1-183

1-183

BELGISCHE SENAAT


GEWONE ZITTING 1997-1998
____


BEKNOPT VERSLAG


PLENAIRE VERGADERING

Ochtend - Donderdag 7 mei 1998

________



INHOUD




INOVERWEGINGNEMING

MONDELINGE VRAGEN
van de heer Goovaerts (politiediensten);
van de heer Anciaux (opzij stappen van de luitenant-generaal van de rijkswacht).

PERSOONLIJK FEIT

MONDELINGE VRAGEN
van mevrouw Cantillon (pensioendossiers);
van mevrouw Lizin (Kosovo);
van mevrouw Lizin (mucoviscidose);
van de heren Hostekint en Goris (conclusies van de informatiecommissie met betrekking tot het Rwanda-rapport);
van de heer D'Hooghe (justitiehuizen), en
van mevrouw Delcourt-Pêtre (vervolgingsbeleid ten aanzien van het bezit van cannabis).

VRAAG OM UITLEG
van de heer Ceder (grootschalige fraude in de socialistische zuil) aan de vice-eerste minister en minister van financiën en buitenlandse handel, aan de minister van sociale zaken en aan de minister van justitie. (Sprekers : de heren Ceder en Van Parys, minister van justitie.)





_____________







VOORZITTER : DE HEER MAHOUX,
EERSTE ONDERVOORZITTER


____



De vergadering wordt om 10.10 u. geopend.





INOVERWEGINGNEMING



De Voorzitter. - Aan de orde is thans de stemming over de inoverwegingneming van voorstellen.

U hebt de lijst van de verschillende in overweging te nemen voorstellen ontvangen met opgave van de commissies waarnaar het Bureau voornemens is ze te verwijzen.

Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.

Indien intussen van geen bezwaren blijkt, worden die voorstellen in overweging genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming.)





MONDELINGE VRAGEN

Politiediensten


De heer Goovaerts (VLD). - Al wie begaan is met de veiligheidsproblematiek in onze hoofdstad beseft het belang van de samenwerking tussen de verschillende politiediensten op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In Brussel is er momenteel geen sprake van interpolitiezones. Tot 1996 was er enkel sporadisch overleg tussen de gemeenten die een veiligheidscontract hadden afgesloten, en dit op initiatief van de minister van binnenlandse zaken. Sinds 1996 werden de Brusselse gemeenten gegroepeerd in zeven « vijfhoeksoverlegzones ». Een groot deel van de gesprekken in het kader van dit vijfhoeksoverleg ging over de coördinatie tussen de verschillende politiediensten bij de aanpak van de diverse veiligheidsproblemen en over het afsluiten van protocolakkoorden. Uit deze gesprekken is trouwens gebleken dat het niet gemakkelijk is een consensus te bereiken over de taakverdeling.

Kan de minister mij meedelen welke vooruitgang en concreet werd geboekt sinds de start van het vijfhoeksoverleg in 1996 ?

Zijn er al afspraken gemaakt tussen de gerechtelijke politie, de rijkswachtbrigades en de gemeentelijke politie van de negentien gemeenten ? Zo ja, in hoever worden deze afspraken nagekomen ?

Overweegt de minister initiatieven om de Brusselse politiediensten aan te sporen tot een eenduidig veiligheidsbeleid ? Zo ja, welke en binnen welke termijn ?

De heer Tobback, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - De heer Goovaerts moet begrijpen dat het mij niet mogelijk is geweest om, in de korte tijd sinds het indienen van de vraag, een diepgravende studie te laten maken over de concrete situatie in Brussel op het gebied van de politiesamenwerking. Ik kan dus nu niet zeggen welke afspraken er ondertussen al gemaakt zijn en of deze al dan niet ondertekend zijn. Ik heb ook nog geen idee in welke mate de situatie op het terrein is verbeterd sinds de oprichting van het vijfhoeksoverleg.

Op 2 april jl. werd er op initiatief van mijn voorganger op binnenlandse zaken een interministeriële conferentie inzake de politiehervorming georganiseerd met de gewesten. Tijdens deze conferentie werd erop gewezen dat ook Brussel de rest van het land zal moeten volgen bij het organiseren van interpolitiezones. Dit werd volmondig beaamd door de heer Picqué, minister-voorzitter van de Brusselse regering. Hij riep wel op om rekening te houden met de specifieke situatie op het Brussels grondgebied. In Brussel stelt men inderdaad vast dat er kleine rijkswachtbrigades actief zijn, maar dat er een bijzonder groot overwicht is van gemeentelijke politie.

