3-120 | Belgische Senaat | 3-120 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Ontwerp van programmawet (Stuk 3-1254) (Evocatieprocedure)
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 10.10 uur.)
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), corapporteur. - Het ontwerp is een optioneel bicameraal wetsontwerp. Het werd door de Kamer op 21 april 2005 met 108 stemmen bij 21 onthoudingen goedgekeurd en op 9 mei door de Senaat geëvoceerd. De commissie voor de Justitie heeft er verschillende vergaderingen aan gewijd.
In haar inleidende uiteenzetting zei de minister van Justitie dat het ontwerp de bedoeling heeft het Belgische recht in overeenstemming te brengen met het verdrag van de Raad van Europa over informaticacriminaliteit, opgemaakt te Boedapest op 23 november 2001, en van het aanvullend protocol bij dit verdrag betreffende de bestraffing van racistische en xenofobe feiten gepleegd met behulp van informaticasystemen, opgemaakt te Straatsburg in januari 2003. Ons Belgisch recht is al grotendeels in overeenstemming met de bepalingen van dit verdrag. De Belgische wetgever heeft bij het opstellen van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit rekening gehouden met de snelle evolutie van de technologie. Toch blijven een aantal kleine aanpassingen nodig om te voldoen aan onze internationale verplichtingen inzake het verdrag en het aanvullend protocol.
De minister was verheugd dat ze voor de technische aanpassingen de bijstand kon inroepen van de Federal Computer Crime Unit.
De minister merkte op dat bestraffing alleen mogelijk is voor het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van misdaden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime zijn gepleegd. Voor het uitbreiden van het toepassingsgebied van artikel 6 van het aanvullend protocol moet rekening worden gehouden met twee cumulatieve voorwaarden: het moet gaan om het ontkennen of minimaliseren van genocide én om de bevestiging daarvan door een definitief vonnis van een internationaal strafhof. De Kamer heeft deze voorafgaande voorwaarden echter verruimd, waardoor het mogelijk wordt rekening te houden met repressieve nationale vonnissen. Die verruiming is tot op heden elders in Europa en in het internationaal recht onbekend. De juridische dienst van de Senaat zag in deze uitbreiding belangrijke juridische problemen.
In de algemene bespreking ging de aandacht dan ook vooral naar het tweede deel van het ontwerp, namelijk over het ontkennen van genocide en de bestraffing daarvan. De vraag werd gesteld of het nodig was het toepassingsgebied van de wet van 1995 nu al uit te breiden. Het verdrag schrijft dat niet voor en er is geen haast bij. In sommige Europese landen, voornamelijk de Angelsaksische landen, is het negationisme niet strafbaar. Ze gaan ervan uit dat de bestraffing van genocide in botsing kan komen met de vrijheid van meningsuiting.
Mevrouw Nyssens zei dat het wetsontwerp zoals het door de Kamer werd uitgebreid, ons voor ernstige juridische problemen plaatst. Het legaliteitsbeginsel moet in acht worden genomen: nulla poena sine lege. De strafbaarstelling moet duidelijk worden bepaald. De burger moet immers weten waarvoor hij wordt gestraft. Daarom worden in artikel 6 van het aanvullend protocol voorwaarden gesteld: het moet gaan om het ontkennen van een genocide en er is een definitief vonnis van een internationaal strafgerecht nodig. Politieke instrumenten of initiatieven van wetgevende instanties zijn dus minder geschikt. Mevrouw Nyssens diende een amendement in om het toepassingsgebied van artikel 6 van het aanvullend protocol te beperken tot die twee cumulatieve voorwaarden. Ze stelde, net als andere collega's voor hoorzittingen te organiseren om een beter inzicht te krijgen in deze belangrijke, complexe problematiek
De heer Destexhe had opmerkingen bij de haast waarmee het wetsontwerp werd ingediend. Hij vroeg zich af of onder juristen en historici wel unanimiteit bestaat over het begrip genocide. Zelf is hij daarvan niet overtuigd. Hij vroeg zich ook af of er geen vrijheid van meningsuiting bestaat, zeker voor wetenschappers die aan de hand van wetenschappelijke feiten zaken poneren die eventueel in strijd kunnen zijn met bepaalde andere historische feiten. Hij verwees naar een aantal historici, onder meer Maxime Steinberg. Hij vroeg ook of een genocide moet worden erkend door politieke instanties, zoals de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN, of door internationale gerechten. Daarnaast vroeg hij zich af of het Europees Parlement of nationale parlementen de bevoegdheid hebben bepaalde genocides in de geschiedenis of in de toekomst te erkennen. Hij merkte op dat dit tot contradicties kan leiden, als het ene nationale parlement zegt dat het om een genocide gaat, terwijl het andere dat ontkent. Hij stelde voor terug te komen tot de wet van 1995 en het debat opnieuw te openen, rekening houdend met het recht op vrije meningsuiting.
Dat werd ook geopperd door de heer Coveliers, die sterk gehecht is aan de vrijheid van meningsuiting. Hij verwees daarbij naar arresten van het Arbitragehof, waarin ten tijde van de bespreking van de genocidewet gesteld werd dat voor het negeren van de holocaust en de genocide tijdens de Tweede Wereldoorlog een vermoeden moet bestaan dat de bedoeling bestaat een misdadige en de democratie vijandig gezinde ideologie in ere te herstellen en daarbij één categorie of verschillende categorieën van mensen ernstig te beledigen. Het Arbitragehof stelde dat de volkenmoord tijdens de Tweede Wereldoorlog de maatschappelijke orde dusdanig hard heeft aangetast dat het recht op vrije meningsuiting daarvoor dient te wijken. Het Arbitragehof heeft dus de vork aangegeven waarbinnen genocide of het ontkennen van genocide kan worden bestraft, evenwel met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting.
De heer Coveliers voegde eraan toe dat er een probleem is met het legaliteitsbeginsel. Volgens hem hebben de mensen geen boodschap aan onduidelijke signalen van de wetgever, maar moeten ze duidelijk weten waarvoor ze worden gestraft. Hij verwees ook naar de voorbehoudsmogelijkheid van artikel 6 van het aanvullend protocol. Daardoor kan de vrijheid van meningsuiting primeren op het principe van de bestraffing. Vele Angelsaksische landen maken gebruik van die mogelijkheid.
Vervolgens werd er gedebatteerd over de vraag of voor het misdrijf van ontkenning van een genocide een misdadig opzet vereist is. Noch het verdrag, noch het aanvullend protocol eist dit.
Mevrouw Defraigne verwees naar de wet van 1995. Volgens haar was die wet weliswaar oorspronkelijk bedoeld om de misdaden van het nazi-regime aan te klagen, maar moet het toepassingsgebied kunnen worden uitgebreid naar andere genocides. Mevrouw Defraigne verwees naar de definitie van 1948 van het begrip genocide en naar artikel 136 van het Strafwetboek, dat die definitie deels overneemt. Ze verwees eveneens naar de resoluties van het Europees Parlement waarin de Armeense genocide wordt erkend. De MR-fractie stelde voor vier genocides te erkennen: de genocide door het nazi-regime, de Rwandese genocide, die internationaal als genocide erkend wordt, en de Armeense genocide van 1915 en de genocide door de Rode Khmers, die door het Europees Parlement als genocide erkend worden.
De SP.A-fractie onderstreepte dat het wetsontwerp tot doel had een Europees verdrag en het daarbij horende aanvullend protocol in de Belgische wetgeving op te nemen. Het debat moet dan ook hiertoe worden beperkt. Wie andere genocides wil erkennen, moet rekening houden met de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 6 van het aanvullend protocol. Mevrouw Pehlivan, de heer Willems en ikzelf dienden een amendement in dat stipuleert dat enkel een internationaal strafgerecht bevoegd is om een genocide te erkennen in het internationaal recht.
De heer Vandenberghe verwees in zijn uiteenzetting naar het legaliteitsbeginsel en naar het niet-retroactieve karakter van de strafwet. Ook bracht hij de cumulatieve voorwaarden in herinnering: het moet gaan om een genocide en de erkenning moet door een internationaal strafgerecht worden uitgesproken.
De heer Vandenberghe wees ook op een mogelijk probleem met de publicatie. Artikel 190 van de Grondwet bepaalt immers dat iedereen moet kunnen weten waarvoor hij kan worden gestraft. Aangezien bepaalde beslissingen van andere landen of internationale colleges alleen in gespecialiseerde publicaties verschijnen en dus niet bekend zijn bij de Belgische burger, rijst een probleem. Ook het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft in verschillende arresten geoordeeld dat een politiek discours als het ware immuun is en alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden bestraft. Bepaalde uitspraken vallen nu eenmaal onder de vrijheid van meningsuiting, een fundamenteel recht.
De heer Cheron was van oordeel dat de wet van 1995 moet worden verfijnd en dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met een aantal internationale gebeurtenissen die zich sindsdien hebben voorgedaan. Mevrouw Durant kondigde aan dat ze een wetsvoorstel heeft ingediend dat ertoe strekt de genocide op de Armeniërs door het Belgische Parlement te laten erkennen. De Franse Senaat heeft dat al gedaan.
De voorzitter vroeg aan de minister of het wetsontwerp niet in twee delen kon worden gesplitst indien een aanpassing van de wet van 1995 niet mogelijk bleek. Het voorstel was in de commissie het gedeelte over de aanpassing van de wetgeving aan het verdrag over informaticacriminaliteit te bespreken en goed te keuren. Het derde hoofdstuk, dat vooral handelt over het bestraffen van de ontkenning van genocide, zou dan naar een later tijdstip worden verschoven omdat de tijd daarvoor blijkbaar nog niet rijp. Bovendien rest er nu, vlak voor de vakantie, onvoldoende tijd om een dergelijk belangrijk debat over een belangenafweging tussen vrijheid van meningsuiting en de bestraffing van ontkenning van genocide in een serene en open sfeer te kunnen voeren. Heel wat leden waren het hiermee eens en vonden dat het debat over de wet van 1995 op een ander tijdstip moet plaatsvinden. Bijgevolg werd alleen gestemd over het eerste deel, namelijk over de aanpassing van onze wetgeving aan het verdrag over de informaticacriminaliteit.
