5-108

5-108

Belgische Senaat

5-108

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 20 JUNI 2013 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming

Mondelinge vragen

Wetsontwerp betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (Stuk 5-1189)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 5-2130)

Inoverwegingneming van voorstellen

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van een wetsontwerp

Grondwettelijk Hof - Arresten

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Parket-generaal

Auditoraat-generaal

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding


Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Regeling van de werkzaamheden

De heer Jurgen Ceder (Onafhankelijke). - Mevrouw de voorzitster, ik heb een vraag over de agenda. Ik had een mondelinge vraag aan de eerste minister ingediend, maar ik kreeg van uw diensten een mail met de mededeling dat mijn vraag werd geschrapt, ten eerste omdat ze "afhankelijk" zou zijn van een hangend rechtsgeding. Dat is niet juist. Mijn vraag is gesteld naar aanleiding van een rechtsgeding. Een tweede reden is dat mijn vraag over een persoonlijk geval zou gaan. De erkenning van koningskinderen is echter geen persoonlijk geval, maar een zaak van staatsbelang. Het is dus niet correct de vraag daarom te schrappen.

De voorzitster. - Ik heb uw vraag vanmiddag aan het Bureau voorgelegd. Het heeft bevestigd dat de vraag onontvankelijk is. Daar waren verschillende redenen voor. Ik zal ze niet allemaal overlopen, maar de hoofdreden was wel dat deze zaak het privéleven van de Koning betreft en de praktijk van het parlement niet toestaat dat dergelijke vragen worden gesteld.

De heer Jurgen Ceder (Onafhankelijke). - Daar hebt u gelijk in, maar de erkenning van koningskinderen is geen privéaangelegenheid. Bovendien gaat mijn vraag niet daarover. Mijn vraag gaat over de 21 juliboodschap van de Koning. Daarover zijn zowel in Kamer als Senaat al zeer veel vragen gesteld. Ik zie dus niet in waarom nu geen vraag mag worden gesteld over de mogelijke 21 juliboodschap van de Koning. Dat is geen privéaangelegenheid, maar bij uitstek een publieke en politieke zaak.

De voorzitster. - Uw vraag werd niet op de agenda geplaatst omdat u peilt naar de intenties van de regering en dat kunt u niet doen.

De heer Jurgen Ceder (Onafhankelijke). - Ik peil niet naar de intenties, maar naar het standpunt van de regering. U begrijpt de nuance.

De voorzitster. - We kunnen niet blijven argumenteren. U hebt uw standpunt uiteengezet, ik heb u de beslissing van het Bureau medegedeeld en de vraag is onontvankelijk verklaard.

De heer Bart Laeremans (VB). - Ik wil even opmerken dat we de heer Ceder volkomen gelijk geven en werkelijk betreuren dat u voor de zoveelste keer op rij niet toestaat dat over het koningshuis normale, gewone parlementaire vragen worden gesteld. U zit hier blijkbaar niet als verdediger van de vrije meningsuiting, maar als verdediger van de adel en dat vinden we zeer merkwaardig.

De voorzitster. - Ik voel me niet aangesproken door uw persoonlijke opmerking. Ik breng enkel verslag uit van een beslissing van het Bureau.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over «het onderhandelen van nieuwe bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten» (nr. 5-1059)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - België overweegt te onderhandelen over nieuwe bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten zonder daarvoor eerst een nieuw model te ontwikkelen waarin ernstige garanties vervat zijn met betrekking tot de inachtneming van sociale normen en milieunormen evenals van het algemeen belang.

Gewoon verder doen met business as usual strookt niet met de onderhandelingsprocedures die de Europese Commissie heeft opgestart en die in het kader van gelijkaardige overeenkomsten met Canada, India en andere landen, nieuwe formuleringen voorstelt die de leemten in de vroegere investeringsbeschermingsovereenkomsten van de Europese lidstaten opvullen, met name inzake transparantie en de strijd tegen belangenconflicten in de private arbitrage of de bescherming van het recht van staten om zichzelf te reguleren.

Die investeringsbeschermingsovereenkomsten op Europees niveau zijn bovendien gekoppeld aan ruimere handelsovereenkomsten die meer verstrekkende sociale clausules en milieuclausules bevatten en bovendien begeleid worden via participatieve monitoring.

In de beleidsnota's van 2009 en 2011 werd opgeroepen om sociale en milieuclausules op te nemen in de investeringsbeschermingsovereenkomsten. Hoever staat de herziening van het model van Belgische investeringsbeschermingsovereenkomsten waarmee gestreefd wordt naar een nieuw evenwicht tussen investeerders, Staten en werknemers?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken. - Zoals gezegd, gaan het regeerakkoord en de beleidsnota's in dezelfde richting. Daarbij moet met twee elementen rekening worden gehouden.

Vooreerst mag niet uit het oog worden verloren dat de investeringsbeschermingsovereenkomsten een belangrijk instrument zijn voor het concurrentievermogen van onze bedrijven en bijgevolg voor de werkgelegenheid in ons land. Zoals in de beleidsnota's van 2009 en 2011 te lezen staat, moeten die overeenkomsten het ook mogelijk maken om hetzij via onderhandelingen door de Europese Unie, hetzij via bilaterale onderhandelingen hoogstaande sociale en milieunormen te promoten. In de besprekingen over het sluiten van dergelijke overeenkomsten door de Europese Unie, hebben we altijd aangedrongen op de noodzaak van strikte clausules daaromtrent.

Wat de herziening van onze bilaterale overeenkomsten betreft, is de reflectie nog aan de gang over het nieuwe model van bilaterale overeenkomst dat moet ontwikkeld worden. Ik hoop u binnenkort te kunnen laten weten hoe dat model zal worden bijgestuurd, zodat het in de lijn ligt van de verwachtingen die ook op Europees niveau worden gehanteerd, met name doordat er meer ambitieuze sociale en milieuclausules in opgenomen zijn.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik hecht belang aan het feit dat erover gewaakt wordt om sociale en milieuclausules in de overeenkomsten op te nemen. Ik zal hierop terugkomen om te zien welk nieuw model we hebben kunnen ontwikkelen, aangezien we ons misschien kunnen laten inspireren door gelijkaardige overeenkomsten met Canada, India en nog andere landen, die via nieuwe formuleringen de leemten pogen op te vangen.

Mondelinge vraag van de heer Yoeri Vastersavendts aan de staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit, en voor Staatshervorming over «de software die gebruikt wordt voor trajectcontroles» (nr. 5-1068)

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - In Nederland is deze week ophef ontstaan omdat de software die voor trajectcontroles wordt gebruikt, bepaalde voertuigen niet herkent. Uit onderzoek komt naar voren dat de controlesystemen campers en bedrijfswagens ten onrechte aanzien voor auto's met aanhanger, die maximaal 90 kilometer per uur mogen rijden.

Jaarlijks worden in Nederland 200 tot 300 dergelijke boetes aangevochten. Naar schatting ligt het aantal onterecht uitgedeelde boetes een stuk hoger. De Nederlandse overheid is al sinds 2009 op de hoogte van het probleem, maar trad niet op, omdat de softwarefout binnen de foutenmarge valt. Ook in ons land voorziet het desbetreffende koninklijk besluit van 12 oktober 2010 in een dergelijke foutenmarge.

Inzake trajectcontrole zijn niet alleen de gewesten bevoegd, maar ook de federale overheid, in het bijzonder de departementen Economie en Justitie. De staatssecretaris voor Mobiliteit is bevoegd voor de ijking en de gebruikte software.

Worden er in ons land momenteel trajectcontroles verricht die met vergelijkbare software werken als die in Nederland? Zo ja, waar?

Is de staatssecretaris op de hoogte van problemen met de software op het Belgisch grondgebied?

Is de staatssecretaris bereid op te treden als zou blijken dat er ook in ons land fouten in de software zitten, zelfs al vallen die binnen de foutenmarge van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit en voor Staatshervorming. - Zoals de senator zelf aangeeft, behoort deze problematiek in hoofdzaak tot de bevoegdheid van andere federale departementen dan het departement Mobiliteit, maar ook tot de bevoegdheid van de Gewesten. Ik heb mij dus links en rechts moeten informeren om een antwoord te kunnen geven.

Ook in Vlaanderen wordt het Nederlandse systeem voor trajectcontrole gebruikt. De vier geïnstalleerde installaties - twee in Gentbrugge en twee in Wetteren - zijn goedgekeurd door de wettelijke metrologie op basis van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010. De foutenmarges waarin dat koninklijk besluit voorziet, hebben alleen betrekking op het meten van de snelheid en niet op het herkennen van voertuigen.

In Nederland is de toegelaten snelheid van auto's met aanhangwagen op autosnelwegen trouwens beperkt tot 90 km per uur, terwijl dat bij ons 120 km per uur is. Bijgevolg kan er geen verwarring zijn met campers en bestelwagens die eveneens 120 km per uur mogen rijden.

De installatie in Gentbrugge staat afgesteld op 90 km per uur voor iedereen. In Wetteren is de maximumsnelheid 120 km per uur en kan er technisch een onderscheid worden gemaakt tussen vrachtwagens die slechts 90 km per uur mogen rijden en de andere voertuigen die 120 km per uur mogen rijden. Het verschil in lengte tussen beide is relevant genoeg om verwarring uit te sluiten, uiteraard behoudens bijzondere situaties.

In tegenstelling tot Nederland, worden in België de beelden van de geverbaliseerde voertuigen ook nog manueel gecontroleerd om na te gaan of de automatische vaststelling correct is gebeurd. Op die manier kunnen fouten met betrekking tot verkeerd gelezen nummerplaten of voertuigen die onterecht zijn geverbaliseerd, worden rechtgezet.

Ten slotte kan de overtreder die zijn snelheidsovertreding betwist op basis van het soort voertuig waarmee hij rijdt, aan de hand van zijn nummerplaat gemakkelijk aan de politie of het parket bewijzen dat hij geen overtreding heeft begaan.

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - Ik ben blij dat de fouten die zich in Nederland voordoen, in België niet gebeuren.

Mondelinge vraag van mevrouw Caroline Désir aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «de toestand van kiezers met twee nationaliteiten voor de Europese verkiezingen van 2014» (nr. 5-1057)

Mevrouw Caroline Désir (PS). - De volgende Europese verkiezingen zullen plaatsvinden tussen 22 en 25 mei 2014. Die democratische afspraak is belangrijk voor alle burgers van de Europese Unie.

Zoals u weet, bepaalt artikel 19.2 van het Verdrag Betreffende de Europese Unie dat iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het kiesrechtbezit bezit bij de Europese verkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat. Richtlijn 93/109/EG van de Raad bepaalt de modaliteiten voor de uitoefening ervan. Artikel 4.1 verduidelijkt: "de communautaire kiezer oefent zijn actief kiesrecht hetzij in de Lid-Staat van verblijf, hetzij in de Lid-Staat van herkomst uit. Niemand mag meer dan eenmaal zijn stem uitbrengen bij eenzelfde verkiezing".

Dit kan een probleem zijn voor onze medeburgers met een dubbele nationaliteit die beslissen in hun thuisland te stemmen, want artikel 62 van onze Grondwet bepaalt dat er voor alle verkiezingen verplicht in België moet worden gestemd. Zullen de burgers gestraft kunnen worden als ze voor deze verkiezingen hun kiesplicht in een ander land vervullen? Zo ja, gaat het hier dan niet om een beperking van de vrije keuze om het kiesrecht uit te oefenen, hetzij in het land waar men verblijft, hetzij in het land van herkomst?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Op grond van de Europese richtlijn kan elke Europese onderdaan voor de Europese verkiezingen stemmen in de lidstaat waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft. Een Belgische onderdaan die zijn hoofdverblijfplaats in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft, mag zijn stemrecht voor het Europees Parlement wettelijk gezien dus in dat land uitoefenen.

Voor personen met een dubbele nationaliteit, waarvan één de Belgische is, en die in België verblijven, is volgende reglementering van toepassing.

Een persoon die de Belgische nationaliteit en ook de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie heeft, wordt door België altijd beschouwd als een burger met uitsluitend de Belgische nationaliteit. Hij heeft dus alle rechten en plichten van een Belgische onderdaan. Als hij in België verblijft, wordt hij automatisch als Belgische onderdaan opgenomen op de kiezerslijst voor de verkiezing van het Europees Parlement en zal hij verplicht zijn in België zijn stem uit te brengen. Het feit dat hij aan de voorwaarden voldoet om voor het Europees Parlement te stemmen volgens het recht van de Staat van zijn andere nationaliteit, ontslaat hem niet van de verplichting om in België als Belgische onderdaan te stemmen.

De burger die de Belgische en ook de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie heeft en die in België verblijft, zal in de huidige stand van zaken dus verplicht zijn om in België te stemmen. Hij valt niet onder de toepassing van de voormelde richtlijn, die toelaat te kiezen tussen het land van herkomst en het land van verblijf.

De kwestie van de dubbele nationaliteit werd door de richtlijn niet geregeld. Als een persoon met twee nationaliteiten stappen heeft ondernomen om voor de Europese verkiezingen in zijn land van herkomst te kunnen stemmen, dan moet de informatie-uitwisseling tussen het land waar hij woont en het herkomstland ertoe leiden dat zijn verzoek in het land van herkomst wordt afgewezen omdat hij eveneens de Belgische nationaliteit heeft en noodzakelijkerwijs op de Belgische kieslijsten zal voorkomen.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Mijn conclusie is dus juist. Iemand met de Belgische en de Franse nationaliteit kan bijvoorbeeld bij de Europese verkiezingen niet in Frankrijk stemmen. Klopt dat?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Als hij in België woont, kan hij inderdaad niet in Frankrijk stemmen.

Mondelinge vraag van mevrouw Fatiha Saïdi aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «de bevindingen van de ULB-studie over de gedwongen huwelijken in Brussel» (nr. 5-1058)

Mevrouw Fatiha Saïdi (PS). - De studie over gedwongen huwelijken in Brussel, uitgevoerd in het kader van het Nationaal actieplan inzake de strijd tegen het partnergeweld en andere vormen van intrafamiliaal geweld (NAP), heeft verbazende resultaten opgeleverd, vergeleken met wat enkele sterk gemediatiseerde gevallen ons konden laten veronderstellen.

Uit een objectieve benadering van de realiteit blijkt dat het een marginaal verschijnsel is bij de 1,1 miljoen inwoners van het multiculturele Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De resultaten van de studie vloeien voort uit de exploitatie van gegevens die werden ingezameld bij een groot aantal verenigingen en actoren die zich bekommeren om familiaal en echtelijk geweld en dus ook om gedwongen huwelijken. Ze hebben vooral betrekking op de bevolking van Turkse en Marokkaanse oorsprong, die eerder geneigd is om naar die verenigingen te gaan. Deze studie had echter geen betrekking op andere bevolkingsgroepen waar de culturele tradities inzake geregelde, gedwongen en/of ondergane huwelijken veel sterker zijn dan bij de genoemde gemeenschappen.

We konden uiteraard alleen de bevolkingsgroep benaderen die het best geïntegreerd is in het verenigingsleven.

In 2010 is in Brussel slechts één geval van gedwongen huwelijk aan het licht gekomen op de 200 dossiers van "verdachte" huwelijken die elk jaar worden doorgegeven aan het parket. Jammer genoeg worden de gedwongen huwelijken buiten België voltrokken en de schande die een echtscheiding teweegbrengt in bepaalde gemeenschappen, zet de slachtoffers ertoe aan zich te onderwerpen aan de wensen van de familieclan en te zwijgen.

We kunnen alleen maar hopen dat deze cijfers een weerspiegeling zijn van de werkelijkheid, maar ik ben toch verbaasd over de conclusies, die in tegenspraak zijn met internationale studies. Ik vraag me overigens af of de conclusies van deze studie de druk die wordt uitgeoefend op elke vorm van geweld die een ernstige weerslag heeft op het gevoelsleven van de vrouwen, niet dreigen weg te nemen.