Brussel zal zich bijgevolg ook moeten inschrijven in het algemene politiehervormingsproject. Hierbij zal inderdaad met het typisch karakter van de Brusselse situatie worden rekening gehouden, ik denk alleen al aan de artificiële indeling in negentien gemeenten.

Over wat er op basis van de huidige wetgeving kan gebeuren zal ik de heer Goovaerts later meer concreet inlichten.

De heer Goovaerts (VLD). - Ik begrijp dat de minister niet alle dossiers op zo'n korte termijn kan verwerken.

Ik heb mij gebaseerd op het jaarrapport 1996 over het vijfhoeksoverleg om te informeren naar de inhoud van dat overleg. De minister vindt dat de negentien politiekorpsen in Brussel moeten gecoördineerd en in aantal verminderd worden.

Wat is de inhoud van de protocolakkoorden die binnen het overleg zijn afgesloten en worden die akkoorden uitgevoerd ?

De heer Tobback, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - De overlegronden die in 1996 en 1997 werden op gang gebracht hebben niet tot de ondertekening van dergelijke akkoorden geleid. Ik kan daar nu geen verdere preciseringen over geven. Maar ik heb de indruk dat een en ander moeizaam verloopt.



Opzij stappen van de luitenant-generaal
van de rijkswacht


De heer Anciaux (VU). - Ik feliciteer de minister van binnenlandse zaken met zijn benoeming.

De eerste minister kondigde vorige week aan dat de luitenant-generaal van de rijkswacht zijn mandaat ter beschikking stelt. Maakt de luitenant-generaal nog deel uit van de rijkswacht en van de generale staf ?

Wie zal hem opvolgen of wie komt hiervoor in aanmerking ? Ontvangt hij nog een wedde en hoe groot is die op het ogenblik ? Komt de luitenant-generaal in aanmerking voor een andere functie bij de rijkswacht ? Wordt hem een job binnen de diplomatie aangeboden ? Komt hij in aanmerking voor een topfunctie in de nieuw op te richten federale politiestructuur ? Heeft de regering al gesproken over een nieuwe functie voor de luitenant-generaal ?

De heer Tobback, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Luitenant-generaal Deridder heeft zijn functie ter beschikking van de regering gesteld. De regering heeft nog geen beslissing genomen. De eerste minister verklaarde vorige week ook dat de regering gebruik zal maken van de ervaring van luitenant-generaal Deridder.

Het is niet de bedoeling dat de regering over enkele weken vaststelt dat de luitenant-generaal commandant van de rijkswacht kan blijven.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen een graad en een functie. De heer Deridder heeft geen ontslag genomen uit de graad van luitenant-generaal. de regering zal een opvolger aanduiden. Overeenkomstig artikel 4 van de wet op de rijkswacht moet het commando van de rijkswacht worden uitgeoefend door een opperofficier. De nieuwe commandat moet minstens de graad hebben van generaal-majoor. De Koning moet de commandant aanduiden op eensluidend advies van de minister van justitie.

De regering zal hieromtrent zo spoedig mogelijk duidelijkheid scheppen.

Voor de andere vragen verwijs ik naar het koninklijk besluit over de wedden bij de rijkswacht.

De heer Anciaux (VU). - Ik dank de vice-premier voor zijn duidelijk antwoord, maar ik vraag me af of het voor de bevolking even duidelijk is. Ik ben enigszins verbaasd over het feit dat de luitenant-generaal nog steeds commandant van de rijkswacht is. Aan de publieke opinie werd het altijd voorgesteld alsof hij zijn commando niet meer uitoefent. Het is dus verwonderlijk dat er in concreto nog niets is gebeurd. Ik vraag me af of het voor de luitenant-generaal een verschil in wedde uitmaakt dat hij zijn functie ter beschikking heeft gesteld. Is het mogelijk dat hij nadien terugkomt als hoofdverantwoordelijke van de federale politiedienst. Is het mogelijk dat hij hoofd wordt van het orgaan dat controle gaat uitoefenen over die federale politie en dus ook over de rijkswacht ? En indien ja, krijgen wij dan geen verkeerde voorstelling van zaken ?

De heer Tobback, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Er valt blijkbaar niets te doen aan het feit dat de oppositie maar kwaadaardige interpretaties blijft verzinnen. Het is merkwaardig dat men geen benul heeft van het feit dat men uit zijn mandaat kan stappen met behoud van zijn graad.

De betrokkene doet hoe dan ook verlies aan het feit dat hij uit zijn functie stapt.

