4-30 | Belgische Senaat | 4-30 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Benoeming van de afgevaardigden bij de Raadgevende interparlementaire Beneluxraad
Inoverwegingneming van voorstellen
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - De volgende wijziging wordt voorgesteld in de samenstelling van de Senaatsafvaardiging bij de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad:
Hiervan zal kennis worden gegeven aan de voorzitter van die Raad.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Hugo Coveliers (VB). - De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, de heer Yves Liégeois, heeft op een studiedag verklaringen afgelegd die nogal stof hebben doen opwaaien, vooral nadat De Tijd ze had gepubliceerd. Het lijkt me belangrijk dat er met zijn woorden rekening wordt gehouden. De heer Liégeois is de magistraat die in de vorige legislatuur een grote bijdrage heeft geleverd aan wat men `de grote Franchimont' heeft genoemd. Overigens vraagt ook Rudy Verbeke in De Juristenkrant dat politici meer zouden luisteren naar magistraten waarbij hij het vooral heeft over jeugdrechters die zelf zeggen dat ze de publieke opinie moeten aanspreken omdat ze hun werk niet meer naar behoren kunnen doen.
Procureur-generaal Liégeois heeft het over een wetsvoorstel dat nog lang niet is goedgekeurd, maar waarover politici van verschillende partijen toch al zijn benaderd door het Antwerp World Diamond Centre, de vroegere Hoge Raad voor Diamant. Het Diamond Centre vraagt dat in het wetsvoorstel een filter zou worden ingebouwd voor het geval dat het gerecht overgaat tot inbeslagname. Concreet zou de onderzoeksrechter zich door een derde moeten laten bijstaan. In theorie moet de tekst zo worden geformuleerd dat hij voor alle sectoren geldt, maar iedereen weet dat hij voor de diamantsector is bedoeld.
Op het ogenblik dat de inhoudelijke discussie over deze kwestie zal worden gevoerd, zou men zich ook eens de vraag moeten stellen in welke mate het de bedoeling is over te stappen van het requisitoir, het klassieke gerechtelijke onderzoek, dat we nu kennen, naar het onderzoek op tegenspraak dat in de landen waar ze dat al kennen, een verschuiving van de problemen veroorzaakt naar het niveau van het politieonderzoek.
Ik las in De Tijd ook dat op de studiedag verschillende specialisten van de KULeuven de vraag hebben gesteld waarom er niet eens een grote schoonmaak wordt gehouden in `de warboel van de strafrechtelijke sancties voor financiële misdrijven'. Het lijkt me inderdaad een goed idee voor financiële en economische misdrijven na te gaan welke straffen het meest zijn aan te bevelen, wetend dat voor dat soort misdrijven gevangenisstraffen minder nuttig zijn dan financiële boetes. De bedoeling van het strafrecht is immers dat de overtreder de norm opnieuw gaat erkennen.
Als ik de toevloed van documenten zie die de postbode me dagelijks bezorgt, dan kan ik niet anders dan overdreven regelneverij vaststellen. De burger zal er niet anders over denken en vreest misschien al dat er binnenkort honderdduizend bijkomende plaatsen in de gevangenis nodig zullen zijn in plaats van tienduizend als men met gevangenisstraffen blijft schermen in al die voorstellen. Het zou goed zijn, mocht eens duidelijk worden gesteld dat de gevangenisstraf in het bijzondere strafrecht alleen als een ultimum remedium mag worden beschouwd. Die poging kan alleen lukken als ze uitgaat van het departement van Justitie. Van het parlement verwacht ik niet zo veel op dat vlak. Het zou inderdaad nuttig zijn aan de overijverige parlementsleden die graag gevangenisstraffen uitdelen eens een overzicht te geven van alle alternatieven voor de gevangenisstraf die in de wet kunnen worden opgenomen.
De heer Jo Vandeurzen, vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen. - Ik vermoed dat de vragen van de heer Coveliers zijn ingegeven door de verklaringen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen en de reactie daarop door de woordvoerder van het Antwerp World Diamond Centre, naar aanleiding van een wetsvoorstel dat recent werd ingediend. Uiteraard zijn die verklaringen voor rekening van de respectieve partijen. Ik kan enkel bevestigen dat er inderdaad een wetsvoorstel houdende diverse maatregelen inzake inbeslagneming van ondernemingsgoederen is ingediend, waarvan ik uiteraard kennis heb genomen. Wegens de impact van het voorstel heb ik het advies ingewonnen van het College van procureurs-generaal en van het COIV. Die adviezen, die negatief waren, zijn inmiddels overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Een wetswijziging werd niet noodzakelijk geacht, rekening houdend met de reeds bestaande wettelijke garanties inzake de vrijwaring van de continuïteit van de onderneming die aan beslag is onderworpen, zoals de alternatieven de lege lata voor een beslag per equivalent. Tevens werd in dat advies gesteld dat het wetsvoorstel strijdig is met de grondwettelijk gewaarborgde onafhankelijkheid en de rechtsmacht van de onderzoeksrechter. Dat argument werd ook door de Belgische Vereniging van de Onderzoeksrechters onderstreept in de pers. Het voorstel werd eveneens strijdig geacht met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Ten slotte zou de voorgestelde regeling bij de uitvoering tot allerlei praktische en juridische problemen leiden.
In fine van het advies stelde het openbaar ministerie dat het bereid was om, rekening houdend met de economische realiteit, een constructieve dialoog aan te gaan met de officiële representatieve organisaties van de economische sectoren die eventueel een nadeel kunnen ondervinden van het beslag per equivalent. Als gevolg van dit aanbod van het openbaar ministerie werden alle betrokken partijen, zowel vanuit de gerechtelijke wereld - openbaar ministerie, onderzoeksrechters, COIV - als vanuit de bedrijfswereld - en niet alleen de diamantsector, maar ook UNIZO en VBO - uitgenodigd voor een open debat. Dat heeft enige tijd geleden plaats gevonden. Daar werd afgesproken dat het overleg wordt voortgezet. Uiteraard is er ook uitvoerig gesproken over de grondwettelijke bezwaren tegen het wetsvoorstel die onder meer te maken hebben met het feit dat voor bepaalde maatregelen van de onderzoeksrechter een voorafgaande toelating wordt verondersteld, hetgeen uiteraard de vraag oproept waarom dat voor de ene maatregel wordt verondersteld en voor een andere niet. Daarover kunnen tal van juridische vragen rijzen.
Gezien het een wetsvoorstel betreft, is het uiteraard het parlement dat beslist over het verdere gevolg ervan.
Op de vraag of het inquisitoire onderzoek moet worden vervangen door een contradictoir onderzoek kan ik zeggen dat in België het gerechtelijk onderzoek een inquisitoriaal karakter heeft, waarbij de vertegenwoordiger van het gezag de vervolging en de berechting behartigt, en de procedure in het stadium van het onderzoek overwegend schriftelijk, geheim en niet-contradictoir verloopt. De fase voor de vonnisgerechten daarentegen verloopt in regel mondeling, openbaar en op tegenspraak. In de loop van de tijd werden belangrijke nuanceringen aangebracht, onder meer door de wet Franchimont. Ik heb geen plannen om de accusatoire procedure in te voeren in België.
Dan was er nog de vraag of het wenselijk is in te gaan op de suggestie van de specialisten van de KULeuven en een grote schoonmaak te houden in de warboel van strafrechtelijke sancties voor financiële misdrijven en de vraag of het nuttig is om ten behoeve van overijverige parlementsleden een overzicht te geven van de mogelijke straffen die in een wettekst kunnen worden opgenomen, wetend dat een gevangenisstraf als ultimum remedium moet worden beschouwd.
Bij die vragen maak ik graag volgende politieke bedenkingen. Straf en strafuitvoering hebben de jongste jaren heel wat meer politieke aandacht gekregen. Die nieuwe maatschappelijke belangstelling voor de geloofwaardigheid van de strafuitvoering en voor de opsporing en vervolging van bepaalde misdrijven, onder andere van financiële misdrijven, blijkt ook uit de media. Daarom heb ik in mijn beleidsnota, met eerbiediging van de scheiding der machten, het openbaar ministerie voorzichtig gesuggereerd een initiatief inzake strafvordering te nemen.
Op een colloquium over strafuitvoering is enkele dagen geleden trouwens gedebatteerd over de strafmaat en over de berekening van de strafmaat.
We hebben de strafuitvoering onder het toezicht geplaatst van een rechtbank waarin ook het openbaar ministerie aanwezig is en waar de slachtoffers vertegenwoordigd zijn. Zodoende werd de strafuitvoering in een andere context geplaatst.
Vroeger was het openbaar ministerie uitsluitend betrokken als uitvoerder van de straf, terwijl het vandaag op tal van belangrijke momenten in de strafuitvoering tussenbeide kan komen. Met toepassing van de nieuwe wetten moeten zich dus nieuwe actoren met de strafuitvoering inlaten, terwijl voorheen uitsluitend de minister van Justitie en de uitvoerende macht daarvoor bevoegd waren.
Dat is mijns inziens een zeer positieve ontwikkeling, die uiteraard nieuwe discussies zal losweken.
Volgens een aantal professoren op voornoemde studiedag is evenwel het ogenblik aangebroken om de hiërarchie van de straffen eens van naderbij te bekijken. Ik ben het daarmee volkomen eens, want met de invoering van nieuwe en alternatieve straffen zoals onder andere de werkstraffen, kreeg de voorheen zo harmonische strafopbouw er `een veranda en nog wat koterij' bij, waardoor het geheel van straffen in ons strafwetboek er een stuk complexer is beginnen uitzien.
Misschien is hier wel een opdracht bij uitstek voor een eminente kamer als de Senaat weggelegd? De Senaat zou een grondige reflectie over dat wel fundamentele thema kunnen organiseren. Dat denkwerk mag immers niet onder druk staan van onmiddellijke verwachtingen. Goed gedocumenteerde en eminente juristen moeten er zich in alle rust over kunnen buigen. Het ogenblik is inderdaad aangebroken om hiervoor tijd en ruimte te maken. Het zou me alleen maar verheugen, mochten de wetgevende kamers dat doen.
De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik reageer kort, al zou ik breed over het thema kunnen uitweiden.
Het gebeurt niet vaak dat ik een antwoord als volledig beschouw, maar dit antwoord was dat wel degelijk. Ik dank de minister dan ook.
De bevestiging dat het onderzoek inquisitoriaal blijft, is erg belangrijk, want het ontwerp Franchimont, dat weliswaar niet is aangenomen in de Kamer, zou de indruk hebben kunnen wekken dat we naar een ander systeem evolueren, precies zoals in de wetsvoorstellen die een aantal collega's hebben ingediend.
Het is echter van het allergrootste belang dat men zich houdt aan een systeem: ofwel behoudt men het bestaande systeem, ofwel opteert men voor een ander. Kurieren am Symptom is geen oplossing.
Verder neem ik er nota van dat de minister de Senaat een geschikt gremium vindt om over de problematiek na te denken. Ik wil daartoe een poging wagen.
Hopelijk wordt het duidelijk dat een gevangenisstraf het laatste middel is om de maatschappij te beschermen tegen een gevaarlijk individu. De illusie dat het individu door vrijheidsberoving snel opnieuw normbewust kan worden, laten we best varen.
Mochten we dat bereiken, dan kunnen we de verklaringen van procureur-generaal Liégeois positief noemen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Op 5 mei 2008 greep een belangrijk onderhoud plaats tussen eerste minister Leterme en de Albanese minister-president Berisha. België en Albanië zouden zich akkoord verklaard hebben bilaterale gesprekken op te starten betreffende het overbrengen van gedetineerden naar hun thuisland zonder voorafgaande toestemming van de gevangene.
Enkele jaren gelden werd reeds een initiatief genomen om tot een betere justitiële samenwerking te komen tussen beide landen. In dat kader stelde de toenmalige minister van Justitie voor simultaan te onderhandelen over een akkoord betreffende het overbrengen van gedetineerden. De overbrenging van gedetineerden kan voor ons land immers een vermindering van de gevangenispopulatie tot gevolg hebben, de kans op een eventueel herval van de gevangene verkleinen en de terugkeer van Belgische veroordeelden in Albanese gevangenissen vergemakkelijken.
Welke concrete resultaten hebben de gesprekken tussen de beide regeringsleiders opgeleverd?
Onder welke voorwaarden zullen de in België veroordeelde Albanezen in Albanië hun straf uitzitten? Zijn er voldoende waarborgen gegeven dat de in België veroordeelde Albanezen hun straf in Albanië ook effectief zullen uitzitten?
De heer Jo Vandeurzen, vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen. - Het onderhoud van 5 mei tussen de eerste ministers Leterme en Berisha van Albanië werd op 17 mei gevolgd door een ontmoeting van minister van Buitenlandse Zaken De Gucht en een medewerker van mijn beleidscel met de Albanese minister van Justitie. Dit gebeurde in de rand van een economisch forum in Tirana waarop mijn collega aanwezig was aan het hoofd van een delegatie. Bij die gelegenheid is van Albanese kant de politieke wil bevestigd om een bilateraal akkoord inzake de verplichte overbrenging van gevonniste personen te sluiten. Er is overeengekomen een en ander eerlang op expertniveau uit te diepen.
Het overbrengingsakkoord van de Raad van Europa, dat doorgaans als model dient bij bilaterale onderhandelingen, bepaalt dat de straf in het land van uitvoering wordt uitgevoerd volgens het strafuitvoeringsrecht van de staat waarnaar de gevonniste persoon is overgebracht. De internationale gemeenschap en haar multilaterale organisaties erkennen de grote inspanningen die Albanië levert om aansluiting te krijgen bij de normzetting en werking van de Europees rechtsstaten, dus ook om zijn internationale verbintenissen na te komen.
De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Vandaag staat in De Huisarts het volledige relaas van een historie die vorige week een climax bereikte: die van de verkeerde cijfers over de uitgevoerde keizersneden.
Ik zet de feiten nog eens op een rijtje. Enkele maanden terug bezorgde de minister mij nationale en regionale cijfers over het aantal uitgevoerde keizersneden. Hieruit bleek dat het aantal keizersneden in 2006 steeg met maar liefst 75% tegenover 2005 en dat in 2007 het niveau van 2006 zou gehandhaafd blijven. We hebben dit doorgegeven aan De Huisarts, want dergelijke cijfers moeten nu eenmaal gepubliceerd worden om artsen te informeren en bij hen een discussie los te weken over het waarom van de stijging, in de hoop iets aan het medische beleid te veranderen. Nog dezelfde dag van de publicatie van deze cijfers op 6 maart, kregen we een bericht van het RIZIV, dat ootmoedig toegaf dat er een fout in de cijfers geslopen was en dat de reële stijging amper 1% bedroeg. Dat is een realistisch getal. Na dit foutje heeft het RIZIV beslist om de zaak verder uit te pluizen en ontdekte het een structurele fout in de verwerking van zijn gegevens. Parlementair werk kan dus blijkbaar toch nuttig zijn.
Op 6 maart stelde ik een mondelinge vervolgvraag naar het waarom van de stijging, daar inmiddels ook het Studiecentrum voor perinatale epidemiologie de door de minister geleverde cijfers in twijfel trok. Op dat moment had ik nog geen weet van de correctie van het RIZIV. Deze vraag werd, op mijn verzoek, omgezet in een schriftelijke vraag. Vorige week kreeg ik een antwoord op die bewuste vraag. Ik citeer uit dit antwoord: `De officiële RIZIV-cijfers en de door De Huisarts/Le Généraliste gepubliceerde cijfers stemmen niet overeen. De door het geachte lid vastgestelde stijging is niet terug te vinden in de RIZIV-cijfers. Het zou dan ook wenselijk zijn te weten waar De Huisarts/Le Généraliste zijn gegevens gevonden heeft. Een correcte informatie van het artsenkorps is voor mij prioritair. Indien de gegevens van De Huisarts/Le Généraliste onjuist blijken te zijn, dan lijkt een rechtzetting in samenspraak met het betrokken tijdschrift wenselijk.'
De minister vraagt zich dus af waar de cijfers vandaan komen die zij zelf heeft verspreid als antwoord op een schriftelijke vraag. Ik sta dan ook perplex.
Hoe komt het dat de minister niet meer weet dat zij in dit dossier zelf aan de oorzaak ligt van de verspreiding van de foute gegevens?
Wat is de reactie van de minister op deze situatie?
Wat is de minister voornemens te doen ten aanzien van het vakblad De Huisarts, aangezien dit blad te goeder trouw handelde en geenszins schuld treft?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Er is heel wat verwarring geweest met betrekking tot de gegevens over de keizersneden. Daardoor werd in bepaalde antwoorden op parlementaire vragen de juiste context niet helemaal correct ingeschat. De Huisarts/Le Généraliste heeft uiteraard gegevens gekregen via antwoorden op parlementaire vragen en door rechtstreekse contacten met de diensten van het RIZIV. Zowel het Parlement als De Huisarts/Le Généraliste hebben uiteindelijk correcte cijfers gekregen. Men kan de gang van zaken met betrekking tot de afhandeling van dit dossier betreuren, maar een opeenstapeling van misverstanden en de druk om snel gecorrigeerde cijfers mee te delen hebben zeker bijgedragen tot de verwarring die een tijdlang bestond over de reële evolutie van het aantal keizersneden.
De verwarring over de cijfers is opgetreden op een ogenblik waarop de heer Ide heel wat vragen heeft gesteld over regionale gegevens. De diensten van het RIZIV doen al het mogelijke om deze vragen te beantwoorden binnen de wettelijk gestelde termijn.
De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Ik aanvaard deze excuses en zal ze ook meedelen aan De Huisarts, dat enigszins bekritiseerd werd in het antwoord op mijn schriftelijke vraag. Ik hoop dat dergelijke feiten zich niet meer zullen voordoen.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Kan de minister mij informeren over de vooruitzichten voor de toepassing van het koninklijk besluit van 10 juni 2006 over de zorgregio's?
Dat koninklijk besluit werd vooral toegepast in de regio Doornik, als ik mij niet vergis met vrij positieve gevolgen, maar het zou interessant zijn te weten hoeveel zorgregio's op dit ogenblik operationeel zijn en wat de financieringsmechanismen zijn. Werden stimulansen gegeven voor het uitvoeren van voorafgaande studies?
Hoeveel zorgregio's worden voorbereid?
In Luik worden pogingen ondernomen, maar soms is dat moeilijk, omdat we ervoor moeten zorgen dat een universitair ziekenhuis niet uitgesloten wordt van een zorgregio.
Is de minister van plan het koninklijk besluit van 10 juni 2006 te herzien, gelet op wat zich op dat gebied afspeelt?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Voor zover ik weet, is er thans maar één zorgregio formeel actief, wat betekent dat hij een erkenning van het Waals Gewest heeft gekregen. Het gaat om de Association « Bassin de soins » - Union médico-hospitalière du Tournaisis, in Baudour, de vzw Clinique Notre-Dame in Doornik en de vzw Centre hospitalier régional de Tournai, een vereniging die beheerd wordt door de vzw Union médico-hospitalière du Tournaisis.
U zet de noodzaak om zorgregio's te vormen niet op de helling. Ze bieden immers een reeks voordelen die mijn voorganger ook ruimschoots heeft benadrukt.
U vraagt mij of er voldoende financiële stimulansen worden gegeven. Ingevolge de aanpassing van het koninklijk besluit van 25 april 2002 werd in de begroting in financiële middelen voorzien voor dit soort verenigingen. Er worden vooral drie maatregelen beoogd: eerst en vooral de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden en voor een periode van maximum zes jaar over een specifiek bedrag te kunnen beschikken dat overeenstemt met een deel van het begrotingsverlies als gevolg van de herstructurering of de beoogde samenwerking in het kader van de zorgregio's; vervolgens de mogelijkheid dat ziekenhuizen de investeringen doen die leiden tot de rationalisering van het zorgaanbod, onder bepaalde voorwaarden, een aanvullende begroting krijgen indien, als gevolg van die werken, de oppervlakte voor de dienstverlening waarvan de lasten gedragen worden door de BFM, is toegenomen en, uiteindelijk, de mogelijkheid om, in geval van overdracht van activiteiten tussen twee of meer algemene ziekenhuizen in het kader van een juridisch geformaliseerd samenwerkingsakkoord, een bedrag toe te kennen dat overeenstemt met het begrotingsverlies B2 als gevolg van die overdracht van activiteiten voor één van de betrokken ziekenhuizen. Die `compensatie' wordt toegekend voor een beperkte periode.
De aanpassing van het koninklijk besluit van 19 mei 1987 betreffende de voorwaarden voor de toekenning van de schadeloosstelling voor sluiting maakt het mogelijk sedert 1 juli 2006 de bovengenoemde schadeloosstelling te ontvangen voor de sluiting van `tien bedden', terwijl vroeger een architecturaal afzonderlijke eenheid moest worden gesloten om de schadeloosstelling te kunnen krijgen.
Na twee jaar is het misschien nog wat te vroeg om te oordelen of de financiële stimulansen onvoldoende zijn.
Ik ben uiteraard bereid dit proces te evalueren. Wanneer gedacht wordt dat de vorming van zorgregio's onontbeerlijk is - en u lijkt dat te denken - kunnen we samen met de belangrijkste betrokkenen bepalen of de financiële of andere voorwaarden moeten worden geëvalueerd.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Een van de belangrijke aspecten in verband met de bewuste zorgregio is de rol van het universitaire ziekenhuis van de provincie Luik. Moet de zorgregio geïntegreerd worden of niet? Moet een zorgregio bestaan uit openbare ziekenhuizen of ziekenhuizen van alle netten? Dat element kan voor ons een handicap zijn.
Een eventueel besluit zou perfect zijn als het meer subsidies geeft dan vandaag en als voorwaarde stelt dat de regionale ziekenhuizen behouden blijven.
Het voordeel van de concentratie die de zorgregio's bieden, zou wel eens een nadeel kunnen worden als ze leiden tot een subregionale verarming.
Als de minister van plan zou zijn meer middelen te geven voor deze samenwerkingsvormen, zou het dus interessant zijn dat ze daar als voorwaarde aan koppelt dat de regionale ziekenhuizen behouden blijven, maar dat het universitair ziekenhuis hieraan moet meewerken.
De heer Paul Wille (Open Vld). - Ik had de bedoeling een vraag te stellen over de democratisering van de mogelijkheid om aan phishing te doen. Het woord democratie kan echter moeilijk worden geassocieerd met wat ik heb gevonden, namelijk dat via een veilingsite starterkits voor phishing te koop worden aangeboden aan particulieren. Daarmee kan iedereen die het wil voor 20 dollar leren zelf kredietkaarten aan te maken. De aangeboden set bevat een volledige cursus met dvd en software. Daarmee kan men leren hoe een harde schijf kan worden overbelast en hoe men phishingkits kan aanwenden om wachtwoorden van gebruikers te stelen.
Nog hallucinanter is dat een volledige shopping list wordt aangeboden waarop men de nummers van kredietkaarten, wachtwoorden van internetrekeningen van gebruikers, enzovoort kan kiezen. Er is dus een markt voor internetfraude. Wie het wil krijgt deze gegevens via phishing, en tegen betaling kan men ook te weten komen hoe men met een eenvoudige printer en een pvc-kaart een kredietkaart kan aanmaken en hoe men iemand 2000 dollar afhandig kan maken. De prijzen die daarvoor worden gevraagd, hangen af van het risico dat de koper loopt.
Mijn vragen zijn niet bedoeld om onrust te scheppen, maar om te weten wat de overheid hiertegen zal doen.
Is het bestaan bekend van dergelijke internetmarktplaatsen die gespecialiseerd zijn in het verhandelen van gestolen wachtwoorden, identiteits- en kredietkaartgegevens en welke beleidsmaatregelen kunnen terzake worden genomen? Ik denk bijvoorbeeld aan monitoring.
Hebben de ministers en/of hun diensten weet van dergelijke startersets? Kan de computer crime unit hiertegen optreden? Zo ja, werden eventueel al resultaten geboekt? Zijn er afspraken gemaakt met veilingsites?
Hebben de diensten weet van veilingen van identiteitsgegevens, bankkaartgegevens en wachtwoorden? Van waaruit worden deze opgezet en hoe wordt hiertegen opgetreden op nationaal en internationaal niveau?
Kan het Parlement daarover binnen afzienbare tijd worden ingelicht?
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Internetcriminaliteit is een oprukkend fenomeen. Het World Wide Web leent zich uiteraard voor misbruiken. Ik denk dat het cruciaal is dat we die internet- en informaticacriminaliteit als uitdrukkelijke prioriteit hebben ingeschreven in het nationaal veiligheidsplan 2008-2011 van de regering. Politie en justitie engageren zich hiermee voor een serieuze aanpak van dit fenomeen.
Wat de politie betreft, veronderstelt dit een betere uitrusting van de cellen internetcriminaliteit, de zogenaamde computer crime units. Reeds in 2007 bekwam ik van de regering de budgettaire middelen om die cellen uit te breiden met 44 personen.
