2-9com

2-9com

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

2-9com

Handelingen - Nederlandse versie

WOENSDAG 19 MAART 2003 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de Belgische subsidie voor de voorbereiding van een toekomstig programma voor georganiseerde opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-957)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-962)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de organisatie en de financiering van de opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-968)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de verslaggeving van het Federaal borstvoedingscomité» (nr. 2-956)


Voorzitter: de heer Jean Cornil, eerste ondervoorzitter

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de Belgische subsidie voor de voorbereiding van een toekomstig programma voor georganiseerde opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-957)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-962)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de organisatie en de financiering van de opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-968)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Samen met borstkanker is baarmoederhalskanker een van de meest voorkomende kankers bij volwassen vrouwen. Baarmoederhalskanker kan mits tijdige opsporing vrij gemakkelijk worden genezen. Ook kan de ziekte in een vroeg stadium worden ontdekt via de opsporing van het HPV-virus, het humaan papillomavirus, de belangrijkste oorzakelijke factor. Het wetenschappelijk onderzoek terzake is al ver gevorderd. De systematische screening moet grondig worden voorbereid om de talrijke problemen van de mammotestcampagne te vermijden.

De huidige regering heeft al meerdere malen haar steun toegezegd aan het voorbereidend onderzoek en ze had zich ertoe geëngageerd een toekomstig programma mee te financieren. In 2002 was voor dat onderzoek een Europese subsidie van 150.000 euro vrijgemaakt; om dat geld te krijgen moest de Belgische regering een identiek bedrag bijpassen. In 2002 heeft de Kamer eenparig een resolutie tot preventieve bestrijding van baarmoederhalskanker aangenomen. Op een vraag van mevrouw Descheemaeker beloofde toenmalig minister van Volksgezondheid, mevrouw Aelvoet, ervoor te zullen pleiten dat de Belgische regering de nodige 150.000 euro zou bijpassen.

Eind 2002 bleek dat de subsidie voor 2002 niet zou worden toegekend; evenmin was in de begroting 2003 een budget vastgelegd. De Europese subsidie voor 2003 bedraagt 159.000 euro. Het Belgisch Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, het WIV, werd tevens gevraagd de evaluatie van nieuwe screeningmethoden in de Europese Unie te coördineren.

We blijven overtuigd van het belang van die opdracht en we hebben dan ook geprobeerd om via de programmawet een correctie op de federale begroting 2003 aan te brengen. Een CD&V-amendement om in de begroting 2003 een budget in te schrijven voor de verdere voorbereiding van een systematische screening naar baarmoederhalskanker en onderzoek dienaangaande, werd door de meerderheid echter verworpen.

Houdt de minister zich aan de beloften die zijn voorgangster heeft gedaan? Zal hij het nodige doen om in de begroting 2003 middelen in te schrijven zodat het onderzoek van het WIV kan worden voortgezet en de knowhow niet verloren gaat? Tot nu toe verschool de regering zich altijd achter de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gemeenschappen. Jarenlang hebben we dezelfde discussie gevoerd over de mammografieën en borstkanker. Uiteindelijk is twee jaar geleden daarvoor een oplossing gevonden. Ook in het dossier baarmoederhalskanker werpt de federale overheid op dat niet zij, maar de gemeenschappen bevoegd is voor het opstarten van campagnes enzovoort.

Het gaat daarbij echter niet om het opzetten van campagnes - wat inderdaad een gemeenschapsbevoegdheid is -, maar om de verdieping van het wetenschappelijk onderzoek, het opstellen van guidelines in samenwerking met de wetenschappelijke verenigingen en de beroepsverenigingen van huisartsen en specialisten en eventueel ook om de terugbetaling van patiënten die aan het onderzoek meewerken.

Bijkomend kan het ook gaan om de epidemiologische verwerking van de onderzoeksgegevens.

Ik denk dat de minister zich dus op geen enkele manier achter een bevoegdheidsverdeling kan verschuilen en dat er ten minste een samenwerking moet komen tussen de federale en de gemeenschapsoverheid. De expertise van het WIV en de voortrekkersrol die het instituut op dat terrein speelt - overigens ook inzake het onderzoek naar colonkanker - mag niet op de helling komen te staan en dat gevaar dreigt vandaag wel door het ontbreken van overgangsmaatregelen.

Intussen heeft dokter Ulrich Schenck, de coördinator voor het Duitse deel van het onderzoek, mij in een brief bevestigd dat indien de Belgische partner het werk niet kan voortzetten, het hele Europese project wel eens in gevaar zou kunnen komen. Als België de continuďteit van het project niet kan garanderen dan is dat dus niet alleen desastreus voor onze eigen bevolking, maar ook voor de Europese opvolging van het project en voor de andere partners. De ploeg van het WIV is immers belast met de coördinatie van het onderzoek voor Europa en de redactie van de guidelines. De Belgische cel is dus een referentiepunt geworden voor de andere landen in het project.