Zelfs de heer Anciaux kan hoofd van de federale politiedienst worden indien hij dat wenst. Iedereen die aan de voorwaarden voldoet, kan zich kandidaat stellen voor die functie.

Het is de stafchef die nu het commando uitoefent.

Aan duidelijkheid laat de regering dus niets te wensen over. De luitenant-generaal heeft zijn mandaat ter beschikking gesteld van de regering en de regering zal er ook over beschikken. De betrokkene wenst zelf niet langer op post te blijven. Als anderen zijn voorbeeld willen volgen, zal dat een goede zaak zijn voor de instellingen. Dit betekent niet, zoals ook de eerste minister heeft gezegd, dat de luitenant-generaal bestraft wordt.





PERSOONLIJK FEIT



De heer Anciaux (VU). - Ik stel vast dat de vice-premier zenuwachtig wordt van mijn vraag. Hij schuift me kwaadaardige bedoelingen in de schoenen, maar ik wil enkel duidelijkheid bekomen. Ik zal mij niet kandidaat stellen voor de federale politiedienst.

De heer Tobback, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Dat is dan goed nieuws.





MONDELINGE VRAGEN

Pensioendossiers


Mevrouw Cantillon (CVP). - Uit het jaarverslag 1997 van het college van de federale ombudsmannen blijkt dat er heel wat klachten zijn over de duur van de behandeling van het pensioenendossier wanneer in het onderwijs uitgeoefende functies geen recht geven op een pensioen van de Schatkist.

In dit geval en na onderzoek van het dossier moeten deze prestaties worden bekrachtigd in het stelsel van de sociale zekerheid. Daarvoor moeten de bijdragen worden overgeheveld van de overheidssector naar de privé-sector. De klager vernam in juli 1996 dat sommige prestaties in zijn school geen recht gaven op een pensioen van de overheidssector. Hoewel zijn pensioen inging op 1 maart 1996 kende hij in juli 1997 nog altijd niet het definitieve bedrag van zijn pensioen. In sommige gevallen neemt de dossierbehandeling meer dan drie jaar in beslag.

Waaraan zijn deze lange behandelingsperioden te wijten ? Waarom verloopt de overheveling van gegevens zo langzaam ? Welke maatregelen overweegt de minister om een snellere afhandeling te verkrijgen ?

De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - In naam van collega Colla kan ik u het volgende meedelen. De Rijksdienst voor pensioenen stuurt aan de administratie der pensioenen regelmatig herinneringen met de vraag om snel een principieel akkoord tot overdracht van de bijdragen op te stellen. Dat principieel akkoord is vereist om tot een definitieve afhandeling van dossiers te kunnen overgaan.

De minister laat weten dat enkel al voor het gewestelijk bureau Antwerpen een vijfendertigtal dossiers wachten op een principieel akkoord. De oudste individuele aanvraag tot overdracht dateert van 30 juli 1996, en er werd sindsdien reeds viermaal aan herinnerd.

Het principieel akkoord bleef echter uit. De administratieve praktijk wijst uit dat het merendeel van de vertragingen te wijten is aan een gebrekkige overdracht van loopbaangegevens van het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap naar de administratie pensioenen. Daardoor kan de administratie pensioenen niet vaststellen of de betrokkenen in aanmerking komen voor een pensioen lastens de Schatkist.

In afwachting van een principieel akkoord treft de Rijksdienst voor pensioenen een voorlopige beslissing op basis van de aanwezige gegevens zodat de aanvrager een voorschot op zijn pensioen kan krijgen.



Kosovo


Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Wat is de analyse van de minister over de vergadering van de contactgroep ? Welke diplomatieke stappen heeft ons land ondernomen ten opzichte van Joegoslavië ?

De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken (in het Frans). - Er zijn enorm veel multilaterale diplomatieke onderhandelingen gevoerd over de zeer ernstige en belangrijke kwestie Kosovo. België, dat deelneemt aan deze multilaterale besprekingen, volgt een reeks gedragslijnen. Ons land vraagt eerst en vooral de naleving van de mensenrechten, ook van de rechten van de minderheden op een wezenlijke autonomie, en het bevestigt dat de zaak Kosovo niet kan worden herleid tot een binnenlandse kwestie. De Bondsrepubliek Joegoslavië heeft zich er trouwens toe verbonden alle internationale verdragen terzake na te leven. Wij vragen dan ook de internationale waarnemers die naar die streek willen gaan toegang te verlenen.