Tijdens de artikelsgewijze bespreking werden amendementen ingediend om de wetgeving inzake de bestraffing van de ontkenning van genocide uit te breiden naar twee of vier genocides. Er werden ook amendementen ingediend om de toepassing van artikel 6 van het aanvullend protocol te beperken tot de twee cumulatieve voorwaarden. Daarnaast werd een amendement ingediend om zowel de misdaad van genocide als misdaden tegen de mensheid te bestraffen volgens artikel 6 van het aanvullend protocol.
De heer Vandenberghe diende een aantal technische amendementen in. Deze strekten ertoe in het eerste gedeelte het woord `doelbewust' op te nemen en het woord `instrument' door `toestel' te vervangen. De minister antwoordde dat het gaat om termen die door de Federal Computer Crime Unit worden voorgesteld en dat ze dat woordgebruik wenst te respecteren. De minister merkte ook op dat volgens het verdrag zelf geen bijzonder opzet vereist. De heer Vandenberghe heeft zijn technische amendementen daarop ingetrokken.
De amendementen van mevrouw Nyssens, van verschillende leden van de MR-fractie en van de heer Willems, Pehlivan en Talhaoui werden ingetrokken. De heer Mahoux diende een amendement in om de artikelen 7 en 8 te schrappen.
Dat amendement werd aangenomen met elf stemmen voor, drie stemmen tegen en twee onthoudingen. De commissie besliste daarop het opschrift van het wetsontwerp aan te passen door de woorden `en van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd' te doen vervallen. Als gevolg hiervan vervielen alle overige amendementen.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen met twaalf stemmen bij vier onthoudingen. Het verslag werd door de aanwezige leden eenparig goedgekeurd.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik wens een verklaring af te leggen namens de regering. Dit wetsontwerp heeft heel wat inkt doen vloeien. Er is hierover in deze assemblee en in de burgermaatschappij een verregaande polemiek ontstaan.
Oorspronkelijk omvatte het ontwerp twee afzonderlijke delen. Het eerste betreft de informaticacriminaliteit en heeft tot doel het Belgisch recht in overeenstemming te brengen met het belangrijke Verdrag van de Raad van Europa dat in 2001 door België werd ondertekend. Dit verdrag maakt een adequate bestraffing mogelijk van computerkraak van informaticagegevens of informaticasystemen, van vervalsingen en informaticafraude of nog van kinderporno met behulp van informatica.
Het tweede deel van het wetsontwerp betreft de bestraffing van racistische en xenofobe feiten, gepleegd met behulp van informaticasystemen. Ook hier werd het Belgisch recht in overeenstemming gebracht met een protocol van de Raad van Europa, namelijk het Aanvullend Protocol bij het Verdrag dat in 2003 door België werd ondertekend.
Deze aanpassing vereiste een wijziging van de wet van 23 maart 1995 die het ontkennen van de genocide die door het nationaal-socialistische regime is gepleegd beteugelt, om die wet uit te breiden met de ontkenning van feiten die geleid hebben tot genocide of misdaden tegen de menselijkheid, andere dan de genocide tijdens het Derde Rijk.
In de Kamer kwam een heel interessante discussie op gang over de delicate vraag hoe men het negationisme kan bestraffen. Met andere woorden, wanneer kan men iemand vervolgen die feiten die geleid hebben tot genocide of misdaden tegen de menselijkheid ontkent of schromelijk minimaliseert?
Na een intens debat was de Kamer van oordeel dat personen een strafbaar feit van die aard plegen wanneer ze feiten ontkennen of schromelijk minimaliseren die eerder door een internationaal strafrechtelijk college of door een strafrechtelijke instantie van een lidstaat van de Europese Unie als genocide of misdaden tegen de menselijkheid zijn erkend.
Dit ontwerp van wet werd in de plenaire vergadering van de Kamer unaniem goedgekeurd met uitzondering van het Vlaams Belang, het Front National en twee volksvertegenwoordigers van CD&V die zich onthielden.
Het debat kwam weer op gang bij de behandeling van het ontwerp in de Senaat. Het bleek onmogelijk om een meerderheidsakkoord te sluiten over een tekst die de uitbreiding mogelijk maakt van de wet van 1995 op het negationisme.
Ik heb het dossier dan ook weer ter sprake gebracht op een vergadering van de regering. Het gaat hier immers over een wetsontwerp dat uitgaat van de regering en niet om een wetsvoorstel.
In naam van de regering stel ik de Senaat volgende werkwijze voor. Ik vraag de Senaat het wetsontwerp vandaag goed te keuren, zoals het in de commissie werd geamendeerd. Dit betekent een wetsontwerp dat ons recht in overeenstemming brengt met de moderne normen in de strijd tegen de informaticacriminaliteit. Na een laatste behandeling in de Kamer zouden het Verdrag van de Raad van Europa en het aanvullende protocol op de informaticacriminaliteit dan kunnen worden geratificeerd.
Wat het tweede deel van het oorspronkelijke wetsontwerp betreft, zal de regering de juridische vragen omtrent de bestraffing en het negationisme voorleggen aan de Interministeriële Commissie voor Humanitair Recht. Eén van die vragen is hoe men de wet van 1995 kan amenderen om het Belgisch recht in overeenstemming te brengen met het internationaal recht inzake het negationisme.
De volgende vraag is of men een gerechtelijke procedure kan overwegen die de bestraffing mogelijk maakt van negationisme bij een genocide of misdaad tegen de menselijkheid, die niet het voorwerp is van een uitspraak van een internationale of nationale rechtbank en als er geen vermoedelijke dader(s) meer in leven is (zijn).
Derde vraag: kunnen andere instanties dan internationale straftribunalen, met inbegrip van louter politieke, nationale en internationale instanties, feiten kwalificeren als genocide of misdaden tegen de menselijkheid, met de strafrechtelijke gevolgen die verbonden zijn aan de bestraffing van het negationisme?
Deze vragen zijn belangrijk. Wat ieders diepe gevoel ook moge wezen, het technische karakter en de nationale en internationale juridische implicaties zijn van die aard dat de verschillende elementen van het probleem door deskundigen grondig moeten worden bestudeerd.
Zoals bekend, is de commissie voor internationaal humanitair recht, die onder het toezicht van de minister van Buitenlandse Zaken werkt, het raadgevende orgaan van de regering voor elke materie die op de een of andere manier te maken heeft met het internationale humanitaire recht. Deze commissie is reeds de auteur van de technische bepalingen van de wet op de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en de deskundigen van de commissie hebben deelgenomen aan het opstellen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen ad hoc. Zij heeft zich eveneens uitgesproken in het grondwettelijk debat over de samenwerking met de internationale strafgerechten. Ten slotte heeft de commissie zopas een nieuwe tekst aan de regering overgemaakt. Deze zal aan het begin van het nieuwe parlementaire jaar een wetsontwerp indienen dat ertoe strekt onze internationale gerechtelijke samenwerking uit te breiden tot het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone. De commissie heeft in het verleden meermaals aangetoond dat zij in staat is haar werkzaamheden op het vlak van juridische expertise tot een goed einde te brengen, wars van elke polemiek of simplistisch debat.
Om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen, zal de commissie niet alleen de diverse verenigingen en NGO's ontmoeten die betrokken zijn bij de debatten in de Senaat, maar ook juristen die gespecialiseerd zijn in strafrecht, in de rechten van de mens of in internationaal humanitair recht.
De werkgroep van de commissie die belast is met dit dossier zal haar werkzaamheden binnenkort aanvatten. Ik zal de commissie vragen om zo snel mogelijk verslag uit te brengen. Op deze manier wordt het mogelijk gemaakt dat de regering een afzonderlijk wetsontwerp over het thema indient of dat in de Senaat een wetgevend initiatief wordt genomen.
Mijn doelstelling is duidelijk. Ik wens dat de polemieken ophouden om plaats te maken voor ernstig en kwaliteitsvol werk. De bestraffing van het ontkennen van genocide of van misdaden tegen de menselijkheid is een ernstig onderwerp dat alle democraten aanspreekt.
Dit is een diepgaand onderzoek waard. Het onderzoek zal een aanzet zijn voor het vinden van een consensus tussen de democratische partijen. Ik hoop dat dit de voorbode kan zijn van een gemeenschappelijke benadering, zowel nationaal als internationaal.
De heer François Roelants du Vivier (MR). - Dit is een belangrijke verklaring in naam van de regering.
Ik wens dat de senatoren over de tekst van deze verklaring kunnen beschikken zodat ze hem kunnen analyseren.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Ik wens eveneens dat alle senatoren over deze tekst kunnen beschikken.
De voorzitter. - De tekst van de minister zal aan alle senatoren worden bezorgd. We zullen dit agendapunt deze namiddag verder behandelen.
De heer Jean Cornil (PS), rapporteur. - De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 15 juni 2005, in aanwezigheid van de minister van Werk en Consumentenzaken.
Het voorliggende samenwerkingsakkoord heeft als doel om via een gezamenlijke aanpak van de Federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen, de inzetbaarheid en `weerbaarheid' van de doelgroepen aanzienlijk te verhogen zodat hun positie op de arbeidsmarkt wordt versterkt. Zodoende groeien de kansen om sneller ingeschakeld te worden en verkleinen de kansen op langdurige werkloosheid.
Het vertrekpunt is een intensievere en meer systematische toetsing van de beschikbaarheid en het actief zoekgedrag. Deze toetsing is een federale bevoegdheid, aangezien wordt nagegaan of voldaan is aan de voorwaarden tot toekenning van werkloosheidsuitkeringen.
De financiële tegemoetkoming van de Federale Staat creëert vermoedelijk een toekomstig terugverdieneffect voor de werkloosheidsverzekering.
Het opzet past dus in een verantwoordelijk en dynamisch beheer van de werkloosheidsverzekering.
Het financiële engagement van de Federale Staat maakt integraal deel uit van een evenwichtig onderhandeld geheel van wederzijdse verbintenissen.
