3-37

3-37

Belgische Senaat

3-37

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 JANUARI 2004 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 7 december 1998 houdende organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones (van de heer Ludwig Vandenhove, Stuk 3-131)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat betreft de erkenning van handelszaken voor dieren (van mevrouw Christine Defraigne, Stuk 3-298)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (van mevrouw Christine Defraigne, Stuk 3-300)

Wetsvoorstel strekkende tot het verlenen van een toelage voor het begin van het schooljaar (van de heer René Thissen c.s., Stuk 3-100)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 289bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (van de heer René Thissen c.s., Stuk 3-115)

Samenstelling van commissies

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.10 uur.)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 7 december 1998 houdende organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones (van de heer Ludwig Vandenhove, Stuk 3-131)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 3-131/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat betreft de erkenning van handelszaken voor dieren (van mevrouw Christine Defraigne, Stuk 3-298)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wilmots verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-298/4.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (van mevrouw Christine Defraigne, Stuk 3-300)

Voorstel tot terugzending

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik vraag de terugzending van het voorstel naar de commissie. In de tekst is sprake van `adoptie'. Dat woord past niet voor dieren. De tekst moet in de commissie opnieuw onderzocht en gewijzigd worden.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik kan akkoord gaan met de heer Mahoux. In de commissie werden ook al opmerkingen gemaakt over het gebruik van het woord `adoptie' in een wettekst over het welzijn van dieren. De indienster van het voorstel vroeg om daarover suggesties te doen. Daaruit blijkt dat ook zij meent dat dit niet de meest ideale term is.

-Tot terugzending wordt besloten.

Wetsvoorstel strekkende tot het verlenen van een toelage voor het begin van het schooljaar (van de heer René Thissen c.s., Stuk 3-100)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Vankrunkelsven verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer René Thissen (CDH). - Wij steunen al lang de idee om een toelage voor het begin van het schooljaar toe te kennen. Een aantal gezinnen, vooral minderbedeelden, hebben het bij het begin van het schooljaar moeilijk om de bijzondere kosten die daarmee gepaard gaan te betalen. Onderwijs moet gratis zijn, niet in theorie maar in de praktijk. Daarom vinden wij dat het mogelijk moet zijn die toelage toe te kennen. De minister heeft gezegd dat ze die vraag niet steunt, enerzijds om budgettaire redenen en anderzijds omdat ze thans een reeks ontwerpen bespreekt met de staten-generaal van het gezin, waar die problematiek zal worden behandeld. We zullen zien wat dat oplevert.

Enkele collega's hebben zich in de commissie over het voorstel uitgesproken. De SP.A vindt het sympathiek, maar steunt het niet om budgettaire redenen en omdat het om een forfaitaire maatregel gaat. Die fractie vindt het wenselijk de toelage te koppelen aan de inkomsten.

De heer Vankrunkelsven meent dat het veeleer om een studietoelage gaat, wat ik uiteraard ontken. Ik beschouw het als een aanvulling op de kinderbijslag, die forfaitair is, en een recht van het kind. Alle kinderen moeten gelijk zijn, inzonderheid wat de toegang tot het onderwijs betreft. Wij vinden dat die toelage forfaitair moet blijven. In tegenstelling tot wat de heer Vankrunkelsven meent, vinden we ook dat ze als kinderbijslag niet valt onder de bevoegdheid van de gemeenschappen.

Ik betreur dat de meerderheid het niet nodig vond dit voorstel te volgen. Het brengt inderdaad wel kosten met zich mee. De regering zegt geregeld dat ze niets kan doen omwille van budgettaire redenen. De begroting is echter een uiting van de politieke keuzes van de meerderheid. Ik betreur dan ook dat dit voorstel niet in aanmerking werd genomen.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Onderwijs zou inderdaad gratis moeten zijn. De realiteit is anders. Wij weten dat de kinderbijslagen, die normaal het onderhoud en de onderwijskosten zouden moeten dekken, dat in werkelijkheid niet doen. De bedoelingen van de heer Thissen zijn dus goed, maar budgettair niet haalbaar. De gemeenschappen zullen het nodige moeten doen om te bereiken wat de wet oplegt, namelijk gratis basis- en secundair onderwijs. Ik begrijp dan ook volkomen dat de minister zich om budgettaire redenen tegen het voorstel verzet. Bovendien is het aan de ouders om hun budget zo te plannen dat zij de extra kosten van de maand september kunnen opvangen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De heer Thissen zegt dat de weerslag van de schooluitgaven verschilt volgens de situatie van de gezinnen. Het voorstel corrigeert dit verschil niet, maar geeft alle gezinnen een lineaire verhoging. Dat verdient enige discussie. Het verplichte onderwijs is gratis, althans in theorie. In de praktijk is dat echter niet altijd het geval. De kosten verschillen per school, wat uiteraard onaanvaardbaar is.