De politieke doelstellingen betreffende het statuut van de streek moeten via politieke middelen worden bereikt. Elke vorm van geweld moet worden veroordeeld. De politieke dialoog moet alle kansen krijgen. Voorafgaande voorwaarden stellen zou dan ook onaanvaardbaar zijn. Bij soortgelijke onderhandelingen is een internationale aanwezigheid gewenst.

De oplossing van het probleem in Kosovo moet oog hebben voor de territoriale integriteit van de Joegoslavische republiek. Ik dring aan op een zeer precieze analyse ten einde een destabilisering van de grenzen te voorkomen.

Van zijn kant heeft de contactgroep een oproep gedaan tot dialoog en heeft hij ervoor gepleit dat de opdracht van de heer Gonzalez zo spoedig mogelijk aanvangt.

De contactgroep heeft tevens besloten de Joegoslavische en Servische tegoeden in het buitenland te bevriezen. Rusland heeft niet ingestemd met die beslissing. De volgende vergadering van de groep vindt deze maand in Parijs plaats. België heeft tegen de bocht van de contactgroep geprotesteerd. Het is echter belangrijk dat Robin Cook een mandaat heeft gekregen van vijftien landen om zijn inspanningen voort te zetten.



Muscoviscidose


Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Hoe staat het juist met de terugbetaling van de behandeling van stofwisselingsziekten ? Wat zijn de voorwaarden om een centrum op te richten ? Moet er een bijzonder contacht met het RIZIV zijn ? Welke specialisten moeten in die centra kunnen worden geraadpleegd ? Worden de producten geregistreerd als voedingsstoffen of als farmaceutische producten ? Is het mogelijk om voor de terugbetaling van bepaalde zeer dure geneesmiddelen een beroep te doen op het bijzondere solidariteitsfonds ?

De heer Daerden, minister van vervoer (in het Frans). - Ik geef u het antwoord van mijn collega, mevrouw De Galan.

Bij de programmawet van 22 februari 1998 is de rechtsgrond gecreëerd voor maatregelen die gericht zijn op een betere dekking van chronische ziekten door de verplichte ziekteverzekering. De Ministerraad heeft specifieke maatregelen goedgekeurd voor de neuromusculaire aandoeningen, mucoviscidose en stofwisselingsziekten.

Wat deze laatste betreft, is besloten dat referentiecentra overeenkomsten zullen sluiten met het verzekeringscomité van de dienst geneeskundige verzorging van het RIZIV. Bovendien worden de medische voedingsproducten terugbetaald. Gelet op de dringende noodzaak en aangezien de registratie van deze producten enige tijd zal vergen, zullen zij worden terugbetaald van de referentiecentra, die borg staan voor de kwaliteit ervan. Wat de geneesmiddelen in de strikte zin van het woord betreft, blijft men denken aan de klassieke terugbetalingsmethoden.

De bevoegde organen van de dienst geneeskundige verzorging hebben zich gunstig uitgesproken over de maatregelen tot uitvoering van de beslissingen van de regering. Het college van geneesheren-directeurs heeft de gesprekken aangevat over de referentiecentra voor de specifieke ziekten die ik zonet heb genoemd. De concrete invulling van de afspraken die worden gemaakt met de referentiecentra wordt binnen dit college verder uitgewerkt.



Conclusies van de informatiecommissie
over het Rwanda-rapport


De heer Hostekint (SP). - Begin januari werd een informatiecommissie opgericht ten einde te onderzoeken hoe de krijgsmacht statutair kon optreden tegen topmilitairen die in het Rwanda-rapport werden vernoemd. Gezien de verjaring waren er geen tuchtrechterlijke sancties meer mogelijk. Via de pers vernamen we dat een kolonel en een majoor persoonlijk in het verslag worden vernoemd, terwijl vijf andere officieren van elke schuld werden vrijgepleit. Is het waar dat twee hogere officieren in gebreke werden gesteld ? Kan de minister hun namen mededelen ? Is het waar dat een nog op te richten onderzoeksraad bijkomend advies over hun gedrag zal inwinnen ? Zal op de conclusies worden gewacht alvorens er sancties worden genomen ?

De heer Goris (VLD). - De minister is in het bezit van het advies van de informatiecommissie en heeft daarover een onderhoud gehad met de stafchef van de krijgsmacht.

