2-54 | Belgische Senaat | 2-54 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
Benoemingscommissie voor het notariaat
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Vorige week hebben wij de eedaflegging meegemaakt van een niet verkozen senator die zal zetelen in toepassing van artikel 72 van de Grondwet. In december 1999 dienden wij terzake trouwens een wijzigingsvoorstel in. Vandaag vernamen wij toevallig dat dit wetsvoorstel toch zal worden gedrukt.
De regering is uiteraard verantwoordelijk voor de uitspraken van de Koning. Afgeleid van de koninklijke onverantwoordelijkheid mochten geen leden van de koninklijke familie of zelfs geen naaste medewerkers in de Rwanda-commissie getuigen. Worden zij door dezelfde onverantwoordelijkheidsregel beschermd?
Is de regering in dat geval dan ook verantwoordelijk voor de uitspraken van leden van het Hof, bijvoorbeeld de senatoren van rechtswege, of voor uitspraken van naaste medewerkers?
Past het dat iemand, om het even wie, teksten van senatoren wijzigt of zelfs laat herschrijven? Na het afleggen van de eed is de prins immers senator. In de media werd in dat verband verwezen naar de voorzitter van de Senaat en naar de CVP, want ook de CVP zou teksten hebben laten nalezen en verbeteren.
Kan de regering nu in de toekomst verantwoordelijk worden gesteld voor alle uitspraken van een prinselijk senator? Ik leg de nadruk op "senator" omdat deze vergadering is samengesteld uit senatoren van rechtswege, rechtstreeks verkozen, gecoöpteerde en gemeenschapssenatoren die allemaal de vrijheid van spreken hebben.
De voorzitter. - Aangezien de heer Verreycken mijn naam vermeld heeft, wens ik daarop eerst te reageren. Geen enkel woord van de tekst van de prins is van mijn hand.
De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - De vraag van de heer Verreycken komt een beetje laat. Hij had zijn nieuwe collega vorige week een en ander kunnen vragen in plaats van zich vandaag tot mij te wenden. Hij heeft die kans echter gemist want hij is vorige week niet komen opdagen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik had mijn vraag vóór de eedaflegging ingediend, maar de eerste minister was op dat ogenblik zelf niet aanwezig.
De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Enkele weken geleden kreeg ik in de Kamer identiek dezelfde vraag van een partijgenoot van de heer Verreycken, de heer Tastenhoye. Ik kan vandaag alleen maar het antwoord op de vraag van de heer Tastenhoye herhalen.
Krachtens artikel 88 van de Grondwet is de persoon des Konings onschendbaar en zijn de ministers verantwoordelijk voor de woorden en de daden van de Koning. Daaruit vloeit voort dat elke handeling van de Koning, die een rechtstreekse of onrechtstreekse politieke weerslag kan hebben, door een minister gedekt moet zijn. Dit beginsel is evenwel niet van toepassing op de andere leden van de koninklijke familie.
Ik ontken niet dat ik in de hoedanigheid van eerste minister enkele weken geleden, naar aanleiding van een interview waarin prins Laurent bepaalde uitspraken heeft gedaan, een mening naar buiten heb gebracht. Ik heb daarbij eerst en vooral verwezen naar het beginsel van de Grondwet en gezegd dat de regering voor deze uitspraken niet verantwoordelijk is. Voorts heb ik verklaard dat ik van mening ben dat leden van de koninklijke familie in deze moderne tijd perfect het recht hebben om aan het maatschappelijk debat deel te nemen en opinies te hebben over maatschappelijke ontwikkelingen. Ik heb daaraan toegevoegd dat ze er echter ook moeten voor zorgen dat ze bij het verwoorden van die opinies niet in polemieken terechtkomen of dat ze geen personen aanvallen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik apprecieer het antwoord van de eerste minister. Ik wijs er echter op dat mijn vraag was ingediend vóór de eedaflegging van de prinselijke senator. Ze werd een week uitgesteld omdat de eerste minister vorige week niet aanwezig kon zijn.
De voorzitter. - Dat is juist. De eerste minister was in Griekenland.
De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Griekenland is de bakermat van de democratie.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Op diezelfde basis ga ik volgende week naar Oostenrijk.
Als de eerste minister het apprecieert dat ik zijn antwoorden voorkauw, dan is hij misschien bereid een weddeverwisseling door te voeren. De onverantwoordelijkheid van de Koning is onbetwistbaar, maar ik vraag me nog altijd af waarom sommige medewerkers van de Koning niet mogen getuigen in onderzoekscommissies. Ik heb het niet over prinsen, wel over medewerkers van het Hof. We hebben sommige van die medewerkers niet kunnen horen, omdat ze aan het Hof werkten. Dat gaat te ver. Strekt die onverantwoordelijkheid van de Koning zich ook uit over de medewerkers? Dat is de kern van mijn vraag. De eerste minister heeft in de Rwanda-commissie zelf meegemaakt dat hij mensen niet mocht ondervragen omdat zij medewerkers van het Hof waren. Indien de eerste minister nu zegt, dat enkel de Koning onverantwoordelijk wordt geacht, wat grondwettelijk juist is, dan vraag ik me nog altijd af waarom wij niet het recht hebben vragen te stellen aan een medewerker, tenzij die mensen iets te verbergen hebben en zich daarom verstoppen achter de onverantwoordelijkheid van de Koning.
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Op 26 mei vroeg ik het Rekenhof om inzage in de leerlingencijfers die de Franse Gemeenschap heeft ingediend. Het Rekenhof deelde echter mee dat dit onmogelijk is en dat het pas inzage in de cijfers kan geven als het onderzoek is afgerond en de bevindingen zijn meegedeeld aan de federale regering.
Gelet op dat antwoord vroeg CVP-fractievoorzitter Van Peel vorige week of de regering niet bereid was een tussentijds verslag te vragen. Het antwoord was dat dit in overweging kon worden genomen. Mijn precieze vraag is dan ook of de meerderheid akkoord gaat om een tussentijds verslag op te vragen, dat inzage biedt in de door de Franse Gemeenschap ingediende leerlingencijfers. Overigens heb ik van Vlaams minister Vanderpoorten vernomen dat dat tussentijds verslag vandaag bekendgemaakt wordt. Misschien kan de vice-eerste minister dat zo dadelijk in zijn antwoord meedelen of moeten we nog een tijdje wachten?
Anderzijds blijf ik mij afvragen op welke basis het Rekenhof aan een lid van de wetgevende kamers inzage kan weigeren en waarom die inzage slechts mogelijk is nadat het Rekenhof eerst de federale regering heeft ingelicht. Zelfs indien het Rekenhof, zoals nu wettelijk is bepaald, een beleidsuitvoerend instrument wordt van de uitvoerende macht, dient het prioritair ten dienste te staan van het Parlement zodat dit zijn controletaak op de regering kan uitoefenen.
Het Rekenhof moet de wetgevende kamers informeren over de uitgaven en ontvangsten en a fortiori over de criteria voor deze uitgaven. Dat laatste is overigens vastgelegd in het Sint-Elooisakkoord. Bij de stemming daarover heeft Kamervoorzitter De Croo zelfs opgemerkt dat de parlementsleden inzage moeten hebben in elk document van het Rekenhof en de aanwezige minister heeft dat toen niet tegengesproken. Bovendien wordt nergens in het huishoudelijk reglement van het Rekenhof een beperking opgelegd, in de zin dat inzage slechts mogelijk is nadat de federale regering op de hoogte is gebracht. Dat zou overigens strijdig zijn met de grondwettelijke taak van het Rekenhof als essentiële ondersteuning van de wetgevende macht bij de controle op de uitvoerende macht.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De gemeenschapssenator verklaart dat het Rekenhof hem geen inzage heeft gegeven in het dossier dat betrekking heeft op de controle van de leerlingencijfers. Het Rekenhof baseert zich voor die weigering op hoofdstuk V van het huishoudelijk reglement, dat het inzage- en informatierecht van de parlementsleden regelt. Artikel 34 van dat reglement bepaalt dat een volksvertegenwoordiger het recht heeft de briefwisseling en de desbetreffende notulen van het Rekenhof in te kijken zodra het bedoelde onderzoek is beëindigd.
Wat betreft de vraag naar een tussentijds verslag van het Rekenhof, kan ik enkel antwoorden dat een dergelijk verzoek enkel van het Parlement kan uitgaan. Het Rekenhof is, zoals de heer Caluwé terecht opmerkt, een orgaan van het Parlement. Derhalve moet de discussie over de interpretatie van het inzage- en informatierecht van de parlementsleden in het Parlement worden gevoerd in plaats van met de regering.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - De vice-eerste minister heeft op een vraag van volksvertegenwoordiger Van Peel geantwoord dat in de meerderheid wordt overwogen een tussentijds verslag te vragen. Heeft de vice-eerste minister intussen al stappen gedaan om dat verslag op te vragen? Op die vraag heb ik geen antwoord gekregen.
Ik zal alleszins bij het Rekenhof mijn verzoek om inzage herhalen. Volgens het huishoudelijk reglement van het Rekenhof kan een individueel parlementslid immers bij het einde van elke onderzoeksfase inzage krijgen. Het is duidelijk dat een eerste onderzoeksfase is beëindigd, want het Rekenhof heeft de Franse Gemeenschap verzocht een correctie in te brengen op de elektronische drager.
De heer Jacques Devolder (VLD). - In havenkringen, zowel in Antwerpen, Gent als Zeebrugge, heerst er heel wat ongerustheid naar aanleiding van het wetsvoorstel dat tot doel heeft het vrachtvervoer van meer dan 7,5 ton op zon- en feestdagen op Belgische wegen te verbieden.
Dit rijverbod geldt reeds in enkele lidstaten, maar is nog niet van toepassing in Nederland, Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken en Zweden. Deze landen doen voor een groot aantal scheepsverbindingen, zoals RORO- en containerlijnen, een beroep op de Belgische havens. Tegelijkertijd zijn deze landen ook potentiële concurrenten.
Het argument dat het weekendverbod reeds bestaat in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje moet worden genuanceerd omdat de dagen waarop het rijverbod van toepassing is, van land tot land verschillen. Zo moet er rekening worden gehouden met de nationale feestdagen en met de verschillende verbodsuren.
Bovendien is het niet zeker dat het weekendverbod de verkeersveiligheid ten goede komt. Het vrachtvervoer neemt nog toe op vrijdag en maandag, net vóór en na het weekend, wanneer er altijd al een zeer intensief verkeer is.
Deze materie ligt in Vlaanderen bijzonder gevoelig aangezien de havenactiviteiten hoofdzakelijk in Vlaanderen plaatsvinden.
Ik ontken niet dat de verkeersveiligheid een belangrijke bekommernis is, maar ik had graag van de minister vernomen of zij meent dat een beperking van het vrachtverkeer tijdens het weekend de veiligheid ook werkelijk bevordert.
Is de minister bereid hieromtrent overleg te plegen met de gewestregeringen? De federale regering heeft in dit verband nog geen standpunt ingenomen.
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Het verbaast mij dat deze vraag nu wordt gesteld, want gisteren is een wetsvoorstel terzake op de agenda van de kamercommissie voor de infrastructuur geplaatst en onmiddellijk voor advies doorgezonden naar de gewesten. Dit belangrijke advies, zoals u terecht opmerkt, wordt binnen één maand verwacht. Uit respect voor de gewesten wil ik niet vooruitlopen op hun adviezen. Bovendien is gisteren het spoedoverleg met de gewesten, waarop u aandringt, gestart.
Het feit dat het wetsvoorstel bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers op de agenda is geplaatst, bewijst dat het debat zeker wordt aangevat. We kunnen echter niet vooruitlopen op de conclusies van een breed en belangrijk debat dat ik daarover wil voeren met de gewesten en met de sector zelf. Op 29 juni wordt een rondetafelconferentie over het wegvervoer georganiseerd waarop de verschillende actoren hun standpunten kunnen uiteenzetten en waarop ik met de vertegenwoordigers van de sector ook zal spreken over een rijverbod op zondag. Op 21 juni heb ik ook een vergadering gepland van de interministeriële werkgroep verkeersreglementering; ook daar zal het wetsvoorstel worden besproken met de vertegenwoordigers van de gewesten.
Ik ben voorstander van de invoering van een rijverbod voor zware vrachtwagens gedurende een bepaalde periode in het weekend, maar ik pleit ten zeerste voor een harmonisering op Europees niveau. Veel hangt dus af van de beslissingen van de Europese Commissie terzake. Maatregelen met betrekking tot het vervoer hebben immers ongetwijfeld een weerslag op alle vervoerstromen in het dichte netwerk van de Europese landen en dus op de concurrentiepositie van de verschillende nationale sectoren.
Landen die soortgelijke maatregelen hebben genomen, deden dit duidelijk in de eerste plaats uit sociale overwegingen: ervoor zorgen dat vrachtwagenchauffeurs een rustdag krijgen. Minder vermoeide chauffeurs veroorzaken minder ongelukken. De pleitbezorgers van het rijverbod op zondag halen ook die sociale motieven aan. Die moeten het beroep van vrachtwagenchauffeur minder stresserend maken, wat ongetwijfeld een gunstige invloed heeft op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid was dus zeker niet het enige argument, maar toch moet met dit aspect en met ongevallen als gevolg van de vermoeidheid van vrachtwagenchauffeurs rekening worden gehouden bij de besprekingen.
Een ander belangrijk aspect is de rust en de kalmte voor de burgers, vooral zij die langs drukke verkeersassen wonen. Minder vrachtwagenverkeer tijdens het weekeinde biedt ook voordelen voor de burgers die dan vrijetijdsverplaatsingen maken. Deze maatregelen komen mijns inziens best aan bod in het raam van een debat over duurzame ontwikkeling.
In het wetsvoorstel over de beperking van vrachtverkeer, waarnaar de heer Devolder verwijst, is er sprake van een verbod, behoudens uitzonderingen, voor bepaalde transporten van zaterdagavond 22 uur tot zondagavond 22 uur en ook op feestdagen. Er is dus geen sprake van een echt weekendverbod. Het gaat nog maar om een wetsvoorstel.
De stelling dat de vrijdagavondpiek bijkomend wordt belast is niet gegrond. Voertuigen die tot zondagavond staan geblokkeerd, komen na 22 uur opnieuw in het verkeer en ze zullen de maandagochtendpiek niet bijkomend belasten. In welke mate transporten die nu op zondag plaatsvinden door een eventueel verbod naar maandagochtend zullen verschuiven is op dit ogenblik nog niet duidelijk maar ik meen dat het effect niet mag worden overschat. Ook mogen we de problemen in de omgeving van bepaalde parkings nabij bepaalde grensovergangen niet uit het oog verliezen. Door het rijverbod in de ons omringende landen zullen er capaciteitsproblemen rijzen die een negatieve invloed kunnen hebben op de veiligheid.