De technische bepalingen die de financiële tussenkomst mogelijk moeten maken, zijn vorig jaar op advies van de Raad van State uit het voorontwerp van de programmawet van 9 juli 2004 gelicht omdat het samenwerkingsakkoord nog niet van kracht was.
De Raad van State had bij deze bepalingen geen verdere opmerkingen, zodat ze dan ook mits enkele kleine technische aanpassingen in het voorliggend ontwerp opgenomen zijn.
In het artikel 2 wordt instemming betuigd met het samenwerkingsakkoord.
Het akkoord heeft een dubbel doel: enerzijds een nieuw stelsel opzetten inzake begeleiding van werklozen om te vermijden dat ze langdurig werkloos worden, en anderzijds een nieuw stelsel van transmissie van gegevens tussen de bemiddelingsdiensten en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening instellen.
Het eerste hoofdstuk van het akkoord bevat de definitie van de termen die in het akkoord worden gebruikt.
In het tweede hoofdstuk worden de doelgroepen omschreven en is het tijdstip vastgelegd wanneer de onderscheiden doelgroepen zullen worden aangesproken.
Het derde hoofdstuk bevat de verbintenissen van de Federale Staat. Het gaat hier om:
In het vierde hoofdstuk zijn de verbintenissen opgenomen van de gewesten en de Duitstalige gemeenschap tot begeleiding van werklozen.
Hoofdstuk vijf regelt de uitwisseling van gegevens tussen de gewesten en gemeenschappen om enerzijds hun begeleidingsplannen doeltreffend uit te voeren en anderzijds de RVA in staat te stellen het nieuw stelsel van opvolging van werklozen te organiseren.
In het zesde hoofdstuk worden de evaluatieprocedure en de rol en de samenstelling van het College van Leidende Ambtenaren van de betrokken instellingen vastgelegd.
In een eerste bijlage van het akkoord is de financiering gepreciseerd en zijn de verdeelsleutels en de betalingsmodaliteiten vastgelegd.
Een tweede bijlage regelt de technische details van de uitwisseling van gegevens tussen alle betrokken instellingen.
Artikel 3 wijst de concrete financieringsopdracht toe aan de RVA.
Artikel 4 voorziet in een aanvulling van de programmawet van 9 juli 2004 die de financiering van het nieuwe plan mogelijk maakt.
Alles samen vormt dit dus een evenwichtig en sluitend geheel, waarover met alle betrokken partijen een akkoord is bereikt. De minister vraagt dan ook dat met het akkoord wordt ingestemd.
Tijdens de algemene bespreking hebben de vertegenwoordigers van de PS hun waardering uitgesproken voor het feit dat, in tegenstelling tot de oorspronkelijke tekst, een aantal supplementaire bakens werden uitgezet. Zij hebben dan ook geen probleem om de tekst goed te keuren. Ze vragen hoe de evaluatie van de voorliggende bepalingen zal verlopen en of de minister de resultaten van deze evaluatie in de Senaatscommissie kan komen toelichten. Belangrijk is dat niet enkel een kwantitatieve, maar ook een kwalitatieve evaluatie van de resultaten plaatsvindt.
Kunnen bepaalde sociale en familiale profielen, bijvoorbeeld alleenstaande vrouwen met kinderen, apart in de analyse worden gecatalogeerd? De PS-fractie heeft menen te horen dat er een bepaalde hardnekkigheid heerst bij de controle naar deze categorie. Bestaan er eventueel aparte richtlijnen voor bepaalde categorieën van werklozen? De vertegenwoordiger van de PS-fractie is van mening dat bepaalde categorieën van werklozen op een andere manier moeten worden behandeld dan andere.
Vervolgens is verwezen naar het artikel uit Le Soir van 14 juni 2005 met de titel `Le blues du contrôleur de l'ONEM', waarin de praktijk door de ogen van een facilitator wordt weergegeven.
De PS-fractie is bezorgd over de manier waarop de administratie bepaalde wettelijke bepalingen in de praktijk toepast. Hoe kan de minister ervoor zorgen dat de administratie het voorgestelde plan correct, dus ook naar de geest, zal toepassen?
Mevrouw Bouarfa vraagt dat de eerstkomende evaluatie in de Senaat zou plaatsvinden. Zij stelt tevens dat discriminatie bij de aanwerving een reëel probleem vormt. Bovendien blijft de discriminatie ondanks alle maatregelen toenemen, zoals blijkt uit een uitspraak van de directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling. Er moet dus naar alternatieve oplossingen voor dit probleem worden gezocht.
De heer Beke is het eens met de doelstelling van het ontwerp om de begeleiding en de opvolging van de werklozen te activeren. Tevens herinnert hij eraan dat ons land momenteel 1.171.000 uitkeringsgerechtigden telt, het hoogste aantal ooit. Uit een studie blijkt dat 40% van deze personen het laatste jaar geen inspanningen had gedaan om een job te vinden. Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zijn niet op elkaar afgestemd. Daar is dus een belangrijke opdracht inzake vorming en begeleiding weggelegd voor de overheid.
Toch ziet de heer Beke de voorliggende bepalingen als een soort van tussenoplossing aangezien hij eigenlijk vragende partij is voor meer bevoegdheden voor de deelstaten in deze en andere materies.
De heer Beke vraagt ook op welke parameter men zich bij de financiering van het samenwerkingsakkoord heeft gebaseerd om tot het bedrag van 24,8 miljoen euro te komen.
Mevrouw Geerts wil weten hoe de evaluatiecommissie wordt samengesteld.
Mevrouw De Schamphelaere stelt vast dat het voorliggende samenwerkingsakkoord op 1 juli 2004 in werking moet treden en ze verklaart dat de eigenlijke inwerkingtreding slechts mogelijk is na de goedkeuring van alle parlementen die mede bevoegd zijn. Dit geldt ook voor de budgettering en financiering van de maatregelen. Juridisch is er dus waarschijnlijk een probleem.
Verder stelt ze vast dat in een eerste fase de jongeren werden aangeschreven en dat de respons eigenlijk niet overweldigend was. Is een evaluatie van de eerste fase beschikbaar? Zal in de tweede fase een betere respons kunnen worden gehaald? Heeft de RVA de brede campagne reeds opgestart? Wat is tot nog toe de reactie daarop?
Mevrouw De Schamphelaere heeft ook gemerkt dat de vakbonden er zich tegen verzetten dat de activering van werkzoekenden niet meer wordt gekoppeld aan concreet werkaanbod. De vakorganisaties verzetten zich immers tegen de zienswijze dat werkzoekenden tegenover de samenleving de plicht hebben om actief te blijven en werk te maken van onder andere de eigen vorming. Hoe staat de regering tegenover die zienswijze van de vakorganisaties?
De minister stelt dat nieuwe statistische gegevens begin juli beschikbaar zullen zijn. Op dat moment kunnen de eerste antwoorden op de vragen worden gegeven. Voor een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de gegevens wordt echter best tot september gewacht.
De minister zegt niet over gegevens te beschikken over de rol van de sociale en/of familiale situatie in het onderzoek. De facilitator van de RVA is echter steeds verplicht om rekening te houden met de familiale situatie. Momenteel hebben de gegevens over uitsluitingen alleen betrekking op personen die zich weigerden aan te melden nadat ze waren uitgenodigd.
Naar aanleiding van de getuigenis in Le Soir stelt de minister voor om de heer Baeck schriftelijk om uitleg te vragen. Het is immers moeilijk om op basis van één anonieme getuigenis conclusies te trekken over de situatie op het terrein en over het beleid.
De Evaluatiecommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende ondertekenende partijen van het samenwerkingsakkoord en uit vertegenwoordigers van de Nationale Arbeidsraad. De vergaderingen van deze commissie zullen door leidende ambtenaren van de betrokken instellingen worden voorbereid.
In tegenstelling tot wat werd beweerd, liggen de werkingsmiddelen voor dit samenwerkingsakkoord nog niet vast. Dit kan pas worden geregeld nadat het akkoord door de verschillende betrokken partijen is goedgekeurd.
De minister is van mening dat een werkloze tevens een werkzoekende is. Als werk zoeken niet tot resultaat leidt, dan heeft een werkloze de plicht om in afwachting van een aanbod, zijn profiel aan te passen zodat hij meer kans maakt op een job. Een dergelijke houding is een maatschappelijke plicht, ook al bestaat de absolute garantie op een job niet.
De eerste respons op de aanschrijvingen was zeer matig. Na een aanpassing van het taalgebruik en de inschakeling van de vakbonden is de respons significant verbeterd. Er waren eigenlijk nog slechts weinig mensen die niet kwamen opdagen.
Het verslag namens de commissie werd eenparig goedgekeurd door de negen aanwezige leden.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik had gehoopt dat de bevoegde minister vandaag aanwezig zou zijn daar we enkele specifieke vragen hebben, waarop ons in de commissie een antwoord werd beloofd.
Ons land telt momenteel 1.171.000 uitkeringsgerechtigden, het hoogste aantal ooit. Een actieve begeleiding en opvolging van al deze werkzoekenden is een must. Dit blijkt uit een recente studie die aantoont dat 40% van deze mensen de jongste jaren geen inspanningen meer hebben gedaan om een job te vinden. Is het een zaak van onvoldoende aanbod op de arbeidsmarkt, van onvoldoende arbeidsplaatsen? Deels wel: de 200.000 jobs die de federale regering heeft beloofd zijn nog zeer ver weg. Sinds die uitspraak van onze premier werden er slechts 65.000 gerealiseerd. Daarvan is het gros dan nog terug te vinden in de door de overheid gesubsidieerde tewerkstelling, zoals de dienstencheques-jobs. In de privé-sector is de toename van jobs werkelijk mager en elke dag opnieuw zijn er faillissementen en sluitingen van ondernemingen. Het is echter ook een zaak van afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Er zijn nog altijd tal van vacatures die niet ingevuld geraken, en niet enkel bij de zogenaamde knelpuntberoepen. Hier ligt dus een belangrijke opdracht van vorming en begeleiding. De meest ideale oplossing is volgens CD&V een meer homogeen bevoegdheidspakket om de overheden de gelegenheid te geven hier het meest adequate antwoord op te geven. Arbeidsbemiddeling is een gewestelijke bevoegdheid, beroepsopleiding een bevoegdheid van de gemeenschappen terwijl de RVA en de controle op het zoeken naar werk dan weer een federale bevoegdheid zijn. Het voorliggend akkoord is zeker een goede tussentijdse oplossing: het geeft elk gewest een enveloppe, verantwoordelijkheden en controle.
