1-224
BELGISCHE SENAAT
GEWONE ZITTING 1998-1999
____
BEKNOPT VERSLAG
PLENAIRE VERGADERING
Namiddagvergadering - Donderdag 26 november 1998
________
De vergadering wordt om 15.05 u. geopend.
INOVERWEGINGNEMING
De Voorzitter. - Aan de orde is thans de bespreking van de
inoverwegingneming van voorstellen.
U hebt de lijst van de verschillende in overweging te nemen voorstellen
ontvangen met opgave van de commissie waarnaar het Bureau voornemens is ze te
verwijzen.
Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken mij daarvan vóór
het einde van de vergadering kennis te geven.
Indien intussen van geen bezwaren blijkt, worden de voorstellen in overweging
genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming.)
BEROEP TOT VERNIETIGING
BIJ HET ARBITRAGEHOF
De Voorzitter. - Het verzoekschrift waarbij ik, overeenkomstig
het door 48 senatoren uitgedrukte verzoek, een beroep tot vernietiging heb
ingesteld bij het Arbitragehof tegen het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van
23 juni 1998 houdende bijkomende bijstand aan personen die in een
bestaansonzekere toestand verkeren ten gevolge van oorlogsomstandigheden,
repressie en epuratie, werd op vrijdag 20 november laatstleden bij het
Arbitragehof ingediend.
VERWELKOMING
VAN EEN DELEGATIE UIT BURUNDI
De Voorzitter. - Twee Burundese parlementsleden, de heer
Ngendabanyikwa, lid van de Commissie onderwijs, jeugd en cultuur, de heer
Bankinyakamwe, secretaris van de Commissie economische zaken, en twee ambtenaren
zijn hier aanwezig om de federale structuur van België en de werking van
onze instellingen te leren kennen. Wij heten hen welkom en wensen hen een
vruchtbaar verblijf toe in ons land.
REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN
De heer Goris (VLD). - Het aanvullend verslag over het
wetsontwerp betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen werd nog
niet rondgedeeld. Kan dit nog in de loop van deze vergadering ?
De Voorzitter. - Ik zal navraag doen.
MONDELINGE VRAGEN
Naleving door de landen van het Andespact
van de sociale en milieunormen
van de APS-verordeningen van de EU.
De heer Jonckheer (Ecolo) (in het Frans). - De Raad « Algemene
Zaken » van 7 december moet zich uitspreken over de verlenging van het
algemeen preferentiestelsel, dat op 31 december verstrijkt.
De APS-verordeningen voorzien in speciale bevorderingsstelsels in de vorm van
een aanvullende vermindering van de tarieven voor de landen die zich ertoe
verbinden drie overeenkomsten van de IAO en de normen van de Internationale
Organisatie voor tropisch hout na te leven. In het kader van de verlenging van
het APS stelt de commissie voor het stelsel van de aanvullende stimuli ook toe
te passen op de landen van het Andespact die thans een speciale regeling
genieten.
Jammer genoeg heeft het APS-comité zich eenparig uitgesproken tegen het
voorstel van de commissie om de speciale regeling in het kader van het APS voor
de landen van het Andespact te verlengen, doch voor een gedeelte ervan te
bepalen dat de normen moeten worden nageleefd. Kan de minister ons de reden van
de Belgische houding verduidelijken en ons zeggen of hij voornemens is om aan
onze ambassadeur bij de Unie te vragen om tijdens de volgende
COREPER-vergadering op 1 december het debat over het voorstel van de Europese
Commissie te heropenen?
De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). -
Ik antwoord namens de heer Di Rupo, die benadrukt dat België
vasthoudt aan de bevordering van de sociale grondrechten in de internationale
handelsbetrekkingen.
Voorzitter: de heer Moens, ondervoorzitter
Ons land heeft deze zaak bij de Wereldhandelsorganisatie en de OESO aan de orde
gesteld. In de werkgroep van de Raad over het algemeen preferentiestelsel heeft
de Belgische delegatie zich volledig geschaard achter de voorstellen van de
commissie om tot tariefstelsels te komen die de naleving van de sociale en
milieunormen bevorderen.
Door die houding kunnen wij de beschuldigingen van protectionisme weerleggen die
sommige ontwikkelingslanden uiten. Het systeem van algemene preferenties (SAP)
voorziet niet in sancties maar wel in een verlaging van de douanerechten bij
invoer van producten uit landen die bepaalde sociale en milieunormen naleven.
Het nieuwe voorstel van de commissie met betrekking tot het Andesstelsel wijkt
af van de filosofie waarbij AP-begunstigden die de fundamentele sociale rechten
naleven een nieuw voordeel wordt toegekend. Volgens het voorstel wordt de
heffing van 0 % douanerechten op landbouwproducten uit de Andeslanden enkel
toegekend wanneer de fundamentele sociale rechten worden nageleefd. Alle
lidstaten zijn tegen die aanpak gekant.
De Belgische afvaardiging steunt evenwel een Frans voorstel om in de
SAP-verordening te vermelden dat de Raad van ministers gehecht is aan de
naleving van die normen in de betrokken landen. Ons land zal trouwens elk
voorstel steunen dat de ontwikkeling van een sociaal beleid in de Andeslanden
aanmoedigt en dat niet in sancties voorziet. Vergeten wij niet dat het
Andesstelsel er gekomen is om die landen te helpen in hun strijd tegen drugs en
om de teelt van landbouwproducten te diversifiëren. Een Columbiaans
minister is trouwens, namens de Andeslanden, in België komen pleiten voor
de voortzetting van de Europese hulp voor hun strijd tegen drugs.
Ik wijs er tenslotte op dat de wijziging van een voorstel van de commissie
eenparigheid vereist, terwijl een gekwalificeerde meerderheid voldoende is om
een voorstel van verordening aan te nemen. Gelet op de houding van onze
partners, maakt het oorspronkelijke voorstel van de commissie geen enkele kans.
De heer Jonckheer (Ecolo) (in het Frans). - Ik ben het
absoluut niet eens met de heer Di Rupo. Het voorstel van de Commissie is niet
bedoeld om een uitzondering in het leven te roepen. Er bestaat inderdaad een
communautaire verordening van 1998 die voorziet in algemene sociale bepalingen
die ook op de Andeslanden moeten worden toegepast.
Ik ken het Franse voorstel. Het gaat slechts om een gewone intentieverklaring.
De tekst heeft geen enkele bindende juridische waarde. U had het ook over het
lobbywerk van een Columbiaans minister. U zou eerst moeten kennis nemen van de
beslissing die de raad van bestuur van de IAO in november 1998 heeft genomen
naar aanleiding van klachten over het feit dat Columbia de sociale conventies
van 1987 en 1988 niet toepast. De jongste elf maanden werden de
vakbondsvrijheden in dat land voortdurend door geweld beknot, waarbij veel
mensen omkwamen of verdwenen.
Als wij samen pleiten voor de naleving van die basisconventies, kunnen wij de
zaken vooruithelpen. Wij hebben hier immers een goede gelegenheid om
douanetarieven afhankelijk te maken van de naleving van die teksten. Het is
voldoende dat de Belgische vertegenwoordiger bij COREPER een nieuwe evaluatie
van het voorstel van de commissie vraagt om het debat opnieuw te openen. Men zou
een moratorium van zes maanden kunnen vragen met handhaving van de huidige
bepalingen. Dat punt is uiterst belangrijk en ik vraag u met aandrang
tussenbeide te komen.
De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). -
Ik zal die opmerkingen nog deze namiddag aan het kabinet van de heer Di
Rupo bezorgen.
Het begrip « veilig land » inzake asielaanvragen
De heer Boutmans (Agalev). - De minister van binnenlandse
zaken heeft bij de voorstelling van zijn recente nota over de uitvoering van het
asielbeleid onder meer aangekondigd een toevlucht te zullen nemen tot het begrip
« veilig land ». Aan mensen die uit een dergelijk land
afkomstig zijn, zou geen vluchtelingenstatus worden toegekend, althans niet door
de Dienst Vreemdelingenzaken. Onder de bedoelde landen wordt Slowakije vermeld.
Uit dat land vertrekken nogal wat Romzigeuners die zich beklagen over
geweldpleging en ernstige discriminatie en racisme, dat ook uitgaat van de
overheid of waartegen hun overheid onvoldoende bescherming biedt. De
commissaris-generaal of de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen zou zeer
recent Slowaakse zigeuners als vluchtelingen hebben erkend.
Is de minister hiervan op de hoogte en acht hij het in die omstandigheden
verantwoord om Slowakije als een « veilig land » te
kwalificeren?
De heer Van Den Bossche, vice-eerste minister en minister van
binnenlandse zaken. - Collega Boutmans heeft blijkbaar teveel werk om
mijn nota over het asielbeleid goed te lezen. In die nota staat niet dat aan
mensen afkomstig uit zogenaamde veilige landen geen vluchtelingenstatus kan
worden toegekend. Elke vluchteling heeft het recht op onderzoek van zijn dossier
en bovendien is het vermoeden dat er geen grond is voor het verlenen van de
vluchtelingenstatus omkeerbaar.
Verder wordt in de nota niet Slowakije maar wel Tsjechië vermeld als veilig
land. Slowakije wordt enkel genoemd in de context van de visumplicht.
Ik ben op de hoogte van het feit dat de commissaris-generaal recent Slowaakse
zigeuners als vluchtelingen heeft erkend. Ik heb er met hem zelfs uitvoerig over
van gedachten gewisseld.
Op de vraag of ik het verantwoord vind om Slowakije als veilig land te
kwalificeren moet ik niet antwoorden vermits ik het niet als dusdanig heb
gekwalificeerd.
De heer Boutmans (Agalev). - Zich vergissen is menselijk. Ik
heb overigens niet beweerd dat ik de aangehaalde gegevens in de nota over het
asielbeleid heb gelezen, maar wel dat ze werden vermeld bij de voorstelling van
de asielnota.
Ik ben blij dat de minister de maatregel niet zal nemen.
Opwerking van kernenergie
De heer Anciaux (VU). - Het Parlement heeft in 1993 aan de
regering de opdracht gegeven om een voorbereidend rapport inzake opwerking op te
maken om in 1998 het debat te voeren. Werd dit opgesteld ? Welke diensten of
bedrijven hebben eraan meegewerkt ? Waarom werd het nog niet aan het parlement
overhandigd ? Wanneer zal dit gebeuren ? Gelet op nieuwe gegevens zou het
wenselijk zijn de transporten vanuit Doel en de opwerking ervan op te schorten
tot aan het gevraagde parlementaire debat. Is de minister het daarmee eens ? Zo
neen, waarom niet ? Is het juist dat de uitvoering van het « baseload »-contract
loopt tot eind 2000 in plaats van tot begin 2000 ? Betekent dit dat een uitstel
van uitvoering geen schadevergoeding met zich brengt ? Zo dit toch het geval is,
hoeveel zou dat dan bedragen ? Kan over het bedrag worden onderhandeld ?
Hoeveel kost de opslag van splijtstof en afval van Synatom en dat in La Hague
ligt opgeslagen ?
De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van
landsverdediging, belast met energie. - Deze vraag is identiek aan een
vraag van de heer Wauters in de Kamer gisteren.
Op 22 december 1993 keurde de Kamer een resolutie goed en droeg zij de regering
op te antwoorden op een geheel van aanbevelingen. Op 24 december heeft de
regering deze resolutie bevestigd. In deze resolutie vraagt de Kamer aan de
regering binnen de vijf jaar de elementen voor een nieuwe globale evaluatie van
de situatie te bezorgen. De bevoegde administraties leggen de laatste hand aan
de werkzaamheden voor het rapport. De bedoeling is de synthese en evaluatie op
te maken van de werkzaamheden die door de betrokken instituten en ondernemingen
sinds december 1993 werden uitgevoerd. Het baseert zich op de synthesedocumenten
van Niras en Synatom. Ook de rapporten van het CEN-SCK en van internationale
organisaties. Het is mijn bedoeling binnenkort een rapport aan de Ministerraad
voor te leggen. De regeringsbeslissing zal vervolgens aan het parlement worden
medegedeeld.
Wat het transport van het afval van Doel naar La Hague betreft, wordt het
huidige transport uitgevoerd in het kader van het opwerkingscontract uit 1978
van 530 ton. De uitvoering van dit contract is conform aan de resolutie van
1993. Daarop moet niet worden teruggekomen.
De heer Anciaux (VU). - Op het ogenblik dat ik deze vraag
opstuurde was ik niet op de hoogte van een gelijkaardige vraag in de Kamer. Ik
stel vast dat het antwoord van de minister identiek is aan dat van gisteren in
de Kamer. Hij heeft dus niet geantwoord op een aantal vragen. Na 23 december
1998 komt er een juridisch vacuüm. Het opwerkingscontract werd opgeschort
tot aan het parlementair debat. Zal dit moratorium worden verlengd tot er een
debat komt ? De minister weigert daarop te antwoorden. Er wordt dan ook
vermoed dat het contract zal worden hervat. Het ontgoochelt mij dat de regering
gewoon haar beslissing zal meedelen aan het parlement. In 1993 heeft het
parlement zijn nek uitgestoken. Nu is het opnieuw de regering die beslist.
De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van
landsverdediging, belast met energie. - Ik wijs erop dat het jaar pas
eindigt op 31 december.
Illegale uitoefening van medische beroepen
De heer Olivier (CVP). - Onlangs raakte bekend dat een
69-jarige man twintig jaar een tandartsenpraktijk uitoefende zonder de vereiste
diploma's. Er was sprake van slechte hygiënische omstandigheden, vervallen
medicijnen, valse attesten en verduisterde stempels. Dat is een ernstige zaak.
Gelijkaardige gevallen zouden mogelijk zijn voor andere medische beroepen. Dit
kan voor de volksgezondheid onherroepelijke gevolgen hebben.
Wat zijn de vereisten waaraan kandidaat-beoefenaars van medische beroepen moeten
voldoen om hun praktijk te kunnen opzetten ? Hoe worden deze beroepen in de
uitoefening van hun beroep gecontroleerd ? Is het mogelijk dat beoefenaars van
medische beroepen nog steeds attesten kunnen uitschrijven na hun opruststelling
? Welke maatregelen overweegt de minister om dergelijke toestanden in de
toekomst te voorkomen ?
De heer Colla, minister van volksgezondheid en pensioenen. - Het
aangehaalde geval is inderdaad ernstig. Het opzetten van een medische praktijk
kan nadat een kandidaat zich heeft aangeboden bij de provinciale geneeskundige
commissie waar het diploma moet worden voorgelegd. Nadien komt er na de
opleiding tot een zeker specialisme voor de artsen nog een erkenning door de
minister. Dat is een sluitender systeem dan voor de tandartsen geldt waar geen
ministeriële erkenning bestaat. Ik overweeg dit nu in te voeren. In de
laatste sociale programmawet werd ook een systeem van erkenning voor
paramedische beroepen ingesteld. De feitelijke controle moet ook gebeuren door
de provinciale commissies maar zij ontberen daartoe de nodige wapens.
Gepensioneerden kunnen nog akten stellen. Zoals voor anderen geldt voor hen
alleen een beperking inzake financiële cumulatie. Ik overweeg ook een
overleg met financiën om misbruiken bij bestellingen van
voorschrijfboekjes, bijvoorbeeld bij een overlijden, te voorkomen.
De heer Olivier (CVP). - Ik dank de minister voor zijn
uitgebreid antwoord. De voorgestelde regeling is inderdaad de meest adequate
manier om misbruiken tegen te gaan.
Fiscale aftrekbaarheid van restaurantkosten
De heer Goovaerts (VLD). - Uit een verslag van de vakgroep
bedrijfsfinanciering van de Rijksuniversiteit Gent blijkt dat de horecasector op
vrijwel alle vlakken slechter dan andere sectoren presteert.
Naar verluidt zou de administratie van financiën een onderzoek instellen
naar de effecten van de totale aftrekbaarheid van professionele restaurantkosten
tijdens werkdagen. Ook het Planbureau werd ingeschakeld. Daar het BTW-tarief in
de meeste ons omringende landen lager ligt, zal de euro zich in deze sector
bijzonder laten gevoelen. De helft van de Belgische bevolking woont immers op
minder dan 20 kilometer van een grens. Voor staande consumptie van warme
maaltijden is slechts 6 % BTW verschuldigd hoewel ze in feite zittend worden
gebruikt. Ook in de voetballoges worden andere cijfers gehanteerd.