Hoe luidt het advies van de informatiecommissie ? Kan de Senaat kennis nemen van dit verslag ? Wat is het resultaat van het onderhoud met de stafchef ? Zal de minister nu een onderzoeksraad samenstellen ? Welke officieren zullen moeten verschijnen ? Welke officieren zullen in de onderzoeksraad zetelen ? Is er een termijn vastgesteld voor de onderzoeksraad ? Welke sancties kan de onderzoeksraad nemen ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - De procedure is in detail beschreven in het koninklijk besluit van 17 april 1959 over het statuut van de officieren. Als een hiërarchische overheid oordeelt dat een officier zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die tot zijn ontslag kunnen leiden, bezorgt hij mij daarover een gemotiveerd voorstel. Als ik dit voorstel aanvaard, moet de officier voor een onderzoeksraad verschijnen die moet beslissen of de feiten bewezen zijn. Pas dan kan ik statutaire maatregelen opleggen.

In dit geval moet een informatiecommissie een gemotiveerd voorstel opmaken. Ik kreeg dit voorstel vorige week en heb het aandachtig bestudeerd. Omdat niet alles even duidelijk was heb ik de informatiecommissie opdracht gegeven een aanvullend informatieverslag op te stellen.

Vermits het werk van de informatiecommissie nog niet af is kan ik het verslag niet openbaar maken zonder de privacy en de rechten van de verdediging van de betrokkenen te schenden.

Ik bespreek geregeld de belangrijke problemen in mijn departement met de chef van de Generale Staf.

De samenstelling van de onderzoeksraad ligt vast in het koninklijk besluit van 9 april 1957. Zij hangt af van de graad van de officieren die gehoord moeten worden. Een onderzoeksraad werkt zo snel mogelijk, rekening houdend met de minimumtermijnen die zijn voorgeschreven en die hoofdzakelijk zijn ingegeven door de vrijwaring van de rechten van de verdediging.

De onderzoeksraad kan zelf geen sancties uitspreken. Zijn rol is beperkt tot het beantwoorden van drie vragen waarvan de eerste luidt : zijn de feiten bewezen ? Als deze vraag positief beantwoord wordt brengt de onderzoeksraad een advies uit over de vraag of de feiten ernstig en verenigbaar zijn met de staat van officier. Als de onderzoeksraad de feiten bewezen acht kan ik aan de Koning het ontslag of de pensionering van een officier voorstellen, ofwel een tijdelijke ambtsontheffing uitspreken, ofwel helemaal geen statutaire maatregel opleggen.

De heer Goris (VLD). - Ik heb toch de indruk dat de minister de zaak op de lange baan aan het schuiven is. Nu is hij weer zinnens bijkomende vragen over het verslag te stellen. Binnenkort is het zomerreces en zullen we misschien in het beste geval in het najaar op deze zaak kunnen terugkomen. Ik wil zeker niet het vel van betrokken militairen. Dat zou niet eerlijk zijn, vermits de politieke verantwoordelijken nog maar eens de dans ontsprongen zijn. Maar het verslag van de Rwanda-commissie is duidelijk : bepaalde militairen hebben geblunderd. Zij moeten beoordeeld worden op hun daden.

Het is de hoogste tijd dat dit dossier eindelijk eens wordt afgesloten. In de pers worden een aantal namen geciteerd van militairen die zich zouden moeten verantwoorden. Ondermeer admiraal Verhulst wordt genoemd. Maar als hij voor een onderzoeksraad moet verschijnen, moet deze toch op een bijzondere manier samengesteld zijn volgens de bestaande procedures. Wie zal in deze raad plaatsnemen ?

Ik roep tenslotte de minister op om de Senaat voortdurend op de hoogte te houden van de evolutie van dit dossier.

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - Ik wil er de heer Goris op wijzen dat het niet de pers is die mijn agenda bepaalt. Er bestaan nu eenmaal in gegeven omstandigheden reglementaire en wettelijke bepalingen en ik ben absoluut van plan deze nauwkeurig te respecteren.



Justitiehuizen


De heer D'Hooghe (CVP). - De oprichting van justitiehuizen vormt een belangrijk element in de hervorming van justitie. Het is de bedoeling om via deze huizen curatieve en preventieve rechtshulp te verlenen en dus te fungeren als een eerstelijnsdienst voor rechtszoekenden.

Op lokaal vlak is er veelal al een dergelijke dienstverlening uitgebouwd, zodat het van fundamenteel belang is dat er een vorm van samenwerking wordt gecreëerd met de nieuwe justitiehuizen. Ik wijs in dit verband op de diensten voor rechtshulp die fungeren in het kader van de OCMW's en die wegens hun territoriale spreiding bijzonder toegankelijk zijn.

In de werking van de justitiehuizen zal een belangrijke rol worden gespeeld door de commissie rechtshulp. Binnen deze commissie moeten alle huidige actoren binnen het gerechtelijk gebeuren samenwerken. Ze wordt paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de Orde van advocaten en van de verenigingen voor maatschappelijke hulp.