Het activeringsbeleid is goed een jaar op de sporen. In de commissie werd naar een evaluatie gevraagd. Is er al een evaluatie van de eerste fase, namelijk de activering van de jonge groepen? Hebben de overheid en de RVA uit de eerste fase geleerd om de volgende fase beter aan te pakken? Heeft de RVA een brede campagne opgestart? Daar minister van Werk Van den Bossche heeft gezegd dat de gegevens rond deze tijd beschikbaar zouden zijn stel ik de vragen opnieuw in plenaire vergadering.
In de commissie vroegen we ook verduidelijking over de verdeling van de 24 miljoen euro tussen de verschillende actoren. Welke zijn de parameters en de verdeelsleutels? Tijdens de bespreking in de commissie kon de minister hierop nog niet antwoorden en werd ten stelligste beloofd dat die informatie ons zou worden bezorgd. We hebben tot op vandaag nog geen concrete gegevens ontvangen. Dat is nochtans niet onbelangrijk, aangezien het over heel wat geld gaat. Daarom hernemen we vandaag ook de vraag wat de ratio is geweest achter de verdeling van de middelen in dit samenwerkingsakkoord.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik heb ook deelgenomen aan het debat in de commissie. Men had beter eerst dit samenwerkingsakkoord gesloten en pas nadien maatregelen genomen voor de `jacht op de werklozen' zoals sommigen het noemen.
Het akkoord tussen de federale staat en de gewesten en gemeenschappen, die bevoegd zijn voor de begeleiding en opvolging van werklozen, komt op een moment waarop heel wat medeburgers worden geconfronteerd met werkloosheid en met het spookbeeld van sociale uitsluiting en een onzeker bestaan. Zij hebben daar niet voor gekozen en bewegen hemel en aarde om opnieuw aan de slag te gaan of een eerste baan te vinden.
Ik ben dus niet gerust in het initiatief dat enkele maanden geleden werd gelanceerd. Riskeert de activering van werklozen geen vreselijke uitsluitingsmachine te worden als ze niet gepaard gaat met een ernstige omkadering en controle? Bepaalde getuigenissen in de pers van ambtenaren die de werklozen moeten controleren, bevestigen mijn vrees.
Om dergelijke situaties te voorkomen, herhaal ik het voorstel dat ik in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden heb gedaan, namelijk dat de Senaat een onafhankelijke evaluatie doet van de maatregel die de voorganger van minister Van den Bossche heeft ingevoerd.
Er moet bovendien absoluut rekening worden gehouden met de discriminatie bij de indienstneming, die de arbeidsmarkt ontoegankelijk maakt voor een deel van onze bevolking. Alle cijfers bevestigen dat de maatregelen om die plaag te bestrijden de situatie spijtig genoeg nog niet verbeterd. De slachtoffers van die discriminatie mogen geen tweede keer gestraft worden door hen de werkloosheidsuitkering af te nemen, die hen een moeilijke periode moet helpen overbruggen.
Het platform `Stop jacht op werklozen', bestaande uit sociale verenigingen en vakbondsorganisaties, is van oordeel dat het activeringsplan voor de werklozen de verantwoordelijkheid voor de werkloosheid afschuift op de slachtoffers ervan. Het verwerpt dat plan en vraagt zijn onmiddellijke intrekking.
Ik hoop dat het tegendeel zal kunnen worden aangetoond. Mochten de feiten het bovenvermelde platform echter gelijk geven, dan zullen wij vragen om de ingevoerde maatregelen te herzien. Ik zal dat als een persoonlijke opdracht beschouwen. Wij zijn vragende partij voor een echt begeleidingsplan dat tot concrete resultaten leidt inzake indienstneming en opleiding van werklozen.
Wij vragen ook een echte samenwerking tussen de gewesten, waarbij rekening wordt gehouden met de reële noden van bedrijven en werklozen, desnoods door het aanmoedigen van de geografische mobiliteit.
Tot slot moet de uitwisseling van gegevens tussen de regio's gebeuren in wederzijds vertrouwen en met de grootste transparantie. Ik hoop dat de verschillende parlementen en regeringen er zullen op toezien dat alles goed verloopt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Bij het voorliggend ontwerp wil ik enkele persoonlijke kanttekeningen maken en enkele suggesties doen die ik ter overweging aan de ministers meegeef.
Uiteraard sta ik achter alle maatregelen die de actieve begeleiding en follow-up van werklozen ondersteunen. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het akkoord vooral geschreven is met de modale werkloze in het achterhoofd. We realiseren ons al te weinig dat zelfs deze begeleidingsmaatregelen voor de groep van de structureel arme werklozen, nauwelijks haalbaar zijn. Zij staan, soms al generaties lang, zo ver van structuren en georganiseerde diensten, dat ze ook hier uit de boot dreigen te vallen en daarvoor zullen worden gesanctioneerd. Voor langdurig werklozen, met vaak een negatief zelfbeeld en een beperkt zelfvertrouwen, is een stapsgewijze procedure met trajectbegeleiding essentieel. Dit geldt zowel voor tewerkstelling in de sociale economie als in de reguliere arbeidssector, waarvan ik alleen maar kan hopen dat het om sociaal verantwoord ondernemen gaat. Langdurig werklozen die zich voor deze laagdrempelige werkwijze engageren kunnen beloond worden met ondersteunende maatregelen bij schuldafbouw. Zo wordt er aan twee zijden gewerkt naar een situatie waarbij ze hun plaats in de maatschappij en meteen hun waardigheid terugwinnen.
De huidige lineaire maatregelen betekenen ongetwijfeld een stap vooruit voor het grootste gedeelte van de werklozen. Maar voor mensen die in armoede leven dreigt het opnieuw een maat voor niets te worden. Zo vermeldt de publicatie Algemeen Verslag over de Armoede. 10 jaar later bij de prioriteiten dat de toegang tot arbeid een van de hoekstenen is om de armoede te verlaten. Maar uitgerekend die toegang tot arbeid verloopt voor kansarmen veel moeizamer dan voor een modale werkloze. Kansarmen moeten meer drempels overwinnen.
Dit samenwerkingsakkoord laat dit facet buiten beschouwing en dat is een gemiste kans. Als medevoorzitter van de IPW Vierde Wereld roep ik de betrokken ministers op het samenwerkingsakkoord zo uit te bouwen dat ook een langdurig werkloze die in armoede leeft, in de toekomst zal worden begeleid.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - De tekst die we vandaag onderzoeken heeft betrekking op wat zeer discreet `de actieve begeleiding en opvolging van werklozen' wordt genoemd. Vanaf 1 juli van dit jaar wordt de controle van de beschikbaarheid van de werklozen, die thans geldt voor werkzoekenden van minder dan 30 jaar, uitgebreid tot de categorie 30 tot 40 jaar.
De rapporteur herinnerde eraan dat de uitbreiding tot andere categorieën werklozen er maar zou komen na een kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie van de bestaande maatregel. De minister heeft in de commissie toegegeven dat die evaluatie er nog niet is. Ecolo was vanaf het begin bang dat de werklozen versterkte controles en administratieve pesterijen zouden moeten ondergaan. Wij gaan ervan uit dat niet de beschikbaarheid van de werklozen, maar wel het aanbod van jobs het voornaamste probleem is.
We kunnen alleen maar vaststellen dat de 200.000 jobs die de eerste minister en deze meerderheid beloofd hadden er nog niet zijn en dat de vermindering van de sociale bijdragen voor de werkgevers niet het gewenste resultaat heeft. Wij vragen dus een ernstige evaluatie van die maatregel, die de werkloosheid bij jongeren nog niet heeft kunnen doen dalen en bovendien bepaalde werklozen discrimineert, onder meer alleenstaande vrouwen met kinderen.
Bepaalde vragen kunnen dus niet langer uit de weg worden gegaan. Beantwoordde de controle op de beschikbaarheid aan de doelstelling, namelijk het inschakelen in de arbeidsmarkt van de beoogde leeftijdsgroep? Kregen de laaggeschoolde werklozen een opleiding die de inschakeling kan vergemakkelijken? Ondervinden de bestaande systemen hiervan nadeel? Staat de kostprijs in verhouding tot de verwachte resultaten? Zijn de regionale diensten klaar voor de uitvoering van de tweede fase?
Al die dringende vragen moeten ons ertoe aanzetten het debat opnieuw te focussen op de echte prioriteit. We moeten een efficiënt werkgelegenheidsbeleid voor jongeren uitwerken, in plaats van ons uit te sloven om de arbeidsmarkt steeds flexibeler te maken om de doorstroom van werkzoekenden naar onzekere banen te vergemakkelijken.
Om al die argumenten zullen wij het wetsontwerp niet steunen.
De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de rapporteur voor zijn uitvoerig verslag. Ik ben niet ongevoelig voor de argumenten van mevrouw De Roeck. Het is waar dat een job vaak het middel is om uit de armoede te geraken en opnieuw een plaats in de maatschappij te verwerven.
Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft op 9 mei 2005 het instemmingsdecreet goedgekeurd. Die gemeenschap is twee keer betrokken partij. Ze is niet alleen bevoegd voor opleiding maar, op basis van artikel 139, ook voor de werkgelegenheid op het grondgebied van de Duitstalige gemeenschap.
We kunnen dit akkoord, dat streeft naar een betere begeleiding en opvolging van de werklozen, alleen maar toejuichen. Het is trouwens het logische gevolg van de federale regeringsverklaring van 10 juli 2003, van de regeringsverklaring voor de Duitstalige Gemeenschap van 13 september 2004 en van de Lissabon-strategie, die een grote stimulans was en een werkgelegenheidsgraad van 70% beoogt. Ik hoop dat ons land dat doel met een reeks coherente maatregelen tegen 2010 zal halen.