Dit probleem moet in zijn geheel worden besproken. Ik herhaal dat het voorstel van de heer Thissen de ongelijkheden wil corrigeren, maar dat het die in feite in stand houdt. Hij heeft dat overigens zelf ook vastgesteld.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het wetsvoorstel van de heer Thissen vestigt de aandacht op een probleem dat al jaren bestaat: ons onderwijs is enorm duur; voor bepaalde groepen is het bijna onbetaalbaar. Heel wat gezinnen hebben het moeilijk in september en oktober omdat ze dan de schoolrekeningen krijgen. Vooral het beroepsonderwijs is zeer duur, vaak veel duurder dan het algemeen secundair onderwijs. Net in die richting zitten mensen die het financieel wat moeilijker hebben. Het basisonderwijs zou in principe gratis moeten zijn. Het middelbaar onderwijs zou betaalbaar moeten zijn. Dat is nu niet het geval, hoewel de jongste jaren de ouderverenigingen en de leerlingenraden wel heel wat impulsen geven.

Op het eerste gezicht ben ik dus geneigd te zeggen dat we dit wetsvoorstel moeten aannemen. Bij nader inzien stel ik echter vast dat het niet de problemen oplost van de groepen die het financieel wat moeilijker hebben. Het wetsvoorstel zou ook averechts kunnen werken. Het zou de druk van de ketel kunnen nemen, zodat ouderverenigingen en leerlingenraden minder zullen reageren en de scholen en de gemeenschappen, bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor gratis onderwijs, hun verantwoordelijkheid niet op zich zullen nemen.

Ik zal dit wetsvoorstel dus niet goedkeuren, niet omdat de budgettaire ruimte niet aanwezig is, maar omdat het probleem fundamenteel moet worden aangepakt, namelijk het gratis maken van het onderwijs. Ik roep dan ook alle gemeenschapssenatoren op daar in hun gemeenschap werk van te maken.

De heer René Thissen (CDH). - Ik ben er mij wel degelijk van bewust dat dit onderwerp een debat in de commissie verdient, maar geen enkele vertegenwoordiger van de PS heeft daar zijn mening gezegd. Ik betreur dat, want anders hadden wij deze zaak grondig kunnen bespreken. De kosteloosheid van het onderwijs blijft evenwel een belangrijke zaak, net als de `eenvoudige' toegang. Ik blijf er echter bij dat alle kinderen bepaalde schooluitgaven hebben. Sommigen ondervinden meer moeilijkheden dan anderen om het nodige materieel en de nodige kleding te kopen. Men kan uiteraard van mening zijn dat het probleem op school moeten worden geregeld, maar het gaat hier om uitgaven bij het begin van het schooljaar.

Mijn voorstel gaat over een aanvullende kinderbijslag. Het kan misschien wel bepaalde nadelen hebben en niet geheel billijk zijn. Als het daarom te doen is, moeten we ons ook afvragen of de kinderbijslag voor iedereen identiek moet zijn. Dat is echter een ander debat.

Het voorstel wil een oplossing bieden voor ouders die steeds meer moeilijkheden ondervinden om de schooluitgaven voor hun kinderen te bekostigen en die niet willen worden uitgesloten omdat ze niet de middelen hebben voor het materieel en de kleding die ze nodig hebben.

In de commissie heb ik als enige het voorstel gesteund. Voor mij is de bespreking voorlopig gesloten, maar we zullen er bij andere gelegenheden zeker nog op terugkomen. Ik denk immers dat de keuze van de meerderheid niet alleen wordt ingegeven door budgettaire overwegingen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). -. Onze Grondwet bepaalt dat het basisonderwijs kosteloos moet zijn, maar ook dat onderwijs een bevoegdheid van de gemeenschappen is. Ook de overheid die instaat voor de kinderbijslag, draagt ter zake echter verantwoordelijkheid. Kinderbijslag moet immers op zijn minst kostendekkend zijn. Het gaat hier niet om alle kosten in verband met de opvoeding, maar de minimumkosten. Uit heel veel studies blijkt dat die minimumkosten absoluut niet worden gedekt door de kinderbijslag. Daarom hebben wij in het CD&V-programma de eis van een dertiende maand kinderbijslag in de maand september opgenomen. Die maand hebben de ouders immers heel veel zuivere onderwijsuitgaven, maar ook andere uitgaven die daarmee samenhangen, zoals kleding, schoenen en verzorging. We steunen dit wetsvoorstel omdat we het als een eerste stap zien.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 289bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (van de heer René Thissen c.s., Stuk 3-115)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Ramoudt verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer René Thissen (CDH). - Ik apprecieer de manier waarop de voorzitter de afwezigheid van de rapporteurs toedekt. Het is vanmorgen al de derde die verstek laat gaan. Nochtans verdienen ook de voorstellen die in de commissie verworpen zijn een verslaggeving in de plenaire vergadering.