Ik ben het met de heer Devolder eens dat de verschillende effecten grondig moeten worden bestudeerd. Ook het vrachtverkeer van en naar bepaalde havens moet in de discussie worden betrokken aangezien dit verband houdt met het probleem van de concurrentie tussen verschillende nationale sectoren.
Om die reden pleit ik voor een Europese harmonisatie. Hierbij moet rekening worden gehouden met de landen die geen beperking kennen en er bijgevolg een zouden moeten invoeren. In Frankrijk, Duitsland en Italië bestaat een beperking, die goed werkt. Het beleid van deze landen, die stuk voor stuk belangrijke economische actoren zijn, kan moeilijk als anti-economisch worden bestempeld.
Ik zal met al deze factoren rekening houden teneinde een evenwichtige oplossing uit te werken die alle elementen in de mate van het mogelijke verzoent. Het parlement, de gewesten en de vertegenwoordigers van de sectoren zullen tijdens het geplande overleg hun specifieke bijdrage kunnen leveren tot de verfijning van de Belgische positie op Europees vlak.
De heer Jacques Devolder (VLD). - Het verheugt mij dat op 29 juni een rondetafelconferentie zal worden georganiseerd. Een Europese harmonisatie is immers dringend nodig.
De vice-eerste minister scheen verbaasd te zijn over het feit dat ik deze vraag zo snel heb gesteld. Het was misschien een schot voor de boeg, maar als gemeenschapssenator heb ik de taak om de gevoeligheden die in ons gewest en in onze gemeenschap leven, aan de vice-eerste minister kenbaar te maken. De havensector is vragende partij voor een zeer flexibele regeling.
Over het feit of een dergelijke regeling de verkeersveiligheid ten goede komt, kunnen we van mening verschillen. Tijdens de verkeerscontroles van het afgelopen weekeinde bleek dat één op drie van de gecontroleerde bestuurders onder de invloed van drugs reed. Dit is veel belangrijker voor de verkeersveiligheid in de weekends dan het al dan niet op de baan zijn van transporten van meer dan 7,5 ton.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Van 23 tot 25 juni aanstaande vindt de Belgium Ypres Westhoek rally opnieuw plaats.
Reeds maanden geleden vernamen de inwoners van het dorp Haringe dat de rally hun dorpskom zou doorkruisen, maar officieel was dit niet bekend. Enkele dagen geleden kregen ze een brief waarin de organisatoren meedelen dat hun straat op zaterdag, 24 juni van 13.30 uur tot middernacht voor alle verkeer gesloten zal zijn wegens de doortocht van een snelheidsparcours, wat volgens het ontwerp van roadbook inderdaad het geval is.
Op 19 april schreven de bewoners in dit verband een brief aan minister Durant, die hem naar minister Duquesne heeft doorgestuurd. Na twee maanden hebben ze evenwel nog steeds geen officieel bericht ontvangen.
In de hoofdgemeente Poperinge bestaat geen politiereglement in dit verband. Naar het blijkt werd door de organisatoren ook geen aanvraag ingediend voor een doortocht door de dorpskom en daarenboven werden de bewoners niet persoonlijk verwittigd.
Ik wijs erop dat ik niet voor het eerst aandacht vraag voor deze problematiek. Steeds weer moet ik vaststellen dat geen gevolg wordt gegeven aan de vragen van de inwoners en dat op onprofessionele manier met de organisatie van de verkeersreglementen terzake wordt omgesprongen. Dat er in dit geval een zwaar ongeval kan gebeuren, is dan ook niet moeilijk te begrijpen. Dan heb ik het nog niet over de ecologische gevolgen van een snelheidsparcours in een rustig en lief dorpje.
Graag had ik vernomen of het snelheidsparcours de dorpskom al dan niet doorkruist, of hierbij werd voldaan aan de wettelijke reglementeringen en of in de noodzakelijke vergunningen werd voorzien binnen de wettelijk vastgelegde termijn. Voorts wens ik ook te weten of de veiligheidsvoorwaarden wel worden nageleefd.
Is de minister in negatief geval bereid de burgemeester erop te wijzen dat de straten niet mogen worden afgesloten, aangezien de snelheidsritten van de rally er wettelijk niet mogen plaatshebben?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - In eerste instantie was het de bedoeling dat de start van de klassementsproef Watou binnen de bebouwde kom van Haringe zou worden gegeven. Hiervoor was echter geen afwijkingsaanvraag ingediend door de burgemeester van de gemeente Poperinge bij de commissie voor de veiligheid bij sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's. Dit is nochtans vereist volgens artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1997 houdende de reglementering van de organisatie van sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's die geheel of gedeeltelijk op de openbare weg plaatshebben.
Dit werd als dusdanig meegedeeld aan de burgemeester van Poperinge en aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, waarop de burgemeester besloten heeft de start van het parcours buiten de bebouwde kom te laten plaatshebben. Met andere woorden, het parcours zal niet binnen de bebouwde kom van Haringe lopen.
Daarenboven heeft de minister van Binnenlandse Zaken van de politie van Poperinge vernomen dat de vertegenwoordiger van de organisator de bewoners van te veel straten heeft ingelicht dat hun straat tijdens de rally zal worden afgesloten.
Vanmiddag zal de organisator dan ook op het matje worden geroepen om hem ertoe te bewegen een rechtzetting te verspreiden onder de buurtbewoners van de straten die ten onrechte een bericht hebben ontvangen dat de straat wordt afgesloten.
Voor het parcours van de klassementsproef Watou blijken de vereiste veiligheidsmaatregelen te zijn nageleefd. Zo werden de noodzakelijke provinciale en lokale coördinatievergaderingen belegd, werd een roadbook opgemaakt met de vereiste vermeldingen en heeft de gemeenteraad van Poperinge op 25 mei jongstleden het politiereglement goedgekeurd.
Het antwoord op de eerste vraag maakt dat de tweede vraag niet meer relevant is.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor het afdoende antwoord. Daaruit blijkt hoe slordig wordt omgesprongen met de organisatie van moeilijke evenementen, zoals een rally met snelheidsparcours door dorpskommen. Ik wil de minister dan ook vragen streng toe te kijken. We hebben al vaker meegemaakt dat er bij dergelijke wedstrijden ongelukken gebeuren. Bovendien behoren de rust en de stilte tot de belangrijkste waarden van dergelijke landelijke gebieden. Als deze in een zomers weekend op allerlei manieren worden verstoord, dan vragen we ons af wat nog de waarde is van deze landelijke gebieden. Ik zal de minister in elk geval de fameuze brief doorspelen.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Onlangs hebben we voor het eerst iets over de stand van de regularisatiedossiers vernomen. De toestand is alarmerend. Ik beperk me tot de procedure en het secretariaat van de regularisatiecommissie.
De ongerustheid van onze fractie over de verregaande bevoegdheden van het secretariaat van de regularisatiecommissie is terecht gebleken. Het secretariaat heeft nog vrijwel geen dossiers aan de kamers van de regularisatiecommissie overgezonden.
Volgens de pers werden slechts zes van de honderd door het secretariaat onderzochte aanvragen met een positief advies aan de minister overgezonden. De andere werden geweigerd. Dit zou betekenen dat slechts 1900 van de 32 000 ingediende aanvragen uiteindelijk zullen worden goedgekeurd. Dat is heel wat minder dan de 70 tot 80% geregulariseerde aanvragen waarvan sprake was tijdens het parlementair debat.
In tegenstelling tot wat de minister in het parlement verklaarde, volgt hij niet systematisch het positieve advies van het secretariaat. In twee van de zes genoemde gevallen heeft hij het dossier doorgestuurd naar de kamers van de regularisatiecommissie. Dit zijn overigens de enige dossiers die tot op heden bij de commissie werden ingediend. Tijdend het parlementaire debat hebben wij heel wat anders gehoord.
Mijn fractie maakt zich ongerust - en indien wij de pers mogen geloven, zijn wij niet de enigen - over de procedures die het secretariaat bij het onderzoek van de regularisatiedossiers volgt. Er werd voor de ambtenaren van het secretariaat een gedragslijn vastgesteld met betrekking tot de werkwijze die ze bij het onderzoek van de dossiers moeten volgen. Het gaat om zeer gedetailleerde onderrichtingen. Ook hier zijn wij ver verwijderd van wat over de onafhankelijkheid van het secretariaat en de beoordeling van de criteria werd gezegd.
Wij hebben trouwens vernomen dat het secretariaat niet aarzelt om twijfelachtige onderzoeksmethodes te gebruiken, zoals verklikking, om negatieve gegevens over de aanvragers te verzamelen. De positieve gegevens, gestaafd door niet-officiële documenten, worden echter niet in aanmerking genomen. Elk element in het voordeel van de aanvrager wordt daarentegen nauwkeurig onderzocht. Hierbij wordt zelfs rekening gehouden met verklaringen van buitenstaanders die de aanvrager in een ongunstig daglicht plaatsen. Wij keuren deze praktijk, die in een rechtsstaat niet thuishoort, ten stelligste af.
Het secretariaat werkt niet onafhankelijk, de kamers van de commissie spelen een ondergeschikte rol in de procedure, de minister van Binnenlandse Zaken heeft een grotere beslissingsmacht dan vooraf was aangekondigd en van de beloofde juridische waarborgen is er geen spoor. Kan de minister ons meedelen wat de reden is van de discrepantie tussen de geest van de wet en de procedures die men in de praktijk volgt? Het lot van 50 000 mensen hangt af van een procedure die tot nu toe erg tijdrovend blijkt te zijn en die met het huidige tempo jaren kan aanslepen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - In tegenstelling tot wat de heer Dallemagne beweert, is er geen discrepantie tussen de geest van de wet en de gevolgde procedure. De voorbereidende werkzaamheden, de wet, het koninklijk besluit en de beslissingen van de regering zijn duidelijk. Men moet ze alleen maar lezen. Iedereen moet deze bepalingen in acht nemen zonder ze opnieuw ter discussie te stellen.
Het was uitdrukkelijk de bedoeling de kamers niet met onvolledige of positieve dossiers te overladen. In zulke gevallen mag het secretariaat de dossiers onmiddellijk voor beslissing naar de minister sturen. In geval van twijfel kan de minister evenwel een beroep doen op een kamer. De minister van Binnenlandse Zaken heeft dit reeds gedaan voor twee dossiers, waarin hetzelfde principiële probleem in verband met de identiteit rijst. Alleen de negatieve of twijfelachtige dossiers gaan naar de kamers van de commissie, die alle rechtsgaranties bieden.
De bestuurder regelt de werkzaamheden van het secretariaat van de griffier en van het onderzoekssecretariaat en overlegt in het overlegbureau met de eerste voorzitter en de ondervoorzitter over de organisatie van het werk.
Een van de belangrijke taken heeft betrekking op de eenheid van de rechtspraak. Hiertoe moeten de leden van het secretariaat de dossiers op een eenvormige manier behandelen. Dit is noodzakelijk voor de gelijkheid van de behandeling van de dossiers en heeft niets te maken met een gebrek aan onafhankelijkheid. Het ontbreken van een duidelijke gedragslijn leidt tot totale willekeur. Het is vreemd dat de heer Dallemagne de diensten hun streven naar eenheid in de rechtspraak en het hanteren van een gedragslijn verwijt.
De minister onderstreept nogmaals dat het niet de bedoeling is iedereen te regulariseren, noch iedereen te weigeren, maar dat men de dossiers wil behandelen volgens de strikte criteria van de wet, die evenwel vrij soepel kunnen worden geïnterpreteerd. Dit werd meermaals herhaald in de loop van de voorbereidende werkzaamheden. De geloofwaardigheid van deze operatie hangt niet alleen af van de minister van Binnenlandse Zaken. Indien men wil dat de minister de adviezen volgt, moet iedereen zich eraan houden.
De minister van Binnenlandse Zaken heeft altijd gezegd dat zijn taak zich beperkt tot het nemen van de uiteindelijke beslissing, waarbij hij zich baseert op de adviezen, op voorwaarde dat de commissie - zowel het secretariaat als de kamers - ernstig werken. Het secretariaat en de kamers werken volledig onafhankelijk. De minister mengt zich niet in de behandeling van de dossiers. Het is dan ook vreemd dat sommigen hierop aandringen, temeer omdat deze personen dezelfde minister gisteren verzochten de onafhankelijkheid van de commissie te waarborgen. De eerste voorzitter en de bestuurder zijn ontvangen op het kabinet van Binnenlandse Zaken. De minister stuurt hen vandaag een brief waarin hij aan de vastgestelde principes herinnert. Er moet inderdaad worden overlegd over de organisatie van het werk.
De bestuurder heeft bevestigd dat de kamers 200 dossiers in behandeling hebben en dat er per werkdag ongeveer vijftig dossiers aan de minister of aan de kamers worden overgezonden. De minister van Binnenlandse Zaken heeft hem erop gewezen dat hij morgen nog 64 personen meer krijgt en dat dit aantal, gelet op de opgedane ervaringen, in de komende weken nog zal toenemen. Zodra de kamers beginnen te functioneren, zal de commissie haar kruissnelheid bereiken en in staat zijn veel meer adviezen te formuleren. De adviezen moeten normaal gesproken tegen het einde van de lente van 2001 klaar zijn. Het personeel en de middelen werden op tijd geleverd. Dat er een secretariaat operationeel is op het ogenblik dat de wet en het koninklijk besluit worden gepubliceerd, is waarschijnlijk een primeur in België.
Men kan natuurlijk vragen stellen over de procedure en de termijnen. De minister wil er enkel op wijzen dat minder dan een jaar na het aantreden van de nieuwe regering de eerste regularisatiedossiers al zijn afgehandeld.
Er kan altijd enige vertraging optreden in een van de stadia van de procedure, maar het is in elk geval opmerkelijk dat de eerste regularisatiedossiers minder dan een jaar na het aantreden van de minister van Binnenlandse Zaken zijn afgerond.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik ben het niet eens met wat de minister over de onafhankelijkheid zegt. Het is normaal dat een secretariaat een bepaalde gedragslijn hanteert om een eenvormige behandeling van de dossiers te verzekeren. Het is echter algemeen bekend dat dit secretariaat nauw samenwerkt met de medewerker van de minister die belast is met deze materie en dat dit een invloed heeft op de richtsnoeren.
Sommige criteria van de regularisatiewet worden zeer strikt geïnterpreteerd. De richtsnoeren bepalen onder meer dat men een verblijfsduur van vier of vijf jaar moet kunnen aantonen, zo niet wordt de aanvraag afgewezen. Dit is volledig in tegenspraak met de geest van de wet en met het parlementaire debat dat aan de stemming is voorafgegaan. Bovendien baseert men zich zelfs op niet-officiële stukken die de weigering van een aanvraag tot gevolg kunnen hebben. Het omgekeerde gebeurt niet: men aanvaardt geen niet-officiële stukken die in het voordeel zijn van de kandidaat. Dat is strijdig met de geest en de letter van de wet.