Daarom zou ik graag weten welk gevolg de minister zal geven aan de conclusies van deze studie.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ook ik was verbaasd over de resultaten van de studie van Andrea Rea over gedwongen huwelijken. Daarom heb ik gevraagd dat een aanvullend onderzoek zou worden gevoerd. Alle vzw's, verenigingen en ziekenhuizen van Brussel zullen een vragenlijst ontvangen, zodat ik een ruimer beeld krijg van de realiteit dan het beeld dat ontstaan is na de hoorzittingen en ontmoetingen met een beperkter aantal instellingen.

We moeten hoe dan ook waakzaam blijven, temeer daar uit de criminaliteitsstatistieken van 2012 blijkt dat officieel dertien gedwongen huwelijken werden voltrokken. Het Nationaal actieplan inzake de strijd tegen het partner- en intrafamiliaal geweld bevat enkele maatregelen, maar ik stel vijf nieuwe actiepunten voor.

Het eerste punt is sensibilisering van de ambtenaren van de burgerlijke stand. Zij moeten beter worden opgeleid om tekenen van een gedwongen huwelijk te detecteren. Er is een opleiding gepland in september 2013.

Het tweede punt is de uitbreiding van de cellen "Schijnhuwelijken". Die cellen moeten worden veralgemeend en worden aangevuld. Hun deskundigheid moet worden opgedreven via communicatie en specifieke opleidingen.

Het derde punt is sensibilisering van de consulaten. De specifieke sensibiliserings- en begeleidingsstrategie voor de consulaten is belangrijk opdat ze zo adequaat mogelijk gebruik zouden maken van de weigering tot consulair attest in geval van alarmsignalen voor een gedwongen huwelijk. Op 25 maart had in Brussel een sensibiliseringsactie plaats voor de consuls, omdat ze daar allemaal aanwezig waren naar aanleiding van de diplomatieke dagen.

Het vierde actiepunt is de sensibilisering van de politiezones voor deze problematiek, wat ook zeer belangrijk is. Net vóór de vakantie is een artikel gepubliceerd in Infodoc, het maandblad van het kaderpersoneel, omdat dit een risicoperiode is.

Het laatste actiepunt heeft betrekking op het thema "huwelijk en migratie". Collega Maggie De Block, bevoegd voor Asiel, besteedt eveneens aandacht aan gedwongen huwelijken en schijnhuwelijken, die soms jammer genoeg voor één van de echtgenoten de sleutel zijn voor een verblijfsvergunning. Vele vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld durven dat niet aanklagen omdat ze bang zijn hun verblijfsvergunning te verliezen. Daarom zal ik een ontmoeting organiseren met het vluchtelingenwerk en het departement van mevrouw De Block voor dit probleem sensibiliseren.

Mevrouw Fatiha Saïdi (PS). - Het antwoord van de minister stelt me gerust. Ik vreesde dat de conclusies van de studie de verenigingen zouden ontmoedigen, en vooral de netwerken die de jongste jaren ontstaan zijn en die een uitstekende expertise hebben opgedaan, zoals het netwerk met betrekking tot huwelijk en migratie. Ik zal hen dit antwoord bezorgen en de ontwikkelingen op dit vlak blijven volgen.

Mondelinge vraag van de heer Benoit Hellings aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «de nieuwe arrestatie van een Belgische activist» (nr. 5-1063)

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Op maandag 17 juni rond drie uur hebben Spaanse politieagenten in burger de Belgische staatsburger Bahar Kimyongür aangehouden in het Spaanse Cordoba. Volgens de plaatselijke gerechtelijke autoriteiten had Turkije op 28 mei laatstleden tegen hem een nieuw internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Hij wordt er opnieuw van beschuldigd deel uit te maken van een terroristische groep.

Ik snijd dat gerechtelijk feit, dat op het eerste zicht een privézaak kan lijken aan om twee redenen.

De eerste reden heeft te maken met het feit dat in 2006, in het kader van een vorige arrestatie, in Nederland, waarbij de Belgische regering actief was betrokken, de naam van de heer Kimyongür vaak werd uitgesproken in deze assemblee door onze oud-collega de heer Dubié. Over die zaak van een mogelijke belangenvereniging van ambtenaren moeten onze rechtbanken zich trouwens nog uitspreken.

De tweede reden is de ontmoeting van minister Milquet met de Turkse ministers van Justitie en van Binnenlandse zaken op 22 mei, in Turkije. Haar persmededeling in dat verband vermeldde triomfantelijk dat, naast de problematiek van de Belgische strijders in Syrië "ook andere vormen van terrorisme" werden besproken, onder meer gelinkt met de aanslagen van het DHKP-C. Ook de recente hervormingen van de antiterrorismewetgeving in Turkije zijn aan bod gekomen. De ministers zijn overeengekomen hun nieuwe samenwerkingsakkoord in de dagelijkse praktijk om te zetten, en hun samenwerkingsverband te versterken via een permanente uitwisseling van informatie, van praktijken, van wederzijdse gerechtelijke en politiële ondersteuning en aan de hand van regelmatige ontmoetingen via, onder meer directe contacten tussen medewerkers van de bevoegde Belgische en Turkse diensten.

Dat alles vindt plaats in een context waarin de AKP-regering een genadeloze politiële en juridische strijd voert tegen haar huidige tegenstanders die zich hebben verzameld in de grote Turkse steden, maar ook tegen sommige artsen, advocaten en journalisten.

Ik herinner er in dit verband aan dat onze Senaat, drie maanden geleden, met een zeer ruime meerderheid, gesteund door de partij van de minister, een glasheldere resolutie van collega Morael heeft goedgekeurd over de rampzalige toestand van de fundamentele vrijheden in Turkije, in het bijzonder inzake persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.

Heeft de minister, op de vergadering van 22 mei in Turkije, de specifieke gevallen van Belgische activisten die door de Turkse autoriteiten worden opgespoord wegens politieke redenen met haar Turkse collega's besproken?

Heeft onze politie of een andere Belgische veiligheidsdienst, krachtens het recente protocolakkoord tussen de Turkse en Belgische politieoverheden, het opsporingsbericht over Bahar Kimyongür verspreid of een inlichting over zijn aanwezigheid op Spaans grondgebied aan hun Turkse of Spaanse collega's doorgestuurd?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ik dank de heer Hellings voor zijn vraag. Ik hoop dat ze me de gelegenheid biedt een definitief einde te maken aan een zekere campagne die onlangs gestart is op de sociale netwerken, waarbij informatie wordt verspreid, die zowel fout als verbazingwekkend is.

Ik ben niet naar Turkije geweest om er te spreken over de DHKP-C of de PKK, maar wel met de bedoeling onze samenwerking met de Turkse autoriteiten inzake de problematiek van de jonge Europeanen die door Turkije reizen om te gaan strijden te versterken. Dat zou ons in het bijzonder de mogelijkheid moeten bieden hen beter te lokaliseren, hun vertrek te verhinderen, hen terug te brengen, informatie uit te wisselen om te voorkomen dat ze de grens overschrijden, ingelicht te worden over hun eventuele terugkeer en, naargelang van het geval, begeleidings- of aanhoudingsmaatregelen te nemen, gepaard gaande met het terugsturen naar België. Die twee gevallen hebben zich enkele dagen geleden voorgedaan.

Dat was dus de enige doelstelling van mijn ontmoetingen. Ik heb hoegenaamd geen enkel ander onderwerp aangesneden en heb niet gesproken, of horen spreken over het geval Bahar Kimyongür.

Overigens, naast het onderwerp van onze besprekingen hebben de Turkse autoriteiten in de eerste plaats en bijna uitsluitend gesproken over het vredesproces waarover wordt onderhandeld met de heer Öcalan.

Ik ben noch minister van Justitie, noch Spaans gezaghebber en kan dus helemaal niets doen aan de beslissing van de heer Bahar Kimyongür om zijn vakantie door te brengen in Spanje, noch aan de reactie van de Spaanse autoriteiten. Ik wist niet dat de heer Bahar Kimyongür in Spanje was en nog minder dat de Spaanse autoriteiten hem zouden arresteren, op basis van een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Turkse autoriteiten. Intussen is hij in vrijheid gesteld na een onafhankelijke rechterlijke beslissing. Nogmaals, die materie behoort tot Justitie.

Ik hoop de situatie te hebben opgehelderd en de heer Hellings ervan te hebben kunnen overtuigen dat België niets te maken heeft met wat er in Spanje gebeurt. Ik hoop dat daarmee een einde komt aan het mailverkeer en de verspreiding van informatie op de sociale netwerken.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. U zegt dat u niet gesproken heeft over de DHKP-C. Ik citeer opnieuw uit uw persmededeling die op uw website staat: "Naast de problematiek van de Belgische strijders in Syrië werden ook andere vormen van terrorisme besproken, onder meer gelinkt met de aanslagen van het DHKP-C."

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Het onderwerp werd aangesneden om het vredesproces te verklaren, maar dat was echt bijkomstig.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Ik beweer niet dat u het onderwerp ter sprake heeft gebracht, maar de kwestie van de DHKP-C werd wel degelijk ter sprake gebracht.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - De betrokken overheden hebben inderdaad de algemene problemen ter sprake gebracht en uitleg gegeven over het vredesproces dat aan de gang is, met de ontwapening die in de bergen, nabij de grens, op gang is gekomen.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Beken dan toch dat de toevallige samenloop zeer verbazingwekkend is. U heeft de Turkse autoriteiten op 22 mei ontmoet. Op 28 mei verscheen een nieuw internationaal aanhoudingsbevel op Interpol en om 14 juni wordt Bahar Kimyongür aangehouden. Ik zou graag uw aandacht vestigen op het feit dat in 2013 het politieagenten in burger waren die Bahar Kimyongür hebben gearresteerd. In 2006 waren het verkeersagenten die hem hebben gearresteerd. Dat is een heel andere situatie. Hij werd aangehouden in een kathedraal - wat u misschien een plezier doet. Het gaat hier niet om een toeval. Het gaat wel degelijk om een inlichting die de Spaanse politie, klaarblijkelijk de geheime diensten, heeft gekregen van een buitenlandse dienst, misschien niet de onze, waarna politieagenten in burger, wellicht van de geheime dienst, zijn overgegaan tot de arrestatie. Daar is blijkbaar een en ander overeengekomen ...

De voorzitster. - Mijnheer Hellings, dit is geen debat, maar een mondelinge vraag. U heeft uw spreektijd overschreden.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - We zitten niet in een film, mijnheer Hellings. U moet weten dat als een internationaal aanhoudingsmandaat wordt uitgevaardigd - in het huidige geval bestaat het al lang - automatisch informatie verschijnt zodra de persoon op wie het bevel betrekking heeft een grens oversteekt. Daartoe hoeft geen geheime dienst, welke dan ook, op te treden.

De Spaanse overheden werken in hun eigen kader met de officiële informatie waarover ze beschikken, zoals alle andere landen van de Schengenzone die correspondentie voeren over een internationaal Europol-opsporingsbericht. België heeft daar niets mee te maken. België heeft niet gevraagd dat de betrokken persoon op vakantie zou gaan naar Spanje en de beslissingen van de Turkse autoriteiten hebben niets te maken met het bezoek aan Turkije van een Europees land over een onderwerp dat niets met die zaak te maken heeft. Ik hoop dat ik duidelijk ben geweest.

De voorzitster. - U heeft tien seconden om af te ronden, mijnheer Hellings.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Ik heb de indruk, dat daar een en ander geregeld is. Ik zal later nog op dit onderwerp terugkomen.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ik zou graag antwoorden, mevrouw de voorzitster.

De voorzitster. - Het spijt me, maar dergelijke discussies kunnen niet plaatsvinden in het kader van mondelinge vragen.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - De laatste zin leek me zwaar. Dat kan ik niet aanvaarden.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Wat niet aanvaardbaar is, is dat de vrijheid van meningsuiting ...

De voorzitster. - Het incident is gesloten.

Mondelinge vraag van de heer Gérard Deprez aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «de algemene nationale gegevensbank» (nr. 5-1066)

De heer Gérard Deprez (MR). - Om hun opdrachten correct uit te voeren, moeten de politiediensten de noodzakelijke informatie en persoonlijke gegevens kunnen inzamelen, verwerken en overdragen. Overeenkomstig de wet op het politieambt worden deze gegevens geregistreerd in de algemene nationale gegevensbank, de ANG. De werkwijze van de ANG is helaas niet nader bepaald. Volgens artikel 44.4 van de wet op het politieambt, moet een in Ministerraad overlegd besluit de concrete modaliteiten vastleggen voor de verwerking van de inlichtingen en gegevens in de ANG, meer bepaald de criteria die moeten worden nageleefd voor de registratie van de gegevens, de duur van de bewaring, de indexering, de raadpleging, enz. ...

Meer dan twaalf jaar na de inwerkingtreding ervan en bijna zes jaar na het indienen van de eerste versie van het ontwerp van koninklijk besluit bestaat er nog altijd geen publieke tekst die de modaliteiten voor de verwerking van de gegevens in de ANG uitvoerig bepaalt. Alleen de gezamenlijke richtlijn die in 2002 door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken werd aangenomen, beschrijft de werking van de ANG, maar naast de inleiding ervan die gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad, blijft ze volkomen vertrouwelijk, waardoor de burgers in het ongewisse blijven over de exacte werking van de ANG met betrekking tot de garanties en de voorwaarden.

Overeenkomstig artikel 13 van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt de toegang van de burgers tot de gegevens die opgenomen zijn in de ANG uitgeoefend door bemiddeling van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Na verificatie mag de Commissie de burger niet op de hoogte brengen van het resultaat daarvan of hem informeren over het al dan niet bestaan van informatie over hem. Ze mag hem ook niet informeren over de inhoud van de informatie waartoe ze toegang zou hebben gekregen. Ze mag in geen geval meer informatie geven dan dat de nodige verificaties werden verricht.

Verschillende dagbladen hebben onlangs gemeld dat de minister de ANG wil openstellen voor de Veiligheid van de Staat, de kwaliteit van de opgenomen gegevens wil verhogen en de structuur ervan wil verbeteren, zodat gemakkelijker specifieke gegevensbanken kunnen worden opgericht, zoals bijvoorbeeld een gegevensbank met betrekking tot gestolen kunstwerken, waartoe de Senaat destijds heeft opgeroepen.

Volgens die dagbladen zou de minister ook wensen dat de informatie in de ANG na een bepaalde periode wordt gewist, wat nu volgens de voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie niet het geval is. Hij zegt dat die gegevens alleen uit de gegevensbank kunnen worden gewist na het overlijden van de betrokkenen of wanneer ze daartoe een aanvraag indienen bij de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Volgens hem kan dit dus niet automatisch, wat ingaat tegen alle Europese regels ter zake.

De redactie van het ontwerp van koninklijk besluit dat de concrete modaliteiten moet vastleggen voor de verwerking van gegevens en informatie in de ANG werd toevertrouwd aan de "Groep 44" die, volgens de informatie waarover ik beschik, op 2 juni 2010 een voorlopige tekst zou hebben afgerond en sedert februari 2011 niet meer samengekomen zou zijn. Is die informatie correct? Vindt de minister niet dat het, twaalf jaar na de inwerkingtreding van de richtlijnen met betrekking tot de inzameling en verwerking van politiële gegevens, tijd is om het in artikel 44/4 van de wet op het politieambt bedoelde koninklijk besluit te nemen?

De minister wenst het systeem van de bewaring van de gegevens te wijzigen. Hoe staat het met de toegang van de burger tot die gegevens? Zou het niet verstandig zijn dat de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, naar het voorbeeld van de regeling in Frankrijk, de burgers kan meedelen dat de politiediensten geen persoonlijke gegevens over hem in bezit hebben, om zo onnodige ongerustheid en frustratie te voorkomen?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - In 2008 weigerde het Parlement de werkingsregels van de ANG vast te leggen in een koninklijk besluit, zoals bepaald in artikel 44 van de wet op het politieambt. De zogenaamde "groep 44", samengesteld uit politieagenten en magistraten, werd belast met de voorbereiding van een wetsontwerp. Die groep werd voorgezeten door rechter Jean-Claude Leys, die onlangs overleden is. Hij heeft overigens uitstekend werk verricht.