Is het advies van het Planbureau reeds bekend ? Wanneer zullen maatregelen
worden genomen ?
De heer Viseur, minister van financiën. - De
administratie van de directe belastingen kan de budgettaire weerslag van dit
voorstel niet precies berekenen. De jaarlijkse opbrengst van de beperking van de
aftrekbaarheid van restaurantkosten en de relatiegeschenken tot 15 % werd voor
de personenbelasting op 1,6 miljard en voor de vennootschapsbelasting op 2,8
miljard geschat. Daar er voor de personenbelasting geen precieze cijfers
beschikbaar zijn gaat het hier om een minimale raming. Thans werden twee
voorstellen ingediend tot het optrekken van de aftrekbare restaurantkosten van
50 naar 75 %. Deze voorstellen worden door het Planbureau onderzocht naar de
weerslag op de tewerkstelling. Ik wacht op het antwoord alvorens een beslissing
te nemen.
Sinds 1993 mogen EU-lidstaten slechts een verlaagd BTW-tarief toepassen op
producten en diensten die voorkomen in een limitatieve lijst in bijlage bij de
EU-richtlijn van 19 oktober 1992. Het leveren van spijzen en dranken ter plaatse
komt niet in die lijst voor. Enkel de Staten die begin 1991 een verminderd
tarief toepasten, mogen bij wijze van overgangsmaatregel dit tarief verder
hanteren. Daarom kan de wetgever in ons land geen verminderd tarief voor
restaurantactiviteiten toepassen. Dit geldt ook voor Frankrijk, waar de BTW 20,6 %
bedraagt. De EU-commissie is ook niet van plan in 1999 wijzigingen aan de
BTW-regeling aan te brengen. Het ter beschikking stellen van gemeubelde kamers
met of zonder ontbijt valt wel onder de lijst van verminderde BTW-tarieven.
(Verder in het Frans.)
Ik heb aan het Planbureau gevraagd de gevolgen van de BTW exact na te gaan om op
basis daarvan aan de commissie een verzoek te richten.
De heer Goovaerts (VLD). - In de bouwsector werd een onderzoek
uitgevoerd naar de weerslag van bepaalde belangrijke wijzigingen op de
tewerkstelling. Daar het brutoloon in de horecasector het laagste is van alle
sectoren ben ik ervan overtuigd dat een herziening van de BTW-voet tot een
aanzienlijke stijging in de tewerkstelling zal leiden.
De minister zei dat er door de EU in 1999 geen voorstellen zullen worden gedaan
voor verminderde BTW-voeten. Kan België zelf niet het initiatief nemen om
op de EU-Ministerraad een vermindering van de BTW-voet voor te stellen ?
Luchthaven van Bierset
De heer Hazette (PRL-FDF). - Tijdens een openbare vergadering
van 19 november heeft de heer Maystadt gewag gemaakt van een nota van de
minister van financiën waaruit blijkt dat de procedure voor het verwerven
van de goederen van zone A, de zone het dichtst bij de luchthaven van Bierset,
duurder zou zijn dan een klassieke onteigeningsprocedure.
Mijnheer de minister, kunt u deze analyse bevestigen ?
Kunnen de banden van de luchthaven met het ministerie van landsverdediging tot
gevolg hebben dat de federale overheid bij de schadeloosstelling van de
omwonenden wordt betrokken ?
De heer Viseur, minister van financiën (in het Frans). - Soms
worden wij door debatten in beide vergaderingen in de tang genomen. Dat is zeer
vervelend voor mij en ik deel het standpunt van de heer Hazette.
Mijnheer Hazette, uw vraag heeft betrekking op een milieuprobleem en meer in het
bijzonder op de bestrijding van de geluidshinder. Dat is een zaak van het Waals
Gewest.
Wanneer een openbare instantie een terrein of pand onteigent, kunnen de
omwonenden zich geschaad achten, hinder ondervinden en hun goed in waarde zien
verminderen. De eigenaar wendt zich dan tot de overheid opdat deze hetzij het
goed aankoopt, hetzij een schadevergoeding betaalt. Wanneer een goed wordt
verworven in een onderhandse procedure en niet in het kader van een onteigening,
kan de waarde van dat goed hoger oplopen. Wat Bierset betreft, heeft de Waalse
regering op 10 september 1998 een besluit uitgevaardigd waarin de Waalse
regering gemachtigd wordt om voor de goederen van zone A van de luchthaven
aankoopbeloften te formuleren. Wat dit aspect van de procedure betreft, is de
betrokken minister van het Waals Gewest bevoegd. Mijn administratie heeft mijn
aandacht gevestigd op het feit dat de procedure die de Waalse regering heeft
toegepast tot gevolg heeft dat de prijs hoger is dan bij een klassieke
procedure. Als federaal minister heb ik geen enkele bevoegdheid om een andere
procedure te eisen dan die waartoe de Waalse regering besloten heeft.
De heer Hazette (PRL-FDF). - Mijn mondelinge vraag heeft
betrekking op de aangelegenheid die uw administratie ertoe gebracht heeft uw
aandacht te vestigen op de procedure die de Waalse regering voor de verwerving
van goederen heeft gevolgd. In deze zaak zouden de advocaten die de belangen van
de omwonenden verdedigen, de Belgische Staat kunnen dagvaarden in verband met de
aansprakelijkheid van landsverdediging voor de geluidshinder. Voor de door de
nachtvluchten veroorzaakte hinder is de federale overheid aansprakelijk. Het
Waals Gewest heeft voor de luchthaven en de schadeloosstelling van de omwonenden
een bedrag van 200 miljoen uitgetrokken. De Belgische Staat kan bij de zaak
worden betrokken wegens de ongebruikelijke procedure die werd toegepast.
De heer Viseur, minister van financiën (in het Frans). - Een
procedure van schadeloosstelling tegen de Belgische Staat zou op het departement
landsverdediging betrekking hebben. Ik zal mij dan ook niet uitspreken over die
procedure, die niet tot de bevoegdheid van mijn departement behoort.
Ik ben door mijn diensten mondeling op de hoogte gebracht van de door de Waalse
regering gebruikte procedure, die afwijkt van de klassieke evaluatieprocedure.
Het aankoopcomité heeft terzake veel ervaring en had de kosten kunnen
beperken. Volgens mij heeft het Waals Gewest de aankoop van die goederen en
gebouwen aantrekkelijk willen maken door een andere procedure te gebruiken dan
die welke de administratie van domeinen gewoonlijk aanwendt. In het aankoopcomité
heerst daarover enige frustratie, wat ik kan begrijpen.
Kosteloze afgifte
van uittreksels van de akten van de burgerlijke stand
De heer Bock (PRL-FDF) (in het Frans). - Luidens artikel 45
van het Burgerlijk Wetboek worden de eensluidende afschriften en de uittreksels
kosteloos voorzien van het zegel van het gemeentebestuur. Er bestaat echter een
besluit van de Regent van 26 juni 1947 dat het Wetboek van de Zegelrechten
bevat. Deze tegenspraak tussen het Burgerlijk Wetboek en het besluit van de
Regent is niet zonder belang. Enerzijds wordt voorzien in de kosteloze afgifte
van documenten die de ambtenaar van de burgerlijke stand luidens het Burgerlijk
Wetboek moet bijhouden. Anderzijds moet deze laatste alle wetten in acht nemen.
Mijnheer de minister, wat is uw standpunt in verband met deze tegenspraak ? Moet
de bepaling van het Burgerlijk Wetboek geen voorrang hebben op de tekst van
1947, aangezien ze recenter is ?
De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - Artikel
45, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eensluidende afschriften
en de uittreksels uit de akten van de burgerlijke stand kosteloos voorzien
worden van het zegel van het gemeentebestuur of van het zegel van de rechtbank
van eerste aanleg. Artikel 8 van het Wetboek van de Zegelrechten bepaalt echter
dat voor de uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand die aan
particulieren worden afgegeven een zegelrecht van 200 frank moet worden betaald.
De eensluidende uittreksels, bedoeld in artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek,
vallen eveneens onder de toepassing van deze bepaling. Er bestaat echter een
lange lijst van vrijstellingen. Artikel 19 van het Wetboek van de Zegelrechten
bepaalt dat het in artikel 8 vastgestelde recht niet van toepassing is op
geschriften die de handtekening of de paraaf dragen van de persoon of van één
van de personen van wie die geschriften uitgaan.
Het aanbrengen van een stempel met het zegel van de gemeente of het gebruik van
briefpapier met officieel briefhoofd volstaat niet om een zegelrecht te vragen.
Dat mag alleen worden gevraagd als het document ook de handtekening of de paraaf
van de bevoegde persoon draagt. Er moet dus alleen zegelrecht worden betaald als
de afgegeven uittreksels of de afschriften een zekere echtheid krijgen, als de
bevoegde persoon zijn handtekening of zijn paraaf aanbrengt naast het zegel.
De heer Bock (PRL-FDF) (in het Frans). - Een zegel volstaat
dus niet, er is een handtekening nodig om een betaling te vragen. U wijst echter
op een lange reeks vrijstellingen. U bent een te goed jurist om niet in te zien
dat de ambtenaar daar niet wijs uit raakt. Ik stel dan ook voor de zaken te
vereenvoudigen. Burgerschap is een essentiële waarde. Wanneer geraakt wordt
aan het leven van een burger, moet de relatie tussen die burger en de Natie
kosteloos zijn.
Ik denk dat het mogelijk is om samen een oplossing te vinden om die complexe
bepalingen te vereenvoudigen en zelfs af te schaffen.
De gerechtelijke razzia in lunaparken
De heer Vergote (VLD). - Op woensdag 18 november werd onder de
codenaam « Indian Summer » een gerechtelijke razzia gehouden
in 163 lunaparken. Als resultaat hiervan werden tientallen verboden gokautomaten
in beslag genomen, werden minderjarigen opgepakt en werden geseinde personen
voorgeleid.
In dit kader heb ik de volgende vragen : hoeveel lunaparken werden
onderzocht en op welke basis gebeurde de selectie ? Komt er verder
onderzoek naar lunaparken die wegens het laagseizoen gesloten waren ? Hoe
groot was de oogst aan goktoestellen en om welke toestellen gaat het precies ?
Op welke aspecten werden de verdachte goktoestellen onderzocht ? Werd ook
het uitbetalingsmechanisme onder de loep genomen ? Hoeveel minderjarigen
werden opgepakt ? Werd er in de marge van het gerechtelijk onderzoek
nagegaan of er zich onder de aanwezigen verslaafden bevonden? Werden zij
doorverwezen naar hulpverleners ?
De vele lege plaatsen in de bezochte lunaparken doen vermoeden dat uitbaters
werden getipt, wat door de woordvoerder van de gerechtelijke politie werd
afgedaan als bijzaak. Komt er een onderzoek naar lekken ?
De razzia op lunaparken illustreert dat er zich een onderscheid opdringt tussen
ongevaarlijke « familiale » lunaparken waar geen
goktoestellen, maar enkel amusementstoestellen staan, en de echte « speelautomatenhallen »
die vallen onder de definitie van het wetsontwerp over kansspelen klasse II. Zal
dit onderscheid in de nieuwe wet nog kunnen worden ingepast ?
De heer Van Parys, minister van justitie. - Van de 162
geregistreerde lunaparken werden er 135 gecontroleerd. De overige geregistreerde
lunaparken waren gesloten. Zij zullen later worden bezocht, namelijk bij het
begin van het nieuwe toeristische seizoen.
Er werden 101 goktoestellen in beslag genomen. Het gaat om : vier Trio van
bingo, zeven Tock Poker, twee roulettes met cijfers, 51 Slots met dubbel scherm,
zes spelen met virtuele dobbelstenen, zes Video Poker en 25 Bingotoestellen. Het
betreft toestellen die gewoonlijk in lunaparken voorkomen en die duidelijk niet
beantwoorden aan het koninklijk besluit van 13 januari 1975. Het
uit-betalingsmechanisme van de spelen werd niet specifiek onder de loep genomen.
Er werden negentien minderjarigen opgepakt. De onderzoekers hebben geen
specifiek onderzoek gevoerd naar de aanwezigheid van drugverslaafden.
Er is voor zover ik weet momenteel geen onderzoek aan de gang naar de lekken ten
gunste van sommige uitbaters. Indien hier gegevens over beschikbaar zouden zijn,
zou me dit ook interesseren. Het onderscheid tussen « familiale »
lunaparken waar geen goktoestellen staan en de echte « speelautomatenhallen »
is wel degelijk opgenomen in het wetsontwerp op de kansspelen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. De exploitatie van
amusementstoestellen die niet als kansspelen worden beschouwd of van een
inrichting met dergelijke toestellen zou geen vergunning vergen volgens de tekst
van het huidige ontwerp, die door de Senaat werd goedgekeurd.
De heer Vergote (VLD). - Men kan er zeker van zijn dat er in
de sector van de amusementsspelen illegale activiteiten plaatsvinden. Het is
noodzakelijk dat het gerecht zich met deze sector bezig houdt om te tonen dat
men zich ook in deze sector aan de wet dient te houden.
Ik veronderstel dat het gerechtelijk onderzoek nog niet is afgesloten. Ik zou
graag de resultaten ervan kennen.
De heer Van Parys, minister van justitie. - Het is nog te
vroeg om eventuele te nemen maatregelen bekend te maken. De resultaten van de
inbeslagnames moeten worden afgewacht. Ik ben bereid meer informatie te
verstrekken van zodra meer gegevens bekend zijn.
Wervingsexamen voor Duitstalige officieren
van gerechtelijke politie
De heer Chantraine (PSC) (in het Frans). - In het
arrondissement Eupen is een grondige kennis van het Duits een conditio sine
qua non voor het politiewerk. Tot nog toe is echter nog geen enkel
bevorderingsexamen in het Duits georganiseerd en is geen personeelsformatie
vastgelegd voor de Eupense post van gerechtelijke politie.
Reeds in 1996 heeft uw voorganger mij verzekerd dat die situatie zou worden
opgelost. Zullen er dit jaar wervingsexamens in het Duits worden georganiseerd?
Is er reeds een passende examencommissie samengesteld ?
(Verder in het Duits.)
Ik verwacht een concreet antwoord op deze vragen.
De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - U
gelieve mij te excuseren dat ik u in het Frans antwoord. Ik weet dat u mij zult
verstaan.
Zowel het ontwerp van ministerieel besluit betreffende de werving van
gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten als het ontwerp van
ministerieel besluit betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de
parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris
bepalen dat de examencommissie een Duitstalige afdeling heeft. Die vergelijkende
examens zullen tijdens het eerste kwartaal van 1999 worden georganiseerd.
In het ministerieel besluit van 29 juli 1998 betreffende de bekwaamheidsproeven
voor verhoging in weddeschaal bij de gerechtelijke politie bij de parketten is
reeds bepaald dat de examencommissie een Duitstalige afdeling zal hebben.
WETSONTWERP HOUDENDE BUDGETTAIRE
EN DIVERSE BEPALINGEN (Evocatieprocedure)
Algemene bespreking
De heer Coene (VLD), verslaggever. - De commissie besprak de
artikelen 12 tot en met 16 en het artikel 37 van het ontwerp.
Artikel 12 handelt over de invoering van een buitengewone aanslag op de
elektriciteitsproducenten. In feite is het een verlenging van de bestaande
toestand. De minister verzette zich tegen een amendement tot afschaffing van
deze aanslag. Toch werd het amendement aangenomen met zes stemmen tegen twee bij
één onthouding.
Artikel 14 verlengt de bekrachtigingstermijn van de besluiten betreffende BIAC
van zes tot negen maanden. De minister gaf de overbodigheid van dit artikel toe,
maar weigerde aanvankelijk een amendering om een terugzending naar de Kamer te
vermijden. Omdat het ontwerp toch terug moet, ging de minister uiteindelijk
akkoord en werd het amendement eenparig aangenomen.
Artikel 37 maakt het de Regie der Gebouwen gemakkelijker om zijn gebouwen ter
beschikking van andere instellingen te stellen. Amendementen beoogden het
tijdelijk karakter van de maatregel te benadrukken en het algemeen belang nader
te omschrijven. Het artikel werd uiteindelijk geschrapt.