Ik had wel verwacht dat de minister mij zou meedelen dat het tempo waarin de aanvragen worden afgehandeld, zal verhogen. Het huidige tempo is echter heel wat lager dan men had aangekondigd en de leden van de regularisatiekamers maken er geen geheim van dat zij heel wat minder dossiers te verwerken krijgen dan zij hadden verwacht.
Ik zou graag hebben dat alles een beetje vlugger gaat en dat zowel de geest als de letter van de wet wordt gerespecteerd. Wij hebben bij de bespreking van het wetsontwerp amendementen ingediend omdat wij ons zorgen maakten over de procedure. Wij zijn van plan deze amendementen opnieuw in te dienen in de vorm van een wetsvoorstel om ervoor te zorgen dat het jurisdictionele karakter van de procedure wordt gewaarborgd. Ondanks alle beloften is dit vandaag helaas niet het geval.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik heb twee opmerkingen. In de eerste plaats kan ik mij moeilijk uitspreken over zaken die algemeen bekend zijn: ik moet mij tot de feiten beperken.
Voorts wil de heer Dallemagne ook nu het jurisdictionele karakter en dus de onafhankelijkheid van de betrokken organen versterken, terwijl men er anderzijds voortdurend op aandringt dat de minister van Binnenlandse Zaken zich met de zaken bemoeit. Dit is een contradictie. Men heeft ervoor gezorgd dat de dossiers op een onafhankelijke manier kunnen worden beoordeeld. De eerste beslissingen werden reeds genomen, minder dan een jaar na het aantreden van de minister van Binnenlandse Zaken. Het is de eerste keer dat een dergelijke maatregel in ons land wordt toegepast.
De voorzitter. - Mijnheer Dallemagne, een mondelinge vraag is slechts een beperkte tijd toegemeten. Ik verzoek u kort te zijn.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik weet niet tot wie ik mij anders moet richten dan tot de minister van Binnenlandse Zaken. Hij moet borg staan voor de onafhankelijkheid. Ik ben niet van plan het secretariaat van de commissie te ondervragen. Het lijkt mij normaal dat een parlementslid de minister van Binnenlandse Zaken ondervraagt over de onafhankelijkheid bij de afhandeling van de regularisatieaanvragen.
De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Dit is een delicate vraag omdat ze te maken heeft met fiscale fraude. Ze heeft betrekking op de Belgische belastingplichtigen die roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong op een rekening bij de Luxemburgse bank KB-Lux hebben ontvangen en die hebben verzuimd deze inkomsten bij de fiscus aan te geven. Omdat de administratie van Financiën het moeilijk had om het bewijs te leveren van de vermoede fraude heeft ze deze mensen uitgenodigd om actief mee te werken bij het vaststellen van de niet aangegeven belastbare basis en van de overeenstemmende belasting. Als de belastingplichtigen de feiten bekenden en de bankdocumenten toonden, zouden zij de achterstallige belastingen alsnog kunnen vereffenen.
Nu blijkt dat, ondanks deze bekentenissen, het belastingdossier van deze belastingplichtigen van de vijf voorgaande jaren thans volledig opnieuw wordt onderzocht, zelfs voor de elementen die niets te maken hebben met KB-Lux. De buitengewone herzieningstermijn van vijf jaar is uitsluitend van toepassing in geval van fraude.
Deze belastingplichtigen, die vertrouwen stelden in de administratie, voelen zich nu bedrogen. Vindt de minister niet dat de administratie ook tegenover deze berouwvolle belastingplichtigen woord moet houden?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Eerst zal ik de concrete vraag van de heer de Clippele beantwoorden en daarna zal ik een meer algemene bedenking formuleren.
Ik heb in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden, zowel in de Kamer als in de Senaat, herhaaldelijk gezegd dat de meeste vaststellingen in deze zaak niet enkel te maken hebben met roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong, maar ook met successierechten.
Deze verrichtingen worden onderzocht door verschillende diensten van het ministerie van Financiën met elk hun eigen bevoegdheid. Ik heb zelf gevraagd dat alle aspecten van elk dossier worden onderzocht.
Wanneer een belastingplichtige zich bijzonder bereidwillig toont bij het verstrekken van inlichtingen aan de administratie, zal deze hiermee rekening houden bij de bepaling van de eventuele straf. Dit is een algemene regel in de fiscaliteit.
Wat de schending van het vertrouwen betreft, moet ik erop wijzen dat het in de eerste plaats de Staat is die werd bedrogen. Men mag de zaken niet omdraaien. Wanneer een belastingplichtige op heterdaad wordt betrapt of wanneer hij betrokken is bij een fraudezaak, wordt de verschuldigde belasting niet kwijtgescholden, maar kan hij rekenen op een verlichting van de sanctie. Dit is het enige verschil met een belastingplichtige die elke medewerking weigert.
De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Ik deel het standpunt van de minister inzake het bedrog ten opzichte van de Staat. Mijn vraag heeft betrekking op de uitzonderlijke controletermijn van drie jaar, die op vijf jaar werd gebracht, hoewel de belastingplichtige zijn medewerking heeft verleend. Deze termijn geldt enkel in geval van fraude. De belastingplichtige voelt zich dus in zekere zin bedrogen.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het gaat wel degelijk om fraude. Het is dus normaal dat de termijn op vijf jaar wordt gebracht, dat elk onderdeel van de fiscale situatie van de betrokkene wordt onderzocht en dat men tracht de verschuldigde belasting te innen. Een andere zaak is het bepalen van de sanctie. Ik herhaal dat enkel op dit vlak een verschillende benadering mogelijk is, afhankelijk van de houding van de belastingplichtige.
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.
Mevrouw Christine Cornet d'Elzius (PRL-FDF-MCC). - Men spreekt meer en meer over de verhuizing van de grote transportvliegtuigen C130 die zich in Melsbroek bevinden. In een recente vraag aan de minister van Landsverdediging is er sprake van acht burgerlijke en militaire vliegvelden die de Hercules C130 van de 15e wing kunnen ontvangen, namelijk Beauchevin, Chièvres, Gosselies, Oostende, Koksijde, Brustem, Weelde en Oostmalle. Offenberg in Florennes staat niet meer op de lijst. Twee mogelijke vliegvelden in het Nederlandstalige gewest zijn buiten gebruik gesteld, wat een bijkomende aanpassingskost met zich zou brengen. Florennes daarentegen beschikt over alle nodige infrastructuur. Welke argumenten zijn er om de basis van Florennes niet in aanmerking te nemen? Zal de minister zijn houding nog wijzigen of is zijn beslissing definitief?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Flahaut.
"Oorspronkelijk maakte Florennes deel uit van de kandidaten om de 15e wing te ontvangen. Die optie werd dus onderzocht. De vereiste ruimte om de 15e wing te huisvesten, de aanwezigheid van drie eskaders van de F16 en van het Tactical Leadership Program, hebben ertoe geleid de kandidatuur van Florennes voor het ogenblik niet meer in aanmerking te nemen. Hetzelfde geldt voor de andere F16-basis op Kleine Brogel. De studie over de vestiging van de 15e wing wordt voortgezet. Het zoeken naar bepaalde synergieën en het drukken van de kosten moeten worden nagestreefd.
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Mijn vraag is al gedeeltelijk achterhaald omdat de ambassadeurs van de Europese Unie intussen tot een vergelijk zijn gekomen over de auteursrechten in de digitale samenleving. Toch is ze nog altijd relevant.
Er is een heuse klachtenregen. Er lopen rechtszaken tussen MP3-gebruikers en -bedrijven enerzijds, en de internationale platenmaatschappijen en uitgevers anderzijds, over de bescherming van de auteursrechten in de informatiesamenleving. Het is bekend dat Frankrijk en Italië kiezen voor de strengst mogelijke bescherming van de rechthebbenden. Blijkens ingewonnen informatie sluit België zich hierbij aan. De Franstalige uitgeverslobby heeft zijn werk blijkbaar goed gedaan.
Wat belet de minister om in de Europese discussie te kiezen voor een gezond evenwicht waarbij de consument het recht heeft op een digitale copie voor eigen gebruik? De consument betaalt immers al een compensatieheffing op lege schijfjes. Is de minister ervan op de hoogte dat meer dan de helft van de internetgebruikers vandaag reeds dergelijke copieën op zijn of haar computer staan heeft? Wil hij die allemaal straffen of kiest hij voor een gedoogbeleid?
Wat is de houding van de Belgische regering ten opzichte van het MP3-fenomeen? Is het ontstaan ervan niet veeleer een gepast ogenblik om de discussie aan te gaan over de rol van de kanalen tussen auteur en consument?
Klopt het dat politiediensten, op vraag van internationale platenmaatschappijen, bij de internetproviders gegevens, onder meer IP-nummers, opvragen? Zo ja, welke is de juridische basis hiervoor? Het ontwerp op de informaticacriminaliteit is immers nog in behandeling in de Senaat.
Begaat een Belgische zoekmachine op internet een inbreuk tegen het auteursrecht indien ze hyperlinks heeft naar dergelijke websites? Zo ja, heeft een zoekmachine of een automatische linkdienst de verplichting hyperlinks handmatig te controleren?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Met de MP3-technologie kunnen muziekbestanden worden gecomprimeerd. Zo kunnen ze snel en zonder verlies van geluidskwaliteit worden gedownload van een website. Het grote voordeel van deze technologie schuilt dus in de kortere downloadtijd en in de geluidskwaliteit, die niet te onderscheiden is van deze van een CD.
Hoewel de technologie zelf volkomen legaal is, zorgt de verspreiding van MP3-bestanden voor grote problemen voor de houders van de auteursrechten. In de praktijk blijkt namelijk dat verschillende sites op het internet illegale kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken verspreiden. Gebruikers kunnen op deze sites muziek downloaden tegen een prijs die lager ligt dan deze van een CD, maar verkrijgen wel de kwaliteit van een CD.
Het illegaal verspreiden van muziek wordt door artikel 80 van de wet van 30 juni 1994 betreffende de auteursrechten en de naburige rechten strafbaar gesteld. De gebruiker die willens en wetens dergelijke illegale kopieën downloadt, maakt zich eventueel schuldig aan heling.
Op het ogenblik is er in België nog maar één uitspraak betreffende MP3, namelijk een vonnis van de rechtbank van koophandel van Brussel van 2 november 1999. In deze zaak werd Skynet als provider onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot het verwijderen van twee websites die hyperlinks naar MP3-bestanden aanboden. De beslissing van de rechter in deze zaak is juridisch gebaseerd op de wet op de handelspraktijken en niet op de wet op de auteursrechten. De zaak is nu in beroep.
Het voorstel van richtlijn inzake zekere juridische aspecten van elektronische handel zal de huidige onzekerheid wegnemen door volgende principes in te voeren: geen verplichting voor de serviceproviders om systematisch de inhoud van de websites te controleren; geen aansprakelijkheid voor hosting activiteiten, tenzij de provider op de hoogte is van de aanwezigheid van illegale informatie.
Voor de regering is het duidelijk dat sites die illegale MP3 bestanden verspreiden, het voorwerp zullen uitmaken van vervolging, voorzover de strafwet dit ratione loci mogelijk maakt.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik zal de minister niet lastig vallen met bijkomende vragen. Een aantal punten zijn niet duidelijk. Ik zal een vraag om uitleg indienen, zodat ik de minister van Justitie zelf hierover kan ondervragen.
De voorzitter. - De mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Justitie over «de koppeling van gerechtsdossiers door het Antwerps parket» (nr. 2-290) wordt tot een latere datum uitgesteld.
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Rik Daems minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.
De heer Francis Poty (PS). - Samen met andere parlementsleden uit Charleroi heb ik onlangs deelgenomen aan een vergadering georganiseerd door de korpsoversten van de rechtbanken die zetelen in het Justitiepaleis van Charleroi.
De aanwezigen hebben toen kennis kunnen nemen van de moeilijkheden, de gedane inspanningen en van de resultaten die de rechtbanken reeds behaalden op verschillende domeinen. Het gebrek aan lokalen in het Justitiepaleis staat hoog op de lijst met de hoogste noden. In 1995 bedroeg dit 35%, maar door de uitbreiding van de personeelsformatie en de verhoging van het aantal zittingen, gaat men ervan uit dat het nu tot 40 of 45% is opgelopen.
De betrokkenen, die ik op de vergadering heb ontmoet, menen dat dringend een definitieve oplossing moet worden gevonden en dat sommige projecten die nu worden bestudeerd, moeten worden gerealiseerd.
Zo lijkt het dossier van de verhuizing van de rechtbank van koophandel naar het Institut du Verre momenteel om administratieve redenen te zijn bevroren. Hetzelfde geldt voor de verhuizing van de gerechtelijke politie naar een ander gebouw.
Het bezoek van de minister heeft hoop gewekt.
In het belang van de burgers van het gerechtelijk arrondissement Charleroi, zou ik dan ook willen weten wat de stand van zaken is in deze dossiers die ertoe strekken het enorm gebrek aan lokalen in het Justitiepaleis weg te werken.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Minister Daems antwoordt het volgende:
"Bij de verhuizing van de rechtbank van koophandel naar het Institut du Verre werd de Regie der gebouwen geconfronteerd met een negatief advies van de geaccrediteerde Inspectie van Financiën met betrekking tot de aanwijzing van de architect, die het gebouw ontwierp. Het dossier werd met alle bijkomende informatie aan de Inspecteur van Financiën voorgelegd.
Wat de verhuizing van de gerechtelijke politie betreft, moet een gebouw worden gevonden waar de gerechtelijke politie en de BOB samen kunnen worden ondergebracht.
Het gemeenschappelijk programma, waaronder ook de DIRCO en de DIRJU, moet in de nieuwe infrastructuur worden geïntegreerd.
Tot nog toe werden mij drie locaties voorgesteld.
Met de haalbaarheidsstudie voor deze drie locaties kan pas worden gestart nadat we het behoefteprogramma hebben ontvangen dat werd goedgekeurd door de inspecteurs van Financiën die werden geaccrediteerd bij de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken."
De heer Francis Poty (PS). - Ik hoop dat de komende maanden vooruitgang zal worden geboekt met betrekking tot de aanpassingen aan de rechtbank van Charleroi.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal het aan de heer Daems meedelen.