Mijn laatste punt gaat over de terugbetaling aan vrouwen die meewerken aan het onderzoek. De voorbije dagen heb ik in mijn provincie, West-Vlaanderen, contact gehad met de provinciale overheid, die een proefproject rond opsporing van baarmoederhalskanker heeft lopen om de doelgroep van de vierde wereld beter te bereiken. Zoals de minister weet, stippelen provincies - en terecht - ook een armoedebeleid uit en in mijn provincie wordt daar hard aan gewerkt. Het proefproject rond opsporing van baarmoederhalskanker kadert daarin. Onder andere in de regio Menen probeert men daarmee vrouwen uit de armste lagen van de bevolking te bereiken. Het proefproject loopt al een tijd en in een eerste fase werd naar 8.287 vrouwen een uitnodiging verstuurd.

Hoewel ze heel doelgericht zijn benaderd, is nauwelijks één procent van de doelgroep ingegaan op de uitnodiging.

In de discussie die we een paar maanden geleden met minister Aelvoet en deskundigen over screening hebben gevoerd, is overigens gebleken dat er in België zowel een probleem van onder- als overscreening bestaat. Aan de ene kant laten sommige vrouwen zich te veel screenen, wat de sociale zekerheid veel geld kost, terwijl aan de andere kant een hele groep niet wordt bereikt. Dat is de echte risicogroep. In het proefproject van Menen is duidelijk aan het licht gekomen dat mensen van de vierde wereld of van het OCMW-publiek daarbij horen. Zelfs met een gerichte campagne van de provincie bereiken we maar 1,3 procent van de geviseerde vrouwen. Een van de voorlopige conclusies van de eerste campagne van de provincie West-Vlaanderen is dan ook dat dit soort onderzoek integraal moet worden terugbetaald. Uit gesprekken met vrouwen van de doelgroep blijkt immers dat velen onder hen, zelfs na herhaaldelijke uitnodiging, geen screening laten doen wegens het remgeld. Dat bedraagt zeven euro bij de huisarts en tien euro bij de gynaecoloog. Voor iemand met een baan en een normaal inkomen is dat geen groot bedrag, maar voor de armsten van onze samenleving werkt dat duidelijk ontradend. Die vaststellingen zijn belangrijk omdat ze de problematiek van over- en onderscreening zeer treffend illustreren en tegelijk onderstrepen dat een optimaal bereik van de doelgroep maar mogelijk is door een goed georganiseerde systematische screeningcampagne. Verder zetten die vaststellingen de federale dimensie in de kijker: voor de armste groepen is de kostprijs van het onderzoek een hinderpaal en die kan alleen op federaal vlak worden weggewerkt. Ik hoop dan ook dat de minister niet ongevoelig is voor die problematiek. Ik herhaal dat ook het wetenschappelijk onderzoek voor een groot deel nog een federale bevoegdheid is.

Om al die redenen wil ik graag van de minister antwoord op volgende concrete vragen.

Kan de minister bevestigen of mijn informatie juist is?

Kunnen de budgetten voor 2002 nog worden bijgepast? Zelf acht ik dat bijna niet mogelijk. De minister kan daarom hopelijk wel toelichten hoe het project kan worden gekaderd in de begroting voor 2003. De regering heeft al een nieuwe programmawet ingediend. Misschien kunnen we die te baat nemen om alsnog het budget aan te passen zodat genoemde project niet in het gedrang komt, niet voor onszelf en ook niet voor Europa. Ik zal alleszins een amendement in die zin op de programmawet indienen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Het is niet toevallig dat verschillende parlementsleden samen het initiatief nemen de minister over baarmoederhalskanker te ondervragen. We zijn namelijk gealarmeerd door het feit dat het Europese onderzoekssubsidie in het gedrang komt omdat er in ons land geen goed georganiseerde screening van baarmoederhalskanker bestaat.

Ik besef dat de problematiek al meer dan een jaar geblokkeerd zit tussen de gemeenschappen die bevoegd zijn voor de preventie, en de federale overheid tot wie de Europese Unie zich heeft gericht, en die voor een deel nog bevoegd is voor het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. Dat is een samenwerkingsverband van federale instanties waarin echter ook de gemeenschappen kunnen participeren.

Ter aanvulling van wat mevrouw de Bethune al heeft gezegd, wil ik in het kort schetsen wat er vandaag in België gebeurt op het vlak van screening van baarmoederhalskanker.

Een eerste vaststelling is dat de bevoegdheid daarvoor jammer genoeg erg versnipperd is. De screening van borstkanker wordt wel gecoördineerd door de Vlaamse Gemeenschap, maar inzake baarmoederhalskanker heeft er om zo te zeggen een koehandel plaatsgevonden waarbij de provincies, omdat ze dat eisten, een preventiebevoegdheid kregen toegewezen.

Alleen de provincie Limburg presteert nogal goed. Volgens een rapport dat enkele dagen geleden is gepubliceerd, schommelt de participatie in de verschillende Limburgse gemeenten tussen 20% en 80%. Al is dat vergeleken met andere provincies een goed resultaat, toch kunnen we niet zeggen dat de screening ons tevreden kan stellen.

Zoals mevrouw de Bethune al zei, worden sommige vrouwen te veel gescreend en andere - minstens een derde - helemaal niet. Vooral vrouwen uit de lagere sociale klassen voor wie het risico van baarmoederhalskanker groter is, worden niet gescreend.