Het geheel van het ontwerp werd aangenomen met zes stemmen bij drie
onthoudingen. (Applaus.)
De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - Artikel 12 sterkt
ertoe om voor de derde keer een eenmalige belasting te heffen op de
elektriciteitsproducenten. Dat is natuurlijk een eufemisme, aangezien ze die
belasting op de consumenten zullen verhalen.
België heeft heel concurrerende prijzen voor hoogspanning. Laagspanning
daarentegen kost 14 à 20 % meer dan de Europese gemiddelden.
De heffing van 1,5 miljard op de producenten is een slechte zaak. Zodra de
grenzen zullen opengaan, zal een dergelijke heffing trouwens als
concurrentievervalsing worden beschouwd. Het is dus de laatste keer dat wij dit
artikel in een programmawet zullen vinden.
De commissie was zo verstandig de regering niet te volgen en dit artikel te
schrappen dat de meerderheid vandaag, in haar belastingwoede, opnieuw wil
invoeren.
Ik zal het nu hebben over de artikelen die tot de bevoegdheid van de minister
van vervoer behoren en, meer bepaald, over de maatregelen betreffende de
binnenscheepvaart. Voor de binnenvaart geldt in België nog steeds een
toerbeurt wat uiteraard indruist tegen de regels van de markt en van de
mededinging. Iedereen is het dus eens over de noodzaak om progressief de
overcapaciteit te verminderen die aan de basis ligt van deze regeling.
We zijn het daarentegen niet eens met de bepaling betreffende de verlenging van
de termijn vereist om de reorganisatie van de luchthaven Brussel-Nationaal af te
ronden. Het is verbazingwekkend dat de meerderheid vandaag deze bepaling, die
door een amendement van de oppositie geschrapt werd, opnieuw invoert. De
minister heeft immers verklaard dat een nieuwe termijn niet nodig is, aangezien
de reorganisatie bijna voltooid is. Men lijkt alleen een terugzending naar de
Kamer te willen voorkomen, terwijl dit toch noodzakelijk is, omdat de Commissie
voor de sociale aangelegenheden artikel 26 heeft geschrapt. Ik pleit er dus voor
dat de meerderheid haar amendement intrekt dat opnieuw een termijn van negen
maanden invoert.
Artikel 34 tenslotte machtigt de minister die de Regie der Gebouwen onder zijn
bevoegdheid heeft, in feite om het even wat te doen. In het verleden moest het
Rekenhof inderdaad meer dan eens optreden. De tekst van de meerderheid is
evenwel overdreven. De commissie had overeenstemming bereikt over een
consensusamendement, dat jammer genoeg niet is aangenomen, omdat als gevolg van
de aanwezigheid van sommigen en de afwezigheid van anderen het amendement tot
schrapping van het artikel aangenomen is. De heer Coene en ikzelf dienen het
consensusamendement in de vorm van een subamendement, opnieuw in om de poging
van de regering te verijdelen, die opnieuw de lakse bepaling wil invoeren.
Dit wetsontwerp is niet zeer goed; dit is een van de verzamelwetten die om de
budgettaire bepalingen in wetgevingsmaatregelen om te zetten.
De heer Ph. Charlier (PSC) (in het Frans). - Ik zou het nog
even willen hebben over de drie artikelen die geschrapt zijn als gevolg van een
misverstand, want ze zijn niet zonder belang voor het geheel van het
wetsontwerp.
De meerderheid wenst dat het oude artikel 12, dat voorzag in een uitzonderlijke
financiële bijdrage ten laste van de elektriciteitssector, opnieuw wordt
ingevoerd. De schrapping van die maatregel zou de Staat immers 1,5 miljard
kosten.
Bovendien lijkt het ons billijk dat de elektriciteitssector, die lange tijd
beschermd en dus bevoorrecht werd, als nog bijdraagt tot de sanering van de
overheidsfinanciën. De schrapping van die heffing zou waarschijnlijk niet
leiden tot een verlaging van de elektriciteitsprijs voor de particulieren; die
prijsverlaging zal eerder een gevolg zijn van de liberalisering van de sector,
overeenkomstig de Europese richtlijn die de regering spoedig wil omzetten.
Wat het oude artikel 14 betreft aangaande de bekrachtigingstermijn voor de
koninklijke besluiten tot nationalisering van het beheer van de luchthaven
Brussel-Nationaal, zou een termijn van zes maanden in principe moeten volstaan.
Toch lijkt het ons gevaarlijk de verlenging tot negen maanden te schrappen, want
dan lopen we het gevaar dat alles wat al bereikt is verloren gaat als gevolg van
een mogelijk parlementair incident.
Tenslotte wenst de meerderheid dat het oude artikel 37 betreffende de Regie der
Gebouwen opnieuw wordt ingevoerd; dit artikel machtigde de Regie om
overeenkomsten te sluiten met privé-bedrijven van openbaar nut en
bepaalde dat die overeenkomsten het voorwerp moesten zijn van een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit en binnen twaalf maanden moesten worden
bevestigd door een wet. De tekst die wij daarvoor indienen wijkt licht af van de
oorspronkelijke tekst, want de handelingen van de Regie der Gebouwen behoren tot
het administratief recht en behoeven dus geen bekrachtiging door een wet.
De heer Loones (VU). - Eens te meer worden we geconfronteerd
met het verfoeilijke procédé van een programmawet waarin
uiteenlopende maar belangrijke bepalingen worden samengebracht, van de belasting
voor elektriciteitsbedrijven over de nationale luchthaven naar het beheer van
het onroerend patrimonium. De Volksunie zal dit ontwerp niet goedkeuren vanwege
het gebrek aan transparantie.
Tot overmaat van ramp heeft de meerderheid amendementen ingediend om terug te
keren naar de tekst zoals hij door de Kamer van volksvertegenwoordigers was
goedgekeurd. De amendementen die in de commissie werden aanvaard, waren nochtans
zeer verdedigbaar. Blijkbaar is er iets foutgegaan met de meerderheden in de
commissie.
Wij hebben bij het begin van deze legislatuur gepoogd om ons volledig in te
schakelen in de commissiewerkzaamheden. Dat is ons geweigerd omdat wij daardoor
het stelsel van meerderheden en minderheden dreigden door elkaar te gooien. Nu
horen we dat de werklast te hoog is en dat er meer senatoren zouden moeten
komen. Als men alle senatoren bij de werkzaamheden zou betrekken, zouden er geen
problemen zijn. Men kan het ons bijgevolg niet kwalijk nemen dat wij, niet
zonder enig leedvermaak, vaststellen dat de Senaat er niet in slaagt op een
degelijke wijze zijn werkzaamheden te organiseren. (Applaus bij de VU.)
- De algemene bespreking is gesloten.
Artikelsgewijze bespreking
De Voorzitter. - De heer Hotyat cs. heeft ingediend een
amendement (nr. 11) dat ertoe strekt in titel III een hoofdstuk 1bis
(nieuw) in te voegen met als opschrift : "Buitengewone aanslag ten
laste van de elektriciteitsproducenten », en omvattende een artikel 11bis
(nieuw), luidende :
« Art. 11bis.
§ 1. Voor het aanslagjaar 1999 zijn de elektriciteitsproducenten, bedoeld
in artikel 34 van de wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale
en niet-fiscale bepalingen, bovenop de bijzondere aanslag bedoeld in artikel 35
van voornoemde wet, gewijzigd door de wet van 28 december 1992 en de wet van 20
december 1995, een buitengewone aanslag verschuldigd van 1 500 miljoen frank.
Voor de berekening van het gedeelte van de buitengewone aanslag die per
elektriciteitsproducent moet worden geheven, is artikel 35, § 2, van
dezelfde wet van overeenkomstige toepassing.
De bepalingen van de artikelen 36 en 37 van dezelfde wet zijn eveneens van
toepassing op deze buitengewone aanslag.
§ 2. Het bedrag van voornoemde aanslag wordt toegewezen aan de
Rijksmiddelenbegroting. »
Anderzijds heeft de heer Hotyat cs. een amendement (nr. 12) ingediend dat ertoe
strekt in titel IV het opschrift van de artikelen 13 en 14, die hoofdstuk 2
worden, te doen voorafgaan door een hoofdstuk 1 (nieuw) met als opschrift :
« Rationalisering van het beheer van de luchthaven Brussel-Nationaal »,
omvattende een artikel 12bis (nieuw), luidende : « Art 12bis.-
In artikel 8, § 2, van de wet van 19 december 1997 tot rationalisering van
het beheer van de luchthaven Brussel-Nationaal, worden de woorden « zes
maanden » vervangen door de woorden « negen maanden ».
Bij artikel 23 :
De bepalingen van deze sectie treden in werking op 1 juni 1998, behalve de
artikelen 20 en 21, die respectievelijk in werking treden op 1 januari 1997 en
op 13 maart 1998.
De Voorzitter. - Mevr. Nelis-Van Liedekerke heeft een
amendement ingediend (nr. 2) dat ertoe strekt dit artikel te schrappen.
Bij artikel 33 :
Bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt van de reserves, opgebouwd bij
het stelsel van de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen, in 1997 500
miljoen frank en in 1998 200 miljoen frank, aangewend als eigen ontvangsten voor
de financiering van de werkloosheidsuitgaven.
De Voorzitter. - Mevr. Nelis-Van Liedekerke heeft ingediend
een amendement (nr. 4) dat ertoe strekt dit artikel te schrappen.
Anderzijds heeft de heer Hotyat cs. ingediend een amendement (nr. 13) dat ertoe
strekt het wetsontwerp aan te vullen met een titel IV (nieuw) met als opschrift :
« Regie der Gebouwen », en omvattende een artikel 34
(nieuw), luidende:
Artikel 34
In artikel 2 van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der
Gebouwen, zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1973, de wet van 22 december
1989, de wet van 20 juli 1990 en het koninklijk besluit van 18 november 1996,
worden na het derde lid volgende leden ingevoegd, luidend als volgt :
« De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, aan
gebouwen, eigendom van de Staat en beheerd door de Regie, een andere bestemming
geven dan de huisvesting van bovenvermelde diensten.
Die toestemming wordt slechts in uitzonderlijke gevallen verleend. De bestemming
moet materieel aan het gebouw zijn aangepast en het algemeen belang ten goede
komen.
Het koninklijk besluit bepaalt de investeringen waartoe de Regie wordt
gemachtigd en de bezettingsvoorwaarden.
Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit wordt
bij de Wetgevende Kamers een verslag ingediend dat de tekst van het besluit
overneemt. »
De heren Hatry en Coene hebben ingediend een subamendement (nr. 14) op dit
amendement, luidend als volgt :
« Artikel 34 (nieuw)
Dit artikel vervangen door de volgende bepaling : « De Koning kan, bij
een in Ministerraad overlegd besluit, aan gebouwen, eigendom van de Staat en
beheerd door de Regie, een andere bestemming geven dan de huisvesting van
bovenvermelde diensten. Die toestemming wordt slechts in uitzonderlijke en
speciaal gemotiveerde gevallen verleend. De bestemming moet materieel aan het
gebouw zijn aangepast en het algemeen belang ten goede komen in de strikte
betekenis van het woord.
Die machtiging is beperkt tot een periode van negen jaar. Ze kan evenwel worden
verlengd onder dezelfde voorwaarden als de « oorspronkelijke
machtiging ».
Het koninklijk besluit bepaalt de investeringen waartoe de Regie wordt
gemachtigd en de bezettingsvoorwaarden.
Op 30 juni en 31 december van ieder jaar dient de Koning bij het parlement een
wetsontwerp in tot bekrachtiging van de besluiten die zijn aangenomen in de loop
van de zes maanden voorafgaand aan de datum van de indiening van het
wetsontwerp.
De koninklijke besluiten zijn niet meer van kracht op het einde van de twaalfde
maand volgend op hun inwerkingtreding als ze vóór die datum niet
door een wet werden bekrachtigd.
De door de wet bekrachtigde besluiten kunnen slechts door een wet worden
gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven. »
De heer Hotyat (PS) (in het Frans). - Onze amendementen
strekken ertoe bepalingen opnieuw in te voeren die in het oorspronkelijk ontwerp
uitgaande van de Kamer staan. Dat is het geval voor het artikel 11bis,
dat het oude artikel 12 opnieuw wil invoeren. In het kader van de
begrotingscontrole 1998 was beslist de uitzonderlijke bijdrage ten laste van de
elektriciteitsproducenten met een jaar te verlengen. Het begrotingsevenwicht en
de draagkracht van de sector verantwoorden ruimschoots het bestaan van het
voorgestelde artikel 11bis. Artikel 12bis strekt ertoe het oude
artikel 14 opnieuw in te voeren. Wij vinden het aangewezen de termijn van negen
maanden te behouden.
Het nieuwe artikel 34 verschilt aanzienlijk van het oude artikel 37 en van het
subamendement van de heren Hatry en Coene. Ons amendement neemt het welbekende
juridische begrip « algemeen belang » over. Voor de door de
regering verleende machtigingen is in geen termijn voorzien. Een
bestuurshandeling kan steeds worden geëvoceerd. Het is niet nodig
tijdslimieten vast te stellen voor bestuurshandelingen. Wij menen dat, gelet op
de scheiding der machten, de wetgever zich niet over individuele handelingen
dient uit te spreken. Die bevoegdheid moet bij de regering blijven, die ze moet
uitoefenen via een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Die formule
biedt het voordeel dat bij deze belangrijke beslissing alle regeringspartners
betrokken zijn. Bovendien behoudt de procedure zo haar bestuurlijk karakter met
alle voordelen van dien : mogelijkheid om de bestemming te wijzigen of aan
te passen, meer soepelheid dus, inzonderheid wanneer men een gebouw zijn
oorspronkelijke bestemming wil teruggeven.
Rekening houdend met de in het spel zijnde belangen is het aangewezen de
garantie in te bouwen dat die handelingen door het parlement zullen worden
gecontroleerd. Die controle zou het best gebeuren aan de hand van een verslag op
basis waarvan het parlement het gevolgde beleid en de situatie van het
vastgoedpatrimonium kan beoordelen.
Mevrouw Nelis-Van Liedekerke (VLD). - In mijn amendement stel
ik voor het artikel 23 (nieuw artikel 21) te doen vervallen. De bepaling dat het
Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten de niet aangewende bijdragen
voor kinderbijslag moet terugstorten, is een anomalie. De leefbaarheid van het
Fonds stond vorig jaar nog ter discussie. Nu blijkt dat het Fonds over reserves
beschikt.
Artikel 36 machtigt de RVA om de PWA-reserves in te palmen teneinde er
werkloosheidsvergoedingen mee te betalen. Wij vinden dit niet verantwoord. De
PWA-gelden hebben een eigen finaliteit. Wij hebben in de Commissie sociale zaken
herhaaldelijk gezegd dat de regering de werkloosheidsuitgaven onderschat. Dat is
de echte reden waarom nu een overheveling van gelden nodig is.
De heer Coene (VLD), verslaggever. - De amendementen van de
heer Hotyat werden mee ondertekend door senatoren die in de commissie net het
tegenovergestelde zegden. De heer Hotyat neemt in zijn amendement op artikel 34
het begin van onze tekst over. Alleen maakt hij geen melding van een machtiging
voor een bepaalde tijd en ook ontbreekt de notie openbaar nut.
Het is merkwaardig dat er in de commissie eensgezindheid bestond om beide
concepten op te nemen. De leden van de meerderheid keren blijkbaar op hun
stappen terug.
Wij gaan er wel mee akkoord dat de procedure van bevestiging door het parlement
hier niet op zijn plaats is. Wij zijn bereid dit gedeelte te laten wegvallen in
ons sub-amendement. De precisering over de beperking in de tijd tot negen jaar
en de notie van het openbaar nut in strikte zin zijn echter een essentiële
voorwaarde om misbruiken te voorkomen.
De heer Hotyat (PS). - Ik heb deelgenomen aan de eerste
discussie over dit concept. Wij menen dat, aangezien het om een prerogatief van
de regering gaat, deze kan opteren voor een verschillende termijn als ze dit
nodig acht.
- De stemming over het amendement wordt aangehouden.