Wat de eerste drie vragen betreft, kan ik aankondigen dat de cijfers van 2007 betreffende computercriminaliteit, de informatie over de werking van de diverse diensten die met deze vorm van criminaliteit in aanraking komen en de voorstellen om tegemoet te komen aan toekomstige dreigingen, momenteel door mijn diensten worden voorbereid, met het oog op een publicatie in de loop van de maand juni 2008.
De minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen heeft mij meegedeeld dat er momenteel geen cijfers beschikbaar zijn die de economische schade ingevolge phishing in kaart brengen.
De statistisch analisten van het College van procureurs-generaal beschikken evenmin over de gevraagde gegevens.
Ik zal de heer Wille nog een document met meer gedetailleerde gegevens overhandigen.
De voorzitter. - De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.
Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - Er is een akkoord bereikt dat de huidige crisis in het Libanon kan oplossen. Het is nu aan alle Libanezen om in het belang van hun land tot een nationale verzoening te komen. Dat is een essentiële stap naar in het volledige herstel van de eenheid, stabiliteit en onafhankelijkheid van het land.
Het akkoord houdt in dat Michel Suleiman tot president van Libanon wordt gekozen. Er komt een regering van nationale eenheid en de Libanese oppositiebeweging beschikt, zoals gevraagd, over een blokkeringminderheid.
Denkt u dat deze blokkeringminderheid de inspanningen van de internationale gemeenschap voor de onafhankelijkheid van Libanon op de helling plaatst, en ook de inspanningen die werden gedaan voor de uitwisseling van gevangenen en de ontwapening van alle milities die zich op Libanees grondgebied bevinden, opgelegd door de VN sinds september 2004?
Het gebruik van wapens voor politieke doeleinden wordt verboden. Betekent dit dat de Hezbollah alle wapens heeft afgezworen en zich tot een politieke beweging wil omvormen?
Wat zal, na dit akkoord en in het vooruitzicht van de verkiezingen van 2009, de rol zijn van de internationale gemeenschap, en dus ook van België?
België zetelt in de Veiligheidsraad en heeft besloten deel uit te maken van de UNIFIL. Wijzigt dit politiek akkoord het UNIFIL-mandaat? Beraadt de Belgische regering zich over onze deelname aan de UNIFIL? Welke initiatieven kan de internationale gemeenschap nemen om de uitvoering van dit akkoord te vergemakkelijken? Wat zullen de gevolgen zijn van dit akkoord voor de relaties tussen Libanon en zijn buurlanden Israël en Syrië?
Wat de economie betreft, moet de Hezbollah het centrum van Beiroet vrijmaken en vrije doorgang verlenen. Wat houdt het economische deel van dit akkoord in en over welke instrumenten beschikt de Commissie om aan Libanon financiële of commerciële steun te verlenen?
De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.
Het akkoord van Doha is een grote doorbraak voor de institutionele crisis die Libanon sinds anderhalf jaar in haar greep houdt. Het komt er nu op aan de partijen aan te moedigen de verschillende fases uit te werken waartoe ze zich hebben verbonden. België en de Europese Unie moeten de partijen de kans geven het institutionele evenwicht te herstellen zonder de contraproductieve wraaklust aan te wakkeren.
De kwestie van de ontwapening van alle milities is uiteraard aan de orde, want ze is opgenomen in het vredesakkoord van Taif en in resolutie 1559.
Het akkoord kan de internationale aanwezigheid in Libanon positief beïnvloeden, met inbegrip van de Belgische deelname, waarover de Belgische regering binnenkort een definitieve beslissing moet nemen.
De minister van Buitenlandse Zaken vindt het in dit stadium ongepast details te geven over de verschillende economische- en handelsprogramma's van de Commissie in Libanon.
Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - We moeten bijzonder nauwlettend toezien op de ontwapening van de Hezbollah, want dat is de sleutel voor de oplossing van het probleem in Libanon.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Bijna drie weken geleden trok de cycloon Nargis over Birma. Deze verwoestende cycloon heeft twee miljoen mensen dakloos achtergelaten. Er is sprake van 133.000 doden en vermisten. Het zuiden van Myanmar wordt bedreigd door epidemieën en hongersnood. De Tijd omschreef deze natuurramp onlangs als `één van de dodelijkste natuurrampen in de recente geschiedenis.'
Ondanks de omvang van deze ramp en de mogelijke gevolgen voor de bevolking, weigerde de militaire junta in Birma tot voor kort alle buitenlandse hulp. De hulpverlening in het land zelf is ook zeer beperkt. Van de 2,4 miljoen overlevenden zouden er op heden slechts 500.000 hulp hebben gekregen. De Verenigde Naties hebben door middel van overleg getracht om Myanmar ervan te overtuigen de grenzen open te stellen voor buitenlandse hulp. Het is pas sinds maandag, meer dan twee weken na de ramp, dat het regime in Myanmar zijn strakke weigering tegenover buitenlandse hulpverleners enigszins afzwakte. We kunnen alleen maar hopen dat het bezoek van vandaag van VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon, bijdraagt tot meer openheid en tot het aanvaarden van meer buitenlandse hulp.
De getroffen mensen zijn onze eerste bezorgdheid. Het is onvoorstelbaar dat Myanmar zolang buitenlandse hulp weigerde, met ongeziene gevolgen voor honderdduizenden mensen.
Nu er blijkbaar een groeiende bereidheid is om meer buitenlandse hulp te aanvaarden, hoewel er nog enige onduidelijkheid is over onder meer de hulpgoederen die het Belgische B-FAST-team aan lokale medewerkers van Artsen Zonder Grenzen in Birma wil overhandigen, dienen we ons misschien af te vragen of Birma door de buitenlandse hulp wekenlang onmogelijk te maken, geen inbreuk pleegde op het internationale recht. Ik verwijs hier naar de genocideconventie van 1948.
Door honderdduizenden mensen de geboden buitenlandse hulp te ontzeggen, werden ze aan hun lot overgelaten. Ze werden gedwongen te overleven in mensonwaardige en levensbedreigende omstandigheden.
Wat is het standpunt van de minister met betrekking tot de schending van het internationale recht door Birma wegens het onmogelijk maken van buitenlandse hulp?
Welke houding zal België aannemen?
Wordt gedacht aan een eventuele sanctionering van Birma voor het weigeren van hulp waardoor het welzijn en de gezondheid van een gedeelte van de bevolking dermate in het gedrang komt dat er een schending is van het internationale recht?
Is België bereid hierin stappen te ondernemen?
De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Collega De Gucht en ikzelf zijn nog altijd uiterst bezorgd over de tijdige levering van hulpgoederen aan de getroffenen in de Birmese delta. België heeft er ook in de Veiligheidsraad sterk op aangedrongen dat de internationale gemeenschap in de eerste plaats voor humanitaire hulp moet zorgen. Zowel binnen de VN als in de EU is dat nu de hoogste prioriteit.
België heeft één miljoen euro vrijgemaakt: 650.000 euro noodhulp, waarvan 340.000 euro werd gebruikt door B-FAST, 250.000 euro voor voedselhulp en 100.000 euro van het Vlaamse Gewest. De operatie B-FAST heeft een zuiveringsinstallatie gestuurd evenals pakketten voor geneeskundige eerste hulp en basisgezondheidszorg voor 100.000 personen voor drie maanden, 10. 200 jerrycans en 4000 dekzeilen van 4 op 6 meter.
Op dit ogenblik lijkt zich een eerste verbetering van de humanitaire toegang af te tekenen, met toegang voor Aziatische hulpverleners en VN-helikopters. Onze humanitaire hulp via B-FAST en Artsen zonder Grenzen is op de luchthaven van Yangon aangekomen en is zonder problemen aan de slachtoffers van de catastrofe uitgedeeld. De begeleiders van onze hulpgoederen hebben ook probleemloos visa van de ambassade van Myanmar in Brussel bekomen.
Er is echter meer nodig. De ASEAN-landen hebben beslist de leiding te nemen in de coördinatie van de internationale hulpverlening. Het is absoluut noodzakelijk sterke druk te blijven uitoefenen op het Birmese regime om de humanitaire toegang te vergroten. Om die reden is VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon nu in Birma.
Om deze ontwikkelingen niet te doorkruisen, achten wij het niet raadzaam nu onze tijd te verliezen met een abstracte internationaalrechtelijke oefening terwijl 1,5 miljoen mensenlevens worden bedreigd.
Uiteraard blijven wij de situatie op de voet volgen. Als de voorzichtige verbeteringen zich niet doorzetten, moet alles in het werk worden gesteld om het tij te keren. België zal dan zijn verantwoordelijkheid in de Veiligheidsraad opnemen.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Het is goed nieuws te horen dat de Belgische hulpgoederen nu ter plekke zijn en dat ook de Belgische hulpverleners probleemloos toegang hebben gekregen tot het land.
Ik meen echter dat een internationaalrechtelijke oefening later wel opportuun kan zijn om te vermijden dat een dergelijke situatie zich in de toekomst nog kan voordoen.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Minister van Binnenlandse Zaken Dewael werd op 5 maart 2008 in het parlement ondervraagd over het terugsturen van asielzoekers naar Griekenland op basis van de Dublin II-Verordening. Internationale rapporten hekelen de manier waarop Griekenland met vluchtelingen omgaat en roepen de Europese landen op om geen mensen meer naar Griekenland terug te sturen. In Noorwegen heeft de bevoegde onafhankelijke instantie intussen beslist om niet langer asielzoekers naar Griekenland terug te sturen. Ook Finland heeft dezelfde beslissing genomen en er is een aanbeveling van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen om geen asielzoekers meer terug te sturen naar Griekenland.
Ook in België groeit dit inzicht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in twee dossiers, een Franstalig en een Nederlandstalig, beslist om een asielzoeker - het ging in de twee gevallen om een Irakees - niet naar Griekenland terug te sturen omdat de Griekse overheid niet garandeert dat de asielprocedure ernstig en conform de internationale verdragen zal worden gevoerd. Griekenland zou niet eens geantwoord hebben op een verzoek tot terugname van België.
Is het niet logisch, gelet op de beslissingen van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen, dat de dienst Vreemdelingenzaken het terugsturen naar Griekenland stopzet, ten minste tot het Europees Hof van justitie een beslissing genomen heeft over het al dan niet conform zijn van de Griekse wetgeving en praktijk met de Europese regelgeving, in casu de Dublin II-Verordening?
Is het, eveneens in het licht van die gerechtelijke beslissingen, niet beter dat België in de tussenperiode zijn verantwoordelijkheid op zich neemt door de soevereiniteitsclausule toe te passen en de asielaanvragen zelf te behandelen?
De minister van Binnenlandse Zaken antwoordde op 5 maart dat België alleen terugstuurt als de Griekse staat expliciet antwoordt dat de betrokkene bij aankomst in Athene een asielaanvraag kan indienen. Uit de uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat in de praktijk echter niet zo te zijn. Heeft de Dienst Vreemdelingenzaken een fout begaan of klopte het antwoord van de minister niet?
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik heb gisteren in Den Haag de Nederlandse minister van Justitie en de staatssecretaris bevoegd voor migratie en asielbeleid ontmoet en we hebben het gehad over het probleem van Griekenland. We zijn tot de vaststelling gekomen dat Nederland en België dezelfde visie delen. Het probleem dat mevrouw Piryns aankaart, is een Europees probleem waarvoor een Europese oplossing moet worden gevonden. Het lijkt mij, op een ogenblik waarop Europa werkt aan de consolidatie van een gemeenschappelijk asielbeleid en aan een gemeenschappelijk systeem van blue cards, niet opportuun dat elke lidstaat op zich een beslissing treft en de soevereiniteitsclausule op een geïsoleerde manier invoert. We kunnen samen met de Europese Commissie ook nagaan hoe Griekenland nog meer kan halen uit projecten in het kader van Frontex of andere Europese fondsen.
Met mijn Nederlandse collega's kwam ik tot de vaststelling dat Griekenland al veel inspanningen heeft gedaan om zich te schikken naar de Europese richtlijnen.
We willen er echter zeker van zijn dat Griekenland al zijn verplichtingen nakomt. De Benelux-landen zullen de bevoegde Griekse minister dan ook vragen ons zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van de aangebrachte verbeteringen.
In afwachting zal de Dienst Vreemdelingenzaken zich schikken naar de twee recentste arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Er zal op toegezien worden dat Griekenland verzekert dat het de verplichting om de betrokkene niet uit te wijzen zal naleven alvorens België een asielzoeker aan het land overdraagt.
Er is geen tegenstelling tussen het beleid van mijn voorganger en het huidige beleid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Uit dit dossier blijkt nog maar eens dat Europa zo snel mogelijk werk moet maken van de tweede fase van het gemeenschappelijke Europese asielbeleid. Wij wachten dan ook vol ongeduld op de nieuwe voorstellen ter zake van de Europese Commissie.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik ben het met de minister eens dat het probleem op Europees niveau moet worden aangepakt en dat Europa druk op Griekenland zal moeten uitoefenen.
België zou in afwachting van Europese beslissingen geen mensen meer mogen terugsturen naar Griekenland. De rapporten, die ondertussen door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen zijn bevestigd, bevatten immers ernstige beschuldigingen. Er is bijna sprake van martelpraktijken en ook zouden mensen niet tot de asielprocedure worden toegelaten. Het zou dan ook niet meer dan correct zijn om het Finse en Noorse voorbeeld te volgen en voorlopig geen mensen meer terug te sturen.
De minister beweerde dat het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken volledig overeenstemt met de praktijk van de dienst Vreemdelingenzaken. Ik hoop dat dit vanaf nu zo zal zijn. Uit de praktijk blijkt echter dat in het verleden mensen werden teruggestuurd zonder dat Griekenland zelfs maar een antwoord had gegeven.
De voorzitter. - Tijdens zijn vergadering van deze middag heeft het Bureau besloten een actualiteitendebat te houden over `de circulaire over de regularisatiecriteria'.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Bij de voorstelling van haar algemene beleidsnota in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden van onze assemblee heeft de minister ons gemeld dat ze tegen 20 mei een circulaire wou indienen die eindelijk de regularisatiecriteria zou verduidelijken waarop velen wachten.
Die werkzaamheden lijken gevorderd te zijn. De pers heeft ruimschoots aandacht gegeven aan de verschillende bepalingen in de circulaire die het regeerakkoord moet uitvoeren, inzonderheid met betrekking tot het criterium van de langdurige procedure en dat van de lokale verankering.
We hebben er meermaals aan herinnerd dat we wensen dat die circulaire snel van toepassing zou zijn teneinde de juridische onduidelijkheid rond `de uitzonderlijke en humanitaire omstandigheden' weg te nemen en rechtszekerheid tot stand te brengen via duidelijke criteria.
Wanneer zal de minister deze circulaire afronden? Wanneer zal deze circulaire van toepassing zijn? Welke voorziening zal de minister treffen om een antwoord te bieden op de talrijke vragen die zullen rijzen nadat de circulaire is aangenomen en om de dossiers af te werken, zodat geen nieuwe rechtsonzekerheid ontstaat?
Het criterium van de lokale verankering werd gedeeltelijk gedefinieerd in het regeerakkoord, vooral wat het schoolbezoek van de kinderen betreft, de beoordeling van de lokale overheden en de kennis van één van de landstalen. Hoe zal de minister te werk gaan om bij de aanvragen rekening te houden met die verschillende elementen? Volgens ons is dat het criterium dat de meeste hoop heeft gegeven. Er moet dus rekening worden gehouden met elementen inzake integratie die niet altijd gemakkelijk bewezen kunnen worden door mensen die in de clandestiniteit leven. Bevestigt de minister dat de vreemdelingen, om het criterium van de lokale verankering te kunnen inroepen, hier deels legaal moesten verblijven? Dat zou meteen heel wat mensen uitsluiten die hier niet legaal verblijven, maar toch criteria uit het regeerakkoord kunnen bewijzen, zoals schoolbezoek van de kinderen, kennis van één van de landstalen en integratie in het lokaal verenigingsleven.
Het is hoog tijd. Wij wensen dat die circulaire spoedig wordt toegepast en dat de evenwichtige verbintenissen in het regeerakkoord daarbij worden gerespecteerd.
Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - De informatie die ik via de media gekregen heb over de circulaire betreffende de regularisaties doet tal van vragen rijzen.
Die circulaire zou een soort puntensysteem invoeren dat mij moeilijk toepasbaar lijkt omdat de evaluatie van de voorwaarden die moeten worden vervuld, ingewikkeld is. Ik vind dat een criterium niet in punten kan worden vertaald. De evaluatie van de lokale verankering op basis van punten, toegekend voor de kennis van de taal en de punten die door de lokale besturen worden toegekend voor verschillende andere criteria, lijkt mij een gevaarlijk en willekeurig systeem, vooral in de grotere gemeenten.
In het regeerakkoord is er sprake van een regularisatie van alle gevallen die wachten op uitwijzing en vervolgens van een economische regularisatie van mensen die werk hebben. Volgens mijn informatie bepaalt de circulaire echter dat men 70 punten moet halen en dat men werk moet hebben. Ik veronderstel dat het om ingeschreven arbeid gaat. In die omstandigheden komt maar een kleine minderheid in aanmerking. De circulaire geeft geen precisering over de duurzame lokale verankering, hoewel veel gezinnen daarvan resultaten verwachten.
Dan is er nog het probleem van degenen die geen aanvraag hebben ingediend en die soms als jaren in ons land verblijven. Volgens mij moeten zij in aanmerking kunnen komen voor één van de criteria.
Het is allemaal nogal onduidelijk, en ik zou dan ook graag nadere informatie krijgen. Het systeem van een vergunning met punten om in België te kunnen blijven boezemt mij veel angst in en het zal wellicht ernstige gevolgen hebben. Ik hoop dat de minister mijn indruk hierover kan corrigeren.
Hoe zit het overigens met het moratorium? Ik weet niet hoe de regering in de circulaire het veelbesproken evenwichtspunt zal vinden. Er is immers helemaal geen evenwicht: alles wordt opgeofferd aan de economie en de werkgelegenheid en er is maar weinig interesse voor de duurzame lokale verankering.
Bij de vorige regularisatie hadden we een echte rechtspraak inzake de duurzame banden, wat iets anders is dan een verankering. Volgens mij moeten we de bestaande rechtspraak handhaven, want die helpt ons nuttig te oordelen.
De regering moet dringend beslissen. De minister moet mij garanderen dat ze, in afwachting van de publicatie van de circulaire, geen mensen meer zal uitwijzen die over enkele weken misschien kunnen worden geregulariseerd.
Het is niet normaal dat, al maanden lang, elke week mensen naar gesloten centra worden overgebracht of zelfs worden uitgewezen. Het is hoog tijd om te beslissen dat, in afwachting van de precisering van de veelbesproken criteria, de komende weken of maanden niemand nog wordt uitgewezen.
Gedurende de acht maanden die nodig waren om een regering te vormen hebben die mensen heel de tijd gewacht. Nu wachten ze al weer drie maanden en moeten ze jacht maken op circulaires en valse arbeidsattesten. Iedereen heeft nu wel begrepen dat de economische regularisatie primeert.
Dat is allemaal nogal gevaarlijk. We moeten zeer snel de situatie verduidelijken en voorkomen dat een puntensysteem wordt gehanteerd dat geheel willekeurig is en mij, althans op het eerste gezicht, slecht geconcipieerd lijkt.
Wie zal de punten geven? Met welke factoren zal rekening worden gehouden? Hoe zal het systeem worden georganiseerd? Zal het punt een echt criterium zijn? Als het om een willekeurig element gaat, vrees ik het ergste.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a+Vl.Pro). - Vandaag konden we in de pers lezen welke concrete regularisatieplannen de minister heeft en welke criteria ze daarbij zal hanteren, namelijk het puntensysteem. Volgens haar voorstel moet een asielzoeker ten minste twee jaar legaal in ons land verblijven voor hij of zij voor het puntensysteem in aanmerking komt.
Volgens mijn - vrij behoorlijke - kennis van het Nederlands betekent regulariseren het legaal maken van een illegale situatie. Wie twee jaar legaal in ons land verblijft, is volgens mij geen illegaal. Over wie hebben we het dan? We kennen ze, de mensen die illegaal zijn. We zien ze op de televisie. Het zijn mensen die hier al lang verblijven, kinderen hebben, geïntegreerd zijn, maar niet over de juiste papieren beschikken. Over die mensen gaat het in het voorstel dus niet, terwijl net zij zo hopen dat hun papieren eindelijk eens in orde zullen komen.
In het puntensysteem van de minister krijgt wie werkt, 40 punten. Hoeveel van de mensen die behoren tot de probleemgroep onder de vreemdelingen op ons grondgebied, hebben de toestemming om te werken? De meeste mensen zonder papieren of met papieren die niet in orde zijn, werken hier al veel te lang in het zwart, omdat ze van ons niet mogen werken. Maar over die mensen gaat het duidelijk niet.
De verwarring is enorm. Mensen die hier twee jaar legaal verblijven hebben volgens mij geen regularisatie nodig. Wie geeft de minister met dit plan hoop? Welke mensen wil ze helpen? Welke mensen wil ze door de voordeur binnenlaten? En vooral, wie zal er niet in aanmerking komen? Ik vrees dat het die mensen zijn van wie we in ons hart allemaal vinden dat ze zouden moeten kunnen blijven. Die mensen komen echter niet aan bod. Of hebben de kranten, onder meer De Morgen, het dan compleet verkeerd voor?
De steun van de burgemeester is goed voor 10 punten en ook met sociaal engagement vallen 10 punten te verdienen. Zal de minister die mensen dan ook toestaan vrijwilligerswerk te doen? Wie sociaal engagement zegt, zegt immers vrijwilligerswerk, maar vreemdelingen die nog niet volledig in orde zijn, mogen geen vrijwilligerswerk doen. Op dat punt verwachten we dus dringend een initiatief.
Wij zien een kloof tussen de verwachtingen die de regering heeft gecreëerd, en wat vandaag wordt voorgesteld. De boodschap van het voorstel is dat we alleen de `goede', de `hardwerkende' vreemdeling willen, terwijl we al deze mensen al jarenlang verbieden te werken. Na zoveel persgeweld vraagt elke vreemdeling zich af of hij in aanmerking komt of niet.
Het is allemaal zo verwarrend dat we graag een antwoord kregen op volgende vragen. Voor wie gelden de criteria? Welke ministers staan er achter? Of moet in de regering de discussie nog beginnen?
De heer Berni Collas (MR). - Mijn fractie vraagt zich af of het wel nodig is dit debat te voeren voordat de ministerraad de rondzendbrief over de regularisatiecriteria heeft besproken.
Wij pleiten voor een regularisatie gebaseerd op criteria die aantonen dat de aanvrager lokaal verankerd is, hetzij door talenkennis, werk of het schoolbezoek van de kinderen.
Wij keuren ook het puntensysteem goed waardoor de beslissing kan worden geobjectiveerd.
Daarentegen zijn we niet echt voorstander van een regularisatie van mensen die hier illegaal verblijven en die niet voldoen aan bepaalde criteria omdat zulks ingaat tegen de geest van de wet van 1980.
Men kan zich inderdaad afvragen of asielzoekers nog de moeite zullen doen de procedure waarin de wet van 1980 voorziet, aan te vatten als ze systematisch geregulariseerd kunnen worden, ook al verblijven ze illegaal in het land.
Bovendien bestaat het risico dat mensen zonder papieren die in onze buurlanden verblijven, worden aangetrokken.
Wij zijn niet ongevoelig voor de situatie van die mensen. In overleg met de gewesten, de Duitstalige Gemeenschap en de sociale gesprekspartners kunnen we eventueel overwegen werkwilligen tewerk te stellen in knelpuntberoepen. Op die manier vermijden we ook dat de betekenis van `uitzonderlijke omstandigheden' in artikel 9bis van de wet van 1980 wordt ontkracht.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - CD&V-N-VA heeft het systeem van de regularisaties altijd bekritiseerd, vooral omdat het een discretionaire bevoegdheid van de minister was. Er was vaak kritiek dat de beslissingen in het ijle werden genomen, dat er te weinig criteria waren, dat er soms een sfeer van willekeur of politisering heerste.
We hebben er altijd voor gepleit om de criteria in een wet, een circulaire of een koninklijk besluit te verduidelijken. Ik ben dus blij dat dit punt in het regeerakkoord is opgenomen.