Het wetsontwerp werd ongeveer een jaar geleden afgerond. Nadat de groep het heeft aangepast aan onze suggesties, hebben zowel de minister van Justitie als ikzelf het in februari 2013 ontvangen.

Het dossier wordt nu afgerond in verschillende werkgroepen binnen de regering. Er zijn nog twee vergaderingen gepland. De tekst zal dan in eerste lezing vóór 21 juli worden aangenomen. Daarna zou het eerst in de Senaat worden besproken, omdat deze assemblee het meest geschikt is voor dit soort onderwerpen.

Omdat het wetsontwerp prioriteit heeft, zou ik graag hebben dat het nog vóór het einde van de legislatuur wordt aangenomen. Het bevat verschillende krachtlijnen, zoals:

Daartoe moet de informatie-uitwisseling van alle diensten worden versterkt en vooral de Veiligheid van de Staat toegang krijgen tot bepaalde gegevens. Via een protocolakkoord zal ook de politie toegang krijgen tot beperkte informatie.

Ik kom tot uw tweede vraag over het recht op toegang van de burgers tot de gegevens die betrekking hebben op hen. Op dit ogenblik meldt de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wanneer ze een vraag krijgt van een burger, alleen dat de verwerking van zijn gegevens geverifieerd werd en in overeenstemming is met de wet, maar ze meldt niet of er al dan niet gegevens over hem bestaan.

Dit probleem valt niet onder artikel 44 van de wet op het politieambt, maar wordt geregeld door artikel 13 van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Op dit ogenblik worden besprekingen gevoerd over een richtlijn betreffende de bescherming van gegevens door de politiediensten en de juridische sector. Het is beter dat we wachten op de aanneming van die richtlijn om onze wetgeving aan te passen.

De minister van Justitie en ikzelf bestuderen thans in het huidige kader van artikel 13 de mogelijkheid om de burgers bepaalde informatie te verstrekken over maatregelen die tegen hen werden genomen. Die werkwijze past overigens in het kader van de reglementering met betrekking tot de algemene nationale gegevensbank.

De heer Gérard Deprez (MR). - Ik dank de minister in naam van de voltallige Senaat, omdat ze heeft aangekondigd dat ze deze tekst eerst in onze assemblee zal indienen. Dat bewijst dat deze instelling meer nut heeft dan sommigen willen geloven, en het verheugt mij dat ze dit openlijk bevestigd heeft.

Ik noteer dat het koninklijk besluit waarvan sprake in de wet op het politieambt, vervangen zal worden door een ruimer wetsontwerp met alle karakteristieken die ze heeft aangehaald.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine Vermeulen aan de minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden over «het goed bestuur in Burundi» (nr. 5-1065)

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA). - Op 4 juni ondertekende de Burundese president een perswet die de persvrijheid in Burundi stevig aan banden legt. Binnenkort staat er nog een wetsvoorstel op de agenda dat ook vzw's, ngo's, maar ook vakbonden en andere actoren van het middenveld een stevige slag kan toebrengen. Verder worden er ook nieuwe wetten verwacht over de nationale verzoeningscommissie en over publieke manifestaties. De goedkeuring van de perswet en de op stapel staande wetsinitiatieven wijzen duidelijk op een regime dat geen tegenspraak duldt en regeert onder het motto "wie niet met ons is, is tegen ons". De verkiezingen in 2015 zijn hierbij een zeer belangrijke factor.

Eind dit jaar loopt het Indicatief Samenwerkingsprogramma met Burundi af en zal er mogelijk onderhandeld worden over een nieuw ISP. In het huidige ISP is de Belgische hulp aan Burundi, goed voor 12 miljoen euro, vooral gericht op het stimuleren van een positieve institutionele omgeving en het ondersteunen van goed bestuur. Met de ondertekening van de perswet en de komende wetten moeten we ons afvragen hoe actueel dit nog is.

Is ons land, als belangrijkste donor van Burundi, bereid om het voortouw te nemen in een krachtige veroordeling van dergelijke wetten? Zal onze regering toekomstige evoluties in het land nauwlettend volgen en tijdig ingrijpen? Als het in de toekomst tot een nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma komt, zullen daarin dan strikte criteria worden opgenomen qua goed bestuur met mogelijke consequenties voor Burundi als het zich niet aan de criteria houdt?

De heer Jean-Pascal Labille, minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden. - België heeft er al meermaals duidelijk op gewezen dat een aantal bepalingen van de nieuwe perswet ingaan tegen de persvrijheid. Ook tijdens het partnercomité van 10 juni heeft de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking mijn boodschap hierover nog zeer duidelijk verwoord.

We hadden deze boodschap al eerder gegeven samen met andere Europese collega's. Uiteraard blijven wij de evolutie van nabij volgen. De Burundese tweede vicepresident heeft zich bereid verklaard om met het Belgische parlement van gedachten te wisselen over de perswet, en dit tussen 8 en 11 juli.

Een nieuw samenwerkingsprogramma is nog niet gepland voor 2014, omdat de uitvoering van het lopend programma te traag verloopt. Goed bestuur is een belangrijk aandachtspunt, maar heeft veel facetten. We mogen niet vergeten dat Burundi voor andere facetten wel vooruitgang boekt. De samenwerking meteen opschorten wanneer enkele aspecten van goed bestuur achteruitgaan, is meestal geen oplossing. De bevolking is dan twee keer het slachtoffer: van het slecht bestuur én van het wegvallen van de hulp.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA). - Gelet op de huidige politieke situatie in Burundi en de nieuwe wetten die daar op stapel staan, moeten we de evolutie in dat land zeker van nabij volgen. In de Belgisch-Burundese samenwerking moet verder de nadruk worden gelegd op good governance. Ik blijf erbij dat aan de toekomstige samenwerking met Burundi voorwaarden worden gekoppeld en dat er krachtig moet worden opgetreden als het land zich niet aan deze voorwaarden houdt.

Mondelinge vraag van mevrouw Mieke Vogels aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het bekendmaken van kwaliteitsgegevens van ziekenhuizen» (nr. 5-1062)

Mondelinge vraag van mevrouw Leona Detiège aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de kwaliteitsgarantie en de centralisatie van medische ingrepen middels oncologische zorgprogramma's» (nr. 5-1072)

De voorzitster. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Deze week publiceerden de Christelijke Mutualiteiten cijfers over de behandeling van slokdarmkanker. Daaruit bleek dat in Vlaanderen maar twee ziekenhuizen voldoende ervaring hebben om goede resultaten te garanderen.

Het belang om de behandeling van bepaalde zeldzame aandoeningen zoals slokdarmkanker te concentreren hoeft niet te worden onderstreept. Die redenering werd ook door het Kenniscentrum onderbouwd.

Onmiddellijk na de publicatie kondigde Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen aan dat eind dit jaar ook de gegevens over hartoperaties verplicht zullen worden gepubliceerd. Die gegevens zijn echter niet gebaseerd op gegevens van het RIZIV, maar op de registratie door de ziekenhuizen zelf. Minister Vandeurzen kondigde bovendien aan dat hij de ziekenhuizen volgend jaar een set van kwaliteitscriteria wil bezorgen die hun in staat stelt op vrijwillige basis de kwaliteit te meten en de resultaten op hun site te publiceren.

Ik vrees dat een opbod dreigt te ontstaan in het bekendmaken van kwaliteitsgegevens van ziekenhuizen. Transparantie is een goede zaak, maar de kans dat de patiënt door de bomen het bos niet meer ziet, wordt op die manier groot. In landen die al langer kwaliteitsgegevens van ziekenhuizen publiceren blijkt een vals veiligheidsgevoel te ontstaan. Ik verwijs in dit verband naar resultaten in Groot-Brittannië.

Voor heel wat pathologieën is de relatie tussen het aantal ingrepen en de kwaliteit trouwens veel minder duidelijk. Kwaliteit gaat immers niet alleen over de technologie van een ingreep, maar ook over de zorg voor de patiënt, de informatie over zijn aandoening, de voorgestelde therapie en eventuele alternatieven, de nazorg enzovoort.

Het is absoluut niet eenvoudig om, zoals minister Vandeurzen voorstelt, op basis van de lezing van een set van criteria te concluderen welk ziekenhuis het best scoort voor de behandeling van een bepaalde kwaal. Dat geldt zeker voor minder geschoolde of oudere patiënten. Bovendien is het voor die groep van patiënten niet altijd evident om naar een ziekenhuis aan de andere kant van het land te gaan, mocht blijken dat de gezondheidszorg daar beter is.

Wat zal de minister ondernemen om het opbod inzake de publicatie van kwaliteitsnormen voor ziekenhuizen te stoppen? Wie bepaalt welke kwaliteitscriteria de juiste zijn en wat is de rol van het Kenniscentrum in dit opzicht?

Hoe zal de minister voorkomen dat de patiënt door de bomen het bos niet meer ziet en er een geneeskunde met twee snelheden ontstaat, met aan de ene kant de goed geïnformeerde en beter geschoolde patiënten en aan de andere kant de minder goed geïnformeerde en minder fortuinlijke patiënten?

Mevrouw Leona Detiège (sp.a). - Zoals mevrouw Vogels daarnet al zei, waren het de Christelijke Mutualiteiten die deze week de kat de bel aanbonden door uit te pakken met de boodschap dat patiënten voor de universitaire ziekenhuizen van Leuven en Gent moeten kiezen om een grotere overlevingskans te hebben bij de behandeling van slokdarmkanker. Dat leidt het ziekenfonds af uit het rapport van het Kenniscentrum over de kwaliteitscriteria bij onder meer slokdarmkanker, waarin wordt gesteld dat de overlevingskans na een operatie aanzienlijk groter is in ervaren centra. Ook baseert het ziekenfonds zich op eigen data waaruit blijkt dat alleen de bovengenoemde ziekenhuizen meer dan twintig ingrepen per jaar uitvoeren.

Uit de controverse bleek al snel, allicht terecht, dat die redenering misschien wat kort door de bocht is. Kwaliteit valt niet op te maken uit slechts één criterium en een ondoordachte ranking van ziekenhuizen heeft misschien meer negatieve dan positieve gevolgen. Op de zin of de onzin van deze uitspraken wil ik dan ook niet verder ingaan.

Wel kwamen naar aanleiding van de commotie enkele interessante discussies op gang. Twee zaken bleven me bij uit het mediadebat van de afgelopen dagen. Ten eerste blijft de kwaliteit van onze ziekenhuizen een blinde vlek. Het blijkt hierbij cruciaal dat de registratie en centralisatie van gegevens weinig structuur vertoont.

Ten tweede blijkt dat onze ziekenhuizen over veel vrijheid beschikken om te bepalen welke ingrepen zij doen, ondanks de contra-indicaties. De programmatie wordt te weinig gebruikt om naar de noodzakelijke minimumervaring om kwaliteitsredenen aan te sturen.

Zowel wat de kwaliteitsmeting en de centralisatie van gegevens, als wat de concentratie van moeilijke ingrepen betreft, staan we mijlenver van de gangbare normen in bijvoorbeeld Nederland en Zweden. Nochtans is de grondige registratie van gegevens noodzakelijk om goede kwaliteitsnormen te ontwikkelen, want meten is weten, en patiënten hebben ook het recht om te weten wat hen te wachten staat.

Wat de concentratie van moeilijke ingrepen betreft, wijst het Kenniscentrum er in het nu veelbesproken rapport op dat concentratie wenselijk blijft. In de Praktijkrichtlijn uit 2008, die in 2012 werd geactualiseerd, werden al suggesties in die zin gedaan. Dat geldt wellicht niet alleen voor het type kanker waarover nu discussie is ontstaan. In andere takken van de geneeskunde, onder meer de hartcentra, bestaat de praktijk ook. Onder minister Vandenbroucke werden de oncologische zorgprogramma's ingevoerd. Het was toen de bedoeling dat die tot een zekere concentratie zouden leiden. Tot vandaag is dat echter niet het geval. Als een te hoge spreiding tot een lagere kwaliteit leidt en zelfs een negatieve impact heeft op de patiëntveiligheid, dan is dit zorgwekkend.

Welke initiatieven worden, gelet op het belang van data bij de kwaliteitsbewaking van onze ziekenhuizen, genomen om de registratie van gegevens op federaal niveau te uniformiseren en op basis van grondige en doordacht opgemaakte kwaliteitsindicatoren aan het publiek bekend te maken?

Meent de minister dat het zinvol is bepaalde ingrepen, bijvoorbeeld voor de specifieke moeilijk behandelbare kankers, in een beperkt aantal centra te concentreren, conform de Praktijkrichtlijnen van het Kenniscentrum en de aanzet hiertoe die door de introductie van de zorgprogramma's oncologie werd gegeven?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen. - Ik heb enkele bemerkingen bij het initiatief van de Christelijke Mutualiteiten (CM) in verband met de behandeling van slokdarmkanker.

De cijfers van de CM weerspiegelen de werkelijkheid niet volledig omdat ze geëxtrapoleerd zijn uit gegevens over patiënten die verzekerd zijn bij de CM. Uit contacten met de betrokken ziekenhuizen blijkt dat deze cijfers de werkelijke activiteit inzake de behandeling van slokdarmkanker onderschatten.

De kwaliteit van een behandeling en de kans op overleving na behandeling van bijvoorbeeld slokdarmkanker, worden niet alleen bepaald door het aantal gevallen dat in een centrum wordt behandeld. Dat is een vereenvoudiging. Men moet ook rekening houden met andere kwaliteitsindicatoren, onder meer het aantal ingrepen per chirurg, het aantal en de aard van de complicaties, de duur van de ziekenhuisopnames, de heropnames na de behandeling en uiteraard ook de gemiddelde overleving zelf.

We zijn het erover eens dat transparantie enorm belangrijk is. Het maakt het de patiënt mogelijk een geïnformeerde keuze te maken. Informatie over de kwaliteit van de zorg is daarbij essentieel. Die kan dus niet beperkt worden tot het aantal ingrepen dat in een bepaald centrum jaarlijks wordt uitgevoerd. De ontwikkeling en de registratie van kwaliteitsindicatoren is minstens even belangrijk.

Als op systematische wijze informatie over de zorgverstrekking openbaar zou worden gemaakt binnen de ziekenhuizen, moet dit dus op een genuanceerde wijze gebeuren en met bijzondere aandacht voor de kwaliteit. Zo kan er bijvoorbeeld aan worden gedacht zorgverstrekkers te verplichten bekend te maken of ze beschikken over een positieve externe kwaliteitsbeoordeling. In dit verband bereiden mijn diensten een wetgevend initiatief voor dat een kader biedt voor een dergelijke externe accreditering, zowel voor de erkende ziekenhuizen als voor private klinieken.

Het zal niet volstaan die informatie publiek beschikbaar te maken, de patiënten zullen ook begeleid moeten worden bij de interpretatie ervan. Hier kan de huisarts een belangrijke ondersteunende rol spelen.

Tot slot herhaal ik dat ik het voor complexe behandelingen van aandoeningen zoals slokdarm- en maagkanker, maar ook voor andere pathologieën, eens ben met de conclusies van het KCE dat die zorg moet worden gecentraliseerd en geconcentreerd. Ik heb hierover een omstandig advies gevraagd aan de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Mijn vraag strekte ertoe te vernemen wat de minister zal doen om te voorkomen dat in de toekomst een ander ziekenfonds andere gegevens bekendmaakt, of dat de Vlaamse kwaliteitscriteria van sommige ziekenhuizen op de site wordt geplaatst. Kan ze dergelijke handelingen verbieden, omdat de kans reëel is dat patiënten door die gegevens op een verkeerd been worden gezet?