Ik stel ook vast dat er nog heel wat problemen van kwaliteitsbewaking zijn, zowel bij de afname van de uitstrijkjes als bij de beoordeling door de laboratoria.

Mijn vraag is dan ook dat de federale overheid, althans tijdelijk, nog een coördinerende rol zou opnemen om de expertise die nog aanwezig is in haar federaal coördinatiecentrum, ter beschikking te stellen van de gemeenschappen, en om de gemeenschappen te dwingen om de screening op een meer wetenschappelijk verantwoorde manier te organiseren. Het federaal coördinatiecentrum kan de volgende taken op zich nemen:

De bevoegde minister in Vlaanderen behoort tot dezelfde politieke groep als de federale minister. De situatie op het terrein is dermate slecht dat ik de minister vraag om het beleid bij te sturen.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Het belangrijkste is gezegd. Er is inzonderheid gewezen op het belang van de volksgezondheid, op de mortaliteit als gevolg van baarmoederhalskanker en op de opsporingscampagnes. Nu zou ik graag hebben dat de woorden gevolgd worden door daden. De Kamer heeft zich al over het probleem gebogen. Op 18 oktober 2001 heeft ze eenparig een resolutie aangenomen waarin gevraagd wordt een nationaal programma voor de opsporing van baarmoederhalskanker op te zetten, in overleg met de gemeenschappen. Hoe staat het daarmee? Werd rekening gehouden met de opmerkingen die toen in de Kamer werden gemaakt? Het betrof vooral de wijze waarop die opsporing moet gebeuren, de karakteristieken die moeten worden voorgesteld en de moeilijkheden die rijzen bij het uitvoeren van de opsporing. We hebben immers vastgesteld dat de inspanningen soms weinig efficiënt en weinig samenhangend waren en dat ze verschillend waren naar gelang van de gemeenschap en het gewest. Het kon beter en er waren protocollen nodig voor een betere kwaliteit.

We hadden een Europese financiering kunnen krijgen om ons te helpen gestandaardiseerde protocollen in te voeren en de opsporing van baarmoederhalskanker te verbeteren. Op mijn vraag van 12 december laatstleden hebt u geantwoord dat 159.000 euro verloren gegaan is omdat het niet mogelijk was een akkoord te bereiken. Dat is ergerlijk, aangezien de regering zegt dat eerstelijnszorg, preventie en bevordering van de gezondheid tot haar prioriteit behoren. We stellen echter vast dat België voor een zo belangrijke aangelegenheid achterop hinkt. Ons land is één van de weinige landen die het Europees programma niet hebben overgenomen en die de Europese subsidies niet hebben gevraagd om hun programma voor de opsporing van baarmoederhalskanker te verbeteren. Ik betreur dat.

Ik heb vernomen dat we misschien nog een gedeelte van dat bedrag kunnen krijgen. Is dat waar? Hoeveel? Op 12 december hebt u mij geantwoord dat we niets zouden krijgen, inzonderheid omdat de Franse Gemeenschap dit probleem niet als één van haar prioriteiten beschouwde. Minister Maréchal heeft onlangs echter verklaard dat na borstkanker baarmoederhalskanker voor haar zeer belangrijk is. Ze wil er zelfs vanaf 2004 een prioriteit van te maken voor de Franse Gemeenschap. Het lijkt me echter niet erg logisch nu geld te laten schieten, maar wel verklaringen over de toekomst af te leggen.

Er bestaan reeds lang moeilijkheden inzake preventie en opsporing. Is het ogenblik niet aangebroken om opheldering te geven over de inspanningen van de federale regering, de gemeenschappen en de gewesten terzake?

Zijn wij dan niet in staat om degelijke programma's op te zetten? Men had het over borstkanker en baarmoederhalskanker. Ook voor hepatitis C zou meer steun moeten komen en een ernstiger preventie- en opsporingsprogramma. Dat wordt allemaal systematisch gedwarsboomd door de meningsverschillen inzake prioriteiten en methodologie. Het is tijd dat de politiek zich op een ernstiger manier met die problemen bezighoudt en duidelijkheid schept. De federale Staat moet terzake een grotere verantwoordelijkheid op zich nemen.

Het gaat om prioritaire gezondheidsproblemen. Als we die veronachtzamen, zal dat gevolgen hebben voor de volksgezondheid en de federale begroting voor volksgezondheid. Het is dan ook volkomen logisch en verantwoord dat de federale Staat op dat gebied een leidende rol speelt.

Ik zou graag de mening van de minister daarover vernemen.

De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik deel de bezorgdheid van mijn collega's en ik zou graag een balans krijgen van de campagne voor de opsporing van borstkanker. Dat was een goed initiatief van senatoren, waarop de huidige regering onmiddellijk gunstig heeft gereageerd. Het is de eerste maal dat de wil bestaat om een systematische opsporing te organiseren die gecoördineerd wordt door de federale overheid en de gemeenschappen, en die op adequate wijze wetenschappelijk wordt ondersteund.

Nu we met een ander soort opsporing willen beginnen, zou het interessant zijn dat we over die balans kunnen beschikken.

We moeten weten voor welke uitdaging we staan om op wetenschappelijk verantwoorde wijze te kunnen werken. Dit mag niet een loze intentieverklaring zijn of een manier van enige overheid om zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Honderden sterfgevallen kunnen worden voorkomen.