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Rik Daems minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Verschillende malen heb ik in deze vergadering gepolst naar de vooruitgang in het debat rond de prijsdaling van de communicatiekost voor internetverkeer. Telkens wuifde de bevoegde minister mijn vraag weg met de boodschap dat er op korte termijn een oplossing zou komen: dat was zo op 28 oktober, net voor de prijsverhoging van Belgacom, maar ook op 20 januari toen bleek dat de BRIO-akkoorden, waarbij de interconnectietarieven inderdaad aangepast werden, geen invloed hadden op de prijsbepaling. Ik begrijp dat de minister, nu ik hem ten derde male over deze kwestie ondervraag, een vorm van vluchtmisdrijf pleegt en mijn vraag niet meer zelf komt beantwoorden.
Op 20 januari verklaarde de minister dat "de communicatiekost een bepalende factor is om een bepaalde kritische massa gebruikers te kunnen bereiken. Dat is dan ook een zorg van de regering, vooral omdat het een belangrijke factor is voor de werkgelegenheid" en dat hij "de operatoren nu opnieuw rond de tafel zou brengen omdat de verlaging in de interconnectie ook moet worden vertaald naar de consument. Het is niet de bedoeling alleen de winsten te doen stijgen". Op 2 maart volgde een lijvig document van het BIPT, waarop de minister verklaarde dat tegen 15 juni de communicatiekosten gehalveerd zouden kunnen worden.
Deze week, bij de opening van de TM@B-beurs, herrinnerde de minister het publiek - met op de eerste rij een selecte kring uit de telecomsector - aan zijn vroegere uitspraken en deed hij er nog een schepje bovenop, zeggende dat op 15 juni de communicatiekost niet "kan", maar moet dalen met 50%. We kijken bijgevolg met grote verwachting uit naar wat er volgende week gaat gebeuren.
Heeft de minister bewust zijn zachte wens "kan gehalveerd worden" kracht bijgezet?
Welke maatregelen kan hij nemen als de sector daar op 15 juni niet op ingaat?
Welke maatregelen zal hij ook effectief nemen, om de communicatiekosten eindelijk op een democratisch peil te brengen?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik spreek andermaal uit naam van minister Daems. Hij vraagt me het volgende mee te delen: "Ik dank de heer Caluwé dat hij verwijst naar mijn engagement voor een democratisering van de toegang tot het internet. Zoals hij in zijn vraag zelf aanhaalt, heb ik mij er van bij mijn aantreden toe verbonden de diverse actoren op deze markt over deze kwestie te consulteren.
In deze context heeft Belgacom bij BRIO een bijkomend voorstel gedaan dat garandeert dat de eindgebruiker inderdaad de laagste tarieven betaalt. Dit voorstel houdt een tariefvermindering in tot 50% in piekuren en tot 33% in daluren.
Op positief advies van het BIPT heb ik deze bijlage bij BRIO goedgekeurd op 2 maart 2000. Dit addendum treedt in werking op 15 juni aanstaande. Ik hoop dat deze preciseringen de coherentie van mijn initiatief verduidelijken en elk misverstand over de aard van deze tariefreductie uit de wereld helpen".
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Mohamed Daif (PS). - De heer Hans Von Sponek heeft ontslag genomen als humanitair coördinator van de VN in Irak. Dit tweede ontslag in enkele weken toont de diepe malaise aan die wordt veroorzaakt door het armzalige lot van het Iraakse volk sinds de Golfoorlog. De onvrede is zo groot dat het ontslag werd gesteund door de meerderheid van de leden van de Veiligheidsraad. Het is tijd dat België een duidelijk standpunt inneemt met betrekking tot het drama in Irak.
De Kamer nam onlangs een resolutie en drie aanbevelingen aan. Hierin vragen de volksvertegenwoordigers de regering "de Belgische ambassade in Bagdad opnieuw volwaardig te laten functioneren en er zo spoedig mogelijk weer in een echte diplomatieke vertegenwoordiging te voorzien, de eigen tegoeden van de Iraakse ambassade in Brussel vrij te maken en de in België geblokkeerde tegoeden van de Iraakse Staat om te zetten in humanitaire hulp."
Het Europees Parlement keurde in april een resolutie goed waarin wordt gevraagd "dat de opheffing van het embargo onverwijld wordt afgekondigd", "dat aangedrongen wordt op de naleving van het Handvest van de VN en dat er een einde komt aan de militaire activiteiten, waarvoor de Veiligheidsraad geen toestemming heeft verleend" en ten slotte "dat gestreefd wordt naar een alomvattende oplossing die gebaseerd is op het respect voor de normen die in de internationale gemeenschap gelden".
De toestand van de Iraakse bevolking is zeer zorgwekkend en de gegevens van Unicef over de gezondheidstoestand van de Irakese kinderen zijn vreselijk. Een rechtstreeks gevolg van het embargo - ondervoeding, bloedarmoede, gebrek aan geneesmiddelen - is het zeer hoog sterftecijfer bij kinderen: men heeft het over 5.000 kinderen van minder dan twaalf jaar per maand. In de afgelopen tien jaar zouden meer dan een half miljoen kinderen zijn omgekomen en dan hebben we het nog niet over de sterftecijfers in de andere leeftijdscategorieën. De handhaving van het embargo kan worden beschouwd als een misdaad tegen de menselijkheid vanwege de internationale gemeenschap.
De situatie is niet alleen tragisch, maar ook absurd omdat het embargo een averechts effect heeft. In plaats van een verandering van het regime in Bagdad te bevorderen, versterkt het de nationale eenheid.
De resultaten zijn catastrofaal: heel de Iraakse bevolking leeft in grote armoede en een van de rijkste landen wordt tot ruilhandel veroordeeld.
Sinds 1996 is de toestand een beetje verbeterd dankzij het "olie voor voedsel"-akkoord. Er wordt voor meer dan 10 miljard dollar handel gedreven in levensmiddelen, geneesmiddelen en zelfs in Amerikaanse industriële uitrusting.
Dit is geen kleine paradox: de VS, die de grote voorstander van het embargo zijn, blijven handel drijven binnen het kader van grote contracten. Deze handel onder voorwaarden is echter niet voldoende om de elementaire behoeften van de bevolking te dekken. Recent nog heeft de FAO gevraagd dat de contracten voor de Iraakse landbouw worden gedeblokkeerd omwille van de uitzonderlijke droogte die het land teistert. Als het Sanctiecomité van de VN deze contracten niet deblokkeert, dreigt de situatie van de akkerbouw en de veeteelt catastrofaal te worden. Er is een groot gevaar voor verdere verspreiding van reeds aanwezige epidemieën.
De Iraakse bevolking wordt niet alleen door het embargo getroffen, maar ook door Amerikaanse en Britse luchtaanvallen in het noorden en het zuiden van het land. In sommige weken vinden die dagelijks plaats. Tijdens de operatie "Desert Fox" in december 1998 zijn er meer bommen op Irak gevallen dan tijdens de hele Golfoorlog. Deze bombardementen, waarmee de VN niet hadden ingestemd, hebben veel onschuldige slachtoffers gemaakt onder de burgers.
Steeds meer wordt duidelijk dat er geen rechtvaardiging meer is voor de behandeling van het Iraakse volk. De UNSCOM, waarvan de onafhankelijkheid meerdere malen werd betwijfeld, is weliswaar vervangen door het hopelijk meer neutrale UNMOVIC. We hopen dat het Iraakse militaire potentieel terug op een goede wijze kan worden gecontroleerd. Daarnaast zou een globaal ontwapeningsprogramma voor het Midden Oosten moeten worden opgesteld.
Na tien jaar embargo en onverdedigbare bombardementen is de Irakese economie tot een overlevingseconomie verworden. Alle socio-economische structuren zijn in aanzienlijk mate getroffen: de industrie, de dienstensector, het transport, de scholen, de ziekenhuizen. De nieuwe Franse VN-ambassadeur heeft onlangs verklaard dat "de embargogeneratie een verloren generatie is". Ik kan bevestigen dat de ramp groot is en nog veel generaties zal treffen. Het is hoog tijd dat de internationale gemeenschap de situatie objectief onderzoekt en het embargo, dat niet langer gerechtvaardigd is, opheft.
Zal België net als Frankrijk een standpunt innemen over de vastgelopen toestand in Irak?
Wat is het standpunt van de regering met betrekking tot de resolutie die in de Kamer werd goedgekeurd?
Is de vice-eerste minister voorstander van de opheffing van het embargo?
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik ben het niet helemaal eens met de heer Daif wanneer hij beweert dat de internationale gemeenschap medeplichtig is aan een misdaad tegen de menselijkheid in Irak. Toch is de situatie zeer verontrustend en moeten we onze verantwoordelijkheid opnemen.
Bijna tien jaar geleden heeft de VN een embargo tegen Irak afgekondigd teneinde het regime ertoe te bewegen de VN-resoluties met betrekking tot de bewapening na te leven.
Iedereen beseft dat dit embargo vooral de Iraakse bevolking en niet het regime heeft getroffen. Op politiek vlak heeft het dus niets bereikt. Op humanitair vlak heeft het zware gevolgen gehad omdat de levensstandaard in Irak drastisch is gedaald, het tewerkstellingsniveau zeer laag is en de gezondheidsdiensten grotendeels weggevallen zijn. Dit heb ik drie jaar geleden zelf ter plaatse kunnen vaststellen.
Na tien jaar rijzen steeds meer vragen over de doelmatigheid en het morele karakter van het embargo.
We moeten ons aansluiten bij de inspanningen om het embargo op te heffen. Er moet worden nagedacht over andere maatregelen die kunnen worden genomen bij ernstige politieke geschillen tussen staten. Een bevolking mag nooit dubbel worden gestraft, een eerste maal door een slecht werkend en ondemocratisch politiek systeem en een tweede maal door een embargo van de internationale gemeenschap.
De straf die uit het embargo voortvloeit, is volledig in strijd met de Universele verklaring van de rechten van de mens.
België moet dus luidop zeggen dat het tegen dergelijke maatregelen gekant is en binnen de internationale gemeenschap bondgenoten zoekt om het embargo op te heffen.
De vice-eerste minister heeft enkele maanden geleden in de Kamer zijn mening gezegd. Ik zou graag weten of zijn standpunt sindsdien is geëvolueerd.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik deel in grote mate de bezorgdheid van beide sprekers. Het embargo heeft een zware en zelfs catastrofale impact op de humanitaire situatie in Irak. Ook kan worden getwijfeld aan de doeltreffendheid van de maatregel, die het regime van Saddam Hoessein onder druk wou zetten. Sommige landen menen dat de opheffing van het embargo niet aangewezen is zolang Irak weigert samen te werken met de Veiligheidsraad. Ze gaan ervan uit dat anders een verkeerd politiek signaal zou worden gegeven aan Saddam Hoessein. Vooralsnog moet België helaas solidair zijn met de internationale gemeenschap en de Veiligheidsraad. Dit betekent dat België de geest en de letter van resolutie 1284 moet naleven. Ik wijs de heer Daif erop dat Saddam Hoessein de sleutel in handen heeft om de sancties op te heffen. Ik betreur de sancties en ik begrijp dat hun nut in twijfel wordt getrokken, maar men mag de zaken niet omdraaien. Saddam Hoessein weigert de VN-resoluties te aanvaarden en gijzelt zijn bevolking om de internationale publieke opinie te beïnvloeden. De heer Daif mag niet in de val van Saddam Hoessein trappen. Door het gedrag van Saddam Hoessein goed te praten, zal hij mij niet helpen om mijn collega's in de Europese Raad te overtuigen wanneer ik hen systematisch de argumenten voorleg die ook de heer Daif naar voren bracht. Ik ben evenmin als hij overtuigd van het nut van het embargo tegen Irak, of zelfs van het embargo tegen Joegoslavië. Maar we moeten consequent zijn. We zijn lid van de Europese gemeenschap en van internationale instellingen en dus moet we werken binnen dat kader. Het zou gevaarlijk en onverstandig om afbreuk te doen aan die solidariteit. Ik verzeker de Senaat dat ik samen met enkele andere collega's het nut van de sancties op elke Raad ter sprake breng.
Ik kom nu de resolutie van de Kamer. De Belgische regering neemt de betrekkingen met Irak ernstig. Zij wenst de bilaterale samenwerking en de diplomatieke relaties in de mate van het mogelijke te herstellen. Dit hangt echter op de eerste plaats af van Saddam Hoessein. Als de politieke toestand het mogelijk maakt, worden de relaties hersteld. Om de situatie op de voet te volgen en onze belangen te vrijwaren, zal de diplomatieke missie in Amman, die ook bevoegd is voor Irak, worden versterkt met een bijkomende diplomaat. Die zal zich uitsluitend met Irak bezighouden en zal bijna permanent in onze residentie in Bagdad verblijven. Deze overgangsfase zal het herstel van de normale diplomatieke betrekkingen vergemakkelijken.
De heer Mohamed Daif (PS). - Ik ben geen verdediger van het Iraakse regime en erken dat het verantwoordelijk is voor het lijden van de Iraakse bevolking.
Ik dank de vice-eerste minister voor de inspanningen die hij binnen de Europese ministerraden doet om dit lijden te verzachten.
Het verheugt mij dat de Belgische regering de diplomatieke betrekkingen met Irak via Amman wil herstellen teneinde onze aanwezigheid in het land te versterken.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik vraag me af of we het paard niet achter de wagen spannen: we herstellen de diplomatieke betrekkingen en tegelijkertijd blijven we zeer terughoudend met betrekking tot het embargo omdat we menen rekening te moeten houden met andere, onder andere Europese, landen.
Ik vind dat een enigszins paradoxale houding wordt aangenomen met betrekking tot de sancties tegen bepaalde politieke regimes.
- Het incident is gesloten.
De voorzitter. - We gaan nu over tot de geheime stemming over de voordracht van twee kandidaten voor het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie dat thans vacant is.
Het lot wijst de heer Geens en de heer Lozie aan om de functie van stemopnemers te vervullen.
Er moeten twee stembeurten worden gehouden, respectievelijk voor de voordracht van de eerste kandidaat en voor de voordracht van de tweede kandidaat.
Het gedrukte stuk met de lijst van de kandidaten voor het te begeven ambt, werd rondgedeeld onder het nr. 2-312/1.
Ik wijs erop dat de naam van de heer Daniël Plas op deze lijst geschrapt werd omdat hij zijn kandidatuur ingetrokken heeft. U kan dus niet meer voor deze kandidaat stemmen.
U hebt een omslag ontvangen die de nodige stembriefjes bevat. De witte stembiljetten zijn voor de eerste kandidaat, de groene stembiljetten voor de tweede kandidaat.
We stemmen eerst over de voordracht van de eerste kandidaat.
De stemming begint met de naam van mevrouw De Roeck.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Als wat gehandicapte kleine fractie waren wij niet betrokken bij de besprekingen in het federaal adviescomité. Onze vertegenwoordiger in het Europees parlement was dat wel en heeft drie belangrijke amendementen ingediend, waarvan alleen het laatste, in verband met het Euratomverdrag en duurzame energie, werd aanvaard, waarvoor onze dank.
