3-174

3-174

Belgische Senaat

3-174

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 6 JULI 2006 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Voorstel van bijzondere wet tot aanvulling van artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, om de voorzitter van de regering van de Duitstalige Gemeenschap zitting te laten hebben in het Overlegcomité (van de heer Berni Collas, Stuk 3-1594)

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1595)

Wetsvoorstel tot aanpassing van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap aan de nieuwe nummering van de artikelen van de Grondwet (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1596)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 14 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1597)

Wetsvoorstel tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1495)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1496)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de tax shelter-regeling ten gunste van de audiovisuele productie (van mevrouw Margriet Hermans en mevrouw Stéphanie Anseeuw, Stuk 3-1284)

Verslag over de mogelijkheid dat Belgische luchtvaartinfrastructuur gebruikt werd door vluchten gecharterd door de CIA om gearresteerde personen die verdacht worden van betrokken te zijn bij het islamitisch terrorisme, te vervoeren (Stuk 3-1762)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 10.20 uur.)

Voorstel van bijzondere wet tot aanvulling van artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, om de voorzitter van de regering van de Duitstalige Gemeenschap zitting te laten hebben in het Overlegcomité (van de heer Berni Collas, Stuk 3-1594)

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1595)

Wetsvoorstel tot aanpassing van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap aan de nieuwe nummering van de artikelen van de Grondwet (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1596)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 14 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1597)

Algemene bespreking

De heer Francis Delpérée (CDH), rapporteur. - Mij werd gevraagd verslag uit te brengen over een voorstel van bijzondere wet en drie voorstellen van gewone wet die betrekking hebben op de Duitstalige Gemeenschap.

Ik zal slechts één verslag uitbrengen over die vier voorstellen omdat ze, ten eerste, allemaal dezelfde strekking hebben, namelijk de bestaande wetgeving aanpassen aan de nieuwe grondwettelijke terminologie, en vervolgens omdat ze dezelfde bron hebben. Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft naar aanleiding van een debat over bepaalde wetsvoorstellen suggesties gedaan. Het heeft, op verzoek van de voorzitter van de Senaat, ook concordante en gunstige adviezen verstrekt over de voorstellen die vandaag voorliggen. Tot slot delen we allemaal dezelfde bezorgdheid. Zoals we bij het begin van de werkzaamheden in de commissie duidelijk hebben gemaakt, zijn de wijzigingen van technische en niet van politieke aard, ook al kan ik niet nalaten vast te stellen dat het voorstel van bijzondere wet toch een iets meer politiek karakter heeft omdat het de Duitstalige Gemeenschap op voet van gelijkheid wil plaatsen met de twee andere gemeenschappen, wat de preventie en regeling van belangenconflicten betreft. Men is niet meerderjarig, maar volwassen geworden.

Ik zal bij elke tekst een beknopte commentaar geven. Ik begin met het voorstel van bijzondere wet 3-1594/5. Waarom is het een voorstel van bijzondere wet? Dat lijkt misschien vreemd omdat de Duitstalige Gemeenschap en het Overlegcomité krachtens een gewone wet werden georganiseerd, namelijk de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De reden vinden we in het advies 40.345/2 van de Raad van State. De Raad herinnert aan de juridische argumentatie die terzake van toepassing is.

Ten eerste, krachtens het nieuwe artikel 143 van de Grondwet is er een bijzondere wet nodig voor alles wat betrekking heeft op het voorkomen en regelen van belangenconflicten.

Ten tweede bevat artikel 143 een overgangsbepaling volgens welke de gewone wet van 9 augustus 1980 van toepassing blijft en slechts door een bijzondere wet kan worden gewijzigd.

Ten derde wordt ook gepreciseerd dat de wijzigingen die ondertussen in die gewone wet zouden worden aangebracht ook al bij bijzondere wet moeten gebeuren. Om die redenen ligt hier een voorstel van bijzondere wet voor, wat vooral in verband met de Duitstalige Gemeenschap misschien vreemd zou kunnen overkomen.

Het voorstel strekt ertoe de voorzitter van de regering van de Duitstalige Gemeenschap zitting te laten hebben in het overlegcomité, met beslissende stem, voor belangenconflicten `waarin' - het woord is belangrijk - hetzij het Parlement, hetzij de Regering van de Duitstalige Gemeenschap betrokken zijn.

In de Franse tekst staat duidelijk `impliquent' en niet gewoon `concernent' en in de Nederlandse tekst staat `waarin hetzij het Parlement, hetzij de regering betrokken is'. Het gaat dus om een specifieke aanwezigheid voor welbepaalde dossiers.

De tweede tekst die voorligt, is het document 3-1596/5, een wetsvoorstel tot invoering van een nieuwe nummering van de artikelen van de Grondwet. De oorspronkelijke tekst refereerde aan de Grondwet van vóór 1994 en bevatte nog artikel 59ter, artikel 17 met betrekking tot het onderwijs en artikel 110 met betrekking tot de belastingen. Die tekst moest worden `gezuiverd' en de nieuwe nummering werd bijgevolg aangenomen.

De derde tekst is het wetsvoorstel 3-1595/4. Iedereen weet dat de Duitstalige gemeenschap nu bevoegd is voor het gebruik der talen in het onderwijs dat ze opricht of subsidieert. Het was dus niet meer nodig het Parlement van die gemeenschap de mogelijkheid te geven advies te verstrekken aan de federale overheid wanneer die wetgeving moest worden gewijzigd.

Ik kom dan tot het wetsvoorstel 3-1597/4. Artikel 14 van de gewone wet bepaalde dat artikel 31ter van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van toepassing was op de Duitstalige Gemeenschap. Dat zal worden opgenomen in de paragrafen 1 en 2 van het document.

Tot zover mijn verslag namens de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, die de verschillende teksten unaniem heeft goedgekeurd en de plenaire vergadering uitnodigt om hetzelfde te doen.

De heer Berni Collas (MR). - Ik ben de voorzitster en het Bureau van de Senaat dankbaar omdat ze de zes wetsvoorstellen in twee punten hebben bijeengebracht, wat ons de gelegenheid geeft één algemeen debat te houden over de diverse teksten met betrekking tot de Duitstalige Gemeenschap.

Ik dank ook de rapporteur, de heer Delpérée, die een uitvoerig technisch-juridisch verslag heeft opgesteld. Omdat hij een algemeen overzicht heeft gegeven van de discussie in de commissie moet er vandaag geen debat ten gronde worden gevoerd.

Ik kan mij bijgevolg beperken tot de opmerking dat de vier wetsvoorstellen geïnspireerd waren door een advies dat het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft verstrekt bij de bespreking van drie wetsvoorstellen die in de Senaat waren ingediend om de benamingen van de verschillende Gemeenschaps- en Gewestraden te vervangen door Waals Parlement, Parlement van de Franstalige Gemeenschap, Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Vlaams Parlement en Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Na de goedkeuring in de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers werden die voorstellen bekrachtigd. Ze werden afgekondigd op 27 maart 2006 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 11 april 2006.

Die voorstellen zijn de vertaling van de aanbevelingen die het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap in die context had goedgekeurd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het voorstel van bijzondere wet tot aanvulling van artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, om de voorzitter van de regering van de Duitstalige Gemeenschap zitting te laten hebben in het Overlegcomité (van de heer Berni Collas, Stuk 3-1594)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1594/5.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Voorstel van bijzondere wet tot aanvulling van artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, om de voorzitter van de regering van de Duitstalige Gemeenschap zitting te laten hebben in het Overlegcomité, en tot opheffing van artikel 67 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap.

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1595)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 3-1595/4.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot aanpassing van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap aan de nieuwe nummering van de artikelen van de Grondwet (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1596)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1596/5.)

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 14 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1597)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 3-1597/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1495)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1496)

Algemene bespreking

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - België is een drietalig land. Collega Berni Collas heeft ons met deze twee wetsvoorstellen daar nog eens aan herinnerd. Bij de vertaling van onze wetgeving wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. De wetgeving wordt opgesteld in het Nederlands en het Frans, maar niet in het Duits. De heer Collas is niet over één nacht ijs gegaan. Hij heeft de kabinetten in het Duitstalig landsgedeelte langdurig bestookt. Hij heeft nauw samengewerkt met de Centrale Dienst voor Duitse vertaling. Ook de federale kabinetten, niet het minst dat van de eerste minister, bestookte hij met vragen.

De ratio legis van deze wetsvoorstellen is het opheffen van de ongelijkheid tussen de Nederlandse, de Franse en de Duitse vertaling recht te trekken. De procedure van de vertaling van wetgeving wordt geregeld in artikel 76 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap. De heer Collas heeft vastgesteld dat dit artikel in de praktijk heel gebrekkig wordt uitgevoerd en bovendien voor juridische problemen zorgt. Hij werd daarin ondersteund door een arrest van het Arbitragehof, waarin die ongelijkheid wordt blootgelegd. In dat arrest wordt gesteld dat begrotingsbeperkingen geen excuus mogen zijn om een deel van de bewoners van ons land de kennis van onze wetgeving te onthouden. Het Arbitragehof stelt bovendien dat alle wetten en normen die na 1 januari 1989 zijn gepubliceerd naar het Duits moeten worden vertaald.

De heer Collas heeft de meerderheid van de Senaat achter zich gekregen en is in beide taalgroepen handtekeningen gaan vragen. Zijn wetsvoorstellen worden dus breed gedragen.

Die wetsvoorstellen getuigen van veel realiteitszin. De heer Collas en zijn collega's vragen niet dat alle wetten onmiddellijk naar het Duits worden vertaald, maar ze zeggen dat de vertaling gradueel moet gebeuren, zeker voor de wetten van na 1 januari 1989. De heer Collas en zijn collega's hebben amendementen ingediend die tegemoet komen aan de opmerkingen van de Raad van State en aan het advies van de Duitstalige gemeenschap aan het federaal parlement. In dat advies maakt de Duitstalige gemeenschap haar bekommernissen en verzuchtingen omtrent de Duitse vertaling van wetten bekend. Dat advies is als bijlage bij de stukken toegevoegd.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de wetten, enerzijds, en de koninklijke en ministeriële besluiten, anderzijds. Er wordt voorgesteld de wetten te vertalen volgens hun belang voor de Duitstalige inwoners van ons land. Voor de koninklijke en ministeriële besluiten zou er per federale overheidsdienst een prioriteitenlijst worden opgemaakt en zouden de belangrijkste besluiten worden vertaald naar het Duits.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap bepaalt dat artikel 76 van die wet wordt opgeheven als deze wetsvoorstellen zijn goedgekeurd en als een in ministerraad overlegd koninklijk besluit is genomen die de vertaling regelt.

Alle regeringsleden waren het eens met de inhoud van deze voorstellen, maar ze waarschuwden voor de budgettaire gevolgen en voor het extra werk voor de federale overheidsdiensten. De minister van Binnenlandse Zaken heeft beklemtoond dat de vertaling van alle wetteksten niet zo makkelijk zal zijn en in ieder geval niet zeer vlug zal worden verstrekt.

De heer Collas en de heer Delpérée hebben technische amendementen ingediend die aan het advies van de Raad van State, van de Duitstalige Gemeenschap en van de dienst wetsevaluatie van de Senaat tegemoet komen.