Ik ben het volkomen met de minister eens dat het om een complex geheel van criteria gaat, maar ik had graag vernomen wie de criteria bepaalt. Worden ze opgelegd in samenspraak met de overheid, of kan elk ziekenfonds kwaliteitscriteria opstellen?

De minister spreekt over een externe kwaliteitsbeoordeling. In Vlaanderen is het alleszins de administratie die criteria uitwerkt en vervolgens voorstelt aan de ziekenhuizen. Hoe wil de minister desinformatie voorkomen over een dergelijk belangrijk thema?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen. - Ik zal overleg met mijn collega's van de Gemeenschappen en de Gewesten voorstellen. Het gaat immers om een moeilijke kwestie. Dat de Christelijke Mutualiteit nu een classificatie heeft bekendgemaakt en een ander ziekenfonds binnenkort misschien een andere lijst publiceert, is niet aanvaardbaar, maar ik kan dat jammer genoeg niet verbieden. Daarom lijkt overleg me de juiste weg te zijn.

Gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming

De voorzitster. - Op 18 april 2013 heeft de Senaat een gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming opgericht.

Tijdens haar vergadering van 12 juni 2013 heeft de gemengde commissie haar huishoudelijk reglement aangenomen.

Bij brief van 17 juni 2013 vraagt de gemengde commissie om twee punten aan de plenaire vergadering van de Senaat voor te leggen:

Het Bureau zal zich tijdens een volgende vergadering beraden over de eerste vraag en stelt voor tijdens de plenaire vergadering van 27 juni over te gaan tot de benoeming van de plaatsvervangers van de gemengde commissie. Ik nodig de fracties uit mij uiterlijk op woensdag 26 juni e.k. de kandidaturen te bezorgen.

De mandaten in de gemengde commissie zijn verdeeld als volgt:

N-VA: 2 leden
PS: 2 leden
MR: 1 lid
CD&V: 1 lid
sp.a: 1 lid
Ecolo-Groen: 1 lid
Open Vld: 1 lid
VB:
cdH: 1 lid

(Instemming)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Bertin Mampaka Mankamba aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «de uitwijzing van Congolese onderdanen» (nr. 5-1070)

De heer Bertin Mampaka Mankamba (cdH). - Zondag is vanuit Melsbroek een burgerluchtvaartvliegtuig vertrokken dat een dertigtal Congolese onderdanen repatrieerde. Het toestel was gecharterd door Frontex, het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen. Van die personen zouden er twintig illegaal in België hebben verbleven; tien kwamen uit Ierland, drie uit Frankrijk en één uit Duitsland. Volgens de pers zouden ook een zwangere vrouw en meerdere leden van de politieke oppositie zijn uitgewezen.

Ik twijfel er niet aan dat die operatie in overeenstemming was met de geldende normen inzake de toegang tot het grondgebied en de verwijdering van vreemdelingen. Toch heb ik vragen over de opportuniteit om mensen uit te wijzen naar de Democratische Republiek Congo.

Meerdere internationale organisaties, de Congolese pers en verschillende geloofwaardige instellingen beschrijven de toestand in het land als onrustwekkend instabiel, om niet te zeggen dat er sprake is van een oorlogstoestand. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de heer Ban Ki-moon, besliste om een macht voor vredesopbouw en vredeshandhaving van meer dan 17 000 soldaten, MONUSCO, op te richten. Die kost meerdere miljarden dollars per maand. Bovendien zullen de VN eerstdaags een beslissing nemen over de zending van gevechtstroepen om de invasie van het Congolese grondgebied door de M23 te beantwoorden.

Dat is een primeur voor de regio. Ik heb hierover met de minister van Buitenlandse Zaken gesproken. Het gaat niet alleen om Oost-Congo, maar ook om het noorden van het land.

In welke omstandigheden is de operatie verlopen? Hoeveel mensen zijn uitgewezen? Waar kwamen ze vandaan? Wat was hun verblijfssituatie? Gelet op de moeilijke budgettaire toestand zou ik ook willen weten hoeveel de operatie heeft gekost. Heeft België de kosten volledig ten laste genomen?

Werden er voorzorgsmaatregelen genomen om de veiligheid van de personen in het land van oorsprong te verzekeren? Zijn er waarborgen dat ze geen represailles zullen ondergaan vanwege de Congolese overheid of de rebellen die de gebieden controleren waarvan ze afkomstig zijn?

Meent de staatssecretaris niet dat in de huidige crisissituatie in Centraal-Afrika en de Sahel een moratorium op de uitwijzingen naar die landen en gebieden ruimschoots gerechtvaardigd is? Er bestaat immers geen twijfel over dat in die landen een oorlog aan de gang is.

Mevrouw Maggie De Block, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Er zijn inderdaad dertig personen uitgewezen. De aanvragen van de personen die zich in België bevonden, waren afgewezen en ze hadden geen enkele procedure lopende. Negentien mensen zaten in een asielprocedure, maar ze hebben geen internationale bescherming verkregen. De asielaanvragen worden door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen behandeld. Er is een beroep mogelijk bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Beide zijn onafhankelijke instellingen.

De exacte kosten zijn nog niet bekend, aangezien de vlucht in een Europees kader is georganiseerd. Het was een operatie van Frontex, die grotendeels door het Europees Terugkeerfonds zal worden gefinancierd. De drie andere landen die mensen op het vliegtuig hebben gezet, zullen een derde van het bedrag betalen.

Een immigratieambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken was ter plaatse om de personen bij aankomst te begeleiden. Er waren geen represailles.

Er wordt altijd rekening gehouden met de risico's bij een terugkeer. Ook die afweging wordt door onafhankelijke instellingen gemaakt.

Ik ben niet bevoegd om een moratorium af te kondigen. Daarover laat ik me dus ook niet uit.

De heer Bertin Mampaka Mankamba (cdH). - Blijkbaar is de staatssecretaris niet bevoegd om een beslissing te nemen betreffende het moratorium.

Misschien kan ze toch een initiatief nemen, temeer daar Congo niet het Afrikaanse land is waar het grootste aantal asielzoekers vandaan komt. Het staat pas op de vijfde plaats. Er moet een soort van evenredigheid zijn inzake het aantal afgewezen en uitgewezen personen zodat niet de verdenking zou ontstaan dat tegen bepaalde categorieën van kandidaat-vluchtelingen hardnekkiger wordt opgetreden.

Ik roep de staatssecretaris op om de bevoegde minister aan te sporen een eventueel moratorium af te kondigen. Er lijkt me toch een verband met haar bevoegdheden. We mogen niet vergeten dat in Congo duizenden mensen sterven!

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten over «de cybercriminaliteit» (nr. 5-1069)

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Het verbaast mij enigszins dat de staatssecretaris mijn vraag zal beantwoorden, die zeer specifiek betrekking heeft op de beleidsnota van minister Milquet. Ik hoop dat hij ook een antwoord zal kunnen geven op die aspecten van mijn vraag die betrekking hebben op de bevoegdheden en de plannen van de minister.

Het regeerakkoord vermeldt dat cybercriminaliteit een nieuwe bedreiging van niet-militaire aard voor onze veiligheid is. In het kader van de internationale samenwerkingsverbanden zou ons land zich krachtig inzetten voor de bestrijding van dat fenomeen. De Belgische wetgeving moet, zo stelt het akkoord, worden aangepast aan de nieuwe criminaliteitsvormen, zoals internetcriminaliteit.

In de kadernota Integrale Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken worden een aantal doelstellingen geformuleerd: ratificatie van de Convention on Cybercrime van de Raad van Europa, ter beschikking stellen aan politie en justitie van de nodige wettelijke instrumenten om de informaticacriminaliteit efficiënt te bestrijden, en ontwikkelen van een nationale cyberstrategie en van een integraal en geïntegreerd beleid inzake de informatieveiligheid in België. Een hele resem beleidsinitiatieven dus om het gebruik van het internet voor criminele doeleinden aan banden te leggen.

In de beleidsnota 2013 voor de federale politie - ook een bevoegdheid van minister Milquet - komt cybercriminaliteit ook veelvuldig aan bod, onder meer bij de te bestrijden criminaliteitsfenomenen en bij de uitvoering van het Nationaal Veiligheidsplan. Politie en justitie zouden worden voorzien van de nodige instrumenten om informaticacriminaliteit efficiënt te bestrijden. Onze veiligheidssystemen werden zelfs getest op hun doeltreffendheid tegen cyberaanvallen.

Het regent de laatste tijd berichten over allerhande vormen van misbruik, oneigenlijk gebruik en crimineel gedrag in cyberspace. Het internet zorgde voor een nieuwe technologische omwenteling en een nieuwe realiteit met zeer veel voordelen en kansen, die we niet aan banden mogen leggen. Door het internet ontstaan echter ook problemen. De aandacht van het beleid voor het fenomeen van de internetcriminaliteit komt dus niet uit de lucht gevallen.

Kan de staatssecretaris een stand van zaken geven van de vele aangekondigde beleidsinitiatieven om cybercrime aan te pakken? Wat heeft de regering in de loop van deze legislatuur ter zake al gedaan en wat zal ze nog doen, zowel in België als daarbuiten? Welke planning wordt aangehouden?

Erkent de staatssecretaris dat het internet gigantische opportuniteiten biedt, maar dat er dringend werk moet worden gemaakt van de regulering en handhaving van deze nieuwe omgeving? Wat is zijn visie ter zake?

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Beleidsinitiatieven tegen cybercriminaliteit maken deel uit van de algemene Cyber Security Strategy die de regering op 21 december 2012 heeft goedgekeurd. De eerste minister is belast met de coördinatie en uitvoering ervan.

De federale politie heeft van de bestrijding van cybercriminaliteit een prioriteit gemaakt en daartoe een programmadossier opgesteld. Dat dossier bevat verschillende actiepunten om de kennis en de capaciteiten te versterken van alle politiemensen die op dat vlak actief zijn. Gelijktijdig wil de federale politie botnets bestrijden en de capaciteit uitbouwen die nodig is om vitale ICT-infrastructuur te beschermen, zowel bij bedrijven als bij de overheid.

Ook is er geregeld overleg met Europol en Interpol, niet alleen over de operationele dossiers, maar ook over de beleidsmatige aspecten om de acties van de politiediensten en de internationale samenwerking te verbeteren. Vandaag is het internet inderdaad essentieel om zowel onze economie als onze overheden goed te laten werken. Maar ons land moet er zorgvuldig mee omspringen.

Ik ben van mening dat een nationale cyberveiligheidsstrategie echt nodig is en dat België zich dringend moet wapenen tegen de toenemende cyberaanvallen. Dat vereist aanvullende investeringen in mensen, meer bepaald in ICT-experts én in infrastructuur.

Volgens mij is een investering van twintig miljoen euro nodig, weliswaar gespreid over vier jaar. Dat bedrag kan hoog lijken, maar is eigenlijk zeer laag, gelet op de grote schade die cybercriminaliteit kan veroorzaken. Die schade kan immers volgens verscheidene studies oplopen tot meerdere honderden miljoenen euro.

Ik heb al gewezen op de rol van de premier op het vlak van de coördinatie en de implementatie. Daarnaast zitten feitelijk gesproken heel wat acties bij Fedict en CERT. Dat verklaart wellicht waarom de vraag naar mij is toegespeeld. BELNIS, dat gecoördineerd wordt door Fedict, is tot nu toe het enige bestaande overlegplatform inzake informatieveiligheid.

Ik deel bijgevolg de bezorgdheid van mevrouw Taelman volkomen en meld nog dat BELNIS onder meer presentaties heeft gegeven en discussies heeft gevoerd over de strategie, nadat ze door de regering werd goedgekeurd. Nu is het nodig snel het plan van uitvoering goed te keuren dat in voorbereiding is.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Dat de staatssecretaris heeft geantwoord, stemt me zeker niet ontevreden. De werkwijze verbaast me wel, aangezien mijn vraag zeer specifiek verband hield met de beleidsnota van de minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen.

De staatssecretaris denkt dat een investering van 20 miljoen euro, gespreid over vier jaar, nodig is om een cyberveiligheidsstrategie uit te werken.

Zullen daarvoor bij de volgende begrotingsbespreking de nodige middelen worden uitgetrokken? Alleen dan immers kan het plan snel van start gaan.

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Ik zal voorstellen dat bedrag in de begroting op te nemen. Dat wordt trouwens ook door andere collega's in de regering gevraagd. Ik kan echter niet voorspellen wat het resultaat zal zijn. Ik kan alleen herhalen dat zelfs in tijden van besparingen moet worden geïnvesteerd in de strijd tegen cybercriminaliteit, anders zal vroeg of laat een groot probleem rijzen. Daar heb ik al verschillende keren voor gewaarschuwd.

Mondelinge vraag van de heer Alain Courtois aan de staatssecretaris voor Staatshervorming en staatssecretaris voor de Regie der gebouwen en Duurzame Ontwikkeling over «het herinrichtingsplan van het Brussels Justitiepaleis» (nr. 5-1067)

De heer Alain Courtois (MR). - Twee symbooldossiers in het Brussels Gewest blijven onopgelost, namelijk een stadion en een Justitiepaleis.

Sinds kort lijkt voor één van de twee, het stadion, een oplossing te zijn gevonden voor de locatie. Maar dat is een ander verhaal ... (Rumoer, samenspraak.)

Al verschillende jaren maakt de commissie voor de Justitie zich zorgen over de toekomst van het Brusselse Justitiepaleis. Ruim een jaar geleden brachten de commissieleden op mijn voorstel, na een reeks incidenten, een bezoek aan het Justitiepaleis. Ik verwijs naar de opzettelijk veroorzaakte brand waarbij de griffie van het hof van beroep van Brussel, waar tal van dossiers lagen opgestapeld, werd verwoest.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen, wou de commissie van de minister van Justitie via een reeks gedachtewisselingen te weten komen wat ze van plan was in verband met de ontwikkeling en de inrichting van het Justitiepaleis.

Mijnheer de staatssecretaris, een jaar later vernemen we dat u een plan hebt voor de herinrichting van het Justitiepaleis van Brussel, namelijk de inplanting van handelsactiviteiten op een ruimte van 44 969 vierkante meter. Het project lijkt concrete vormen te krijgen. U hebt er in de commissie trouwens met de minister van Justitie over gediscussieerd.

Ik heb volgende vragen:

Als voormalig substituut van de procureur des Konings te Brussel weet ik goed hoezeer de gerechtelijke wereld aan het Justitiepaleis is gehecht. De ligging en de grootte symboliseren de gerechtelijke autoriteit en het elementaire respect voor Justitie. Het is dus belangrijk dat bij de herinrichting van een nieuw gedeelte dit imago van Justitie wordt gerespecteerd. Ik heb vragen bij de concrete realisatie van de geplande herinrichting. Het Justitiepaleis is op het gewestelijk bestemmingsplan als een administratieve zone ingekleurd, waarbij slechts 1000 vierkante meter handelsactiviteiten per project en per gebouw wordt toegestaan. Met dit project wordt deze limiet ruimschoots overschreden. Kunt u ons een en ander verduidelijken?

Tijdens de commissiebesprekingen hebben we vastgesteld dat voor de huur van de gebouwen voor Justitie, de zogenaamde Poelaertcampus, jaarlijks 20 miljoen wordt betaald. Met dit bedrag, dat jarenlang aan huur werd betaald, had het gebouw gerenoveerd kunnen worden!

Om het Justitie aangepast te maken voor handelsoppervlakten moeten er enorme uitgaven worden gedaan, vooral inzake veiligheid. Welke gerechtelijke functies zullen nog in het Justitiepaleis worden uitgeoefend? Wat zal er gebeuren met het hof van beroep en het hof van cassatie? Hoe zit het met de andere gebouwen die rond de Poelaertcampus voor de andere hoven en rechtbanken zullen worden gehuurd?

De heer Servais Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, en voor de Regie der gebouwen en Duurzame Ontwikkeling. - De geruchten in de pers en de parlementaire vragen hebben me verbaasd, want momenteel is er geen enkel nieuw feit in dit dossier.