Hoe zal de samenwerking met al de bestaande lokale initiatieven worden uitgebouwd ? Werden er terzake al concrete stappen gezet ? Hoe zullen de diensten voor rechtshulp van de OCMW's betrokken worden bij de werking van de justitiehuizen ? Indien er gewerkt wordt met een doorverwijzingssysteem, hoe kan dan vermeden worden dat de cliënten het gevoel krijgen van het kastje naar de muur te worden gestuurd ?

De heer Van Parys, minister van justitie. - Een groot deel van het antwoord op de vragen van de heer D'Hooghe zit vervat in het wetsontwerp op de rechtshulp dat vorige donderdag in de plenaire zitting van de Kamer werd goedgekeurd.

De bedoeling van dit wetsontwerp is het creëren van een bijkomend veralgemeend systeem van eerstelijnsbijstand waarbij nuttig gebruik kan worden gemaakt van de justitiehuizen. Het is eveneens de bedoeling een synergie tot stand te brengen tussen de instellingen die op lokaal vlak actief zijn en diensten die juridische eerstelijnsbijstand verlenen enerzijds, en de juridische tweedelijnsbijstand, die door de balie wordt verleend, anderzijds.

Het wetsontwerp betreffende de juridische eerste- en tweedelijnsbijstand houdt in dit verband een aantal concrete aanzetten in. Zo is er de oprichting, in elk arrondissement, van een paritair samengestelde commissie voor juridische bijstand. Specifieke opdrachten van deze commissie behelsen het onderling overleg, de coördinatie, de onderlinge doorverwijzing, het bekendmaken van de lokale dienstverlening en de evaluatie van de eerstelijns- en van de tweedelijnsbijstand, die door advocaten wordt verleend.

Bij de samenstelling van die commissies zal beroep worden gedaan op de regionale overlegstructuren waarin ook die OCMW's die rechtshulp verlenen vertegenwoordigd zijn en waarbij zeker aandacht zal worden besteed aan geografische representativiteit.

Inzake de doorverwijzing lijkt er mij een zekere verwarring te heersen. Het ontwerp voorziet inderdaad twee soorten van doorverwijzing. Op de eerste plaats is er een doorverwijzing op het niveau van de eerstelijnsbijstand naar meer gespecialiseerde organisaties. Die specialisaties kunnen zijn : huurproblemen, jongerenbegeleiding, schuldbemiddeling, relatieproblemen, vreemdelingenproblematiek, consumentenproblemen. Het is logisch dat op plaatsen waar een zekere specialisatie aanwezig is, de rechtszoekende naar de meest competente dienst kan worden doorgewezen. Op de tweede plaats is er dan de doorwijzing van de eerste- naar de tweedelijnsbijstand. Het ontwerp wil inderdaad een filter inbouwen tussen een universele eerstelijn en een geïndividualiseerde en meer gespecialiseerde tweedelijn.

Ik hoop alleszins zo snel mogelijk na de definitieve goedkeuring van de wet een ontwerp van koninklijk besluit aan de Ministerraad voor te leggen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de commissie voor juridische bijstand. Ondertussen zullen de nodige initiatieven worden genomen om een representatieve samenstelling te garanderen, waarmee alle betrokken actoren akkoord kunnen gaan.

De heer D'Hooghe (CVP). - Ik dank de minister voor dit antwoord. Men moet nagaan hoe het overleg het best tot stand kan worden gebracht.



Vervolgingen ten aanzien van het bezit van cannabis


Mevrouw Delcourt-Pêtre (PSC) (in het Frans). - Op uw circulaire is al veel commentaar geleverd. Ik zal u drie precieze vragen stellen : deze circulaire wordt door het groot publiek als een depenalisering van het bezit van cannabis ervaren. Dreigt deze verwarring door de rechtbanken niet te worden geïnterpreteerd als een onoverkomelijke dwaling omtrent het recht, zodat geen enkele vervolging nog op een veroordeling kan uitlopen ? Hebben de politiediensten inzake vervolgingen instructies gekregen ? Zo ja, is het normaal dat de rechters alleen over de opportuniteit ervan moeten oordelen. Zal het beleid van elk parket worden gecontroleerd ? Op welke juridische basis ?