Beide wetsvoorstellen werden unaniem goedgekeurd in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden. Iedereen was het erover eens de ongelijkheid tegenover de Duitstalige gemeenschap ongedaan te maken.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank mevrouw Talhaoui voor het uitgebreide verslag.

Ich behaupte nicht, dass heute ein historischer Tag für die Deutschsprachige Gemeinschaft unseres Landes ist. Ich wage jedoch zu hoffen, dass die vorliegende Gesetzesvorschläge als wichtig für die Bürger und die Institutionen in allumfassendem Sinne der Deutschsprachigen Gemeinschaft angesehen werden.

Seit Anfang meines Mandates als Gemeinschaftsenator war diese Materie einer der Schwerpunkte meiner parlementarischer Arbeit im Senat, weil es eben in dieser Problematik einen sehr akuten Handlungsbedarf gibt.

Ik beweer niet dat dit een historische dag is voor de Duitstalige gemeenschap van België, maar ik hoop dat men het belang inziet van de onderhavige wetsvoorstellen voor de burgers en instellingen - in de algemene zin van het woord - van de Duitstalige gemeenschap.

Deze aangelegenheid was voor mij van bij het begin van mijn mandaat als gemeenschapssenator één van de prioriteiten van mijn parlementair werk in de Senaat omdat er op dat gebied dringend iets moest worden ondernomen.

Uit een studie is immers gebleken dat de jongste 15 jaar slechts 15 tot 25% van de wetten in het Duits werd vertaald. In 2005 werd amper 16% van de wetten vertaald.

Die situatie toont aan dat er geen rekening wordt gehouden met het arrest van het Arbitragehof van 14 juli 1994, waarin staat dat alle wetten en reglementen van de federale overheid van na 1 januari 1989 in het Duits moeten worden vertaald en dat die vertaling moet gebeuren binnen een redelijke termijn na de publicatie in het Frans en het Nederlands in het Belgisch Staatsblad.

Het Hof aanvaardde dat de teksten van vóór 1 januari 1989 slechts geleidelijk aan zouden worden vertaald, afhankelijk van het belang dat ze hebben voor de inwoners van het Duitse taalgebied.

In de conclusie van het artikel `Federale wetteksten in het Duits: over de niet-uitvoering van een arrest van het Arbitragehof en de nood aan een nieuwe Gelijkheidswet' dat in het Tijdschrift voor Wetgeving verschenen is en volledig is gewijd aan het probleem van de vertaling van de wetteksten in het Duits, spreken de onderzoekers Stangherlin en Muylle zelfs over de `nood aan een nieuwe Gelijkheidswet'.

`In een grondwettelijk bestel waarin het Duits niet alleen als nationale en als officiële taal wordt erkend, maar waarin bovendien artikel 189 van de Grondwet de gelijkheid tussen die drie talen bevestigt door te bepalen dat de tekst van de Grondwet in het Nederlands, in het Frans en in het Duits is gesteld, kan enkel een authentieke Duitse tekst van federale wetten en verordeningen die gelijkheid bewerkstelligen. Een nieuwe gelijkheidswet dringt zich derhalve op.'

Sta me toe u het belang van deze demarche toe te lichten.

We kennen allemaal het adagium `eenieder wordt geacht de wet te kennen'. Wat gebeurt er echter wanneer een inwoner van het koninkrijk, die alleen de `derde' taal van het land, dus het Duits, spreekt en begrijpt, de wet overtreedt? Kan hij zich beroepen op het feit dat de wet niet bestaat in die officiële taal en een vertaling nooit een authentiek karakter zal hebben?

Na een onderzoek op het terrein heb ik mij, in overleg met alle betrokken actoren en geïnteresseerde partijen, gewijd aan het zoeken naar een oplossing voor deze bijzonder onbevredigende situatie.

Na talrijke werkvergaderingen hebben we een compromis gevonden om een meer systematische vertaling, in de ruime zin van het woord, in het Duits te verzekeren.

Dat compromis werd omgezet in twee wetsvoorstellen die in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden unaniem werden aangenomen, na het advies van de Raad van State en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

De opmerkingen die in de adviezen geformuleerd waren, werden bij wijze van amendering in de tekst verwerkt.

Waarin voorzien de twee wetsvoorstellen?

De minister van Justitie zal om de drie maanden een lijst opmaken van de te vertalen wetteksten, op voorstel van de Centrale Dienst voor Duitse vertaling en na advies van de regering van de Duitstalige Gemeenschap.

Artikel 1 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen wordt aangevuld met de volgende leden:

`De Centrale Dienst voor de Duitse vertaling van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken staat in voor de vertaling van de wetten in de Duitse taal. Op voorstel van die Centrale Dienst en na advies van de regering van de Duitstalige Gemeenschap stelt de minister van Justitie om de drie maanden de lijst vast van de wetten die in het Duits moeten worden vertaald, afhankelijk van het belang dat ze hebben voor de inwoners van het Duitse taalgebied en met voorrang voor de voornaamste teksten, alsook voor het tot stand brengen van officieuze coördinaties in het Duits. Bij het verrichten van vertaalwerk neemt de genoemde Centrale Dienst de regels van rechtsterminologie in acht zoals die zijn vastgesteld voor het Duits.

De Duitse vertaling van de wetten wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen een redelijke termijn na de bekendmaking ervan in het Nederlands en in het Frans.'

Elke federale overheidsdienst wordt geacht te beschikken over een team van vertalers die naar het Duits kunnen vertalen en de koninklijke en ministeriële besluiten zullen vertalen, maar ik moet eraan toevoegen dat we ook hier in de mogelijkheid hebben voorzien om een overeenkomst te sluiten met de Centrale Dienst voor Duitse vertaling.

Die centrale is in Malmedy gevestigd.

De lijst van koninklijke en ministeriële besluiten zal eveneens worden opgesteld in overleg met de regering van de Duitstalige Gemeenschap, die zich volgens ons in de juiste positie bevindt om te bepalen wat belangrijk is voor de inwoners van het Duitstalige Gewest.

`Iedere minister zorgt in zijn bevoegdheidssfeer voor de Duitse vertaling van koninklijke en ministeriële besluiten. Hij stelt daartoe om de drie maanden, na advies van de regering van de Duitstalige Gemeenschap, een lijst vast van de besluiten die in het Duits moeten worden vertaald, afhankelijk van het belang dat zij hebben voor de inwoners van het Duitse taalgebied en met voorrang voor de voornaamste teksten, alsook voor het tot stand brengen van officieuze coördinaties in het Duits. Hij kan zich daarin laten bijstaan door de Centrale Dienst voor Duitse vertaling. Bij het verrichten van dat vertaalwerk neemt de bevoegde minister de terminologische regels in acht die zijn vastgesteld voor het Duits.

De Duitse vertaling van de koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen een redelijke termijn na de bekendmaking ervan in het Nederlands en in het Frans.'

De adviezen en mededelingen, bijvoorbeeld rondzendbrieven en andere documenten, zullen ter beschikking worden gesteld van de Duitstalige burgers.

Uit het advies van de Raad van State en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap bleek dat het begrip `met regelmatige tussenpozen' moest worden gepreciseerd. Daarom hebben wij geopteerd voor een interval van drie maanden. Tijdens die periode moeten de ministers en de minister van Justitie een lijst opstellen van de te vertalen teksten, respectievelijk arresten en wetten. Ik verwijs ook naar de amendementen van de heer Delpérée die werden verwerkt in de eindtekst. Die tekst was aanvankelijk niet correct geformuleerd. De heer Delpérée heeft onze aandacht gevestigd op een zekere inmenging in de communautaire bevoegdheden, in casu van de Duitstalige Gemeenschap. Wij hebben dat dus rechtgezet. Voor meer uitleg verwijs ik naar de parlementaire werkzaamheden en de betrokken documenten.

Op verzoek van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en op aanbeveling van de Raad van State werd de tekst met betrekking tot de beperking van de budgetten geschrapt.

Wie ich bereits eben erwähnt habe, haben wir zuletzt die Möglichkeit vorgesehen, dass die FÖD's auch in Zukunft auf die Dienste der Zentralen Dienststelle für Deutsche Übersetzungen in Malmedy unter gewissen Bedingungen zurückgreifen können, das heisst unter anderem, dass man auch dem höheren Volumen an Übersetzungsarbeit Rechnung tragen muss und die Übersetzungskapazität aufstocken muss.

Und auf ausdrücklichen Wunsch der Vorsitzenden der Föderalen Öffentlichen Dienste hat man auch den Passus eingeführt, den es ermöglicht, auf die Zusammenarbeit mit der Zentralen Dienststelle für Deutsche Übersetzungen in Malmedy zurückzugreifen.

Was nun das Inkrafttreten der neuen Prozedur zur Übersetzung föderaler Gesetzestexte ins Deutsche betrifft, so sehen wir folgendes vor:

Ik herhaal dat wij ook voorzien hebben in de mogelijkheid voor de FOD's om in de toekomst, onder bepaalde voorwaarden, nog een beroep te doen op de Centrale Dienst voor Duitse vertaling van Malmedy. Dat betekent onder meer dat rekening moet worden gehouden met een toename van het werkvolume en dat de vertaalcapaciteit moet worden verhoogd.

De passage volgens welke nog een beroep zal kunnen worden gedaan op de medewerking van de Centrale Dienst voor Duitse vertaling, werd in de tekst opgenomen op uitdrukkelijk verzoek van de voorzitters van de Federale Overheidsdiensten.

Voor de inwerkingtreding van de nieuwe procedure voor de vertaling van federale wetten in het Duits, voorzien wij in volgende regeling:

De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, ten laatste één jaar na de evaluatie van de toe te kennen kredieten. Die evaluatie moet ten laatste op 1 januari 2008 gebeuren. Bij ontstentenis van een besluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding zal het nieuwe mechanisme op 1 januari 2009 in werking treden.

De tekst waarover we vandaag zullen stemmen, is slechts een compromis. De rapporteur heeft terecht opgemerkt dat dit een pragmatische wet is die aanzienlijke vooruitgang zou moeten brengen in de vertaling van federale wetteksten en reglementen.

Ik verwijs in dat verband naar een tekst uit de inleiding van het advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

»Das Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft nimmt die zur Begutachtung vorgelegten Gesetzesinitiativen zum Anlass, um seine grundsätzliche Meinung in Bezug auf die Übersetsung von föderalen Gesetzes- und Verordnungstexten darzulegen.

Aus seiner Sicht kann eine für die deutschsprachigen Bürger Belgiens zufriedenstellende Lösung nur darin bestehen, dass alle föderalen Gesetzes- und Verordnungstexte systematisch in deutscher Sprache vorliegen und deren Veröffentlichung zeitgleich mit den französischen und niederländischen Texten erfolgt.

Zur Untermauerung dieser Ansicht weist das Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft auf das bereits von den Autoren der Gesetzesvorschläge zitierte Urteil des Schiedshofes vom 14 Juli 1994 hin, demzufolge alle föderalen Gesetzes- und Verordnungstexte ins Deutsche übersetzt werden müssen, um eine Verletzung des Gleichheitsgrundsatzes abzuwenden.