Op 7 februari 2013 keurde de regering het masterplan goed voor een beter beveiligde huisvesting van de gerechtelijke diensten rond de Poelaertcampus. We streven naar een opgesplitste taak voor het Justitiepaleis: de gerechtelijke diensten die op het Justitiepaleis blijven of er zullen terugkeren, en een aantal andere functies die in een deel van het Justitiepaleis kunnen worden ondergebracht. Het Justitiepaleis blijft dus een hoofdzakelijk gerechtelijke functie behouden.

Sommige diensten kunnen in het Justitiepaleis blijven en andere zullen er opnieuw worden in ondergebracht. Het hof van cassatie, het parket van het hof van cassatie, het hof van assisen, de balie en het restaurant van de FOD Justitie blijven in het Justitiepaleis. Het College van procureurs-generaal, twee vredegerechten en de politierechtbank zullen er weer zetelen. De correctionele diensten zullen, om veiligheidsredenen, elders worden ondergebracht.

De sokkel van het Justitiepaleis bestaat uit vier verdiepingen en twee tussenverdiepingen. Die kunnen een nieuwe bestemming krijgen voor culturele, toeristische en commerciële activiteiten. Het is niet omdat de oppervlakte, 44 000 vierkante meter bedraagt en dus even groot is als het Wijnegem Shopping Center dat de hele tussenverdieping van het Justitiepaleis tot winkelcentrum zal worden omgebouwd. Het gaat hier om een idee dat door een journalist werd gelanceerd ...

Zoals ik al zei, zal er een consultant worden aangesteld om de mogelijkheden te onderzoeken. Het lastenboek werd opgesteld en vorige week kenbaar gemaakt. Als alles normaal verloopt, kunnen we in september of oktober de opdracht toekennen. De consultant zal in overleg met de Regie der gebouwen een marktonderzoek doen naar de mogelijkheden voor een commerciële, culturele of sociale bestemming. Hij zal tevens onderzoeken wat de mogelijke exploitatievormen zijn en welke activiteiten moeten worden uitgesloten omwille van de gerechtelijke bestemming van het Justitiepaleis.

Pas nadat het onderzoek is afgerond, zal het mogelijk zijn om een antwoord te geven op andere vragen. Ik ben bereid daarover alle informatie te komen geven.

Er zal in de studie eveneens rekening worden gehouden met alle betrokken actoren, waaronder de bevoegde Brusselse overheden; dat staat trouwens expliciet in de nota aan de Ministerraad bij de beschrijving van de opdracht van de consultant.

De heer Alain Courtois (MR). - De staatssecretaris stelt me gerust als hij zegt dat de gerechtelijke functie in het Brusselse Justitiepaleis moet behouden blijven en dat de 44 000 vierkante meter zich niet noodzakelijk in het Justitiepaleis of de kelderverdiepingen bevinden. Het Wijnegem Shopping Center ontvangt 10 miljoen bezoekers per jaar.

Ik blijf echter mijn twijfels hebben over de commerciële, culturele of toeristische evolutie van het Justitiepaleis. De correctionele rechtbanken verdwijnen, met uitzondering van het hof van assisen. Dat wil zeggen dat het assisenhof een toeristische attractie wordt.

Ik zou graag weten wat er zal gebeuren met de locaties rond het Justitiepaleis en met de ongelofelijke som van 20 miljoen per jaar. Als men die som gedurende enkele jaren in het Justitiepaleis had geïnvesteerd, was het al aangepast en gerenoveerd en stond het nu niet meer in de steigers.

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de minister van Justitie over «de verbranding van dossiers uit het onderzoek naar de Bende Van Nijvel» (nr. 5-1060)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik vrees dat ik de minister al een zestal keer heb ondervraagd over het dossier van de Bende van Nijvel. Altijd opnieuw zijn er nieuwe feiten en ik neem aan dat de minister daar ook niet blij mee is.

Deze keer is het nieuwe feit dat dossiers uit het onderzoek naar de Bende van Nijvel worden verbrand. Dat meldt althans de commissaris van de federale politie die zestien jaar lang het onderzoek naar de Bende van Nijvel heeft geleid en het een goed jaar geleden vrijwillig verliet. Hij beklemtoont dat de dossiers die nu worden verbrand, bijzonder waardevol zijn en absoluut behouden moeten blijven. Volgens mij moet elk onderdeel van dat dossier behouden blijven.

Eens te meer berichten de media over hoogoplopende spanningen tussen de vroegere en de huidige onderzoekers. Het onderzoek naar de Bende van Nijvel krijgt daardoor nog meer een imago van hopeloos geknoei. Ik kom steeds meer mensen tegen die stilaan alle hoop opgeven, terwijl de minister met de regelmaat van een klok verklaart dat het onderzoek nog volop loopt en dat er nog allerlei zaken aan het licht kunnen komen.

De overtuiging dat het onderzoek wordt gemanipuleerd wint meer en meer aan kracht. Zoals gezegd ondervroeg ik de minister al zeer vaak over dit onderwerp. De controversen vertroebelen in grote mate de essentie van het onderzoek. Meer en meer worden de onenigheden tussen de vroegere en de huidige speurders belangrijker dan het onderzoek zelf. Dat lijkt op een georganiseerde bliksemafleider. Indien het geen bittere realiteit was, konden we ons in een of ander goedkoop maar spannend detectiveromannetje wanen. De realiteit overtreft de verbeelding. Bovendien wijst het verbranden van dossiers niet meteen op een oordeelkundige aanpak van het onderzoek.

Bevestigt de minister dat dossiers uit het onderzoek naar de Bende van Nijvel inderdaad worden verbrand en dus definitief verloren gaan? Zo ja, hoe interpreteert ze die onbegrijpelijke daad van de huidige onderzoekers? Zo nee, hoe interpreteert ze het feit dat de vorige onderzoekers zoiets beweren?

Beaamt de minister het vermoeden van steeds meer betrokkenen dat de controversen tussen de onderzoekers van vroeger en die van nu meer energie vergen dan het onderzoek zelf, waardoor er nog meer mist over het complexe dossier wordt gespoten? Zal de minister radicaal ingrijpen en de speurders over de verbranding van de dossiers op het matje roepen?

Hoe kan de minister eindelijk waarborgen dat het onderzoek in alle sereniteit maar vooral meer accuraat en performant wordt afgerond alvorens alles verjaart?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Er woedt geen oorlog tussen de huidige en de vorige onderzoekers. Het is evenmin waar dat de huidige onderzoekers goed zijn en de vorige slecht waren. De onderzoeksrechter past alleen een aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie toe. Die commissie had in een verslag van 1997 gesteld dat het onderzoek en de onderzoekers mogelijk werden gemanipuleerd en dat moest worden nagegaan wat daarvan waar was. De onderzoeksrechter geeft dus gevolg aan die aanbeveling, door de mogelijke manipulatie te onderzoeken zonder daarbij de integriteit van de vorige onderzoekers in twijfel te trekken. Dat is cruciaal.

Dit dossier blijft een open wonde voor onze samenleving, omdat de daden nooit zijn opgehelderd. Het laatste wat we willen, is dat het onderzoek in een oorlog tussen politiemensen of speurders ontaardt. Iedereen moet aan hetzelfde zeel trekken om elk mogelijk spoor te onderzoeken en het dossier opgelost te krijgen.

De feiten zullen op 10 november 2015 verjaren, wat de onderzoekers nog tweeënhalf jaar de tijd geeft om de zaak op te helderen. Tot dan wordt het gerechtelijk onderzoek actief voortgezet. De onderzoekers analyseren de verschillende pistes overigens nog steeds met veel motivatie. Een team van twaalf onderzoekers werkt onafgebroken aan de opheldering van deze zaak en zal dat blijven doen tot het verval van de strafvordering, ongeacht de datum daarvan.

Het College van procureurs-generaal heeft een advies inzake de verjaring van dit dossier verstrekt. Dat advies kan met de tijd evolueren. De verjaring is in elk geval een essentieel beginsel van ons recht en onze rechtspleging. De mogelijkheid om een verjaringstermijn te verlengen, moet zeer aandachtig en zeker niet overhaast worden onderzocht. Op dit ogenblijk is de verjaring nog te ver verwijderd om er nu meer uitspraken over te doen. De opheldering van deze zaak blijft dus de prioriteit.

Toen de nieuwe onderzoekers het dossier overnamen, stelden zij vast dat delen van het dossier in het water lagen en aan het rotten waren. Sommige stukken moesten dan ook worden weggegooid. Dat waren evenwel geen essentiële stukken. Er werden van die stukken pv's opgesteld en foto's gemaakt, die in het dossier werden opgenomen. Daardoor vormt het verlies van die stukken in geen enkel geval een belemmering voor de voortzetting van het onderzoek.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - De minister stelt telkens opnieuw dat er geen oorlog tussen de speurders woedt en dat er ook geen discussies zijn. De minister moet toch zien dat de zaken niet lopen. Men kan toch niet beweren dat er geen oorlog woedt als de vorige hoofdonderzoeker maar blijft herhalen dat er schandalige praktijken aan de gang zijn. De verwijten tussen de nieuwe en de vorige speurders vliegen over en weer. Nu wordt beweerd dat dossiers werden verbrand, maar daar heeft de minister niets over gezegd. Vermoedelijk klopt dat bericht dus niet. Waarom worden zulke geruchten dan verspreid? Ik krijg er kop noch staart aan. Het kan toeval zijn dat een aantal dossiers in het water hebben gelegen en aan het rotten waren, ook al is dat schandalig.

De minister beweert dat niets van die dossiers verloren is gegaan.

Ik heb in mijn vraag niet over verjaring gesproken. Er rest nog tweeënhalf jaar. We moeten ons nu niet focussen op de verjaringsproblematiek. Als het nodig is, kan men, indien men wil, juridische technieken vinden om de verjaringstermijn te verlengen.

Ofwel spelen de eerste, ofwel de huidige onderzoekers, ofwel derden een luguber spel op de kap van de vele slachtoffers in dit erbarmelijke dossier. Dat moet stoppen. Justitie wordt echt niet beter van de manier waarop dit dossier wordt behandeld. Het is trouwens een schande dat men dit de minister van Justitie aandoet. Zij wordt er mee geconfronteerd.

Mondelinge vraag van de heer Bart Laeremans aan de minister van Justitie over «het nieuwe uitstel van de kaderuitbreiding van het hof van beroep van Brussel» (nr. 5-1061)

De heer Bart Laeremans (VB). - In een reactie op een zaak van megafraude die onbestraft bleef omdat de redelijke termijn wegens de grote, structurele problemen bij het hof van beroep Brussel overschreden was, sprak de minister, naar aanleiding van de nieuwe beheersplannen, over een mogelijkheid om de formatie van het hof van beroep uit te breiden. Volgens De Tijd zal na de hervorming van Justitie, die nu in het parlement wordt besproken, elke rechtbank een eigen beheersplan mogen opstellen. Wellicht zullen die er nooit voor 2015 zijn. Nochtans had de minister op 29 mei in de commissie voor de Justitie aangekondigd dat ze bij de opmaak van de begroting van 2014 opnieuw 500 000 euro zou vragen voor de personeelsuitbreiding van het hof van beroep.

Het is schrijnend intussen vast te stellen dat er wel geld in overvloed is voor de lagere Franstalige rechtbanken in Brussel, waarvoor er een budget van 4,4 miljoen euro is. Volgens de voorzitter van het hof van beroep kan dit zelfs oplopen tot 12 miljoen euro. Er zouden in de Franstalige rechtbanken tot 286 magistraten en personeelsleden bijkomen. Die bedragen zijn absoluut niet in overeenstemming met de behoeften. Dat is pure verspilling.

Het volstaat een fractie van dit jackpotgeld te versluizen van de Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en politierechtbanken naar het hof van beroep om de structurele problemen bij het hof eindelijk aan te pakken.

Hoeveel extra geld wil de minister op korte termijn garanderen voor de uitbreiding van de personeelsformatie van het hof van beroep te Brussel?

Is de minister bereid een interne verschuiving te bepleiten en een inkrimping van de personeelsformatie van de Franstalige Brusselse rechtbanken, mocht uit de werklastmeting blijken dat de 80/20-verhouding niet met de realiteit overeenstemt?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - De uitspraak van het Brussels hof van beroep doet wenkbrauwen fronsen. Wanneer iemand schuldig wordt bevonden en het fiscale luik niet verjaard is, kan de fiscus nog altijd terugvorderen.

Ik heb de Hoge Raad voor de Justitie een onderzoek gevraagd over de doorlooptijden, de instroom en de uitstroom van dossiers en de personeelsformatie van de hoven van beroep. De Hoge Raad voor de Justitie heeft in 2008 en 2009 al een audit gemaakt van het Brussels hof van beroep en aanbevelingen gedaan, maar vier jaar na datum is het tijd om de instroom en de uitstroom van dossiers bij de vijf hoven van beroep te analyseren en om een objectieve vergelijking te maken.

Het zal mij trouwens helpen om legitieme vragen naar meer middelen en mankracht met meer kracht te verdedigen. Ik heb zulke vragen van het hof van beroep te Brussel al verschillende keren bij begrotingsbesprekingen op tafel gelegd.

We werken ook aan structurele oplossingen, onder andere in het kader van de justitiehervorming die we op het ogenblik bespreken in de commissie voor de Justitie van de Kamer. Daarmee bieden we aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep de mogelijkheid om een mobiliteit tussen de hoven van beroep te organiseren wanneer een zaak de redelijke termijn dreigt te overschrijden. De eerste voorzitters zouden ook, tijdelijk, medewerkers van een rechtbank van eerste aanleg aan een hof van beroep kunnen toevoegen.

Een meer flexibele organisatie en een grote mobiliteit moeten ervoor zorgen dat zulke fraudezaken in de toekomst de redelijke termijn niet meer overschrijden.

De heer Bart Laeremans (VB). - Mevrouw Turtelboom is weliswaar geen juriste, maar ze zou toch moeten weten dat zij als minister van Justitie niet het recht heeft om zich uit te spreken over de inhoud van een vonnis, zelfs niet om te zeggen dat een vonnis haar de wenkbrauwen doet fronsen. Daarmee begeeft zich ze zich op zeer glad ijs. Ik heb haar trouwens helemaal niet gevraagd daarover een uitspraak te doen.

De minister verwijst naar een audit die al uitgevoerd is en een audit die nog moet komen. Zo kunnen we blijven auditen, maar dat helpt ons niet vooruit. De nood is er vandaag en hij is groot. Ik heb de indruk dat de minister met nog maar eens een audit de zaak op de lange baan wil schuiven.

De minister zegt dat ze in de begroting 2014 het budget wil verhogen, maar dan moet ze de zaak vooral niet opnieuw voor zich uitschuiven. Ik vrees nochtans dat ze alle mogelijk argumenten bijeensprokkelt om dat net wel te doen en geen soelaas te bieden aan de grote noden van het hof van beroep.

Nogmaals: het blijft schrijnend dat er zoveel geld is voor eerste aanleg en niets voor het hof van beroep. De minister weet dat de Franstalige rechtbanken van eerste aanleg te veel magistraten krijgen. Dat moet worden rechtgezet. De minister van Justitie kan daartoe een sterke aanzet geven. Dat kan ze zelfs nog deze maand, want de werklastmeting is zo goed als klaar. Daaruit zal blijken dat er veel te veel magistraten zijn toegewezen aan die rechtbanken van eerste aanleg. Als dat is aangetoond, kan zij ervoor zorgen dat de wet wordt aangepast en de onrechtvaardige bevoordeling van de Franstaligen in Brussel ongedaan wordt gemaakt ten voordele van de al zo lang noodzakelijke versterking van het hof van beroep.