Twee andere belangrijke amendementen werden niet aangenomen. Het ene heeft betrekking op het uitdiepen van het federaal principe waarbij, naast rekening te houden met de centrale staten, ook de deelentiteiten worden betrokken op het Europese niveau. Het andere amendement betreft het vrijwaren van de culturele verscheidenheid bij de bepalingen van verschillende verdragen zoals over marktbeleid, handelsbeleid en dergelijke meer.
Omwille van het niet aanvaarden van deze amendementen, zullen wij deze resolutie niet goedkeuren.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - De PSC verheugt zich over de constructieve sfeer waarin de werkzaamheden van het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden over het voorstel van resolutie over de IGC 2000 zijn verlopen, alsook over de inhoud van de resolutie. Het is belangrijk voor de democratie dat de vertegenwoordigers van de natie op de hoogte blijven van het verloop van de IGC. Wij zijn het eens met de keuze om zich bij de grote principes te houden en aan de vooravond van de Europese Raad van Feira een duidelijke boodschap mee te geven aan de regering.
Ten gronde zijn we verheugd dat België aan de spits blijft van de Europese eenmaking. Dat is essentieel voor de toekomst van onze burgers en het is goed dat daarover een gemeenschappelijke visie bestaat, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen.
Ik zal het niet opnieuw hebben over de noodzaak om de agenda van de IGC te verbreden, om de unanimiteitsregel te beperken tot de constitutionele bepalingen, om de Unie rechtspersoonlijkheid te verlenen, om een charter van fundamentele rechten in te voeren, om Euratom te vervangen door een hoofdstuk over duurzame energie, om de democratische controle uit te breiden, om bepaalde lidstaten die de fundamentele waarden van de Unie niet respecteren, uit te sluiten of over de noodzaak van een echte buitenlandse politiek.
Ik wil enkel het belang van de agenda van de IGC benadrukken zoals hij op verzoek van België werd gedefinieerd door het Verdrag van Amsterdam. Die agenda wil voorkomen dat de uitbreiding uitmondt in een verzwakking van de Unie, in permanente blokkeringen en een onmacht om de Europese eenmaking voort te zetten. Daarvoor moet een bevredigende oplossing worden gevonden. De meerderheidsregel moet in de meeste domeinen gelden. Indien dat niet kan, moeten we ons vragen stellen over de uitbreiding. Die mag een steeds diepere Europese eenmaking niet in de weg staan. In dat opzicht betreur ik dat men de persoonlijke voorstellen van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Fischer, niet diepgaander heeft kunnen bestuderen. Die stelt het einddoel en de aard van de Europese eenmaking opnieuw aan de orde.
Indien de Europese Raad van Feira op een mislukking uitloopt, stel ik voor te bekijken of de voorstellen van Fischer over een harde kern en zijn meesleepeffect niet de beste manier zijn om de Europese eenmaking voort te zetten.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik verheug me over deze resolutie. Ik hoop dat ze met een grote meerderheid zal worden aangenomen. Ze weerspiegelt de wil van het Belgische Parlement om aan de versterking van Europa te werken.
Ik wijs op de noodzaak om de gekwalificeerde meerderheid te versterken, waarbij zowel de Staten als de volkeren evenwichtig worden vertegenwoordigd. Het is belangrijk dat tijdens het Franse voorzitterschap vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de versterkte samenwerking. Die kan worden verbeterd door een redelijk aantal landen te laten meedoen. Vooruitgang is ook nodig inzake het vetorecht.
Wij hechten ook veel belang aan het handvest van Europese rechten, met inbegrip van de sociale en economische rechten. Wij willen dat dit handvest van grondrechten rechten in het Verdrag wordt geïntegreerd en dat het een dwingend karakter krijgt.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Wij vinden de resolutie positief en zullen ze dan ook goedkeuren.
De laatste IGC was een mislukking. De belangrijke punten werden uitgesteld. We hopen dat de volgende conferentie bepaalde problemen zal oplossen. Ik wil Europa vooruit zien gaan, zelfs op een niet homogene manier, dankzij systemen van versterkte samenwerking of voorstellen zoals die van Fischer, die naar een federaal Europa tenderen.
We moeten nadenken over de kloof tussen de uitbreiding naar het oosten en het ontbreken van een beleid voor het zuiden. De situatie van Cyprus is zeer moeilijk. Dat land mag niet verhopen snel tot de EU toe te treden. Toch is er enkel het probleem van de militaire bezetting van het noorden van het eiland door Turkije. De versterking van het Euro-mediterrane partnerschap is essentieel. Er moet een homogeen en evenwichtig geheel worden gecreëerd. De banden tussen de EU en de Maghreb, de Machrek, Israël en andere landen moeten dus worden aangehaald. Vele van die landen hebben overigens betreurd dat de EU een aantal met name financiële beloften gedeeltelijk heeft laten vallen.
De Centraal- en Oost-Europese landen zijn natuurlijk belangrijk. Ze moeten ooit tot de Unie toetreden. Uit het oogpunt van de Europese beschaving en cultuur is het echter even belangrijk dat Europa ook naar het zuiden wordt uitgebreid.
De heer Jacky Morael (ECOLO). - Ecolo zal deze goede tekst enthousiast goedkeuren. Deze tekst illustreert ook de goede werking van het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden, een orgaan dat men ons in de meeste parlementen van de EU begint te benijden. Men werkt er in een goede sfeer over de grenzen tussen meerderheid en oppositie heen. De debatten gaan echt over de toekomst van Europa en niet over bijkomstigheden.
Ik ben ook verheugd dat België tot de weinige landen behoort waar een consensus bestaat om het belang van een federaal Europa te beklemtonen.
Toch mogen we niet vergeten dat we reeds tweemaal erg ontgoocheld werden door de verdragsherzieningen, met name door die van Maastricht en Amsterdam. Nu staan we voor een nog delicatere situatie omdat de volgende, misschien ultieme herziening zal worden gevolgd door de uitbreiding. Indien nu geen diepgaande verdieping van de Europese democratie, van het politiek project en van de Europese beschaving worden gerealiseerd, zullen we daarin na de uitbreiding niet meer slagen.
Indien de resultaten even mager zijn als in Maastricht en Amsterdam, rijst er een probleem inzake ratificering. Wij zijn een reflectiekamer die als eerste internationale verdragen moet analyseren en goedkeuren. Ik richt me niet tegen de regering, die tot positieve resultaten wil komen. Indien het resultaat echter negatief is, moeten we ernstig nadenken over hetzij een niet-goedkeuring, hetzij over oplossingen voor het niemandsland dat dan zal ontstaan tussen een slechte democratie en een toekomstige uitbreiding, meer bepaald over de voorstellen van de heer Fischer.
De heer André Geens (VLD). - Wij hebben gisteren tijdens het debat onze visie op de evolutie al uiteengezet. Wij zullen de resolutie uiteraard goedkeuren.
Met deze Intergouvernementele Conferentie wordt gestalte gegeven aan de Europese Unie van morgen. Het is dus een belangrijk moment.
Een aantal problemen moeten echter ten gronde worden uitgeklaard, anders dreigt de toekomst van de Unie te worden gehypothekeerd.
Verschillende collega's hebben al op deze knelpunten gewezen. Ik denk dus niet dat het nuttig is om hierop nog verder in te gaan.
Wij moeten luidop uiting geven aan onze vaste wil om een betere structuur uit te werken die leefbaar is voor een Europa met twee snelheden zodat de landen die sneller willen gaan, niet moeten wachten op landen die het om praktische redenen trager willen of moeten doen.
Onder de knelpunten die niet in de resolutie worden vermeld, wil ik de fiscale harmonisatie aangeven. De Intergouvernementele Conferentie moet haar opdracht tot een goed einde brengen zonder te vervallen in compromissen, zonder dat de essentie verloren gaat of de uitbreiding een verwatering betekent. Er is nood aan een uitdieping van de werking en aan een verankering van de structuren.
De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - Onze fractie zal tegen de resolutie stemmen. Ten eerste, omdat we geen heil zien in het principe van beslissing bij meerderheid. Ten tweede, omdat de resolutie vreemd genoeg oproept tot herziening van de artikelen die voorzien in sancties, tot en met uitsluiting van een lidstaat die zich niet houdt aan de fundamentele waarden van de Europese Unie -bedoeld wordt uiteraard Oostenrijk - terwijl men nog steeds weigert om in het Verdragsrecht van de Europese Unie in te schrijven dat een lidstaat vrijwillig uit de Unie kan treden. Dat is een zeer merkwaardige tegenstelling. Om die reden zullen wij tegenstemmen.
De heer Marcel Colla (SP). - Wij hebben gisteren uiteengezet waarom onze fractie de resolutie onderschrijft. Dat neemt niet weg dat we een aantal kritische opmerkingen hebben gemaakt.
Verder stel ik nuchter vast dat er vandaag meer stemverklaringen zijn dan gisteren uiteenzettingen in het debat.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Wij kunnen onze opvattingen in grote mate in de resolutie herkennen: ze dringt er alleszins op aan dat de onderhandelingen in een breder kader worden gevoerd om zodoende betere resultaten te kunnen afdwingen.
Wij betreuren echter nog steeds dat de federale regering de gewesten en de gemeenschappen niet in dezelfde mate betrekt bij de voorbereiding van de onderhandelingen als ze dat deed bij de voorbereiding van het Verdrag van Amsterdam.
Daarom zullen wij ons bij de stemming onthouden.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik spreek niet namens mijn fractie, maar wil een persoonlijke bedenking meegeven. Woensdag was er te New-York een ernstig incident met de Poolse ministers die weigerden de amendementen van de Europese Unie te steunen dit tot doel hadden de resolutie van Peking te verbeteren. Ik zal me dus onthouden bij deze stemming, omdat inzake vrouwenrechten een uiterst negatieve evolutie dreigt plaats te vinden. Polen is de vaandeldrager van het meest reactionaire gedachtegoed in het huidige Europa. Dit is voor ons een reden om de uitbreiding te doen mislukken.
De voorzitter. - Vooraleer te stemmen wil ik zeggen dat ik zeer verheugd ben dat dit voorstel van resolutie zeer duidelijk onze wil verwoordt om de Europese constructie eerst te verdiepen en dan pas uit te breiden. Dat lijkt me een essentiële boodschap van België aan zijn partners van de Europese Unie.
We stemmen nu dus over het voorstel van resolutie in zijn geheel.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 48
Voor: 34
Tegen: 8
Onthoudingen: 6
- Het voorstel van resolutie is aangenomen.
- Het zal aan de bevoegde ministers worden overgezonden.
De voorzitter. - Ziehier de uitslag van de stemming over de voordracht van de eerste kandidaat voor het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie:
Aantal stemmenden: 42
Blanco of ongeldige stembriefjes: 1
Geldige stemmen: 41
Volstrekte meerderheid: 21
Mevrouw Sylviane Velu behaalt 22 stemmen.
Mevrouw Martine Regout behaalt 18 stemmen.
De heer François Léonard behaalt 1 stem.
Bijgevolg wordt mevrouw Sylviane Velu die de volstrekte meerderheid der stemmen bekomen heeft, tot eerste kandidaat uitgeroepen.
Wij dienen thans over te gaan tot de geheime stemming over de voordracht van de tweede kandidaat.
Ik herinner er u aan dat u niet geldig meer kunt stemmen voor mevrouw Sylviane Velu die uitgeroepen werd tot eerste kandidaat.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - We stemmen over de aanbevelingen van de commissie.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 46
Voor: 33
Tegen: 8
Onthoudingen: 5
- De aanbevelingen van de commissie zijn aangenomen.
De voorzitter. - Bij brief van 6 april 2000 heeft de heer Marc Faucon verzaakt aan zijn mandaat als effectief extern lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat.
Het Bureau stelt voor de heer Faucon als effectief lid te vervangen door mevrouw Françoise Godefroid, die op 6 april jl. door de plenaire vergadering als plaatsvervangend lid werd aangewezen. Hierdoor wordt de heer Jean-Louis Leclercq automatisch de plaatsvervanger van mevrouw Michèle Lagae, effectief lid.
De Senaat zal tijdens een volgende vergadering bij geheime stemming een nieuwe plaatsvervanger voor de Franstalige benoemingscommissie moeten benoemen.
De keuze van deze plaatsvervanger zal gebeuren uit de bestaande lijst van kandidaten, die ons hun kandidatuur schriftelijk bevestigd hebben.
Het Bureau stelt tevens voor om, wat de externe leden van de Nederlandstalige benoemingscommissie betreft, die eveneens werden benoemd op 6 april jl., de heer Dominique Desmet aan te wijzen als plaatsvervanger van de heer Jan Grillet en de heer Dirk Meulemans aan te wijzen als plaatsvervanger van mevrouw Vanessa Vens. (Instemming)
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - De verschillende onderzoeksopdrachten die door de voedingsindustrie sinds de jaren 1980 worden gevoerd, hebben aanleiding gegeven tot experimenten voor de ontwikkeling van nieuwe voedingsmiddelen die bij regelmatige absorptie invloed hebben op het menselijk lichaam. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan margarines met een substantie die het cholesterolgehalte zou verlagen, aan melkproducten waaraan calcium is toegevoegd of aan andere voedingsmiddelen waaraan vitamines zijn toegevoegd. Een pionier in deze tracht sinds kort de Belgische consument via reclame te overtuigen van de kwaliteiten van het cholesterolverlagend product. Het zal wellicht niet bij deze ene producent blijven. Nog anderen zullen inspelen op de terechte evolutie bij de bevolking waarbij meer en meer aandacht gaat naar de gezondheid van alle leden van het gezin. Dat element wordt steeds belangrijker in het koopgedrag van de consument.
Ik vraag mij nu wel af of die consument voldoende beschermd is wanneer dit bepaald product in onze winkelrekken vrij te koop wordt aangeboden. Het staat onopvallend tussen boter, margarine en minarine. Deze producten, in de vaktaal gecatalogiseerd onder de noemer "functional foods", hebben nochtans medicinale eigenschappen. De wijze van inname van dit product is echter uiterst belangrijk voor het bekomen van de positieve effecten die in het vooruitzicht worden gesteld. Die effecten zijn er inderdaad wanneer het product op de juiste manier wordt geconsumeerd, maar een verkeerde inname kan ook negatieve effecten hebben.
In onze regelgeving lijkt er een vacuüm te ontstaan omdat "functional foods" noch als voedingsmiddel, noch als geneesmiddel gecategoriseerd kunnen worden. Toch moet de consument waakzaam zijn. In het geval van de cholesterolverlagende margarine bekomt men slechts een positief effect na een langdurige, onafgebroken inname van specifieke dosissen. Een ander gebruik kan een tegenovergesteld, dus negatief effect hebben.