Das Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft ist darüber hinaus der Meinung, dass eine wirkliche Gleichbehandlung der deutschsprachigen Bürger Belgiens grundsätzlich nur dann gewährleistet ist, wenn alle föderalen Gesetzes- und Verordnungstexte als authentische deutsche Fassung zur Verfügung stehen.«

Auch wenn ich zu diesem Zeitpunkt der Abstimmung nicht vorgreifen kann, so möchte ich doch allen danken, die das Zustandekommen der vorliegenden Gesetzesvorschläge mit bewirkt, beziehungsweise diese unterstützt haben.

`Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap neemt de voor advies voorgelegde wetsinitiatieven tot aanleiding om zijn fundamenteel standpunt met betrekking tot de vertaling van federale wets- en verordeningsteksten uiteen te zetten.

Vanuit zijn standpunt kan een voor de Duitstalige burgers van België tevreden stellende oplossing alleen daarin bestaan, dat alle federale wets- en verordeningsteksten systematisch in de Duitse taal beschikbaar zijn en dat hun publicatie tegelijkertijd met de Franse en Nederlandse teksten gebeurt.

Om dit standpunt te staven, wijst het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap op het reeds door de auteurs van de wetsvoorstellen geciteerde arrest van het Arbitragehof van 14 juli 1994, waardoor alle federale wets- en verordeningsteksten in het Duits moeten worden vertaald om een schending van het gelijkheidsbeginsel af te wenden.

Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap is bovendien van mening dat een werkelijke gelijkbehandeling van de Duitstalige burgers van België in principe alleen dan gegarandeerd is, indien alle federale wets- en verordeningsteksten als authentieke werken in de Duitse versie ter beschikking staan.

Nochtans beschouwt het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap de voor het Waals gewest geldende regeling, volgens dewelke alle decreet- en verordeningsteksten gemeenschappelijk met een vertaling in de Duitse taal moeten worden gepubliceerd, ook als een pragmatische en aanneembare oplossing voor de publicatie van de federale verordenende teksten.'

Hoewel ik niet kan vooruitlopen op de stemming, wens ik de senatoren die bijgedragen hebben tot de totstandkoming van onderhavige wetsvoorstellen of die er hun steun aan hebben verleend, toch al te bedanken.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Sommige wetteksten moeten een lange parlementaire weg afleggen alvorens te worden goedgekeurd.

Ik zeg dat om hulde te brengen aan de rapporteur en om eraan te herinneren dat het debat over deze teksten lang vóór deze zittingsperiode is geopend. Ik wil tevens wijzen op het intense en belangrijke werk van de heer Louis Siquet, die voorheen gemeenschapssenator was van de Duitstalige Gemeenschap en nu voorzitter is van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Dat werk van lange adem kreeg een concrete vorm door de indiening van verschillende wetsvoorstellen, talrijke discussies en langdurig overleg.

Het probleem dat zich voordeed, en dat zich volgens senator Collas trouwens nog altijd voordoet, komt eigenlijk neer op de tweestrijd tussen het respect voor de democratische beginselen en de kostprijs van de vertaling.

De democratische principes verplichten ons immers niet alleen alle wetten te vertalen in de drie officiële landstalen, maar ook de andere normatieve teksten, onder meer de koninklijke besluiten. Het Arbitragehof heeft dat in zijn arrest klaar en duidelijk vermeld.

Hier gaat het om het algemeen belang van de Duitstalige Gemeenschap. Dat algemeen belang werd altijd afgewogen tegen de totale kostprijs van de vertaling van alle teksten.

De tekst die we zullen goedkeuren zal het probleem niet helemaal oplossen want niet alle teksten zullen worden vertaald. De regering van de Duitstalige Gemeenschap en de federale overheidsdiensten zullen samen beslissen welke teksten welke teksten daarvoor in aanmerking komen.

We zullen in de komende maanden in de praktijk moeten nagaan of het arrest van het Arbitragehof al dan niet werd gevolgd. Dat is het fundamentele probleem. Ik zeg `in de praktijk' omdat een beetje pragmatisme in dergelijke zaken niet fout is. Er blijft ongetwijfeld nog een zekere discriminatie bestaan ten opzichte van onze Duitstalige medeburgers, maar we zullen moeten nagaan of die discriminatie belangrijke gevolgen heeft voor hun dagelijks leven en geen schending inhoudt van het respect dat we onze medeburgers moeten betonen. Als dat wel het geval zou zijn, moeten we de tekst herzien.

We zullen dit wetsvoorstel zeker goedkeuren. We hebben het medeondertekend met de heer Jean-François Istasse, voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1495)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1495/6.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 40 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (van de heer Berni Collas c.s., Stuk 3-1496)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1496/6.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en de koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid en tot wijziging van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, alsook van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap.

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de tax shelter-regeling ten gunste van de audiovisuele productie (van mevrouw Margriet Hermans en mevrouw Stéphanie Anseeuw, Stuk 3-1284)

Algemene bespreking

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Het voorliggend wetsvoorstel werd in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden in een viertal vergaderingen besproken.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de gunstregeling van de tax shelter ten gunste van audiovisuele producties uit te breiden tot de sector van de jeugdprogramma's en -series. Mede-indienster van het wetsvoorstel, collega Anseeuw, beklemtoonde dat de gunstige effecten van de tax shelter op het terrein zichtbaar zijn en dat de indertijd bestaande financieringsproblemen zijn verholpen, maar dat dit voor jeugdprogramma's niet het geval is. Zoals bleek uit verklaringen van de gemeenschappen, ressorteren de jeugdprogramma's niet onder dit regime. Gezien het culturele belang van deze categorie is de voorgestelde uitbreiding aan te bevelen.

Tijdens de bespreking bleek dat iedereen deze uitbreiding genegen was. Ook de minister had daartegen geen bezwaar, op voorwaarde dat men met de voorgestelde definitie omzichtig zou omspringen, om te vermijden dat het gunstig fiscaal regime zou worden gebruikt voor massacultuur. Hij wil verhinderen dat commerciële omroepen voor het maken van bepaalde commerciële audiovisuele programma's voor de jeugd een beroep kunnen doen op de tax shelter. Daarbij is het de bedoeling dat de bevoegde regionale selectiecommissies de gevraagde kwaliteitstoetsing uitvoeren.

In de commissie is er een discussie geweest over de correcte definiëring van de jeugdseries die voor dit gunstregime in aanmerking kunnen komen. Uiteindelijk werd door de indiensters Hermans en Anseeuw een amendement ingediend om rekening houdend met de opmerkingen tijdens de discussie de kinder- en jeugdseries duidelijker te omschrijven zodat de bedoeling gevrijwaard kan worden, namelijk kwalitatief hoogstaande producties te promoten. De kinder- en jeugdreeksen worden gedefinieerd als `fictiereeksen met een educatieve, culturele en informatieve inhoud voor een doelgroep van 0- tot 16-jarigen'. Verder werd door dezelfde indiensters een tweede amendement ingediend om de datum van inwerkingtreding te bepalen. Dit heeft onder meer te maken met de meldingsprocedure voor de Europese Commissie.

De amendementen, de aldus gewijzigde artikelen en het geamendeerde wetsvoorstel werden vervolgens eenparig door de commissie aangenomen.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik dank collega Steverlynck voor zijn verslag en de andere collega's voor hun unanieme steun aan het wetsvoorstel.

We weten dat de audiovisuele sector in ons land het niet zo gemakkelijk heeft gehad en met veel financiële moeilijkheden te kampen heeft gehad. De tax shelter heeft een verbetering van de situatie teweeggebracht. Omdat onkosten a rato van 150% in rekening konden worden gebracht, bleven de investeringen voor de sector betaalbaar. Ik verheug me dan ook dat we de tax shelter nu kunnen uitbreiden voor de kinderprogramma's en jeugdseries.

De noodzaak daartoe blijkt uit de cijfers. In 1999 hadden we in de jeugdsector 607 producties van eigen bodem, terwijl er 847 producten werden aangekocht. In 2005 waren er 732 producten van eigen bodem, maar werden er 1.462 producten ingevoerd, voornamelijk uit Amerika, wat bijna een verdubbeling is. Daarom zijn we blij met deze maatregel die onze eigen productiehuizen zowel in Wallonië als in Vlaanderen zal aanzetten om meer jeugdseries te maken.

Dat is opvoedkundig heel belangrijk voor onze jongeren en economisch ook heel belangrijk voor de creativiteit, de productiviteit en de werkgelegenheid in de sector. Van de maatregel kunnen enkel positieve effecten worden verwacht: de zenders krijgen een groter aanbod, de eigen programma's kunnen bijdragen tot de sociale en maatschappelijke ontwikkeling van kinderen - wat ook door Europa wordt ondersteund -, de investeringen in de sector blijven in eigen land, de werkgelegenheid wordt gestimuleerd en al bij al kost deze maatregel de Schatkist bijna niets.

De heer Berni Collas (MR). - Ik wil namens mijn fractie onze sympathie uitdrukken voor dit wetsvoorstel. We zullen het steunen. We hebben trouwens één van de amendementen mee ondertekend.

Naar aanleiding van mijn vraag om uitleg van twee weken geleden over dit onderwerp werd één en ander nog verduidelijkt.

Persoonlijk wil ik mevrouw Hermans feliciteren met dit wetsvoorstel.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-1284/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Verslag over de mogelijkheid dat Belgische luchtvaartinfrastructuur gebruikt werd door vluchten gecharterd door de CIA om gearresteerde personen die verdacht worden van betrokken te zijn bij het islamitisch terrorisme, te vervoeren (Stuk 3-1762)

Bespreking

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. - Het verslag over de mogelijkheid dat de Belgische luchtvaartinfrastructuur werd gebruikt om vluchten gecharterd door de CIA om gearresteerde personen die verdacht worden van betrokken te zijn bij het islamitisch terrorisme, te vervoeren, is belangwekkend omwille van de aard van het onderzoek en omdat het vragen oproept die veel verder gaan dan het probleem van de CIA-vluchten zelf.

Het verslag bevat de weergave van twee nota's van het Comité I dat door de parlementaire begeleidingscommissie werd belast met een onderzoek om na te gaan in welke mate de veiligheidsdiensten van ons land op de hoogte waren van mogelijke CIA-vluchten en indien ze niet op de hoogte zouden zijn geweest, hoe het komt dat ze daarover geen informatie hebben bekomen rechtstreeks of onrechtstreeks.

Uit de conclusies blijkt dat er geen onderzoek is geweest. De begeleidingscommissie heeft natuurlijk geen algemene onderzoeksbevoegdheid ten aanzien van de werking van de overheidsdiensten om vast te stellen wat de overheid weet over de CIA-vluchten die bestaan en bestaan hebben.

Het Comité I heeft een eerste rapport en een aanvullend rapport uitgebracht. Beide rapporten maakten het voorwerp uit van een discussie, niet alleen met de leden van de Staatsveiligheid en van de militaire veiligheid, maar eveneens met de vertegenwoordigers van de Luchtmacht. Voor een overzicht van de verschillende houdingen die door de betrokken diensten en leden van de parlementaire begeleidingscommissie werden ingenomen verwijs ik naar de eerste 65 pagina's van het rapport.