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Maes aan de minister van Justitie over «de seponering van dossiers van fiscale fraude die door de Cel voor Financiële Informatieverwerking werden doorgegeven» (nr. 5-1064)

Mevrouw Lieve Maes (N-VA). - Overeenkomstig de wet van 11 januari 1993 doet de Cel voor Financiële Informatieverwerking, CFI, een doormelding aan de parketten wanneer zij vermoedt dat er sprake is van ernstige en georganiseerde fiscale fraude.

Ongeveer twee jaar geleden stelde ik aan de voorganger van de minister van Justitie al een vraag over de samenwerking tussen de Cel voor Financiële Informatieverwerking en de parketten. Meer specifiek vroeg ik naar de verstrekking van tussentijdse feedback tussen de CFI en de parketten, waardoor de afhandeling van die dossiers niet nodeloos wordt gerekt en eventueel ook het aantal sepots kan worden beperkt.

Het antwoord van de toenmalige minister van Justitie hierop was dan ook dat de doormeldingen van goede kwaliteit zijn en nuttige en interessante opsporingen mogelijk maken. Bovendien voegde de toenmalige minister eraan toe dat de verkregen informatie in lopende onderzoeken wordt gebruikt. De minister vond dus dat de samenwerking tussen de CFI en de parketten goed verliep.

In het recent verschenen activiteitenverslag 2012 van de Cel voor Financiële Informatieverwerking wordt, net als in het verslag van 2011, melding gemaakt van het aantal dossiers waarin de CFI ernstige en georganiseerde fiscale fraude vermoedt en die hij dan ook doormeldde aan de parketten.

In 2011 werden zo 71 dossiers doorgemeld. In 17 van die dossiers besliste het parket om te seponeren; 17 van de 71 dossiers: dat is een kleine 24% van het totaal.

In 2012 meldde de CFI 59 van deze dossiers door aan de parketten. Van die 59 werden er door het parket echter 22 geseponeerd. Dat maakt dat maar liefst 37% van de dossiers werd geseponeerd!

Tijdens een radioprogramma gisterochtend maakte staatssecretaris Crombez zich zorgen over de follow-up van de door de CFI aan de parketten gemelde dossiers. Ik citeer: "We krijgen dan wel meer meldingen, het gevolg dat eraan gegeven wordt is niet goed". Hij zou dan ook met Justitie willen overleggen over de follow-up van de informatie.

In een reactie hierop verklaarde de woordvoerster van het Brusselse parket dat de informatie van de CFI niet voldoende is om iemand te vervolgen. Elke melding vergt volgens haar ook bijkomend onderzoek.

Volgens de voorganger van de minister op het departement Justitie verloopt de samenwerking tussen de CFI en de parketten goed en volgens het Brusselse parket moet voor elke melding van de CFI een bijkomend onderzoek worden gevoerd. Waarom wordt dan 37% van de door de CFI doorgemelde dossiers inzake fiscale fraude simpelweg geseponeerd? Moet ik concluderen dat de parketten onvoldoende uitgerust zijn om de dossiers inzake fiscale fraude behoorlijk te onderzoeken?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - De CFI is inderdaad verplicht om een doormelding aan de parketten te doen telkens ze meent dat er ernstige aanwijzingen van fraude zijn.

Vervolgens opent Justitie, in samenwerking met de politiediensten, onder meer op basis van de indicaties van de CFI een dossier en gaat het na welk gevolg aan dat dossier kan worden gegeven.

De senator haalt het zelf reeds aan in haar vraag: een melding betekent niet dat effectief een inbreuk is gepleegd. Het is een indicatie en dus zal zeker niet elke melding effectief tot een vervolging aanleiding geven.

Specifiek voor zaken die verband houden met bendevorming, oplichting, witwasserij, terrorisme, fiscale fraude en internationale handel in verdovende middelen, blijkt dat voor 2012 een groot deel van de sepots wordt verklaard door het feit dat de dader onbekend is (42%), dat onvoldoende bewijzen kunnen worden gevonden (13%), dat andere prioriteiten worden gelegd (10%) en het feit dat er geen misdrijf voorhanden is (7%). Voor 2011 bedragen die cijfers respectievelijk 29%, 19%, 12% en 7%.

Een gebrek aan capaciteit op het niveau van politie of parket wordt in 2012 in 11% van de gevallen als reden voor het sepot aangegeven. Het capaciteitsprobleem speelt dus een rol, maar het is niet de voornaamste reden.

In dit soort dossiers is een goede samenwerking tussen alle actoren erg belangrijk. Om die samenwerking te optimaliseren en eventuele pijnpunten in kaart te brengen, heb ik een ontwerp van koninklijk besluit voorbereid dat ik volgende week aan de Ministerraad zal voorleggen.

Het ontwerp voorziet in de oprichting van een ministerieel comité voor de coördinatie van de strijd tegen het witwassen van geld van illegale afkomst, dat onder leiding staat van de minister van Justitie.

Dit comité zal samen met de CFI, het college van procureurs-generaal en de politiediensten nagaan hoe het algemene beleid inzake de strijd tegen het witwassen van geld van illegale afkomst eventueel moet worden geheroriënteerd en hoe de prioriteiten van de diensten die op dat vlak actief zijn op de prioriteiten en capaciteiten kunnen worden afgestemd.

Mevrouw Lieve Maes (N-VA). - Ik heb begrepen dat maar een beperkt aantal sepots te wijten is aan een capaciteitsgebrek, dat de samenwerking kan worden verbeterd en dat de minister daarvoor een koninklijk besluit voorbereidt. Ik zal deze zaak blijven volgen, en aan de hand van de cijfers van volgend jaar nagaan of het optreden van de minister nut heeft gehad.

Mondelinge vraag van mevrouw Inge Faes aan de minister van Justitie over «de gevangenis van Vorst» (nr. 5-1071)

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - De burgemeester van Vorst heeft de politie opgedragen om vanaf vandaag elke nieuwe gedetineerde de toegang tot de gevangenis in zijn gemeente te weigeren. De gevangenis zit overvol. In de gevangenis van Vorst zijn 405 plaatsen en er zitten momenteel 660 gedetineerden. Volgens de burgemeester is het bijgevolg onmogelijk om nog extra gevangenen toe te laten.

Hoe is het zover kunnen komen dat een burgemeester de politie inzet om de komst van gedetineerden naar de gevangenis in zijn gemeente tegen te houden? Wat zal de minister doen om die situatie op korte termijn te ontmijnen?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Ik heb een persoonlijk onderhoud gehad met de burgemeester van Vorst en hem de situatie uitgelegd. Uiteraard heb ik begrip voor de moeilijke situatie van het arresthuis in Vorst en de verantwoordelijkheid van de burgemeester inzake veiligheid.

Mijn administratie heeft sinds het uitvaardigen van het bevel door de burgemeester alle mogelijke inspanningen gedaan om dat bevel op een correcte en loyale manier uit te voeren.

Het afgelopen jaar werden reeds verschillende maatregelen genomen om het arresthuis in Vorst te ontlasten. Zo werd de capaciteit in Sint-Gillis uitgebreid met 100 eenheden en in Ittre en Andenne telkens met 40 eenheden, in totaal dus goed voor 180 plaatsen. Momenteel verblijven 660 gedetineerden in Vorst. Vanochtend was de politie paraat voor het opstellen van een proces-verbaal voor de nieuwe gedetineerden die naar de penitentiaire instelling te Vorst zouden worden gebracht. Vandaag zijn echter geen gedetineerden naar Vorst overgebracht en er werd dus nog geen enkel proces-verbaal opgesteld.

Ondertussen gaan wij voort met de uitvoering van de Masterplannen 1 & 2 die vanaf eind 2013 voorzien in de opening van meer dan duizend plaatsen. Het betreft de bouw en de opening van de gevangenis in Marche, in het najaar van 2013, de gevangenis in Beveren, in 2014, het forensisch psychiatrisch centrum in Gent, in 2014, en de gevangenis in Leuze, eveneens in 2014.

Daarnaast hebben ook de justitiehuizen heel wat werk verricht op het vlak van de alternatieve straffen: de wachtlijsten voor werkstraffen, probatie en elektronisch toezicht zijn sterk verminderd en bijna volledig weggewerkt. Er is een zeer sterke stijging van het aantal personen onder elektronisch toezicht. Bij mijn aantreden stonden een achthonderdtal mensen onder elektronisch toezicht, vandaag zijn het er 1 402, dus een stijging met 75%.

Het aantal straffen uitgevoerd met elektronisch toezicht is op jaarbasis ook onafgebroken gestegen: 3 053 in 2011 en 3 561 in 2012. Met de huidige groeicurve evolueren we tegen het jaareinde naar 4 500 straffen onder elektronisch toezicht.

We blijven de toestand voortdurend monitoren, en ik waardeer de dagelijkse inspanningen van de penitentiaire beambten.

De procureur des Konings te Brussel heeft vanmiddag de korpschef van de politiezone Brussel-Zuid opgevorderd met toepassing van artikel 23 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt om de overbrengingen van de aangehouden personen overeenkomstig de vorderingen uit te voeren en zich niet te verzetten tegen de uitvoering van gerechtelijke beslissingen.

De situatie is vandaag dus genormaliseerd, maar een structurele oplossing is pas mogelijk met de bouw van extra gevangenissen en met de opening van de nieuwe gevangenissen.

(Voorzitter: de heer Danny Pieters, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Ik weet dat de minister veel inspanningen levert om de overbevolking in onze gevangenissen tegen te gaan, maar de gevangenis van Vorst is al enige tijd een probleemgeval. Vorige maand stak een gedetineerde zijn cel in brand, begin april had iemand blijkbaar stukken uit zijn eigen arm opgegeten.

Ik vraag me af in welke mate de burgemeester zich zal houden aan de instructies die de minister via het parket of de procureur aan de politie geeft. Met de escalatie die we vandaag hebben gezien, blijft de vraag of de problemen van de baan zijn, want in feite is de situatie bestendigd.

Eind 2012 werd België op de vingers getikt door het Europees Comité ter preventie van foltering, wegens de overbevolking, het gebrekkige sanitair en het tekort aan cipiers in de gevangenis van Vorst. Het te grote aantal gedetineerden werd aan de kaak gesteld.

Het Europees Comité was daarnaast ook van mening dat het inzetten van politieagenten tijdens stakingen van het gevangenispersoneel geen structurele oplossing biedt. Het Comité pleitte voor een verplichte minimumdienstverlening in de gevangenissen. Onze fractie is dat idee genegen. Collega Vanlouwe heeft daarover een wetsvoorstel ingediend. Ik weet dat de minister, toen ze minister van Binnenlandse zaken was, ook gewonnen was voor dat idee.

Ik hoop dat ze de situatie in Vorst van nabij zal blijven volgen zodat dit soort problemen zich niet opnieuw voordoen.

Wetsontwerp betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (Stuk 5-1189)

Algemene bespreking

De heer Francis Delpérée (cdH), corapporteur. - Samen met mevrouw Taelman breng ik verslag uit over de werkzaamheden van de commissie voor de Justitie met betrekking tot het wetsontwerp betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank. Het is een zeer belangrijke tekst die 100 artikelen wijzigt in het Burgerlijk Wetboek, 135 artikelen in het Gerechtelijk Wetboek en 1 artikel in het Strafwetboek.

Voor ik het woord geef aan mijn collega, wil ik drie opmerkingen maken over de totstandkoming, de invoering en de inhoud van de nieuwe regeling.

Het voorliggende wetsontwerp werd oorspronkelijk op 24 november 2010 in de Kamer van volksvertegenwoordigers als een wetsvoorstel ingediend. Het werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen op 20 juli 2011 en op 22 juli 2011 overgezonden aan de Senaat. Dit gebeurde in een periode van lopende zaken, wat bewijst dat het parlement nuttig werk kan blijven doen, ook al staat het regeringswerk soms op een laag pitje.

Verschillende ministers volgden elkaar op tijdens de voorbereiding van deze tekst. De heer Wathelet werkte mee aan de voorbereiding van het wetsvoorstel, de heer De Clerck begeleidde verder de behandeling van het ontwerp, en zijn opvolger mevrouw Turtelboom nam dat van hem over.

Het debat over de invoering van een familie- en jeugdrechtbank is dus niet nieuw. Al 35 jaar werd door de rechtspractici in familierecht de versnippering van de gerechtelijke bevoegdheden inzake familierecht gehekeld.

Het huidige systeem is inderdaad moeilijk te begrijpen, incoherent en niet uniform. Alleen al voor het burgerlijk gedeelte van het familierecht zijn er minstens vier bevoegde rechtscolleges: vredegerecht, jeugdrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, en rechtbank in kort geding. Dit alles zonder de regeling van de vereffening, de beslagrechter en de hoven van beroep of van cassatie mee te rekenen. Al die instanties hebben slechts een deeltje van de bevoegdheid.

Zo is een coherente rechtsbedeling binnen een redelijke termijn niet mogelijk. Het huidige systeem is voor rechtzoekende gezinnen een bron van kosten, onbegrip en moeilijkheden.

Procureur-generaal Mathijs verklaarde in dat verband dat we te maken hebben met een echte doolhof, waarin een gezin dat een oplossing zoekt voor zijn vaak dringende problemen, hopeloos verdwaalt. Het waant zich de speelbal van een abstract, onsamenhangend en anoniem gerechtelijk apparaat, dat de betrokken rechtzoekende door het gebrek aan harmonie en coördinatie uiteindelijk ontmoedigt. Bovendien kan zo'n situatie tot `gerechtelijke shopping' leiden, wanneer mensen denken dat ze altijd wel een rechter zullen vinden die hen op één of ander punt gelijk zal geven.

Het was dus tijd voor een nieuwe wetgeving. Zowel de regering als het parlement heeft kunnen rekenen op de bijdragen van een werkgroep bestaande uit universiteitsprofessoren, magistraten, advocaten, juristen van de FOD Justitie en van de kabinetten van Justitie en Gezinsbeleid en van professor Van Gysel en de Unité de droit familial van de ULB.

Dit leidde in april 2010 tot een ontwerptekst die op initiatief van volksvertegenwoordigers Christian Brotcorne en Sonja Becq als wetsvoorstel werd ingediend in de Kamer.

Er werden hoorzittingen gehouden. Er was een advies van de Raad van State en een advies van de Hoge Raad voor de Justitie. In de regeringsverklaring van december 2011 stond te lezen dat de regering het parlementair initiatief zou steunen tot invoering van een familie- en jeugdrechtbank. Dat is precies wat we nu tot stand willen brengen.

Hoe zal de familie- en jeugdrechtbank concreet ingepast worden in ons gerechtelijk landschap?

Het is de bedoeling om binnen elke rechtbank van eerste aanleg een nieuwe rechtbank in te voeren naast de burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank. Die rechtbank zal de dubbele naam familie- en jeugdrechtbank dragen omdat ze zowel bevoegd zal zijn voor familiezaken als voor jeugdzaken en alle familiale geschillen zal behandelen, en alle problemen in verband met de jeugd.

De familie- en jeugdrechtbank zal samengesteld zijn uit drie kamers: een familiekamer, een jeugdkamer en een kamer voor minnelijke schikking van geschillen.

Ook in het hof van beroep zullen gespecialiseerde kamers ingericht worden voor familie- en jeugdzaken.

De samenstelling van de rechtbank is ingegeven door verschillende principes: in de eerste plaats moet de samenvoeging de coherentie ten goede komen; ten tweede moeten eenvoudiger procedures de toegang tot de justitie verbeteren; en ten derde wordt een grotere specialisatie nagestreefd door middel van een specifieke opleiding van de zittende magistraten en de parketmagistraten die actief zullen zijn binnen de nieuwe rechtbank.

Dan wil ik mij nu toespitsen op de inhoud, met name op het kind. De voornaamste bekommernis is de kinderen steeds als uitgangspunt te nemen voor procedures en beslissingen.

Wat de procedures betreft, wordt gepoogd de voorkeur te geven aan de minnelijke oplossing van conflicten, bijvoorbeeld door bemiddelings- of verzoeningsprocedures.