De heer Jean Cornil (PS). - Als reactie op de eerste uitnodigingen van de RVA vroegen we in februari jongstleden een gedachtewisseling over dit delicate probleem in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat.
Wij drongen aan dat bakens zouden worden gezet om te verhinderen dat een al zo zwakke groep nog meer zou worden bedreigd. Het koninklijk besluit schafte de drempel van vier weken af en de werkloze kreeg opnieuw alle rechten als hij zich bij de RVA aanmeldde binnen de dertig dagen volgend op de schorsing.
Het moet duidelijk zijn dat de werklozen die daardoor in moeilijkheden kwamen, al zwak waren. Het waren zeker geen experts in sociale fraude, aangezien sommigen de uitnodiging zelfs niet ontvangen hadden of konden begrijpen omdat ze de begrippen BGDA, RVA of betalingsdienst met elkaar verwarren.
Het verlies van de werkloosheidsuitkering, zonder enige sociale begeleiding, zou hen nog verder in de marginaliteit hebben geduwd.
Het is voor ons duidelijk dat het ingevoerde systeem in geen geval tot gevolg mag hebben dat de verantwoordelijkheid van de hoge werkloosheid op de werklozen zelf wordt afgewenteld.
De druk op de meest weerloze werklozen mag ook niet zodanig worden opgevoerd dat ze niet anders meer kunnen dan minderwaardige arbeid aanvaarden.
Volgens een studie van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen hebben de activeringsmaatregelen geen enkel effect als ze niet gepaard gaan met een voldoende aanbod van arbeidsplaatsen en een aanbod van aangepaste opleidingen. De context is bijzonder moeilijk. De 200.000 jobs zijn nog niet voor morgen en men weet dat bijvoorbeeld het systeem van dienstencheques in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onvoldoende arbeidsplaatsen genereert.
Wij zijn dus geen voorstander van sancties, zeker niet wanneer er geen werk geweigerd werd. We zouden moeilijk kunnen aanvaarden dat werklozen hun uitkering verliezen als de plaatsingsdiensten niet in staat zijn om ze eerst een behoorlijke job aan te bieden.
Bovendien werken de sancties het zwartwerk door de gestrafte werklozen onvermijdelijk in de hand, want ze zullen dan naar het OCMW gaan.
We zullen de verschillende opeenvolgende fasen van het systeem dus nauw in de gaten houden om te voorkomen dat het uitmondt in een jacht op werklozen. De anonieme getuigenis van een facilitator van de RVA in Le Soir van 14 juni 2005 bevestigt die vrees. De voornaamste doelstelling is niet dat de werkloosheidsstatistieken worden opgesmukt, wel dat de doelgroep wordt geholpen om werk te vinden.
Wij zijn bijgevolg van oordeel dat prioriteit moet worden gegeven aan de bestrijding van de echte sociale fraude en aan het debat over de loonvoorwaarden en werkloosheidsvallen dat we niet eeuwig kunnen blijven uitstellen.
Op 1 juli word de controle op de arbeidsbeschikbaarheid uitgebreid tot de 30- tot 40-jarigen.
Ook mijn fractie heeft gevraagd om na het zomerreces in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden een debat te voeren over de kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie van de eerste fase van het begeleidingsplan die vandaag eindigt en betrekking heeft op de werklozen jonger dan 30 jaar. Op dat ogenblik moeten antwoorden gegeven worden op de essentiële vragen.
Realiseerde het plan de beoogde inschakeling van de werkzoekenden? Hoeveel personen vonden een nieuwe baan? Kregen de laaggeschoolde werklozen een aangepaste opleiding?
We zullen het wetsontwerp vandaag goedkeuren, maar de evolutie van de toepassing op het terrein op de voet volgen.
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - In naam van minister Van den Bossche dank ik de vele senatoren die zich in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden hebben ingezet en heel in het bijzonder de rapporteur, de heer Cornil.
Zoals afgesproken zullen we de evaluatie die de commissie al heeft ingezet, in september verder zetten. Ik twijfel er niet aan dat deze evaluatie ook de sceptici zal overtuigen dat het er bij de actieve begeleiding echt om gaat jobs ter beschikking te stellen en niet de werklozen te sanctioneren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Minister Van den Bossche had beloofd om vandaag nog de ratio van de verdeelsleutel ter informatie te bezorgen. Aangezien we in de toelichting bij het samenwerkingsakkoord daar geen duidelijkheid over hebben gekregen, is het belangrijk dat we alsnog die informatie ontvangen.
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Uit mijn tijd als Vlaams minister voor Werk herinner ik me dat deze verdeelsleutel gebaseerd was op het aantal werklozen. Zij die kunnen rekenen, vinden dat een zeer goede verdeelsleutel.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1118/1.)
-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Jean Cornil (PS), corapporteur namens de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V), corapporteur namens de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur namens de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De heer Luc Willems (VLD), rapporteur namens de commissie voor de Justitie. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De heer Francis Delpérée (CDH), rapporteur namens de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden. - Mijn mondeling verslag is zeer kort. Het gaat om een administratieve vereenvoudiging die erin bestaat de vakbondspremies te laten storten zonder omweg langs de Kanselarij. Het voorstel werd eenparig door de leden van de commissie aangenomen.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik beperk me tot enkele specifieke punten die in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden aan bod kwamen.
De CD&V staat achter de initiatieven inzake de biobrandstoffen. Ze komen niet alleen de duurzame ontwikkeling ten goede, maar bieden ook rechtszekerheid aan landbouwers, die een nieuwe afzetmarkt kunnen aanboren. Wegens de hogere productiekosten van biobrandstoffen, zal de overheid op die nieuwe, milieuvriendelijke brandstof minder accijnzen ontvangen. Om dat de compenseren zal de regering via het systeem van de bijzondere toeslag extra accijnzen heffen op diesel en benzine. Dat betekent dat de consument aan de pomp meer zal betalen voor de traditionele benzine en diesel.
Omdat aanvankelijk het aanbod van biobrandstoffen niet toereikend zal zijn, zal de consument verplicht zijn om klassieke benzine te tanken tegen hogere prijzen. Dat zal de inkomsten van de regering wat optrekken. De consument zal dus nog dieper in de geldbeugel moeten tasten, deze keer niet omwille van de voortdurende stijging van de olieprijzen, maar wegens de extra accijnzen.
De gunstige behandeling van biobrandstoffen op het vlak van accijnzen, wendt de overheid op een slinkse manier aan om op een verdoken manier de accijnzen op diesel en benzine nogmaals te verhogen. In hoofde van de consument is het dus geenszins een nuloperatie en ook de verklaring van de minister van Financiën dat de maatregel budgettair neutraal is, gaat niet op. Hij wees er overigens op dat de inspectie van Financiën positief advies heeft verstrekt.
De maatregel zal dus zeker gunstig zijn voor Financiën en voor de schatkist. Ik heb een vergelijking gemaakt van de prijzen die de consument twee jaar geleden aan de pomp betaalde en nu. Er is een stijging van 0,316 euro per liter benzine en 0,362 euro per liter diesel. Daarin zit 0,14 euro per liter aan accijnzen en BTW. Dat betekent in twee jaar tijd voor een tankbeurt van ongeveer 50 liter een stijging van 15,80 euro voor benzine en 18,10 euro voor diesel, waarvan ongeveer 7 euro accijnzen en taksen. De totale inkomsten voor de overheid, BTW en accijnzen, zijn dus in twee jaar met bijna 30% gestegen. In totaal gaat het om ongeveer 1,2 miljard euro. We kunnen ons terecht afvragen of de autogebruikers nog niet genoeg betalen om in hun minimale mobiliteit te voorzien.
In de commissie stelde ik een vraag over het zogenaamde omgekeerde cliquet-systeem. Wanneer de diesel- of benzineprijzen een bepaald niveau bereiken, dalen de accijnzen. Deze gunstmaatregel voor de burgers geldt maar tot eind december 2005. In het verslag van de bevoegde Kamercommissie gaf de minister van Financiën aan dat ook de omgekeerde cliquet in de wetgeving zal worden geïntegreerd. Betekent dat een verlenging van het omgekeerde cliquet-systeem ook na 2005? Welke prijsgrens wordt gehanteerd voor een daling van de accijnzen op benzine en diesel? Zal de regering de prijsgrens verhogen? Waarom schept de minister hierover geen duidelijkheid?
Een ander punt betreft de verpakkingsheffing. Met een verhoging van de verpakkingsheffing op 10 januari jongstleden, beoogde de regering een wijziging van het consumentengedrag. Vele organisaties en ook onze eigen fracties wezen op het reële gevaar dat de consument zich voor de aankoop van dranken naar het buitenland zou verplaatsen. Hoewel de regering aanvankelijk geen oren had voor dat argument, moet ze nu zelf vaststellen dat het verhoopte succes van de maatregel uitblijft en wordt hij terecht ongedaan gemaakt. Nu is het hopen dat de mensen opnieuw hun aankopen in eigen streek doen. Gedragswijzigingen zijn immers niet evident.
Het ontwerp van programmawet voorziet in nieuwe middelen voor de fiscus ten aanzien van alle ondernemingen en beoefenaars van vrije beroepen, die nalaten een aangifte in te dienen of ze laattijdig indienen. Het nieuwe bewijsmiddel impliceert een minimum belastbare grondslag. CD&V pleit voor dergelijke anti-fraude maatregelen, maar we stellen vast dat mensen die wegens gerechtvaardigde omstandigheden bewust hun aangifte te laat indienen, even zwaar gestraft kunnen worden als degenen die bewust geen aangifte indienen. Hierdoor wordt het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de belastingplichtigen geschonden.