Ik wens wel enkele punten van de besluiten en aanbevelingen te onderstrepen. Daarin wordt duidelijk dat het Comité I en dus ook de parlementaire begeleidingscommissie op de grenzen van hun bevoegdheden zijn gestuit. Allereerst kunnen we geen volledig waarheidsgetrouw verslag uitbrengen over de eventuele CIA-vluchten. Ten tweede rijzen er vragen over de rechtspositie van buitenlandse veiligheidsdiensten, ook al gaat het om bevriende landen, over wat we juridisch doen met operaties van buitenlandse veiligheidsdiensten op ons grondgebied, in welke mate we daarop greep hebben en wie parlementair en politiek verantwoordelijk is.

De begeleidingscommissie heeft gezegd in elk geval een aantal vaststellingen te kunnen doen.

Ten eerste hebben de inlichtingdiensten in het eerste verslag van het Comité I onjuiste informatie gegeven door te ontkennen dat ze geen enkel verzoek om informatie hadden ontvangen van de regering. Ik vind dat een ernstig incident. Als de inlichtingendiensten worden opgeroepen, moeten ze de waarheid zeggen.

Ten tweede hebben de Belgische inlichtingendiensten geen blijk gegeven van belangstelling voor de beweerde feiten.

Ten derde kunnen de diensten niet op geloofwaardige wijze volhouden dat ze onbevoegd zijn voor de aangelegenheden waarover het gaat. Schendingen van de mensenrechten zijn een aantasting van de rechtsorde die ze als wettelijke opdracht moeten handhaven.

Ten vierde, hoewel oorspronkelijk toegestaan, heeft de minister van Defensie uiteindelijk een bezoek geweigerd van de begeleidingscommissie aan het Air Traffic Control Centre (ATCC) van de Belgische luchtmacht te Semmerzake. Uiteraard roept dat vragen op over de bereidwilligheid om mee te werken aan het onderzoek van de commissie.

Het eerste deel van het hoofdstuk `Besluiten en aanbevelingen' is gewijd aan het externe toezicht van de inlichtingendiensten. Met name wordt de vraag gesteld in welke mate de inlichtingendiensten bevoegd zijn om preventief op te treden en informatie te verzamelen.

De veiligheidsdiensten moeten de democratische rechtsorde bewaken. Dat betekent dat ze ervoor moeten zorgen dat de fundamentele rechten en vrijheden, die in de eerste plaats door de overheid kunnen worden bedreigd, worden gerespecteerd. Uit pagina's 66 en 67 van het verslag kan duidelijk worden opgemaakt dat de Veiligheid van de Staat en de militaire inlichtingendiensten naar mijn oordeel eventuele informatie over de beweerde CIA-vluchten ongetwijfeld hadden moeten meedelen. Ook zouden ze zeer alert moeten zijn voor dergelijke operaties.

Sedert het Echelonrapport weten we dat de activiteiten van bevriende veiligheidsdiensten of verwante diensten voor de Veiligheid van de Staat of de militaire inlichtingendiensten geen prioriteit is.

De begeleidingscommissie heeft het daar moeilijk mee. Haar eerste aanbeveling is dan ook de wettelijke opdrachten van onze inlichtingendiensten uit te breiden tot het toezicht op elke activiteit van de buitenlandse inlichtingendiensten op het nationale grondgebied, om ze beter te controleren, door een aanpassing van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

De politieke context is na de val van de Berlijnse muur volledig gewijzigd. Ook in de strijd tegen het terrorisme worden we met nieuwe uitdagingen geconfronteerd. Onze veiligheidsdiensten moeten hun werking dan ook aan die nieuwe werkelijkheid aanpassen.

In die context vervullen beide opeenvolgende rapporten van het Vast Comité I hun rol door duidelijk aan te tonen hoe verveeld de Belgische inlichtingendiensten zitten met het controleonderzoek en door tussen de regels en tot op zekere hoogte een bepaalde cultuur van wantrouwen ten opzichte van de politieke overheid, zowel de regering als het parlement, te formuleren.

Die vaststelling wordt nog duidelijker wanneer men vervolgens ziet hoe andere geallieerde inlichtingendiensten antwoorden op vragen van de Veiligheid van de Staat, die van het ministerieel Comité voor inlichtingen de taak heeft gekregen informatie te zoeken over mogelijk betwistbare vluchten die worden toegeschreven aan CIA-operaties. Mevrouw Defraigne en ikzelf verwijzen in dat verband naar een van de aanbevelingen van het Ontwerp van interimverslag van de Tijdelijke enquêtecommissie van het Europees Parlement.

Dat alles zet ons ertoe aan enkele aanvullende vragen te stellen over de werking van de veiligheidsdiensten en van de militaire inlichtingendiensten. De begeleidingscommissie wijst ook op de oprichting van het OCAD/OCAM, waardoor de informatie inzake veiligheid van de verschillende echelons wordt gecentraliseerd en beter moet worden gecoördineerd.

Vorige week heb ik op een diner naar aanleiding van het vijvenvijftigjarige bestaan van de diplomatieke betrekkingen tussen de Duitse Bondsrepubliek en België aan de Duitse minister voor Europese Zaken de volgende opmerking gemaakt. Men kan niet pleiten voor coördinatie van de gegevens die zich in België of elders bevinden, en aandringen op samenwerking, harmonisering en uitwisseling van die gegevens in een aangepaste veiligheidspolitiek, terwijl men tegelijkertijd het systeem van de Big Five (Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Italië) handhaaft. Die grote landen voeren binnen de Europese Unie een eigen veiligheidsbeleid en ze hebben een eigen systeem van informatie-uitwisseling zonder medewerking van de andere landen. Dat houdt voor de landen die niet bij dat systeem betrokken zijn een extra risico in. Zo kunnen de terroristen naar de `kleinere' landen verhuizen omdat ze weten dat in de grote landen op een andere wijze informatie wordt uitgewisseld.

Die vaststelling leidt tot de tweede aanbeveling. De begeleidingscommissie steunt de initiatieven van de Belgische regering voor een volwaardig Europees inlichtingenbeleid dat kadert in een gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Europese Unie.

In haar derde aanbeveling stelt de begeleidingscommissie voor de wettelijke bevoegdheid van het Comité I uit te breiden zodat het toezicht kan uitoefenen over alle instellingen die mogelijk nuttige informatie kunnen verschaffen over zowel de werking van de eigen inlichtingendiensten als over de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op ons grondgebied. Dat is een van de basisopdrachten van de veiligheidsdiensten.

Het tweede deel van het hoofdstuk `Besluiten en aanbevelingen' is gewijd aan de handhavingsplicht van de grondrechten door de Belgische overheid. Hierover is heel wat discussie ontstaan. De militaire overheid was van oordeel dat de fundamentele rechten niet van toepassing zouden zijn op de eventuele CIA-vluchten.

We hebben verwezen naar het verslag van de Commission de Venise (Venice Commission), dat alleen in het Frans en het Engels is opgesteld. Die commissie poogt de vestiging van een democratie door het recht te bevorderen. In haar verslag geeft de commissie een mooi overzicht van de juridische uitgangspunten.

Voor ons staat het buiten elke betwisting dat de fundamentele rechten en vrijheden blijvend beschermd moeten worden wanneer het gaat om operaties zoals de CIA-vluchten. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens meermaals in concrete zaken in die zin geoordeeld.

Met de vierde aanbeveling beveelt de begeleidingscommissie de regering aan haar inspanningen op te voeren om de naleving van de fundamentele rechten op het grondgebied van het land te verzekeren door het toezicht en de inspectie te versterken van de vliegtuigen die het grondgebied van het land overvliegen of die er landen, ongeacht of het om civiele dan wel om militaire vluchten gaat.

In de vijfde aanbeveling beveelt de begeleidingscommissie de regering aan onverwijld het initiatief te nemen om op internationaal niveau, in samenwerking met de andere landen van de Europese Unie, de lidstaten van de Raad van Europa en de Verenigde Staten, een volwaardige mondiale strategie uit te werken om de terroristische dreiging het hoofd te bieden, daarbij steunend op instrumenten die aan de fundamentele beginselen beantwoorden van ons gemeenschappelijk erfgoed inzake democratie, eerbied voor de mensenrechten en het primaat van het recht.

De begeleidingscommissie beveelt de regering ook aan de lidstaten van de Europese Unie en de lidstaten van de Raad van Europa die aan dergelijke overtredingen meewerken, eraan te herinneren dat ze juridisch verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de fundamentele rechten van hun onderdanen.

Tot slot moedigt de begeleidingscommissie de regering aan in haar inspanningen om een daadwerkelijk Europees veiligheidsbeleid te bevorderen, waarin een Europese inlichtingendienst zijn plaats heeft.

De cruciale vraag is of er CIA-vluchten waren in België. Omdat we geen rechtstreekse bewijzen hebben, kunnen we niet overtuigend aantonen dat dergelijke vluchten al dan niet hebben plaatsgehad.

In een televisieprogramma naar aanleiding van een recente gebeurtenis in Antwerpen heb ik erop gewezen dat de politieke besluitvorming in ons land gebrekkig is omdat ze stoelt op een incidentendemocratie. Dat betekent dat zodra een incident plaats gehad heeft, sommigen naar de microfoon lopen om vlug de toon te zetten voor de komende politieke discussie.

Een incident moet uiteraard een aanleiding zijn voor een onderzoek. De parlementaire begeleidingscommissie heeft dat dan ook gedaan, maar bij de beoordeling van het incident moet de problematiek wel in een ruimer verband geduid worden en moeten oplossingen aangereikt worden die het concrete probleem overstijgen.

Dit blijkt uit het feit dat wat we hier zeggen mutatis mutandis ook van toepassing is op de problemen met SWIFT. We zullen dit vanochtend niet uitklaren, aangezien de diverse veiligheidsdiensten met het onderzoek bezig zijn, maar het juridische, maatschappelijke en politieke kader van de problemen met SWIFT zijn perfect vergelijkbaar met die van de CIA-vluchten.

Om niet twee maal op de tribune te moeten komen, wil ik eindigen met enkele persoonlijke beschouwingen.

Ik dank de leden van de parlementaire begeleidingscommissie, de voorzitster en mijn corapporteur, mevrouw Defraigne, voor de goede verstandhouding waarin we dit rapport konden opstellen. Het draait natuurlijk niet om partijpolitiek of personen maar om het belang van een zaak. In een parlementaire democratie is dat onze enige echte bijdrage.

Ik vat mijn persoonlijke slotconclusies in enkele punten samen.

Ik onderstreep dat de voorzitter van het Comité I, de heer Delepière, die sinds 1 juli niet meer in functie is, al die jaren zeer plichtsbewust, met grote kennis van zaken en met een zeer grote gevoeligheid voor deze materie, met de parlementaire begeleidingscommissie heeft samengewerkt. Zonder een goede verstandhouding tussen het Comité I en de parlementaire begeleidingscommissie is doeltreffend werken natuurlijk niet mogelijk.