Algemene bespreking
Mevrouw Van der Wildt (SP), verslaggever. - De wet op de
handelspraktijken werd verschillende keren aangepast op het vlak van de
koopjesreglementering. Het ging vooral om de vaststelling van de begin- en
einddatum van de koopjesperiode. Sinds 5 december 1993 begint de koopjesperiode
op een welbepaalde kalenderdag, namelijk 3 januari voor de wintersolden en l
juli voor de zomersolden. Deze bepalingen zijn bedoeld om zekerheid te
verschaffen aan de consument.
Dit jaar stuit men voor het eerst op een praktisch obstakel bij de toepassing
van deze wet. Drie januari valt namelijk op een zondag. Bijgevolg kunnen de
handelaars uit voornamelijk de kleding- en schoenensector de koopjesperiode niet
starten op de voorziene dag.
De handelaar wordt voor de keuze gesteld om hetzij de wet te overtreden, hetzij
een aanzienlijk verlies te lijden door de eerste dag van de koopjesperiode te
missen. Daarom hebben wij onze steun verleend aan het voorstel om de
koopjesperiode met één dag te vervroegen indien het begin ervan op
een zondag valt. Ik heb een amendement ingediend om de sperperiode die
voorafgaat aan de koopjesperiode bijgevolg met één dag te
verminderen.
Het geheel van de tekst werd unaniem goedgekeurd. De commissie rekent op een
tijdige uitvoering van de gewijzigde wet.
De heer Ph. Charlier (PSC) (in het Frans). - Dit wetsvoorstel,
dat ik samen met mevrouw Willame-Boonen heb ingediend, is niet buitenmatig
ambitieus maar probeert een regelmatig voorkomend averechts effect te verhelpen.
Een wet van november 1993 stelt de begindatum van de winterkoopjes vast op 3
januari en de begindatum van de zomerkoopjes op 1 juli. Voor de eerste keer
sinds de inwerkingtreding van deze wet valt het begin van de winterkoopjes op
een zondag. Deze toestand discrimineert de handelszaken en bedrijven die beroep
doen op werknemers tegenover handelaars die geen werknemers hebben. Een
werknemer kan men inderdaad moeilijk op zondag doen werken tenzij men hem dik
betaalt. Een koninklijk besluit staat de werknemers ook toe drie zondagen per
jaar te werken : de zondag vóór Kerstmis en twee andere
zondagen naar keuze. Eén daarvan wordt dikwijls gebruikt voor Nieuwjaar.
Het leek ons dus belangrijk deze sectoren er niet toe te verplichten de derde
zondag vóór de koopjes te gebruiken omdat er ook andere
gelegenheden zoals bijvoorbeeld Moederdag. In het geval van 3 januari 1999 zou
dit ertoe leiden dat de handelszaken drie opeenvolgende zondagen open zijn.
Het is meer dan waarschijnlijk dat bepaalde handelaars afwijken van de wetgeving
en hun zaak op zondag 2 januari openen. Ik meende dus dat het belangrijk was om
dergelijke illegale houding te voorkomen door de wet betreffende de
handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument te wijzigen
teneinde de koopjesperiode één dag vroeger te laten ingaan wanneer
de officiële begindata op een zondag vallen.
Dit wetsvoorstel kreeg geen enkele kritiek in de commissie. Rekening houdend met
de eerstkomende datum van 3 januari, moet het zo snel mogelijk in werking
treden. Ik hoop dat de Kamer er de nodige aandacht aan zal kunnen besteden opdat
deze wet zo snel mogelijk in werking kan treden.
- De algemene bespreking is gesloten.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
De algemene bespreking wordt voortgezet
De heer Goris (VLD). - Ik wil vooreerst de Voorzitter bedanken
voor de manier waarop hij het probleem dat vorige week is gerezen, heeft
behandeld.
Het incident van vorige week betrof de discussie omtrent het verschil tussen een
vormcorrectie en een amendement. Dit is van belang wanneer de Senaat correcties
heeft aangebracht aan een tekst van de Kamer. Het heeft zijn belang in verband
met de spoedprocedure voor de Raad van State. Het is ongepast dat de beslissing
of het al dan niet om een vormcorrectie of een amendement gaat aan de griffiers
van Kamer en Senaat werd overgelaten. De volksvertegenwoordigers en senatoren
moeten terzake hun verantwoordelijkheid opnemen. Ik dring aan op overleg tussen
Kamer en Senaat over dit onderwerp om dergelijke problemen in de toekomst te
vermijden.
Nu over de discussie ten gronde. De doorliggende wetsontwerpen zijn geen
overbodige luxe. Momenteel worden de meeste veiligheidsonderzoeken in ons land
verricht op basis van internationale voorschriften, van richtlijnen van de
regering of van een minister. De veiligheidsmachtigingen werden tot november
1994 afgegeven door de nationale veiligheidsautoriteit, die zich echter vanaf
die datum hiervoor onbevoegd verklaarde.
Er stelt zich een juridisch probleem. Twee leden van het burgerlijk personeel
van ADIV hadden namelijk beroep aangetekend bij de Raad van State omdat zij
bevel hadden gekregen om veiligheidscertificaten aan te vragen. De Raad van
State heeft geoordeeld dat de veiligheidsonderzoeken een inmenging in de
persoonlijke levenssfeer door de overheid betekenen. Sindsdien berusten de
onderzoeken om een betwiste wettelijke basis en zijn dus aanvechtbaar. Een
duidelijke wetgeving die rekening houdt met de problematiek van de persoonlijke
levenssfeer is dus bijzonder dringend.
Ik ben het niet eens met de minister wanneer hij zegt dat de ontwerpen een
vooruitgang zijn voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De
betrokken persoon moet inderdaad vooraf zijn instemming met het
veiligheidsonderzoek geven. Dit had altijd zo moeten zijn. Maar op dit principe
worden twee belangrijke uitzonderingen voorzien, namelijk voor personen die in
hiërarchisch verband opdrachten moeten uitvoeren en voor personen die
samenleven met diegenen die een onderzoek moeten ondergaan.
De partners moeten wel in kennis worden gesteld, maar hun instemming is niet
vereist. Het betreft een diepgaand onderzoek waartegen de partner zich niet kan
verzetten. Mijns inziens moet dit verzet te allen tijde en onder eerder welke
omstandigheid mogelijk zijn. De instemming van de partner moet dus uitdrukkelijk
worden gevraagd. Die twee uitzonderingen hollen de hele wet uit. De regering
stelt met deze tekst een compromis te willen bereiken tussen de taken van de
Staat en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Volgens de minister en
de meerderheid geeft het feit dat de samenwonende op de hoogte wordt gebracht
van het onderzoek voldoende waarborgen. Menen zij dat echt ?
Een tweede probleem, dat ook door de Raad van State werd opgemerkt, betreft de
aard van de gegevens van het veiligheidsonderzoek. Het ontwerp is daarover zeer
vaag. De deur tot misbruiken staat dus wijd open.
Een derde opmerking is dat agenten enkel op vertoon van hun legitimatiekaart
toegang hebben tot alle dossiers. Volgens mij is een schriftelijke toestemming
nodig. Nu kunnen die superflikken eender waar en wanneer eender wie aan een
onderzoek onderwerpen.
Ik denk dat de minister zich binnenkort aan nieuwe beroepsprocedures bij de Raad
van State mag verwachten en dat deze een onvoldoende zal geven. Het parlement
zal dan het werk moeten overdoen.
Het verrast mij dat de minister volhardt om het Comité I als
beroepsinstantie te handhaven. In de Kamer stelde dit Comité zelf niet de
ideale beroepsinstantie te zijn. Het zegt terecht niet tegelijk te kunnen
instaan voor de algemene controle en de door dit ontwerp toegekende
jurisdictionele bevoegdheid. Bovendien zou het Comité worden verplicht
half geblinddoekt uitspraken te doen omdat het als beroeps- en
controle-instantie niet over dezelfde onderzoeksbevoegdheden beschikt. Het Comité
zou inderdaad tegelijk rechter en partij zijn. Ik pleit dan ook voor een derde
optie, namelijk een beroepscommissie bestaande uit drie magistraten op rust.
Zulke commissie biedt een enorm voordeel van neutraliteit. Zo hoort het in een
rechtsstaat.
Tijdens de bespreking van de hervorming van de Inlichtingen- en
Veiligheidsdiensten werd de klemtoon gelegd op de grotere slagkracht om
subversieve elementen te ontdekken. Ik zie veel parallellen in dit ontwerp met
die hervormingen. Maar er is een wezenlijk verschil. Dit ontwerp betreft
personen die zich inzetten om de natie te helpen. Dit zijn in principe geen
subversieve elementen tegen wie wij een zeer verregaande wetgeving moeten
concipiëren. Wij moeten juist deze mensen beschermen tegen al te ijverige
superflikken die carte blanche krijgen om het leven van de betrokkenen en hun
partners overhoop te halen.
Ik ben bezorgd om het lot van ons ambassadepersoneel, militaire attachés
en talrijke burgers en militairen die meedogenloos zullen worden gescreend. Ik
heb daarom opnieuw enkele amendementen ingediend. Ik hoop te mogen rekenen op
deze poging om de persoonlijke levenssfeer van de geciteerde betrokkenen
afdoende te beschermen. Wanneer de amendementen niet worden aanvaard, zal de VLD
zich onthouden.
De heer Anciaux (VU). - Ik heb eveneens heel wat bedenkingen
bij dit ontwerp, met name aangaande het respect voor de privacy. Ik sluit mij
terzake aan bij wat de heer Goris zei.
Over de beroepsregeling is er een lang debat geweest in de Kamer. Er waren heel
wat vragen rond de rol van Comité I terzake. Het Comité zelf zegt
niet de meest geschikte instantie te zijn. Dit wijst op zijn minst op een gebrek
aan motivatie. In hoeverre is er trouwens democratische controle op Comité
I ?
Ik heb vragen bij het doel van de wet zelf en bij de opgesomde classificaties.
Er wordt met geen woord gerept over het belang van de bevolking noch over het
belang van de Gemeenschappen. We hebben blijkbaar weinig lessen getrokken uit
het verleden. De geheimdoenerij heeft tot zoveel misbruiken geleid, en toch
hebben we nog niet geleerd om een democratische controle in te stellen op al wie
deze labels toekennen. Een ernstig debat is daarom aangewezen. De Volksunie zal
deze ontwerpen niet goedkeuren.
- De algemene bespreking is gesloten.
Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp
betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen
Bij artikel 13 :
In deze wet wordt verstaan onder:
1° « veiligheidsofficier »;
a) de ambtenaar, houder van een veiligheidsmachtiging, die, in een openbaar
bestuur, een instelling van openbaar nut of een autonoom overheidsbedrijf die
geclassificeerde documenten of materiaal verwerken, door de minister onder wie
dat bestuur, die instelling of dat bedrijf ressorteert, wordt aangewezen om te
zorgen voor de inachtneming van de veiligheidsregels;
b) het personeelslid, houder van een veiligheidsmachtiging, binnen een
rechtspersoon die een veiligheidsmachtiging bezit, dat door de leiding van de
rechtspersoon wordt aangewezen om te zorgen voor de inachtneming van de
veiligheidsregels;
2° « veiligheidsmachtiging », het offcieel attest,
verstrekt op grond van de gegevens verzameld door een inlichtingen- en
veiligheidsdienst, luidens hetwelk, om toegang te krijgen tot gegevens waaraan
een zekere graad van vertrouwelijkheid is toegekend :
een natuurlijke persoon voldoende garanties biedt inzake geheimhouding,
loyauteit en integriteit;
een rechtspersoon voldoende garanties biedt inzake de materiële en
technische middelen en de methoden, gebruikt om deze gegevens te beschermen, en
inzake de geheimhouding, de loyaliteit en de integriteit van zijn organen en
aangestelden die in aanmerking komen om toegang te hebben tot die gegevens;
3° « veiligheidsonderzoek », het onderzoek uitgevoerd
door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, ten einde vast te stellen dat aan
alle noodzakelijke voorwaarden voor het afgeven van de veiligheidsmachtiging is
voldaan, gelet op het niveau en het doel van de machtiging;
4° « inlichtingen- en veiligheidsdienst », de
Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de
Krijgsmacht.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 1)
ingediend dat ertoe strekt dit artikel aan te vullen met een 5°, luidende :
« 5° geheimverklaard stuk, inlichting of materiaal » :
ieder stuk of materiaal waarvan de vertrouwelijkheid of het geheim is
vastgesteld bij wet of door de daartoe krachtens de wet gemachtigde overheid. »
Bij artikel 15 :
De Koning wijst de collegiale overheid of overheden aan, die bevoegd is of zijn
de veiligheidsmachtigingen af te geven of in te trekken.
Die overheid of overheden worden hierna « de veiligheidsoverheid »
genoemd.
In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende overheden de toestemming van
de Koning krijgen om de door deze wet aan de veiligheidsoverheid toegewezen
bevoegdheden uit te oefenen :
1° de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of, in geval
van verhindering, de adjunct-administrateur-generaal, voor de personeelsleden
van die dienst en voor de kandidaten voor een betrekking binnen die dienst;
2° de chef van de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de
Krijgsmacht, of een door hem afgevaardigde hoofdofficier, voor de personen die
onder de minister van Landsverdediging ressorteren en voor de kandidaten voor
een betrekking binnen het ministerie van Landsverdediging.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 7)
ingediend dat ertoe strekt dit artikel te vervangen als volgt :
« Art. 15. De Koning wijst de collegiale overheid aan die bevoegd is
voor de afgifte of de intrekking van de veiligheidsmachtigingen. Die overheid
wordt hierna « de veiligheidsautoriteit » genoemd.
De veiligheidsmachtigingen blijven geldig tot drie jaar na de afgifte ervan ».
Bij artikel 16 :
§ 1. De persoon die een veiligheidsmachtiging moet verkrijgen, wordt op de
hoogte gebracht van het niveau en het doel van de machtiging, van de types van
gegevens die gedurende het veiligheidsonderzoek kunnen worden onderzocht of
geverifieerd, van de wijze waarop het onderzoek verloopt en de geldigheidsduur
van de veiligheidsmachtiging.
Zijn instemming is vereist voor het instellen van het veiligheidsonderzoek dat
nodig is voor het afgeven van de machtiging.
Die instemming geldt eveneens voor enig later veiligheidsonderzoek dat erop
gericht is na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden die vereist
zijn voor het aanvangsniveau van de machtiging. De betrokken persoon wordt
niettemin steeds vooraf op de hoogte gebracht van elk veiligheidsonderzoek,
overeenkomstig § 1, eerste lid.
Die instemming kan op ieder moment ingetrokken worden door de betrokken persoon
die niet langer wenst het veiligheidsonderzoek te ondergaan of houder te zijn
van een veiligheidsmachtiging.
Indien de machtiging vereist is voor de toegang tot een betrekking, een functie
of een graad, maakt de uitdrukkelijke weigering van de kandidaat of, in
voorkomend geval, het uitblijven van de instemming binnen een termijn van
vijftien dagen na de ontvangst van het document dat hem van het onderzoek op de
hoogte brengt, automatisch een einde aan de procedure tot werving,
indienstneming, benoeming of bevordering.
§ 2. De in § 1 bepaalde instemming is niet nodig, wanneer de
veiligheidsmachtiging vereist is voor de uitoefening van een ambt waarvoor de
betrokken persoon - op grond van zijn statuut - kan worden aangewezen zonder
zijn instemming. De betrokken persoon wordt niettemin steeds vooraf op de hoogte
gebracht van het veiligheidsonderzoek, overeenkomstig § 1, eerste lid.
Voordat de kandidaat geworven of in dienst genomen wordt in een betrekking die
aan een dergelijk statuut is onderworpen, moet hij ermee instemmen dat, zolang
hij aan dat statuut onderworpen is en indien hij zou worden aangesteld in een
functie waarvoor een veiligheidsmachtiging vereist is, veiligheidsonderzoeken
worden ingesteld, overeenkomstig het vorige lid.
§ 3. De in § 1, tweede lid, bedoelde kennisgeving is niet vereist
wanneer een later veiligheidsonderzoek noodzakelijk is om informaties te verifiëren
over ernstige feiten die erop wijzen dat de gemachtigde persoon niet meer aan de
voorwaarden voldoet die vereist zijn voor het niveau van de toegekende
machtiging.