De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - Er is geen enkele verwarring mogelijk. Deze circulaire berust op de fundamentele hypothese dat de wet niet is gewijzigd. Zij heeft tot doel het drugsgebruik alsmede het aantal nieuwe gebruikers te verminderen. Zij legt de perken vast waarbinnen het verbruik door de maatschappij kan worden aanvaard en gecontroleerd. De strafnorm moet evenwichtig worden geapprecieerd. Een eerste vorm van preventie bestaat erin een duidelijk sociaal-politiek signaal te geven : drugsgebruik is onaanvaardbaar. De bevolking moet weten dat drugsgebruik strafbaar is.

De wet moet de zwaksten en in het bijzonder de minderjarigen beschermen. De circulaire bepaalt de kritieke drempel waarboven het drugsgebruik moet worden ontmoedigd. De parketten zullen de politiediensten over de circulaire inlichten. De politiediensten mogen in geen geval de opportuniteit van de vervolging beoordelen. Er moeten integendeel vereenvoudigde processenverbaal worden opgesteld.

Die vereenvoudigde processen-verbaal zullen met de eventuele bijlagen door de verbaliserende politiedienst bewaard worden. De navolgende akten zullen daar bijgevoegd worden. De officier van gerechtelijke politie zal een gewoon proces-verbaal kunnen opstellen op basis van de materiële omstandigheden, de gegevens met betrekking tot de persoon of bijkomende informatie. De nadruk wordt dus gelegd op de verantwoordelijkheid van de officier die de leiding heeft en die bevoegd is om te oordelen of een afwijking al dan niet gerechtvaardigd is. Op deze manier van werken wordt toezicht uitgeoefend door het parket.

Er zal geregeld een lijst van alle vereenvoudigde processen-verbaal aan het parket worden gestuurd. Zo zal de magistraat op elk ogenblik processen-verbaal kunnen opvragen waaraan hij gevolg wil geven of die met andere reeds bekende feiten in verband gebracht kunnen worden. Bovendien zal het systeem van de « negatieve selectie » worden toegepast. Een vereenvoudigd proces-verbaal zal alleen worden opgesteld en eventueel geseponeerd in de mate dat daar geen tegenaanwijzingen voor zijn en dat er geen enkele twijfel bestaat met betrekking tot het eenmalige of accidentele karakter van het gebruik.

De richtlijn is bindend voor alle leden van het openbaar ministerie met het oog op de uniformisering van het vervolgingsbeleid, zonder dat evenwel wordt vooruitgelopen op de complexiteit van de materiële kenmerken van elk dossier. Zo kan een parketmagistraat met toepassing van het opportuniteitsprincipe, een uitzondering maken op de richtlijn, op voorwaarde dat hij zijn beslissing motiveert.

De korpschef en de parketten-generaal zullen waken over de toepassing van de circulaire.

Mevrouw Delcourt-Pêtre (PSC) (in het Frans). - Ik dank u voor uw gedetailleerd antwoord. Ik verwacht veel van de evaluatie en hoop dat men tot een wettelijke oplossing zal kunnen komen.

De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - Ik ben bereid dit te bespreken in de commissie voor de justitie.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER CEDER AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIEN EN BUITENLANDSE ZAKEN EN AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
over « grootschalige fraude in de socialistische zuil »


De heer Ceder (Vlaams Blok). - Op 12 februari 1998 legden een aantal ex-werknemers van VZW's en ondernemingen aanleunend bij de socialistische zuil klacht neer tegen hun werkgevers. In die kalchten is sprake van grootschalige fiscale en sociale fraude en van misbruik en afwending van subsidies.

De spil van dit fraudedossier zou een voormalig kabinetsmedewerker van toenmalig Vlaams minister De Batselier zijn. De persoon in kwestie is voorzitter van de VZW Veso, een vereniging die advies geeft aan zelfstandige ondernemers en subsidies van het Vlaams Gewest ontvangt en ook een aantal GESCO's heeft gekregen. In de praktijk zouden de personen die als GESCO en via subsidies tewerkgesteld werden, echter ingeschakeld worden in commerciële activiteiten onder meer bij het Incassobureau, bvba Alliantie, de NV Alfinex en de NV Deucalion. Bij sommige commerciële ondernemingen zouden ook zes werknemers van andere VZW's werkend, zoals de VZW Vecar. De VZW Crispi zou voor een kleine studie een zeer grote subsidie ontvangen hebben van het Waalse Gewest. De VZW Veso zou van de koepelorganisatie Vlaamse socialistische zelfstandigen 2,5 miljoen frank ontvangen hebben om onduidelijke redenen. Sommige VZW's, zoals Hocave zouden niet bestaan of niet voldoen aan de voorschriften inzake sociale zekerheid.