Ik ben er mij van bewust dat verslagen van de parlementaire begeleidingscommissie niet altijd aangenaam zijn voor de Staatsveiligheid of voor de militaire veiligheid. De veiligheidsdiensten moeten zich er echter ook bewust van zijn dat ze opereren in een andere democratische context dan tien of vijftien jaar geleden en dat ze zich veel minder defensief moeten opstellen. Ze moeten weten dat het Comité I en de parlementaire begeleidingscommissie kansen bieden om een nieuw beleid te ontwikkelen en vragen preventief te beantwoorden, zodat ze later minder in moeilijkheden komen. We hebben in de Senaat meermaals eenparig aanbevelingen goedgekeurd om de Staatsveiligheid meer middelen, ook technische, en personeel te geven om preventief aan veiligheidspolitiek te doen. Ook in de vorige legislatuur, vóór 2003, hebben we dergelijke zaken al goedgekeurd. Zo vroegen we drie of vier jaar geleden al om de mogelijkheid van administratieve telefoontap te creëren in het kader van de strijd tegen het terrorisme - uiteraard onder de waarborgen van de rechtsstaat en de parlementaire controle - maar blijkbaar bestaat daarover in de regering geen overeenstemming. Intussen hebben we de Echelonaffaire, waarbij de Verenigde Staten aan telefoontap doen, de controle op faxberichten en controleert de CIA in de SWIFT-zaak financiële bewerkingen. Het wordt een beetje hallucinant. Enerzijds keurt de Senaat voortdurend eenparig aanbevelingen goed om de veiligheidsdiensten de middelen te geven de nieuwe uitdagingen aan te gaan, zonder dat daarop politiek resultaat volgt, en anderzijds voeren buitenlandse veiligheidsdiensten, die over enorme middelen beschikken, allerlei operaties uit waarbij er toch een ander samenwerkingsverband met onze veiligheidsdiensten zou moeten bestaan.

Het NAVO-verdrag, afgesloten in het kader van de Koude Oorlog, bevat geheime bijkomende protocollen voor bepaalde militaire operaties. Ik kan dit natuurlijk niet hard maken, maar het is mogelijk dat de Verenigde Staten of de CIA in het kader van de uitvoering van deze geheime NAVO-overeenkomsten bepaalde vluchten organiseren waarvan de luchtmacht wel op de hoogte is, maar waarvan wij als parlementaire begeleidingscommissie niet rechtstreeks kennis kunnen nemen.

In dit verband wil ik meedelen dat het bezoek aan Semmerzake, waar dergelijke informatie aanwezig zou kunnen zijn, niet is doorgegaan. Waar ligt de ministeriële verantwoordelijkheid wanneer het gaat om operaties in het raam van de bijgevoegde protocollen van de NAVO? In welke mate is de regering ingelicht? Is er verantwoording mogelijk tegenover het parlement?

De echte sleutel om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit effectief te laten verlopen, is samenwerking. Er moet een samenwerking zijn tussen de Europese geheime diensten en de politiediensten en in een aangepast justitieel kader. Daarvoor moeten meer middelen ter beschikking worden gesteld, ook door de Belgische regering. Samenwerking vereist immers een minimum aan geloofwaardigheid en minimale budgettaire inspanningen. Als men samenwerking aanbiedt en men wil op internationaal vlak au sérieux worden genomen, dan moet men extra inspanningen doen op het vlak van militaire en politiële uitgaven. Samenwerking betekent ook coherentie. Men kan enerzijds niet voortdurend zeggen voor samenwerking te zijn en anderzijds in de feiten een geïsoleerd optreden van bevriende landen vaststellen. Ik verwijs opnieuw naar de operatie SWIFT.

Het is niet mijn bedoeling om aan partijpolitiek te doen, maar men heeft vele jaren gezegd dat het bestaan van de Senaat het Belgische probleem is. Dat is natuurlijk een onjuist uitgangspunt. Men kan zich wel afvragen op welke wijze men een parlementaire democratie in nieuwe omstandigheden hervormt. We leven vandaag in een samenleving van onbalansen. Er zijn onbalansen tussen de machten. De uitvoerende macht is veel te sterk in vergelijking met de wetgevende macht. De rechterlijke macht komt wegens de aard der dingen automatisch te laat en beschikt niet altijd over voldoende middelen. De rechterlijke macht is in ons land anders dan in andere landen. Ze is niet in staat om de constitutionele rechten van de volksvertegenwoordigers of senatoren te handhaven. Er is ook een onevenwicht tussen de politiek en de samenleving; om allerlei redenen die te maken hebben met geloofwaardigheid en vertrouwen. Alle peilingen tonen aan dat we daar oog moeten voor hebben. Er is ook een onevenwicht dat te maken heeft met de buitenlandse omstandigheden, de internationale politieke situatie en de globalisering, die een invloed heeft op onze maatschappelijke verhoudingen. Al deze vaststellingen zouden in het parlement op een aangepaste wijze moeten worden verwoord en vertolkt. Het parlementaire debat is afgeschaft, het bestaat niet meer, las ik onlangs. Welnu, als het parlementaire debat niet meer bestaat, bestaat er ook geen parlement. De debatten worden op de televisie gevoerd, niet in het parlement. Men weet blijkbaar niet meer wat een politiek debat is, wat de functie is van het parlement, waarom in het parlement moet worden gedebatteerd, ook al is het voor lege zetels. De democratische functie is een minimum aan institutionele rationaliteit in die maatschappelijke verhoudingen; de maatschappelijke verhoudingen in alle incidenten van het leven telkens weer juist te kunnen ijken in een bepaald kader. Dat kan enkel onder de voorwaarden die historisch hun betekenis hebben bewezen en dat is het parlement. Het parlement is historisch ontstaan om de fundamentele rechten en de vrijheden van de burgers - The Bill of Rights - te beschermen tegen de uitvoerende macht.

Een parlementaire hervorming biedt veel mogelijkheden. Er is een overbevraging van de rechterlijke macht, omdat vele burgers menen dat hun rechten zijn geschonden.

Het parlement moet zich buigen over de vraag hoe we de historische taak van het parlement om de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers te beschermen, kunnen herstellen. Zoals de Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft aangetoond, is het mogelijk om met aangepaste parlementaire instrumenten greep te krijgen op de concrete controle en naleving van fundamentele rechten en plichten van de burgers, zonder dat dit verwordt tot een gehakketak of een louter partijpolitieke strijd. Hoewel er over de bescherming van die fundamentele rechten en vrijheden verschillende opvattingen kunnen bestaan, is die bescherming een basistaak van het parlement die de klassieke tegenstellingen enigszins moet overstijgen. Zoals er een Comité I bestaat, zou er in de Senaat een Comité N moeten bestaan, belast met de observatie van de naleving van de mensenrechten door de overheid. In de praktijk worden er wel allerlei organisaties opgericht die voortdurend tussenbeide komen in mensenrechtendebatten in de maatschappij en die andere burgers met de vinger wijzen. De eerste taak van het parlement is echter om na te gaan of en in welke mate de overheid de fundamentele rechten en vrijheden respecteert. De controle hierop gebeurt vandaag te weinig en is niet effectief. Het parlement moet zich over deze kwestie buigen. Waarschijnlijk kan dit niet meer tijdens deze legislatuur en moeten we dat na de verkiezingen opnieuw bekijken. Persoonlijk vond ik het belangrijk om mijn uiteenzetting met deze algemene beschouwing te beëindigen. Men kan dit verslag afdoen als een zoveelste verslag naast vele andere, maar wanneer men verder kijkt dan de gedrukte tekst, dan kan men ook de horizon zien van de politieke mogelijkheden die dit biedt voor een parlementaire democratie.

(Algemeen applaus)

Mevrouw Christine Defraigne (MR), corapporteur. - Onze commissie is pro-actief en vastberaden te werk gegaan en heeft, zoals de heer Vandenberghe zonet zei, steeds geprobeerd een volwaardige invulling te geven aan de rol van het parlement.

Ik dank onze voorzitster die de werkzaamheden heeft geleid. We delen met haar de vaste wil om onze redenering door te trekken. Dat is gebleken in alle dossiers die we behandeld hebben.

We kunnen onze taak het best volbrengen door hoogte te nemen van de situatie.

In het dossier van de CIA-vluchten hebben we een aantal dezelfde constanten teruggevonden als in het EPSI-dossier. Dat dreigt ook zo te zijn in het Zwitserse dossier waarover we een onderzoek gevraagd hebben.

Sommige persartikelen maken gewag van CIA-vluchten voor het transport van gevangenen met het oog op hun verhoor.

Het Europees parlement en de Raad van Europa onderzoeken de zaak. In de Raad van Europa werd vorige dinsdag een ongewoon debat gehouden. Aan de lidstaten werd gevraagd of die vluchten echt hebben plaatsgevonden en of men er moest van uitgaan dat er in sommige lidstaten detentiecentra zijn geweest.

In december 2005 verzocht onze voorzitster het Comité I het bestaan van die vluchten te onderzoeken. Waren onze diensten daarvan op de hoogte, hebben ze daaraan meegewerkt en zo ja, in welke mate?

Het Comité I bracht een eerste verslag uit. Men kan het Comité dus geen passiviteit ten laste leggen. In dat eerste verslag werd meteen gewezen op de grenzen van de parlementaire controle en worden we ertoe aangezet om bijkomende vragen te stellen. Vandaag gaat het niet zozeer meer over die vluchten, maar willen we vooral reflecteren over de parlementaire controle op de inlichtingendiensten. Moet de wet van 18 juli 1991 en die van 1998 worden gewijzigd? Ons antwoord is positief. Hoe werkt onze rechtsorde? Passen we onze eigen nationale en internationale rechtsregels correct toe? Hoe staat het met de naleving van de grondrechten van de burgers?

Onze vier vaststellingen hebben te maken met het gebrek aan nieuwsgierigheid en belangstelling van onze inlichtingendiensten en hun ontwijkende en misleidende antwoorden op onze vragen.

Onze inlichtingendiensten hebben de wettelijke opdracht om onze rechtsorde te handhaven en de grondrechten te waarborgen. We hebben gedebatteerd over de vraag of de ADIV hiervoor bevoegd was. Het antwoord is positief. Vandaag is die vraag niet enkel juridisch, maar ook politiek. Waarom werd ons de toegang tot de installaties van Semmerzake geweigerd als daar niets te verbergen viel? Het is menselijk om zich daarbij vragen te stellen.

De heer Vandenberghe heeft al uitstekend verslag uitgebracht over onze werkzaamheden. Daarom zal ik me tot enkel punten beperken.

Het Comité I moet dus niet zozeer meer uitzoeken of de vluchten hebben plaatsgevonden, dan wel de werking van onze inlichtingendiensten evalueren. Wat is hun bevoegdheid met betrekking tot de opdachten die hen zijn toevertrouwd door de organieke wet van 1998?

Het is hun taak inlichtingen met betrekking tot een bestaande of potentiële bedreiging van de inwendige veiligheid van de Staat op te zoeken, te analyseren en te verwerken en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde te waarborgen. Dat geldt zeker voor de Veiligheid van de Staat, maar ook de ADIV moet instaan voor de bescherming en het leven van de bevolking. De bevoegdheid van de Veiligheid van de Staat werd nooit in twijfel getrokken. De ADIV lijkt de vraag of het wel ging om een bedreiging voor de bevolking als voorwendsel te hebben aangegrepen.