Ik ben er ook voorstander van dat België en zijn deelgebieden op de één of andere manier het Europese programma volgen. Het zou echt jammer zijn als België dat niet doet.

Ik wijs de heer Dallemagne erop dat de Franse Gemeenschap gelijk heeft dat ze geen campagnes opzet waarvoor de ze middelen niet heeft. Hij weet net zo goed als ik dat ze in 2004 over de nodige middelen zal beschikken. Het strekt de Franse Gemeenschap tot eer dat ze zich soms bescheiden opstelt. Slecht uitgevoerde of slecht begeleide programma's zijn ontmoedigend. Op het gebied van volksgezondheid mogen we ons slechts engageren als we de mensen een ernstig antwoord kunnen geven. Toen de campagne voor de opsporing van borstkanker van start ging bijvoorbeeld, konden de radiologen van de Franse Gemeenschap die beantwoordden aan de Europese normen op de vingers van één hand worden geteld.

De overheid moesten dus wachten tot er voldoende radiologiediensten erkend waren op basis van die kwaliteitsnormen om in alle eerlijkheid een campagne op te zetten. Die voorzichtigheid van de overheid van de Franse Gemeenschap is eerder een goed teken voor de volksgezondheid.

Ik wil het nu hebben over de oproeping en de deelname van de doelgroepen, vooral dan de vierde wereld. Ik heb lange tijd bij die bevolkingsgroepen gewerkt. Daar rijst niet alleen het probleem van de kostprijs, maar ook een uiterst belangrijk sociaal-cultureel probleem. Om die campagnes te doen slagen, is in dat milieu een aanmoediging nodig en een soort sociaal-culturele begeleiding. Veel campagnes mislukken omdat de medische en sociaal-culturele voorbereiding ontoereikend is. Er zou moeten worden samengewerkt met het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van het Brussels Gewest, dat gezondheid en welzijn aan elkaar heeft gekoppeld om gericht te kunnen optreden. Dit bicommunautaire observatorium heeft al enkele jaren tot taak een jaarlijkse balans van de armoede in het Brussels Gewest op te maken en de situatie van de gezondheid in dat Gewest te volgen. De minister kan steunen op de ervaring van die groep specialisten wanneer hij de nieuwe opsporingscampagne op stapel zet.

De heer Jan Remans (VLD). - Ik wens in te gaan op wat de heer Galand zei. Niet alleen de uitnodiging, maar ook de opvolging is belangrijk. De opvolging moet echter gecoördineerd gebeuren. De preventiecampagnes worden immers zowel door de gemeenschappen als door het federale niveau georganiseerd, met als gevolg dat ze op uiteenlopende wijze worden geďnterpreteerd.

De heer Galand heeft ook gewezen op de culturele verschillen tussen Wallonië, Brussel en Vlaanderen. Die verschillen zijn niet alleen te wijten aan de artsen. Zo wordt hepatitis B-vaccinatie voor risicogroepen, onder wie de medici en paramedici, vergoed door het Fonds voor de Beroepsziekten. Toch is het aantal vaccinaties in Vlaanderen veel groter dan in Wallonië en Brussel omdat het Vlaamse beleid veel meer dan het Waalse op preventie is gericht. In Wallonië neemt men veeleer zijn toevlucht tot het vergoeden van de schade. Dezelfde doelgroep wordt dus volledig anders bejegend in het noorden en het zuiden van het land.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid heeft enkele jaren geleden reeds een waardevol onderzoek gevoerd naar een efficiënte methode om baarmoederhalskanker op te sporen.

Dit onderzoek werd voor een periode van vijf jaar door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd. Het onderzoek kwam in aanmerking voor Europese subsidiëring op voorwaarde dat ook de Vlaamse Gemeenschap een gedeelte financierde.

Na vijf jaar heeft de Vlaamse Gemeenschap het onderzoek afgesloten. Daarmee kwam ook een einde aan de financiering door de Vlaamse Gemeenschap. Het programma werd evenmin voorgezet door de Franse Gemeenschap. Omwille van de expertise die hij via het Vlaamse programma opbouwde, kreeg de onderzoeker van het WIV een coördinatierol toegewezen in het Europese programma ter bestrijding van de baarmoederhalskanker.

Na vijf jaar werd het onderzoek wat België of correcter wat Vlaanderen betreft, afgerond.

Op de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid in 2002 hebben de bevoegde ministers van de verschillende entiteiten het thema `baarmoederhalskankerscreening' besproken. Uiteraard moeten ook in een beleid inzake volksgezondheid op een bepaald ogenblik keuzes worden gemaakt en prioriteiten worden vastgelegd. De federale ministers van Sociale Zaken en van Volksgezondheid hadden in samenwerking met de bevoegde ministers van de Gemeenschappen en Gewesten net de grootschalige en systematische opsporingscampagne voor borstkanker opgestart. Er werd dan ook beslist om eerst die campagne tot een goed einde te brengen. Nadien zou een evaluatie van het onderzoek worden gemaakt zodat de nodige lessen met betrekking tot de inhoud en de samenwerking zouden kunnen worden getrokken. De campagne rond borstkanker is nog niet afgerond; in de loop van 2003 vinden nog tal van activiteiten plaats en daarna moet de evaluatie nog worden gemaakt.