In dat geval wordt de veiligheidsoverheid onmiddellijk op de hoogte gebracht.
§ 4. De personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben en
samenwonen met de persoon voor wie de machtiging vereist is, worden eveneens op
de hoogte gebracht, wanneer zij, naar gelang van het niveau van de machtiging,
eveneens een individueel veiligheidsonderzoek moeten ondergaan.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 3)
ingediend dat ertoe strekt in § 4, tussen de woorden « op de hoogte
gebracht » en de woorden « wanneer zij », de woorden « en er
wordt terzake om hun instemming gevraagd » in te voegen.
Bij artikel 19 :
In het kader van de veiligheidsonderzoeken en enkel met het oog daarop, kunnen
de in artikel 16, derde lid, bedoelde agenten en leden, buiten hun bevoegdheden
op grond van artikel 10, § 2, van de wet van... houdende regeling van de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en met inachtneming van artikel 10, §
1, van dezelfde wet, elk onderzoek instellen en alle inlichtingen nodig voor het
onderzoek inwinnen.
Met het oog daarop kunnen zij, op voorlegging van hun legitimatiekaart :
1° wat ook hun niveau is, kosteloos toegang krijgen tot het centraal
strafregister dat wordt bijgehouden in het ministerie van justitie, tot de
strafregisters en de bevolkings- en vreemdelingenregisters die worden
bijgehouden op de gemeenten, tot het Rijksregister, tot het wachtregister van de
vreemdelingen, alsook tot de politiegegevens die toegankelijk zijn voor
politieambtenaren bij de uitvoering van identiteitscontroles;
2° op voorlegging van het in artikel 15 bedoelde document waaruit de
instemming van of, in voorkomend geval, de kennisgeving aan de betrokkene
blijkt, alle nuttige informatie vragen waarover de algemene politiediensten
beschikken;
3° op voorlegging van het in het 2° bedoelde document, de mededeling
vorderen door de openbare diensten, waarvan de lijst door de Koning bepaald
wordt, van alle nuttige inlichtingen betreffende de identiteit of de
kredietwaardigheid van de betrokkene waarover deze diensten beschikken. Deze
diensten stellen hen kosteloos fotokopieën, uittreksels, of voor
eensluidend verklaarde afschriften van documenten, stukken, registers, boeken,
magneetbanden of computerdiskettes ter beschikking.
Zij moeten hun legitimatiekaart tonen aan elke andere persoon van wie zij, in
het kader van het veiligheidsonderzoek, de medewerking vragen. Indien deze het
hen vraagt, moeten zij eveneens het in artikel 15 bedoelde document tonen,
waaruit de instemming blijkt van de persoon die aan een onderzoek wordt
onderworpen, of, wanneer die instemming niet vereist is, van de kennisgeving.
Wanneer het veiligheidsonderzoek tot doel heeft het verlenen van een
veiligheidsmachtiging aan een ingezetene van een vreemde Staat, door de bevoegde
overheden van die Staat, in het kader van overeenkomsten van wederzijdse
bijstand waardoor België gebonden is, moeten die agenten en leden een
document tonen, afkomstig van de veiligheidsoverheid, waaruit het verzoek om
medewerking van de vreemde Staat blijkt.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 4)
ingediend dat ertoe strekt in het tweede lid de volgende wijzigingen aan te
brengen :
A. in limine, na de woorden «, op voorlegging van hun
legitimatiekaart : », de woorden « en van het in artikel 7
bedoelde document waaruit de instemming van of, in voorkomend geval, de
kennisgeving aan de betrokkene blijkt : » toevoegen;
B. in het 2°, de woorden « op voorlegging van het in artikel
17 bedoelde document waaruit de instemming van of, in voorkomend geval, de
kennisgeving aan de betrokkene blijkt », doen vervallen.
C. in het 3°, de woorden « op voorlegging van het bij 2°
bedoelde document », doen vervallen.
Bij artikel 25 :
Behalve wanneer de redenen waarom ze werden verzameld nog steeds bestaan en hun
bewaring bijgevolg geboden blijft, worden de persoonlijke gegevens die in het
kader van deze wet worden ingewonnen of ontvangen, vernietigd zodra de betrokken
persoon niet langer aan een veiligheidsonderzoek kan worden onderworpen.
Behalve wanneer de redenen waarom ze werden verzameld nog steeds bestaan en hun
bewaring bijgevolg geboden blijft, worden de gegevens die in het kader van de in
artikel 12, tweede lid, bedoelde veiligheidsonderzoeken worden ingewonnen,
vernietigd na een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de geldigheid van
de veiligheidsmachtiging vervalt.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 5)
ingediend dat ertoe strekt de eerste alinea aan te vullen met de volgende zin :
« Die termijn mag in geen geval de duur van één jaar
overschrijden. »
- De stemming over deze amendementen wordt aangehouden.
Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp
tot oprichting van een beroepsorgaan
inzake veiligheidsmachtigingen
Bij artikel 2 :
In deze wet wordt verstaan onder :
1° « inlichtingen- en veiligheidsdienst », de Veiligheid van de
Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht;
2° « Vast Comité I », het Vast Comité van Toezicht
op de inlichtingendiensten, opgericht bij de wet van 18 juli 1991 tot regeling
van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 1)
ingediend dat ertoe strekt het tweede lid te vervangen door :
« 2° « Beroepscommissie », een commissie van drie
magistraten op rust die tevens houder zijn van een veiligheidsmachtiging. Deze
worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel benoemd, voor
een periode van vijf jaar. De voorzitter van deze commissie verkrijgt de
bevoegdheden conform artikel 48 van de wet van 18 juli 1991. »
Bij artikel 3 :
Het Vast Comité I, hierna het « beroepsorgaan » genoemd, neemt
kennis van de met toepassing van deze wet ingestelde beroepen.
In dat geval zijn de artikelen 32 tot 56 van de wet van 18 juli 1991 tot
regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten niet van
toepassing.
Wanneer bij het Vast Comité I een beroep aanhangig is gemaakt, geeft het
geen gevolg aan een in de voornoemde wet van 18 juli 1991 bedoelde klacht of
aangifte betreffende elk veiligheidsonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de
procedure tot veiligheidsmachtiging die het voorwerp uitmaakt van het beroep.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement (nr. 2)
ingediend dat ertoe strekt in het eerste lid van dit artikel de woorden «
het Vast Comité I, hierna het beroepsorgaan genoemd » te vervangen
door de woorden « de beroepscommissie ».
Bij artikel 4 :
Wanneer overeenkomstig artikel 20 van de wet van... betreffende de classificatie
en de veiligheidsmachtigingen, de toekenning van de vereiste
veiligheidsmachtiging wordt geweigerd, wanneer de beslissing niet genomen of
niet ter kennis gebracht is binnen de voorziene termijn, of wanneer de
veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken, kan de natuurlijke of rechtspersoon
voor wie de machtiging vereist is, binnen dertig dagen, respectievelijk na de
kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn, bij
aangetekend schrijven beroep instellen bij het beroepsorgaan. Het uitblijven van
een beslissing door de veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het
beroepsorgaan overeenkomstig artikel 10, § 1, of § 2, 1°, van
deze wet, wordt beschouwd als een beslissing tot weigering en is vatbaar voor
beroep door de betrokkene, overeenkomstig het vorige lid.
Het beroep staat niet open wanneer de veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken in
het geval bedoeld in artikel 14, § 1, derde lid, van de wet van...
betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.
Bij artikel 5 :
§ 1. In geval van beroep zendt de veiligheidsoverheid het onderzoeksverslag
aan het beroepsorgaan over, waarbij het origineel van de met redenen omklede
beslissing alsmede een kopie van de kennisgeving van deze beslissing aan de
eiser, en, in voorkomend geval, het in artikel 20 van de wet van... betreffende
de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bedoelde onderzoeksdossier worden
gevoegd.
§ 2. Indien het beroepsorgaan het nuttig acht voor het onderzoek van het
beroep, verzoekt het de inlichtingen- en veiligheidsdienst die het onderzoek
heeft ingesteld of instelt, een kopie van het volledige onderzoeksdossier over
te zenden. Het kan eveneens van deze dienst de mededeling eisen van elke
aanvullende informatie die het nuttig acht voor het onderzoek van het aanhangig
gemaakte beroep.
Daartoe kan het beroepsorgaan de leden horen van de inlichtingendiensten die aan
het veiligheidsonderzoek hebben meegewerkt.
De leden van de inlichtingendiensten zijn verplicht aan het beroepsorgaan de
geheime informatie mee te delen waarover zij beschikken, met uitzondering van
geheime informatie die betrekking heeft op een nog lopend opsporings- of
gerechtelijk onderzoek.
Acht het lid van de inlichtingendienst het nuttig die informatie toch geheim te
houden omdat de verspreiding ervan de bescherming van de bronnen, de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de opdrachten
van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals bepaald in de artikelen 7 en 9
van de wet van... houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
in het gedrang kan brengen, dan wordt de vraag voorgelegd aan de voorzitter van
het beroepsorgaan, die uitspraak doet na het hoofd van de dienst te hebben
gehoord.
§ 3. Op verzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdienst kan het
beroepsorgaan beslissen dat sommige inlichtingen uit de verklaring van een lid
van de in § 2 bedoelde inlichtingendienst, uit het onderzoeksverslag of het
onderzoeksdossier, om één van de in § 2, vierde lid, genoemde
redenen, geheim zijn en dat de eiser noch zijn advocaat er inzage van krijgen.
Wanneer die inlichtingen afkomstig zijn van een buitenlandse inlichtingendienst,
wordt de beslissing tot niet-inzage genomen door de inlichtingen- en
veiligheidsdienst.
Tegen die beslissingen is geen beroep mogelijk.
Bij artikel 6 :
Onverminderd artikel 5, § 3, eerste en tweede lid, mogen de eiser en zijn
advocaat het onderzoeksverslag en eventueel het onderzoeksdossier gedurende vijf
werkdagen vóór de zitting op de griffie van het beroepsorgaan
inzien, op de data en uren die door het beroepsorgaan worden opgegeven.
De eiser wordt gehoord door het beroepsorgaan, op verzoek van dat orgaan of op
eigen verzoek. Hij kan zich laten bijstaan door een advocaat.
Bij artikel 7 :
§ 1. De leden en de personeelsleden van het Vast Comité I zijn
gehouden tot een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de feiten, handelingen of
inlichtingen waarvan zij kennis hebben wegens de medewerking die zij verlenen
aan de toepassing van deze wet.
Deze geheimhoudingsplicht blijft bestaan, ook wanneer zij opgehouden hebben deze
medewerking te verlenen.
§ 2. Het beroepsorgaan moet de nodige interne maatregelen nemen om het
vertrouwelijk karakter van de onderzoeksverslagen, van de documenten die erbij
gevoegd zijn overeenkomstig artikel 5, § 1, en, in voorkomend geval, van de
onderzoeksdossiers, te waarborgen.
Bij artikel 9 :
Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen zestig dagen
nadat het beroep bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt.
De beslissingen van het beroepsorgaan worden met redenen omkleed. Zij worden,
bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de
veiligheidsoverheid en van de inlichtingen- en veiligheidsdienst die het
onderzoek heeft ingesteld, en zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks
uitvoerbaar.
De kennisgeving aan de eiser mag geen enkele inlichting bevatten waarvan de
mededeling schade zou kunnen toebrengen aan de verdediging van de
onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, aan de militaire
defensieplannen, aan de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, aan
de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de
kernenergie, aan het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde,
aan de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, aan
het wetenschappelijk of economisch potentieel van het land of elk ander
fundamenteel belang van de Staat, aan de veiligheid van Belgische onderdanen in
het buitenland, aan de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, aan
de bescherming van de bronnen of aan de bescherming van het privé-leven
van derden.
De beslissingen van het beroepsorgaan zijn niet vatbaar voor enig beroep.
De rechtspleging welke voor het beroepsorgaan dient te worden gevolgd, wordt
vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Bij artikel 10 :
§ 1. Wanneer het beroep betrekking heeft op het uitblijven van een
beslissing inzake het verlenen van een veiligheidsmachtiging, kan het
beroepsorgaan, na de veiligheidsoverheid of de betrokken inlichtingen- en
veiligheidsdienst te hebben ondervraagd over de redenen voor de niet-naleving
van de overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van de wet van... betreffende de
classificatie en de veiligheidsmachtigingen bepaalde termijn, eisen dat het
veiligheidsonderzoek wordt beëindigd, dat het onderzoeksverslag door de
veiligheidsoverheid wordt onderzocht en dat zij beslist binnen de termijnen die
het vaststelt.
§ 2. Wanneer het beroep volgt op een weigering om de veiligheidsmachtiging
te verlenen of op de intrekking van een veiligheidsmachtiging, kan het
beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van
oordeel is dat de redenen ingeroepen om de bestreden beslissing te
rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding staan tot het vereiste
machtigingsniveau :
1° eisen dat het veiligheidsonderzoek wordt afgerond met betrekking tot de
punten die het bepaalt en dat de beslissing tot weigering of intrekking opnieuw
door de veiligheidsoverheid wordt onderzocht binnen de termijnen die het
vaststelt;
2° eisen dat de veiligheidsoverheid de veiligheidsmachtiging verleent.
§ 3. Wanneer het beroep volgt op het uitblijven van beslissing van de
veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan
overeenkomstig § 1 of § 2, 1°, kan het beroepsorgaan, indien het,
na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, meent dat niets zich ertegen
verzet, de veiligheidsoverheid dwingen de veiligheidsmachtiging toe te kennen.
De Voorzitter. - De heer Goris heeft een amendement ingediend
(nr. 3) dat ertoe strekt het woord « het beroepsorgaan » in
de artikelen 4, 5, 6, 7, 9 en 10 te vervangen door het woord « de
beroepscommissie ».
- De stemming over deze amendementen en artikelen wordt aangehouden.
- De overige artikelen worden zonder opmerkingen aangenomen.
REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN
De Voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week
dinsdagvoormiddag in plenaire zitting bijeen te komen voor de bespreking van
ontwerpen over het stemrecht, de organisatie van de verkiezingen, over de
veiligheid tijdens voetbalwedstrijden en een ontwerp over de syndicale
vertegenwoordiging in overheidsdienst. Aanstaande donderdagvoormiddag om 9 uur
bespreken we twee wetsvoorstellen over de reclame op tabaksproducten en twee
voorstellen met eraan verbonden een vraag om uitleg over de technische
ontwikkelingssamenwerking. Te 15 uur zijn er de inoverwegingneming van
wetsvoorstellen, mondelinge vragen en de behandeling van een voorstel van wet
betreffende de bestraffing van genocide. Na de naamstemmingen behandelen we de
vragen om uitleg van mevrouw Leduc en van mevrouw Lizin en van de heren
Coveliers en Loones. (Instemming.)
Aangehouden stemmingen
- Het amendement van de heer Hotyat (amendement nr. 11) wordt aangenomen met 37
tegen 13 stemmen; 3 leden hebben zich onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Eddy Boutmans, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé,
Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, José
Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre,
Jacques D'Hooghe, Vera Dua, Fred Erdman, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint,
Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Dominique Jeanmoye, Roger
Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens,
Charles-Ferdinand Nothomb, Mare Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques
Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs, Hugo
Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts.
Tegen hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, Jacques Devolder, Michel
Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre Hazette, Jan Loones, Lisette Nelis-Van
Liedekerke, Fons Vergote, Guy Verhofstadt, Wim Verreycken.
Onthouden hebben zich : de leden :
Hugo Coveliers, Claude Desmedt, Jeannine Leduc.
De heer Coveliers (VLD). - Ik ben afgesproken met de heer
Tobback.
Mevrouw Leduc (VLD). - Ik ben afgesproken met mevrouw Maximus.
- Het amendement van de heer Hotyat tot invoeging van een artikel 12bis
(amendement nr. 12) wordt met 35 tegen 16 stemmen aangenomen; 6 leden hebben
zich onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse,
Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia
Merchiers, Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Mare Olivier, Eric Pinoie,
Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen,
Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine
Willame-Boonen.