Inzake objectiviteit is het systeem van punten bespreekbaar. Wij hebben altijd gepleit voor een korf van criteria, verschillende aspecten die tegenover elkaar moeten worden afgewogen, maar toch in hun geheel worden bekeken. Voor een asielzoeker die werd afgewezen tellen de maanden van de asielprocedure als legaal verblijf. Als iemand hier een aantal maanden gewerkt of gestudeerd heeft, geldt die periode als legaal verblijf. Heel wat mensen die hier nu illegaal zijn, hebben soms gedurende een periode legaal in ons land verbleven. Het is belangrijk rekening te houden met sociaal-economische banden met België of met duurzame lokale banden. Voor ons is werk belangrijk, maar het is niet het enige criterium, ook de kennis van de taal of schoolgaande kinderen hebben zijn belangrijke criteria. Ik hoop dat deze discussie niet in het ijle wordt gevoerd. Ze is nog volop bezig. We schenken de minister vertrouwen om het systeem verder uit te werken.
Voor asielzoekers die een langdurige procedure hebben doorlopen en intussen kinderen hebben die hier school lopen, moet men naar een oplossing zoeken en eventueel geval per geval aan regularisatie denken. De overheid moet hier haar verantwoordelijkheid op zich nemen. Dat betekent niet dat iedereen die hier illegaal is, geregulariseerd moet worden. Wij pleiten voor een objectieve benadering, en verzetten ons tegen elke willekeur.
Het regeerakkoord is een pakket maatregelen. Nu focust men op deze circulaire over de regularisatie van een bepaalde groep, zonder naar het geheel te kijken. Naast de regularisatie van mensen met duurzame banden met België; van mensen die een te lange procedure hebben moeten doorlopen, van zieken en van mensen die zich in een prangende humanitaire situatie bevinden, is er in het regeerakkoord ook een passus over de economische migratie en over een uitzonderlijke instapmogelijkheid om hier legaal te werken en een tijdelijke verblijfsvergunning te bekomen.
We willen er snel werk van maken, in overleg met alle partners. We zullen evenwel nooit iedereen gelukkig kunnen maken. Als we een systeem willen waarbij iedereen die illegaal in het land is, geregulariseerd wordt, dan moeten alle procedures worden stopgezet en moeten we pleiten voor open grenzen. We moeten tegelijkertijd werk maken van korte, kwaliteitsvolle asielprocedures, van de vrijwillige terugkeer - een gedwongen terugkeer enkel als het moet - en van alternatieven voor de opsluiting van gezinnen met kinderen.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik neem aan, mevrouw de minister, dat dit minidebat het gevolg is van geruchten die bij ons geleid hebben tot verwondering, vragen en zelfs ontzetting.
Het regeerakkoord wil dat vooruitgang wordt geboekt inzake de regularisatie. Op wat verworven is wat betreft de duur van de procedure, de bijzondere situatie van de mensen zonder papieren, de basisgezondheidszorg, de toestand in de landen van oorsprong en de specifieke statuten die eruit voortvloeien, kan dus niet meer worden teruggekomen. Dat is allemaal verworven.
Vandaag worden hier nieuwe elementen aangebracht die hoofdzakelijk gebaseerd zijn op een economisch criterium in de ruime betekenis. Nochtans bestaat er een ander fundamenteel criterium: de lokale verankering. Dat begrip moet zijn volle betekenis behouden.
Als het economisch statuut een te groot belang krijgt, wordt de lokale verankering een secundair beoordelingscriterium. Op die manier worden het regeerakkoord en de significante vooruitgang inzake regularisatie ontkracht.
Heeft dat economisch criterium tot doel mensen te regulariseren die beschikken over een verblijfsvergunning die gekoppeld is aan een werkvergunning? Voor werknemers die nu in het zwartwerkcircuit werken, zou dat een grote vooruitgang betekenen.
Wij wensen dus wat meer uitleg te krijgen over de voorstellen van de minister. Wanneer zal de regering hierover onderhandelen? Ik herinner eraan dat wij een belangrijke vooruitgang wensen in de zin van meer duidelijkheid en minder willekeur, zodat de asielzoekers die in België verblijven en aan de vereiste criteria voldoen, een waardig leven kunnen leiden. We mogen bepaalde asielzoekers geen valse hoop geven, maar we mogen evenmin elke hoop ontnemen aan mensen die, conform het regeerakkoord, aan de regularisatiecriteria voldoen.
De heer Filip Anthuenis (Open Vld). - Ik wil mij vooral richten tot de kritische senatoren, ook van de meerderheid, zoals de heer Mahoux, die daarnet nog gewaagde van het verkrachten van het regeerakkoord.
Ik lees voor uit het regeerakkoord: `Bij de beoordeling van de prangende humanitaire situatie op grond van duurzame lokale verankering kan rekening worden gehouden met het advies van de lokale besturen of een daartoe erkende dienst met betrekking tot de kennis van een van de landstalen, schoolloopbaan en inburgering van de kinderen, werkverleden en werkbereidheid of beschikken over de kwalificaties of de competenties afgestemd op het arbeidsaanbod.' Het ontwerp van circulaire, dat uitlekte in de pers, is volledig conform deze passage uit het regeerakkoord.
De Open Vld-fractie vindt het een uitstekend idee met een puntensysteem te werken dat met een korf van criteria werk, zoals advies van de lokale overheid, kinderen op school, sociale betrokkenheid, talenkennis en werk. Ik vind het ook belangrijk dat de circulaire meer nadruk legt op het hebben van werk of op de bereidheid om te werken. Voor mevrouw Vanlerberghe en mevrouw Piryns zijn dat blijkbaar vieze woorden. (Protest)
Als lid van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden betreur ik ook dat sommige senatoren dit heikele thema niet op een serene manier benaderen. Zo eiste mevrouw Bouarfa - en in andere bewoordingen ook mevrouw Lizin - in de commissie na een zelfmoord in een gesloten centrum het ontslag van de minister, terwijl vandaag blijkt ... (Onderbrekingen)
De heer Philippe Mahoux (PS). - Is dit wel een minidebat gericht tot de minister en de regering of wordt hier de procedure omzeild?
Mijnheer de voorzitter, ik verzoek u de procedures te doen respecteren.
Bovendien misbruikt de vorige spreker het minidebat om verklaringen af te leggen die volkomen onjuist zijn. Ik verwijs naar het rapport van de commissie voor de Binnenlandse Zaken.
De heer Filip Anthuenis (Open Vld). - Daarmee is opnieuw duidelijk gemaakt wat ik wilde zeggen, namelijk dat ik betreur dat bepaalde senatoren dit thema niet op een serene manier benaderen. Vorige week nog eisten enkele leden van de PS-fractie het ontslag van de nieuwe minister van Migratie- en Asielbeleid, terwijl vandaag blijkt dat de overheid in dat pijnlijk incident in Merksplas helemaal niets te verwijten valt.
Ik pleit er dus voor om dergelijke onderwerpen op een serene manier te behandelen. Ik zou op mijn beurt mevrouw Bouarfa of mevrouw Lizin kunnen vragen ontslag te nemen uit de Senaat.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik heb helemaal niet het ontslag van de minister gevraagd. Ik spreek niet voor mevrouw Bouarfa, maar voor mij zijn er twee belangrijke criteria: het bestaan van een werkgever, gecontroleerd uiteraard, en de lokale verankering waarover we in de commissie lang hebben gediscussieerd en waarop mevrouw de minister toen precieze en bemoedigende antwoorden heeft verstrekt.
Op basis van die twee elementen hebben wij gevraagd het regeerakkoord uit te voeren ...
De voorzitter. - Mevrouw Lizin, ik was zo goed u het woord te geven, maar er was geen reden ...
De heer Philippe Mahoux (PS). - Het ging om een persoonlijk feit ...
De voorzitter. - Er was geen persoonlijk feit. Mevrouw Vanlerberghe heeft wel het woord gevraagd voor een persoonlijk feit. Ik zal haar dus het woord geven.
Mevrouw Lizin, u hebt deze assemblee voorgezeten. U weet dus dat in een actualiteitendebat slechts één lid per fractie het woord kan nemen. Uw fractievoorzitter was al uitgebreid aan het woord.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik wil niet dat mijn woorden worden verdraaid. We weten dat de minister voor een moeilijke opdracht staat en wij vragen dat zij die volbrengt conform het regeerakkoord.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a+Vl.Pro). - Omdat het in deze discussie al lang niet meer duidelijk is wie namens de meerderheid en wie namens de oppositie spreekt: ik spreek als lid van de oppositie.
Ik richt mij vooral tot de heer Anthuenis die, blijkbaar in het kader van de nieuwe stijl, denkt te moeten antwoorden in de plaats van de minister. Als hij beweert dat ik het niet belangrijk zou vinden dat mensen werken, is de essentie van mijn vraag hem duidelijk ontgaan.
Wie van de mensen zonder papieren heeft hier legaal werk en verblijft hier al twee jaar legaal? Over wie hebben we het vandaag? Wie krijgt hier hoop en wie mag zich verwachten aan een uitwijzing, ook al verblijft hij al jaren in ons land? De heer Anthuenis weet maar al te goed dat werk hebben ook voor de sp.a+Vl.Pro-fractie belangrijk is. Maar hebben wij die mensen ooit de kans gegeven om te werken? Hoe kunnen we dan werk als belangrijkste criterium hanteren?
Op deze vragen zou ik graag een antwoord krijgen, niet van een collega-senator, maar van de minister.
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - In België is er een asielprocedure met een beroepsmogelijkheid. De voorbije jaren werden er inspanningen gedaan om ervoor te zorgen dat die procedure kort is, zodat mensen heel snel een antwoord hebben op de vraag of ze hier al dan niet mogen blijven. Dat is een heel goede zaak.
Wie niet aan de criteria voor asiel voldoet en een bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten maar niet vertrekt, is illegaal in ons land en moet worden uitgewezen. Dat is een duidelijke regeling en de logica zelf. Links zoekt echter steeds naar achterpoortjes om ervoor te zorgen dat degenen die uitgeprocedeerd zijn, toch in ons land kunnen blijven. Op die manier wordt de asielprocedure volledig uitgehold.
Het voorgestelde puntensysteem zet de achterpoortjes nog een beetje wijder open - ongetwijfeld niet wijd genoeg voor links, maar te ver voor ons.
Het sluitstuk van elk asielbeleid is het uitwijzingsbeleid. Daarover horen we heel weinig. Hoe zal de minister ervoor zorgen dat degenen die zelfs na dit soort van regularisatieprocedure uit de boot vallen, effectief het land verlaten?
In verband met de criteria zelf, is het eigenaardig dat de overheid illegaliteit promoot, want illegaal werk zal een ticket zijn voor regularisatie. Hoe zal de minister trouwens nagaan of de betrokkene werkelijk werkt? Is een contract of een loonbriefje voldoende? Hoe zal de minister nagaan of die documenten echt zijn? Amper twee dagen geleden verscheen een bericht in Le Figaro over een grote zwendel in valse papieren in Parijs. Het ging om studieattesten, arbeidsdocumenten, medische attesten, enzovoort. Duizenden personen, vooral Kameroeners, hebben zich valse papieren aangeschaft. We moeten ons geen illusies maken: netwerken van valse papieren bestaan en zullen worden gebruikt.
Door ook de appreciatie van de burgemeester te laten meetellen, wordt politieke willekeur ingevoerd, waarmee we absoluut niet akkoord kunnen gaan.
Wij vragen ons af of in dit systeem iemand ook punten kan verliezen, bijvoorbeeld voor kleine criminele feiten of het voorleggen van valse papieren.
Dit is een slechte regeling. Ze zal illegalen hoop geven en hen aanzetten tot nog meer illegale handelingen. Ze holt de asielprocedure uit en doet de handelaars in valse papieren een reuzencadeau.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - In de eerste plaats sluit ik me aan bij de zeer praktische vragen die al gesteld zijn. Wanneer zal de rondzendbrief echt af zijn? In de Senaatscommissie had de minister de datum van 20 mei vooropgesteld, maar dat was blijkbaar de streefdatum voor het ontwerp, dat nu het daglicht heeft gezien. Wanneer denkt de minister de discussie hierover in de regering rond te kunnen krijgen? Het begint er sterk op te gelijken dat er nog heel wat werk aan de winkel is.
Tijdens deze legislatuur hebben we zowel in de commissie als in de plenaire vergadering al vaak gediscussieerd over het probleem dat vandaag opnieuw op de agenda staat. Over de partijgrenzen heen hebben collega's bij herhaling gevraagd naar regularisatiecriteria en naar een moratorium op de uitwijzingen. Ik wil daarom nog eens herhalen waarom Groen! een algemene regularisatie, een moratorium op de uitwijzingen en wettelijk vastgestelde criteria vraagt.
Sinds een jaar is er een nieuwe wet op asielaanvragen van kracht. Die wet moet snel worden geëvalueerd zodat we weten of de procedures nu sneller verlopen en of asielaanvragers nu sneller duidelijkheid krijgen. De mensen zonder papieren waarover we het vandaag hebben, zijn echter al in België van vóór de inwerkingtreding van die snelle procedure. Ze zijn het slachtoffer van het beleid dat voorheen werd gevoerd en dat steunde op het last in, first out-principe. Ze waren hier in de grootste onzekerheid in jarenlange procedures verwikkeld; ze hebben soms afgezien van bepaalde procedures die te onduidelijk en moeilijk in te schatten waren. Voor die mensen zou het maar fair zijn, mocht de regularisatie het sluitstuk van hun asielprocedure vormen.
Het regeerakkoord aanvaardt duurzame, lokale verankering als regularisatiegrond. Het puntensysteem dat de minister nu voorstelt, voldoet hieraan geenszins. Het is een bikkelhard en onhaalbaar systeem.
Welk percentage van de mensen zonder papieren kan volgens de minister via het puntensysteem in aanmerking komen voor regularisatie?
De schifting op grond van een verblijf van 5 jaar waarvan 2 jaar wettelijk verblijf is zeer willekeurig. Wie hier vier jaar en driehonderd dagen verblijft, valt immers uit de boot. Het economische eigenbelang van ons landje primeert duidelijk op de humanitaire motieven op grond waarvan mensen voor regularisatie in aanmerking kunnen komen. Het puntensysteem heeft niets humanitairs.
Wie hier al jaren leeft, moet de kans krijgen om hier te werken. De kernvraag is niet of mensen zonder papieren willen werken, maar wel of ze kunnen werken en zodoende de kans krijgen hier een normaal leven uit te bouwen. Op grond van de criteria die de minister voorstelt, lukt dat nooit!
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik ben de senatoren dankbaar voor hun opmerkingen. De Senaat heeft naar aanleiding van mijn beleidsnota al de spits afgebeten en ook het belangrijke debat over de circulaire heeft plaats in de Senaat. Dat is belangrijk voor het imago van deze assemblee.
Het debat van vandaag handelt over het puntensysteem, dat voor mij niet meer of niet minder is dan een manier om tot objectieve criteria te komen. Het verbaast me dat de meeste opmerkingen komen van Groen! en sp.a+Vl.Pro. De grootste kritiek op mijn voorgangers was nu net dat hun beslissingen te willekeurig werden genomen.
In het regeerakkoord wordt gesproken over een `lokale duurzame verankering' die er is op basis van de kennis van één van de landstalen ...
De heer Philippe Moureaux (PS). - Wat betekent dat? Heeft de regering al dan niet een beslissing genomen?
De voorzitter. - Het is beter mevrouw de minister te laten uitspreken.
De heer Philippe Moureaux (PS). - Mijnheer de voorzitter, in deze assemblee hebben we het recht te protesteren.
De voorzitter. - Iedereen heeft het recht zijn mening te zeggen; dat is wat vanmiddag gebeurt.
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik vraag de Senaat alleen maar een beetje tijd om mijn visie toe te lichten omdat ik ervan overtuigd ben dat op het einde van het debat duidelijk zal zijn dat die visie vrij evenwichtig is.
In het regeerakkoord wordt gesproken over de kennis van één van de landstalen, de schoolloopbaan, de inburgering van de kinderen, het werkverleden, de werkbereidheid, het beschikken over kwalificaties of competenties afgestemd op het arbeidsaanbod, onder meer in verband met de knelpuntberoepen, het uitzicht op werk en de mogelijkheid om in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Bij de redactie van de eerste versie van de circulaire heb ik veel contacten gehad met vzw's en ngo's, met collega's uit de politieke wereld en uiteraard ook uit het parlement en de regering. Het is niet eenvoudig om nauwkeurige definities te formuleren over zaken als het werkverleden, de werkbereidheid, het beschikken over voldoende kwalificaties, het uitzicht op werk of voldoende kennis van één van de beide landstalen. In alle gesprekken bleek dat daarover vrij grote interpretatieverschillen bestaan.
Ik heb dan het principe van het puntensysteem op tafel gelegd. Het is namelijk mijn bedoeling om met dat systeem de grote interpretatieverschillen weg te werken en in ieder geval te voorkomen dat de minister nog het verwijt krijgt dat ze op eigen houtje beslist. Ik wil objectiviteit in mijn verhaal brengen en komaf maken met de onterechte kritiek aan het adres van mijn voorgangers, die toch wel op een bijzonder integere manier met hun bevoegdheid omgingen.
Ik zal het dan nu hebben over de inhoud. Ik verslikte mij gisteren in mijn koffie toen ik het artikel over het puntensysteem op de frontpagina van La Libre Belgique las. Ik heb gekozen voor het onderhandelingsmodel. Een circulaire is een bevoegdheid van een minister en strikt genomen had ik die bewuste circulaire op 21 maart al kunnen rondsturen. De regering beschikt in het parlement echter over een tweederde meerderheid en ik vond dan ook dat ik dat debat, als bewijs van respect voor mijn coalitiepartners, in de regering moest voeren en dat ik moest zorgen voor een breed democratisch draagvlak voor de circulaire.
Ik probeer met mijn circulaire, die hier en daar al werd gewijzigd, eerst het principe van het puntensysteem en de objectiviteit op tafel te leggen en dan te gaan kijken op welke manier de verschillende bestanddelen van de korf moeten worden gedefinieerd.
Dit is geen zwart-witdebat.
Het gaat niet om het hebben van werk of niet, om het hebben van 0 of 40 punten. Wie goed leest, zal de vele nuances zien.
Over de inhoud zou ik graag debatteren in de werkgroepen die daar nu volop mee bezig zijn en vooruitgang boeken. Op die manier kan worden gezorgd voor een draagvlak tussen de coalitiepartners. Ik weet dat het publieke debat het interne debat niet altijd vergemakkelijkt.
Het tijdschema hangt niet alleen van mij af. De werkgroep komt bijna dagelijks samen. Ik denk dat we eind mei, begin juni tot een akkoord kunnen komen.
Is illegaliteit het enige criterium? Het is niet de bedoeling mensen rechten te laten putten uit een volledig illegale situatie. Gisteren bracht ik een werkbezoek aan Nederland. De Nederlandse collega, van Turkse origine en behorend tot de PvdA, zei dat er nooit een generaal pardon kan zijn voor illegaliteit. Op die manier maak je de legale weg om in het land te komen ook voor een stuk irrelevant. De situatie is evenwel anders voor mensen die op een legale wijze het land wilden binnenkomen, bijvoorbeeld via een asielaanvraag, en die op een bepaald moment een tijd in de illegaliteit hebben geleefd, maar ook over heel wat capaciteiten beschikken en lokaal verankerd zijn. Het is voor hen dat de regularisatie is bedoeld.
De tewerkstellingskits voor asielzoekers zijn een bevoegdheid van de minister van Werk. Voor mij houdt die kwestie verband met het vrije verkeer van de onderdanen van de nieuwe EU-lidstaten. We moeten het principe van de communautaire preferentie respecteren en de tewerkstelling van asielzoekers vergemakkelijken.
Zestig ambtenaren van de FOD Binnenlandse Zaken zijn reeds overgeplaatst naar de Dienst Vreemdelingenzaken om de achterstand in de asielaanvragen weg te werken. De DVZ wil hiervoor extra middelen vragen bij de begrotingscontrole 2008 en bij de bespreking van de begroting 2009.
Inzake het moratorium heb ik al twee weken geleden in de Senaat een antwoord gegeven. Het is mijn bedoeling heel snel de rondzendbrief tot een goed einde te brengen. Ik had het debat graag in alle sereniteit gevoerd. Helaas is dat niet gelukt. Mijn ambitie blijft echter zeer snel duidelijkheid te brengen. Ik kan geen valse hoop geven. Daarom blijft ik het moratorium een moeilijk probleem vinden. Daarmee wordt immers aan heel wat mensen het gevoel gegeven dat zij hier zullen kunnen blijven, terwijl ze dat volgens de voorwaarden van lokale verankering niet kunnen.
Het Vlaams Belang had een vraag over het terugkeerbeleid. Momenteel wordt op Europees niveau een hernieuwde inspanning gedaan inzake readmissieakkoorden. Een terugkeerbeleid gaat heel wat vlotter wanneer er een akkoord bestaat met het land van oorsprong. Zodra de identificatie vaststaat, kan in dat geval de terugkeer soepeler gebeuren. Er bestaan al gezamenlijk beveiligde vluchten tussen Nederland, Luxemburg en België. Als België met een bepaald land een gemakkelijker terugkeerakkoord heeft, kan dat op Beneluxniveau worden geoptimaliseerd. Het is mijn bedoeling dit uit te breiden tot het Europese niveau.
Wat de lokale duurzame verankering betreft, hou ik rekening met alle regels en principes in het regeerakkoord.
We hebben een representatieve democratie die op het ogenblik over een ruime meerderheid beschikt. Daarom zou ik graag het debat over de inhoud van de circulaire voeren in de werkgroepen, want dat is de meest geschikte plaats. Daar kunnen we ook beslissen wat al dan niet de basisvoorwaarden zijn en welke voorwaarden al dan niet cumulatief moeten zijn.
Voor mij is het puntensysteem een principe om objectiviteit te kunnen waarborgen. Het moet ook tegemoetkomen aan de kritiek uit het verleden dat een minister een te grote discretionaire bevoegdheid heeft en te willekeurig kan optreden. Vreemdelingenzaken en regularisaties roepen altijd veel emotie op. Met het puntensysteem wil ik ook voorkomen dat mij verweten wordt dat ik voor bepaalde mensen lakser of milder ben dan voor anderen. Als iemand een ander, even objectief systeem wil voorstellen, ben ik uiteraard bereid dat onmiddellijk in overweging te nemen. Ik wil echter wel snel werk maken van de circulaire.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Het gaat om een moeilijk dossier. Ik dank de minister dan ook dat ze bereid was een uitgebreid antwoord op onze vragen te geven.
Op een punt ben ik echter niet met haar eens. Het regeerakkoord had ook betrekking op de illegalen. De duurzame lokale verankering geldt impliciet ook voor mensen die hier illegaal verblijven, maar die kinderen hebben die school lopen, die de taal kennen, een gunstig advies van de burgemeester krijgen ... Het lijkt dan ook logisch dat mensen met een duurzame gemeentelijke verankering worden geregulariseerd.
Criteria als het evenwicht, de bijsturingen en het belang dat aan het werk moet worden gegeven zijn delicaat. Daarover moet nog worden gedebatteerd, wat maar logisch is.
Ik kan echter niet aanvaarden dat de minister ervan uitgaat dat het aantal mensen dat illegaal in ons land verblijft hoger is dan het aantal mensen dat op een gegeven moment legaal op ons grondgebied heeft verbleven in het kader van een procedure of omdat ze een statuut van student hadden.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a+Vl.Pro). - Uit het antwoord van de minister blijkt niet duidelijk voor wie de maatregel bedoeld is. Ondanks alle verklaringen in de media ben ik van oordeel dat de minister alleen haar persoonlijke visie geeft. Er wordt geen hoop gegeven, maar de verwarring neemt toe. In de circulaire zou als voorwaarden worden gesteld dat de vreemdeling hier al twee jaar legaal verblijft en werk heeft of zicht op werk. Dat betekent eigenlijk dat maar weinig mensen in aanmerking zullen komen. De dossiers die nog niet afgehandeld zijn, hebben onder andere ook betrekking op mensen die hier al zeven tot acht jaar verblijven en kinderen hebben die hier geboren zijn, die hier naar school gaan, die onze taal spreken en hun land van herkomst helemaal niet kennen, kinderen van wie de ouders hier niet mogen werken omdat wij vinden dat ze dat niet mogen. Deze mensen kunnen niet in aanmerking komen voor regularisatie.
De minister heeft niet duidelijk op mijn bezwaren geantwoord. Ik vrees dat de circulaire vooral bedoeld is om veel mensen uit te sluiten in plaats van hen te helpen. De minister heeft alle hoop weggenomen met haar verklaring dat er geen akkoord is binnen de regering en dat alleen legale vreemdelingen zullen worden geregulariseerd. Ik dacht dat een regularisatie bedoeld was voor mensen die hun situatie in orde moeten brengen. Ik ben dan ook zeer ontgoocheld.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik blijf bij mijn standpunt, maar ik wil de minister op het hart drukken dat ze `lokale verankering' en `economische situatie', twee verschillende punten in het regeerakkoord, niet tot één punt mag samensmelten. Een dergelijke amalgaam leidt tot verwarring. Immers, op welke basis legt men dan criteria vast en kent men punten toe? Een betwiste methode overigens. Zelfs op school bestaan geen punten meer, maar evaluaties. Een dergelijke evaluatie moet uiteraard steunen op vaste criteria, maar moet op humane wijze gebeuren. Daarover moet uiteraard binnen de regering uitvoerig worden overlegd.
Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Ik ben nog steeds niet tevreden.
Uit het debat blijkt dat de meerderheid nog ver af is van een akkoord. Als dat tot een beter resultaat leidt, kan ik daar alleen maar blij om zijn. Wie de beoordeling van een situatie wil vervangen door korven en punten, vergist zich. Vanzelfsprekend moet elke vorm van willekeur worden uitgesloten, maar het gaat erom de individuele situatie van mensen te beoordelen. Mocht de meerderheid bereid zijn geweest een wet op te stellen met echte criteria, dan zou de minister vandaag hier niet in haar eentje een rondzendbrief moeten verdedigen waarmee haar collega's in de meerderheid het niet eens zijn.
De dossiers van de betrokken mensen moeten worden geregulariseerd omdat de Staat in gebreke is gebleven. Veel mensen kunnen rechten putten uit een illegale situatie omdat hun dossier niet tijdig werd afgehandeld. De situatie van de mensen die geen asielaanvraag hebben ingediend is zeer ernstig. Ze moet worden beoordeeld aan de hand van criteria, veeleer dan via een puntensysteem. Ik zie niet in waarom de meerderheid problemen zou kunnen hebben met de aanwezigheid van mensen die al tien jaar in ons land leven en werken en van wie de kinderen naar school gaan. Wie kan hun aanwezigheid dan wel hinderen?
Er moeten dus criteria worden vastgelegd die een echte beoordeling mogelijk maken. Voor een beoordeling baseert men zich niet op punten of korven, maar op criteria en rechtspraak. Waarom wordt geen rekening gehouden met de rechtspraak terzake? De term `duurzame band' is al gevallen. Waarom wordt dit criterium niet hernomen? Het impliceert immers geenszins dat iedereen verblijfsrecht wordt verleend.
De minister vergist zich als ze het dossier tot elke prijs - met korven en punten - wil objectiveren. Dat leidt alleen tot tijdverlies. Die mensen wachten al meer dan een jaar op een signaal. Ze geloofden erin dat hun dossier op basis van het criterium van duurzame lokale verankering geregulariseerd zou worden. Nu lopen ze gevaar en sommigen onder hen durven zelfs niet meer deel te nemen aan een vreedzame manifestatie voor de Dienst Vreemdelingenzaken.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Er zijn hier een aantal senatoren die de indruk geven, en het misschien zelf ook geloven, dat ze de situatie van alle mensen zonder papieren in ons land zullen kunnen oplossen. Welnu, ik geloof niet dat we dat kunnen en ook niet dat het een goede zaak zou zijn. Waar wij op hebben gehamerd is dat de regularisaties uit de sfeer van de willekeur of van de politisering moeten worden gehaald en objectief moeten verlopen. Dat is precies wat nu wordt uitgewerkt en daarom is het van belang.
Ik wil ook duidelijk aangeven dat regularisatie geen nieuw migratiekanaal moet worden naast politiek asiel of naturalisatie. De wet is wat dat betreft duidelijk. Het is goed dat regularisatie in sommige gevallen mogelijk is, maar de regularisatiecriteria zijn bestemd voor mensen in buitengewone omstandigheden die dienen te worden verduidelijkt in een circulaire. Het moet dus over buitengewone omstandigheden blijven gaan. Het mag niet de regel worden dat iemand die na drie maanden is uitgewezen, hier kan blijven en na verloop van tijd kan zeggen dat hij voldoende geïntegreerd is en dus definitief kan blijven. Dat is niet wat we vragen. In sommige omstandigheden daarentegen is een humane aanpak nodig, bijvoorbeeld van mensen wier procedure te lang aansleepte en die hier schoolgaande kinderen hebben die intussen zijn geïntegreerd.
Voor dergelijke situaties mogen we niet blind zijn, maar laten we onszelf niet wijsmaken dat we vandaag alle illegalen zullen kunnen regulariseren. Dat was en is niet de bedoeling van de meerderheidspartijen die het regeerakkoord hebben ondertekend en we moeten ons daaraan houden.
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - We mogen er ook niet blind voor zijn dat als mensen lang in ons land verblijven, dat vaak te wijten is aan de vreemdelingenlobby die ervoor zorgt dat de procedures zolang gerekt worden, soms zonder enige hoop op slagen, met als doel dat als argument te gebruiken om te regulariseren.
Ik wil nogmaals aan de minister vragen hoe en door wie de controle van die criteria zal worden uitgevoerd. Hoe zal ze omgaan met valse documenten?
Ik heb nog een bijkomende vraag over de kennis van een van beide landstalen. Ik hoop dat dit de taal zal zijn van het landsgedeelte waar de betrokkene zich wenst te vestigen.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - De minister zei daarnet dat ze niet begrijpt waarom Groen! en sp.a niet tevreden zijn nu er eindelijk criteria zijn. Ze onderschat ons als ze denkt dat we alleen met het feit dat er criteria zijn plotseling tevreden zouden zijn. We kunnen lezen en het is onze taak die criteria aandachtig te bestuderen en we zijn inderdaad niet tevreden.
In tegenstelling tot waar ze ons van probeert te overtuigen, telt het begrip lokale verankering absoluut niet mee. We kunnen niet enkel lezen, maar ook tellen: zonder werk, kan iemand die wil geregulariseerd worden, nooit aan de vereiste zeventig punten komen.
Ik ben onderwijzeres van opleiding en, zoals de heer Mahoux al zei, gebruiken we op school inderdaad amper nog punten om kinderen te beoordelen. Wat we in geen geval doen is kinderen beoordelen op basis van capaciteiten en, wat dat betreft, is de minister in haar antwoord zwaar uit de bocht gegaan. Ze zei namelijk dat we mensen met capaciteiten kunnen regulariseren, omdat ons land die wel kan gebruiken. Daarmee bewijst ze dat ze zo weinig mogelijk mensen wil regulariseren, en enkel diegenen die ons economisch van nut kunnen zijn.
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Als ik een rondzendbrief zou sturen met alleen de tekst uit het regeerakkoord, kan de voorzitter volgende week alvast een actualiteitendebat agenderen waarin men mij willekeur zou verwijten.
Mijn enige ambitie is de regularisaties objectief te doen verlopen. Ik tracht tegemoet te komen aan alle opmerkingen over de willekeur van de minister die bepaalde partijen de voorbije jaren hebben gemaakt. Net die partijen vallen mij daarop nu aan.
We zijn volop in onderhandeling over de inhoud en de korf. De beslissingen worden echter democratisch genomen met een tweederde meerderheid.
De controle van de criteria waarover mevrouw Jansegers een vraag stelde, maakt deel uit van de inhoud van het pakket. Zo zullen wij trachten de uitreiking van attesten, voor taal bijvoorbeeld, zo officieel mogelijk te maken. Ik hoop hierover mettertijd in de Senaat opnieuw een minidebat te kunnen voeren.
Ik vind het soms moeilijk vragen uit de fractie van mevrouw Vanlerberghe te beantwoorden. Ik weet nooit of de vragen nu gesteld worden door sp.a, de VlaamsProgressieven of door mensen van andere strekkingen. Ik blijf oefenen om de juiste toon te vinden.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Krachtens de wet van 20 maart 2007 inzake het verbod op de financiering van de productie, gebruik en bezit van antipersoonsmijnen en submunitie zal de Koning een publieke lijst opstellen van de ondernemingen waarvan is aangetoond dat zij als activiteit hebben de vervaardiging, het gebruik, het herstel, het te koop stellen, het verkopen, het uitdelen, invoeren of uitvoeren, het opslaan of vervoeren van antipersoonsmijnen en/of submunitie, evenals van de ondernemingen die voor meer dan de helft aandeelhouder zijn van een dergelijke onderneming en van de instellingen voor collectieve belegging die houder zijn van financiële instrumenten van een dergelijke onderneming.
De wet is op 26 april 2007 in werking getreden en de `zwarte lijst' en het uitvoeringsbesluit moesten voor 1 mei 2008 worden gepubliceerd. Bovendien geldt het verbod op de financiering sinds de inwerkingtreding van de wet.
Voor de wet werd goedgekeurd, werden banken met de vinger gewezen omdat ze die laffe wapens financierden. Sinds de goedkeuring van de wet gaat het niet langer om een terechtwijzing, maar om een strafrechtelijke beschuldiging.
België was het eerste land om antipersoonsmijnen en submunitie en de financiering ervan te verbieden. Nu de vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken zich hierover op de Conferentie van Dublin op de borst slaat, rijzen volgende vragen.
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Voor de vragen over de wet en de toepassing ervan verwijs ik naar de antwoorden die ik vroeger reeds heb gegeven. Zo heb ik het gisteren in de Kamer nog gehad over de mogelijke rol van de CFI bij de vervolging van inbreuken op de regels voor de financiering van antipersoonsmijnen.
Het feit dat er geen publieke lijst is opgesteld, betekent niet dat de wetgeving niet kan worden toegepast voor alle feiten die betrekking hebben op de financiering van de wapens bedoeld in de wet voor de periode sinds de inwerkingtreding van de wet. Al die feiten zijn strafbaar krachtens artikel 23 van de wet van 8 juni 2006.
Bovendien moet men voor het opstellen van een dergelijke lijst over bewijskrachtige elementen beschikken. Mocht de overheid bepaalde ondernemingen op basis van beschuldigingen op een dergelijke lijst plaatsen, dan draagt ze een burgerrechtelijke, zelfs strafrechtelijke, verantwoordelijkheid.
We moeten dus voorzichtig zijn. Logischerwijze moeten we ons baseren op gewezen veroordelingen. Om die reden beschikken we momenteel over geen enkel materieel element om de lijst op te stellen zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 maart 2007. Ik herhaal het nogmaals: om ondernemingen op een dergelijke lijst te plaatsen moeten we over bewijzen beschikken. De heer Mahoux verwijst naar buitenlandse voorbeelden, maar de wet is terzake zeer duidelijk.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)
Ik heb sinds februari contact met het departement Justitie. Ik heb met collega Vandeurzen afgesproken dat onze kabinetten en beide departementen in de komende weken samen de informatie zullen bestuderen waarover we beschikken, teneinde sommige ondernemingen waarop de wet van toepassing zou kunnen zijn, op een lijst te zetten.
De heer Mahoux beweert dat een dergelijke lijst makkelijk op te stellen is en in het buitenland reeds bestaat. Ik ben altijd bereid om in de commissie na te gaan of we over voldoende tastbare elementen beschikken. Ik ben geenszins van plan een lijst op te stellen louter op basis van beschuldigingen. Blijkbaar hebben ngo's informatie verspreid waarin bepaalde ondernemingen aan de kaak worden gesteld. Wij kunnen niet op die manier te werk gaan. We moeten ons baseren op rechterlijke uitspraken. Als we ook met andere elementen rekening zouden kunnen houden, dan zou me dat alleen maar verheugen.
Kortom, de departementen Financiën en Justitie zullen de kwestie samen bestuderen. Ik ben altijd bereid om in de commissie naar andere voorstellen met het oog op de redactie van de bedoelde lijst te luisteren.
De heer Philippe Mahoux (PS). - De minister bevestigt dat een inbeschuldigingstelling ook zonder zwarte lijst mogelijk is omdat de financiering echt verboden is. Dat is van fundamenteel belang.
Ik ben het niet met de minister eens wanneer hij zegt dat een financiële instelling pas op de lijst kan worden gezet als ze is veroordeeld.
De wetgevende macht heeft haar werk gedaan en ik hoop dat de rechterlijke macht niet tussenbeide hoeft te komen. Dat zou immers betekenen dat bepaalde ondernemingen de wet overtreden. De wetgever heeft de uitvoerende macht een verantwoordelijkheid gegeven, en ik hoop dat de regering haar rol speelt.
Het verheugt me dat de minister bereid is het probleem meer diepgaand te bespreken. Het lijkt erop dat Buitenlandse Zaken heeft begrepen dat het de doelstelling van België was om de processen van Dublin en Oslo te steunen. Dat is bemoedigend nieuws.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Het internet is in België heel wat duurder dan in onze buurlanden. Tegelijk is ook het aanbod minder groot. In zijn beleidsnota heeft de minister overigens aangekondigd dat hij de prijzen voor de eindgebruikers van het internet wil verlagen.
De minister wil dat er meer concurrentie komt en argumenteert dat, als meer bedrijven actief zijn in de sector, de prijzen automatisch zullen dalen. De recente liberalisering van de energiemarkt bewijst echter dat de openstelling voor de concurrentie niet noodzakelijk een prijsdaling voor de gebruiker met zich meebrengt.
Hoe zal hij ervoor zorgen dat meer concurrentie ook de gebruiker ten goede komt?
Zou het overigens, in afwachting van de mogelijke effecten van meer concurrentie, niet wenselijk zijn een maximumprijs op te leggen voor een basisaanbod van internetdiensten dat voor iedereen toegankelijk zou zijn? U weet ook dat de digitale kloof een realiteit is.
De heer Vincent Van Quickenborne, minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen. - Samen met u kan ik alleen maar vaststellen dat de prijzen te hoog zijn. Dat probleem werd in Frankrijk opgelost door de komst van nieuwe operatoren, zoals Free, waarna de prijzen zijn gedaald. Op dit ogenblik kost een abonnement voor een snelle internetverbinding in Frankrijk 15 euro. In België moet daarvoor meer dan 40 euro worden betaald. De openstelling van de markt voor een groter aantal operatoren moet leiden tot meer concurrentie en dus ook tot prijsdalingen.
Tot 1996 had Proximus het monopolie op de gsm-markt. De komst van Mobistar en later van een derde operator, Base, zorgden voor prijsdalingen. In de gsm-markt is er dus meer concurrentie en zijn de prijzen gedaald.
Voor het breedbandinternet daarentegen is er een feitelijk duopolie in Vlaanderen met Telenet en Belgacom, terwijl in Wallonië Belgacom zijn monopolie nagenoeg behoudt. In Brussel is de toestand beter, maar dalen de prijzen daarom niet. Voor de vaste telefonie is de toestand nog slechter. Ik ben er dus van overtuigd dat meer concurrentie een oplossing biedt.
U hebt een vergelijking gemaakt met de elektriciteitsmarkt. Minister Magnette vindt ook dat er meer concurrentie nodig is op de energiemarkt. Anders zullen de prijzen niet dalen. Ook daar bestaat de oplossing erin meer operatoren op de Belgische markt te krijgen.
Om tot een prijsdaling te kunnen komen, moet ook de positie van het BIPT, de regulator van de telecommarkt, worden versterkt. Uiteraard zijn de operatoren daar niet blij om. Belgacom en Telenet zeggen dat er geen prijsprobleem is, ook al betaalt de verbruiker meer dan in de buurlanden. Dat is spijtig.
U vraagt mij een maximumprijs in te voeren. Dat is zeker geen goede oplossing. De consumentenorganisatie Test-Aankoop verwerpt overigens de idee van een maximumprijs. Een dergelijke maatregel zou de operatoren die in onze markt geïnteresseerd zijn, ontmoedigen omdat zij nieuwe prijsdalingen zouden vrezen.
We moeten zorgen voor een investeringsklimaat, voor zekerheid, in het voordeel van de gebruiker en niet van enkele operatoren. Ik denk dat we tot een win-winsituatie kunnen komen. De telecommarkt moet voor meer operatoren worden opengesteld. Concurrentie kan heel wat oplossen.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - De minister mag niet denken dat ik tegen concurrentie ben, maar is dat wel de meest doeltreffende maatregel? Zijn er ook geen andere maatregelen nodig om het internet toegankelijker te maken?
De toegankelijkheid van het internet tegen een prijs die door iedereen kan worden betaald, is een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Vandaag is dat niet helemaal het geval.
U verwees naar het Franse voorbeeld. Ik begrijp uw redenering, ook al is de Belgische markt niet helemaal vergelijkbaar met de Franse. Ons land is voor de operatoren een kleine markt.
Ik vraag u na te denken over de toegankelijkheid voor iedereen omdat ik vrees dat concurrentiemaatregelen niet zullen volstaan.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
De heer Vincent Van Quickenborne, minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen. - Vele gemeenten, waaronder de mijne, nemen initiatieven, in de bibliotheken bijvoorbeeld, om inwoners met een klein inkomen toegang te geven tot het internet. Ik steun dat.
De doeltreffendste maatregel is te zorgen voor meer concurrentie door meer operatoren op de markt toe te laten. Ons beleid moet de verbruikers ten goede komen en niet enkele operatoren.
De heer Marc Verwilghen (Open Vld). - In de beleidsnota van de minister van Buitenlandse Zaken lees ik onder punt 4 over de bilaterale betrekkingen met andere landen dat België een bijzonder belang hecht aan de relaties met Rusland. `Vele lidstaten vrezen voor een toenemende afhankelijkheidsrelatie van de EU van Russisch gas en petroleum. Nefast hierin is de houding van Russische overheid die de toegang van buitenlandse bedrijven tot hun energiemarkt beperkt en minstens sedert 2006 de schijn wekt om energie als politiek wapen te gebruiken. Enkel Gazprom, de nationale energiereus, beschikt over exclusieve rechten inzake het vervoer van natuurlijk gas voor export.' Ik vrees dat deze zinsnede de verstandhouding met Rusland niet zal bevorderen.
In het licht van de aanhoudende prijshausse van gas- en olieproducten, wens ik volgende vragen te stellen.
Deelt de minister van Klimaat en Energie die stelling?
België en Rusland hebben een samenwerkingsakkoord afgesloten. De partijen hadden eind 2005 een aantal afspraken gemaakt in verband met onder meer de samenwerking inzake de voorbereiding van een ontwerp van memorandum inzake gas, de aanleg van een tracé voor het transport van gas, de deelname aan de uitvoering van het project van de Noord-Europese gaspijpleiding, de bouw van maritieme terminals voor vloeibaar gas en het gebruik van duurzame energiebronnen en energiebesparing. Blijven die afspraken gehandhaafd?
Acht de minister van Klimaat en Energie, die moet waken over de energievoorziening van ons land, een dergelijke houding van België wel verstandig in tijden van schaarste? Is het niet beter voor België om de relaties met de Russische Federatie zo goed mogelijk te houden?
Wie bepaalt de Belgische energiepolitiek? Is dat Buitenlandse Zaken of de federale regering in overleg met de gewesten en de belangrijkste economische actoren, zoals dat in de meeste andere landen het geval is?
De Russische Federatie kan zich niet van de indruk ontdoen dat Gazprom niet meer gewenst is. Waarom heeft de CREG dan onlangs nog een licentie toegekend aan het bedrijf voor de levering van belangrijke gashoeveelheden op de Belgische markt?
Ik hoop dat het antwoord van de minister een aantal inconsistenties kan wegwerken. In een tijd waarin het nodig is meerdere bevoorradingspunten te hebben, lijkt het onverstandig het Russische aardgas uit te sluiten.
De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - In eerste instantie wens ik op te merken dat elke minister verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn of haar beleidsnota. Bovendien werden alle beleidsnota's in het Parlement besproken, goedgekeurd en indien nodig becommentarieerd.
Wat betreft de energierelaties met Rusland zijn de volgende elementen van belang. De EU is voor de helft van haar energievoorziening afhankelijk van de invoer uit derde landen. Tegen 2030 zou die afhankelijkheid ongeveer 70% bedragen. In het nieuwe energiepakket wordt er terecht op gewezen dat de veiligheid van de bevoorrading van groot belang blijft voor de Europese economie.
Meer dan één vierde van de in de EU verbruikte aardolie en aardgas is afkomstig uit de Russische Federatie, de RF. Hiermee is de RF veruit de belangrijkste energieleverancier van de EU. Dat aandeel blijft groeien. Ongeveer 53% van het in de EU verbruikte aardgas wordt ingevoerd; bijna de helft daarvan komt uit de RF.
De RF is in het verleden een betrouwbare leverancier van energie gebleken. De recente problemen met de buurlanden Oekraïne, Georgië, Azerbeidzjan en Wit-Rusland hebben hierover grote vragen doen rijzen. In het recente Europese energiepakket wordt gewezen op de nood aan versterking van de relaties met leveranciers zoals de RF, maar tegelijk wordt terecht met aandrang gepleit voor meer diversificatie van bronnen, leveranciers, en transportroutes en methodes.
In dit verband kan worden gewezen op de dialoog die de EU voert met landen als Azerbeidzjan, Turkmenistan en Kazachstan. Solidariteit tussen alle lidstaten van de EU bij de uitbouw van dat EU-beleid van diversificatie is hierbij van het grootste belang.
De Russische Federatie kampt met een aantal problemen. Ten eerste wordt te weinig geïnvesteerd in de Russische energiesector, wat op termijn kan leiden tot een risico van tekorten. Ook is er een grote verspilling in de Russische gasproductie. Een ander belangrijk punt is het bijna-monopolie van Gazprom over de gasvoorraden en pijpleidingen in Rusland en de uiterst beperkte toegankelijkheid van de Russische energiesector voor buitenlandse bedrijven. Dat heeft tot gevolg dat het bedrijf een dominante partner is in de onderhandelingen over gasvraagstukken met zijn buurlanden. Ook moeten we de weigering van de Russische overheden onthouden om vooralsnog het Europese Charter voor Energie te ratificeren.
België is voor ongeveer 16% van zijn totale energiebevoorrading afhankelijk van Rusland. Meer in detail betekent dit dat 39% van alle ingevoerde aardolie en slechts 4,6% van het in België verbruikte aardgas uit Rusland worden ingevoerd. Het Russische aandeel in de huidige bevoorradingsmix is dus vrij gering. Bovendien beschikt België in vergelijking met andere Europese landen voor zowel aardolie als aardgas over een waaier van leveranciers, zodat aanbodverstoringen in het recente verleden weinig impact op de Belgische energiebevoorrading hadden.
Die situatie zal nog een tijdje voortduren. De bepalingen in het akkoord, waarnaar de heer Verwilghen in zijn tweede vraag verwees, refereren aan het `onderzoeken van de mogelijkheden ter zake in de respectieve domeinen'. Tot op heden zijn beide partijen nog geen concrete verbintenissen aangegaan. Overigens moeten dergelijke verbintenissen in de energiesector worden gedaan binnen het kader van een evenwichtig, volwassen partnerschap, dat op wederzijdse afhankelijkheid is gebaseerd.
Het gezamenlijke Actieprogramma 2008-2010 voor de bilaterale relaties tussen de RF en ons land, met inbegrip van het hoofdstuk energie, wordt in een positieve sfeer uitgebouwd en weldra afgerond.
Wat het gasmemorandum betreft, dat door Gazexport en Fluxys in 2006 werd ondertekend en waarbij wordt onderzocht of ondergrondse aardgasopslag in Poederlee haalbaar is, is het zo dat de samenwerking tussen beide partijen voorlopig is stopgezet. Seismisch bodemonderzoek heeft uitgewezen dat het project niet echt rendabel is.
Ik breng nog even de hoekstenen van het Belgische beleid betreffende de bevoorradingszekerheid in herinnering: diversificatie van bronnen, leveranciers, transportroutes en -methodes; een versterkt beleid betreffende energie-efficiëntie; een competitieve prijs.
Dit past geheel in de voortzetting van het beleid en is in lijn met de transparante en constructieve houding van de Belgische regering op het vlak van samenwerking in de energiesector.
Wat de diversificatie van leveranciers betreft, ben ik van mening dat de huidige brede waaier aan leveranciers waarover ons land beschikt, de juiste weg is en dat we hem nog verder moeten uitbreiden. Hierbij moeten we een open houding aannemen tegenover potentiële nieuwe leveranciers en de samenwerking met bestaande leveranciers op een constructieve wijze en op basis van wederzijds respect voortzetten.
Het bepalen van de Belgische energiepolitiek is nog steeds het voorrecht van de Belgische regering, in het bijzonder van de minister van Energie. Gelet op de inhoudelijke en institutionele complexiteit van de materie spreekt het voor zich dat op regelmatige basis en via de geijkte structuren overleg wordt gepleegd met andere departementen, met de regionale overheden en met de economische operatoren, naargelang van de inhoud, economische noodzaak en bevoegdheidsverdeling van het te behandelen energiedossier.
Op 18 april 2008 heb ik inderdaad op voordracht van de CREG een ministerieel besluit genomen waarbij aan Gazprom Marketing & Trading Ltd een individuele vergunning voor aardgaslevering wordt toegekend voor een periode van 5 jaar. Mocht Gazprom niet gewenst zijn op de Belgische markt, dan was geen leveringsvergunning toegekend.