Vóór 2004 zal niet worden begonnen met een volgende campagne, zoals de systematische screening van baarmoederhalskanker. Het is dan ook voorbarig om nu reeds uitspraken te doen over een mogelijke taakverdeling tussen de betrokken partijen. Het zou logisch zijn dat het WIV gezien zijn expertise in een toekomstig initiatief een coördinerende rol krijgt, maar alle partijen moeten hiermee instemmen.

Aangezien het initiatief voor preventieve campagnes op het vlak van de volksgezondheid duidelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort, is er op dit ogenblik geen oplossing voor de medefinanciering van het Europese programma. Het staat het WIV natuurlijk vrij om uit zijn eigen middelen te putten om de bijdrage voor het Europese programma aan te vullen en zijn coördinerende rol te blijven vervullen. Blijkbaar heeft het WIV hier niet toe besloten.

Ik nodig de vraagstellers dan ook uit om even na te denken over de bevoegdheidsverdeling, zoals die in ons land is geregeld. Ik begrijp dat de heer Vankrunkelsven enkele aarzelende aanbevelingen doet. Er kan een subtiel onderscheid worden gemaakt tussen de zuivere preventie enerzijds en de onderzoeken die weliswaar verband houden met de preventie, maar geen loutere preventie zijn anderzijds.

Het is hoe dan ook duidelijk dat onderzoek in dat verband moet worden gevoerd op basis van overeenstemming tussen de verschillende niveaus. Het federale niveau kan in geen geval op eigen houtje initiatieven nemen, als de andere niet mee doen. Bovendien moet het geheel gekaderd worden in een prioriteitenplan. Op die manier werd daarover ook gediscussieerd in de interministeriële conferenties. Als prioriteit werd nu borstkankerscreening naar voor geschoven en wanneer dat project is afgewerkt, kunnen er andere worden opgestart. Bovendien moeten bij het opzetten van een gezamenlijke campagne idealiter alle gemeenschappen meewerken, dat wil zeggen meefinancieren. Tot nu toe werd het programma rond borstkankerscreening gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap, die het als afgerond beschouwt, aangezien ze andere prioriteiten heeft. Indien men inderdaad in Europees verband wil voortwerken, dan wordt men natuurlijk geconfronteerd met een overbruggingsperiode, maar ook daarbij moet rekening worden gehouden met prioriteiten en dan ligt de bal bij het bevoegde instituut.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik heb hier twee opmerkingen bij. Ten eerste is het evident dat ik voorstander blijf van een bevoegdheid `in één hand', omdat preventie en curatieve geneeskunde niet echt goed uit elkaar te halen zijn en het nu wel duidelijk is dat er in de Vlaamse diensten te weinig competentie en kritische massa aanwezig zijn om grootschalige operaties op te zetten. Dat is een groot probleem, dat oplosbaar wordt als we de gezondheidszorg helemaal naar de gemeenschappen overhevelen. Ik ben daar een groot voorstander van, maar op het vlak van de financiering opteer ik wel voor solidariteit tussen de gemeenschappen. Als we zo'n systeem goed kunnen uitwerken, zou de gezondheidszorg in de meest brede zin van het woord daar erg mee gediend zijn en zouden in het noorden en zuiden van het land de noodzakelijke verschillende accenten kunnen worden gelegd.

Ten tweede is de minister in zijn antwoord met een grote boog om het eigenlijke probleem heen gelopen, namelijk dat in ons land honderdduizenden vrouwen niet worden gescreend en dat daardoor een honderd ŕ tweehonderd vrouwen die met een goede screening gered hadden kunnen worden, aan baarmoederhalskanker overlijden. Perfectie is niet van deze wereld, maar ons land moet ten minste het niveau van Denemarken kunnen halen waar de screening tachtig ŕ negentig procent van de bevolking bereikt en dus het aantal kankers reduceert. In andere Scandinavische landen ligt het screeningpercentage hoger. Daarom dring ik erop aan dat de minister van Volksgezondheid samen met ons vaststelt dat de screening niet optimaal is en samen met de gemeenschappen en het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid nagaat hoe dit kan worden opgelost. Daarom ook hebben we de resolutie opgesteld. Dat is mijn uitdrukkelijke vraag waarop ik eigenlijk geen antwoord heb gekregen.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Ik maak het onderscheid tussen de uitvoering van opsporingscampagnes en de voorbereiding ervan. Als ik u mag geloven, zou er zelfs geen voorbereiding zijn. Er wordt zelfs niet geprobeerd protocollen op te stellen of de werkwijze en de inhoud van de campagne vast te leggen. In 2004 zal er wellicht niets gebeuren, want dan zou daar nu al aan moeten worden gewerkt.

Ik zou graag hebben dat u mij duidelijker zegt of vandaag al enige inspanning wordt gedaan om toekomstige campagnes te kunnen voorbereiden. Het Europese geld zou niet mogen dienen om campagnes te voeren, maar om ze voor te bereiden. Een bedrag van 159.000 euro is onvoldoende om campagnes te voeren. De federale Staat zou kunnen cofinancieren om de toekomst voor te bereiden. Voor de gemeenschappen zou die opsporing geen prioriteit zijn. Ik wil u wel geloven, maar we moeten opschieten om ooit campagnes te kunnen voeren.