Heeft de minister bevoegd voor Volksgezondheid en Consumentenzaken in dit verband al enig onderzoek verricht en werd de Hoge Gezondheidsraad hierover geconsulteerd?
Is zij van plan voor de "functional foods" een wettelijk kader te creëren, waarbij de producent bepaalde normen moet respecteren en aan een informatieplicht moet voldoen? Komt er bijvoorbeeld een waarschuwing op de verpakking van deze producten?
Zal de consument voldoende informatie over het product worden verschaft? Ik denk bijvoorbeeld aan de vermelding van de posologie en mogelijke neveneffecten, al dan niet in een bijsluiter?
De heer Jacques Devolder (VLD). - Tijdens het beleid van de vorige minister van Volksgezondheid ontstond hetzelfde probleem van dubbelzinnigheid naar aanleiding van een besluit over planten en geneesmiddelen dat van de Hoge Gezondheidsraad trouwens een negatief advies kreeg.
De Raad van State of het Arbitragehof heeft daarover nu een uitspraak gedaan. Wat zal de minister doen teneinde elke mogelijke vorm van dubbelzinnigheid bij de voorstelling van bepaalde producten te voorkomen? De producten in kwestie moeten duidelijk ofwel als voedingsmiddel ofwel als geneesmiddel worden aangeboden.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De fameuze functional foods worden in Europa en de Europese regelgeving eenduidig als voedingsmiddelen beschouwd. Deze producten moeten dan ook als voedingsmiddelen worden voorgesteld en moeten voldoen aan alle mogelijk controles en voorschriften inzake voedingsmiddelen. Dat betekent concreet dat ze vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit van 17 april 1980 inzake de reclame voor voedingsmiddelen. Volgens die reglementering is het onder meer verboden de naam van ziekten of zieke personen in reclame voor voedingsmiddelen te vermelden. Zo kan worden voorkomen dat de producent de indruk verwekt dat zijn product een geneeskundige werking heeft.
De etikettering van functional foods valt bovendien volledig onder de regelgeving inzake etikettering van voedingsmiddelen.
Volgens de reglementering moet het etiket een aantal vermeldingen bevatten, zoals de houdbaarheidsdatum en de ingrediëntenlijst. De beide koninklijke besluiten hebben tot doel te voorkomen dat voedingsmiddelen als geneesmiddelen worden voorgesteld.
Vooraleer deze producten in Europa in de handel worden gebracht, moeten ze op Europees niveau worden goedgekeurd. De goedkeuringsvoorwaarden zijn vastgelegd in de Europese verordening van oktober 1997 over nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten. Hierbij worden zowel de samenstelling als de presentatie - de beweringen die men aan de functional foods toeschrijft - nauwgezet onderzocht. In België wordt dit onderzoek uitgevoerd door de Hoge Gezondheidsraad.
Margarine op basis van fytosterolen, die een cholesterolverlagend effect hebben, is in Europa al jaren in de handel en wordt in België nog maar sinds enkele maanden te koop aangeboden. Er werd wetenschappelijk aangetoond dat dit product bijdraagt tot de verlaging van het cholesterolgehalte.
Het wetenschappelijk comité van de Europese Commissie heeft een gunstig advies geformuleerd over een nieuwe, gelijkaardige margarine, waarvan ook wordt beweerd dat ze cholesterolverlagend is. Deze margarine zal binnenkort waarschijnlijk als novel food op de Europese markt worden toegelaten.
De code of practice van de voedingsfederatie werd door de Hoge Gezondheidsraad en door de consumentenorganisaties goedgekeurd. Met deze code wil men vermijden dat de etiketten van voedingsmiddelen misleidende vermeldingen bevatten. Deze code is een goed initiatief in afwachting van de totstandkoming van een meer verregaande Europese regelgeving.
Ik zal informatie inwinnen over de uitspraak van de Raad van State, waarnaar de heer Devolder heeft verwezen.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik dank de minister voor het uitstekende overzicht.
Aangezien dit ene product in Finland op de markt werd gebracht vooraleer de Europese regelgeving van toepassing werd, is het niet onderworpen aan de controle voor nieuwe voedingsmiddelen.
Wij moeten de nodige waakzaamheid aan de dag leggen omdat de presentatiewijze een zeker gevaar kan inhouden. Aangezien de vereiste gebruikswijze niet steeds wordt vermeld, kan het beoogde effect niet worden gegarandeerd. Ik pleit voor een verstrenging van de huidige regelgeving in die zin dat de correcte gebruikswijze en het aantal innamendosissen op de verpakking worden vermeld.
- Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Ziehier de uitslag van de stemming over de voordracht van de tweede kandidaat voor het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie:
Aantal stemmenden: 43
Blanco of ongeldige stembriefjes: 3
Geldige stemmen: 40
Volstrekte meerderheid: 21
Mevrouw Martine Regout behaalt 39 stemmen.
De heer François Léonard behaalt 1 stem.
Bijgevolg wordt mevrouw Martine Regout die de volstrekte meerderheid der stemmen bekomen heeft, tot tweede kandidaat uitgeroepen.
Van deze voordrachten zal kennis worden gegeven aan de minister van Justitie en aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Mevrouw de minister, u hebt reeds meermaals uitleg gegeven over de zogenaamde CIDEX-crisis, ontstaan door het gebruik, door zowel ziekenhuizen als artsen in een privé-praktijk, van een ontsmettingsmiddel dat door een productiefout bij Johnson & Johnson inactief was.
Uw administratie heeft deze crisis op een bedroevend slechte manier aangepakt. De informatie werd te laat verspreid, de telefoonlijnen voor de ziekenhuizen waren niet operationeel en er heerste heel wat verwarring in de data op de brieven.
Vandaag zou ik vooral willen vernemen welke maatregelen er zullen worden genomen om aan de patiënten die tussen 11 februari en 21 april 2000in een ziekenhuis of een privé-praktijk werden verzorgd, te waarborgen dat ze niet het slachtoffer werden van een bacteriologische of virale besmetting - en dus niet alleen van hepatitis B of C - en dat ze in geval van besmetting zullen worden verzorgd en vergoed.
Kunnen we een lijst krijgen van de 81 ziekenhuizen waar uw diensten hebben vastgesteld dat er CIDEX werd gebruikt? Werd er een inventaris gemaakt van de privé-praktijken waar dit product eveneens zou zijn gebruikt? Zijn er al gevallen van hepatitis of van andere bacteriële of virale besmettingen geregistreerd? Zo ja, hoeveel gevallen en van welke pathologische aard? Zijn de betrokkenen al vergoed of zullen ze dat nog worden? Hoe zullen ze worden vergoed en hoeveel zal deze vergoeding bedragen?
Ik hoop dat één van de aanbevelingen van de buitengewone werkgroep van de Hoge Gezondheidsraad alleen maar onhandig is geformuleerd. Ik vrees immers dat ze de verantwoordelijkheid voor de opsporing van de besmetting eigenlijk bij de patiënt legt.
Ik zou de minister willen vragen dat op het niveau van de federale administratie onmiddellijk een centraal register wordt geopend waarin alle zieken worden opgenomen die in de bewuste periode een risico-onderzoekoperatie hebben ondergaan en dat die mensen persoonlijk en gratis voor een controletest worden uitgenodigd. Ik verzoek de minister ook voor een centrale en transparante epidemiologische follow-up van deze patiënten te zorgen.
De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Ik deel de bezorgdheid van de minster om de zaak niet op te schroeven en de bevolking niet nodeloos te verontrusten.
Toch ben ik er ook van overtuigd dat de betrokkenen recht hebben op objectieve en volledige informatie over de risico's die ze lopen. Op dit ogenblik is dit niet het geval en maken steeds mensen daarover hun beklag.
In antwoord op mijn mondelinge vraag van 24 mei jongstleden heeft de minister gezegd waarom ze de lijst van de ziekenhuizen niet wenst te verspreiden. Ik heb daar begrip voor, maar zou toch willen weten wanneer ze het precieze aantal besmette personen zal kennen. Net als de vorige spreker ben ik van mening dat de informatie niet correct wordt verspreid. Waar kunnen de betrokken personen telefonisch, per brief of via het net voor informatie terecht? Op de website van de Hoge Gezondheidsraad heb ik informatie gevonden, maar niet op die van het ministerie. Bestaat er een link tussen beide sites?
Johnson & Johnson heeft wel een telefoonnummer opgegeven, maar behalve bij het ziekenhuispersoneel zijn slechts weinig mensen hiervan op de hoogte.
Maakt de minister zich geen zorgen over het feit dat de brieven van de ziekenhuizen aan hun patiënten zo sterk van elkaar verschillen?
Sommige brieven zijn geruststellend, nodigen de mensen uit op de raadpleging en minimaliseren de risico's, terwijl andere onrustbarender maar wellicht realistischer zijn en wijzen op een klein risico en op de noodzaak om drie bloedproeven te ondergaan.
Sommige brieven maken melding van één controleonderzoek, andere van drie onderzoeken met telkens een tussentijd van drie maanden.
Hoe kunnen de betrokkenen weten dat ze gedurende zes maanden geen bloed meer mogen geven, zoals de Hoge Gezondheidsraad heeft aanbevolen?
Een veel voorkomende vraag bij de betrokkenen betreft hun seksuele betrekkingen. Sommige ziekenhuisnota's raden onthouding aan gedurende zes maanden. In het licht van het feitelijke risico lijkt me dat wat overdreven.
Waarom hebben de Belgische gezondheidsautoriteiten niet deelgenomen aan het door Johnson & Johnson georganiseerde bezoek aan de Britse fabriek waar het incident zich heeft voorgedaan?
Is de informatie over het ongeval enkel afkomstig van het bedrijf of beschikt de minister over andere bronnen? Ik vind het buitengewoon vreemd dat men enkel op de informatie van Johnson & Johnson steunt. Ik vraag de minister dus nogmaals of ze zelf ter plaatse geen onderzoek zal instellen.
Heeft ze het rapport van de certificeringsautoriteiten ontvangen? Heeft ze het opgevraagd?
Klopt het dat de Engelse overheid pas op 3 mei 1999 werd ingelicht terwijl de eerste klacht van 13 mei dateert en het product op 6 april uit de ziekenhuizen werd weggenomen?
Ik heb vernomen dat Johnson & Johnson een gratis groen nummer wou installeren en daaraan in de kranten brede publiciteit wou geven, maar dat het ministerie zich daartegen verzette Klopt dat en, zo ja, waarom dat verzet?
Aangezien de minister vorige keer niet over de nodige informatie beschikte, zou ik haar opnieuw willen vragen hoe de betrokkenen zullen worden vergoed? Ik heb het vergoedingsmechanisme van de ziekenhuizen begrepen, maar hoe zullen de verplaatsingsonkosten en het verlies van een werkdag worden betaald?
Wordt ook gedacht aan een morele schadevergoeding bovenop de terugbetaling van de medische prestaties en de administratieve kosten waarin het akkoord met de firma voorziet?
Ik denk dat de bevolking alleen kan worden gerustgesteld door alle betrokkenen onverwijld objectieve en volledige informatie te bezorgen.
Op grond van de twee communiqués van het ministerie en van de informatie die momenteel beschikbaar is, denk ik dat dit verre van het geval is. Ik denk dat de firma Johnson & Johnson te laat heeft gereageerd. Als zich een klassiek medisch probleem had voorgedaan, zou de zaak veel vroeger aan het licht zijn gekomen en hadden zowel de firma als Volksgezondheid ook veel sneller gereageerd.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Volgens een uitgebreid onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn 81 ziekenhuizen bij deze zaak betrokken. Het is niet wenselijk de lijst van deze ziekenhuizen te publiceren want zij kregen de opdracht om de betrokken patiënten terug te roepen en hun aansprakelijkheid is niet in het geding, alleen die van de producent.
De farmaceutische inspectie heeft alle apotheken verwittigd die het product aankopen en aan geneesheren verkopen. De patiënten en de geneesheren werden via de pers verwittigd; zij kunnen contact opnemen met de ziekenhuizen of concrete vragen stellen aan het ministerie. Zowel mijn administratie als mijn kabinet geven steeds het passende antwoord.
De inventaris waarover we vandaag beschikken, is nog onvolledig. Zodra hij volledig is, zal ik hem ter beschikking stellen.
Ik ben het volledig eens met de heer Dallemagne dat punt 3 van de aanbevelingen ongelukkig geformuleerd is. Het was echter geenszins de bedoeling om de verantwoordelijkheid op de rug van de patiënt af te schuiven. We hebben immers aan de ziekenhuizen gevraagd om bij alle patiënten die in aanraking zijn gekomen met medisch materieel dat werd behandeld met ontsmettingsmiddel uit het verdachte lot een test uit te voeren voor hepatitis B en C. Aan de ziekenhuizen is ook gevraagd de gevallen van seroconversie die in verband kunnen worden gebracht met het CIDEX-incident te melden aan de Algemene Farmaceutische Inspectie. Bovendien is aan de ziekenhuizen gevraagd een register bij te houden van de betrokken patiënten, van de analyseresultaten en van de genomen maatregelen. Ik zal hen waarschijnlijk tegen 30 juni een eerste verslag vragen.
Met de firma Johnson & Johnson werd overeengekomen dat zij de kosten zal dragen van de testen en de daarmee samenhangende uitgaven voor de patiënten. Het is niet de taak van de administratie om aan de partijen regels en dwingende verplichtingen op te leggen. Wij leven niet in een systeem van staatsgeneeskunde. Het ministerie van Volksgezondheid kan enkel aanbevelingen doen, brieven schrijven, concrete procedures voorstellen en informatie opvragen.
Het zou geen enkele zin hebben gehad om de gegevens van de zowat 50.000 betrokken patiënten op het ministerie te centraliseren. Wij weten niet in welke omstandigheden ze werden behandeld. Er werd bewust voor gekozen om de ziekenhuizen die met het product hebben gewerkt, zelf te laten instaan voor de opvolging. Sommige ziekenhuizen zijn b.v. uitgerust met een krachtig, automatisch wassysteem bij hoge temperatuur. Experten menen dat er dan geen enkel probleem is, zelfs zonder actieve CIDEX.
Volgens de Hoge Gezondheidsraad is het risico voor hepatitis B en C minimaal en voor het HIV onbestaand.
Het komt aan het ministerie van Volksgezondheid niet toe zich in de plaats te stellen van de behandelende geneesheer.
Het ziekenhuis zelf kan het risico het best inschatten.
Enkel uit voorzorg hebben we de ziekenhuizen aangeraden om de betrokken patiënten te vragen geen bloed te geven. De Raad van Europa beveelt overigens aan om nooit bloed te geven gedurende zes maanden na een endoscopie.
Risico's bij seksueel contact blijven volgens de Hoge Raad beperkt tot maximum vijf à elf gevallen. Ik denk niet dat ik het recht heb om seksuele onthouding gedurende zes maanden aan te bevelen. Wie besmetting vreest, zal zelf zijn verantwoordelijkheid nemen.