Tegen hebben gestemd : de leden:
Bert Anciaux, Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, Claude Desmedt, Alain
Destexhe, Jacques Devolder, Michel Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre
Hazette, Jan Loones, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons
Vergote, Guy Verhofstadt, Wim Verreycken.
Onthouden hebben zich : de leden:
Eddy Boutmans, Hugo Coveliers, José Daras, Martine Dardenne, Vera Dua,
Jeannine Leduc.
- Met een meerderheid van 35 tegen 14 stemmen wordt het amendement op artikel
23 (amendement nr. 2) van mevr. Nelis niet aangenomen; 8 leden hebben zich
onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques
Devolder, Michel Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre Hazette, Lisette
Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Guy Verhofstadt, Wim
Verreycken.
Tegen hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-Francois Istasse, Dominique
Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers,
Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Mare Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthouden hebben zich : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, Hugo Coveliers, José Daras, Martine
Dardenne, Vera Dua, Jeannine Leduc, Jan Loones.
- Met een meerderheid van 35 tegen 14 stemmen wordt het amendement van mevr.
Nelis op artikel 33 (amendement nr. 4) niet aangenomen; 8 leden hebben zich
onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques
Devolder, Michel Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre Hazette, Lisette
Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Guy Verhofstadt, Wim
Verreycken.
Tegen hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse,
Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia
Merchiers, Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie,
Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen,
Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts , Magdeleine
Wil- lame-Boonen.
Onthouden hebben zich : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, Hugo Coveliers, José Daras, Martine
Dardenne, Vera Dua, Jeannine Leduc, Jan Loones.
- Met een meerderheid van 35 tegen 11 stemmen wordt het sub-amendement van de
heren Hatry en Coene op artikel 34 (amendement nr. 13) niet aangenomen; 11 leden
hebben zich onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
Christine Cornet d'Elzius, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder,
Michel Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre Hazette, Lisette Nelis-Van
Liedekerke, Fons Vergote, Guy Verhofstadt.
Tegen hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-Francois Istasse, Dominique
Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers,
Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthouden hebben zich : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, Door Buelens, Hugo Coveliers, José Daras,
Martine Dardenne, Vera Dua, Jeannine Leduc, Jan Loones, Joris Van Hauthem, Wim
Verreycken.
- Het amendement van de heer Hotyat op artikel 34 (amendement nr. 13) wordt met
35 tegen 16 stemmen aangenomen; 6 leden hebben zich onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-Francois Istasse, Dominique
Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers,
Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Mare Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, Claude Desmedt, Alain
Destexhe, Jacques Devolder, Michel Foret, Stephan Goris, Paul Hatry, Pierre
Hazette, Jan Loones, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons
Vergote, Guy Verhofstadt, Wim Verreycken.
Onthouden hebben zich : de leden :
Eddy Boutmans, Hugo Coveliers, José Daras, Martine Dardenne, Vera Dua,
Jeannine Leduc.
Aangehouden stemmingen
Met een meerderheid van 35 tegen 15 stemmen wordt het amendement van de heer
Goris op artikel 13 ( amendement nr. 1) niet aangenomen; 7 leden hebben zich
onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, Door Buelens, Christine Cornet d'Elzius, José
Daras, Martine Dardenne, Jacques Devolder, Vera Dua, Stephan Goris, Jan Loones,
Lisette Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Guy Verhofstadt,
Wim Verreycken.
Tegen hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-Francois Istasse, Dominique
Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers,
Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Aangehouden stemmingen
- Met een meerderheid van 35 tegen 10 stemmen wordt het amendement van de heer
Goris op artikel 2 (amendement nr. 1) niet aangenomen; 11 leden hebben zich
onthouden.
Voor hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Door Buelens, Jacques Devolder, Stephan Goris, Jan Loones, Lisette
Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Guy Verhofstadt, Wim
Verreycken.
Tegen hebben gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Sabine de Bethune, Andree
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Jean-Marie
Happart, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse,
Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia
Merchiers, Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie,
Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen,
Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine
Willame-Boonen.
Onthouden hebben zich : de leden :
Eddy Boutmans, Christine Cornet d'Elzius, Hugo Coveliers, José Daras,
Martine Dardenne, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Vera Dua, Michel Foret, Paul
Hatry, Jeannine Leduc.
- Artikel 2 wordt aangenomen.
- De amendementen van de heer Goris op artikel 3 (amendement nr. 2) en op de
artikelen 4, 5, 6, 7, 9 en 10 (amendement nr. 3) worden niet aangenomen.
- De artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 worden aangenomen.
WETSONTWERP HOUDENDE BUDGETTAIRE
EN DIVERSE BEPALINGEN
De Voorzitter. - Aangezien in plenaire vergadering
amendementen zijn aangenomen, kan de eindstemming over het geheel van het
ontwerp ten vroegste over vijf dagen plaatsvinden. Wij zullen dan ook volgende
week tot die stemming overgaan.
NAAMSTEMMINGEN
- Het wetsvoorstel betreffende de verticale integratie van het openbaar
ministerie, het federaal parket en de raad van procureurs des Konings wordt met
50 tegen 4 stemmen aangenomen; 3 leden hebben zich onthouden.
- Het wetsvoorstel zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden
overgezonden.
De Voorzitter. - Ten gevolge van deze stemming zijn de
wetsvoorstellen tot wijziging van artikel 210 van het Wetboek van
Strafvordering; tot aanvulling van artikel 22 van het Wetboek van
Strafvordering, met betrekking tot de ontvankelijkheid van de door de
arbeidsauditeur of de procureur des Konings ingestelde strafvordering; en
betreffende de vacantverklaring van de ambten van procureur-generaal en
procureur des Konings doelloos geworden.
- Het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk
Wetboek wordt door de 56 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Ja hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Philippe
Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier,
Philippe Charlier, Christine Cornet d'Elzius, Hugo Coveliers, José Daras,
Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo
Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe,
Vera Dua, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul
Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François
Istasse, Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin,
Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens, Lisette Nelis-Van
Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim
Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
- Het wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 1056, 1°, tweede lid, en
1058 van het Gerechtelijk Wetboek wordt door de 52 aan de stemming deelnemende
leden eenparig aangenomen; 4 leden hebben zich onthouden.
- Het wetsvoorstel zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden
overgezonden.
Ja hebben gestemd : de leden :
Bert Anciaux, André Bourgeois, Door Buelens, Philippe Busquin, Ludwig
Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe
Charlier, Christine Cornet d'Elzius, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Andrée
Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques
Devolder, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie
Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François
Istasse, Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin,
Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens, Lisette Nelis-Van
Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim
Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Hebben zich onthouden : de leden :
Eddy Boutmans, José Daras, Martine Dardenne, Vera Dua.
De heer Boutmans (Agalev). - Wij hebben ons onthouden. We
zouden dit voorstel zonder meer goedkeuren als het alleen op sociaalrechtelijke
aangelegenheden zou slaan. Gezien de algemeenheid ervan gaat het volgens ons te
ver.
- Het wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 52, § 1, van de wet van 14
juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van
de consument wordt eenparig door de 55 aan de stemming deelnemende leden
aangenomen; 1 lid heeft zich onthouden.
- Het voorstel zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden
overgezonden.
Hebben ja gestemd : de leden :
André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Philippe Busquin, Ludwig
Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe
Charlier, Christine Cornet d'Elzius, Hugo Coveliers, José Daras, Martine
Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix,
Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Vera Dua,
Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre
Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse,
Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan
Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens, Lisette Nelis-Van
Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty,
Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs,
Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim
Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Heeft zich onthouden : het lid :
Bert Anciaux.
- Het wetsontwerp betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen
(evocatieprocedure) wordt met 42 tegen 6 stemmen aangenomen; 9 leden hebben zich
onthouden.
De Voorzitter. - Aangezien de Senaat dit ontwerp ongewijzigd
heeft aangenomen wordt hij geacht beslist te hebben het niet te amenderen. Het
ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het
oog op de koninklijke bekrachtiging.
Hebben ja gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Christine Cornet d'Elzius,
Sabine de Bethune, Armand De Decker, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo
Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Michel
Foret, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert
Hotyat, Jean-François Istasse, Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand,
Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens, Charles-Ferdinand
Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer,
Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt,
Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Hebben neen gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, José Daras, Martine Dardenne, Vera Dua, Jan
Loones.
Hebben zich onthouden : de leden :
Door Buelens, Hugo Coveliers, Jacques Devolder, Stephan Goris, Jeannine Leduc,
Lisette Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken.
- Het wetsontwerp tot oprichting van een beroepsorgaan inzake
veiligheidsmachtigingen wordt met 42 tegen 6 stemmen aangenomen; 9 leden hebben
zich onthouden.
- Het ontwerp zal aan de koninklijke bekrachtiging worden voorgelegd.
Hebben ja gestemd : de leden :
André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon,
Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Christine Cornet d'Elzius,
Sabine de Bethune, Armand De Decker, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo
Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques D'Hooghe, Fred Erdman, Michel
Foret, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert
Hotyat, Jean-François Istasse, Dominique Jeanmoye, Roger Lallemand,
Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Guy Moens, Charles-Ferdinand
Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer,
Paul Staes, Frank Swaelen, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt,
Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.
Hebben neen gestemd : de leden :
Bert Anciaux, Eddy Boutmans, José Daras, Martine Dardenne, Vera Dua, Jan
Loones.
Hebben zich onthouden : de leden :
Door Buelens, Hugo Coveliers, Jacques Devolder, Stephan Goris, Jeannine Leduc,
Lisette Nelis-Van Liedekerke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken.
De heer Devolder (VLD). - Het millenniumprobleem is nu
algemeen gekend. Omdat computers geen onderscheid kunnen maken tussen het jaar
1900 en 2000, kan er heel wat mislopen. Iets meer dan vierhonderd dagen scheiden
ons nog van het nieuwe millennium. Uit onderzoek blijkt dat grote Westerse
bedrijven de millenniumbug vrij goed aanpakken. In Oost-Europa daarentegen
zouden grote problemen rijzen.
Extrapolaties tonen aan dat de Amerikaanse defensie pas in 2012 klaar zal zijn
met de millenniumaanpassingen, tenminste als men aan het huidige tempo
doorwerkt. De Russische defensie moet nog beginnen. Als de Russische
defensiecomputers op 1 januari 2000 tilt slaan, zou dit als een buitenlandse
aanval kunnen worden geïnterpreteerd.
Dit punt werd recent besproken op een millenniumbug-overleg tussen de Verenigde
Staten en Rusland. Russische wetenschappers gaven toe dat hun land sterk
achterop loopt. Slechts één op drie bedrijven zou zich bewust zijn
van het probleem. De kostprijs van de aanpassing speelt een belangrijke rol.
Amerika wil Rusland wel bijspringen, maar kampt zelf met een tekort aan
specialisten. Toch trekt Amerika grote budgetten uit voor de millenniumbug :
in de begroting 1999 werd 3,4 miljard dollar ingeschreven. Van dit bedrag gaat
1,1 miljoen dollar naar het Pentagon voor het bijwerken van kritieke
defensiesystemen.
Hoe schat de Belgische defensieminister de situatie in ? Wordt er op de
verschillende strategische niveaus nog verder overleg gepleegd om het
millenniumprobleem in buitenlandse defensiesystemen te onderzoeken ? Is er
geregeld overleg op internationaal vlak ? Zullen onze ministers het
probleem aankaarten in de NAVO en de OVSE ?
Welke maatregelen zijn mogelijk ? Wat kan België doen ?
Zijn de Belgische strategische defensiesystemen millenniumgevoelig? Wat wordt
gedaan om de betrouwbaarheid van de systemen te vrijwaren ? Hoeveel kost
dat ? Wanneer zal het Belgische leger klaar zijn met de omschakeling ?
Is het juist dat het Belgische leger op dit ogenblik elk ontslag van
informaticaspecialisten weigert ?
De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van
landsverdediging, belast met energie. - Het probleem dat de heer
Devolder opwerpt, wordt door de Belgische strijdkrachten en door de geallieerden
in de schoot van de NAVO en de West-Europese Unie als belangrijk beschouwd. De
problematiek van de overgang naar het jaar 2000 blijft een nationale
verantwoordelijkheid voor alle nationale systemen. De internationale
organisaties zijn slechts verantwoordelijk voor hun eigen systemen. Beide
internationale organisaties hebben in overleg met hun leden maatregelen genomen
teneinde de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen.
De geassocieerde leden van de West-Europese Unie nemen deel aan de door deze
organisatie aangevatte programma's. De landen van het Partnerschap voor de vrede
zijn op dit ogenblik niet betrokken bij de studie die door de NAVO wordt gevoerd
en de vraag is tot op heden niet behandeld in het kader van de stichtingsakte
NAVO-Rusland. Dit probleem maakt trouwens van geen enkel werkprogramma van de « Permanent
Joint Council » deel uit. De studies worden permanent opgevolgd door
ad hoc-groepen in de schoot van de NAVO. Het militair comité van de
Alliantie zal blijvend worden geïnformeerd over de vorderingen.
In een eerste fase wordt informatie over de gevoelige systemen waarvoor de
organisaties verantwoordelijkheid dragen geïdentificeerd en samengebracht.
Vervolgens worden de gepaste oplossingen bepaald en ten slotte worden de
oplossingen op het geschikte ogenblik in de praktijk toegepast.
De Belgische krijgsmacht houdt rekening met de problematiek van het jaar 2000.
De problemen verbonden aan de informatie-technologie worden op het niveau van de
intermachten bestudeerd, deze van de operationele informatica worden bestudeerd
op het niveau van de krijgsmachtdelen terwijl deze met betrekking tot de
bureautica tot de bevoegdheid van de gebruikers behoren. Op dit ogenblik acht
men voor de meerderheid van de systemen geen enkel probleem onoverkomelijk bij
de overgang naar het jaar 2000. Enkel de luchtmacht heeft in het domein van de
controle op het luchtverkeer enkele potentiële moeilijkheden geøidentificeerd,
waarvoor nochtans oplossingen gekend zijn.
De heer Devolder (VLD). - Werd het probleem budgettair
ingeschat ?
Hebben de maatregelen ten aanzien van het informaticapersoneel, waarbij geen
enkel ontslag zou worden aanvaard, te maken met de overgang naar het jaar 2000 ?
De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van
landsverdediging, belast met energie. - Al het informaticapersoneel is
nodig om de problemen die rijzen in verband met het millennium op te vangen
Er is geen afzonderlijk budget voorzien om de genoemde problemen op te vangen.
De nodige middelen zijn begrepen in de gewone begroting.
- Het incident is gesloten.
De heer Hostekint (SP). - Ik ben geen lobbyist maar ik stel
deze vraag mede namens de Landsbond van Beenhouwers en Spekslagers die niet mag
worden verward met malafide hormonenspuiters en veeartsen. Zij zijn mee de
grootste slachtoffers van deze praktijken samen met de consumenten. Ik weet dat
de minister en zijn voorganger reeds veel inspanningen hebben geleverd en dat
ook op logistiek vlak vooruitgang werd geboekt. Maar de maffia en de wetenschap
lopen altijd vooruit op de wetgeving. Er is trouwens een veel bredere aanpak
nodig.
Het is een publiek geheim dat veel vlees afkomstig is uit het niet-legale
handelscircuit. Aan de basis van deze parallelle vleesmarkt ligt een veel te
tolerante en niet waterdichte wetgeving inzake particuliere slachtingen. Dat is
de mening van de Landsbond van Beenhouwers en Spekslagers die daar al jaren de
aandacht op vestigt. Elke particulier kan nog steeds al dan niet thuis dieren
slachten zelfs wanneer dit dier niet zelf werd gekweekt. Ondanks het koninklijk
besluit van november 1982 waardoor particuliere slachtingen efficiënter
konden worden gecontroleerd, blijven de misbruiken legio.
Het koninklijk besluit heeft de clandestiene vleeshandel onvoldoende kunnen
ontmoedigen. In de praktijk blijkt het onmogelijk om efficiënt te
controleren of slachtingsaangiften op naam van particulieren niet als dekmantel
dienen voor een onwettige vleeshandel. IVK-statistieken voor de periode
1992-1996 laten doorschemeren dat in bepaalde keurkringen het aantal
particuliere slachtingen bijna even groot is als deze van de genormaliseerde
handel. De concurrentie tussen de gecontroleerde vleeshandel en het illegale
circuit wordt bovendien scheefgetrokken door de sanitaire verplichtingen en hygiënische
normen waaraan de reguliere vleeshandel is onderworpen.