Er werden al talloze verklaringen afgelegd over de noodzaak om de economie opnieuw op gang te brengen en werkgelegenheid te creëren. Volgens de gouverneur van de Nationale Bank zou de Belgische economie in 2004 met 2% groeien waardoor er, bij een ongewijzigd beleid, 16.000 nieuwe banen kunnen worden gecreëerd. Daarmee zijn we echter nog ver verwijderd van de 200.000 nieuwe banen die voor de huidige regeerperiode werden beloofd. Er zijn al zes maanden verstreken. Een eenvoudige vermenigvuldiging leert dat er tegen de verkiezingen van 2007 amper 60.000 tot 70.000 nieuwe banen zullen zijn bijgekomen.

Volgens de gouverneur van de Nationale Bank heeft België bovendien af te rekenen met enkele negatieve factoren zoals een zwakke werkgelegenheidsgraad ten opzichte van het Europese gemiddelde, een productiviteitsvertraging ten opzichte van de Verenigde Staten en een vertraagde groei van het BBP per inwoner in de tien voorbije jaren. De regering moet dus nog heel wat doen om haar doelstelling te bereiken.

Experts beweren dat om een economische groei te bevorderen die nieuwe banen schept drie factoren met elkaar moeten worden gecombineerd, namelijk investeringen van ondernemingen in fysiek kapitaal, onderzoek en ontwikkeling en ontwikkeling van menselijk potentieel. Dit wetsvoorstel heeft tot doel die factoren te stimuleren, vooral dan de laatste twee.

Ik stel dus voor om in het Wetboek van de inkomstenbelastingen een bepaling in te voegen die ertoe strekt in de personen- en vennootschapsbelasting een bijkomende aftrek toe te staan in de vorm van een belastingkrediet voor de uitgaven voor opleiding en voor onderzoek en ontwikkeling.

Het is immers belangrijk dat er niet alleen door de overheidsinstellingen, maar ook door de privé-sector meer geïnvesteerd wordt in onderzoek en ontwikkeling. Ik stel vast dat de regering voor de openbare instellingen de bedrijfsvoorheffing voor de vorsers heeft verminderd.

Elkeen is zich dus bewust van het belang van het fundamenteel onderzoek, meer bepaald in de universiteiten die overheidsinstellingen zijn. Maar onderzoek en ontwikkeling moet ook permanent worden gestimuleerd in de bedrijven door het bevorderen van nieuwe productieprocessen, nieuwe arbeidsmethoden en nieuwe producten.

Onze KMO's zijn vandaag immers goed voor 40 tot 50% van de werkgelegenheid. Wanneer de KMO's van de maatregel worden uitgesloten, wordt een groot potentieel niet aangeboord. Het is jammer dat de KMO's zich onvoldoende bewust zijn van de noodzaak om te investeren in onderzoek. Eén van de middelen om dit te verhelpen is het scheppen van fiscale stimulansen.

Het personeel moet eerst worden opgeleid om aan onderzoek te kunnen doen. Algemeen strekt het wetsvoorstel ertoe in de personen- en vennootschapsbelasting een belastingkrediet te verlenen van 20%, met een maximum van 25% van de netto belastbare winsten en baten, van de uitgaven voor opleiding en voor onderzoek en ontwikkeling. Op die manier zullen middelen vrijgemaakt worden om het onderzoek en de ontwikkeling in bedrijven, vooral in de KMO's, te stimuleren.

Investeringshulp blijft nog te veel beperkt tot grote ondernemingen of gespecialiseerde centra.

Dit wetsvoorstel is des te meer nodig omdat de minister van Financiën in een recente persmededeling zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om kleine ondernemingen meer te belasten, zij het op een onrechtstreekse manier, door de minimumbedragen voor de bezoldigingen van de bedrijfsleiders te verhogen.