De heer Marc Verwilghen (Open Vld). - Ik dank de minister voor dit duidelijke antwoord, waaruit ik afleid dat aan het gevoerde beleid weinig of niets verandert. Men gaat, met de nodige voorzichtigheid, op de ingeslagen weg verder. Ik denk dat men zeer snel klaarheid moet verschaffen aan de Russische Federatie om te vermijden dat zij op een bepaald ogenblik ontmoedigd raakt. Buiten België heeft zij nog genoeg aanspreekpunten en het zou jammer zijn dat we die kaart zouden verliezen door een beleidsbrief die ze toch als een beetje choquerend heeft ervaren.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Mijnheer de minister, op 30 april stelde ik u een vraag over de afrekeningfacturen van Electrabel, die bij tal van onze medeburgers voor grote financiële problemen zorgen.
Het gaat niet om de provincie Luxemburg alleen. Ik dank het OCMW van Houffalize dat ons over pijnlijke toestanden heeft ingelicht. Het gaat om honderden klanten die facturen hebben ontvangen of nog zullen ontvangen die absoluut niet verantwoord zijn.
Het is onaanvaardbaar dat Electrabel geen enkel gevolg geeft aan de aangetekende brieven van de klanten. Erger nog, Electrabel stuurt maanbrieven. De klant staat onder druk, vreest verwijlintresten te moeten betalen en betaalt uiteindelijk het bedrag.
Als klanten naar het callcenter van Electrabel telefoneren, krijgen ze als antwoord dat de verjaring in deze zaak niet van toepassing is. Mijnheer de minister, hierover is geen duidelijkheid, want u verwees me naar de minister van Justitie, aan wie ik trouwens vanmiddag dezelfde vraag zal stellen.
Ik heb u drie weken geleden een vraag gesteld. Kunt u me zeggen welke stappen u intussen heeft ondernomen om het probleem van de afrekeningfacturen op te helderen?
Ik weet dat u zich zorgen maakt over het probleem van de grote ondernemingen, maar vele Belgen hebben momenteel problemen door de hoge voedsel- en brandstofprijzen. Dat de consumenten geen verantwoording krijgen voor de betwiste facturen, is onaanvaardbaar. Sommige bedragen zijn duidelijk opgeklopt. Bepaalde facturen worden niet berekend op basis van een opname van de meterstand, maar op basis van een raming. Bovendien stuurt Electrabel geen bericht van ontvangst als het een aangetekend schrijven heeft ontvangen meer zelfs, Electrabel stuurt een maanbrief, alsof er niets aan de hand is.
Het personeel van de callcenters kan relevante vragen van de consumenten niet altijd beantwoorden. Ze zijn veeleer geneigd de consument onder druk te zetten dan hem in te lichten.
De consument moet in staat zijn om de afrekeningfacturen van drie jaar aan Electrabel te betalen, terwijl het in feite om wanbeheer bij de maatschappij gaat.
Ik vind België een prachtig land, maar ik vraag me af of we niet gek aan het worden zijn. Hoe kan een kleine consument zich verdedigen als de minister van Energie geen antwoord op een vraag kan geven en naar de minister van Justitie verwijst in verband met de kwestie van de verjaring. Wie is bevoegd om de energieleveranciers te verplichten de meterstanden te laten opnemen door de netwerkbeheerder, de federale of de gewestelijke overheid?
Is de ombudsman voor energie aangesteld? Die langverwachte benoeming moet dringend gebeuren.
Ik interpelleer u niet alleen als minister van Energie, maar ook als minister bevoegd voor consumentenbescherming. Zult u initiatieven nemen om een einde te maken aan deze soap, die vele Belgische gezinnen in moeilijkheden brengt?
De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - De ombudsman Energie is nog niet aangesteld. SELOR heeft de procedure nog niet afgerond, want er was maar één kandidaat. We hebben een Franstalige en een Nederlandstalige ombudsman nodig. We moeten dus opnieuw een oproep doen om voldoende kandidaten te hebben.
Net als u betreur ik deze vertraging, maar we wilden voorwaarden stellen die zowel de bekwaamheid als de onpartijdigheid van de ombudsman garanderen.
De bezoldiging, volgens de schalen van de ambtenaren, is klaarblijkelijk niet hoog genoeg, want er zijn niet voldoende kandidaten. Ik zal de voorwaarden herzien en een nieuwe oproep lanceren, zodat de ombudsman binnen de kortst mogelijke tijd kan worden aangesteld.
Het onderscheid dat u maakt tussen de individuele verbruikers en de ondernemingen is een beetje demagogisch. Vanaf de eerste dag was ik bezorgd over de consumenten. Ik heb navraag gedaan over alle klachten die de FOD heeft ontvangen. Vanaf de eerste dag het ik een eenvormige factuur voorgesteld om het de verbruiker gemakkelijker te maken. Zodra ik van de problemen op de hoogte was, heb ik het dossier goed gevolgd, nog voordat me daarover vragen werden gesteld.
Ik ontving vertegenwoordigers van Electrabel op mijn kabinet. De maatschappij gaf precieze uitleg op basis van concrete gevallen. We moeten wel degelijk vaststellen dat Electrabel zich in dit dossier niet aan onwettige praktijken bezondigd heeft. Ik ben het met u eens dat de abrupte stijl en het gebrek aan duidelijkheid van Electrabel soms onaanvaardbaar zijn. Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven Electrabel te vragen de klanten persoonlijk uitleg te geven over de facturen.
Veel van deze klanten krijgen een factuur over drie jaar omdat ze hun meterstand niet systematisch hebben doorgegeven. In sommige regio's wordt de klant hiervoor bestraft en worden zijn tussentijdse facturen verhoogd.
Over de verjaringen kreeg ik intussen informatie van de minister van Justitie. Hij verwijst enerzijds naar het principe van het gemene recht en anderzijds naar de specifieke principes van de sector.
Voor 2006 gebeurden de energieleveringen nog door de intercommunales en is de verjaring niet van toepassing. Voor de verbruiksperiode vanaf 1 januari 2007 is het technische gewestelijke reglement voor de distributie van toepassing. Dat impliceert dat de leverancier factureert zodra hij de meterstand heeft doorgekregen van de distributienetbeheerder. Dat moet zo regelmatig mogelijk gebeuren, in principe elk jaar. De meterstand kan worden opgenomen door een werknemer van de maatschappij die de meterstanden moet opnemen, of door de klant zelf op vraag van de maatschappij. Tijdens het eerste kwartaal van 2007 werden met toestemming van de Waalse Commissie voor Energie, de CWaPE, geen meterstanden opgenomen. De betrokken klanten werden vanaf juli benaderd om hun meterstanden door te geven. Als er geen meterstanden zijn doorgegeven wordt een raming gemaakt op basis van de voorgaande jaren.
Electrabel zal dus contact opnemen met de betrokken klanten en binnenkort informatievergaderingen organiseren voor de OCMW's, de burgemeesters en de Vereniging van steden en gemeenten. Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven dit dossier van zeer nabij te volgen, vooral in het licht van de gedragscode.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Net als u betreur ik dat er nog geen ombudsman werd aangesteld.
Ik verheug me over uw vergadering met Electrabel en ik noteer dat Electrabel contact zal opnemen met de consumenten.
Hoe kunnen consumenten binnen twee of drie weken een regularisatiefactuur van 1.700 euro betalen? Hoe kan het dat de consument maanbrieven krijgt nadat hij Electrabel een aangetekend schrijven heeft gestuurd?
Moeten de consumenten die een aanmaning hebben ontvangen geen duidelijk bericht krijgen dat ze niet moeten betalen? De mensen vrezen dat ze verwijlintresten zullen moeten betalen, terwijl de betaling moet worden geschorst als er een aangetekende brief werd verstuurd.
De gewone burgers zijn bang voor de reactie van Electrabel. Men moet hun officieel meedelen dat de betaling opgeschort wordt tot de factuur opnieuw is bekeken.
Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Electrabel heeft nagenoeg een monopoliepositie op de elektriciteitsmarkt en maakt daardoor enorme winsten. Dat is een oud zeer. In het verleden werden heel wat discussies gevoerd over hoe die monopoliepositie kan worden doorbroken. Zo was er onder meer de discussie over het veilen van de productiecapaciteit. De winsten van Electrabel zijn spectaculair, namelijk 2,2 miljard euro.
Er was de voorbije week nogal wat beroering over de resultaten van de CREG-studie waaruit bleek dat Electrabel de gratis CO2-rechten had doorgerekend aan de bedrijven. Dat hoeft niet de verbazen. De voorbije jaren hebben vooral de huishoudens te veel betaald; nu is het de beurt aan de bedrijven. Zowel de elektriciteitscentrales als de energie-intensieve bedrijven kregen bij de start van de emissiehandel gratis CO2-rechten. Volgens de minister is het de bedoeling die in de toekomst niet meer toe te kennen. Ze zullen moeten betalen voor de uitstoot van broeikasgassen.
Wat te weinig aan bod komt in de hele discussie, is hoe we in de toekomst kunnen vermijden dat Electrabel van zijn monopoliepositie misbruik maakt om op de kap van de burgers of de bedrijven spectaculaire winsten te maken. Het alternatief is dat de CO2-emissierechten niet langer gratis worden weggegeven, maar dat ze geveild worden. De opbrengst van de veiling zou dan ten goede komen aan de staatskas. Dit is ook een manier om een belangrijke stap te zetten naar de vergroening van de fiscaliteit. Dat komt overeen met het principe `de vervuiler betaalt'. Door zo'n emissiehandel zijn het de elektriciteitsproducenten en de grote energie-intensieve bedrijven die de rekening betalen. Zo een veiling kan de markt openbreken.
Hoe zit het nu met de vrijwillige bijdrage van 250 miljoen euro die de minister verondersteld wordt bij Electrabel te vinden om de begroting te doen kloppen? Dat staat los van dit dossier, maar ik haal het aan omdat ik hoop dat het niet als pasmunt zal worden gebruikt om de monopoliepositie te handhaven.
Wat zal de minister doen om de monopoliepositie van Electrabel te doorbreken? Hoe zal de minister vermijden dat het niet meer gratis geven van de CO2-rechten leidt tot een onevenredige doorrekening aan de afnemer, gezinnen en bedrijven? Hoe ver staat het met het afromen van de spectaculaire winsten van Electrabel?
De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Ik heb kennis genomen van de studie van de CREG. De CREG besluit twee dingen in haar studie over de weerslag van de uitstootquota van CO2 op de prijs voor elektriciteit in België van 2005-2007.
Het is voor de CREG moeilijk juist de weerslag van de prijs van de quota op de elektriciteitsprijs te bepalen. Ze beschikt immers niet over voldoende boekhoudkundige gegevens en ze heeft geen informatie over hoe de producenten bij de onderhandelingen over OTC-contracten de verkoopprijzen vastleggen.
De prijsstijging die toegepast is op het geheel van de geproduceerde kWh zou het de elektriciteitsproducenten mogelijk hebben gemaakt een windfall profit te verwezenlijken. Die wordt geraamd op 1.217 miljoen euro over de periode 2005-2007, toen de CO2-quota gratis aan de energieproducenten werden toegekend.
Dit bevestigt duidelijk de gegrondheid van de nieuwe bevoegdheden die de wet houdende diverse bepalingen aan de CREG heeft toevertrouwd. Voortaan zal de CREG over de boekhoudkundige gegevens kunnen beschikken alsook over de elementen die het mogelijk maken juist te bepalen welke elementen bij de prijsbepaling een rol spelen.
Het is ook nuttig te weten dat het overlegcomité voor de allocatieperiode van de CO2-quota 2008-2012 het aantal gratis aan de elektriciteitsproducenten toegekende quota drastisch heeft verlaagd. Er werd geen enkel recht toegekend aan de steenkoolcentrales of aan de elektriciteitscentrales die op basis van diesel of gas produceren.
Het factureren aan ondernemingen van de door de regering gratis aangeboden CO2-quota is volgens mij onaanvaardbaar. Wanneer de ondernemingen betalen, betekent dat in feite dat de consumenten betalen. Het feit dat de markt vrijgemaakt is, betekent niet dat het toegestaan is om alles en gelijk wat te doen, zeker niet in een land waar de verbruiker door de beperkte concurrentie bijna niet van leverancier kan veranderen.
Ik heb dus de elektriciteitsproducenten en de ondernemingen op een overleg uitgenodigd om te zien of en hoe dit onrecht hersteld kan worden. Deze ontmoeting zal volgende week dinsdag plaatsvinden.
Bij gebrek aan overeenkomst zal de regering dwingende maatregelen moeten treffen. In Groot-Brittannië heeft men in een gelijkaardige situatie de elektriciteitsproducenten ertoe gebracht over een periode van drie jaar 225 miljoen pond in sociale fondsen te storten. Wij zouden aan een gelijkaardige maatregel kunnen denken. Uiteraard kan ik vandaag geen details over mogelijke dwingende maatregelen geven. Ik wil het overleg en het zoeken naar een oplossing in overleg eerst alle kansen bieden.
In een marktlogica is het argument van de producenten dat de prijzen vrijgemaakt zijn en de verbruikers de keuze hebben, niet geheel zinloos. Het blijft evenwel een theoretisch argument, gelet op de zwakke concurrentie in ons land. Ik zie dus niet in op welke basis de Raad voor de Mededinging zou kunnen tussenbeide komen, zoals Electrabel vraagt. Zeker nu blijkt dat alle producenten deze CO2-quota hebben gefactureerd.
Deze studie sterkt mij in mijn overtuiging dat ik verder acties moet ondernemen om de concurrentie op de elektriciteitsmarkt in ons land te versterken. Het is hoog tijd om plaats te maken voor nieuwe operatoren. De studie toont eveneens het belang van een sterke overheid. Een regulator kan niet alles. Zodra dit probleem duidelijk werd, hebben trouwens alle partijen zich tot de overheid gericht om een uitweg te vinden. Dit blijft belangrijk nu bijvoorbeeld de beslissingen van de CREG tot gevolg hebben dat Gazprom de helft minder betaalt voor de transit van gas op het Belgisch grondgebied dan wat het gasvervoer om een Belgische verbruiker in België te bevoorraden kost.
Ik stel de studie van de CREG graag ter beschikking van de senatoren die er kennis van wensen te nemen.
Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Ik begrijp dat ook de minister de bijna-monopoliepositie van Electrabel een probleem vindt. Van overleg met Electrabel horen we al heel lang spreken. Collega Verwilghen heeft destijds als minister ook plannen in die zin gemaakt. Er is ook al heel lang sprake van de mottenballentaks. Ik wens de minister heel veel succes bij zijn poging om geld te halen bij Electrabel. Als hij daarin slaagt, zal ik hem met veel plezier feliciteren, maar ik vrees dat op korte termijn dwingende maatregelen nodig zijn.
De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.
De heer Jacques Brotchi (MR). - Ik geef eerst een overzicht van de situatie.
Krachtens het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen moeten kandidaat-geneesheren-specialisten de erkenning krijgen van een commissie om bekwaam te worden geoordeeld om hun specialiteit uit te oefenen.
Voor elke medische specialiteit is een erkenningscommissie bevoegd die uit geneesheren-specialisten bestaat die het beroep - cardiologie, chirurgie, anesthesie, psychiatrie - uitoefenen dat de betreffende kandidaat wil uitoefenen. Die commissies evalueren de opleiding en de bekwaamheid van de kandidaat op grond van verscheidene criteria die bij koninklijk en ministerieel besluit zijn vastgelegd. Daartoe behoren de duur van de opleiding, de opeenvolgende rapporten van de stagemeester, het aantal geneeskundige handelingen tijdens de stageperiode, enzovoort.
Het gebeurt dat kandidaten niet worden aanvaard omdat de erkenningscommissies van oordeel zijn dat ze nog niet het vereiste niveau hebben bereikt. Wanneer de erkenning geweigerd wordt, kan de kandidaat bij de Hoge Raad beroep aantekenen tegen de beslissing van de erkenningscommissie. Die raad evalueert op zijn beurt de opleiding en bekwaamheid van de kandidaat, in principe op grond van dezelfde criteria.
Het is dan de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort die, op grond van de adviezen van de erkenningscommissies en van de Hoge Raad, al dan niet oordeelt dat de kandidaat-geneesheer bekwaam is om zijn specialiteit zelfstandig uit te oefenen. Dat is een zware verantwoordelijkheid, want de minister moet oordelen of een kandidaat-geneesheer-specialist alle vereiste competenties bezit om zijn beroep uit te oefenen conform de professionele eisen die België voor die gezondheidszorgberoepen heeft vastgelegd. Het is dus van essentieel belang dat de gevolgde procedure onbesproken is. Dat is jammer genoeg niet het geval. In gemiddeld 80% van de gevallen in beroep volgt de Hoge Raad de adviezen van de erkenningscommissies niet. Bovendien moeten we vaststellen dat de Hoge Raad zijn beslissing om het advies van de erkenningscommissie niet te volgen niet met redenen omkleedt.
Ik geef enkele concrete voorbeelden van gevallen die zich de voorbije twee jaar hebben voorgedaan. Ik beperk me tot de chirurgie. Twee kandidaat-chirurgen die tot viermaal toe gezakt waren voor de examens die op het einde van de opleiding georganiseerd worden, werden toch erkend door de minister die op dat ogenblik bevoegd was voor de Volksgezondheid.
Een buitenlands arts aan wie de erkenningskamer een korte bijkomende opleiding vroeg om in België te werken, werd toch erkend met als argument dat hij paste binnen het vastgestelde quotum van het aantal kandidaten van zijn specialiteit.
Een andere had niet de helft van het aantal operaties verricht dat vereist is om chirurg te worden, maar in beroep werd zijn bekwaamheid toch erkend.
Dat is onrustwekkend. Stel u voor dat u een kleine chirurgische ingreep moet ondergaan en dat u toevallig door één van die chirurgen wordt geopereerd! Dat kan nare gevolgen hebben.
Blijkbaar houdt de Hoge Raad onvoldoende rekening met de adviezen van de erkenningscommissies. De opdracht van de Raad beperkt zich echter niet tot de analyse en toepassing van de reglementen. Volgens mij heeft dit te maken met het feit dat er tussen die twee beslissingsniveaus geen debat wordt georganiseerd.
We moeten daar een einde aan maken.
Onze minister van Volksgezondheid, mevrouw Onkelinx, heeft de ernst van de zaak begrepen en in februari jongstleden bij koninklijk besluit beslist dat een lid van de erkenningscommissie het dossier voor de Hoge Raad mag komen uitleggen wanneer bij die laatste beroep wordt aangetekend. Ik had dat in mijn oorspronkelijk wetsvoorstel al aanbevolen en ben de minister dankbaar omdat ze daar rekening mee heeft gehouden.
De leden van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden stellen voor om nog verder te gaan en juridisch advies te geven aan de erkenningscommissies en de Hoge Raad opdat de genomen beslissingen met redenen zouden worden omkleed, zowel op het vlak van de vorm als van de inhoud.
Wij denken ook dat de samenstelling van de Hoge Raad gedeeltelijk moet worden herzien. Hij bestaat uit twee kamers, een Franstalige en een Nederlandstalige, waar in totaal 28 huisartsen en 24 geneesheren-specialisten zitting hebben die vaak niet meer actief zijn. Het gevolg daarvan is dat de bekwaamheid van een kandidaat-chirurg in beroep beoordeeld wordt door vier chirurgen, van wie sommigen de geneeskunde niet meer beoefenen.
Ik stel dus voor de Hoge Raad de toelating te verlenen het advies te horen van twee externe geneesheren-specialisten, die aan de beraadslaging zullen deelnemen met een adviserende stem, om hun ervaring in de specialiteit waarover ze zich moeten uitspreken naar voren te brengen. Die deskundigen, die hun specialiteit nog uitoefenen, kunnen uitleg geven bij de sterke en zwakke punten van een kandidaat in het licht van de recente ontwikkelingen in de geneeskunde. Een andere goede manier om te garanderen dat een kandidaat bekwaam is om zijn beroep zelfstandig uit te oefenen bestaat erin de verplichting op te leggen dat 75% van de leden van de Hoge Raad nog actief is in hun respectieve disciplines. Wij vinden dat de geneeskunde dermate evolueert dat de leden in de praktijk moeten staan om te begrijpen waar het om gaat, zowel op het vlak van de opleiding van de kandidaat als op het vlak van zijn technische bekwaamheid.
Het wetsvoorstel dat ik vandaag voorleg, is de vrucht van het werk dat in overleg met alle meerderheidspartijen werd verricht. Ik dank de collega's van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van harte voor het werk dat ze hebben verricht, zowel de leden van de meerderheid als die van de oppositie. Wij hebben samen een reeks amendementen ingediend die een constructief debat op gang hebben gebracht. Ik dank de collega's dat ze dit wetsvoorstel eenparig hebben aangenomen.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a+Vl.Pro). - Dit is een goed wetsvoorstel. Wij hadden amendementen, maar ze zijn niet ontvankelijk aangezien ze identiek bleken te zijn aan de gewijzigde tekst van de heer Brotchi.
Wij wilden onze amendementen in de plenaire vergadering indienen om aan te tonen dat dit geen goede manier van werken is. Er kan uiteraard niet over worden gestemd aangezien de tekst identiek is aan de tekst van het wetsvoorstel. Ik hoop dat iedereen begrijpt dat dit niet de mooiste manier van werken is, zeker omdat er unanimiteit was over dit voorstel.
Ik hoop dat de heer Brotchi begrijpt dat wij betreuren wat er in de commissie is gebeurd.
De voorzitter. - De amendementen van sp.a+Vl.Pro zijn inderdaad onontvankelijk omdat ze dezelfde tekst voorstellen als de tekst die in de commissie werd goedgekeurd.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de heer Brotchi voor zijn initiatief. Dit is een belangrijke stap.
Wat de vorm betreft, moeten de criteria die bepalen hoeveel kandidaat-geneesheren elk jaar worden toegelaten aandachtig worden bestudeerd. Die aantallen moeten uiteraard afhangen van de reële noden, met uitsluiting van elke protectionistische maatregel.
Ik hoop trouwens dat de beoordeling van de opleidingen door de commissies elk universitair centralisme onmogelijk zal maken, want er zijn naast de universiteiten en de universitaire ziekenhuizen nog hoog aangeschreven ziekenhuizen die, tenminste gedeeltelijk, een opleiding voor geneesheer-specialist kunnen geven.
Het debat tussen de kamers van de erkenningscommissies en de Hoge Raad is een positieve maatregel die het systeem ongetwijfeld zal verbeteren.
In verband met de vorm hadden wij misschien meer rekening kunnen houden met de adviezen van de oppositie. Dat zou zeker geen afbreuk hebben gedaan aan het eindresultaat van de werkzaamheden waarin de heer Brotchi, als auteur van het wetsvoorstel, de hoofdrolspeler was.
De heer Jacques Brotchi (MR). - De subquota zijn afgeschaft. De enveloppe werd gewijzigd. Ze zal nog wel het aantal huisartsen en geneesheren-specialisten bepalen, maar de subquota van elke specialiteit zullen niet meer gedetailleerd worden beschreven.
De opleidingen worden gegeven in universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen.
De erkenningscommissies bestaan uit academici en niet-academici en zijn paritair samengesteld.
Op die manier kan de afwezigheid van iedere vorm van universitair centralisme worden gegarandeerd. In de praktijk krijgen veel artsen al een uitstekende opleiding door hun activiteiten in niet-universitaire ziekenhuizen, aangezien ze er geconfronteerd worden met ziekten die dagelijks voorkomen in plaats van met zeldzame of uitzonderlijke ziekten.
Ik wil even reageren op de woorden van mevrouw Vanlerberghe. Men weet dat ik altijd streef naar een akkoord op basis van consensus, maar er was in de commissie geen enkele dubbelzinnigheid. Ik heb zowel met de meerderheid als met de oppositie gewerkt en ik heb nooit problemen ondervonden. Ik was altijd tevreden over het constructieve werk dat we daar samen hebben verricht. De unanieme goedkeuring van het wetsvoorstel is daar het bewijs van.
Ik wil echter elk misverstand of dubbelzinnigheid over de amendementen voorkomen. Ik ben begonnen met het opstellen van de amendementen op de dag van de vergadering van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, waarbij de minister van Volksgezondheid mijn wetsvoorstel heeft gesteund, waarvoor mijn dank. Nadien heeft een bepaalde wind mijn amendementen ergens anders doen terechtkomen en was de oorsprong niet meer duidelijk.
Toch eis ik klaar en duidelijk en zonder enige dubbelzinnigheid het auteurschap op van de amendementen die in de commissie werden behandeld en nadien door sp.a+Vl.Pro werden voorgesteld.
Uiteindelijk gaat het ook niet helemaal om dezelfde amendementen want er worden hier en daar verschillende woorden gebruikt.
Ik ben hoe dan ook blij met de beslissing van mevrouw Vanlerberghe om haar amendement in te trekken en met het feit dat de andere niet werden behandeld.
