten door de heer J.E. Krings, destijds advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, zette er de wetgever toe aan daarover een standpunt in te nemen (1976, blz. 23).
Het advies van de Raad van State sloeg enkel op het begrip « gerechtelijke functie » in de zin van de artikelen 191 en 194 van het Gerechtelijk Wetboek zoals die toen luidden.
Vooraleer tot algemene regel te maken dat de griffiers een gerechtelijke functie uitoefenen, zou moeten worden nagegaan of deze stelling overeenstemt met de wil van de wetgever op alle plaatsen waar deze uitdrukking in de wetgeving voorkomt, met name in andere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en in de wetgeving op het gebruik van de talen in gerechtszaken (1).
Artikel 16
Deze bepaling draagt aan de hoofdgriffier uitdrukkelijk de leiding van de griffie op, terwijl het huidige artikel 172 van het Gerechtelijk Wetboek zich ertoe beperkt hem de verdeling van het dienstwerk op te dragen.
Er lijkt geen groot bezwaar te zijn om dit artikel te wijzigen in de door de indieners van het voorstel gewenste zin, voor zover niet wordt geraakt aan de taak om de rechter bij te staan of aan de toezichthoudende taak van het openbaar ministerie waarin de artikelen 140, 148, 399 en 415 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien.
Artikel 17
Voor de opsomming van de taken van de griffier wordt de bestaande opsomming van artikel 173 overgenomen en bij de tijd gebracht. Het vaststellen van de wijze van toepassing kan aan de Koning worden opgedragen, wat een aanpassing van de taken van de griffier aan de behoeften en de mogelijkheden van het ogenblik zou vergemakkelijken.
De opdracht toe te zien op de naleving van de procedureregels is zo ruim geformuleerd dat het lijkt alsof de bevelen aan de partijen in het geding daaronder begrepen zijn, wat de indieners van het voorstel wellicht niet hebben gewild.
Zou het niet beter zijn deze nieuwe bevoegdheid, die eigenlijk aan de rechter toekomt, op te heffen ?
Artikelen 18 tot 20
Geen opmerkingen.
Artikel 21
Het wekt verbazing hoe weinig woorden het voorstel en de toelichting besteden aan de taken die aan het secretariaat van de parketten worden opgedragen, zeker vergeleken met de opsomming van de aan de griffie toegedeelde taken. Maar een uiteraard onvolledige opsomming heeft niet noodzakelijk meer voor- dan nadelen, aangezien de leiding van de administratieve diensten, het bijstaan van het hoofd van het parket, het ondertekenen van de door deze aangeduide documenten en het bewaren van de registers, het archief en de documenten de hoofdbestanddelen lijken te zijn van de opdracht van het secretariaat.
In de toelichting bij het voorstel van wet (blz. 8, laatste alinea) wordt gezegd dat de secretaris van het parket alleen een administratief stuk kan ondertekenen indien hij daartoe opdracht krijgt van het hoofd van het parket en dat hij in dat geval « in opdracht » moet ondertekenen. Deze vermelding is te algemeen en geldt bijvoorbeeld niet voor sommige documenten voor intern gebruik van het parket.
Dezelfde gedachtegang volgend, kan men het moeilijk eens zijn met hetgeen elders in de toelichting (blz. 3, tweede alinea) staat, namelijk dat alleen de griffier afschriften mag afgeven. Noch het voorgestelde artikel 173, noch artikel 1380 van het Gerechtelijk Wetboek sluiten uit dat afschriften van documenten worden afgegeven door het secretariaat van het parket.
Globaal genomen lijkt de toelichting van het wetsvoorstel aan de griffier taken toe te kennen die niet of althans niet met zoveel woorden aan het secretariaat van het parket worden opgedragen, terwijl dat secretariaat deze taken reeds vervult en niets zich ertegen verzet dat dit zo blijft. Dat geldt bijvoorbeeld voor opzoekingswerk van jurisprudentie of doctrine, het voorbereiden van dossiers (blz. 4, a) , het opvangen en het voorlichten van de rechtzoekende (blz. 5, b) .
Artikel 21 zou dienovereenkomstig moeten worden aangevuld, zodat er een parallellisme ontstaat met artikel 17.
Artikelen 22 tot 24
Geen opmerkingen.
Artikel 25
Een voorstel van wet van de heer Erdman c.s. (Gedr. St. Senaat, 1992-1993, nr. 715-1) strekt ertoe dat voor alle benoemingen tot hoofdgriffier het advies wordt ingewonnen van de magistraat die voorzitter is van het betrokken gerecht (eerste voorzitter, voorzitter, vrederechter, politierechter, al naar gelang van het geval).
Er is immers geen reden om alleen een advies op te leggen wanneer het griffiers-hoofden van dienst betreft, zoals artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek doet. Er zou ook moeten worden voorzien in een advies van het openbaar ministerie dat verbonden is aan de betrokken rechtbank, zoals bepaald bij het onderstaande artikel 26.