Om voor de verlaagde tarieven in de vennootschapsbelasting in aanmerking te komen, moet de bedrijfsleider een bezoldiging van minstens 24.500 euro ontvangen. Nu wil de minister dit minimumbedrag aanzienlijk verhogen, zodat de ondernemingen minder mogelijkheden zullen hebben om reserves op te bouwen die nadien voor investeringen kunnen worden aangewend. Als hij ervan uitgaat dat investeringen in bedrijven noodzakelijk zijn, vooral investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in opleiding, moet hij de gepaste maatregelen treffen om dat doel te bereiken.

Mijn wetsvoorstel is een poging om de investeringsinspanningen te brengen op het, misschien een beetje utopische, peil van 3% van het BBP. De landen die op sociaal-economisch vlak het sterkst zijn, bereiken die doelstelling trouwens. Het is juist dat er nu al een aftrek van het inkomen voor gekwalificeerde onderzoekers bestaat en dat de regering pas een vrijstelling van 50% van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van onderzoekers en doctorandi heeft verleend. De minister zal dat als argument aanvoeren en verwijzen naar de budgettaire beperkingen.

Die hulp geldt echter haast uitsluitend de instellingen die gespecialiseerd zijn in het onderzoek, hoewel het fundamenteel onderzoek van vitaal belang is voor de ontwikkeling van de ondernemingen. Mijn wetsvoorstel gaat verder: het wil het onderzoek in alle ondernemingen bevorderen, ongeacht de omvang van de onderneming.

Ik geloof niet dat alleen de gespecialiseerde of grote bedrijven in staat zijn om op een efficiënte wijze aan onderzoek te doen en te innoveren. Ik betreur dat de creativiteit niet wordt gestimuleerd en dat er niet meer belang wordt gehecht aan de opleiding. In sommige gebieden met een vertraagde economische groei zou dat nochtans een belangrijk instrument kunnen zijn om de achterstand in te halen. Het is jammer dat de meerderheid dit wetsvoorstel in de commissie heeft verworpen. Grote verklaringen over hulp aan de KMO's klinken wel mooi, maar er moet nog een lange weg afgelegd worden om ze te concretiseren.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Collega Ramoudt neemt vandaag deel aan een vergadering van de commissie Economie van de Raad van Europa in Londen. Bijgevolg kan hij hier vandaag niet aanwezig zijn.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden de heer Pierre Galand aan te wijzen als effectief lid. (Instemming)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Normaal gezien zouden we vanochtend de vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé horen. De heer Caluwé kan echter niet vóór 11.30 uur aanwezig zijn. Ik stel dan ook voor die vraag uit te stellen tot de namiddagvergadering.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik ben blij dat ik vanmiddag de vraag om uitleg van de heer Caluwé en het antwoord van de minister zal horen, maar volgens mij werd gisteren over hetzelfde onderwerp al langdurig vergaderd. Veel sprekers hadden het over Kyoto. Ik wijs er alleen op dat in de commissie en in de plenaire vergadering hetzelfde werk wordt gedaan.

De heer René Thissen (CDH). - De vragen om uitleg worden zowat veertien dagen vóór de vergadering ingediend en wij beslissen niet over de agenda van de regering. Door een samenloop van omstandigheden was de minister gisteren in de commissie aanwezig. Toch denk ik dat het interessant is dat die vraag kan worden gesteld zodat de parlementaire werkzaamheden normaal kunnen verlopen.

Ik heb ongeveer veertien dagen geleden een vraag om uitleg ingediend over de problemen inzake werkgelegenheid. Als de regering nadien in de commissie daarover een verklaring zou afleggen, zou men er ook van uit kunnen gaan dat die vraag geschrapt is. Aangezien de vraag om uitleg van de heer Caluwé gepland was, zie ik niet in waarom men ze zou schrappen, ook al werd het onderwerp al behandeld.

De voorzitter. - Ik stel niet voor de vraag te schrappen, maar ik moet de vergaderingen organiseren. Ik stel voor dat die vraag om uitleg vanmiddag samen met de andere vragen wordt gesteld en we zullen de minister vragen aanwezig te zijn.

De heer René Thissen (CDH). - Het was niet voorzien dat alle rapporteurs afwezig zouden zijn en dat de bespreking van de vijf wetsvoorstellen maar veertig minuten zou duren. We mogen bij de organisatie van de werkzaamheden dan ook een beetje tolerant zijn ten opzichte van de heer Caluwé.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 10.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Lizin en de heren Happart en Ramoudt, met opdracht in het buitenland, de heer Nimmegeers, om gezondheidsredenen, en de heer Hugo Vandenberghe, wegens ambtsplichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.