De illegale handel ontsnapt daarenboven aan de fiscale en sociale verplichtingen
De eerlijke beroepsmensen worden door deze concurrentie vervalsende elementen
gedemotiveerd. Zij hebben zelf belang bij een correcte handel die de
volksgezondheid eerbiedigt. Het is niet mijn bedoeling om deze problematiek te
dramatiseren. Maar het is begrijpelijk dat de streng gecontroleerde legale
vleeshandel de oneerlijke praktijken aanklaagt.
Beschikt de minister over concrete cijfers over de particuliere slachtingen en
de grootte van het illegale vleescircuit? Welke doeltreffende maatregelen zal
hij nemen om de illegale vleesverkoop voortvloeiende uit particuliere
slachtingen aan banden te leggen en behoort een aanpassing van het koninklijk
besluit van november 1982 daartoe ?
De heer Colla, minister van volksgezondheid en pensioenen. - Particuliere
slachtingen zijn niet illegaal voor zover bepaalde regels worden gerespecteerd.
Runderen bijvoorbeeld moeten in slachthuizen worden afgemaakt en andere dieren
zoals varkens, geiten en schapen, mogen thuis worden geslacht. Over alle dieren
heen is het aantal particuliere slachtingen in slachthuizen gedaald van 66 467
in 1992 tot 62 992 in 1997.
Particuliere slachtingen zijn toegestaan als ze gebeuren voor de behoefte van
het eigen gezin en mits aangifte bij de gemeenteontvanger. De dieren die in een
slachthuis worden geslacht voor particulieren krijgen bovendien een speciale
ruitvormige stempel.
Een zwart circuit van particulier geslachte dieren is wellicht niet uitgesloten.
Het valt echter moeilijk te controleren. De Landsbond van Beenhouwers en
Spekslagers heeft de zaak al aangekaart. Het ministerie heeft het IVK intussen
gevraagd waakzaam te zijn. In elk geval kan het slechts gaan om een klein zwart
circuit. Het is wel zo dat er verschillen zijn tussen de keurkringen.
De slachthuizen zijn overigens niet afkerig van particuliere slachtingen, omdat
ze daarvoor vaak een hogere prijs kunnen vragen. Bovendien vinden particuliere
slachtingen meestal in kleinere slachthuizen plaats.
Voor de controle zouden de beenhouwers en spekslagers kunnen worden
ingeschakeld. Zij zouden moeten nauwlettend toezien op het soort stempel en in
geval van misbruik zouden zij de inspectie moeten verwittigen. Daartoe wil ik
contact opnemen met de Landsbond. Bovendien kunnen we de gemeenten verzoeken
beter te controleren. We kunnen ook de term « particuliere slachtingen »
verfijnen en deze bijvoorbeeld beperken tot dieren die door de eigenaar zelf
werden gefokt. Ten slotte kunnen we wellicht de controlecel voor
hormonenbestrijding vragen een oogje in het zeil te houden.
De heer Hostekint (SP). - Uiteraard moet de zaak niet worden
opgeblazen. De Bond voor Beenhouwers en Spekslagers is uiteraard vragende
partij. Ik vraag me echter af hoe de gemeenten op het aanbod van de minister
zullen reageren. Ze hebben nu reeds zoveel taken voor de federale overheid. Ik
denk in elk geval dat de Landsbond niet afkering staat tegen overleg met het
ministerie. De illegaal geslachte dieren komen niet alleen in een zwart circuit
terecht, maar betekenen immers ook een gevaar voor de volksgezondheid.
- Het incident is gesloten.
Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Ik heb vernomen
dat u het advies van het raadgevend comité voor bio-ethiek hebt gevraagd
over de wenselijkheid om zowel therapeutische als niet-therapeutische
experimenten toe te staan op Alzheimerpatiënten die volledig of
gedeeltelijk onbekwaam zijn om hiermee in te stemmen. Ik wijs erop dat de code
van Neurenberg van 1947, die de grondslag van de hele bio-ethiek vormt, bepaalt
dat de instemming van de persoon die een experiment ondergaat van essentieel
belang is; dat elk onnodig leed moet worden vermeden; dat elk experiment moet
worden geweerd indien het een risico op verwondingen, invaliditeit of overlijden
inhoudt.
De internationale handvesten en verdragen hebben naderhand steeds de noodzaak
herhaald van de vrije en geïnformeerde instemming van de persoon voordat om
het even welke bio-ethische handeling op hem wordt uitgevoerd. De Verklaring van
Helsinki van 1964 bevestigt voorts dat de personen waarop een experiment wordt
verricht slechts vrijwilligers in goede gezondheid mogen zijn of die lijden aan
een aandoening waarop het onderzoek geen betrekking heeft. De belangen van de
wetenschap of van de maatschappij mogen nooit de bovenhand hebben op die van het
individu.
Welnu, de ziekte van Alzheimer tast het bewustzijn aan. Een experiment op
personen die aan deze ziekte lijden lijkt mij dus een gevaarlijke uiting van
normvervaging, een afwijking van het ethisch gevoel. Hoewel het zo is dat in een
vroeg stadium van de ziekte de patiënt wellicht zijn instemming kan geven,
toch kan men bezwaarlijk aannemen dat er experimenten worden uitgevoerd vanaf
het ogenblik dat zijn bewustzijn vermindert.
Een zieke wiens intellectueel vermogen achteruit gaat, zal niet meer in staat
zijn, zodra het experiment is begonnen, de wil te kennen te geven dat het
experiment wordt voortgezet.
Wat zijn de redenen die u er u hebben toe gebracht die vraag aan het raadgevend
comité voor bio-ethiek te stellen ?
Wat zult u desgevallend doen met het advies dat zal worden uitgebracht ?
Kunt u ons uitleggen hoe u van plan bent onze maatschappij te vrijwaren tegen de
utilitaristische ontsporingen die een inbreuk op het fundamenteel principe van
de vereiste vrije en geïnformeerde instemming van de patiënt zou
inhouden ?
Mevrouw Dardenne (Ecolo) (in het Frans). - Ik sluit me aan bij
de vraag van mevrouw Willame. Ik heb u reeds hierover geïnterpelleerd. Het
verdrag over de bio-ethiek van de Raad van Europa heeft het over mogelijke
experimenten op wilsonbekwame personen. In dit verdrag zou artikel 17 een
achteruitgang betekenen ten opzichte van het Verdrag van Neurenberg.
Heeft de vraag van mevrouw Willame een verband met het verdrag van de Raad van
Europa. Wenst België een voorbehoud te maken ten aanzien van artikel 17 ?
Mijnheer de minister, wat is uw standpunt ?
De heer Colla, minister van volksgezondheid en pensioenen (in het
Frans). - Elke vraag over ethische problemen is delicaat. Ik deel de
bezorgdheid van de vrouwelijke senatoren. Het colloquium over euthanasie heeft
aangetoond dat we nu in een serene sfeer over ethische problemen kunnen discussiëren.
We zijn het ermee eens dat er geldige principes in het Verdrag van Neurenberg en
in de Verklaring van Helsinki vervat zijn. Alvorens experimenten op een mens uit
te voeren moet men zijn instemming vragen. Men kan zich echter afvragen of er
geen situaties bestaan waarin er een uitzondering moet worden gemaakt. Sedert
Neurenberg en Helsinki hebben talrijke colloquia die vraag gesteld en
uitdrukkelijke adviezen gegeven. Ze meenden dat onder zeer strikte voorwaarden
experimenten konden worden uitgevoerd. Zowel in Nederland als in Frankrijk wordt
er een debat gevoerd over de mogelijke voorwaarden om wetenschappelijk onderzoek
uit te voeren op wilsonbekwame personen. Het colloquium over bio-ethiek van de
jaren '90 opent die mogelijkheid.
De Raad van Europa en een door de Raad van ministers uitgevaardigde richtlijn
geeft aanwijzingen op dat gebied. Andere conventies en verdragen spreken erover.
Gelet op het bestaande probleem en nu wij over een raadgevend comité voor
bio-ethische problemen beschikken, is het normaal dat de minister van
volksgezondheid vraagt wat dit comité ervan denkt. Kan na rijp beraad een
instantie de beslissing nemen om experimenten te verrichten indien er geen ander
wetenschappelijk middel bestaat om de gezondheid van de zieken te verbeteren ?
Ik heb het raadgevend comité gevraagd of er experimenten mochten worden
uitgevoerd onder zeer strikte voorwaarden op wilsonbekwame zieken. Dat is een
delicate vraag die ter sprake moet worden gebracht. Ik heb ook contact genomen
met het comité om te weten of er wetenschappelijk onderzoek mocht worden
verricht om meer te weten te komen over de betrokken ziekte en dit onder zeer
strikte voorwaarden. Alzheimer zal wegens de vergrijzing van de bevolking steeds
vaker voorkomen. We moeten de moed hebben dat probleem te onderzoeken. Dat is
het enige middel om een oplossing te vinden.
Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Uw antwoord
stelt me gerust en verontrust mij tegelijkertijd. U hebt uw vragen na rijp
beraad gesteld. U hebt verwezen naar WGO-colloquia om het probleem af te
bakenen. Wat mij verontrust is dat men, om meer te weten te komen over de
ziekte, ertoe verleid kan worden experimenten zonder instemming van de ziekte
uit te voeren. Ik vraag mij af waar de grens ligt.
Het feit dat aan deze aangelegenheid vele colloquia en talrijke boeken zijn
gewijd, is nog geen garantie voor ethisch handelen. Ik maak me dan ook zorgen
over het lot dat de ouderen in ons land beschoren is.
De heer Colla, minister van volksgezondheid en pensioenen (in het
Frans). - In zulk een aangelegenheid is het goed zich zorgen te maken.
Ikzelf wacht liever een eventueel advies van het comité af.
- Het incident is gesloten.
De heer Santkin (PS) (in het Frans). - Het verdrag
betreffende de bestrijding van de klimaatveranderingen dat in 1992 in Rio is
aangenomen, is aangevuld met drie conferenties. De Milieuraad heeft begin
oktober het standpunt vastgelegd dat de Europese Unie in Buenos Aires zal
verdedigen. In dat standpunt wordt herhaald dat de flexibiliteitsmechanismen die
in het Protocol van Kyoto zijn vastgelegd een aanvulling moeten zijn van de
nationale actie die het voornaamste middel zou moeten vormen voor het bereiken
van de doelstellingen inzake vermindering van de uitstoot. Wat was het Belgische
standpunt?
Het Europese Milieuagentschap is van oordeel dat de milieubeleidslijnen die in
Europa worden uitgevoerd goede resultaten kunnen opleveren maar dat nog veel
moet worden gedaan om de goedgekeurde maatregelen in praktijk te brengen. Men is
er in geslaagd de uitstoot van bepaalde broeikasgassen te verminderen maar dat
is voornamelijk het gevolg van wijzigingen in de economische wereld. Het
agentschap benadrukt dat men, om de in Kyoto vastgelegde doelstelling van een
vermindering met 8 % van de CO2 -uitstoot te bereiken, op elk niveau maatregelen
zal moeten nemen die voor alle economische sectoren gevolgen zullen hebben en
dat de nationale initiatieven de grootste aanzet in die zin zullen geven. Er is
een nieuwe verdeelsleutel vastgesteld voor de inspanningen die de lidstaten van
de Unie zullen moeten leveren. In België moet de uitstoot tussen 2008 en
2012 ten opzichte van 1990 met 7,5 % worden verminderd. De voorgestelde
cijfers stemmen overeen met echte verminderingen en niet met mogelijke
verminderingen op basis van emissie waarover tussen verscheidene landen kan
worden onderhandeld. Voor het eind van dit jaar moeten de lidstaten inlichtingen
verstrekken over hun strategie en over wat zij van de Unie verwachten.
In België is de evolutie van de uitstoot tussen 1990 en 1994 onrustwekkend.
Het in 1994 bekrachtigde nationaal programma ter vermindering van de uitstoot
van die gassen voorzag in een reeks initiatieven om België in staat te
stellen zijn verbintenissen na te komen die toen alleen inhielden dat de
CO2-uitstoot niet mocht toenemen. Niet minder dan 17 ministers hebben
verbintenissen aangegaan in dat eerste programma, waarvan de tenuitvoerlegging
een nauwgezette en volgehouden coördinatie vergt.
Dat programma voorziet in het opstellen van sectorakkoorden in de industrie.
Welke sectoren nemen daaraan deel ? Wat zijn de resultaten inzake
vermindering van de uitstoot ? Is die aanpak op vrijwillige basis efficiënt
of bent u voorstander van andere oplossingen ? In hoeverre zijn de
verbintenissen die in het kader van het nationaal programma zijn aangegaan de
jongste jaren nageleefd en uitgevoerd ?
Twee jaar geleden verklaarde u nog dat nieuwe ramingen waren uitgevoerd teneinde
de leemten van de vorige raming op te vullen en te zorgen voor de noodzakelijke
transparantie en wetenschappelijke geloofwaardigheid. U verklaarde toen eveneens
dat die nieuwe ramingen reeds aangaven een aanzienlijke inspanning diende te
worden geleverd om de vooropgezette vermindering met 5 % te halen en dat de
niet-fiscale maatregelen dienden te worden uitgebreid. Hoe staat het met de
uitvoering van de maatregelen van het CO2-programma en met de overeenkomstige
vermindering van de uitstoot? Welke nieuwe maatregelen zijn voor de lange
termijn genomen ? Wat doet men om het programma uit te breiden tot de
andere broeikasgassen ?
Op een interpellatie van een kamerlid hebt u onlangs geantwoord dat België
zijn verminderingsprogramma van 1994 niet kon bijwerken, aangezien wij nog niet
weten welke taken ons zullen worden opgedragen. In mei 1995 heeft de federale
raad voor duurzame ontwikkeling de regering reeds gevraagd om snel werk te maken
van een studie over de mogelijke manieren om in te gaan op de uitdaging van de
aanvullende vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De federale raad
voor duurzame ontwikkeling heeft dat verzoek in 1996 herhaald. Daarbij heeft die
raad de nadruk gelegd op het gebrek aan personeel en middelen van de
administratieve en gespecialiseerde instanties en opgeroepen tot meer
samenwerking tussen die instanties.
Sedert 1995 is bij het ministerie van leefmilieu een cel « klimaatverandering »
opgericht. Wat zijn de opdrachten van die cel ? Over welke begroting
beschikt die cel en hoeveel personen werken daarin ? Bent u tevreden over
de werking ervan ? Hoe zou die werking eventueel kunnen worden verbeterd ?
Zijn de gewesten om advies gevraagd met het oog op de onderhandelingen over
nieuwe verbintenissen over een vermindering van de uitstoot met 7,5 % tegen 2010
ten opzichte van 1990 ? Welke regelingen hebt u getroffen om de gevolgen
van het Protocol van Kyoto te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de bevoegde
overheden hun volledige medewerking verlenen ? Hoeveel zal de uitvoering
van dat protocol kosten en wat zullen daar de gevolgen en de voordelen van zijn?
Van welke sectoren zal een bijdrage worden gevraagd ? Hoe groot zal die
bijdrage zijn ? In hoeverre bent u voornemens om gebruik te maken van
vergunningen waarover onderhandeld kan worden en wat is het economisch rendabele
technisch potentieel ? Wat zijn, ten slotte, de acties die bij het publiek,
de ondernemingen, de industriëlen en de administraties zijn ondernomen om
de gevolgen van de klimaatverandering te bestrijden ?
Mevrouw Dardenne (Ecolo) (in het Frans). - Zoals de heer
Santkin wens ook ik te vernemen wat het standpunt is van de Belgische delegatie
op de conferentie van Rio. Onze minister heeft zich niet verplaatst. Is dat een
blijk van onverschilligheid ten aanzien van de milieuproblemen? Toen de heer
Santkin minister was, heeft hij een interessant 14-puntenprogramma uitgewerkt om
de uitstoot van CO2 te halveren. Er werden weinig van die punten uitgevoerd.
België bekleedt een bedroevende positie in Europa. Wij zouden ons hiervoor
moeten schamen.