Ik dank nogmaals de hele commissie, meerderheid en oppositie, voor het constructieve werk en de unanieme steun.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a+Vl.Pro). - Het blijft een mysterie en het wordt steeds onduidelijker waar de tekstwijzigingen vandaan komen. Het belangrijkste is dat het voorstel unaniem is goedgekeurd. Uiteraard betreur ik deze manier van werken, maar het belangrijkste is dat de amendementen er komen. Laat ons dit incident dus sluiten. Ik wil alleen zeggen dat het niet goed overkomt dat plots beslist wordt dat over andere amendementen moet worden gestemd.
Ik wil de discussie over het al dan niet identiek zijn van de amendementen met de tekst en over de ontvankelijkheid niet herbeginnen. Die discussie hebben we al gevoerd in het Bureau. We zullen aannemen dat de amendementen en de tekst inhoudelijk identiek zijn en we zullen stemmen over het wetsvoorstel van de heer Brotchi.
De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - De heer Brotchi kan terecht het vaderschap van dit wetsvoorstel opeisen. Hij heeft zich constructief opgesteld ten aanzien van alle commissieleden. Hij heeft bovendien geduld gehad, want zijn voorstel is enkele keren van de agenda geschrapt.
Het was de heer Brotchi's eerste wetsvoorstel. Hij heeft vier jaar moeten wachten op de goedkeuring ervan in commissie. Geduld kan soms lonen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 4-167/5.)
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, teneinde criteria in te voeren waaraan een tegensprekelijk debat tussen de kamers van de erkenningscommissies van geneesheren-specialisten en de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en huisartsen moet voldoen.
-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.
-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Berni Collas (MR), rapporteur. - Het wetsvoorstel van de heer Monfils dat tijdens de vorige zittingsperiode al in de Kamer werd ingediend, is op 26 juli 2007 opnieuw ingediend, maar deze keer in de Senaat.
De heer Martens heeft eveneens een wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992 ingediend teneinde voor de auteursrechten en de naburige rechten een aparte belastingsregeling in te voeren. Dat gebeurde op 22 november 2007. Op 29 november 2007 werd zijn voorstel in overweging genomen en naar de commissie voor de Financiën verzonden.
De commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden heeft de voorstellen een eerste keer besproken op haar vergadering van 21 november 2007 en besloot hoorzittingen te houden. Op de hoorzitting van 20 februari 2008 bleek dat zowel de parlementsleden als de vertegenwoordigers van de sector een hervorming van het belastingsysteem wenselijk achtten. Het hervormde systeem zou waarborgen moeten bieden en rechtszekerheid voor auteurs die auteursrechten en naburige rechten ontvangen.
Om de standpunten van de verschillende fracties met elkaar te verzoenen moest echter nog een hele weg afgelegd worden.
De heer Monfils opteerde voor een fiscaal stelsel voor de auteursrechten en de naburige rechten dat enerzijds de auteurs kon geruststellen en anderzijds eenvoudiger zou zijn.
De voorstellen voorzagen niet in de spreiding van de inkomsten over verschillende aanslagjaren. Die mogelijkheid vloeide voort uit overleg tussen de minister van Financiën en de sector.
Tot op heden verschilde de fiscale behandeling van auteursrechten naargelang van de categorie waartoe de auteur behoorde. Daarom was het aanvankelijk voorstel vrij eenvoudig; het bestond erin een nieuwe categorie diverse inkomsten in te voeren waarop een uitzonderlijke bevrijdende aanslag van 15% zou worden toegepast. Het merendeel van de artiesten voor wie die aanslag zou gelden, ontvangen niet meer dan 10.000 euro aan auteursrechten per jaar. Auteurs die meer auteursrechten innen, hebben immers hoe dan ook een vennootschap opgericht of zijn in het buitenland gedomicilieerd en ontsnappen dus aan die nieuwe aanslag. Die formule houdt enerzijds een fiscale stimulans in voor artistieke creativiteit en maakt het mettertijd mogelijk dat de beheersvennootschappen van rechten de feitelijke elementen voor het innen van de belastingen kennen.
Volgens de eerste schattingen van de minister van Financiën zou het voorstel drie miljoen euro kosten, maar voor een realistische schatting moet rekening worden gehouden met verschillende criteria.
Dankzij het wetsvoorstel zou belastingontwijking voor bepaalde kunstenaars minder opleveren en mag men zelfs verwachten dat Belgische kunstenaars die momenteel om zuiver fiscale redenen in het buitenland gedomicilieerd zijn, repatriëren.
Collega Martens wijst erop dat de door hem voorgestelde werkwijze helder en eenvoudig is en tegemoetkomt aan de problemen van kunstenaars met een klein of middelgroot inkomen. Hij merkt evenwel op dat professionals met een forfaitair tarief van 15% zeer goedkoop wegkomen. Daarom is hij voorstander van een progressieve tarifering zoals voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, teneinde voor de auteursrechten en de naburige rechten een aparte belastingregeling in te voeren. Volgens hem is dat het belangrijkste verschil tussen beide wetsvoorstellen. De door hem voorgestelde progressiviteit strekt ertoe de grote categorie van auteurs met vrij weinig inkomsten iets meer te ontzien, terwijl de grote inkomsten proportioneel iets meer moeten bijdragen. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Het heeft geen zin ze aan een aanslagvoet te onderwerpen die lager is dan die van de vennootschapsbelasting.
Het cdH heeft voorgesteld om een onderscheid te maken tussen de inkomsten in bijberoep en die in hoofdberoep. Bij een eenvormige toepassing op alle inkomensniveaus zouden beroepskunstenaars inderdaad minder belast worden dan bij een progressieve aanslag.
Zoals al gezegd, heeft de heer Monfils erop gewezen dat kunstenaars met hoge inkomens meestal een vennootschap oprichten of zich in het buitenland domiciliëren.
Het voorstel van de heer Martens voorziet, zoals reeds gezegd, in een progressieve belasting.
Die progressiviteit was overigens de wens van verschillende fracties; ze zagen immers met lede ogen aan dat kunstenaars die van hun werk kunnen leven, een aanslagvoet van slechts 15% aangerekend krijgen. Om aan die wens tegemoet te komen heeft de heer Monfils twee voorstellen gedaan die in zijn ogen realistisch en voor de fiscus niet al te moeilijk uitvoerbaar waren.
Ten eerste wordt de aanslagvoet van 15% behouden, maar voert men twee inkomenscategorieën voor de forfaitaire beroepskosten in. In de eerste schijf zijn beroepkosten voor 50% aftrekbaar en in de tweede schijf voor 25%. In een derde schijf zijn de beroepskosten niet meer aftrekbaar.
Via de progressieve vermindering van de aftrekbare kosten wordt de aanslag eigenlijk progressief gemaakt. De eerste schijf van 5.000 euro is vrijgesteld terwijl op het saldo een bevrijdende aanslag van 15% wordt geheven.
Mochten kunstenaars van die bepaling gebruik maken om zich door verschillende uitgevers in schijven van 5.000 euro te laten uitbetalen, dan zullen we de fiscale wetgeving aanpassen zodat we dat misbruik kunnen verhinderen.
Voor de vertegenwoordiger van de minister is het de logica zelve om de aanslagvoet van 15% net als voor andere roerende inkomsten te behouden en om een zekere progressiviteit via de forfaitaire kosten in te voeren.
Ik kom bij het kernbesluit van het verslag. Het voorstel waarborgt een eenheidsstatuut voor kunstenaars, wat een oude eis van de sector was. Het voorstel hield tevens rekening met alle vragen en opmerkingen van de verschillende politieke fracties en wist zo een brede consensus te bewerkstelligen.
Het geheel van het geamendeerde voorstel is dus aangenomen met 15 stemmen bij één onthouding.
De heer Philippe Monfils (MR). - Nu uiteenlopende gewapende conflicten, humanitaire rampen, klimaatproblemen, groeiende armoede legio zijn, lijkt het voor sommigen futiel om zich in te laten met kunstschepping en vooral om aan scheppende kunstenaars bijzondere voordelen toe te kennen.
In welke staat een maatschappij zich ook bevindt, ze kan zich niet verder ontwikkelen zonder cultuurschepping. Alle dictators die het denken aan banden trachtten leggen, zijn daarin uiteindelijk mislukt.
Ongeacht het tijdperk, de levensstijl, de gebeurtenissen is de kunstenaar een ziener die provoceert en getuigt ... Hij mag dan als onmisbaar voor de ontwikkeling van de wereld worden vereerd, hij geniet vaak eerder morele dan tastbare erkenning; de oude mythe dat zonder eenzaamheid en ontbering een kunstenaar niet scheppen kan, bestaat nog steeds.
Op cultureel vlak ontwikkelt onze samenleving al sinds lang systemen van openbare steun voor instellingen als toneelzalen, culturele centra, opera's, orkesten, openbare radiozenders, musea, enzovoorts, evenals staats- en gemeenschapssteun voor scheppende kunsten zoals audiovisuele producties.
Voor wie cultuur maakt, bekommert onze samenleving zich echter minder. Pas de programmawet 2002 bevatte specifieke maatregelen inzake het sociaal statuut van kunstenaars. Dat was verre van een omwenteling, het ging om een begin van oplossing voor de bijzondere problemen van uitvoerende kunstenaars. Aangezien hun werk maar moeilijk in rigide sociale regels valt in te passen, werd ervan uitgegaan dat alle kunstenaars loontrekkers zijn en kregen ze virtueel toegang tot de sociale zekerheid van de werknemers. Zo kunnen ze terugvallen op de sociale wetgeving inzake werkloosheid, pensioen, kinderbijslag, ziekteverzekering, enzovoorts. Dat systeem schenkt nog geen volledige voldoening, want het onregelmatige karakter van de kunstenaarsactiviteit blijft problemen opleveren voor de periodes van werkloosheid.
Het specifieke karakter van creatieve arbeid brengt ook anomalieën met zich in de belasting op auteursrechten en naburige rechten.
Veel kunstenaars zien hun inkomsten uit auteursrechten immers geweldig schommelen: evenementen, modeverschijnselen, de ontdekking van een tot dan toe ongekende maatschappelijke relevantie maken dat een boek, een muziekstuk, een ontwerp aan belang kan winnen of verliezen.
Tot nu toe waren de fiscale heffingen op auteursrechten een complexe zaak. Ze werden in vijf of zes verschillende categorieën ondergebracht met als resultaat een vrij hoge belasting die ook rekening hield met andere inkomsten van de kunstenaar. Het stelsel was overigens des te onrechtvaardiger daar eenzelfde kunstwerk het ene jaar auteursrechten kan opbrengen, terwijl het de twee of drie jaren voordien nagenoeg niets opbracht. De aanslag werd geheven op het in dat ene jaar verdiende bedrag.
We moesten dus een bijzonder belastingssysteem uitdenken voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten, dat losstaat van inkomsten die een auteur uit een andere activiteit als loontrekkende of als zelfstandige betrekt.
Daarover gaat het voorstel dat ik in 2006 heb ingediend.
De debatten verliepen traag en moeizaam. Onze rapporteur heeft dat perfect samengevat. De commissie heeft zich vandaag nagenoeg eensgezind uitgesproken over de tekst die u wordt voorgelegd en ik dank mijn collega's uit andere partijen voor hun belangstelling en suggesties die het mogelijk hebben gemaakt om tot een akkoord te komen.
Wat is de draagwijdte ervan? Het gaat over heffingen op auteursrechten en op naburige rechten in de sectoren die worden bedoeld in de programmawet van 24 december 2002 waarbij het statuut van kunstenaar wordt hervormd, dat wil zeggen de creatie, de uitvoering of de interpretatie in de audiovisuele sector, de beeldende kunsten, de muziek, de litteratuur, podiumkunsten, theater en choreografie.
Het heeft weinig belang of de kunstenaar loontrekker is dan wel zelfstandige, en of hij veel of weinig verdient. Alle inkomsten uit auteursrechten en uit naburige rechten vallen onder de noemer roerende inkomsten. Op die inkomsten wordt een afzonderlijke eenvormige aanslag van 15% geheven. De roerende voorheffing wordt aan de bron geïnd en is bevrijdend. De aanslagvoet van 15% kan via de belastingaangifte a posteriori worden verlaagd door forfaitaire kosten aftrekbaar te maken ten belope van 50% voor de eerste schijf van 10.000 euro en ten belope van 25% voor de schijf van 10.000 tot 20.000 euro. Dat forfaitair systeem is van toepassing op inkomsten uit auteursrechten tot 50.000 euro en betreft 92 tot 95% van de houders van auteursrechten.
Ik meen te mogen stellen dat onderhavig wetsvoorstel een aanzienlijk voordeel betekent voor de scheppende kunstenaars aangezien het de belasting op auteursrechten beperkt en dat afgezien van hun eventuele andere inkomsten.
Het voorstel betekent echter veel meer voor mij dan het fiscaal voordeel: het erkent het scheppende werk van de kunstenaar dat met geen enkele andere vorm van arbeid kan worden gelijkgesteld. Het is een blijk van waardering van de overheid voor wie met zijn kunstscheppende inzet onze geest verruimt.
Natuurlijk is het werk nog niet af en wachten ons nog andere taken. Ik zal er twee vermelden waarmee de commissie op het vlak van de principes te maken had.
De eerste betreft de spreiding in de tijd van inkomsten uit een artistieke activiteit waardoor men de fiscale druk kan afvlakken en dus beperken. Het typische voorbeeld is dat van een kunstenaar die een tentoonstelling voorbereidt en dus gedurende een of twee jaar geen belangrijke inkomsten realiseert, maar dan op korte tijd al zijn werken verkoopt en op de hele, niet-gespreide verkoop wordt belast.
De tweede betreft het toezicht op de uitvoering van de wet van 30 juni 1994 krachtens welke ter compensatie van inkomensverlies voortspruitend uit kopieën voor privégebruik een zeer beperkte heffing op de verkoop van kopieerapparaten wordt opgelegd.
Ik zal de huidige regering ondervragen om te weten wanneer en hoe de wet zal worden toegepast zoals door vorige regering werd beloofd.
Naar aanleiding van grote muzikale happenings, filmvoorstellingen, beeldhouwkunst- of schilderijententoonstellingen, literaire evenementen mogen sommige grote kunstenaars een tijd in de schijnwerpers staan, maar in onze samenleving zijn het toch vooral topsporters die de lauwerkransen en het bijbehorende zilver in de wacht slepen.
Ik wil dat feit helemaal niet op de korrel nemen, maar de overheid heeft mijns inziens wel de verantwoordelijkheid om erop te wijzen dat een wereld zonder kunstenaars een onmogelijke wereld is. De overheid is er verantwoordelijk voor dat kunstenaars in volledige onafhankelijkheid culturele keuzes kunnen maken en in behoorlijke omstandigheden profijt kunnen trekken uit de kunstwerken die ze voortbrengen en waarmee ze bijdragen tot de ontwikkeling van onze samenleving.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - We zijn blij dat er eindelijk een belastingregeling komt voor auteursrechten en naburige rechten. Onze schrijvers, artiesten en kunstenaars verdienen dat ook. Hiermee geven we blijk van waardering voor hun onmisbare bijdrage aan onze maatschappij. We zijn er ook blij mee dat we via constructieve amendering van het wetsvoorstel-Monfils tot dit mooie resultaat hebben mogen bijdragen.
Ons wetsvoorstel is zodoende zonder voorwerp geworden, maar we zullen met veel plezier voor het geamendeerde wetsvoorstel-Monfils stemmen.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Als jonge auteur ben ik bijzonder tevreden dat het wetsvoorstel straks zal worden aangenomen. Wie in een klein taalgebied vele uren, weken en maanden aan een boek werkt om het uiteindelijk te zien verschijnen, stelt vast dat van de vergoeding die de uitgever hem enkele maanden later stort, een pak naar de fiscus moet. Dankzij de nieuwe regeling zal al wie niet moet leven van zijn pen, maar toch artistiek, creatief bezig is, kunnen genieten van een vlaktaks van 15% tot 50.000 euro. In een klein taalgebied is dat in het voordeel van het gros van de auteurs. Hopelijk wordt de creativiteit van vele auteurs, ook van wetenschappelijke auteurs, hierdoor geprikkeld en wordt bijvoorbeeld aan die laatste groep, die voor een nog beperktere doelgroep schrijft, restitutie gedaan voor hun noeste arbeid.
Hopelijk zal de Kamer de wettekst snel bespreken en aannemen.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Tot op vandaag ontbrak het kunstenaars aan elke rechtszekerheid door het veelvoud aan fiscale interpretaties waaraan hun inkomsten uit auteursrechten onderhevig waren. Het wetsvoorstel van onze collega komt dus tegemoet aan een reële nood.
Zoals de heer Monfils heeft verklaard, komt op filosofisch vlak de goedkeuring van een fiscaal statuut voor kunstenaars neer op het erkennen van het bijzondere karakter van hun activiteiten en van de inkomsten die eruit voortvloeien.
Ik kan dus alleen maar tevreden zijn met de maatregel die zopas genomen is, te meer daar hij vorm geeft aan wat ons en onze collega's van sp.a+Vl.Pro het naast aan het hart lag, namelijk het progressieve karakter van de belasting.
Onze voorkeur ging uit naar een realistische progressiviteit die rekening houdt met de werkelijkheid in de sector.
We kunnen vaststellen dat dit inderdaad zo is, want tussen 2003 en 2006 hebben 97% van de auteurs die lid zijn van de SACD, Société des auteurs et compositeurs dramatiques, en 98% van de auteurs die lid zijn van de Scam, Société civile des auteurs multimédia, minder dan 20.000 euro ontvangen.
De PS heeft zich er altijd voor ingezet dat kunstenaars, ongeacht hun inkomen, hun artistieke hartstocht waardig zouden kunnen beleven. De maatregel werkt fiscale rechtvaardigheid in de hand.
De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Als voorzitter van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden wens ik niet alleen de indieners van het wetsvoorstel te danken, maar ook alle commissieleden uit de verschillende fracties, die met hun constructieve houding hebben bijgedragen tot de discussie en tot het vormen van een meerderheid die de regeringsmeerderheid ruim overstijgt.
Het is niet de eerste keer dat de commissie Financiën een wetsvoorstel aan de plenaire vergadering kan overzenden. Ik ben tevreden met de gevolgde werkwijze en hoop die de komende maanden te kunnen voortzetten.
De problemen bestaan al lang. Ik hoop dat de creativiteit in Vlaanderen en Wallonië in de toekomst nog meer tot uitdrukking zal komen en dat de wet voor 96% van onze auteurs soelaas zal brengen.
In dit halfrond hebben vele auteurs zitting. Zij hebben belang bij de goedkeuring van dit wetsvoorstel. Het verheugt me ten zeerste dat ze in de eerste plaats uiting hebben willen geven aan hun bekommernis voor het algemeen belang.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 4-119/6.)
-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.
-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De heer Francis Delpérée (cdH). - De cdH zal het voorliggende voorstel niet steunen, vooreerst om redenen die verband houden met de vorm.
Het opschrift en het voorwerp van het oorspronkelijke voorstel zijn immers gewijzigd. Er werden diverse amendementen en subamendementen ingediend en ingetrokken. Artikel 2 strekt ertoe een artikel van het Strafwetboek te wijzigen dat nog niet in werking is. Een kat zou er haar jongen niet in terugvinden!
We hebben ook inhoudelijk bezwaren. Ons rechtsstelsel is inzake recidive gestoeld op een zeer eenvoudige vergelijking. Drie types van recidive zijn mogelijk: wanbedrijf na wanbedrijf, misdaad na misdaad en wanbedrijf na misdaad.
In deze laatste hypothese gaat de wetgever uit van het standpunt dat wie vrijgelaten wordt na een veroordeling voor het plegen van een misdaad en dan weer een wanbedrijf pleegt, het vertrouwen niet waard is dat de maatschappij hem geschonken heeft. De schending van dat vertrouwen moet bestraft worden.
Met de vierde hypothese, van een misdaad na een wanbedrijf wordt in het strafrecht geen rekening gehouden en dat wil het geamendeerde voorstel rechtzetten.
Dat er geen vierde hypothese bestaat, wordt als een anomalie beschouwd.
Toch had men zich moeten afvragen of er voor deze verschillende juridische behandeling geen logische verklaring was.
Ik heb er de voorbereiding van het Strafwetboek op nagelezen. Daarin wordt de situatie beschreven en poogt men ze te verklaren.
Nemen we de situatie van de dader van een wanbedrijf. Die persoon werd vervolgd wegens een strafbaar feit en de veroordeling kan uitgesproken zijn met uitstel. Als hij later een misdaad pleegt zegt de wet natuurlijk niet dat het nieuwe feit niet hoeft te worden vervolgd, beoordeeld en bestraft, maar er wordt van uitgegaan dat de regels over de recidive in een dergelijk geval niet dienen te worden toegepast.
Waarom is dat zo? De verklaring die daarvoor bij het opstellen van de wet werd gegeven was eenvoudig: misdaden zijn de zwaarste misdrijven, die bestraft worden met de zwaarste straffen. De dader van een misdaad zal de maximumstraf krijgen. Wat baat het in zijn verleden te graven om te weten of hij eerder al een wanbedrijf pleegde, dat misschien geen enkel verband houdt met de misdaad in kwestie? De verdienste van die verklaring is dat ze rationeel is.
Tijdens de werkzaamheden in de commissie betreurde de vertegenwoordiger van de regering dat deze vraag niet meer globaal wordt benaderd, dat het probleem slechts gedeeltelijk wordt bekeken en dat dit geen deel uitmaakt van een ruimere reflectie in overleg met alle geledingen van de meerderheid.
Het voorliggende voorstel is voorbarig en ik vind dat daarover meer en beter had moeten worden nagedacht, rekening houdend met de fundamentele beginselen die ten grondslag moeten liggen aan een rechtvaardige en coherente toepassing van het strafrecht.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Onze fractie zal tegen dit voorstel van wet stemmen. De redenen daarvoor zijn hier zojuist vermeld. We hadden overigens de indruk dat de regering die mening deelde. We hebben met nadruk op gewezen dat bij het wanbedrijf personen moesten betrokken zijn, en zelfs daarover konden we het niet eens worden. De auteurs van het voorstel hebben geopteerd voor de regel van een veroordeling van meer dan drie jaar, zonder stil te staan bij het feit dat men veroordeeld kan worden tot drie jaar voor wanbedrijven waarbij niet rechtstreeks personen betrokken zijn.
Het voorstel is bovendien een exacte kopie van een tekst die in 2004 werd ingediend. Sedertdien is de wet gewijzigd. De wijzigingen gaan over de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en over de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken. Die wetswijzigingen moeten ten laatste tegen 1 januari 2009 in werking treden. Dat betekent dat deze tekst een wet wil wijzigen die nog niet in werking is. waarom zou men dat dan doen?
Sommigen beweren dat daders van de zwaarste misdrijven niet ernstig worden vervolgd en bestraft. Dat is helemaal niet het geval. De wet betreffende de externe rechtspositie en houdende de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken voorziet voor de zwaarste misdrijven in bijzondere maatregelen van terbeschikkingstelling van de regering.
We vinden dit voorstel niet coherent. De minister van Justitie heeft initiatieven aangekondigd om de tekst te verduidelijken en aan te passen tussen de behandeling in de Senaat en die in de Kamer. We geloven dat dit zal gebeuren. Intussen zullen we tegen dit wetsvoorstel stemmen.
Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - Ik wil antwoorden op de vragen die zojuist zijn gesteld. Ik maak geen aanspraak op perfectie en de tekst werd ook geamendeerd. Ik dank trouwens de minister van Justitie die het parlementaire werk heeft begeleid. Het is vaak omgekeerd. In dit geval heeft de minister de afronding van een wetsvoorstel mogelijk gemaakt.
Toen de tekst van het Strafwetboek werd aangenomen, werd enkel rekening gehouden met het plegen van een misdaad na een misdaad. Toen werden misdaden nog niet gecorrectionaliseerd zoals dat nu het geval is. Wanneer een misdaad niet wordt gecorrectionaliseerd is er sprake van recidive. Wanneer eenzelfde misdaad evenwel wordt gecorrectionaliseerd is er geen recidive. Het argument van de heer Delpérée lijkt me bijgevolg niet relevant want het stamt uit een andere periode. De meeste hoven van assisen zijn overbelast en de meeste misdaden worden gecorrectionaliseerd.
Het klopt inderdaad, mijnheer Mahoux, dat we lang hebben nagedacht. Konden we in dit voorstel een onderscheid maken tussen een aanslag op goederen en de aantasting van personen? Technisch is dat onmogelijk. Sommige misdrijven omvatten de beide types van aantasting. Het was ook niet raadzaam om een dergelijk onderscheid in te voeren wanneer er al rekening gehouden wordt met misdaad na misdaad, wanbedrijf na wanbedrijf en wanbedrijf na misdaad waarbij dat onderscheid niet meetelt.