De Farmaceutische Inspectie is niet ingegaan op de uitnodiging om de fabriek te bezoeken omdat wij er intussen zeker van waren dat het om een geïsoleerd incident ging en omdat wij een direct contact hadden met de toezichthoudende autoriteit. Deze laatste werd overigens pas op 3 mei ingelicht, en dan niet eens door de firma of door de Britse overheid, maar door de Belgische overheid.
De firma Johnson en Johnson heeft ons pas op 4 april in vage bewoordingen meegedeeld dat er een probleem van concentratie was met haar product en dat zij alle ziekenhuizen had verwittigd.
De administratie ging toen niet in de fout. Niettemin ging een week verloren en ik heb dat ook aan de farmaceutische inspectie gezegd. Ik bevestig dat er eind april onmogelijk nog iets kon worden gedaan, vermits de producten al op 5 en 6 april waren teruggehaald. Maar men had sneller moeten reageren en dus is er sprake van een fout.
Bovendien herinner ik eraan dat Cidex sinds 1995 in een andere categorie werd ondergebracht en net als in alle andere Europese landen niet meer als een geneesmiddel wordt beschouwd. Het gaat dus om een collectieve verantwoordelijkheid. Ik denk dat men de bepalingen over bepaalde producten, die hoewel ze geen geneesmiddelen zijn toch de kwaliteit van de zorgverstrekking rechtstreeks beïnvloeden, zal moeten herzien. Ik heb de Europese Commissie daarover aangeschreven en zal ook aan de Raad van ministers van Volksgezondheid vragen dit probleem te onderzoeken. Een meer strikte controle op Europees vlak dringt zich op.
Een van mijn medewerkers vernam in Londen dat bij een niet-continu productieproces een staal van elke lot van ontsmettingsmiddelen moet worden genomen. Bij Johnson & Johnson werd continu geproduceerd met wekelijkse controles. Nadat de productieketen rond nieuwjaar volledig was stilgelegd, werd bij het heropstarten ervan nagelaten de klep te openen die het ontsmettingsmiddel toevoegt. Hoewel de productie had stilgelegen, werd daar bij de controles geen rekening mee gehouden en verliepen die net als voorheen, toen continu werd geproduceerd.
De wekelijkse controle verklaart waarom het probleem niet op de eerste dag werd vastgesteld. Het gaat om een menselijke fout.
De diensten van mijn departement en mijn kabinet hebben alle inlichtingen verstrekt die hen telefonisch werden gevraagd. Het bedrijf heeft meermaals bevestigd dat de patiënten volledig vergoed zullen worden. We zullen de zaak van nabij blijven volgen en als er klachten zijn, zullen we optreden.
Bovendien heeft de Hoge Gezondheidsraad gevraagd dat het Wetenschappelijk instituut Volksgezondheid-Louis Pasteur een epidemiologische onderzoek naar dit voorval zou uitvoeren. Het Instituut zal daartoe contact opnemen met de betrokken ziekenhuizen en eventueel bijkomende stappen ondernemen. Op die manier wordt de zaak verder opgevolgd.
Ik betreur nogmaals dat Cidex niet meer onder de geneesmiddelenreglementering valt. Ik zal dit probleem op Europees niveau aankaarten.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik dank de minister voor het eerder geruststellende antwoord.
De minister gaf toe dat de Hoge Gezondheidsraad de aanbevelingen onhandig formuleerde. Ik hoop dat de nieuwe aanbevelingen inmiddels werden verspreid.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De ziekenhuizen hebben de patiënten uitgenodigd voor een onderzoek. De mededeling van het ministerie van Volksgezondheid riep de patiënten daartoe op. Er bestaat daarover geen enkel misverstand.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik noteer dat.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Maar ik ben het volledig met u eens dat een en ander onhandig werd geformuleerd.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik ben het er niet mee eens dat een gecentraliseerde bewaking onmogelijk is. Het departement van Volksgezondheid is daarvoor inderdaad niet uitgerust, maar er zijn andere organismen in België die daarvoor in aanmerking komen en een permanent epidemiologisch onderzoek op het getouw kunnen zetten.
Vandaag concentreert men zich vooral op de ziekenhuizen omdat zij de voornaamste afnemers van Cidex zijn. Maar er kunnen ook privé-praktijken bij betrokken zijn en die werden niet noodzakelijk ingelicht.
De redenering van de Hoge Gezondheidsraad in verband met het risico, kan opgaan voor ziekenhuizen waar de ontsmetting van de instrumenten nauwkeurig in protocols is vastgelegd, maar ze geldt minder voor de privé-praktijken die misschien alleen Cidex als ontsmettingsmiddel gebruiken. We weten niet precies over hoeveel patiënten het gaat, maar ik vermoed dat het er veel zijn.
De verklaring dat het niet-openen van een ventiel het probleem zou hebben veroorzaakt, verbaast me enigszins. Het bedrijf moet op dat ogenblik toch hebben beseft dat het product niet in de handel kon worden gebracht. Dat is een zeer zware fout. In dat geval moet het bedrijf niet alleen de schade aan personen vergoeden, maar moet het ook bijkomend aansprakelijk worden gesteld.
De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). -De minister beweert dat de patiënten en privé-praktijken via de pers werden verwittigd. Over welke pers gaat het?
Is het juist dat Johnson & Johnson voorgesteld had een groen nummer in te voeren, maar dat de diensten van Volksgezondheid dat hebben geweigerd?
Ik blijf erbij dat een onafhankelijk onderzoek nodig is. Dat het bedrijf zelf mag uitleggen wat is gebeurd, vind ik onaanvaardbaar.
Wat de schadeloosstelling van de patiënten betreft, heeft de minister gelijk te zeggen dat Johnson & Johnson hierbij moet worden betrokken, dat het RIZIV zijn diensten moet aanbieden en dat zij er voor niets tussen zit. Maar ze weet ook dat de patiënten op zich zelf aangewezen zijn en van een gerechtelijke procedure niet veel moeten verwachten. Vermits er een akkoord schijnt te bestaan tussen het bedrijf en het RIZIV over de schadeloosstelling van de ziekenhuizen, zou men toch ook voor de patiënten in een of andere terugbetalingsregeling kunnen voorzien.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Allereerst volgen de meeste dokterspraktijken de persberichtgeving, zeker als de overheid het grote publiek over een probleem informeert. Ik heb meerdere perscommuniqués verspreid en interviews gegeven, in het Frans en in het Nederlands. De farmaceutische inspectie heeft aan alle apothekers die dit product aan dokters verkopen een informatiebrochure gestuurd en hen verzocht hun klanten te waarschuwen.
Vervolgens hebben we geen groen nummer gewild omdat we het beter vonden dat de patiënten rechtstreeks contact opnamen met het ziekenhuis. We hebben ook een groot aantal folders onder de betrokken patiënten verspreid.
Het is evident dat een onafhankelijk onderzoek moet worden ingesteld door de notified bodies. Alleen betreur ik het dat deze laatste nogal traag reageren, precies omdat het niet over een geneesmiddel gaat. Ik vind het ook spijtig dat de Britse en Nederlandse overheden deze notified bodies niet hebben aangespoord om hun verantwoordelijkheid op te nemen. We zullen de zaak blijven volgen.
Er werd over forfaitaire prijzen onderhandeld, maar de tegemoetkomingen kunnen verschillen en alle kosten moeten worden vergoed. De ziekenhuizen zijn op de hoogte en weten dat ze hun patiënten moeten informeren.
- Het incident is gesloten.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Een familie daagt het bedrijf Eternit uit Kapelle-op-den-Bos voor de rechter. De vader stierf 13 jaar geleden aan longkanker, de moeder is nu ook doodziek door longkanker en twee van de vijf kinderen zijn besmet door asbest. Dit zou alles te maken hebben met de asbestvervuiling afkomstig van Eternit. Niet alleen de werknemers maar ook de omwonenden zouden zwaar te lijden hebben van asbestvezels. In de onmiddellijke omgeving van het bedrijf in Kapelle-op-den-Bos zouden overigens veel mensen lijden aan asbestose, ook veel mensen die nooit in de fabriek gewerkt hebben. Dat wordt althans bevestigd door plaatselijke huisartsen.
Blootstelling aan asbestvezels kan lijden tot asbestose, mesothelioom of kanker van long- of buikvlies, long- en andere kankers, pleurale verdikkingen of asbestwratten. Vooral voor mesothelioom is de band met asbestvervuiling éénduidig te leggen, wat uniek is in de complexe bewijsvoering rond milieu en gezondheid.
Werknemers bij wie een asbestgerelateerde ziekte is vastgesteld, kunnen een beroep doen op het Fonds voor Beroepsziekten. Asbestose en longkanker zijn al sinds 1964 erkend als beroepsziekte, mesothelioom pas sinds 1982. Het aantal erkenningen van beroepsziekten verbonden aan asbest neemt elk jaar toe. Dit heeft allicht te maken met de lange latentieperiode. De uitgaven van het Fonds voor Beroepsziekten in verband met asbest stijgen dan ook zienderogen van 318 miljoen in 1990 tot 494 miljoen in 1993.
Toch lijkt het erop dat nog veel te weinig asbestziekten officieel erkend worden. In onze buurlanden ligt het aantal asbestgerelateerde kankers beduidend hoger.
In de meeste gevallen is het bekomen van een erkenning een lijdensweg. De diagnose wordt immers meestal pas vele jaren na de blootstelling gesteld. Veel patiënten overlijden kort na de diagnose. Dikwijls wordt geen vordering meer ingesteld na de pensionering. Weinig werknemers dagen hun werkgever voor de rechtbank.
Vooral asbestslachtoffers, zelfs werknemers uit de vroegere asbestindustrie, die longkanker krijgen, kampen met grote problemen, want daarvoor kunnen ook andere oorzaken worden aangedragen.
Nog moeilijker wordt het voor werknemers die niet uit de echte asbestindustrie komen, maar bijvoorbeeld uit de bouwsector. Die mensen hebben dikwijls regelmatig bloot gestaan aan asbest, maar krijgen veel moeilijker een erkenning.
Schadevergoeding is natuurlijk een schrale troost als je gezondheid verwoest is. Maar het is tenminste een erkenning voor het asbestslachtoffer en een gedeeltelijke vergoeding voor familieleden die mee asbestslachtoffer geworden zijn.
Voor omwonenden van een asbestproducerend of -verwerkend bedrijf is het nog veel moeilijker zoniet onmogelijk om een erkenning en vergoeding te krijgen. Nochtans is de band tussen asbest en mesothelioom of andere asbestaandoeningen wetenschappelijk vastgesteld.
Heeft de minister zicht op het aantal en op de evolutie gedurende de voorbije jaren van het aantal werknemers met asbestgerelateerde gezondheidsklachten, dat een beroep doet op het Fonds voor Beroepsziekten? Hoeveel aanvragen worden erkend, respectievelijk niet erkend? Hoe verhouden de erkenningen zich tot de verschillende economische sectoren? Hoeveel niet-erkenningen worden betwist voor de rechtbank?
Heeft de minister zicht op het aantal asbestgerelateerde kankers en andere aandoeningen bij de bevolking in het algemeen? Hoeveel sterfgevallen zijn er te wijten aan asbestbesmetting? Wat is de evolutie tijdens de voorbije jaren en decennia? Is er zicht op de oorzaken en bronnen?
In welke mate is er onderzoek naar de relatie tussen kankers en andere aandoeningen bij werknemers en omwonenden van vroegere asbestverwerkende bedrijven zoals Eternit in Kapelle-op-den-Bos en Tisselt, Scheerders-Van Kerckhove in Sint-Niklaas, JM Balmatt in Gent en Mol, Don International in Manage, Isolations générales in Steenokkerzeel en Forge de Zeebrugge in Herstal? In welke mate wordt voor onderzoek samengewerkt met de gewesten en de gemeenschappen, respectievelijk bevoegd voor milieu en preventieve gezondheidszorg? Is er nood aan een grootschalig epidemiologisch onderzoek, bijvoorbeeld via zogenaamde cohortenstudies, in het verlengde van het pionierswerk van Richard Doll en Julian Peto?
Wordt er gedacht aan formules om ook andere asbestslachtoffers dan werknemers van bekende asbestbedrijven, een erkenning te geven en schadeloos te stellen? In welke mate worden de betrokken bedrijven hiervoor aansprakelijk gesteld, bijvoorbeeld via een systeem van prefinanciering en terugvordering? In welke mate is de overheid bereid een deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen, rekening houdend met het feit dat het gebruik en de productie van asbest nog jarenlang gedoogd werden nadat onomstotelijk vaststond dat asbest bijzonder zware risico's inhield voor de gezondheid van zowel werknemers als andere groepen die regelmatig aan asbestvezels werden blootgesteld?
Hebben de ministers weet van het bestaan van het «convenant instituut asbestslachtoffers» zoals dat bestaat in Nederland sinds 1998, een overeenkomst om tot schikkingen te komen tussen de sociale partners, verzekeraars en het «comité asbestslachtoffers», en dit met steun van de overheid? Verdient dit model navolging, eventueel ook voor de vergoeding van niet-werknemers?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. -Ik heb jammer genoeg niet op alle vragen een antwoord, ik geef u wel de stand van zaken voor de verschillende elementen.
De heer Malcorps vraagt of wij zicht hebben op de evolutie tijdens de jongste jaren van het aantal werknemers met asbestgerelateerde gezondheidsklachten. Het Fonds voor Beroepsziekten heeft daarover cijfers gegeven voor de drie categorieën: asbestose, de kanker die verbonden is met de asbestziekte en mesothelioom. Uit die cijfers blijkt dat in 1988 220 gevallen van asbestose zijn geregistreerd. In 1998 is dat aantal opgelopen tot 340. Dat is een duidelijke stijging. Ik wijs erop dat in 1991 een piek met 380 gevallen werd geregistreerd. Voor de kankers is het moeilijker om vast te stellen of ze te wijten zijn aan blootstelling aan asbest of het gevolg zijn van andere factoren, zoals het rookgedrag. In 1985 werden een veertigtal gevallen geregistreerd. In 1997 is dat aantal opgelopen tot 90. Wat het mesothelioom betreft, werden in 1985 6 gevallen geregistreerd, in 1998 is dat cijfer opgelopen tot 80.
Het is moeilijk om de verhouding na te gaan tussen het aantal erkende en niet-erkende gevallen, omdat de aanvragen niet noodzakelijk binnen het jaar worden afgehandeld. Het is dus ook moeilijk om een vergelijking te maken. Over het algemeen is er een parallele evolutie van het aantal eerste aanvragen en het aantal eerste erkenningen.