Artikel 26
Dit artikel eist enkel nog het advies van het betrokken openbaar ministerie, terwijl het huidige artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek een gezamenlijke voordracht eist door de voorzitter van de rechtbank en het openbaar ministerie. Aan de basis van deze wijziging ligt de zorg een impasse te voorkomen, maar waarom moet de voordracht dan gezamenlijk door de magistraat die de rechtbank leidt en de hoofdgriffier worden gedaan ? Is een advies van deze laatste niet voldoende ?
Anderzijds lijkt de tekst voor de griffiers-hoofden van dienst van de polititierechtbank te eisen dat de voordracht geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en niet door de oudstbenoemde politierechter. Dat is moeilijk te verantwoorden, aangezien de griffier-hoofd van dienst noodzakelijkerwijze moet worden gekozen onder de griffiers van de politierechtbank, en de politierechters hen beter kennen (zie trouwens hierboven artikel 4). Het voornoemde wetsvoorstel van de heer Erdman c.s. voorziet in het advies van de vrederechter of de politierechter, naar gelang van het geval, voor de benoeming van een kandidaat voorgedragen voor het ambt van griffier-hoofd van de griffie van een vredegerecht of van een politierechtbank. Dat voorstel bepaalt echter niet wie het advies moet verstrekken wanneer een politierechtbank uit verschillende rechters bestaat.
Artikel 27
Hier is vergeten de woorden « klerken-griffiers » te vervangen door « adjunct-griffiers » en « griffier-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier ».
Het artikel strekt ertoe het advies van het openbaar ministerie voor de benoeming van griffiers en adjunct-griffiers verplicht te maken.
Artikelen 28 tot 49
Bedoeling van deze artikelen is de benoemingsvoorwaarden in de griffies en de parketten strenger te maken, een innig parallellisme tot stand te brengen tussen de benoemingsvoorwaarden voor de leden van de griffies en die van de secretariaten van het parket en personeelsverloop mogelijk te maken tussen de griffies en de parketten van alle gerechten. De griffiers zijn bovendien echter onderworpen aan de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
Strengere benoemings- en promotievoorwaarden zijn te verantwoorden indien herwaardering van de functies het doel is, voor zover er voldoende goede kandidaten te vinden zijn die aan de nieuwe voorwaarden voldoen, mede gelet op de taalkennis die met name te Brussel is vereist.
De toelichting bij het wetsvoorstel schetst de algemene karakteristieken van de voorgestelde hervorming op het stuk van de benoemingsvoorwaarden (blz. 10).
Het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs is voortaan onontbeerlijk voor elke benoeming vanaf de graad van adjunct-griffier of adjunct-secretaris (art. 47 et 48).
De eis dat gedurende een zekere tijd daadwerkelijk een ambt werd uitgeoefend bij een griffie of een parket, zelfs voor de licentiaten in de rechten, zal de werving van academici zeker niet vergemakkelijken.
Het voorstel schrapt de eis van artikel 268 van het Gerechtelijk Wetboek dat de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie een doctor in de rechten moet zijn. Deze wijziging zorgt voor een parallellisme tussen de benoemingsvoorwaarden van de hoofdsecretaris van het parket bij Cassatie (behalve wat de talenkennis betreft), maar strookt niet met het streven naar herwaardering waaraan het voorstel gestalte wil geven (art. 34).
De artikelen 36 en 49 voorzien geheel terecht in de opheffing van de overgangsbepalingen neergelegd in de artikelen 269bis en 284bis van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien er een nieuwe overgangsbepaling staat in artikel 68 van het voorstel.
Waarom moet in de artikelen 38 en 47 de termijn worden verlengd die respectievelijk is opgelegd aan de bodes en de beambten om beambte bij een griffie of opsteller bij het parket te worden ?
In de artikelen 38, § 2, en 48, § 2, moet in de Nederlandse tekst de komma vervallen na « licentiaten in de rechten » indien men net als in de Franse tekst duidelijk de eis wil behouden dat zelfs voor de licentiaten in de rechten een getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris vereist is.
Zou het niet beter zijn in de artikelen 38, § 3, en 48, § 3, het dactylografie-examen te vervangen door een examen tekstverwerking ?
In de artikelen 40, 42 en 44 zou het dienstig zijn, zoals bepaald in het eerdergenoemde voorstel van wet van de heer Erdman c.s., het voorafgaand advies van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, verplicht te maken bij de benoeming van de hoofdsecretaris van het parket.
In artikel 47, § 2, van de Franse tekst zouden net als in artikel 37 de woorden « qui ont présenté avec succès un examen pratique devant le jury » moeten worden gebezigd en zou het woord « épreuve » door het woord « examen » moeten worden vervangen.
Artikel 50
Deze bepaling wil iedere dubbelzinnigheid opheffen wat betreft de werkingssfeer van artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat voor iedere benoeming in de rechterlijke macht de openstaande betrekkingen in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt.
De minister van Justitie is het met de Commissie voor de Justitie van de Senaat eens dat elke vacante betrekking moet worden bekendgemaakt, daaronder begrepen die waar de benoeming op voordracht geschiedt (Beknopt Verslag, Senaat, 21 mei 1992, blz. 235).
De vacante betrekkingen bij het secretariaat van de parketten worden inderdaad in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, net als die bij de griffies, maar onder een ander opschrift.