Ik dank in ieder geval al wie heeft bijgedragen tot de behandeling van dit wetsvoorstel in de plenaire vergadering, na de goedkeuring ervan in de commissie.
Ik betreur dat er geen eensgezindheid is over dit dossier dat nochtans de werkelijkheid weerspiegelt.
Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Ten gronde hebben we zeer bewust de strafuitvoeringsrechtbanken in het leven geroepen. Dat is de beste oplossing. Laten we de tijd nemen om dat systeem ten volle zijn uitwerking te laten krijgen.
Ik denk bovendien dat onze assemblee belangrijkere opdrachten heeft dan het wijzigen van een wet die nog niet in werking is getreden.
Om die redenen zullen noch Groen!, noch Ecolo deze tekst goedkeuren.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-330/8.)
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, teneinde de herhaling van misdaad na wanbedrijf in te voeren, en tot wijziging van de bepalingen betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, en de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.
-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.
-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - De heer Van Parys verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-435/4.)
-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.
-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-526/4.)
Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-552/1.)
De voorzitter. - Mevrouw Tindemans verwijst naar haar schriftelijk verslag.
De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het voorstel van resolutie werd eenparig aangenomen in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen.
Eind 2006 besliste de algemene vergadering van de Verenigde Naties een wereldwijd en juridisch bindend instrument in het leven te roepen om de internationale handel in conventionele wapens te reglementeren. Honderddrieënvijftig landen, waaronder het onze, hebben zich voor die resolutie uitgesproken.
Met deze resolutie willen we de regering aanmoedigen om het aangevatte werk voort te zetten, met name via de voorbereidende vergaderingen die dit jaar worden gehouden. De conclusies zullen eind dit jaar aan de algemene vergadering van de Verenigde Naties worden overgezonden. De regering moet dus aandacht schenken aan bepaalde aspecten en er in het bijzonder op toezien dat dit internationaal instrument werkbaar wordt, mits het universeel wordt geratificeerd en toegepast. Met het oog op de efficiëntie moeten de controlemechanismen zeer precies worden vastgelegd.
Zoals bepaald in de resolutie moet ook bijzondere aandacht geschonken worden aan de controle van de tussenpersonen, aan de handhaving van de embargo's, de verhoging van de transparantie en natuurlijk aan de parlementaire controle van de export.
Ik dank de collega's voor hun steun aan dit voorstel van resolutie. Ik hoop dat de resolutie zal sorteren en dat dit internationaal verdrag snel zal worden opgesteld en aangenomen.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 46
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsvoorstel is eenparig aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 2
Aanwezig: 46
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 4
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-De goedkeuring van het wetsvoorstel impliceert dat het wetsvoorstel van de heer Bart Martens c.s. tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde voor de auteursrechten en de naburige rechten een aparte belastingregeling in te voeren (Stuk 4-417) vervalt.
Stemming 3
Aanwezig: 45
Voor: 30
Tegen: 15
Onthoudingen: 0
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 4
Aanwezig: 46
Voor: 38
Tegen: 5
Onthoudingen: 3
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - Mijn fractie heeft zich bij de stemming onthouden omdat wij denken dat dit wetsvoorstel het tegenovergestelde doel zou kunnen bereiken en dus niet het aantal burenruzies zal doen afnemen, zoals de heer Vankrunkelsven en mevrouw Taelman dat beogen. Vandaag is er immers nog altijd de drempel van het vredegerecht die mensen ervan weerhoudt aan elkaars overhangende takken te beginnen zagen en die door dit wetsvoorstel volkomen wegvalt.
Wij hebben ook begrip voor de argumenten van de boomspecialisten, die zeggen dat snoeien op een verkeerd tijdstip en op een ondeskundige manier onder meer boomsterfte, zonnebrand en windgevoeligheid van de bomen kan veroorzaken, met alle gevolgen van dien en niet alleen voor ons bosbestand. Wie is immers aansprakelijk als een buur op een verkeerde manier overhangende takken snoeit en die boom windgevoelig wordt, omvalt en stoffelijke of zelfs lichamelijke schade veroorzaakt? Wij betreuren dat het amendement van de heer Swennen om de toepassingssfeer van dit wetsvoorstel te beperken, werd verworpen.
Om die redenen hebben wij ons onthouden.
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 5
Aanwezig: 47
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het voorstel van resolutie is eenparig aangenomen.
-De resolutie zal aan de eerste minister van en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking worden meegedeeld.
Stemming 6
Aanwezig: 47
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
-Het voorstel van resolutie is aangenomen.
-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 29 mei 2008
's ochtends om 10 uur
Evocatieprocedure
Ontwerp van programmawet; Stuk 4-738/1 tot 5. (Pro memorie)
Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I); Stuk 4-739/1 tot 5. (Pro memorie)
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (II); Stuk 4-740/1 en 2.
Toe te voegen:
Toe te voegen:
's namiddags om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Eventueel, hervatting van de ochtendvergadering.
Vanaf 17.30 uur: naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - In het Nederlandse Venray wordt geëxperimenteerd met chemisch DNA. Kostbare en waardevolle voorwerpen als laptops, auto's en camera's worden er ingesmeerd met een doorzichtige vloeistof met een unieke samenstelling, die oplicht onder ultraviolet licht. De vloeistof zet zich vast in de kieren en kleine openingen van het voorwerp en is nagenoeg niet te verwijderen. Net als zijn menselijke variant bevat het chemische DNA vier basen waarmee een unieke code wordt gebouwd. Om die code te ontcijferen is een toegangscode nodig en alleen geregistreerde laboratoria beschikken daarover.
De beveiligingstechniek heeft een dubbel doel. Het chemische DNA maakt het mogelijk gestolen voorwerpen gemakkelijker bij de eigenaar terug te krijgen. De preventieve werking van het chemische DNA zou echter nog veel belangrijker zijn. In de Londense wijk Greenwich, waar de techniek op grote schaal werd ingevoerd, zou op basis van het chemische DNA al 85% minder diefstallen worden geregistreerd. Het aantal diefstallen uit auto's zou er met 60% verminderd zijn en het aantal diefstallen van voertuigen zelf met 50%.
Welke conclusies trekt de minister uit de invoering van het chemisch DNA en de resultaten daarvan in Nederland en het Verenigd Koninkrijk? Vindt de minister het nuttig ook in ons land een proefproject met chemisch DNA op te zetten? Vindt de minister het wenselijk het gebruik van het chemisch DNA op het Europese niveau aan te kaarten?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.
Er bestaan inderdaad al een aantal goede praktijken om de traceerbaarheid van goederen te bewerkstelligen. Naast de klassieke preventiecampagnes, die burgers aansporen preventieve maatregelen te nemen om de traceerbaarheid van goederen te stimuleren door het bijhouden van een inventaris met unieke serienummers en het nemen van foto's, hebben mijn diensten al contacten gehad met verschillende firma's die systemen van markeren aanbieden. Nieuwe pistes om de traceerbaarheid van goederen te bevorderen worden ook uitgewerkt. Vele toestellen, vooral de elektronische, hebben vaak al een uniek serienummer, wat nuttig is voor de traceerbaarheid. Vandaar het nut van inventariseren en registreren van eigen waardevolle voorwerpen.
De voordelen van markeren, bijvoorbeeld met chemisch DNA, zijn bekend: preventie van diefstal door afschrikking en ontrading van heling van de gestolen goederen. Een bijkomend voordeel is tevens dat teruggevonden gestolen goederen gemakkelijk de weg naar de rechtmatige eigenaar terugvinden. Het nadeel is vaak het prijskaartje ervan. Momenteel moet meestal de consument, de gewone burger, betalen voor deze toepassing, die vaak gekoppeld is aan een databank die moet worden beheerd. Ook het gebrek aan uniformiteit van dergelijke systemen is een minpunt.
Idealiter passen de producenten en de fabrikanten deze systemen toe bij de fabricage van hun producten. Door de versnippering en beperkte toepassing van de verschillende systemen die nu bestaan, gaat een deel van hun kracht verloren.
Het aankaarten van het gebruik van eenvormige markering, zoals het chemische DNA, op Europees niveau is inderdaad wenselijk, temeer omdat de criminaliteit en de trafiek van gestolen voorwerpen niet ophouden aan de grenzen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Ik dank de minister voor het antwoord. Ik hoop dat men op Europees niveau aandacht zal hebben voor een algemene aanpak en dat in België proefprojecten zullen worden georganiseerd.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - In november 2007 bleek uit een grootschalig onderzoek in vijftien EU-lidstaten dat de helft van de 447 websites voor de boeking van vliegtuigtickets de Europese consumentenregels met voeten traden. Ze gaven misleidende informatie over prijzen en/of verkoopsvoorwaarden of bezondigden zich aan oneerlijke praktijken, zoals vooraf aangevinkte selectievakjes en contractvoorwaarden die niet in de taal van de consument beschikbaar zijn.
Een tussentijds rapport van de Europese Commissie, zeven maanden later, leert dat van de 386 gecontroleerde sites 58% misleidende prijzen toont. Bijna de helft van de sites bevat onregelmatigheden en wettelijke inbreuken in de contractuele voorwaarden, onder meer ontbrekende of foutieve vertalingen en vooraf aangevinkte keuzemogelijkheden. Op nog 15% van de sites werden opties of plaatsen aangeboden die niet meer vrij waren.
Die gebreken komen niet alleen voor bij sites van luchtvaartmaatschappijen. Daarop werden in bijna twee op de vijf gevallen, hetzij 37%, onregelmatigheden geconstateerd. Op de sites van touroperators en reisagenten is het foutenpercentage even groot, namelijk 39%, en op andere ticketsites ligt de foutenmarge nog hoger, namelijk 42%.
Gesjoemel met prijzen is het meest voorkomende euvel. In België werden 48 sites onderzocht. Daarvan bleken er in november 2007 30 fouten te vertonen. Die fouten hielden meestal verband met de ticketprijzen en de contractuele bepalingen. Van de 30 sites die in België fouten vertoonden, zijn er intussen 13 gecorrigeerd.
Welke conclusies trekt de minister uit het rapport van de Europese Commissie? Acht de minister het raadzaam de problematiek op Europees niveau te bespreken? Acht de minister het wenselijk maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat op de sites in de toekomst steeds correcte informatie wordt vermeld?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid.
De Algemene Directie Controle en Bemiddeling onderschrijft de conclusies die de Europese Commissie in het rapport formuleert, maar wenst enkele punten te benadrukken en aan te vullen.
Het consumentenacquis is grotendeels gebaseerd op richtlijnen, waarvan zowel de materiële als de formele omzettingen in de lidstaten erg kunnen verschillen. De gemeenschappelijke basis neemt dus niet weg dat er divergenties zijn. Onderzoeken zoals dit zijn daarom erg belangrijk om oplossingen te zoeken voor de praktische implicaties van die divergenties of kunnen als hefboom fungeren voor meer harmonisatie. Zoals de Europese Commissie ook opmerkt, is de inwerkingtreding van de nationale bepalingen tot omzetting van de richtlijn betreffende de oneerlijke handelspraktijken in deze een belangrijke stap.
Het Europese perspectief is hierbij essentieel, zeker in een per definitie geïnternationaliseerde sector als de luchtvaart. De Belgische autoriteiten spelen daarin hun rol als handhaver van de Belgische wetgeving, maar evenzeer en tegelijkertijd als Europese actor. Uit de rapportering van de Europese Commissie blijkt bovendien dat de Belgische autoriteiten die rol ten volle en met veel zin voor kwaliteit hebben gespeeld, zeker gelet op de korte voorbereidingstijd van de actie.
Deze specifieke problematiek wordt op Europees niveau al aangepakt. Ik ben ervan overtuigd dat het dossier op het ogenblik alle aandacht krijgt die het verdient. Indien toch nog nieuwe wetgevende initiatieven zouden worden voorgesteld, zal ik daar uiteraard constructief aan meewerken.
Wat de Belgische ondernemingen betreft, is het de taak van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie om overtredingen van de wetgeving aan te pakken. Ze volgt dan ook de handelspraktijken op die in deze sector worden gehanteerd. Het is ook erg aannemelijk dat nieuwe, innoverende manieren van publiciteit en prijsaanduiding zullen worden gevonden en gehanteerd. Die zullen op het gepaste ogenblik worden geëvalueerd, maar ik kan geen garanties geven voor de toekomst.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Mijn vraag heeft betrekking op de nogal verontrustende berichten in de media betreffende een advies van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie.
De aftrek van de definitief belaste inkomsten of DBI-aftrek bestaat erin dat moederbedrijven op de dividenden die ze ontvangen van een dochterbedrijf geen belasting meer moeten betalen omdat de winst van de dochterondernemingen al werd belast in het land van herkomst. Die dividenden worden in België bij de winst van de moederonderneming geboekt, maar worden vervolgens voor 95 procent in mindering gebracht.
De Belgische fiscus laat niet toe dat de bedrijven in het jaar dat ze verlies lijden, de overdraagbare verliezen verhogen met het bedrag van de DBI-aftrek. Een onderneming die de DBI-aftrek wel boekhoudkundig had toegevoegd aan haar overdraagbare verliezen, heeft de zaak aan de rechtbank ter beoordeling voorgelegd. De rechter in eerste aanleg oordeelde reeds in het voordeel van de onderneming, waarna de Belgische Staat in beroep ging. Het hof van beroep heeft vervolgens aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag gesteld betreffende de overeenstemming van de interpretatie van de Belgische fiscus met het communautaire recht.
Recentelijk werd de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie gepubliceerd. Die is erg duidelijk: de Belgische interpretatie is niet in overeenstemming met artikel 4 van de moeder-dochterrichtlijn. Als het Hof van Justitie de visie van de advocaat-generaal volgt - wat meestal het geval is - is het mogelijk dat de fiscus de ten onrechte geïnde belastingen moet terugbetalen. Overeenkomstig de cijfers die in de media circuleren zou het in totaal om een 400 miljoen euro gaan. Volgens een advocaat in deze zaak zou het echter om nog veel meer geld kunnen gaan.
Is de minister op de hoogte van de problematiek? Kan hij het bedrag van de belastingen dat in het gedrang komt, bevestigen? Hoeveel bedraagt het exact? Welke maatregelen zal de minister treffen? Werden er provisies aangelegd om een negatieve beslissing voor de Belgische Staat op te vangen?
Welke invloed kan of zal een negatieve beslissing hebben op de begroting?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - De minister is op de hoogte van de problematiek. Hij wijst erop dat in de zaak Cobelfret tegen de Belgische fiscus het oordeel van de advocaat-generaal nog niet het arrest van het Europees Hof van Justitie is. Het arrest wordt niet vóór december 2008 verwacht.
Aangezien er nog geen arrest is en België momenteel dus nog niet veroordeeld is, ligt het voor de hand dat de budgettaire impact pas met de nodige precisie zal kunnen worden bepaald als alle details van een eventuele veroordeling bekend zullen zijn. Pas op dat moment kan de minister relevante cijfers ter zake mededelen.
De noodzakelijke maatregelen zullen door de regering worden genomen nadat ze in kennis is gesteld van het arrest. De boekhouding van de Staat voorziet niet in het aanleggen van technische provisies.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën antwoordt.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - De vestiging van de apothekers wordt geregeld in een koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken.
Artikel 1, §5bis, van dit koninklijk besluit bepaalt dat een apotheek slechts in aanmerking komt voor overbrenging naar een andere locatie indien ze ten minste vijf jaar vergund is voor de plaats waar ze gevestigd is, behoudens in geval van overmacht.
De Raad van State interpreteert het begrip `overmacht' vrij rigide. Om die reden zou het begrip `overmacht' in een ontwerp van wijziging van het koninklijk besluit worden vervangen door het begrip `dwingende reden'.
De teksten die het ontwerpbesluit wijzigen, zouden klaar zijn en op 17 januari zijn goedgekeurd door de beroepsfederaties APB en OPHACO.
Daarnaast voorziet de vestigingswet in de oprichting van een vestigingscommissie dat als administratief orgaan de aanvragen tot vestiging, fusie of overbrenging beoordeelt en hierover een advies uitbrengt aan de bevoegde minister. Thans blijkt die vestigingscommissie echter niet meer te zijn samengesteld.
1. Wat is de stand van zaken betreffende het ontwerpbesluit? Wanneer mag het wijzigend koninklijk besluit worden verwacht?
2. Kan de minister bevestigen dat de vestigingscommissie niet meer is samengesteld? Wat is de reden hiervoor? Wanneer wordt de commissie opnieuw samengesteld? Wie is momenteel bevoegd om de taken van de commissie op zich te nemen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister van Sociale zaken Onkelinx.
We zijn bijna rond met de verbeteringen aan het ontwerp van besluit als gevolg van het advies van de Raad van State en dat van de beroepsorganisaties. Het besluit zal dus binnenkort kunnen worden bekendgemaakt.
Voor wat de werking van de vestigingscommissie betreft, is uw informatie niet helemaal correct. Momenteel werkt de commissie nog onder haar vorige samenstelling om de continuïteit van de openbare dienst te garanderen.
Betreffende de ingediende kandidaturen voor de hernieuwde commissie heb ik het advies gevraagd aan mijn collega, de minister van Justitie, maar nog steeds geen antwoord gekregen.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Wat moet in verband met de bekendmaking van het besluit worden verstaan onder `binnenkort'?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Dat kan ik helaas niet zeggen. Wat de commissie betreft, die is samengesteld uit magistraten, die worden voorgesteld door de minister van Justitie. Zolang die daarover geen informatie geeft, kan de minister van Sociale zaken ook niets zeggen.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - Om het aandeel van groene stroom en stroom uit warmtekrachtkoppeling in de Vlaamse elektriciteitsproductie te verhogen en investeringen in duurzame energie te stimuleren, heeft het Vlaamse elektriciteitsdecreet groenestroom- en warmtekrachtcertificaten ingevoerd. Met dit systeem, dat operationeel werd in januari 2002, kunnen producenten in verhouding tot de milieuvriendelijk opgewekte stroom, certificaten krijgen. Leveranciers moeten de certificaten inleveren bij de Vlaamse regulator. Zo krijgen certificaten een marktwaarde die bepaald wordt door drie beleidshefbomen, namelijk het bedrag van de boete die de leverancier moet betalen per niet ingeleverd certificaat, het bedrag dat de distributienetbeheerder moet betalen per aangeboden certificaat en de doelstellingen die zich vertalen in percentages op quota van de geleverde stroom.
Nu blijkt echter een vierde factor de marktwaarde van de certificaten te beïnvloeden. De BTW-administratie heeft op 26 februari beslist om op de verhandeling van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten het normale belastingtarief van 21% toe te passen. In het verleden was dat niet het geval omdat de certificaten beschouwd werden als verhandelbare waardepapieren.
Een BTW-heffing dreigt het kader voor groenestroomproductie en warmtekrachtkoppeling echter te ondergraven. Een dergelijke heffing zal de marktwaarde van de certificaten voor de producenten van milieuvriendelijke energie negatief beïnvloeden. Als certificaten BTW-plichtig worden, zou het in bepaalde gevallen voor een leverancier economisch voordeliger kunnen zijn om de geldboete voor niet ingeleverde certificaten te betalen, indien de marktprijs ingevolge de heffing van BTW het boetebedrag overstijgt. Op die manier wordt de waarde van de certificaten ondergraven. Hierdoor zal de rendabiliteit van investeringen in duurzame energieopwekking worden aangetast en zullen nieuwe initiatieven op het vlak van duurzame energie en warmtekrachtkoppeling worden afgeremd.
Bovendien zullen particulieren die investeren in duurzame energie, en bijvoorbeeld zonnepanelen installeren, door die regeling verplicht worden een BTW-nummer aan te vragen als zij willen deelnemen aan de handel in groenestroomcertificaten. Het lijkt mij absoluut niet billijk dat particulieren tot dergelijke verplichting gedwongen worden als zij alleen willen vergoed worden voor hun bijdrage aan een milieuvriendelijke energieproductie. Daarnaast zullen ook de distributienetbeheerders BTW-plichtig zijn. Het elektriciteitsdecreet legt hen immers de openbare dienstverplichting op tegen een minimumprijs certificaten uit groene stroom en warmtekrachtkoppeling aan te kopen.
Dankzij de groenestroomcertificaten kende de groenestroomproductie in Vlaanderen een sterke groei. Die groei is meer dan noodzakelijk gelet op de doelstellingen die de Europese Commissie voorstelt: tegen 2020 moet ons land 13% van zijn energieconsumptie milieuvriendelijk produceren. Die doelstelling moet nog vertaald te worden naar doelstellingen voor de gewesten. In ieder geval zullen alle gewesten maximaal moeten investeren in schone en innovatieve energieopwekking. De BTW-heffing op groenestroom- en warmtekrachtcertificaten dreigt nu het beleid van de gewesten te doorkruisen.
Kan de beslissing van de belastingadministratie in heroverweging worden genomen? Het zou jammer zijn, dat door de heffing van BTW op groenestroom- en warmtekrachtcertificaten bijkomende investeringen in milieuvriendelijke energieproductie afgeremd worden, net nu we door Europa worden aangezet veel meer duurzame energiebronnen in te schakelen.
Wat betekent dat voor particulieren die investeren in zonnepanelen op hun dak? Worden zij nu verplicht een BTW-nummer aan te vragen of kunnen zij overeenkomstig artikel 56 van het BTW-Wetboek hiervoor vrijstelling krijgen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord voor.
De beslissing met referte ET 110.775 van 28 februari 2006 volgens welke groenestroomcertificaten moeten worden aangemerkt als verhandelbare waardepapieren beoogd door de vrijstelling van artikel 44, §3, 10º van het BTW-Wetboek, was het gevolg van besprekingen op Europees niveau betreffende de quota voor de emissie van CO2. Aangezien die beslissing nog verder moest worden bestudeerd, was ze slechts voorlopig van toepassing.
Na een grondig onderzoek van zowel de intrinsieke kenmerken van de groenestroomcertificaten als de wijze waarop ze op fiscaal vlak worden behandeld in de verschillende landen die voor de invoering van een dergelijk systeem opteerden, moet men vaststellen dat de groenestroomcertificaten eerder verwant zijn met de rechten die vergelijkbaar zijn met licentierechten en dat het onjuist is die nog te beschouwen als verhandelbare titels. Bijgevolg is de verhandeling van groenestroomcertificaten zoals de verhandeling van quota voor de gassen met broeikaseffect onderworpen aan de BTW (zie beslissing ET 113.522 van 26 februari 2008).
De verkoop van groenestroomcertificaten door producenten, netbeheerders enzovoort in het raam van een economische activiteit, zal aan de BTW worden onderworpen. Anderzijds wordt hierdoor een recht op aftrek toegestaan van de BTW die wordt geheven bij de aankoop van de groenestroomcertificaten en met betrekking tot de verhandeling ervan.
Ook in hoofde van de elektriciteitsleveranciers zal, gelet op hun economische activiteit, de BTW geheven over de aankoop van groenestroomcertificaten aftrekbaar zijn.
De verkoop van groenestroomcertificaten door particulieren die deze hebben verkregen in het raam van een privéproductie van groene energie, ontsnapt aan de BTW aangezien die verkopers niet handelen in het raam van een economische activiteit en bijgevolg overeenkomstig de artikelen 2 en 4 van het BTW-Wetboek niet als BTW-plichtig aangemerkt worden. Indien daarentegen de omvang van de installatie voor de particulier een productie zou mogelijk maken die ruimschoots het verbruik van zijn woning overschrijdt, dan zou de betrokkene de hoedanigheid belastingplichtige hebben omdat hij het overschot aan een elektriciteitsleverancier verkoopt.
Zowel de verkoop van groene energie als de verkoop van de groenestroomcertificaten zal dan onderworpen zijn aan de BTW. Dat zal evenwel geen gevolg hebben omdat zowel de particulier als de elektriciteitsleverancier het recht hebben de BTW af te trekken.
De particulier kan aanspraak maken op de vrijstelling waarin is voorzien in artikel 56, §2 van het BTW-Wetboek wanneer de jaaromzet voortvloeiend uit de elektriciteitsproductie niet meer bedraagt dan 5.580 euro per kalenderjaar.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - Ik begrijp dat de economische actoren op de certificaten BTW moeten betalen, maar dat ze die BTW tevens kunnen aftrekken. Particulieren die groene stroom produceren worden van BTW vrijgesteld zolang ze geen netto-overschot produceren en aan een elektriciteitsleverancier doorverkopen. Dat is een geruststelling voor de talrijke particulieren die in zonnepanelen investeren.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - In het verleden hebben verschillende parlementsleden reeds vragen gesteld over ballonkyfoplastie en aangedrongen op een betere terugbetaling ervan. Ballonkyfoplastie is het inbrengen van een ballonnetje tussen wervellichamen die ingedeukt zijn door slijtage of door een ongeval. Vervolgens wordt in de ballonnetjes een substantie ingespoten waardoor de wervels terug uit elkaar gaan en de pijn wordt verholpen.