Ik begrijp niet goed uw argument dat eerst de campagne voor de opsporing van borstkanker moet worden beëindigd. Ik hoop dat die opsporing niet wordt stopgezet en dat het geen eenmalige operatie is. Die campagne moet de komende jaren en decennia worden voortgezet. De beide opsporingscampagnes moeten uiteraard gelijktijdig worden gevoerd. Het gaat trouwens niet om een campagne, maar om een permanente opsporing. Het zou geen zin hebben om die inspanning op te geven.

Borstkanker verdient meer dan een campagne, hij verdient een permanente opsporing. U schuift de hete aardappel door naar de gemeenschappen, die hem opnieuw naar u doorschuiven. Op den duur wordt dat vervelend. Mevrouw Maréchal schrijft dat ze zich in 2004 met het probleem zal bezighouden, als de federale regering de financiering ten laste neemt, voegt ze eraan toe. Volgens mij doet ze loze beloften en sticht ze verwarring. Ik zou willen weten of al contacten en initiatieven genomen werden en of het niet louter om een intentieverklaring gaat.

Ik vind dat u totaal onverschillig bent voor deze bijzonder ernstige aangelegenheid. U zegt dat u niets kunt doen omdat zij beslist hebben niets te doen. Ik denk dat minstens een noodkreet moet worden geslaakt om duidelijk te maken dat de speeltijd voorbij is. Het gaat hier uiteindelijk toch om mensenlevens. Ik vind het ontoelaatbaar dat we niet de nodige stappen zetten omdat sommigen de ernst van het probleem niet inzien.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik wil aan de replieken van de vorige sprekers een paar bedenkingen toevoegen.

De minister heeft wel zeer kalm en doordacht een duidelijk overzicht geschetst, maar toch stelt zijn antwoord mij teleur. Ik besef wel dat hij niet de griffier is van de ministerraad of van de interministeriële conferentie, maar alleen minister van Volksgezondheid. Teleurstellend is dat hij als zodanig geen enkel blijk geeft van engagement of politieke wil om vooruitgang te brengen in het dossier van de baarmoederhalskanker. Nochtans moeten we precies in zaken die de gezondheid van de mensen raken, werken met een resultaatsverbintenis.

De minister vermeldt een interministeriële conferentie van twee jaar geleden. Niets belet de regering om er op tijd een nieuwe bijeen te roepen. Heel wat parlementsleden hebben al meer dan genoeg aan de alarmbel getrokken en initiatieven genomen om het probleem opnieuw op de agenda te zetten. De heer Vankrunkelsven heeft al voldoende onderstreept dat een goed georganiseerde screening elk jaar een paar honderd vrouwenlevens kan redden. Dat moeten we dan ook doen.

De minister verwijst naar de bevoegdheidsverdeling in het beleid van de federale regering en van de gemeenschappen. De betrokken vrouwen hebben niet de minste boodschap aan een technisch antwoord over de bevoegdheidsverdeling. Wij kennen dat probleem ook wel, de geďnteresseerde parlementsleden hebben onder elkaar al meermaals gezegd dat ze elke keer opnieuw op dat probleem stoten, zowel bij de borstkankerscreening als bij de tabakspreventie en tal van andere gezondheidsproblemen. We moeten die kwesties niet elke keer opnieuw bovenhalen, maar ze oplossen, zodat we eindelijk de problemen van de mensen efficiënt kunnen aanpakken. Dat is onze verantwoordelijkheid. Ik betreur dat de minister vandaag opnieuw met een technisch antwoord komt en dat een beleidsantwoord compleet achterwege blijft.

Ik ga ook niet akkoord met wat hij zegt over de prioriteiten. Jaren hebben we actie gevoerd om tot een borstkankerscreening te komen. Na veel overleg en veel lobbywerk van doelgroepen en kringen van wetenschapslui hebben we minister Vandenbroucke kunnen overtuigen. Er kwam een deal tussen de federale overheid en de gemeenschappen, die de campagne op gang moest brengen. De minister beschikt mogelijk over een vollediger overzicht dan ik, maar ik hoor vanuit alle hoeken dat die campagne niet goed loopt, alleszins lang niet zoals zou moeten. Indien dat echt nodig blijkt, moeten we zo snel mogelijk bijsturen, zodat we meer resultaat behalen.

Vast staat in ieder geval dat baarmoederhalsscreening perfect kan worden geënt op die van de borstkanker. Er is alleen een ander ritme, maar de doelgroep is bijna dezelfde en kan dus in een geďntegreerde campagne worden gesensibiliseerd. Zelfs de epidemiologische gegevens zijn heel goed vergelijkbaar. De twee campagnes zijn dus heel duidelijk gelieerd.