Bij het nemen van een beslissing gaat het erom voorrang te verlenen aan het belang van het kind en binnen het gezin steeds te zoeken naar de regeling die voor het kind de meest harmonieuze is, ook al zullen er altijd verschillen zijn in familiale en sociale situaties en moet er in elk specifiek geval en voor elk afzonderlijk kind de meest wenselijke oplossing gezocht worden.

Om tegemoet te komen aan die bekommernis, worden de familiale bevoegdheden die nu bij de vrederechters liggen, aan de familie- en jeugdrechtbank overgedragen. Omgekeerd zullen voortaan alle onbekwaamheidsstatuten toegewezen worden aan de vrederechters. De wet die deze materie regelt, is onlangs aangepast en treedt in werking in juni 2014, ongeveer op hetzelfde ogenblik als de wet op de familie- en jeugdrechtbank.

De vrederechter zal bovendien ook bevoegd zijn voor alle zaken tot 2500 euro in plaats van 1860 euro, een bedrag dat diende geïndexeerd te worden.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld), corapporteur. - Het voorliggende wetsontwerp is zoals gezegd de vrucht van een zeer lange samenwerking tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. De tekst die de regering had voorbereid, werd eind 2010 bij de Kamer ingediend. Na het grondige werk in de Kamer boog de Senaat zich eveneens over het ontwerp. Hij werd daarbij ondersteund door oriëntatienota's van de regering, maar kon evenzeer belangrijke eigen accenten leggen.

De heer Delpérée lichtte de algemene bespreking al toe, ik zal mij op enkele belangrijke punten uit de artikelsgewijze bespreking concentreren. In de commissie werden in totaal meer dan 200 amendementen ingediend. De meeste waren veeleer technisch van aard, maar er werden toch ook enkele wezenlijke zaken bijgestuurd.

Nu de bevoegdheid aangaande onbekwamen bij de vrederechter komt te liggen, rees de vraag of het openbaar ministerie op de zitting aanwezig dient te zijn. Praktisch is dit onhaalbaar, aangezien de vredegerechten over het hele land verspreid liggen. Een advies van het openbaar ministerie kan echter wel nuttig zijn, vandaar dat aan de vrederechter de mogelijkheid wordt gegeven om in elke fase van de procedure een advies in te winnen.

De onduidelijkheid over de wijze waarop een zaak bij de familierechtbank aanhangig kan worden gemaakt, werd weggewerkt. De vordering kan voortaan op drie wijzen worden ingesteld. De commissie voegde het gezamenlijk verzoekschrift en het verzoekschrift op tegenspraak toe aan de mogelijkheid tot inleiding bij dagvaarding. In de organisatie van de familierechtbank werd een belangrijke aanvulling gedaan. In het oorspronkelijke ontwerp werd een kamer voor minnelijk akkoord als optioneel beschouwd en de oprichting ervan werd aan het oordeel van de korpschef overgelaten. De voorliggende tekst bepaalt nu dat de familierechtbank in elk arrondissement een aparte kamer voor minnelijk akkoord dient te hebben.

De commissie was namelijk van oordeel dat dit proceseconomisch een merkelijke verbetering zou opleveren, nu reeds in een groot deel van de geschillen een akkoord tussen partijen wordt bereikt vóór ze op de zitting komen. Deze kamer in eerste aanleg, een aparte kamer dus, zou zich enkel toeleggen op het acteren van bereikte akkoorden.

Bovendien werd het toepassingsgebied ratione materiae uitgebreid en vooral homogener gemaakt. Een opvallende toevoeging is dat ook feitelijk samenwonende koppels zich tot de familierechtbank moeten wenden.

Tevens heeft de commissie het zogenaamde familiedossier verder gepreciseerd. Het principe is nu duidelijker: één rechter, één dossier. De familierechtbank zal ook kunnen zetelen in kort geding. Dezelfde principes blijven gelden, zodat deze zaken ook door de voorzitter kunnen worden beoordeeld.

De référé d'hôtel, waarover in de commissie enige tijd werd gedebatteerd, blijft onverminderd bestaan. Dringende gevallen zullen dus nog door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kunnen worden behandeld, indien er absolute hoogdringendheid bestaat.

Ook opleiding was een discussiethema. Iedereen was het erover eens dat magistraten een bijkomende opleiding moeten krijgen als ze in de familierechtbank zetelen. Het ontwerp van de Kamer was op dat punt evenwel enigszins onduidelijk omdat artikel 259sexies van het Gerechtelijk Wetboek nu reeds in een passende opleiding voorziet. De vraag was of dit betekent dat jeugdrechters een dubbele opleiding moeten volgen. Duidelijkheid werd verschaft door de opleidingen onder het reeds daartoe aangewezen artikel 259sexies onder te brengen.

Met de oprichting van de familierechtbank worden de vrederechter veel bevoegdheden ontnomen. De commissie oordeelde dan ook dat alle vorderingen tot 2500 euro bij de vrederechter moeten worden ondergebracht. Vonnissen tot 1860 euro zullen voortaan in laatste aanleg worden behandeld.

De inwerkingtreding van de wet werd vastgelegd op 1 september 2014.

Daarnaast werden ook algemene bepalingen aangepast in artikelen die in het kader van de invoering van de familierechtbank moesten worden gewijzigd. Zo voorziet artikel 985 van het Burgerlijk Wetboek nog steeds in specifieke regelingen aangaande testamenten wanneer dorpen of een gebied zouden worden afgesloten van de buitenwereld als er pest zou heersen. Als reflectiekamer konden we een dergelijk anachronisme niet meer in onze wetteksten dulden. Dus hebben we meteen elke verwijzing naar de pest geschrapt. De Senaat mag voor velen misschien een oubollig imago hebben, middeleeuws zijn we zeker niet. Het leek dan ook niet meer dan logisch deze middeleeuwse ziekte uit de wetgeving te halen.

Idem dito met de waterschout, weliswaar uit een iets recenter verleden dan de pest, maar inmiddels ook wel redelijk gedateerd. Die benaming werd vervangen door de term "met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar".

Tot zover het verslag van de artikelsgewijze bespreking en van de door de commissie aangenomen wezenlijke amendementen. Het ontwerp werd in de commissie aangenomen met tien stemmen voor bij een onthouding.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Er is al jaren sprake van de familie- en jeugdrechtbank en dat was ook nodig. De heer Delpérée waarschuwde voor `gerechtelijke shopping'. Het klopt dat als een rechtzoekende met gezinsproblemen tegenwoordig naar de rechter wil stappen om een procedure in te leiden, hij in de aanloop naar een scheiding voor dringende en voorlopige maatregelen naar de vrederechter moet. Hij gaat naar de rechter in kort geding, waar het dringende karakter vermoed wordt als er al een echtscheidingsprocedure loopt, doch bewezen moet worden als er nog geen echtscheidingsprocedure is. Als hij niet gehuwd is, moet hij naar de jeugdrechtbank, waar hij ook weer terecht kan na het huwelijk, evenals bij de vrederechter. Het is dus een ingewikkeld kluwen en de dossiers raken volledig versnipperd.

Het doel om per kind maar één dossier meer te hebben, zal natuurlijk het overzicht en de coherentie van de genomen beslissingen ten goede komen. De tijd zal ons leren of we daarin zullen slagen. De familierechtbank zal net zoals de vrederechter een nabijheidsrechtbank moeten zijn.

De Senaat heeft grondig werk verricht. Er werden veel amendementen ingediend en besproken. Sommige waren technisch van aard, andere gingen iets verder. Een belangrijk amendement vond ik dat met betrekking tot de vereffening-verdeling. Ik ben ervan overtuigd dat de familierechtbank niet overladen mag worden, ook al is er veel sprake van doorgedreven specialisatie van advocaten en magistraten. Toch mag men niet overdrijven, want als de bevoegdheden van de rechtbank te ruim bemeten zijn, zal ze onder de werklast bezwijken. Daarom had ik voorgesteld dat alle geschillen in verband met de vereffening-verdeling geweerd zouden worden uit de familierechtbank, wat helemaal niet wil zeggen dat die rechtbank dan als een rechtbank voor het emotionele en het irrationele zou moeten worden beschouwd. Kwesties van vereffening-verdeling zijn nu eenmaal vrij technisch en vergen een juridisch gespecialiseerde aanpak.

Om sereen te werk te kunnen gaan en degelijke oplossingen te bieden inzake vermogenskwesties tussen ex-echtgenoten of onverdeelde eigenaars mag de vereffening geen afrekening worden. Ik vond dat dit best uit de `passionele' sfeer werd gehaald. Daarom hebben we een compromisamendement opgesteld. We zullen zien wat de Kamer van volksvertegenwoordigers zal doen met ons voorstel om de bevoegdheid bij de rechtbank te laten wanneer er minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Als dit compromis wordt aanvaard, zullen we in de praktijk moeten ondervinden of dit goed werkt. Maar ik vond het belangrijk om deze afweging te doen.

De familierechtbank moet nu van start gaan. De financiële middelen zijn hierbij cruciaal. Die vraag liep parallel met alle andere discussies, maar we hebben nooit een concreet en precies antwoord gekregen op de vraag wat dat zou gaan kosten. Sedert enkele maanden zijn er hier en daar proefprojecten, bijvoorbeeld in Brussel, maar voor onze rechtbanken wordt dit toch een hele omwenteling. De hervorming van de gerechtelijke arrondissementen zal van magistraten en andere rechtspractici al veel aanpassingsvermogen vergen. Daarbovenop komt nog de invoering van de familierechtbank, die zich coherent en praktisch zal moeten opstellen ten behoeve van rechtspractici en rechtzoekenden.

Het is dus een belangrijk moment in de hervorming, of zelfs de omvorming, van ons rechtssysteem. Voor de goede werking van deze rechtbank zal veerkracht en aanpassingsvermogen nodig zijn.

Het kostenplaatje is daarbij essentieel, want het departement moet niet alleen de knip op de beurs houden, maar heeft ook nog andere projecten op stapel staan. Zo is er over de hervorming van de rechtsbijstand nog veel onduidelijkheid. Ik hoop dus dat we precieze antwoorden zullen te horen krijgen over de kostprijs van deze operatie.

We steunen dus deze hervorming, die we gerechtvaardigd vinden, maar die tijdig moet worden geëvalueerd.

De heer Bart Laeremans (VB). - Het gebeurt wel vaker dat zowat alle partijen het eens zijn met een bepaald wetsontwerp, maar dat er kritische partij rondloopt zoals de onze, die de pret dan komt bederven. Dat is nu opnieuw het geval bij het ontwerp dat nu voorligt.

Het Vlaams Belang is geenszins van mening dat er niets mag veranderen op het vlak van de veelheid van rechtbanken die in de huidige situatie bevoegd zijn in familiezaken. Maar net nu het gehele gerechtelijke landschap - terecht - hervormd wordt en evolueert naar provinciale arrondissementen - behalve helaas in Vlaams-Brabant, maar dat is een ander debat - begrijp ik echt niet waarom er nog snel in elk van de 27 bestaande arrondissementen een familierechtbank wordt opgericht.

Ik had zowel aan de vorige als aan de huidige minister van Justitie gevraagd om de hertekening van het gerechtelijk landschap te koppelen aan het dossier van de familierechtbanken. Beide ministers hadden mij ter zake toegezegd dat die evidente koppeling er zou komen, maar uiteindelijk is die toezegging niet gehonoreerd.

Het is toch absurd om op 1 september 2014 in 27 arrondissementen een familierechtbank op te richten, om kort nadien 15 van die rechtbanken af te schaffen. Dat is nochtans wat er nu dreigt te gebeuren. Er wordt wel beweerd dat de hervorming van het gerechtelijk landschap al vanaf 1 april 2014 een feit zal zijn, maar niemand gelooft dat. Die datum ligt vlak voor de verkiezingen en op dat moment zal er zelfs geen behoorlijke controle van het parlement meer mogelijk zijn. Een invoering op 1 april zou een verkiezingsstunt zijn die zware schade zou toebrengen aan justitie. Een dergelijke grote hervorming moet immers behoorlijk worden voorbereid. Het is dus onmogelijk om die nog te realiseren in de tien maanden die nog resten voor de verkiezingen.

Ook de inwerkingtreding van deze familierechtbank per 1 september 2014 zit dus fout. De hervorming van het familiale contentieux is immers helemaal niet dringend of prioritair. Het gaat eerder om een luxeprobleem, want niemand kan beweren dat justitie het familierecht op het ogenblik stiefmoederlijk behandelt.

Het zou veel beter zijn om eerst de grote hervorming van Justitie door te voeren en nadien het familierecht te hervormen, als alles in zijn plooi is gevallen. Maar zo loopt het dus niet, omdat sommigen met een grote trofee de verkiezingen willen ingaan.

Het belangrijkste bezwaar tegen de hervorming die voorligt, is de overdracht - van de vrederechter naar de nieuwe familierechtbank - van de bevoegdheden inzake dringende en voorlopige maatregelen. Die bevoegdheid biedt de vrederechters nu immers bij uitstek de mogelijkheid om hun rol van nabijheidsrechter in te vullen, om kort op de bal te spelen. In de achttien jaar waarin ik de commissie voor de Justitie volgt, heb ik nooit enige klacht gehoord over de manier waarop de vrederechters optreden bij het opleggen van dringende en voorlopige maatregelen. Er rijst geen enkel probleem op dat vlak en dus ik zie niet in waarom die bevoegdheid dan moet worden overgeheveld. Ik vrees integendeel dat die overheveling veel vertraging tot gevolg zal hebben en dat er wegens de veelheid van dossiers met minder kennis van zaken zal worden geoordeeld. De enorme ervaring en deskundigheid die hieromtrent in de 137 vredegerechten zijn opgebouwd, worden met een pennentrek overboord gegooid.

Een en ander leidt trouwens tot terechte verontwaardiging bij de vrederechters zelf. De vrederechter van Roeselare, Jan Nolf, zag in de hervorming zelfs een reden om zijn ambt neer te leggen. Ik citeer zijn uitspraken: "Dit was voor mij inderdaad het sein om te stoppen. Uiteindelijk zal de burger vervreemden van Justitie: je zou evengoed een huisarts kunnen verbieden om nog een griep te behandelen.

Ik stel alleen maar vast dat we familiale crisissituaties sneller en accurater moeten opvolgen, maar ik vrees dat we alleen maar meer zulke gevallen zullen zien als straks in plaats van een vrederechter één familierechtbank per provincie zal moeten oordelen over geschillen binnen een gezin. Daardoor zullen mensen nog later en nog minder worden geholpen." Wie ben ik om Jan Nolf tegen te spreken?

Er zit bovendien natuurlijk een zeer dikke communautaire adder onder het gras. Wat is er zo kenmerkend voor de vredegerechten en de nabijheidsrechtspraak? Dat ze in Vlaanderen en ook in alle kantons van Halle-Vilvoorde in het Nederlands verloopt, tenzij dan in de faciliteitengemeenten. Dat is blijkbaar een doorn in het oog van de Franstalige politici. Zij willen absoluut verhinderen dat anderstaligen in Halle-Vilvoorde integreren en zich neerleggen bij het Nederlandstalige karakter van hun streek.

Dat verklaart ook de haast waarmee de voorzitter van de Brusselse rechtbank van eerste aanleg zo'n familierechtbank heeft opgericht, zonder zelfs maar de goedkeuring van de wet af te wachten.

Nog veel sterker is dat de Franstalige rechtbankvoorzitter Luc Hennart het nodig vond alleen maar een Franstalige familierechtbank op te richten. De Vlamingen worden dus van meet af aan gediscrimineerd. Franstalige familiezaken, uitgezonderd de zaken die, zolang dit ontwerp nog niet is goedgekeurd, nog voor de vrederechter moeten komen, zullen immers sneller en bijgevolg efficiënter kunnen worden afgehandeld dan Nederlandstalige. Daartoe krijgt de Franstalige familierechtbank nu al extra magistraten en extra ondersteuning.