De Raad van State stelt uitdrukkelijk dat de voorgestelde wijziging in strijd is met essentiële regels betreffende de bescherming van de belastingplichtigen tegen willekeur en buiten verhouding staat tot het nagestreefde doel. Laattijdigheid kan niet op dezelfde wijze gesanctioneerd worden als onwil, zeker niet wanneer de laattijdigheid te wijten is aan gewettigde redenen. Ik dat geval dient de fiscus de aangifte als uitgangspunt te nemen en niet de minimum belastbare grondslagen. De gevolgen voor de belastingplichtige van de tekst van artikel 41 van voorliggende programmawet, zijn ook onredelijk voor de forfaitaire belastingplichtigen. Forfaitaire belastingplichtigen voeren per definitie geen bewijskrachtige boekhouding. Het bedrag van hun belastbare inkomsten wordt immers bepaald volgens de forfaitaire grondslagen zoals overeengekomen tussen de administratie en de betrokken beroepsgroeperingen. Aangezien de forfaitaire belastingplichtigen per definitie geen bewijskrachtige boekhouding voeren, kunnen zij hun werkelijke inkomen ook nooit aantonen. Ze gaan er immers terecht van uit dat ze aan het forfait zullen worden onderworpen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat wettelijk wordt bepaald dat dit bewijsmiddel moet worden gehanteerd wanneer de forfaitaire grondslagen voor het aanslagjaar worden vastgesteld. Als de forfaits gebaseerd zijn op de aankopen van de belastingplichtige, kan de fiscus steunen op de jaarlijkse opgave van de afnemers die BTW-plichtig zijn. Voor de belastingplichtigen die werkzaam zijn in de land- of tuinbouw kan de fiscus zich baseren op de beteelde oppervlakte of de aanwezige dieren.
Ons amendement strekt er dan ook toe ervoor te zorgen dat de fiscus zich altijd op de forfaitaire grondslagen baseert en bij de forfaitaire belastingplichtigen geen minimum grondslag kan heffen. Daarnaast willen we met ons amendement verhinderen dat de fiscus bij laattijdige indiening een minimum belastbare grondslag invoert wanneer de belastingplichtige wettige redenen kan inroepen. Het begrip `wettige redenen' is ruimer dan het door de rechtspraak geïnterpreteerde begrip `overmacht', wat echter niet betekent dat we een vrijgeleide vragen om laattijdigheid altijd goed te praten. Zoals ik in de toelichting bij mijn amendement heb geschreven, bestaat er een onderscheid tussen een gewone slordigheid en wettige redenen. Volgens de rechtspraak is slordigheid in hoofde van een belastingplichtige of zijn gemandateerde boekhouder geen wettige redenen om de belastingaangifte laattijdig in te dienen.
Ik zal niet lang stilstaan bij de efficiëntere inning van de fiscale vorderingen. Het gaat om een ingewikkelde operatie die al bijzonder veel energie en tijd heeft gevraagd en op juridisch gebied voor discussie vatbaar is. Had de regering al die tijd en middelen niet beter kunnen besteden aan onder meer de verbetering van de efficiëntie van onze belastingdiensten?
Over de vrijstelling van de BTW voor maatschappelijk werk en sociale zekerheid stelde ik in de commissie drie vragen. Omdat ik daarop geen antwoord kreeg, herhaal ik ze in de plenaire vergadering. Die BTW-vrijstelling, zoals bepaald in de zesde BTW-richtlijn, werd omgezet in intern recht en in de memorie van toelichting van de programmawet vermeldt de minister dat de omzetting van de richtlijn voor kritiek vatbaar is. Het is een beetje vreemd dat de minister daarop nu pas kritiek heeft aangezien de richtlijn al in 1992 is omgezet. Waarom wordt het BTW-Wetboek nu pas in overeenstemming gebracht met de zesde richtlijn?
Het nieuwe artikel 44, paragraaf 2, 2º, bevat een opsomming. Is die opsomming limitatief of puur illustratief?
Tot slot wijs ik op de schrapping van de vrijstelling van BTW op de diensten aangeboden in het raam van gezinshulp. Die specifieke vrijstelling voor diensten voor gezinshulp geldt nu voor diensten die verband houden met maatschappelijk werk. Dat kan problematisch zijn voor dienstencheques. Daarmee wordt hoofdzakelijk ingespeeld op persoonlijke of familiale noden in het dagelijkse leven die betrekking hebben op thuishulp van huishoudelijke aard. Het begrip `maatschappelijk werk' omvat veeleer de hulpverlening bij sociale en financiële moeilijkheden. Door het schrappen van de term `diensten voor gezinshulp' is het onzeker of de BTW-vrijstelling voor diensten die met dienstencheques worden betaald, nog langer vrijgesteld blijven. Het behoud van die vrijstelling is van belang want de regering heeft in december 2003 beslist om de subsidies aan de dienstenbedrijven te verlagen met het bedrag van de BTW. Als die bedrijven voortaan toch BTW zouden moeten betalen, dan zou het hele systeem van de dienstencheques in gevaar kunnen komen.
De overheveling van personeel van de federale overheidsdiensten, valt al dan niet gunstiger uit, afhankelijk van de instelling waar het personeelslid vóór de overheveling was tewerkgesteld. Zo zijn de pensioensrechten van de personeelsleden van Belgacom gewaarborgd. Dat is evenwel niet het geval voor de personeelsleden van BIAC of van Belgocontrol.
Externe personeelsmobiliteit, op zich een goede en lovenswaardige maatregel, wordt door de benadeelden terecht als onrechtvaardig ervaren. Dat diensten zoals BIAC of Belgocontrol niet over de nodige budgetten zouden beschikken, is een flauw argument, dat het gevoel van onrechtvaardigheid bij de betrokkenen zeker niet zal wegnemen.
Gelet op de argumenten die ik heb aangehaald, zal de CD&V-fractie het ontwerp van programmawet niet goedkeuren.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De programmawet bevat cruciale bepalingen met betrekking tot het gebruik van biobrandstoffen. De accijnsregimes voor biodiesel, bio-ethanol en koolzaadolie worden goed omschreven, wat voor het eerst een duidelijk signaal betekent voor de productie. Vooral voor de landbouwers is de volledige accijnsvrijstelling van koolzaadolie als motorbrandstof een zegen. Ze kunnen op basis van de nieuwe tariefregels een netwerk uitbouwen van productiecentra en afnemers. Toch blijven er nog opmerkingen en vragen. Het hoofdstuk biobrandstof is dus verre van afgesloten.
De termijn voor de accijnsvrijstelling van koolzaadolie als motorbrandstof wordt niet vermeld in de programmawet. Nochtans is die termijn van belang voor de producenten omdat ze op basis van die termijn de kosten voor hun persen kunnen afschrijven en een accijnsverhoging in hun bedrijfsplan kunnen incalculeren. Richtlijn 2003/96 bepaalt dat een fiscaal gunsttarief voor biobrandstoffen minimaal 1 en maximaal 6 jaar kan gelden. Dat gunsttarief kan één keer worden verlengd. De termijn kan dus 1 tot 12 jaar belopen. Een concreet cijfer lijkt me gewenst.
De programmawet bepaalt dat de toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor inmenging van biobrandstoffen bij koninklijk besluit worden bepaald. De regering heeft geopteerd voor een versnelde introductie van biobrandstoffen om de achterstand op Europees niveau in te halen. De productie in eigen land kan evenwel pas relatief laat - vermoedelijk in 2007 - op gang komen. De toepassingsvoorwaarden hebben een grote invloed op de uitbouw van de productiecapaciteit. Daarom is het jammer dat er op dit vlak niet eerder knopen zijn doorgehakt.
Voor benzine wordt in een vrijstelling voorzien voor een bijmenging met 7% bio-ethanol, maar voor biodiesel is de bijmengingsmaatregel gradueel, van 2,45% nu tot 5% in 2008. De productiecapaciteit voor bio-ethanol in België is nu nog vrijwel te verwaarlozen en zal pas in 2007 op volle toeren draaien. De 7% bijmenging van Belgische bio-ethanol zal daarom pas vanaf 2007 mogelijk zijn. Wellicht had men ook voor de bijmenging van bio-ethanol beter voor een geleidelijke introductie gekozen om de sector geleidelijk aan vertrouwd te maken met het product.
De discussie rond biobrandstoffen moet worden genuanceerd. De voorgestelde maatregelen zijn geen mirakeloplossing voor het broeikaseffect, maar wel een belangrijke stap vooruit. Ik ben blij dat de regering op dat vlak eindelijk haar verantwoordelijk op zich neemt. Ik zal er in de toekomst op blijven toezien dat ze dat consequent blijft doen.
Artikel 37 van deze wet zet een definitieve punt achter de ecotaksen.
Het hele verhaal van de verpakkingsheffingen is dat van een lange lijdensweg.
We weten dat de huidige minister van Financiën niet echt warm liep en loopt voor maatregelen die de verpakkingsindustrie pijn doen. Het uiteindelijke doel van de heffing, namelijk het gedrag van de consument heroriënteren naar ecologisch verantwoorde verpakkingswijzen om de last op het leefmilieu te verlichten, was nochtans een ernstige inspanning waard van zowel de burger, als de industrie en de overheid.
Uiteindelijk moesten we het stellen met een flauw afkooksel van de oorspronkelijke maatregel, namelijk een prijsverschil van 7 frank tussen herbruikbare en wegwerpverpakkingen. Dat grote verschil had het koopgedrag van de consument in de goede richting moeten stuwen. Door de afzwakking van het prijsverschil heeft het systeem van ecotaksen en ecoboni nooit gewerkt. De consument heeft zijn gedrag niet aangepast. In de grensgebieden bleek de wet zelfs een contraproductief karakter te krijgen. De burger ging net over de grens water in wegwerpflessen kopen.
Door het jarenlange verzet van pressiegroepen tegen verpakkingsheffingen en omdat het koopgedrag van de modale burger moeilijk veranderd kan worden zonder uitdrukkelijke financiële beloning, staan we nu terug bij af.
Daarenboven derft de overheid een opbrengst van 33 miljoen euro.
Toch blijf ik ervan overtuigd dat het koopgedrag van de bevolking in een andere richting gestuurd moet worden. Als de weg van de ecotaksen een foutieve weg was, dan is het de opdracht van de regering om andere paden te vinden om uiteindelijk hetzelfde resultaat te bereiken.
Tot slot wil ik nog iets zeggen over de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO).