De minister zegt dat de Vlaamse Gemeenschap vijf jaar lang een onderzoek heeft gefinancierd en dat dit intussen is afgerond. Dat laatste wist ik niet. Voor mij is dan ook de vraag wat de Vlaamse Gemeenschap met de resultaten van dat onderzoek doet, maar ik begrijp dat dit niet de bevoegdheid is van de federale minister van Volksgezondheid. Feit is dat er ook op Vlaams niveau niet systematisch aan screening wordt gedaan, ook al is de deskundigheid en de kennis daarvoor voorhanden. Politiek gesproken is het een onvergeeflijke fout dat die kennis niet wordt aangeboord. Het is ook een zwaar falen van het beleid als aanwezige wetenschappelijke kennis over de gezondheid niet de hele bevolking ten goede komt.

Sommigen, onder wie mevrouw Maréchal, willen met een initiatief beginnen in 2004. Dat is verdacht kort voor de regionale verkiezingen en lijkt ook verdacht veel op de belofte van 0,7 procent voor ontwikkelingssamenwerking. Ook die werd gedaan drie maanden voor de verkiezingen.

Als in navolging van de Franse gemeenschap de belofte wordt gedaan om in 2004 een campagne te starten, bestaat het risico dat die belofte niet kan worden gerealiseerd. Ik stel me vragen bij dit soort beloftes vlak voor de verkiezingen.

Ondertussen treden er andere gezondheidsproblemen op die ook screening en preventie vereisen. Die problemen worden uitgesteld tot 2010 of 2015. Wat is dat voor een gezondheidsbeleid? De problematiek doet zich voor bij een concreet afgebakende bevolkingsgroep; het is bekend hoe het probleem moet worden aangepakt; er zijn guidelines en wetenschappelijk materiaal beschikbaar. Het is onvoorstelbaar en onaanvaardbaar dat die gegevens niet worden gebruikt in het beleid om de risico's in te perken.

Natuurlijk zullen we vandaag niet definitief het bevoegdheidprobleem oplossen tussen het federale en het gemeenschapsniveau, maar ik pleit op zijn minst voor een pragmatische oplossing en een efficiënt optreden om te vermijden dat er zoveel honderden vrouwen door deze ziekte worden getroffen.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De interministeriële conferentie heeft inderdaad, zoals ik zei, de prioriteiten vastgelegd. Vóór 2004 kunnen er dus geen andere campagnes gestart worden. Daarmee beweer ik niet dat zo'n campagne niet belangrijk is en dat niet kan worden begonnen met de voorbereiding ervan.

Het is evident dat de resultaten van de studie in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap moeten worden gebruikt. Ik heb ook opgevangen dat de borstkankerscreening niet verloopt zoals ze zou moeten verlopen. Sommige vrouwen uit de doelgroep zouden niet worden uitgenodigd. Het is natuurlijk niet de bedoeling gedurende een bepaalde periode een experiment met borstkankerscreening te doen en die screening daarna te laten vallen. De screening zal blijvend gebeuren. Vandaar de noodzaak aan een goede sensibiliseringscampagne, zeker in de beginfase. Daarvoor zijn middelen nodig.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - In België krijgen bijna 14 vrouwen op 100.000 baarmoederhalskanker. In sommige landen is een gelijkaardig cijfer gereduceerd tot 5 per 100.000. In ons land lopen dus op het ogenblik 250 vrouwen jaarlijks het risico baarmoederhalskanker te krijgen. Bijna 50% zal eraan sterven. Elk van die vrouwen is er één te veel, zeker in een ontwikkeld land als het onze. De regering moet een streefcijfer vastleggen en bepalen hoe ze dat cijfer zal bereiken. Het bevoegdheidsconflict bestaat, maar in overleg kan op korte termijn worden afgesproken hoe het aantal gevallen van baarmoederhalskanker zal worden gereduceerd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Te meer daar het om een ziekte gaat die, als ze tijdig wordt opgespoord, genezen kan worden. Bij borstkanker is dat niet het geval. Ik vind het onvoorstelbaar dat niet efficiënter wordt opgetreden. Er zijn bijna evenveel slachtoffers van baarmoederhalskanker als verkeersslachtoffers.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Mijnheer de minister, ook ik vraag u een initiatief te nemen.

U zegt ons dat voorbereidingen worden getroffen, maar u geeft ons daarover geen enkele uitleg. Ik zou er zeker van willen zijn dat het hier niet om wishful thinking gaat. We moeten die Europese fondsen aangrijpen en vanaf dit jaar meewerken aan het Europese programma zodat zo spoedig mogelijk opsporingscampagnes kunnen worden opgezet. Deze zaak lijkt mij voldoende ernstig om geen tijd meer verloren te laten gaan.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de verslaggeving van het Federaal borstvoedingscomité» (nr. 2-956)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Na een lang proces trad in oktober 2001 het Federaal borstvoedingscomité in werking. Tot nu toe heeft het comité echter noch via het parlement, noch via de media of andere informatiekanalen, verslag uitgebracht over zijn werkzaamheden. Het comité moet vooral het maatschappelijke debat over het belang van borstvoeding ondersteunen via onder andere informatie- en sensibiliseringsacties.

Inmiddels weten we dat België en zeker Vlaanderen heel zwak scoren inzake borstvoeding. Vlaanderen staat helemaal onderaan in de Europese rangschikking. Een mentaliteitsverandering dringt zich op, ook op de werkvloer. De arbeidsmarkt moet aanvaarden dat borstvoeding een basisrecht is van moeder en kind.