Om de terugbetaling van deze behandeling te onderzoeken werd het Kenniscentrum gevraagd de meerwaarde van de ingreep na te gaan. Dat onderzoek is nu anderhalf jaar achter de rug. Op basis daarvan concludeerde minister Demotte tijdens de vorige legislatuur dat het mogelijk zinvol is om voor die techniek onder duidelijke criteria in terugbetaling te voorzien.
Is er ondertussen een beslissing genomen over de terugbetaling van ballonkyfoplastie? Zo ja, wanneer start de terugbetaling concreet? Hoeveel zal de terugbetaling bedragen en op welke wijze zal ze verlopen? Van welke criteria is de terugbetaling afhankelijk?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Op 17 december 2007 heeft het Verzekeringscomité een voorstel van terugbetaling van gebruiksmateriaal en cement voor ballonkyfoplastie goedgekeurd. Ik heb net het advies van de Raad van State over het ontwerp van koninklijk besluit dat deze terugbetaling invoert, ontvangen en het RIZIV is bezig met de aanpassing van het ontwerp op basis van de opmerkingen van de Raad.
De terugbetaling van gebruiksmateriaal en cement voor ballonkyfoplastie start op de eerste dag van de tweede maand na de maand waarin het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is verschenen. Aan deze terugbetaling is tevens een medische akte gekoppeld die op dezelfde dag van kracht wordt. Het gaat om een forfaitaire tegemoetkoming. Er zijn dus geen supplementen ten laste van de patiënt en geen persoonlijk aandeel.
Aan de terugbetaling zijn inclusie- en exclusiecriteria gekoppeld die tot stand zijn gekomen in consensus met experts. Deze inclusie- en exclusiecriteria zijn van toepassing op patiënten met blijvende pijnklachten naar aanleiding van osteoporotische indeukingsfracturen of indeukingsfracturen veroorzaakt door het multiple myeloma van Kahler zonder neurologische compressie en zonder uitvalsverschijnselen en bij wie medicamenteuze pijntherapie werd uitgeprobeerd.
De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Het is zeer volledig en werd, ondanks de moeilijke woorden, in mooi Nederlands gelezen. Ik feliciteer de staatssecretaris daarvoor.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Op 30 april heb ik minister Magnette een vraag gesteld over de afrekeningsfacturen van Electrabel voor 2007.
Ik vroeg de minister onder meer naar de verjaringstermijn voor de afrekeningsfacturen die door Electrabel laattijdig werden verstuurd. De minister van Klimaat en Energie heeft geantwoord dat het de minister van Justitie toekomt te beslissen of artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, dat bepaalt dat de verjaring één jaar is voor vorderingen inzake koopwaren die worden verkocht aan personen die geen koopman zijn.
Ik zou dan ook willen weten of artikel 2272 van toepassing is voor de levering van elektriciteit.
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister.
Gelet op de inleidende bepalingen van het Wetboek van Koophandel vallen de leveranciers van elektriciteit onder het toepassingsgebied van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek.
In zijn arrest van 20 juni 2007 heeft het Grondwettelijk Hof duidelijk bepaald dat artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, aangezien het uitsluitend van toepassing is op de levering van goederen en niet op de levering van diensten.
Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 31 mei 2002 verklaard dat artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek als uitzondering op het algemene beginsel van artikel 2262, §1 - tienjarige verjaring - beperkend moet worden geïnterpreteerd.
De vraag rijst dus of elektriciteit en andere leveringen van nutsvoorzieningen zoals gas, goederen zijn in de zin van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, of dat het eerder diensten zijn. Een groot gedeelte van de rechtspraak meent dat een goed materieel is wanneer het zintuiglijk kan worden waargenomen, zoals gas en elektriciteit. Bepaalde juristen menen evenwel dat elektriciteit niet als een goed in de zin van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek moet worden beschouwd.
De rechtspraak moet ter zake duidelijker zijn, zodat we voor eens en voor altijd een duidelijk antwoord kunnen geven aan de consumenten.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Dat is een totaal nietszeggend antwoord!
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Het gezinsbeleid mag dan wel een gemeenschapsbevoegdheid zijn, in het regeerakkoord wordt er meermaals op gewezen dat de welvaart van de gezinnen verzekerd moet worden. Om gezin en werk beter op elkaar af te stemmen pleit ik ervoor om het systeem van de dienstencheques uit te breiden tot kinderoppas aan huis en het brengen en ophalen van de kinderen naar en aan de school.
De dienstenchequeregeling heeft al eerder op het vlak van de thuishulp haar doeltreffendheid bewezen. In de algemene beleidsnota maakt de minister melding van een uitbreiding van het dienstenchequesysteem waarbij ze alvast drie doelstellingen voor ogen houdt: zorgen voor een groter aanbod van dienstverlening aan personen, meer mensen aan het werk zetten en het zwartwerk bestrijden.
De invoering van een dienstenchequeregeling voor kinderoppas aan huis zou deze drie doelstellingen nog meer kunnen bevorderen. Deze mogelijkheid biedt een oplossing voor het gebrek aan naschoolse kinderopvang en voor het kinderopvangprobleem van ouders met uitzonderlijke - zeer vroege of zeer late - werkuren. Tegelijk levert het dienstenchequesysteem ook extra banen op, een maatregel waar de hele samenleving mee gediend is.
Het gebrek aan naschoolse kinderopvang moet dringend worden aangepakt. Kinderen voelen het gemis aan een eigen, geborgen, veilig `thuis' aan. Ze dragen vaak de gevolgen van het jachtige leven van hun, soms alleenstaande, ouders. Een individuele thuisopvang, waarbij een thuisoppas de kinderen naar school brengt of ze afhaalt, ze naar huis brengt en daar blijft oppassen tot een van de ouders thuiskomt, zou een oplossing kunnen zijn voor dit probleem. Kinderen kunnen dan thuis tot rust komen, ravotten of bekomen van de dagelijkse drukte. Bovendien schept het ook gemoedsrust bij de ouders, die weten dat hun kind in goede handen is.
In de algemene beleidsnota staat dat de minister overleg met de gewesten en gemeenschappen zal opstarten over de eventuele uitbreiding naar kinderopvang aan huis. Heeft dit overleg reeds plaatsgevonden? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, wanneer zal dit overleg plaatshebben en wanneer zullen de resultaten ervan meegedeeld worden?
In de groep van vijftigplussers is er een enorm potentieel aan mensen die hun ervaring en zorgzaamheid binnen het stelsel van de dienstencheques willen aanwenden. Ziet de minister voor deze groep een mogelijkheid binnen de uitbreiding van het dienstenchequesysteem voor kinderopvang?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister.
Mijn diensten onderzoeken momenteel de eventuele voorwaarden voor een dergelijke uitbreiding van het systeem van de dienstencheques en bestuderen de implicaties ervan. Wij zullen met de gewesten en gemeenschappen overleg plegen zodra de contouren van een eventueel project vastliggen en de opportuniteit van een dergelijke maatregel goed geanalyseerd is.
De eerste fase van het onderzoek bestond in het raadplegen van de actoren op het werkterrein. Mijn kabinet heeft de sector van de kinderopvang op 22 april ontmoet. De sector heeft de werkelijke nood van families om te beschikken over buitenschoolse opvang bevestigd. Er kwamen ook een aantal opmerkingen. Zo benadrukte de sector het belang van professionalisme en vroeg men garanties voor het principe van de non-profit in de sector van de kinderopvang. Hiervoor moeten drie uitgangspunten worden gerespecteerd: de opleiding van de werknemers garanderen; de omkadering van de werknemers garanderen en volwaardig werk garanderen.
Ik ben het volledig eens met het advies van de sector en stel deze drie voorwaarden als een conditio sine qua non voor dit project. Bovendien ben ik samen met de sector van oordeel dat we ervoor moeten waken dat dit project, eens toegepast, toegankelijk blijft voor de ouders.
Het is nog te vroeg om een datum mee te delen voor het overleg met de gemeenschappen en de gewesten.
Ik ben van oordeel dat een uitbreiding van het dienstenchequesysteem een werkpotentieel voor werknemers ouder dan vijftig jaar kan betekenen. In 2007 bedroeg het totale aandeel van vijftigplussers in het hele dienstenchequesysteem 12%. Een uitbreiding van het systeem naar fysiek minder veeleisende taken zou dit aandeel kunnen verhogen.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - De markt voor aardgas, in het bijzonder de markt voor laagcalorisch aardgas of zogenaamd L-gas, wordt in ons land gekenmerkt door een zeer grote dominantie van de groep SUEZ. De aankoopcontracten met GasTerra, het Nederlands bedrijf dat gas uit Slochteren op onze markt brengt, zijn bijna volledig in handen van twee bedrijven: Distrigas met als meerderheidsaandeelhouder SUEZ en Gaz de France. Beide bedrijven zullen bovendien weldra een fusie aangaan. Alle Belgische aardgasleveranciers moeten zich bij een van deze twee bedrijven bevoorraden. Daar de belangrijkste aardgasleverancier Electrabel is, eveneens eigendom van de groep SUEZ, betekent dit dat de concurrenten van Electrabel zich bij hun grootste concurrent moeten bevoorraden.
Alleen Electrabel werkt met telegelezen meters, elektronische meters die van een afstand kunnen worden gelezen. Dit geeft het bedrijf een erg sterke positie. Er zijn me feiten bekend waarin Electrabel klanten met zowel telegelezen als manueel gelezen meters verplicht om hun volledige verbruik bij Electrabel af te nemen. Electrabel weigert gewoon bij die klanten aardgas te leveren, als ze ook niet voor hun manueel gelezen meters bij hen aardgas afnemen. Uiteraard is dit een onverantwoorde vorm van koppelverkoop en tegelijk een bewijs van de dominantie van Electrabel op onze aardgasmarkt. Eerder dit jaar kwam de CREG al naar buiten met een studie van Cambridge Economic Policy Associates Ltd getiteld `Structure and functioning of the natural gas market in Belgium in a European context', waarin gepleit wordt om die dominantie aan te pakken met een verplicht gas release, een verplichte veiling van een aantal aankoopcontracten die momenteel in het bezit zijn van Distrigas en de SUEZ-groep.
Hebben de CREG, de Algemene Directie Controle en Bemiddeling of de Algemene Directie Energie van de FOD Economie al berichten of klachten over de genoemde praktijken van Electrabel ontvangen? Wat was desgevallend zijn reactie?
De studie van de CREG pleit voor het invoeren van een gas release voor L-gas. Hoever staat de minister met maatregelen om een dergelijke veiling uit te voeren?
Ten slotte wil ik minister Van Quickenborne vragen of de Raad voor de Mededinging al berichten of klachten over de koppelverkoop door Electrabel heeft ontvangen. Wat was desgevallend zijn reactie? Acht hij deze praktijk in strijd met de mededingingswetgeving?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik kan alleen antwoorden op de vraag aan minister Magnette. Ik heb geen antwoord namens minister van Quickenborne. Ik lees het antwoord van minister Magnette.
De CREG heeft over deze materie geen klacht ontvangen. Wel werd de CREG door de VREG, de Vlaamse regulator, een eerste maal op 13 mei per e-mail op de hoogte gebracht. Op dit ogenblik wordt het bericht nader onderzocht in gezamenlijk overleg met de VREG. De FOD Economie heeft geen klacht ontvangen.
In de studie van de CREG van maart 2008 met als titel `Structure and functioning of the natural gas market in Belgium in a European context' uitgevoerd door Cambridge Economic Policy Associates Ltd, wordt verwezen naar 3 scenario's. Het eerste scenario is dat van `Steady state' waarbij er twee gelijktijdige processen zijn, namelijk het vervolg van het huidige beleid van geleidelijke omvorming van de L-klanten naar H-klanten evenals het opstellen van nieuwe L-gascontracten die de verzekering van de levering van L-gas aan de overige klanten mogelijk maakt. Een tweede scenario is het scenario `Marktgroei' waarin er wordt van uitgegaan dat er een op lange termijn competitieve L-gasmarkt tot stand komt. Een derde scenario tenslotte is het scenario `Geprogrammeerde stopzetting van de levering van L-gas' waarbij wordt overwogen de L-gaszone volledig om te vormen in H-gaszone en de huidige L-gas contracten niet te verlengen.
Voor elk scenario stelt de studie remedies voor met het oog op de verbetering van de competitiviteit op de gasmarkt. De studie neemt geen standpunt in met betrekking tot het scenario dat geïmplementeerd moet worden.
Deze studie stelt voor dat de CREG een studie uitvoert om te bepalen welk scenario moet worden gekozen op basis van een nauwgezette kosten-batenanalyse. Hoe dan ook, rekening houdend met het feit dat de keuze van het scenario een globale strategische beslissing is die een aanzienlijke weerslag kan hebben op de aardgasmarkt, moet deze beslissing genomen worden door de Belgische regering in overleg met de actoren van de markt en de CREG. Hiertoe werd een taskforce `Bevoorrading in L-gas' opgericht waaraan, afhankelijk van het behandelde thema, de voornaamste stakeholders deelnemen, namelijk de gewesten, Fluxys, Synergrid, de invoerders van L-gas, de CREG, ...). Deze taskforce zal onder meer volgende opdrachten hebben:
Hoe dan ook werd binnen de taskforce in dit stadium nog geen enkele beslissing met het oog op de totale omvorming van de L-gaszone genomen.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - De vraag aan minister Van Quickenborne is blijkbaar ergens tussen de mazen van het net geglipt. Het Bureau had mijn vraag vorige week nochtans ontvankelijk verklaard.
Over het mogelijke misbruik door Electrabel op de aardgasmarkt is toch indirect een klacht binnengekomen bij de CREG via de Vlaamse regulator. Momenteel onderzoekt de CREG die klacht samen met de Vlaamse regulator. Ik zou uiteraard graag op de hoogte worden gehouden van het resultaat van dat onderzoek.
Wat de toekomst van de gasmarkt en de verzekering van onze bevoorrading betreft, is er een taskforce in het leven geroepen om verschillende scenario's verder te bestuderen. Ook over het resultaat daarvan zou ik graag op de hoogte worden gehouden. De gevolgen van het aflopen van de leveringen van laagcalorisch aardgas door Nederland zullen zwaar wegen. De omschakeling van onze netten zal belangrijke investeringen vergen, die uiteraard aan de consument worden verrekend. Dat debat is dus maatschappelijk zeer belangrijk en ook de Senaat moet erbij worden betrokken.
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - De VREG heeft geen klacht tegen de CREG ingediend maar heeft alleen een vraag om inlichtingen gesteld.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - Ter hoogte van de gemeente Schoten loopt de hogesnelheidstrein over een lengte van meer dan drie kilometer door een halfopen kokerconstructie, evenwijdig aan de E19. De koker werd geplaatst om veiligheidsredenen en beschermt bovendien het vlakbij gelegen en vanuit ecologisch en recreatief oogpunt belangrijke domein Peerdsbos tegen lawaaihinder van de hogesnelheidslijn.
De koker heeft echter ook een belangrijke ruimtelijke impact op de omgeving. Tot verzachting werd de aanleg van een ecoduct en van wildpassages onder de E19 gepland. Desalniettemin werpt de lange koker een smet op het reeds versnipperde landschap en drukt hij op de belevingswaarde ervan.
Nu de koker er eenmaal ligt, zou men van de nood een deugd kunnen maken door aan de koker een bijkomende, duurzame functie te geven. Een groendak bijvoorbeeld zou een positieve invloed kunnen hebben op de waterbeheersing en op de filtering van fijn stof. Ook de aanleg van een grootschalige zonnecentrale bovenop de koker zou een zeer interessante optie kunnen zijn.
Volgens het voorstel van de Europese Commissie van 23 januari 2008, zal België tegen 2020 13% van zijn energie uit duurzame energie moeten halen. We moeten dus alle zeilen bijzetten.
Op de 15 meter brede koker van de hogesnelheidstrein is er plaats voor ongeveer 15.000 m² fotovoltaïsche cellen, goed voor een jaarproductie van ongeveer 1,4 GWh, wat een besparing van bijna 1.000 ton CO2 per jaar oplevert.
Van de minister van Overheidsbedrijven had ik graag vernomen of ze bereid is om dat potentieel uit te baten. Er zijn blijkbaar al kandidaten die de oppervlakte voor de installatie van zonnepanelen wensen te huren. In dergelijke huurcontracten plaatst en beheert een bedrijf de zonnepanelen en is de verhuurder, in casu Infrabel, zeker van constante huurinkomsten. Bovendien kan Infrabel de stroom tegen een gunstige prijs afnemen en kan het de installatie na een bepaalde periode gratis overnemen. Zonnepanelen plaatsen op een betonconstructie is technisch perfect haalbaar. Het project kan dus alleen voordelen opleveren voor Infrabel en de NMBS.
Weet de minister welke houding de NMBS en/of Infrabel ten aanzien van dit mogelijk lucratieve project aannemen? Is de minister bereid om er bij de NMBS en/of Infrabel op aan te dringen om het project te realiseren? Passen economisch rendabele investeringen in energiebesparing en in duurzame energie in de lopende beheersovereenkomst met Infrabel? Zo ja, wat zijn daarvan tot nu toe de resultaten. Zo neen, is de minister van plan dergelijke bepalingen in de volgende beheersovereenkomst op te nemen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Infrabel bevordert de productie van duurzame energie door haar installaties ter beschikking te stellen om projecten van opwekking van duurzame energie mogelijk te maken.
In de lopende beheersovereenkomst is bepaald dat Infrabel maatregelen onderzoekt en neemt ter verbetering van de energie-efficiëntie van haar activiteiten. Bovendien werd in 2005 samen met de andere leden van de NMBS-Groep met de federale overheid een overeenkomst gesloten om de energie-efficiëntie met 7,5% te verhogen tussen 2005 en 2012 en met 20% tussen 2005 en 2020.
Het totale energieverbruik voor verwarming van gebouwen is in 2007 met 19% gedaald ten opzichte van 2005. Dat is voor 9% het gevolg van de mildere temperaturen en voor 10% te wijten aan een hogere energie-efficiëntie.
Het verbruik van elektriciteit, uitgezonderd de tractie van treinen, is in 2007 nagenoeg gelijk gebleven. Het bijkomende verbruik in de nieuwe stations Antwerpen-Centraal en Liège-Guillemins wordt gecompenseerd door de substantiële daling op andere plaatsen.
In de nieuwe beheersovereenkomst wordt specifiek vermeld dat Infrabel mogelijke partnerschappen onderzoekt voor de installatie van fotovoltaïsche zonnepanelen op daken van gebouwen of andere infrastructuur.
Infrabel heeft voor de tunnel van de HSL langs het Peerdsbos nog geen aanvraag voor het huren van het dakoppervlak ontvangen. Er is daarvoor dus nog geen concreet project.
De heer Bart Martens (sp.a+Vl.Pro). - Ik heb begrepen dat de beheersovereenkomst in een aantal zaken voorziet en dat Infrabel daar ook effectief werk van maakt.
In verband met het concreet project Peerdsbos weet ik van de lokale besturen dat sommige producenten en leveranciers van zonnepanelen wel degelijk interesse vertonen voor een grootschalig project. Ik zal hen melden dat ze met hun vraag terecht kunnen bij Infrabel en dat Infrabel dat project in het kader van haar beheersovereenkomst met een zekere welwillendheid zal bestuderen.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 22 mei om 10 en 15.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 20.10 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Destexhe, Elsen, Procureur en Van den Brande, in het buitenland, de dames Delvaux, Smet en Van dermeersch, de heer Ceder, om gezondheidsredenen, de dames Stevens, Van Ermen en Van Hoof, de heer Lambert, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 46
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Dirk Claes, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Freddy Van Gaever, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 2
Aanwezig: 46
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 4
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Hugo Coveliers, Nele Jansegers, Freddy Van Gaever.
Stemming 3
Aanwezig: 45
Voor: 30
Tegen: 15
Onthoudingen: 0
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Yves Buysse, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Roland Duchatelet, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Freddy Van Gaever, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Paul Wille.
Tegen
Sfia Bouarfa, Christophe Collignon, José Daras, Francis Delpérée, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Carine Russo, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Christiane Vienne, Olga Zrihen.
Stemming 4
Aanwezig: 46
Voor: 38
Tegen: 5
Onthoudingen: 3
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Dirk Claes, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Roland Duchatelet, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Freddy Van Gaever, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Carine Russo.
Onthoudingen
Bart Martens, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.
Stemming 5
Aanwezig: 47
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Dirk Claes, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Freddy Van Gaever, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 6
Aanwezig: 47
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
Voor
Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Freddy Van Gaever.
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 116 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-757/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.; Stuk 4-764/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 745sexies van het Burgerlijk Wetboek om de Koning te machtigen jaarlijks de regels te bepalen voor de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende (van de heer Guy Swennen; Stuk 4-748/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren (van de heren Alain Destexhe en Jacques Brotchi; Stuk 4-753/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel betreffende de instelling van milieuzones in steden en gemeenten (van mevrouw Vera Dua; Stuk 4-754/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van diverse bepalingen om de openbaarmaking te regelen van de bezoldigingen van leidinggevenden bij vzw's, ziekenfondsen, landsbonden van ziekenfondsen en vakbondsorganisaties (van mevrouw Christine Defraigne c.s.; Stuk 4-758/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot reglementering van de boekenprijs (van mevrouw Anne-Marie Lizin en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 4-759/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot oprichting van een centrale gegevensbank van honden en houdende diverse bepalingen om incidenten met honden te voorkomen (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.; Stuk 4-761/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met het oog op een belastingvermindering voor premies van een aanvullende private ziekteverzekering (van mevrouw Lieve Van Ermen; Stuk 4-762/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstellen van resolutie
Voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia (van mevrouw Olga Zrihen c.s.; Stuk 4-755/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie betreffende de reclame en labeling over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van personenauto's (van de heer Bart Martens en mevrouw Freya Piryns; Stuk 4-756/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie met betrekking tot een nieuw algemeen beleid van België inzake de strijd tegen de honger in het licht van de wereldvoedselcrisis (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 4-767/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Voorstel van resolutie om NMBS-abonnees gratis parkeerplaatsen te garanderen (van de heren Christophe Collignon en Philippe Mahoux; Stuk 4-768/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschappen van 15 mei 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Kennisgeving
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys; Stuk 4-16/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 682bis in het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys; Stuk 4-17/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende de invoering van een belastingsvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Stuk 4-221/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Republiek Botswana, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 7 juni 2006 (van de Regering; Stuk 4-523/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), gedaan te Valletta op 16 januari 1992 (van de Regering; Stuk 4-540/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI), gedaan te Boedapest op 22 juni 2001 (van de Regering; Stuk 4-541/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging (wijzigingen aan de Conventie voor het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn, alsook aan het Protocol over de voorrechten en immuniteiten van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn, ondertekend te Brussel op 11 oktober 1973), aangenomen op 22 april 2005 (van de Regering; Stuk 4-542/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk Thailand inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken;
2º Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Thailand betreffende de overbrenging van gevonniste personen en betreffende de samenwerking in het kader van de strafuitvoering,
ondertekend te Bangkok op 12 november 2005 (van de Regering; Stuk 4-543/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de erkenning van diploma's betreffende het hoger onderwijs in de Europese Regio, gedaan te Lissabon op 11 april 1997 (van de Regering; Stuk 4-563/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
gedaan te Parijs op 21 juni 2001 (van de Regering; Stuk 4-564/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol inzake de explosieve oorlogsresten bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben (Protocol V), aangenomen te Genève op 28 november 2003 (van de Regering; Stuk 4-565/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende het Eurokorps en de rechtspositie van zijn Hoofdkwartier tussen de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Spanje en het Groothertogdom Luxemburg, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 22 november 2004 (van de Regering; Stuk 4-566/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, met de Bijlagen 1 en 2, en met de Aanhangsels, I, II, III, IV en V, gedaan te Straatsburg op 9 september 1996 (van de Regering; Stuk 4-569/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Wijziging van het Verdrag inzake de externe beveiliging van kernmateriaal, aangenomen te Wenen op 8 juli 2005 door de conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag (van de Regering; Stuk 4-570/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot het Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties, gedaan te Tampere (Finland) op 18 juni 1998 (van de Regering; Stuk 4-585/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds, gedaan te Luxemburg op 15 oktober 2007 (van de Regering; Stuk 4-588/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 mei 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de avenant van 28 december 2006 aan het samenwerkingsakkoord van 30 mei 2005 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de meerwaardeneconomie, bekrachtigd door de wet van 10 mei 2006 (van de Regering; Stuk 4-763/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsontwerp houdende instemming met de avenant van 20 september 2007 aan het samenwerkingsakkoord van 30 mei 2005 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de meerwaardeneconomie, bekrachtigd door de wet van 10 mei 2006 (van de Regering; Stuk 4-766/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 30 april 2008 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 april 2008.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.