Vanaf 1 oktober 2005 zal DAVO ook voorschotten uitkeren. Dat is een belangrijke stap om DAVO meer slagkracht te geven. Wie de evaluatie van die dienst heeft ingekeken, zal beseffen dat dit ook nodig was. Tweeduizend achthonderd ingediende dossiers op een potentieel van 120.000 is niet bepaald een succes.
Tot nu toe heeft de overheid de kosten van de voorschotten op zich genomen, via de POD Maatschappelijke Integratie. Geld via de invorderingen kwam er niet, omdat DAVO er niet in slaagde de dossiers rond te krijgen. Dat zal moeten verbeteren als de financiering van de voorschotten bij DAVO zelf komt te liggen. De vraag is of het begrotingsfonds voor de betaling van de alimentatievoorschotten wel voldoende gestijfd kan worden.
Volgens schattingen van de Raad van State zou de recuperatie van de alimentatievorderingen maar 10% tot 15% van het totaal bedragen. De rest zou dus moeten komen van dotaties, giften, de rente op de teruggevorderde voorschotten en de bijdrage van de uitkeringsgerechtigden (5%) en uitkeringsplichtigen (10%). Dat is problematisch, want de vordering van de achterstallen en voorschotten verloopt moeilijk en zal altijd moeilijk blijven verlopen. Momenteel vordert DAVO 3% van de totale som aan uitgekeerde voorschotten in.
Het probleem is dat DAVO geld probeert in te vorderen waar er geen geld is. Zo kan men bijvoorbeeld onroerende goederen opeisen om de achterstallen te betalen, maar wat voor zin heeft het iemand anders te ruïneren voor 1000 euro aan achterstallig alimentatiegeld? De instrumenten zijn er, maar de financiële marges niet. De onderfinanciering van het fonds zal volgens mij de achilleshiel blijven van DAVO. De overheid zal hierin geld moeten blijven pompen. Tom Boelaert, hoofd van DAVO, stelde dat er voor 2006 20 miljoen euro extra moet worden uitgetrokken om dat fonds voldoende te financieren. Als waarschuwing kan dat tellen.
Over de laatste wijziging betreffende DAVO kan ik kort gaan, omdat het hier een noodzakelijke aanpassing betreft. Door deze bepaling te schrappen, kan die dienst ook voorschotten uitkeren wanneer de uitkeringsplichtige in het buitenland verblijft. Dat is een goede zaak, maar de omstandigheid dat DAVO niet kan invorderen in het buitenland wordt verdoezeld. Wraakroepend is dat het zeer vaak om mensen gaat die hun alimentatiegeld wel kunnen betalen, maar dat niet willen. Ze zoeken een achterpoortje, ze nemen hun domicilie in het buitenland waar ze hun geld parkeren. Net zij blijven buiten schot, terwijl andere mensen die het moeilijker hebben wel proberen geld op te hoesten, maar dat niet kunnen en daarvoor gestraft kunnen worden. Die ongelijkheid moet de wereld uit. Hiervoor moet de FOD Financiën dringend een oplossing zoeken op Europees vlak.
In mijn betoog heb ik drie punten behandeld uit de bevoegdheidssfeer van minister Reynders. Aangezien ik een voldoende kan geven voor twee van de drie punten, zal ik de programmawet goedkeuren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - CD&V heeft bij de vorige programmawet de werkwijze van de regering scherp aangeklaagd. Die programmawet was veel te uitgebreid en bevatte tal van artikelen die met de uitvoering van de begroting niets te maken hadden. Op vraag van CD&V maakten de diensten van de Kamer toen een inventaris op van de artikelen die uitvoering gaven aan de begroting en artikelen die dat maar in beperkte mate of helemaal niet deden. Ook de Raad van State heeft herhaaldelijk deze werkwijze aangeklaagd en stelde in zijn advies van december 2004 dat hij zijn adviestaak niet meer naar behoren kon uitvoeren.
Na die kritiek heeft de regering de programmawet sterk afgeslankt en beperkt tot die artikelen die met de uivoering van de begroting te maken hebben. De andere wetswijzigingen worden nu echter opgenomen in een afzonderlijke zogenaamde mozaïekwet, door sommige regeringsleden ook vuilnisbakwet genoemd. De regering komt dus haar beloften maar gedeeltelijk na.
Voor deze programmawet heeft de regering snel gewerkt. Ze heeft voldoende tijd gegeven voor de parlementaire bespreking. In het deel Sociale Zaken werden heel wat amendementen van onze Kamerfractie aangenomen. Dat is positief, maar wij wachten nog op de mozaïekwet.
Wij betreuren dat het grondige werk van onze commissie voor de Sociale Aangelegenheden inzake de studentenarbeid door de regering wordt afgeblokt. De Senaat keurde al een gelijkaardige tekst goed, die gebaseerd was op een voorstel van collega Noreilde. Kunnen wij eenzelfde tekst tweemaal goedkeuren?
Na jarenlang aandringen maakt de regering vooruitgang inzake het statuut van de geïnterneerde. Er komen nu twee instellingen in Vlaanderen. Er wordt ook beslist dat de verzorging van psychiatrische patiënten of mentaal gehandicapten ten laste van het RIZIV komt en niet langer van justitie. Wij zijn het daar volkomen mee eens.
Op de top van Raversijde werden maatregelen uitgewerkt in verband met de compensaties bij arbeidsongevallen. De compensatie ten gunste van de werkgevers wordt nu pas in de programmawet uitgewerkt. Dat is een merkwaardige werkwijze. De regering had in Raversijde het verlies voor de werkgevers kunnen voorzien. Nu hebben de werknemers vóór de verkiezingen voor het Vlaams Parlement hun cadeau gekregen en komen de terechte bekommernissen van de werkgevers pas na de verkiezingen aan bod.
Dat was beter in één algemene maatregel geregeld.
Ik heb ook nog enige kritiek op het uitblijven van een regeling voor het werkbonussysteem. De regering wil dat systeem flexibeler aanwenden, maar het zou beter geweest zijn de verschillende doelgroepen die voordeel zouden kunnen halen uit het werkbonussysteem, in een wet te omschrijven. Daarmee zou dat systeem een wettelijke basis krijgen. Aangezien het koninklijk besluit nog niet volledig is uitgewerkt, geven we de regering eigenlijk een blanco cheque.
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Op de meeste opmerkingen en vragen om opheldering van de heer Steverlynck, mevrouw De Roeck en mevrouw De Schamphelaere is in de commissies al uitvoering ingegaan. Ik denk niet dat we daar nog in detail moeten op in gaan. Toch wil ik op enkele belangrijke elementen wijzen.
Twee sprekers hadden het over het beleid inzake biobrandstoffen. Iedereen is het erover eens dat België op de goede weg is. Er worden proefprojecten gestart in Wanze en in Gent en men gewaagt zelfs van een zegen voor de landbouwers. We gaan de uitdaging aan. Dat daarover een discussie op gang komt tussen de gewesten en de Federale Staat is normaal. Ik verzeker u echter dat de diensten van Financiën al het nodige zullen doen om dat dossier met succes af te ronden. We zullen beslist de Europese regels naleven. We gaan zelfs proberen nog verder te gaan om ook de ecologische vereisten te doen respecteren.
Er is ook gesproken over de prijs van de brandstof en de omgekeerde cliquet. Daarover is al vaak gedebatteerd, zowel hier als in de Kamer. Ik kan niet zeggen of we over enkele maanden, of zelfs voor de begroting 2006, de omgekeerde cliquet nog zullen toepassen, noch welke criteria en welke drempels daarvoor zouden worden gehanteerd. Ik kan de prijsevolutie voor olieproducten op de internationale markt immers niet voorspellen. De regering zal die evolutie blijven volgen en de nodige maatregelen treffen.
Wat de verpakkingsheffing betreft, hebben we na enkele maanden gemerkt dat de consument zich niet gedroeg zoals we hadden verwacht. Het lijkt mij dan ook verantwoord die maatregel in te trekken. Voor dergelijke maatregelen, zoals ook de verhoging van de accijnzen op tabak, moeten we ruimer denken en niet doen alsof België een eiland is. De consumenten kennen ook op de aanbiedingen in de buurlanden. We mogen niet uit het oog verliezen dat 40% van de Belgische bevolking op minder dan 25 km van een grens woont. Daardoor kunnen ze hun gedrag aanpassen. Menig consument is zich voor water dan ook aan de andere kant van de grens gaan bevoorraden, vooral in Frankrijk. De reportages die we de jongste dagen op de televisie hebben gezien, zijn duidelijk.
Ook over de forfaitaire belasting voor de vrije beroepen en de ondernemingen bij niet-aangifte of laattijdige indiening van de aangifte is in de bevoegde commissie in Kamer en Senaat langdurig gedebatteerd.
Er bestaat geen enkele objectieve reden om in ons recht een verschillende behandeling te behouden voor buitenlandse en voor Belgische ondernemingen of zelfstandigen.
We moeten ons aanpassen; we leven immers niet meer in de jaren '40 of '50, toen die regelingen werden ingevoerd uit protectionistisch of discriminatoire overwegingen.
Het is niet gemakkelijk een onderscheid te maken tussen een laattijdige belastingaangifte en een niet-aangifte. De minister van Financiën, de FOD Financiën en al wie een cijferberoep uitoefent kunnen dat beamen. Normaal gezien is er sprake van een laattijdige aangifte wanneer de termijn beperkt is, maar men kan uiteraard nooit raden wanneer een belastingplichtige effectief zijn aangifte zal indienen. Verschillende sprekers hebben gevraagd een onderscheid te maken tussen beide begrippen. Kunnen zij me zeggen vanaf welk ogenblik men ervan kan uitgaan dat een belastingplichtige zijn aangifte waarschijnlijk niet binnen een redelijke termijn zal indienen?