Na mijn talrijke interpellaties aan vice-eerste minister Onkelinx en minister Vandenbroucke, heeft de regering via een programmawet de borstvoedingspauzes mogelijk gemaakt. We hadden jarenlang nagelaten de Europese wetgeving ter zake toe te passen. Het dossier bleef liggen bij de Nationale Arbeidsraad. Met de nieuwe regeling kan de moeder één uur per dag borstvoedingspauze nemen. Dit is volstrekt onvoldoende. Zelf heb ik voorgesteld daarvoor twee uur per dag uit te trekken.

Het recht op borstvoeding impliceert dat de duur van het ouderschapsverlof en het moederschapsverlof van drie op zes maanden wordt gebracht, een voorstel dat ook door minister Vogels wordt verdedigd. In afwachting moeten werkende moeders recht krijgen op twee uur borstvoedingspauze. De Wereldgezondheidsorganisatie beveelt aan dat elke moeder minstens de mogelijkheid moet krijgen borstvoeding te geven tot het kind zes maand is. Om gezondheidsredenen verdient het aanbeveling langer borstvoeding te geven.

Graag krijg ik van de minister een antwoord op de volgende vragen. Heeft het comité een jaarverslag uitgebracht voor het werkingsjaar 2002? Zo ja, op welke manier werd dit verslag bekend gemaakt en aan wie werd het bezorgd? Zal het in het parlement worden besproken? Op welke andere wijze heeft het comité over zijn werkzaamheden gecommuniceerd? Welke initiatieven heeft het comité reeds genomen om het maatschappelijke debat over borstvoeding aan te wakkeren, de bevoegde organisaties en diensten te ondersteunen en welke adviezen heeft het comité aan de regering gegeven?

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het Federaal Borstvoedingscomité werd in oktober 2001 geďnstalleerd en in 2002 werd het operationeel gemaakt. Tot dan toe waren nog geen middelen beschikbaar voor administratieve ondersteuning. Voor 2002 werd nog geen jaarverslag opgesteld.

Een delegatie van het borstvoedingscomité heeft mij op 13 januari 2003 een korte toelichting gegeven over de werkzaamheden van het afgelopen jaar, waaronder het voorstel van actieplan voor babyvriendelijke ziekenhuizen. Verleden jaar is het comité begonnen met de uitbouw van een website in beide talen. Op deze wijze wordt het voor het publiek zichtbaar gemaakt. Tevens is er een emailadres zodat het gericht vragen kunnen worden gesteld.

Binnen het comité werden drie werkgroepen opgericht: De eerste met het oog op het toezien op de procedure voor de toekenning van het keurmerk babyvriendelijk ziekenhuis, overeenkomstig het Europees Actieplan dat de Wereldgezondheidsorganisatie en Unicef gezamenlijk hebben opgezet. De tweede in verband met de methodologie van het inwinnen van gegevens over borstvoeding overeenkomstig de criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie en Unicef. De derde in verband met het opstellen van een informatiegids inzake borstvoeding.

Het comité heeft ook een kalender in beide landstalen uitgegeven. Zodra de werkgroepen hun werkzaamheden hebben afgerond, zal het Federaal Borstvoedingscomité zich erover buigen en zullen de eerste adviezen aan de minister worden geformuleerd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het verheugt me dat het federaal borstvoedingscomité eindelijk kan beginnen werken.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De werkgroepen zijn al van start gegaan.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Jammer genoeg is tijdens deze regeerperiode veel tijd verloren gegaan. Minister Aelvoet is er de eerste twee jaren van de regeerperiode niet in geslaagd op de begroting middelen uit te trekken voor de werking van het comité. Minister Tavernier geeft zelf aan dat er in 2002 nog geen werkingsmiddelen waren. Ondertussen zijn we in 2003 en kan het comité eindelijk beginnen werken.

Het initiatief `babyvriendelijk ziekenhuis' is zeer belangrijk en positief. Ik dacht dat tot voor kort maar één ziekenhuis in ons land aan de voorwaarden voldeed. Ik hoop dat hier op korte tijd verbetering kan worden aangebracht. Ook het inwinnen van gegevens en het opstellen van een informatiegids zijn essentieel.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De aanloopfase liep in 2002 en niet in 2003. De werkgroepen zijn bezig en de adviezen komen eraan.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Wanneer heeft het comité vergaderd?

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Dat kan ik niet zo meteen zeggen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Uit uw antwoord had ik begrepen dat er vorig jaar geen middelen waren om het comité te laten functioneren.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het heeft wel degelijk gefunctioneerd, want het heeft op 1 januari verslag uitgebracht.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het heeft inderdaad verslag uitgebracht over de installatie van drie werkgroepen.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De aanloop was dus genomen om dit jaar effectief acties op te zetten en adviezen te geven.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik wil geen welles-nietesspelletje starten, maar rond babyvriendelijke ziekenhuizen bijvoorbeeld hebben personen en organisaties die nu in het comité zitten, al gewerkt tijdens de vorige legislatuur met financiering en subsidiëring. Het verheugt me dus dat ook die informatie kan worden gebruikt en ik hoop dat ze geprofessionaliseerd wordt in het kader van de werking van het comité.

-Het incident is gesloten.