Krachtens artikel 2, tweede lid van de organieke wet is de ADIV bevoegd, aangezien hij moet zorgen voor de naleving van en bijdragen tot de bescherming van onze individuele rechten en vrijheden, alsook tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij. Daaruit vloeit een verplichting tot samenwerking voort tussen de inlichtingendiensten, de administratie, de politie en de buitenlandse inlichtingendiensten. Het antwoord is dus niet louter juridisch, maar ook praktisch en bijgevolg politiek. Voor onze inlichtingendiensten, die vinden dat het toezicht op de activiteiten van geallieerde diensten niet tot hun `core business' behoort, is de Echelonzaak symbolisch.

Onze diensten zijn dus van mening dat het toezicht op de activiteiten van een buitenlandse inlichtingendienst op ons grondgebied niet tot hun takenpakket behoort, tenzij het zou gaan om spionage of inmenging. Welnu, in het geval van de CIA-vluchten gaat het om geen van beide.

Dit argument zal alvast niet opgaan in het SWIFT-dossier, waar er volgens mij toch sprake is van economische of industriële spionage in de ruime zin. De inlichtingendiensten zullen zich dan niet kunnen verschuilen achter een boodschap als: `Laat onze vrienden van de CIA met rust, want we moeten nog met hen samenwerken.'

Daarom hebben we een eerste aanbeveling gedaan die ertoe strekt de wettelijke opdrachten van onze inlichtingendiensten uit te breiden tot het toezicht op de activiteiten van de buitenlandse inlichtingendiensten op het nationale grondgebied.

Ik sluit mij aan bij het pleidooi van de heer Vandenberghe over de rol van het parlement. Hij heeft terecht opgemerkt dat we over de partijgrenzen heen hebben samengewerkt aan dit verslag. Niets belet ons vóór het einde van deze regeerperiode een tekst in de dienen om de wijziging voor te stellen van de wet van 30 november 1998. Sommigen zullen tegenwerpen dat dat gemakkelijk is op papier. Dat klopt niet altijd, maar we kunnen wel verwachten dat men ons een cultuur van geheimhouding verwijt, van geven en nemen waarbij men ervoor waakt zijn partners vliegen af te vangen om de samenwerking niet in her gedrang te brengen. Bovendien, zo blijkt al uit het SWIFT-dossier, stellen onze inlichtingendiensten zich defensief op. Hun opdracht is beschermend, zeggen ze, en niet offensief. De buitenlandse diensten, ook van geallieerden, zijn echter veel strijdlustiger en offensiever en beschikken over andere middelen ...

Op dergelijke argumenten past een a fortiori reactie. In 15 jaar tijd is de wereld veranderd en moeten we nu het hoofd bieden aan een andere bedreiging. Dat er naast ons mensen meer offensief tewerk gaan is een goede reden om ons door hen te laten inspireren. Er is nood aan een meer dynamische aanpak.

De voorgestelde wijziging zal zeker stuiten op de tegenwerping dat het om geclassificeerde documenten gaat, maar toch moeten we het proberen. We moeten ook de rol van het Comité I onderzoeken.

Het Comité kan onze inlichtingendiensten ondervragen, en meer proberen te weten te komen over aanverwante autoriteiten, maar is men wel verplicht om te antwoorden? Op een zeker ogenblik kan men tot de vaststelling komen dat men vastzit, dat men een grens heeft bereikt die niet kan overschreden worden.

Onze inlichtingendiensten zijn wettelijk verplicht om te antwoorden maar ze zijn soms nogal onwillig. In deze materie komen twee tendensen met elkaar in botsing: de vereiste van controle en transparantie en de neiging tot geheimhouding of minstens tot discretie. In welke mate zijn de aanverwante instellingen verplicht tot antwoorden, in dit geval bijvoorbeeld, Belgocontrol?

In dat verband rijzen verschillende vragen: welke instelling beschikt over de informatie? Aan wie wordt ze gerapporteerd: aan een politieke, administratieve of zuiver militaire autoriteit?

Iemand vroeg me of ons werk niet frustrerend is. Als men moeilijkheden vaststelt, is het identificeren van het probleem en het stellen van de juiste vragen al een begin van antwoord. In voorliggend geval mondde dit uit in de formulering van de aanbevelingen die de heer Vandenberghe verwoordde. Die zullen leiden tot een verscherping van de controle.

Het ontbreken van een kader en de formele verplichting om te antwoorden verklaart waarom de inlichtingendiensten ongemakkelijk reageerden op het onderzoek. De reactie van de CIA op de vragen van onze Veiligheid van de Staat is in dat verband zeer verhelderend: ze wensten geen bemoeienissen. Dat lokte bij onze inlichtingendiensten dan weer een beschermende reactie ten aanzien van de geallieerde inlichtingendienst uit. We willen deze vicieuze cirkel doorbreken.

De parlementaire controle op de Belgische inlichtingendiensten komt tegemoet aan een aanbeveling van het tussentijds verslag van de onderzoekscommissie van het Europees Parlement. De regels met betrekking tot de werking van de inlichtingendiensten zijn niet meer aangepast, ze zijn noodzakelijk, maar onvoldoende.

We denken dat er dringend nationale en Europese wetswijzigingen nodig zijn. Op Europees niveau lijkt het wel een kolossale opdracht. Iedereen is het erover eens dat het terrorisme zowel op nationaal, op Europees als op internationaal niveau kordaat moet worden aangepakt. Maar het doel heiligt niet alle middelen en inzake de bescherming van grondrechten moet de nationale en internationale rechtsorde ongeschonden blijven. De toepassing van het internationaal recht is ondeelbaar. We hebben ons ertoe verbonden die regels integraal toe te passen. Het EVRM en andere conventies zoals het verdrag dat foltering verbiedt, vormen de basis van ons Europese eergevoel. We kunnen daarop geen uitzondering omwille van andere concepten dulden, zoals het recht op restitutie, ook al is het beoogde doel lovenswaardig.

We mogen niet in de kaart spelen van wie afbreuk wil doen aan ons sociaal stelsel, onze ethische waarden en onze rechtsorde.

Indien wij willen inleveren op onze eigen juridische orde, geven wij krediet aan al degenen die ons willen verzwakken en onze democratieën willen vernietigen.

Iedereen is zich goed bewust van de noodzaak om op Europees niveau tegen het terrorisme te strijden, maar de idee van een Europese inlichtingendienst wordt automatisch van tafel geveegd omdat het als utopisch en illusoir wordt beschouwd.

Sinds de Europese Grondwet werd verworpen, kent de Europese constructie problemen, vertragingen, in sommige opzichten zelfs dwalingen. Iedereen is het erover eens dat er nood is aan een Europees buitenlands beleid en een Europees ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor mij hangt dat, in het kader van de Europese justitiële samenwerking, samen met de constructie van een Europese inlichtingendienst. Dat is niet louter een illusie, theoretisch of utopisch.

Het debat in de Raad van Europa van vorige week heeft aangetoond dat die idee school begint te maken en meer en meer als fundamenteel wordt ervaren en als een voorwaarde om efficiënte en pragmatische resultaten te bereiken die onze eigenheid, als Europeanen die bepaalde waarden aankleven, beschermen.

Eén van de aanbevelingen vraagt een betere controle op de geallieerde inlichtingendiensten en procedures om dat mogelijk te maken. De wettelijke bevoegdheid van het Comité R zou eveneens moeten worden uitgebreid om het in de mogelijkheid te stellen nuttige informatie in te winnen bij verschillende overheden.

Het derde deel van ons werk betrof het respect voor de universele menselijke waardigheid en de fundamentele rechten die door het internationaal recht en door ons eigen intern recht worden gegarandeerd. We kunnen nooit genoeg het primaat van het recht benadrukken. Dat moet altijd de leidraad van ons werk zijn.

Als men me vraagt of de CIA-vluchten werkelijk hebben plaatsgevonden, moet ik, zoals Jean Gabin, antwoorden: `al wat ik weet, is dat ik niets weet'. Dat is misschien een frustrerend antwoord. Indien ik voor een rechtbank zou staan, zou ik vrijspraak wegens gebrek aan bewijs kunnen pleiten. Er bestaan inderdaad grijze zones. We kunnen met zekerheid zeggen dat er op ons grondgebied geen illegale detentiecentra zijn geweest, maar over de vluchten blijven vragen bestaan. Ik hoed me er dus voor om, in alle objectiviteit, ja of neen te antwoorden op de vraag of er CIA-vluchten zijn geweest.

Het minste dat we kunnen zeggen is dat we geen onnuttig werk hebben geleverd. Door de problemen te identificeren en een diagnose te stellen, maken we de weg vrij voor niet louter theoretische, maar legale oplossingen. Die oplossingen vereisen een aanpassing van de wetgeving en hun toepassing in het kader van een alomvattende strijd tegen de terroristische dreiging. Die is in de loop van de jaren van aangezicht veranderd. Dat vereist dat we onze middelen aanpassen en dat veronderstelt een echte politieke wil daartoe.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Er moeten enkele kanttekeningen worden gemaakt bij het belangrijke verslag dat we vandaag bespreken. Een eerste opmerking heeft betrekking op de werkzaamheden op Europees niveau, in het bijzonder in de parlementaire assemblee van de Raad van Europa. België wordt zeker niet vermeld bij de staten waarvan schendingen van de mensenrechten konden worden bewezen, maar het onderzoek is niet afgelopen. De werkzaamheden van het Europees Parlement wijzen er evenwel op dat vliegtuigen van de Amerikaanse geheime diensten tussen 2002 en 2006 verschillende keren op Belgische luchthavens, namelijk Deurne of Zaventem, kunnen zijn geland.

De belangrijke en in de eerste plaats juridische vraag is de vraag naar de medeplichtigheid. Een staat die een bepaalde persoon op een bepaald grondgebied grijpt om hem over te brengen naar een ander grondgebied, maakt zich duidelijk schuldig aan een illegale praktijk. De andere staten die hun luchthavens ter beschikking stellen voor geheime vluchten en waarvan de diensten inlichtingen verschaffen aan de buitenlandse diensten, zijn in feite medeplichtig aan die illegale praktijken.

Ik zal twee kanttekeningen maken over de aanbevelingen van de begeleidingscommissie.

Wat de eerste aanbeveling betreft, stellen we telkens vast dat het toezicht niet adequaat is. Het toezicht gebeurt laattijdig, als het kwaad al is geschied. We zijn dus steeds een stap achterop. De vraag die de heer Vandenberghe daarnet stelde, namelijk hoe het parlement een aantal handelingen en interventies - en ik zou er bijna aan toevoegen `tijdig' - kan controleren, is uiteraard essentieel aangezien die vraag onze rol en zelfs ons bestaan op het spel zet.