Dat gebrek aan politieke wil uit zich in de cijfers. Wij zijn ver verwijderd van
het in Rio vastgestelde doel. Nochtans heeft ons land op de Conferentie van
Kyoto zijn verbintenissen opnieuw bevestigd en nieuwe doelstellingen voor
2008-2012 vastgesteld.
De transportsector veroorzaakt de sterkste verhoging van broeikasgasemissies.
Volgens de OESO zouden we meer belang moeten hechten aan de strategische
programmatie van reizigers- en goederentransport, alsmede een tarifair
aanmoedigingsbeleid voeren. Er moet een nieuw programma tot vermindering van de
broeikasgassen worden uitgewerkt. Het rapport van het ontwikkelingsprogramma van
de VN wijst eveneens op het belang van het concept van de werkelijke kosten.
De door België ondertekende overeenkomst van Kyoto voorziet in de
inwerkingtreding van het protocol op voorwaarde dat 55 landen het in hun
wetgeving hebben opgenomen. Wanneer zal België tot de bekrachtiging
overgaan ? Zal België inzake leefmilieu de aanbevelingen van de OESO
toepassen, een organisatie die onze verschillende regeringen vaak als
verantwoording vermelden ? Wanneer zal de regering een milieuheffing op
brandstoffen invoeren ? Wanneer zult u uiteindelijk het principe toepassen
van de beperking van de prijsaanpassingen tot de stijgingen ? Zal de
opbrengst van een dergelijke belasting voor het scheppen van banen worden
aangewend die tot de strijd tegen de broeikasgassen kunnen bijdragen ?
De heer Peeters, staatssecretaris voor veiligheid en voor
maatschappelijke integratie en leefmilieu (in het Frans). - In 1994
werd het eerste Belgische nationale programma tot vermindering van de
C02-emissies zowel door de raad van federale ministers als door de regering van
de drie gewesten goedgekeurd. Dat programma, dat voorzag in een vermindering met
5 % van de C02-emissies tegen het jaar 2000 ten opzichte van 1990,
veronderstelde de uitvoering van een aantal maatregelen op alle bestuursniveaus
De indieners hoopten voorts op een spoedige goedkeuring van het voorstel van een
richtlijn van de Europese Gemeenschap tot invoering van een belasting op
koolstof en energie.
Vier jaar later moeten we vaststellen dat de doelstelling niet zal worden
bereikt en dat de verhoopte Europese maatregelen tevergeefs waren. De federale
overheid heeft nochtans 70 % van de maatregelen die tot haar uitsluitende
bevoegdheid behoren, uitgevoerd. Het is echter niet mogelijk de werkelijke
weerslag hiervan in termen van vermindering van de emissies te becijferen, maar
men kan vaststellen dat de groeitendens werd omgebogen.
De grootste stijging heeft betrekking op de emissies te wijten aan de
transportsector. Voor de eerste keer werd er in 1997 een vermindering
vastgesteld ten opzichte van 1996, maar men niet kan stellen dat ze voortvloeit
uit de maatregelen die ter uitvoering van het plan van 1994 werden genomen. Het
lijkt er integendeel op dat de emissies in 1996 abnormaal hoog waren geweest
wegens klimatologische omstandigheden.
Tijdens de regeerperiode hebben de diverse betrokken instanties zich ingespannen
om het in 1994 overlegd actieplan uit te voeren. Wij hebben geen nieuwe
maatregelen uitgevaardigd, maar verkozen de bestaande maatregelen uit te voeren.
Geen van deze maatregelen valt onder de bevoegdheid van mijn departement, want
zijn taak bestaat alleen uit de coördinatie, inzonderheid via de cel « luchtverontreiniging »
die het secretariaat van de coördinatiegroep « broeikaseffect »,
de voorbereiding van de officiële documenten, de vertegenwoordiging van
België in de internationale vergaderingen en de verbinding met de
internationale instanties verzekert. Mijn departement besteedt tien miljoen per
jaar van zijn begroting voor de bestrijding van de vervuiling.
Het actieplan van 1994 is duidelijk onvoldoende en door de ontwikkeling op
wereldvlak is de herziening ervan noodzakelijk. De interministeriële
conferentie heeft in 1996 op mijn initiatief trouwens beslist vóór
eind 1999 een nieuw nationaal plan uit te werken. De doelstelling daarvan is de
vermindering met 7,5 % van de uitlaatgassen voor 2008-2012 ten opzichte van
1990. De gewesten werden daarbij ten volle betrokken.
Wij hebben dus niet op het OESO-verslag gewacht om over een nieuw plan te
beslissen. Om de procedure te starten, moesten we wel weten wat de nieuwe
doelstellingen waren inzake reductie, die voortvloeien uit het Protocol van
Kyoto en de beslissing van de Europese Unie over de verdeling van de inspanning
onder de lidstaten. Thans worden verschillende studies uitgevoerd om de
mogelijke maatregelen te identificeren, alsook de verhouding tussen de kostprijs
en de doeltreffendheid ervan. Alle betrokken sectoren moeten bijdragen. Het
gebruik van de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto is niet
uitgesloten, maar op de Conferentie van Buenos Aires kon geen overeenkomst
worden bereikt over de modaliteiten voor de uitwerking ervan. Op Europees gebied
moet worden verwezen naar een overeenkomst betreffende de automobielsector, om
de invoering van een nieuwe generatie minder vervuilende wagens te bespoedigen.
De invoering van een milieubelasting op brandstoffen is niet in het vooruitzicht
gesteld vóór 1999. Ik herinner eraan dat wij in 1993 een
bijzondere bijdrage op bepaalde energieproducten hebben ingevoerd waarvan de
opbrengst bestemd is voor de financiering van de sociale zekerheid. Wij blijven
de invoering van een milieubelasting op energie op Europees niveau steunen.
Voor de ratificatie van het Protocol van Kyoto wachten wij op het besluit van de
Raad van de Europese Unie houdende goedkeuring van het protocol. Daarvoor is de
goedkeuring door het federaal parlement en de regionale parlementen nodig. Ik
denk dat ik de federale procedure vóór het einde van de
regeerperiode kan starten.
De heer Santkin (PS) (in het Frans). - Het antwoord van de
minister bestaat hoofdzakelijk uit de vaststelling van een gebrek. Het verheugt
mij dat hij zegt dat de regering vóór 1999 een nieuw plan wil
voorbereiden. Ik sta evenwel perplex en stel mij vragen over de doeltreffendheid
van dit toekomstig plan, tenzij dit plan efficiëntere maatregelen bevat dan
de CO2-belasting van 1994. Ik betreur dat het niet mogelijk was een akkoord te
bereiken met de industrie. Ik vrees dat de invoering van schone voertuigen
binnen de opgelegde termijn niet zal leiden tot een vermindering van de
uitstoot.
Mevrouw Dardenne (Ecolo) (in het Frans). - In feite is er
niets gedaan. Een voluntaristisch plan en belangrijke nationale maatregelen
moeten worden voorbereid. Ik sta sceptisch ten opzichte van de fiscale
maatregelen, want elke maatregel van die aard vereist eenparigheid op Europees
niveau. De schone voertuigen zullen geen invloed hebben op de vermindering van
de uitstoot als dubbel zoveel wagens in het verkeer worden gebracht. In
afwachting komen er steeds meer tekens die wijzen op een naderende milieuramp.
- De incidenten zijn gesloten.
INDIENING VAN EEN WETSONTWERP
De Voorzitter. - De regering heeft volgend wetsontwerp
ingediend :
wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij de Overeenkomst tot
instelling van samenwerking en een douane-unie tussen de Europese Economische
Gemeenschap en de Republiek San Marino naar aanleiding van de toetreding van de
Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de
Europese Unie, en Slotakte, gedaan te Brussel op 30 oktober 1997 (Gedr. St.
1-1159/1).
Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de buitenlandse
aangelegenheden.
Dit wetsontwerp zal worden gedrukt en rondgedeeld.
INDIENING VAN VOORSTELLEN
De Voorzitter. - De volgende voorstellen werden ingediend :
A. Wetsvoorstel :
Artikel 81 :
wetsvoorstel tot wijziging van artikel 16 betreffende de rechtspleging bij
hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte (Belgisch
Staatsblad 31 juli 1962), van de heer Luc Coene (Gedr. St. 1-1157/1).
B. Voorstellen van herziening van het Reglement :
voorstel tot wijziging van het Reglement van de Senaat strekkende tot het
organiseren van thema-debatten, van de heer Hugo Vandenberghe (Gedr. St.
1-1156/1);
voorstel tot wijziging van artikel 57 van het Reglement van de Senaat, van
mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (Gedr. St. 1-1158/1).
Andere voorstellen werden ingediend :
wetsvoorstel houdende afschaffing van de uitsluiting van het recht op aftrek van
BTW op maaltijd- en logieskosten, van de heer Delcroix cs. (Gedr. St. 1-1165/1);
voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van wapenlobbygroepen in
België naar aanleiding van de activiteiten van de « Armed Forces
Communications and Electronics Association », van de heer Anciaux cs.
(Gedr. St. 1-1164/1).
INTREKKING VAN EEN VOORSTEL VAN RESOLUTIE
De Voorzitter. - Aan het Bureau wordt medegedeeld dat mevrouw
Lizin en de heren Happart en Istasse hun voorstel van resolutie betreffende de
rechten van illegaal in ons land verblijvende buitenlanders (Gedr. St. 1-1099/1)
wensen in te trekken.
Dit voorstel van resolutie is thans aanhangig bij de Commissie voor de
binnenlandse en administratieve aangelegenheden.
Ik stel u dus voor dit voorstel van resolutie van onze agenda af te voeren.
INOVERWEGINGNEMING
In overweging te nemen voorstellen
Wetsvoorstellen :
Artikel 77 :
Wetsvoorstel houdende overdracht van de uitoefening van het gewoon
administratief toezicht op de gemeenten van het Duitse taalgebied aan de
Duitstalige gemeenschap, van de heer Hubert Chantraine (Gedr. St. 1-1120/1).
Te verzenden naar de Commissie voor de institutionele aangelegenheden.
Artikel 81 :
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 10 juli 1997 betreffende de
valutadatum van bankverrichtingen, van de heer Francis Poty (Gedr. St. 1-1135/1).
Te verzenden naar de Commissie voor de financiën en de economische
aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 2 van de wet van 3 juli 1997 houdende
verplichtingen om informatie te verstrekken over de debetrente op de bij
kredietinstellingen of andere rechtspersonen geopende rekeningen, van de heer
Francis Poty, (Gedr. St. 1-1136/1).
Te verzenden naar de Commissie voor de financiën en de economische
aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 561, 1°, van het Strafwetboek, van
de heer Ludwig Caluwé (Gedr. St. 1-1138/1).
Te verzenden naar de Commissie voor de justitie.
- De voorstellen worden in overweging genomen.
VRAGEN OM UITLEG
De Voorzitter. - Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg
ontvangen :
van mevrouw Martine Dardenne aan de staatssecretaris voor veiligheid en
staatssecretaris voor maatschappelijke integratie en leefmilieu, over « de
opvolging van de conferentie van Rio » (nr. 1-579);
van mevrouw Jeannine Leduc aan de vice-eerste minister en minister van economie
en telecommunicatie, over « het verslag van de Amerikaanse kamer van
koophandel » (nr. 1-580);
van de heer Hugo Coveliers aan de minister van justitie, over « het
uitblijven van dringende hervormingen in de adoptiewetgeving » (nr.
1-581);
van de heer Jan Loones aan de minister van financiën, over « de
doorstorting aan de gemeenten van de gemeentelijke aanvullende personenbelasting »
(nr. 1-582).
Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
EVOCATIES
De Voorzitter. - De Senaat heeft bij boodschappen van 20
november 1998 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat
tot evocatie is overgegaan, op die datum van :
wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wat de
naturalisatieprocedure betreft (Gedr. St. 1-1130/1).
Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de justitie;
wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 318 tot 323 van de nieuwe gemeentewet
betreffende de gemeentelijke volksraadpleging (Gedr. St. 1-1133/1).
Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de binnenlandse en
administratieve aangelegenheden;
wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 140-1 tot 140-6 van de provinciewet
betreffende de provinciale volksraadpleging (Gedr. St. 1-1134/1).
Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de binnenlandse en de
administratieve aangelegenheden.
NON-EVOCATIE
De Voorzitter. - Bij boodschap van 24 november 1998 heeft de
Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de
koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp :
wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende de financiering van het
Instituut voor veterinaire keuring (Gedr. St. 1-1132/1).
ARBITRAGEHOF
De Voorzitter. - Met toepassing van artikel 113 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het
Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :
het arrest nr. 114/98, uitgesproken op 18 novem-ber 1998, inzake de prejudiciële
vragen over artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921
betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende
middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en de artikelen 1 (nr. 15), 11 en
28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 omtrent de handel in slaap-
en verdovende middelen, gesteld door de correctionele rechtbank te Brussel
(rolnummers 1128, 1129 en 1130, samengevoegde zaken);
het arrest nr. 115/98, uitgesproken op 18 novem-ber 1998, inzake het beroep tot
vernietiging van artikel 31 van het koninklijk besluit van 20 december 1996 « houdende
diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, §
1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van
de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese
Economische en Monetaire Unie », bekrachtigd bij de wet van 13 juni
1997 », ingesteld door J.-P. Naniot en anderen (rolnummer 1259);
het arrest nr. 116/98, uitgesproken op 18 november 1998, inzake de prejudiciële
vraag betreffende artikel 425 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door
het Hof van Cassatie (rolnummer 1269);
het arrest nr. 117/98, uitgesproken op 18 november 1998, inzake de prejudiciële
vragen betreffende artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 2
van de wet van 15 mei 1981 houdende goedkeuring van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, gesteld door het Hof van Cassatie
(rolnummer 1274).
VAST COMITE VAN TOEZICHT
OP DE INLICHTINGENDIENSTEN
Eedaflegging van een vast lid
Op 4 november 1998 heeft de heer Jean-Louis Prignon, onderzoeksrechter te Luik,
plaatsvervangend lid van het Comité van toezicht op de
inlichtingendiensten, overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831
betreffende de eed, in handen van de voorzitter van de Senaat de eed afgelegd
als vast lid van het Vast Comité.
Hij zal het mandaat van de heeer Guy Collignon, ontslagnemend vast lid,
voleindigen.
GEBRUIK DER TALEN BIJ HET LEGER
De Voorzitter. - Bij brief van 25 november 1998 heeft de
minister van landsverdediging, in toepassing van artikel 32 van de wet van 30
juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, aan de voorzitter van
de Senaat overgezonden, het verslag met betrekking tot de toepassing van
bovengenoemde wet gedurende het jaar 1997.
BOODSCHAPPEN VAN DE KAMER
De Voorzitter. - Bij boodschappen van 19 november 1998 heeft
de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter
vergadering van 19 november 1998 werden aangenomen :
Artikel 77 :
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 december 1983 betreffende het
verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht met het oog op
de instelling van een college van scheidsrechters (Gedr. St. 1-1160/1).
Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de financiën en de
economische aangelegenheden.
Artikel 78 :
Wetsontwerp tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële
instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's
en financiële instrumenten (Gedr. St. 1-1161/11).
Het wetsontwerp werd ontvangen op 20 november 1998; de uiterste datum voor
evocatie is maandag 7 december 1998.
Wetsontwerp houdende afwijking van artikel 20bis van de wet van 24
augustus 1939 op de Nationale Bank van België en tot wijziging van de wet
van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België (Gedr. St. 1-1162/1).
Het wetsontwerp werd ontvangen op 20 november 1998; de uiterste datum voor
evocatie is maandag 7 december 1998.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de
controle van de universitaire instellingen (Gedr. St. 1-1163/1).
Het wetsontwerp werd ontvangen op 20 november 1998; de uiterste datum voor
evocatie is maandag 7 december 1998.
Kennisgeving
Wetsontwerp houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Gedr.
St. 1-758/1).
De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 november 1998 zoals het haar door de
Senaat werd overgezonden.
- De vergadering wordt om 20 uur gesloten.
- Volgende vergadering dinsdag, om 10 uur.
BERICHTEN VAN VERHINDERING
Mevrouw Maximus, met opdracht in het buitenland; de heren Urbain, om
gezondheidsredenen; Vautmans, verhinderd, en Vandenbroeke, wegens andere
plichten.