De belastingdiensten hebben problemen gehad met het drukken en versturen van de aangiften, maar geef toe, ze hebben zich in vele opzichten ook gemoderniseerd. Dat is vooral het geval voor de drukkerij van Financiën. We gaan naar een systeem waarbij de aangiften worden ingescand en de termijnen worden gerespecteerd. In onze buurlanden, die versneld overgegaan zijn tot de modernisering van hun belastingadministratie, wordt dat soort debatten vrijwel niet meer gevoerd. Daar is het tijdig indienen van zijn belastingaangifte om aldus te vermijden dat de Staat zelf de aanslag vaststelt, als vanzelfsprekend. Wij moeten ook die logica volgen. Dat verhinderd niet dat de contacten tussen belastingdiensten en belastingplichtigen humaan kunnen verlopen. Mensen kunnen het immers wegens persoonlijke, economische, familiale of gezondheidsproblemen, moeilijkheid hebben om de ingewikkelde administratieve formaliteiten te vervullen. Ik heb in bijna alle provincies verschillende taxatie- en controlediensten bezocht, en ik kan u zeggen dat de zaken steeds meer op een menselijke manier worden aangepakt.
Als iemand die problemen ondervindt en contact opneemt met de belastingambtenaar, de controleur of de directeur, en als die persoon ernstige redenen heeft, te goeder trouw handelt of te maken heeft met overmacht, wordt het uitstel dat hij of zijn boekhouder vraagt zeer dikwijls toegestaan. Ik denk dus dat problemen worden opgeblazen die op het terrein niet bestaan.
Daar tegenover staat dat op één jaar tijd 13.000 zware recidivisten hun aangifte niet hebben ingediend. Wanneer dat wordt opgemerkt en een zware aanslag wordt gevestigd, blijkt nadien dat het zeer moeilijk is van die personen of ondernemingen het geld te vorderen dat de Staat toekomt.
Men moet weten wat men wil. Enerzijds vraagt men ons de schatkist op objectieve wijze te vullen en, anderzijds, wil men een menselijke aanpak. We vragen zakenlui hun aangifte tijdig in te dienen of tijdig uitstel te vragen als ze moeilijkheden ondervinden.
Logischerwijze zou dat geen probleem mogen zijn. Ik vraag me dan ook af waarom daarover zoveel heisa wordt gemaakt. Elkeen moet in deze zijn verantwoordelijkheid op zich nemen.
Op 15 juli ondertekenen we een algemeen protocol met de cijferberoepen. Niets belet ons dat samenwerkingsprotocol tussen de Staat en de economische- en cijferberoepen de komende maanden nog aan te vullen teneinde aan te sturen op meer stiptheid bij het indienen van de aangiften.
Ook de effectisering kwam ter sprake. Dat is een nieuw woord in ons fiscale jargon.
Het is een nieuw procédé dat al in verschillende landen wordt toegepast, met name in Italië. En blijkbaar met succes. We moeten dus al het mogelijke doen om het in goede omstandigheden te kunnen toepassen.
Op juridisch gebied is het dus wel degelijk een nieuw mechanisme, mijnheer Steverlynck. Niets belet ons vindingrijk te zijn om te proberen achterstallige belastingen in te vorderen, temeer daar die in ons land 25 miljard euro bedragen.
Men schermt met dat cijfer in de pers, maar als we dan met nieuwe procedures afkomen om die achterstand weg te werken, stuiten we op problemen inzake de toepassing en juridische interpretatie. Alles zou in goede omstandigheden moeten verlopen, dankzij de inzet van allen die aan dat dossier werken en de huidige administratieve ontwikkelingen, vooral in het kader van de effectisering.
De heer Steverlynck had het ook over maatschappelijk werk en gezinshulp, onderwerpen die in onze debatten niet aan bod zijn gekomen. De opsomming is niet beperkend, maar illustratief. Daarover moeten we duidelijk zijn. Dat het begrip maatschappelijk werk in de plaats komt van het begrip gezinshulp, betekent niet dat er iets verloren gaat, maar wel dat het begrip een ruimere dimensie krijgt.
Naast het beleid inzake biobrandstoffen en de verpakkingsheffing had mevrouw De Roeck het ook nog over de alimentatievorderingen.
Het systeem van de voorschotten blijft van kracht tot 1 oktober. Daartoe werd in een specifieke dotatie van de regering voorzien. In 2006 zullen we zien of dat volstaat. Ik kan echter niet voorspellen hoeveel zal worden teruggevorderd van de onderhoudsplichtigen. Het zou alleszins een slecht signaal zijn nu al te zeggen dat het volledige bedrag gedekt wordt door een dotatie van de regering of door het geld van de Staat. We moeten alles in het werk stellen opdat de diensten van DAVO de bedragen via alle rechtsmiddelen kunnen terugvorderen van de onderhoudsplichtigen, ongeacht of ze in België of in het buitenland gedomicilieerd zijn.
Bij ontstentenis van een ander samenwerkingsakkoord terzake, worden de regels van het gerechtelijk recht toegepast voor de terugvorderingen in het buitenland. Als we via een exequatur moeten vervolgen, zullen we dat doen. Het zou een slecht signaal zijn te zeggen dat we voor duizend euro geen vervolging instellen of geen roerend beslag laten leggen bij de onderhoudsplichtige. Het afzien van elke mogelijkheid tot roerend of onroerend beslag in geval van kleine schuldvorderingen zou neerkomen op straffeloosheid.
De Dienst voor Alimentatievorderingen, die versterkt werd en gespecialiseerd is op dat domein, zal alles in het werk stellen om de vorderingen te recupereren, bijvoorbeeld door een beroep te doen op advocaten.
Het evaluatiecomité, dat dezer dagen moet worden opgericht, zal eind 2005 of begin 2006 een verslag indienen over de wijze waarop de dienst dit jaar heeft gewerkt. De dienst moet meer ruchtbaarheid krijgen, zodat de betrokkenen beter worden ingelicht over hun rechten en mogelijkheden. Bij de aanvang van het nieuwe parlementaire jaar zullen we in dat verband meer actie voeren.
Gelet op de inspanningen die werden geleverd, zou de dienst in goede omstandigheden moeten kunnen functioneren. De minister en ikzelf garanderen dat, als er financieringsproblemen rijzen voor de onderhoudsgerechtigden, de regering haar verantwoordelijkheid niet uit de weg zal gaan. De eerste debiteur blijft hoe dan ook de onderhoudsplichtige die bij gerechtelijke beslissing werd veroordeeld.
Mevrouw De Schamphelaere had meer algemene opmerkingen over de inhoud van de programmawet en de mozaïekwet. Daarop zal één van mijn collega's antwoorden, want dat zijn eerder problemen van politieke aard.
De voorzitter. - De Parlementaire overlegcommissie heeft zopas beslist dat ook de `mozaïekwet' met spoed wordt behandeld.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord met betrekking tot de BTW-vrijstelling voor de diensten voor gezinshulp. Dat kan de sector geruststellen.
Ik heb daarstraks een aantal cijfers naar voren gebracht met betrekking tot de stijging van accijnzen en BTW waaruit duidelijk blijkt dat de consument vandaag aan de pomp al te maken krijgt met een verhoging van de brandstofprijzen met ongeveer 30%. Hij ondervindt dus concreet wat de getroffen maatregelen betekenen. Dat zal nog toenemen, niet alleen omdat de olieprijzen de pan uit swingen maar ook door het beleid van de regering.
Wat de minimum belastbare grondslag betreft zullen de ambtenaren de problemen van de bonafide belastingplichtige blijkbaar op een menselijke manier aanpakken. Ik blijf er echter bij dat een juridisch instrument wordt gecreëerd dat door sommigen, zij het juridisch correct, toch kan worden gebruikt op een manier die het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de belastingplichtige in het gedrang brengt. Daarom willen we ons amendement, dat ik daarstraks heb toegelicht, aanhouden. Het strekt ertoe ervoor te zorgen dat de minimumbelastbare grondslag niet kan worden toegepast voor forfaitaire belastingplichtigen en evenmin als voor de laattijdige indiening van de belastingaangifte wettige redenen kunnen worden ingeroepen.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor de gerichte antwoorden. In verband met de Dienst voor Alimentatievorderingen was mijn tussenkomst misschien erg kritisch, maar dat is omdat we al jaren, vaak samen met collega's vrouwelijke senatoren, veel werk in die materie hebben gestoken. We zijn erover verheugd dat we staan waar we staan, maar blijven de zaken volgen. Als parlementslid is het onze taak de vinger op de wonde te leggen.
Ik ben er ook over verheugd dat we wat de biobrandstoffen betreft eindelijk vooruitgang hebben geboekt. Beter laat dan nooit. We moeten er wel voor zorgen dat de consument ertoe wordt aangezet de juiste brandstof te tanken.
Wat de ecotaksen betreft ben ik heel ongelukkig over het samenspel van de minister met de verpakkingsindustrie en vooral ook over de houding van de burger, die blijkbaar niet tot gedragsverandering te bewegen is als hij er financiële niet genoeg bij te winnen heeft. Ik weet niet welke weg we in de toekomst moeten inslaan om daarin verandering te brengen. Ik hoop dat we op het groene spoor blijven doorgaan, al besef ik wel dat de ecotaksen een gemiste kans zijn geweest. Ik vind dat spijtig, maar we moeten ons daarbij neer leggen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissies is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1820/18.)
De voorzitter. - Op artikel 41 heeft de heer Steverlynck amendement 1 ingediend (zie stuk 3-1254/2) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 342, §3, vervangen als volgt:
"§3 Wanneer de belastingplichtige geen wettige redenen aantoont die hem beletten een aangifte in te dienen of de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast te verhelpen uiterlijk de dag voor de verzending van de kennisgeving van aanslag van ambtswege bepaalt de Koning, met inachtneming van de in §1, eerste lid vermelde voorwaarden, het minimum van de winst of baten dat belastbaar is ten name van de ondernemingen of vrije beroepen. De minima kunnen niet toegepast worden indien forfaitaire grondslagen voor het aanslagjaar worden vastgesteld overeenkomstig §1, tweede lid."
-De stemming over het amendement wordt aangehouden.
-De aangehouden stemming en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 12.10 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de dames Hermans en Vanlerberghe en de heer Destexhe, wegens andere plichten, mevrouw Van dermeersch en de heer Nimmegeers, om gezondheidsredenen, mevrouw Kapompolé, de heren Dedecker en Lionel Vandenberghe, in het buitenland, mevrouw Van de Casteele, om familiale redenen.
-Voor kennisgeving aangenomen.