Wat de vierde en de zesde aanbeveling betreft, moeten we onze partners herinneren aan de regels van de medeplichtigheid, in het bijzonder de partners van de Europese Unie en van de Raad van Europa. We moeten hen eraan herinneren dat wie meewerkt aan dergelijke overtredingen juridisch gezien verantwoordelijk is. Ik zou zelfs verder gaan: we moeten niet enkel de anderen eraan herinneren, maar misschien ook onszelf en de Belgische autoriteiten, dat medeplichtigheid vanuit dat standpunt eveneens laakbaar is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil me eerst richten tot de leden van de begeleidingscommissie. Nu ik de sprekers heb gehoord, zou ik willen zeggen: als u echt gefrustreerd bent, stop dan met vergaderen. Als u blijft vergaderen met dat gevoel van frustratie, dient de commissie alleen maar om de schijn op te houden. Er is niets erger dan de illusie te hebben te controleren als er geen echte controle is. Die gedachte kwam ook bij me op toen ik het verslag las. U hebt zich evenwel niet volledig neergelegd bij deze frustratie aangezien er bij de aanbevelingen enkele items staan die verandering moeten brengen. Als u echt het gevoel hebt als alibi te dienen, stop dan met vergaderen want anders geeft u de indruk te aanvaarden dat de commissie er alleen maar is voor de schijn. Dat zou erop neerkomen dat u zichzelf illusies maakt en dat de illusies van de leden van deze assemblee in stand worden gehouden.

U weet dat de begeleidingscommissie op een bijzondere manier is samengesteld. Als lid van deze assemblee ontvangen we de informatie die de leden van deze commissie verstrekken, maar kunnen we niet deelnemen aan haar werkzaamheden. Het wezenlijke probleem, met name de betrekkingen tussen de inlichtingendiensten van de geallieerde staten, is niet nieuw. Ten tijde van de onderzoekscommissie over Rwanda hebben we alle mogelijke informatie gekregen van de departementen Landsverdediging en Buitenlandse zaken. Toen we Landsverdediging evenwel naar informatie vroegen die eventueel afkomstig was van buitenlandse diensten, kregen we het antwoord dat niet op ons verzoek kon worden ingaan. Het motief dat werd ingeroepen was niet dat bevriende diensten niet worden gecontroleerd, maar wel dat de samenwerking met de bevriende buitenlandse diensten onmogelijk zou worden als de vertrouwelijkheid van de inlichtingen die deze diensten verzamelen, ook al is het maar gedeeltelijk, kan worden opgeheven.

We moeten ons op een ander moment over dat probleem buigen, niet wanneer zich incidenten voordoen. Er doen zich steeds nieuwe incidenten voor: CIA-vluchten voor het illegaal transport van gevangenen, overplaatsingen naar landen waar gefolterd wordt, het SWIFT-probleem.

We kunnen niet aanvaarden dat buitenlandse geheime diensten op Belgisch grondgebied werken zonder enige mogelijke controle en buiten medeweten van de Belgische autoriteiten. De strijd tegen het terrorisme en de preventie ervan is een volkomen legitieme doelstelling, maar de inzameling van inlichtingen op zeer grote schaal gaat de informatiedoelstelling van de buitenlandse diensten te buiten.

Ik zal het niet hebben over het Echelonprobleem, dat een schandaal heeft veroorzaakt in België, maar doordat zich steeds nieuwe schandalen voordoen, namelijk interventies van buitenlandse diensten op Belgisch grondgebied, treedt een zekere gewenning op. Persoonlijk denk ik dat zulke interventies niet als alledaags mogen worden voorgesteld, maar dat we iedereen erop moeten wijzen dat het respecteren van de regels inzake gegevensuitwisseling tussen geallieerde staten onontbeerlijk is en dat het eerbiedigen van de mensenrechten een conditio sine qua non is voor harmonieuze relaties.

Ik kom tot de aanbevelingen. Ik zal niet meer ingaan op de eerste aanbeveling, die handelt over de reden van de frustratie bij de leden van de begeleidingscommissie. Ook de leden van het Comité I blijken zich gefrustreerd te voelen, wat misschien nog erger is.

Een debat tussen de uitvoerende macht en het parlement is meer dan noodzakelijk. We moeten ons bezinnen over de bevoegdheden van de uitvoerende macht en over het parlementaire toezicht a priori, a posteriori of in real time op wat er zich op het Belgische grondgebied afspeelt.

De tweede aanbeveling heeft betrekking op de noodzaak van een echt Europees inlichtingenbeleid dat kadert in een buitenlands beleid van de Europese Unie.

Dikwijls wordt een samenwerking op poten gezet zonder dat er een Europees juridisch kader aanwezig is dat de bescherming van de individuele rechten en vrijheden garandeert.

Elke gewenste vooruitgang op Europees niveau die als resultaat zou hebben dat er een gegevensuitwisseling tussen de diensten wordt georganiseerd zonder dat een Europese wetgeving wordt ingevoerd, is een vlucht naar voren. Dat systeem dreigt te leiden tot een drastische vermindering van de individuele vrijheden en tot een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de Europese burgers.

De derde aanbeveling betreft het toezichtsgebied. Het is wenselijk over aanvullende inlichtingen te beschikken zodat het comité I en de begeleidingscommissie kunnen onderzoeken of het noodzakelijk is andere instanties dan de inlichtingendiensten te controleren.

Betekent dit dat het mogelijk zal zijn alle structuren die inlichtingen verschaffen aan de inlichtingendiensten te controleren?

Ik kan me inbeelden dat de aanbeveling geen betrekking heeft op de analysedienst die binnenkort zal worden geïnstalleerd. Onze assemblee is inderdaad tot de conclusie gekomen dat de inlichtingendiensten moeten worden gecontroleerd maar dat de analysedienst niet als dusdanig moet worden gecontroleerd.

Tot hoever reikt echter de opdracht van comité I en van de begeleidingscommissie? Zal deze worden belast met de controle van alle inlichtingendiensten en van alle diensten die hen inlichtingen verschaffen?

De vierde aanbeveling betreft het toezicht op alle vluchten boven ons grondgebied, zowel burgerlijke als militaire. Ik heb in het verslag van de begeleidingscommissie gelezen dat er enkele bevoegdheidsconflicten waren in verband met dat toezicht en dat het anderzijds voor het comité I niet mogelijk was echt alle vluchten te controleren. Dat is onaanvaardbaar.

De vijfde aanbeveling heeft betrekking op de strategie die moet worden gevolgd om de dreiging van het terrorisme het hoofd te bieden, daarbij steunend op instrumenten die aan de fundamentele beginselen beantwoorden van ons gemeenschappelijk erfgoed inzake democratie, eerbied voor de mensenrechten en primaat van het recht. Misschien is er op dit punt ook een vlucht naar voren, maar dan op een andere manier. Het is al zeer ingewikkeld om binnen de Europese Unie een gemeenschappelijk kader uit te werken voor de mededeling van inlichtingen met de nodige juridische bescherming. Denkt men echt dat dit mogelijk zal zijn in de Raad van Europa? Die heeft een zeer ruime samenstelling en de waarborgen die zijn leden kunnen bieden, zijn toch kleiner dan die van de landen van de Europese Unie. We erkennen de rol van de Raad van Europa, maar ik pleit ervoor dat wij ons toespitsen het realiseren van samenwerking en van een juridisch kader op het niveau van de Europese Unie en haar 25 lidstaten.

De zesde aanbeveling beoogt de vervolging van overtredingen en de opheldering ervan, met eerbied voor de mensenrechten. Het is zeer positief dat dit element werd onderstreept.

In de zevende aanbeveling wordt de regering aangemoedigd door te gaan met haar inspanningen om een Europees veiligheidsbeleid waarin een Europese inlichtingendienst thuishoort, te bevorderen. Dat kan lijken op een herhaling van de vorige aanbeveling, maar ze is preciezer. De oprichting van een Europese inlichtingendienst moet gebeuren binnen een strikt juridisch kader dat het mogelijk maakt de dreigingen tegen alle landen van de Europese Unie en tegen ons land in het bijzonder, te verhinderen, maar dat tezelfdertijd de bescherming van de vrijheid en de persoonlijke levenssfeer van elke Europese burger verzekert.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De heer Mahoux heeft zijn gevoelens van frustratie te kennen gegeven. Het is zeer aangenaam over gevoelens te spreken in een debat over de CIA-vluchten.

Wanneer we het rapport hebben opgesteld, hebben we enkel vaststellingen gemaakt. We botsen op regels en de grenzen van de mogelijkheden. We kunnen ons echter niet blijvend laten leiden door frustraties die zeker niet de onze waren.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Ik bedank de diensten van de Senaat, die ervoor gezorgd hebben dat wij gisterenmiddag het rapport kregen. Ik had ook al andere bronnen geraadpleegd om te weten te komen wat erin stond en wat daaromtrent allemaal is gebeurd.

Op pagina 67 van het rapport staat een belangrijke zin: `Sedert het Comité I het Echelonrapport heeft uitgebracht, is bekend dat de Belgische inlichtingendiensten - met inachtneming van een norm die specifiek is voor de wereld van de inlichtingendiensten - de activiteiten van bevriende diensten niet als een doelwit beschouwen. Wat gold voor de Echelonzaak lijkt eveneens van toepassing te zijn op de CIA-vluchten, zowel op het niveau van de Belgische inlichtingendiensten als op dat van de andere Europese inlichtingendiensten.' Waarschijnlijk wordt daarmee bedoeld dat sinds het Echelonrapport een aantal buitenlandse diensten de perikelen van het Comité I beter is gaan inschatten en er reserves zijn gegroeid tegenover het Comité I. Die reserve geldt trouwens voor elk parlementair controleorgaan overal ter wereld, maar is bij ons nog groter omdat het Comité I op basis van partijvoorkeur is samengesteld. Het Comité I is evenmin als de begeleidingscommissie democratisch samengesteld. Iedere buitenlandse dienst weet dat het om een clubje van een beperkt aantal mensen gaat, samengesteld op basis van de politieke aanhorigheid van de leden. Die leden verbergen dat trouwens niet in hun contacten met de buitenlandse diensten.

Dat is van groot belang omdat in de besluiten van het rapport het Comité een duidelijke, maar naïeve poging doet om zijn bevoegdheid uit te breiden. Als we terugkeren naar de essentie van de wet van 1993 op de controle op de politie- en inlichtingendiensten, zien we dat deze poging tot machtsuitbreiding een totale miskleun is. Het Comité I vergrijpt zich aan de idee van één externe controle en aan het verschil tussen een controledienst en de inlichtingen- en politiediensten zelf. In de aanbevelingen worden aan het Comité I zaken opgedragen die niet de taak zijn van het comité, maar van de inlichtingendiensten zelf, desnoods onder leiding van de nieuwe dienst CODA, die de regering nu wil oprichten en waarvan de chef nu al in beperkte kring bekend is. Indien die opdrachten aan het Comité I worden gegeven, moeten we morgen een nieuw comité oprichten om het Comité I te controleren. Het Comité I gaat dan immers inlichtingenwerk doen in plaats van te controleren.

De kern van de zaak is dat de VS, een NAVO-partner van België die in oorlog is met Afghanistan, van de luchthaven van Deurne en van andere luchthavens in België gebruik zou hebben gemaakt om gevangenen te vervoeren. Het gaat niet over de manier waarop die gevangenen behandeld werden, want dat staat in een ander recent verslag. Het gaat louter en alleen om het vervoer van die gevangenen. In het verslag staat dat de Belgische inlichtingendiensten daarvan op de hoogte hadden moeten zijn. Dat lijkt mij vergezocht, want als we die redenering doortrekken dan zou een procureur des Konings bijvoorbeeld ook moeten weten welke gevangenen over het grondgebied van zijn gerechtelijk arrondissement worden vervoerd. Politiek gezien klinkt dat echter wel goed.