Er zijn dus sterke vermoedens dat in deze wirwar van VZW's en bedrijven een BTW-carroussel werd opgezet, schriftvervalsing werd gepleegd en geld van derden op grote schaal werd verduisterd.

Sommige klagers vrezen dat dit dossier in de doofpot gaat, gezien de banden met de socialistische zuil. De VZW Veso is immers lid van de socialistische koepel; de voornaamste betrokkene is kabinetsmedewerker geweest van ex-minister De Batselier; er is een band tussen de VZW Veso en Steven Stevaert, een topfiguur uit de SP; de levenspartner van de hoofdbetrokkene heeft familiebanden met een andere topfiguur van de SP. Dat vermoeden van de klagers wordt gesterkt door het feit dat de boekhouding van de betreffende bedrijven werd weggehaald enkele dagen nadat de klacht was ingediend.

Mijn vraag aan de minister van financiën is dan ook of er een onderzoek is opgestart naar fiscale fraude, in het bijzonder BTW-fraude bij de VZW Veso, en bij de andere organisaties; Is er een onderzoek naar misbruik en afwending van subsidies ? Zijn er klachten neergelegd door bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de diensten van de betrokken bedrijven ?

Van de minister van sociale zaken had ik willen vernemen of een onderzoek naar zwart werk is gestart en of het waar is dat personen werden tewerkgesteld in onbestaande verenigingen. Is het juist dat de lonen niet op wettelijke manier werden uitbetaald, en dat er connecties waren met de SP ? Is er een intern onderzoek naar de voormalige kabinetsmedewerker van de heer De Batselier, die blijkbaar vooraf op de hoogte werd gebracht van nakende sociale inspecties ?

Aan de minister van financiën vraag ik tenslotte of de BBI een onderzoek naar de BTW-fraude heeft gesteld ? (Applaus bij het Vlaams Blok.)

De heer Van Parys, minister van justitie. - De procureur-generaal te Gent deelt mij mede dat er een opsporingsonderzoek aan de gang is naar aanleiding van klachten van ex-medewerkers van diverse verenigingen en VZW's. Het gaat zowel om misdrijven van gemeen recht als om sociale inbreuken. Na een eerste onderzoek zullen de klagers opnieuw worden gehoord. Er komt ook een financieel onderzoek om een inzicht te krijgen in de structuren, de boekhouding, enz. Daarna zal het parket een strategie van het gerechtelijk onderzoek bepalen. Samen met de procureur-generaal betreur ik de ruchtbaarheid die aan deze zaak werd gegeven, want zij is weinig bevorderlijk voor het goede verloop van het strafonderzoek.

Namens de minister van sociale zaken kan ik zeggen dat de sociale inspectie van haar departement geen gegevens mag verstrekken over individuele dossiers, omwille van het beroepsgeheim. De inspectiedienst van de RSZ werd nog niet in de zaak betrokken.

Namens de minister van financiën kan ik mededelen dat hij pas kennis heeft gekregen van de klacht ingevolge de vraag om uitleg. De bijzondere belastinginspectie heeft opdracht gekregen een onderzoek te openen.

De heer Ceder (Vlaams Blok). - Ik hoop dat de opmerking over de ruchtbaarheid niet als een verwijt aan mij is bedoeld. Voor de zaak via de pers publiek werd gemaakt heb ik mij voorgenomen met het parket in contact te treden. Pas nadat een regionale televisiezender van het Gentse en enkele kranten het nieuws bekendmaakten heb ik beslist de vraag om uitleg te stellen.

In dit flagrant geval van fraude is er sprake ofwel van bescherming, ofwel van verregaande laksheid van de verschillende overheidsdiensten.

Ik zal te gepasten tijde op deze zaak terugkomen.

De heer Van Parys, minister van justitie. - Ik bevestig dat de ruchtbaarheid het onderzoek nadeel kan berokkenen. De rechterlijke macht moet in volle onafhankelijkheid haar werk kunnen uitvoeren.

- Het incident is gesloten.

- De vergadering wordt om 11.55 uur gesloten.





BERICHTEN VAN VERHINDERING



Verhinderd : mevrouw Mayence-Goossens, mevrouw Sémer, mevrouw Jeanmoye, mevrouw Maximus, de heren Delcroix, Olivier, Hotyat, Vautmans, Destexhe, Lallemand, Istasse, met opdracht in het buitenland en de heer Hazette, wegens beroepsplichten.





Het Beknopt Verslag geeft een samenvatting van de debatten


Het volledig verslag verschijnt in de Parlementaire Handelingen