Uit artikel 50 van het voorstel mag wellicht niet worden afgeleid dat de griffiers wel deel uitmaken van de rechterlijke macht en de secretarissen van het parket niet. Dat zou ook erg betwistbaar zijn (zie hierboven art. 15 en noot 1).
Artikelen 51 tot 55
Geen opmerkingen.
Artikel 56
Dit artikel stelt opnieuw, net als artikel 15, het begrip « gerechtelijke ambten/functies » ter discussie.
De voorgestelde tekst van artikel 56, § 1, kan zo worden geïnterpreteerd dat de griffiers een gerechtelijk ambt uitoefenen en de parketsecretarissen niet, terwijl titel II van het Gerechtelijk Wetboek, waarin dit artikel zou worden ingevoegd, over de « gerechtelijke ambten » handelt en volgens het voorstel ook de parketsecretarissen daaronder vallen.
Het zou ongetwijfeld verkieslijk zijn om de eerste paragraaf van artikel 56 te laten vallen en de tweede te behouden.
Artikelen 57 tot 59
Geen opmerkingen.
Artikel 60
Dit artikel heeft alleen betrekking op de rang die bij openbare plechtigheden moet worden ingenomen door de griffiers van vredegerechten en politierechtbanken. De rangorde van de griffies van andere rechtscolleges en de parketsecretarissen is wellicht genoegzaam geregeld in de artikelen 310 tot 312 van het Gerechtelijk Wetboek, aangevuld met artikel 56, tweede lid, van het voorstel. Zo niet dient, wat hen betreft, artikel 60 te worden aangevuld.
Artikel 61, § 1
Zoals in de rest van het wetsvoorstel dienen de woorden « griffier-hoofd van de griffie » te worden vervangen door « hoofdgriffier » en de woorden « klerken-griffiers » door « adjunct-griffiers ».
Zou het niet beter zijn in § 3 te bepalen dat de maximumtermijn van zes maanden gedurende welke een adjunct-griffier een opdracht in een andere griffie kan krijgen, kan worden verlengd ?
Artikel 62
Naast de voorgestelde wijzigingen zouden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » moeten vervallen en zouden de woorden « klerken-griffiers » moeten worden vervangen door « adjunct-griffiers ».
Artikel 63
Het voorstel is voor betwisting vatbaar in zoverre het een hoofdgriffier in staat stelt een opdracht te vervullen in een ministerieel departement, een regeringcommissie, - orgaan of - dienst zonder dat wordt voorzien in zijn vervanging aan het hoofd van de griffie.
Artikel 64
De woorden « griffiers-hoofden van de griffie » moeten worden vervangen door « griffiers-hoofden van dienst ».
Artikel 65
Dit artikel wil een einde maken aan de toestemming die bij de wet van 21 februari 1983 aan de Koning is verleend om het statuut van het Rijkspersoneel toe te passen op de griffiers, wat betreft de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid. Dat is gebeurd bij koninklijk besluit van 14 november 1983.
De verantwoording die daarvoor wordt gegeven is de discriminatie tussen magistraten en griffiers, die beiden lid zijn van de rechterlijke macht.
Maar het voorstel voert een nieuwe discriminatie in tussen griffiers en parketsecretarissen enerzijds en tussen griffiers en griffiepersoneel anderzijds.
De redenen die de auteurs van de wet van 21 februari 1983 ertoe hebben gebracht om op de griffiers het statuut van het Rijkspersoneel toepasselijk te maken in geval van ziekte of gebrekkigheid, lijken ook nu nog te gelden en het systeem lijkt op een bevredigende wijze te werken, zodat er geen echte verantwoording bestaat om ervan af te stappen.
Artikelen 66 en 67
Geen opmerkingen.
Artikel 68
Deze overgangsbepaling handhaaft de verworven rechten op een promotie, behalve wat betreft de anciënniteitsvoorwaarden, wat tot gevolg zou hebben dat de bevorderingen waarop de kandidaten onder de oude wet aanspraak hadden kunnen maken, zouden worden af- of uitgesteld.
Wil men meer van de bestaande promotiemogelijkheden openhouden, dan zou bijvoorbeeld moeten worden bepaald dat de nieuwe anciënniteitsvoorwaarden slechts zullen worden geëist na een termijn van vijf jaar te rekenen van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zoals voorgesteld in de toelichting bij het wetsvoorstel (blz. 16, vierde alinea).
19 januari 1994.
J.-M. PIRET,
Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.
(1) Volgens een studie die op 20 januari 1971 door de heer Krings, destijds advocaat-generaal, aan de heer procureur-generaal werd gericht, voeren alleen magistraten een gerechtelijke functie uit en, indien al degenen die deel uitmaken van de rechterlijke macht geacht worden een gerechtelijke functie uit te oefenen, dan kan men daar het personeel van de griffies en de parketten niet van uitsluiten.
Zie ook R. Sweetlove, La fonction du greffier, son rôle dans le système judiciaire et son importance dans le contexte des réformes nécessaires pour améliorer l'efficacité et l'équité de la justice, Actualités du droit , 1992, blz. 743.