Op de belangrijke vraag of het aantal asbestgerelateerde kankers bij de bevolking bekend is, is het antwoord neen. De moeilijkheid is immers dat het aantal gekende gevallen in vergelijking met het totale bevolkingscijfer zeer laag is. De gevolgen kunnen voor de getroffenen echter zeer zwaar zijn. Er worden inderdaad levens verwoest. Als men dit wil onderzoeken, moeten zeer grote groepen worden onderzocht en moet het onderzoek over een zeer lange periode gaan, gelet op de lange latentieperiode. Ik kan hierover dus jammer genoeg geen cijfers geven. Ik kan wel het aantal sterfgevallen verstrekken per jaar als gevolg van asbestbesmetting. In het jaar 1990 waren er 87 sterfgevallen, in het jaar 1992 was er een piek met 119 gevallen en in 1994 waren het er 109. Jaarlijks gaat het dus om een groep tussen 90 en 110 personen.
Wat de meest voorkomende bron en de belangrijkste oorzaken betreft, heb ik alleen gegevens over de gevallen waarvoor een aanvraag werd ingediend bij het Fonds voor Beroepsziekten. Hiermee kan voor de beroepsbevolking worden nagegaan in welke sectoren dit verschijnsel zich het meest manifesteert. Het is opvallend dat de bouwsector momenteel dubbel zo hoog scoort als de sector van de niet-metallische minerale producten, waartoe ook de vezelcement behoort.
Voor 1998 gaat het op een totaal van 230 gevallen om 30 gevallen voor de metallische minerale producten en om 63 gevallen in de bouwnijverheid. De vraag om uitleg van de heer Malcorps zorgt er alleszins voor dat bij deze evolutie wordt stilgestaan.
Ten derde vroeg de heer Malcorps of een grootschalig epidemiologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Natuurlijk is dit nodig, maar de vraag is hoe dit moet worden georganiseerd, rekening houdend met het zeer kleine aantal gevallen en de zeer lange termijn. Ik zal samen met het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid nagaan wat daar mogelijk is. Een aantal personen van dit instituut doet reeds onderzoek rond dit thema en zij hebben al gedeeltelijke resultaten behaald. Het gaat echter niet om een grootschalig epidemiologisch onderzoek.
De twee laatste vragen gingen hoofdzakelijk over de erkenning en de mogelijke vergoeding van slachtoffers, die geen werknemers zijn. Alles wat met geld te maken heeft, moet ik met mijn collega Vandenbroucke bespreken. Het ministerie van Volksgezondheid is een van de armste ministeries. Ik heb dit punt op de werkagenda van volgende week laten plaatsen. Ik ben inderdaad op de hoogte van het bestaan van het Nederlandse "convenant instituut asbestslachtoffers". Het interesseert mij zeker te weten hoe dat daar is georganiseerd en er zijn genoeg redenen om na te gaan of we dat model in België kunnen toepassen.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het verheugt mij dat er plannen zijn om een epidemiologisch onderzoek te organiseren en om na te gaan of ook de slachtoffers die geen werknemer, zijn een schadeloosstelling kunnen krijgen. Het is altijd moeilijk om een direct verband te leggen tussen gezondheidseffecten en vervuilings- en milieuproblemen. In het geval van de asbestverwerkende industrie is de kans zeer groot dat een dergelijk verband kan worden aangetoond omdat een aantal ziekten en aandoeningen zoals asbestose en mesothelioom bijna eenduidig aan asbest en asbestvezels kunnen worden toegeschreven. Medisch onderzoek naar dit verband is dan ook zeer nuttig opdat we daardoor in de toekomst ook moeilijker aantoonbare verbanden tussen milieueffecten en milieuproblemen kunnen leggen.
- Het incident is gesloten.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Zoals de minister weet, heeft het Vlaams Blok steeds verdedigd dat een geheime dienst zoals de Veiligheid van de staat noodzakelijk is, op voorwaarde dat die dienst zich vooral richt op werkelijk schadelijke activiteiten, zoals terrorisme, proliferatie van kernmateriaal, religieus fanatisme en fundamentalisme en dergelijke.
Als Vlaamsnationalisten weten wij echter dat de verschillende veiligheidsdiensten - en dus zeker niet alleen de militaire - zich in het verleden druk hebben bezig gehouden met het bespioneren van de Vlaamse beweging. Daarin is niets veranderd, want ik stel vast dat de wet op de staatsveiligheid het "nationalisme" nadrukkelijk als "te volgen" bestempelt en dat allerlei manoeuvres werden uitgehaald om nationalisten, in casu mijzelf, weg te houden uit de parlementaire toezichtscommissie op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Deze bekommernissen leven uiteraard vooral bij het Vlaams Blok, maar andere zouden moeten leven bij alle politici, zoals de bekommernis dat parlementsleden niet het voorwerp mogen uitmaken van spionage. Ze behoren tot de wetgevende macht, in tegenstelling tot de Veiligheid van de staat, die tot de uitvoerende macht behoort. Parlementsleden moeten bijgevolg controle uitoefenen op de activiteiten van overheidsdiensten, en niet omgekeerd, tenzij we de kwaliteit van de democratie willen ter discussie stellen.
Het verslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten omvat een deel over de geheime dienst van het leger. Op bladzijde 17 lees ik dat informatie over parlementsleden wordt verzameld «die niet haar oorsprong vindt in open bronnen», maar wel in "nauwkeurige onderrichtingen van de minister van Landsverdediging". Ik leid dus uit het verslag af dat de minister instructies heeft gegeven om informatie te verzamelen over parlementsleden in functie uit bronnen die niet open zijn. Ik denk hierbij aan afluisteren, infiltreren, informanten en andere technieken die niet voor parlementsleden toegankelijk zijn.
Graag had ik dan ook vernomen welke vorm de nauwkeurige onderrichtingen van de minister hebben. Gaat het om een koninklijk besluit, een ministerieel besluit, een omzendbrief of een nota? Op basis waarvan werden de instructies gegeven?
Waarop baseert de minister, die ondergeschikt is aan de wetgevende macht, zich om instructies te geven inzake het bespioneren van leden van de wetgevende macht?
Het Comité van Toezicht levert ook kritiek op de werkwijze van de militaire veiligheidsdienst, die over te veel dossiers zou beschikken, waarvan een groot aantal niets te maken heeft met de opdracht of waarvan nummering en inventaris ontbreken. Wat zal de minister doen om dit te verhelpen?
In het verslag lees ik ook dat minder dan de helft van de dossiers over parlementsleden betrekking hebben op militaire aangelegenheden en dat meer dan de helft ervan geopend zijn wegens hun politieke activiteiten en dat sommige zelfs geopend zijn na de verkiezing van de parlementsleden in kwestie. Met andere woorden, brave burgers die nog nooit gevolgd werden en die niets met het leger te maken hebben, komen plotseling terecht in dossiers van de militaire veiligheidsdienst omdat ze verkozen zijn.
Deze vaststellingen roepen vragen op. Ik hoop dat de minister daarop een duidelijk antwoord kan geven.
Acht de minister het aanvaardbaar dat de militaire veiligheidsdienst over parlementsleden persoonlijke dossiers bijhoudt, die niets met de militare veiligheid te maken hebben en die soms geopend werden na de verkiezing van die parlementsleden? Acht de minister het ook aanvaardbaar dat technieken als infiltratie, informanten en afluisteren worden gebruikt tegen verkozen parlementsleden? Indien dit zo is, zou ik graag weten waarop de minister zich baseert voor het geven van nauwkeurige onderrichtingen aan de militaire veiligheidsdienst inzake het toepassen van deze technieken en het openen van de dossiers?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Het verslag van vorig jaar van het Comité I, de bron van de heer Verreycken, bevat ook het antwoord op zijn vraag. De conclusie van het eerste hoofdstuk, dat het onderzoeksrapport over de gegevensinzameling over parlementsleden door de inlichtingendiensten behandelt, luidt zeer duidelijk: "Het Comité I bevestigt dat noch de Veiligheid van de Staat noch SGR onderzoek instellen naar handelingen die in het kader van de eigen uitoefening van het parlementair mandaat worden ingesteld. SGR eerbiedigt bijgevolg de opdrachten die hem door de organieke wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werden toevertrouwd."
De echt brave mensen kunnen dus rustig slapen!
Mijn antwoord is zeer duidelijk: de AID kreeg geen enkele instructie om een onderzoek in te stellen naar parlementsleden, van welke partij ook.
Dus de echte brave mensen kunnen rustig slapen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Uiteraard waardeer ik het antwoord van de minister, maar bladzijde 17 van het verslag vermeldt dat hij nauwkeurige onderrichtingen heeft gegeven om dossiers te openen. Dat kan ik toch niet zomaar negeren. Ik heb het verslag van het Comité P en het Comité I niet geschreven. Indien het verslag gewag maakt van nauwkeurige onderrichtingen van de minister van Landsverdediging, dan moeten die er toch zijn.
Ik heb er ten volle begrip voor dat de minister zegt dat SGR dat niet doet. Ik neem aan dat de Belgische Staat niemand bespioneert en geen dossiers bijhoudt van parlementsleden, tenzij het oude dossiers zijn. In het verslag wordt echter aangegeven dat er nieuwe dossiers zijn geopend, aangezien vermeld staat dat minder dan helft van de dossiers over parlementsleden oud zijn en meer dan de helft nieuw en dat deze mogelijk zelfs werden geopend na hun verkiezing.
Ik begrijp dat de minister een kort antwoord geeft, dat hij het helemaal niet prettig vindt veiligheidsdiensten te verdedigen of veel te vertellen over hun technieken, maar onze samenleving boet aan democratisch gehalte in indien parlementsleden worden bespioneerd, wie ze ook zijn en tot welke partij ze ook behoren. Welke positie ik ook bekleed, ik zal me daartegen blijven verzetten, want parlementsleden bespioneren doet me denken aan bepaalde GPU-toestanden waar we niet om vragen.
Indien het verslag niet klopt, dan is een duidelijke rechtzetting van de minister en misschien ook van de verantwoordelijke van de Veiligheid van de Staat absoluut noodzakelijk, want ik neem aan dat de minister niet alleen verantwoordelijk is voor dergelijke opmerkingen.
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik zie niet in waarom ik het verslag van het comité I, dat zeer goed werkt en aan een democratische controle is onderworpen, in twijfel zou trekken.
- Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De vraag om uitleg van mevrouw de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de systematische opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-123) en de vraag om uitleg van de heer Van Quickenborne aan de minister van Justitie over «de bescherming van de grondwettelijke rechten in de informatiesamenleving» (nr. 2-147) worden uitgesteld.
Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan het Bureau om de agenda van de volgende plenaire vergadering te bepalen? (Instemming)
- De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.
(De vergadering wordt gesloten om 18.35 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de dames Nagy, de Bethune, Van Riet en Staveaux-Van Steenberge, met opdracht in het buitenland, de dames Kaçar en Kestelijn-Sierens, de heren Dedecker en Remans, in het buitenland, de heer Wille, wegens ambtsplichten.
- Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 48
Voor: 34
Tegen: 8
Onthoudingen: 6
Voor
Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe.
Tegen
Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 46
Voor: 33
Tegen: 8
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Myriam Vanlerberghe.
Tegen
Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Mia De Schamphelaere, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.
Wetsvoorstel
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot bepaling van het statuut van de thuisassistent (van mevrouw Mia De Schamphelaere c.s.; Gedr. St. 2-458/1).
- Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Voorstellen van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de maatregelen die genomen moeten worden ter regulering van de mondiale kapitaalmarkt (van de heren Michel Barbeaux en Georges Dallemagne; St. 2-457/1).
Voorstel van resolutie over de coördinatie van het drugbeleid (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s.; St. 2-459/1).
- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van een artikel 488ter in hetzelfde Wetboek (van de heer Olivier de Clippele; St. 2-417/1).
- Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging, wat de kieskringen voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers betreft, van het Kieswetboek (van de heer Frans Lozie; St. 2-449/1).
- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Michiel MAERTENS aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de naleving van de EU-richtlijnen ter zake» (nr. 2-151)
van de heer René THISSEN aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over «de startbaanovereenkomst» (nr. 2-154)
van de heer Michel BARBEAUX aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de reactie van de Belgische regering op de betwiste herverkiezing van de president van Peru» (nr. 2-155)
van de heer Philippe MAHOUX aan de Minister van Justitie over «de problematiek van kinderen uit gemengde huwelijken wier ouders uit elkaar zijn en het uitstellen van de vergadering van de Belgisch-Marokkaanse commissie» (nr. 2-156)
van Mevrouw Marie-José LALOY aan de Minister van Justitie over «het instandhouden van persoonlijke betrekkingen tussen kinderen en hun gedetineerde ouders» (nr. 2-157)
- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .
Bij boodschappen van 31 mei 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen :
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid (St. 2-456/1).
- Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 19 juni 2000.
- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 31 mei 2000.
Kennisgeving
Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 41 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (St. 2-265/1).
- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 31 mei 2000 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:
Ontwerp van wet houdende instemming met de Aanvullende Overeenkomst ondertekend te Brussel op 23 juni 1993, tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Staat Malta tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting, en met het Protocol, ondertekend te Brussel op 28 juni 1974 (Gedr. St. 2-460/1).
- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :
- het arrest nr. 62/2000, uitgesproken op 30 mei 2000, inzake de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 10 en 11 van de wet van 25 maart 1999 betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons, ingesteld door de gemeente Sint-Pieters-Leeuw en anderen, en de Vlaamse Regering (rolnummers 1816 en 1817: samengevoegde zaken);
- het arrest nr. 63/2000, uitgesproken op 30 mei 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juli 1998 houdende wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, ingesteld door I. Ronsmans en anderen (rolnummer 1635);
- het arrest nr. 64/2000, uitgesproken op 30 mei 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 1bis, §2, van de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1967, gesteld door de Raad van State (rolnummers 1651 en 1684: samengevoegde zaken);
- het arrest nr. 65/2000, uitgesproken op 30 mei 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 7, §1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik (rolnummer 1680).
- Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :
- het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van de artikelen 27, 39 en 71 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingesteld door de NV Eurautomat en anderen (rolnummer 1965).
- Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 30, §3, vierde lid, van de wet van 21 december 1998, heeft de voorzitter van het Rekenhof, bij brief van 30 mei 2000, aan de voorzitter van de Senaat overgezonden, het eerste verslag in verband met de tenuitvoerlegging van de taken van openbare dienst door de vennootschap van publiek recht «Belgische Technische Coöperatie».
- Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 27, § 3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zendt de minister van Vervoer, bij brief van 30 mei 2000, aan de Senaat het jaarverslag, de jaarrekening, het verslag van het College van commissarissen en het verslag van de commissarissen-revisoren van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen over het dienstjaar 1999.
- Neergelegd ter Griffie.
- Van deze mededeling wordt aan de minister van Vervoer akte verleend.