De eerste aanbeveling is een foute aanbeveling. De begeleidingscommissie beveelt de inlichtingendiensten aan een politieactiviteit uit te voeren. Volgens de aanbeveling moet de opdracht van de inlichtingendiensten worden uitgebreid tot het toezicht op elke activiteit van buitenlandse inlichtingendiensten op het Belgische grondgebied. Dat maakt nu al deel uit van het subjectief verzamelen van gegevens. Dat maakt ook deel uit van de dreigingsanalyse, die nu bij de AGG is weggenomen en overgebracht naar het CODA. Als buitenlandse inlichtingendiensten een bedreiging vormen, dan moet dat worden geanalyseerd. Als die inlichtingendiensten echter de wet overtreden, dan moeten niet de Belgische inlichtingendiensten optreden, maar wel de politie.

Ik wijs op een ander probleem. De meeste agenten van de inlichtingendiensten hebben een diplomatiek statuut. Ik wens de overheid dus succes met het controleren van de activiteiten van die diplomaten. We kunnen immers het doen en laten van een veroordeelde terroriste nog niet controleren.

In de tweede aanbeveling steunt de begeleidingscommissie in modieuze bewoordingen de initiatieven van de regering voor een volwaardig Europees inlichtingenbeleid dat kadert in een gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Europese Unie.

Als men de geschiedenis van alle inlichtingendiensten in democratieën bekijkt, blijkt dat die steeds rapporteren aan de uitvoerende macht. Inlichtingendiensten houden zich niet bezig met normbevestiging; maar met het verzamelen van inlichtingen voor politieke beleidsvoerders. Welnu, hoe kan men een Europees inlichtingenbeleid gaan voeren, zelfs indien men met de 25 EU-lidstaten tot een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid zou komen, indien in Europa geen echte democratisch verkozen uitvoerende macht is? Met een officiële Europese inlichtingendienst krijgen de Europese Commissie en vooral de ambtenaren van die Commissie nog een veel grotere macht dan ze nu al hebben. Het Europees Parlement zal zo'n dienst nog veel minder kunnen controleren dan wij nu de Belgische inlichtingendiensten kunnen controleren.

Met de derde aanbeveling probeert het Comité I zijn activiteiten uit te breiden. Het doet me denken aan de heroïsche discussie tussen de toenmalige voorzitster van het Comité I, Véronique Paulus de Châtelet, en de voorzitter van het Comité P, Freddy Troch, over de vraag of het Comité I de inlichtingen die de politie verzamelde, mocht controleren. Dat kon natuurlijk niet, maar het was ook een poging van het Comité I om zijn macht uit te breiden. Nu wil het Comité I zijn bevoegdheid weer uitbreiden om toezicht te kunnen uitoefenen op alle instellingen die mogelijk nuttige informatie kunnen verschaffen zowel over de werking van de eigen inlichtingendiensten als over de activiteiten van de buitenlandse inlichtingendiensten op ons grondgebied. Weet u wel wat dat betekent? Het is democratisch ongehoord om een dergelijke macht te verlenen aan drie politiek benoemde heren. Dit is een voorstel dat misschien past in een dictatuur, maar helemaal niet in een modern politie- en inlichtingenbeleid.

De heer Mahoux zei daarnet dat de heer Vandenberghe wel gefrustreerd moet zijn. Volgens een bepaalde krant die 's morgens verschijnt, is men eerst verzuurd, dan verkrampt en dan pas gefrustreerd. Ik heb de heer Vandenberghe nog niet eens verzuurd of verkrampt geweten, laat staan dat hij het stadium van de frustratie zou bereikt hebben. Het zal dus wel een subjectieve benadering zijn.

Alle initiatieven die over samenwerking met EU-landen gaan, zouden naar mijn gevoel precies moeten gaan over de samenwerking tussen de inlichtingendiensten van die landen en de samenwerking inzake controle op de inlichtingendiensten in al die landen. Dat is de enige mogelijkheid. Nu spant men evenwel de kar vóór het paard. Zolang er geen Europese uitvoerende macht is, houdt het creëren van elke Europese dienst een gevaar in.

Dat is het grote drama van Europol. Telkens het operationeel wil optreden, botst het met de uitvoerende machten in de verschillende landen. Dat dreigt ook te gebeuren met de nieuwe dienst als men er niet eerst voor zorgt dat er een uitvoerende macht is met een sterke parlementaire controle op de inlichtingendiensten. Dat een dergelijk controle bijzonder moeilijk is, merken we dagelijks in het Parlement en in de Senaat.

De lidstaten van de EU en van de Raad van Europa zijn juridisch verantwoordelijk voor de fundamentele rechten van hun onderdanen. Ze zijn niet alleen verantwoordelijk voor hun onderdanen, maar voor alle mensen. Als Vlaanderen onafhankelijk zou worden, maar niet toegelaten wordt tot de Raad van Europa, moeten de rechten van de Vlamingen toch ook gewaarborgd worden, ook al is hun soevereine staat geen lid van de Raad. De tekst moet in dit opzicht worden gewijzigd. De wet tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten bepaalt immers dat het toezicht ervoor moet zorgen dat de diensten hun plaats in de democratie behouden. Ook op Europees vlak is dat nodig.

Ik ben het wel eens met de aanbeveling waarin de regering wordt aangemoedigd haar inspanningen om te komen tot een daadwerkelijk Europees veiligheidsbeleid op te drijven, maar de aanbeveling voegt eraan toe: `waarin een Europese inlichtingendienst een plaats heeft'. Pas wanneer er een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, een uitvoerende macht en een controle is, kan men in een democratie aan een inlichtingendienst denken.

Ik vind het rapport wat ontgoochelend. Dat kan moeilijk anders, rekening houdend met de samenstelling van het Comité I, met de beperkte mogelijkheden van de begeleidingscommissie en vooral met het onderwerp zelf.

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Als voorzitter van de begeleidingscommissie van het Comité I ben ik zo vrij geweest een beroep te doen op deze speciale procedure die mij de gelegenheid biedt mij tot u te richten over de grond van de zaak. Ik vind inderdaad dat de Senaat vaak heel belangrijke dossiers behandelt. In dit dossier raakt onze begeleidingscommissie aan de kern van een van de belangrijkste thema's voor de democratie in het algemeen en in dit land in het bijzonder.

Ik wens eerst te onderstrepen dat deze commissie en het Comité I uitstekend werk leveren. De geheimhouding werd maandenlang gerespecteerd. Ik feliciteer dan ook alle commissieleden, want we weten dat de verleiding soms groot is.

Gisteren hebben we binnen de OVSE een tekst goedgekeurd die voorstelt het parlementair toezicht op de politie- en inlichtingendiensten te veralgemenen, waardoor tegelijk het nut ervan wordt onderstreept. Onze wet van 1998 zal model staan voor de vele OVSE-landen waar de parlementen nog geen dergelijk toezicht uitoefenen. Zo heeft de heer Mironov ons tijdens zijn bezoek aan de Senaat om die wettekst gevraagd en werkt de Doema op dit ogenblik aan een gelijkaardige tekst.

Zoals de heer Mahoux daarnet terecht zei, zijn ook de onderzoekscommissies goede instrumenten. In tegenstelling tot een onderzoekscommissie oefent de parlementaire begeleidingscommissie een bestendig toezicht uit. In de zaak Beslan, een van de grote terrorismedossiers in Rusland, kon de voorzitter van de onderzoekscommissie niet de nodige informatie krijgen omdat er geen wet bestaat die een permanent toezicht organiseert.

In verband nu met de CIA-vluchten, ben ik als commissievoorzitter trots op de conclusies van het verslag zoals ze door de twee rapporteurs werden toegelicht. Een beter parlementair toezicht op de activiteiten van zowel de buitenlandse als de Belgische overheidsdiensten die over informatie beschikken, zoals de douane, sommige diensten van de federale politie en van de luchtmacht, is essentieel. Bepaald moet worden over wie toezicht moet worden uitgeoefend en waar het debat moet worden gevoerd. De heer Coveliers heeft gelijk als hij zegt dat de commissie geen parlementaire dienst mag worden die sterker is dan de uitvoerende macht, maar er moet alleszins toezicht worden uitgeoefend.

In het voorliggende dossier heeft de Staatsveiligheid eerst geaarzeld, maar zij heeft daarna goed meegewerkt aan een tweede rapport dat bijzonder precies was. De ADIV heeft aangetoond dat er grenzen zijn die niet mogen worden overschreden, maar hij heeft niettemin meegewerkt. Wij hebben beslist ons rapport in te dienen ondanks het feit dat we geen bezoek hebben kunnen brengen aan het Air Traffic Control Centre. Nochtans hadden onze diensten samen met de ADIV dat bezoek zeer nauwgezet voorbereid. Uw voorzitter neem deze zaak zeer ernstig.

De aanhouding in Italië of in Zwitserland van ambtenaren van inlichtingendiensten toont aan dat het gevaarlijk is zones te behouden waar geen democratische controle bestaat. Mijnheer Delpérée, we hebben vaak het gevoel dat de diensten weten en dat de bevoegde minister niets weet. Het zou echter ook kunnen dat dit een schoolvoorbeeld is van een geval waarbij diensten wel willen samenwerken en parlementair toezicht normaal vinden, maar waar dat toezicht om de ene of andere reden verhinderd wordt door een politieke beslissing.

In dat geval zal het interessant zijn na te gaan wat de verantwoordelijkheid zal zijn van een dienst die de opdracht krijgt de parlementaire commissie niet in te lichten.

Zijn er in ons land terreinen die uitgesloten zijn van parlementair toezicht? Mijn antwoord is ja op grond van redenen die de Senaat niet mag banaliseren.

De eerste minister en de minister van Justitie hebben met de SWIFT-zaak het goede voorbeeld gegeven. Ze hebben de informatie waarover de regering beschikt, onmiddellijk aan onze begeleidingscommissie overgezonden. Daardoor valt de andere houding, de weigering om informatie door te geven, nog meer op. Namens onze commissie geef ik vandaag officieel uiting aan mijn spijt daaromtrent. Ik hoop dat de minister van Landsverdediging zijn houding wijzigt.

Het argument dat we nu en dan horen, is niet gegrond. Het bestaan van parlementair toezicht zou door de diensten van een land gebruikt kunnen worden als argument om niet samen te werken. Dat is niet juist. De CIA is onderworpen aan een bijzonder streng parlementair toezicht, evenals de ADIV. Om de ongerustheid weg te nemen, zal onze commissie een internationale ontmoeting van toezichtorganen voorstellen, zoals de heer Wille suggereerde.

Parlementair toezicht is verenigbaar met het vertrouwelijke karakter van de werkzaamheden. De zekerheid dat er geen schandelijke misbruiken of geheimen bestaan, maakt juist antiterroristische samenwerking mogelijk.

Wij zijn vandaag goed op weg naar de inlichtingen van de 21e eeuw, maar de weg zal lang en moeilijk zijn.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie en de aanbevelingen van de Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Nyssens, om gezondheidsredenen, de heer Van den Brande, in het buitenland, de heer Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.