Zo wordt datgene op poten gezet waarvoor onze fractie zo heeft gewaarschuwd bij de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel. De Franstalige en de Nederlandstalige rechtbanken zullen volop met elkaar in concurrentie treden, waarbij de Franstalige rechtbanken schaamteloos worden bevoordeeld. Zij krijgen immers viermaal zoveel magistraten als de Nederlandstalige, terwijl ze op grond van de werklast en de wetgeving maar op tweemaal zoveel magistraten aanspraak kunnen maken. Dat zal ertoe leiden dat de Franstalige rechtbanken de Nederlandstalige kunnen wegconcurreren, ook in Halle-Vilvoorde. Zelfs Nederlandstaligen zullen geneigd zijn naar de Franstalige rechtbank te trekken, omdat die sneller zal werken.

In Halle-Vilvoorde zal zich dus een nieuwe discriminatie aftekenen. Het initiatief van Hennart is daar de perfecte voorafbeelding van. Vlaamse onderhandelaars waren immers zo dom zich te laten rollen met bedrieglijke cijfers en hadden nadien niet de moed hun stommiteiten recht te zetten.

De houding van Hennart heeft het hele misselijk makende akkoord en de daarop aansluitende wetgeving in belangrijke mate onderbouwd en geloofwaardigheid gegeven. Hij was het immers die, als rechtbankvoorzitter dan nog wel, bedrieglijke cijfers bevestigde in de media en wetens en willens leugens de wereld instuurde.

Hennart ontpopte zich dus als een lelijke leugenaar. Dat uitgerekend een rechtbankvoorzitter, die boven alle verdenking zou moeten staan, zich daartoe leent, is verschrikkelijk. Het is even verschrikkelijk dat die voorzitter weigerde de juiste cijfers ter beschikking te stellen aan de Hoge Raad voor de Justitie, wat nochtans uitdrukkelijk was gevraagd. Het is onaanvaardbaar en ongezien dat hij weigerde aan de minister de gegevens te verstrekken die ze nodig had om te antwoorden op de vraag om uitleg die ik haar einde mei heb gesteld over de Franstalige familierechtbank. Zoiets heb ik in achttien jaar parlementair mandaat nooit meegemaakt.

Bovendien heeft de minister begin juni uitgerekend dit bedenkelijke heerschap, dat haar in een lastig parket had gebracht in het parlement, vereerd met een bezoek aan zijn nieuwe familierechtbank. Nog sterker was dat ze het nodig vond die familierechtbank tot een modelproject uit te roepen waarnaar de pers mocht komen kijken. Toen ik dat vernam, zonk ik door de grond van plaatsvervangende schaamte. Hoe durfde de minister de Vlamingen zo te provoceren en de discriminatie van de Vlamingen in Brussel en Halle-Vilvoorde uit te roepen tot een model?

(Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune.)

Een meer ergerlijke vorm van Vlaamse slaafsheid, van Vlaamse onderworpenheid is nauwelijks denkbaar.

Op 29 mei heb ik de minister hierover uitgebreid ondervraagd, maar ze was niet in staat om te antwoorden, omdat Hennart had geweigerd om de nodige informatie te verstrekken. Ik heb toen gezegd dat ik ten laatste vandaag, tijdens de bespreking in plenaire vergadering, een antwoord verwachtte. Ik stel de vragen van toen dus opnieuw en reken op antwoorden. Allicht is de minister voorbereid.

Kan de minister meedelen welke motieven ten grondslag liggen aan de oprichting van die nieuwe afdeling? Zijn er cijfermatige gegevens waarop de voorzitter zich steunt, of is dat enkel het gevolg van druk vanuit de Franstalige advocatuur?

Waarom wordt een Franstalige afdeling opgericht en geen Nederlandstalige? Is het concrete gevolg voor de rechtzoekende niet dat Franstalige familiezaken meteen sneller en efficiënter behandeld worden dan de Nederlandstalige?

Kan de minister meedelen hoeveel Nederlandstalige familiezaken er werden ingeleid in het eerste kwartaal en hoeveel Franstalige? Verschillen die cijfers van het eerste kwartaal van 2012? Werd reeds een verschil in doorlooptijd vastgesteld?

Behandelt de Franstalige familierechtbank zaken die vroeger door de vrederechters behandeld werden? Is er in de praktijk iets veranderd aan de concrete bevoegdheids- of verwijzingsregels binnen de rechtbank? Loopt men daar met andere woorden vooruit op de wetgeving die we vandaag behandelen? Uiteraard kunnen niet zomaar bevoegdheden van de vrederechter worden afgenomen, maar er zijn wel zaken in de grijze zone.

Hoeveel kost deze hervorming? Hoeveel extra magistraten worden daarvoor ingeschakeld? Werd het advies ingewonnen van de Nederlandse Orde of van de Nederlandstalige magistraten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat was hun reactie?

Deze vragen stelde ik de minister op 29 mei en ik hoop dat ze die vandaag zal beantwoorden. Dat heeft ze me in elk geval uitdrukkelijk beloofd. Anders kan het debat vandaag niet worden afgesloten. Bovendien heeft de minister met haar opmerkelijk bezoek aan de Brusselse familierechtbank de kans gehad om met voorzitter Hennart te spreken. Ik reken dus op een antwoord van de minister.

Ik sluit af met de actualiteit van vandaag. We hebben allemaal gehoord hoe problematisch de situatie bij het hof van beroep is. Het hof is structureel onderbemand en kan zijn taken niet aan, met alle dramatische gevolgen van dien. We hebben de minister er daarstraks al over ondervraagd. De minister kan het hof van beroep echter helemaal geen perspectieven bieden, niet eens een sprankeltje hoop. Ze sprak over een nieuwe audit, de zaak wordt opnieuw op de lange baan geschoven. De minister zei nog maar eens dat ze zal pleiten voor een hoger budget, maar voor hoeveel meer en voor welk jaar vermeldt ze er niet bij.

Met het nieuwe wetsontwerp zal de situatie er bij het hof van beroep niet op verbeteren. Integendeel, alle beroepen tegen beslissingen over voorlopige en dringende maatregelen en onderhoudsuitkeringen na echtscheiding zullen immers bij het hof van beroep terechtkomen in de plaats van bij de rechtbank van eerste aanleg zoals vandaag. De situatie wordt er dus alleen maar erger op. Het is dan ook bijzonder schrijnend dat er voor dat hof geen budget meer kan worden vrijgemaakt terwijl er miljoenen en miljoenen over de balk worden gegooid voor maar liefst 280 nieuwe aanwervingen voor de Franstalige rechtbanken, terwijl deze behoeften niet zijn aangetoond, meer nog, manifest niet bestaan. Vandaag is er in Brussel geld in overvloed voor luxeprojecten die bedoeld zijn om de Nederlandstaligen weg te concurreren, maar geld voor de noodzakelijke uitbreiding van het personeelsbestand van het hof van beroep is er niet. Om het met Magritte te zeggen: ceci n'est pas une justice. Het is georganiseerde onrechtvaardigheid.

De heer Karl Vanlouwe (N-VA). - Het wetsontwerp dat vandaag ter stemming voorligt, heeft tot doel een familie- en jeugdrechtbank als een aparte afdeling binnen de rechtbank van eerste aanleg op te richten. Daarnaast komt er een verdere opdeling in gespecialiseerde kamers. Eenzelfde organisatie komt er ook op het niveau van het hof van beroep en het parket. Daardoor kunnen de typisch familiale geschillen door eenzelfde gerechtelijke instantie worden behandeld. Die kan zich aldus niet alleen technisch-juridisch in de materie specialiseren, maar ze kan ook de voorgeschiedenis en de eigenheid van elke familie beter in rekening brengen en beoordelen. Ook het aanleggen van een familiedossier moet in die optiek worden gezien. Alternatieve geschillenbeslechting via bemiddeling kreeg eveneens bijzondere aandacht in dit wetsontwerp.

De oprichting van een gespecialiseerde familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg zou tevens een stap in de richting van een eenheidsrechtbank zijn geweest, waarvan meerdere Vlaamse partijen voorstander zijn. Die eenheidsrechtbank werd evenwel gedwarsboomd door de hervormingsplannen van het gerechtelijk landschap, die op dit ogenblik in de Kamer worden besproken. Verder kan door de herschikking ook het bevoegdheidspakket van de vrederechters homogener worden samengesteld, wat hun specialisatiegraad ten goede komt.

Onder meer om die redenen heeft de N-VA zich altijd een voorstander van de familie- en jeugdrechtbank getoond en hebben we altijd constructief meegewerkt aan het wetsontwerp dat vandaag voorligt.

Wij betreuren evenwel dat het allemaal zo lang heeft geduurd. Vondel had gelijk toen hij zei dat "langzaamheid grote zaken past", maar er was toch meer aan de hand. Het wetsvoorstel werd in november 2011 in de Kamer ingediend en ongeveer acht maanden later, in juli 2012, in de plenaire vergadering goedgekeurd, na uitgebreide hoorzittingen en bevraging van het terrein. In de loop van 2012 werd de bespreking in de Senaatscommissie verschillende malen uitgesteld, omdat de minister een globaal regeringsamendement wenste in te dienen.

Dat algemene amendement zou er hoofdzakelijk op gericht zijn om de technische kwaliteit van het wetsvoorstel te verbeteren en om de Franse en Nederlandse teksten beter op elkaar af te stemmen. Er kwam echter geen globaal amendement, maar wel een kritische oriëntatienota, die inhoudelijk sterk afweek van het al in de Kamer geleverde werk. Het leek wel of de minister de basisconcepten van de familierechtbank ter discussie stelde en alle na maanden onderhandelen tot stand gekomen compromissen, waarbij afdoende rekening was gehouden met de opmerkingen van de mensen uit de praktijk, onderuit wou halen. Een globaal amendement op basis van die nota zou er uiteindelijk nooit komen. De minister bleek het initiatief aan de Senaat te laten om amendementen in te dienen die op haar nota waren gebaseerd. Dat getalm maakte duidelijk dat de minister eigenlijk maar een koele minnaar was van dit wetsontwerp.

Hoewel de minister in de pers herhaaldelijk verklaarde dat het allesbehalve haar bedoeling was de goedkeuring te vertragen, viel die uitspraak moeilijk te rijmen met haar houding tijdens de parlementaire behandeling. De minister blies met andere woorden warm en koud tegelijkertijd. Haar eigen plannen met betrekking tot de hervorming van het gerechtelijk landschap lijken daarentegen een veel kortere parlementaire doorlooptijd beschoren.

Ik benadruk dan ook dat de collega's van CD&V en cdH, de eigenlijke bezielers van dit ontwerp, zich niet hebben laten vangen aan het opzet van hun liberale coalitiepartners en de amendementen die op de oriëntatienota waren geïnspireerd in hoofdzaak wisten te beperken tot die van technisch-juridische aard. De familie- en jeugdrechtbank komt er hopelijk nog in deze legislatuur.

De N-VA zal het wetsontwerp steunen omdat de rechtzoekenden hiermee zijn gediend. Toch blijven wij voorstander van een echte eenheidsrechtbank, met gespecialiseerde afdelingen, waarin ook de familie- en jeugdrechtbank een plaats verdient.

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - De verslagen waren vrij volledig en verschillende collega's hebben het onderwerp daarenboven al goed belicht. Ik zal het dus kort houden.

Onze fractie is blij dat dit dossier kan worden afgerond. Na een onwaarschijnlijk totstandkomingsproces kunnen we dit nu eindelijk doen. Het lijkt nog moeilijk te geloven dat het eindelijk zo ver is, omdat de mensen op het terrein hier al zo lang op wachten.

Het wetsontwerp heeft tot doel de dienstverlening en de samenhang van de procedures in het kader van het familierecht te verbeteren door ze allen voor eenzelfde rechtbank te brengen. De richtsnoeren waren hierbij toegankelijkheid, eenvormigheid, vlotheid, specialisering en bemiddeling en bovenal de wil om de belangen van het kind centraal te plaatsen.

Onze fractie is dus blij dat het werk af is en zal de tekst goedkeuren.

De heer Guy Swennen (sp.a). - De invoering van de familierechtbank is zonder twijfel een belangrijke stap vooruit. De sp.a heeft in de marge van de diverse hervormingen in het familierecht de afgelopen twee decennia altijd te kennen gegeven voorstander te zijn van de invoering van de familierechtbank.

Dat is altijd een droom geweest, maar ik heb in de commissie voor de Justitie aangegeven dat onze droom er iets anders uitzag dan het voorliggende wetsontwerp betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank. Onze droom was de vredegerechten te ontdubbelen met enerzijds vrederechters in algemene zaken en anderzijds familievrederechters. Dat zou uiteraard een belangrijke transfert van middelen en personeel hebben betekend van het hogere niveau, de rechtbank van eerste aanleg, naar de vredegerechten. We hadden daarbij één hoofdbekommernis, namelijk de behandeling van familiezaken laagdrempelig maken.

In de loop der jaren heb ik echter vastgesteld dat hiervoor geen parlementair draagvlak was, hoewel we zeker niet de enige partij waren met een dergelijk pleidooi. De sp.a heeft het voorliggende ontwerp gesteund omdat het een belangrijke stap vooruit is. Ik heb de argumentatie pro de familierechtbank in het voorstel dat in de Kamer werd ingediend, grondig gelezen. Dat heeft me ervan overtuigd dat het ontwerp een belangrijke stap vooruit is, hoewel het van een ander kaliber was dan wat we oorspronkelijk in gedachten hadden.

Er zijn heel wat voordelen. De graad van specialisatie wordt zonder meer vergroot en er is nu ook meer duidelijkheid. Vroeger kon de rechtzoekende op diverse plaatsen voor ongeveer hetzelfde terecht, wat nogal verwarrend was. Dit zijn maar twee van de talrijke pluspunten.

Het voorstel geniet onze volle steun omdat het een stap in de goede richting is, maar het zal in de praktijk heel wat inspanning vergen om die laagdrempeligheid gestalte te geven. Ik verwijs naar de debatten in de commissie over het begrip "nabijheid". De discussie ging erover dat het geen kwestie van afstand is, maar een zaak van de wijze van behandeling, of het nu op het niveau van de vrederechter of op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg is. Er is dus werk aan de winkel. De nieuwe huiscultuur van de familierechtbank zal van nabij moeten worden opgevolgd.

Tijdens de commissiewerkzaamheden werden voornamelijk technische aanpassingen aangebracht. Ik hoop op een vlotte behandeling in de Kamer en wens iedereen te danken die op een of andere manier zijn steentje heeft bijgedragen aan deze volumineuze hervorming met impact.

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). -. Het principe van een nieuwe familierechtbank in elk gerechtelijk arrondissement van ons land is een nieuwe en belangrijke stap naar onze ultieme doelstelling: justitie dichter bij de burger brengen. De familierechtbanken, met magistraten die zich op familiedossiers toeleggen, zullen de drempel naar de rechtbank verlagen. Vandaag is er een kluwen van procedures. Betrokkenen moeten eerst bij de vrederechter langsgaan en vervolgens in kort geding gaan; de procedures verschillen naargelang het gaat om feitelijk samenwonenden, wettig samenwonenden of gehuwden. Zelfs advocaten weten vaak niet meer waar ze met een dossier naartoe moeten. Hoe kunnen we dan verwachten dat de burgers die een uitspraak wensen te krijgen, dat wel weten?

Het ontwerp is al in de Kamer goedgekeurd. Hoewel de Senaat het ontwerp pas als laatste behandelt, heeft hij een grote meerwaarde gegeven. Verschillende van onze amendementen werden aanvaard, en dat waren - anders dan collega Vanlouwe liet uitschijnen - niet alleen technische aanpassingen. Enkele daarvan wil ik kort toelichten.

Elke familierechtbank krijgt een afzonderlijke kamer enkel en alleen voor het registreren en homologeren van minnelijke akkoorden. Dat is belangrijk. In de praktijk sluiten de partijen vaak na bemiddeling een akkoord, dat echter niet afdwingbaar is en dus geen rechtszekerheid biedt. Net als bij de procedure inzake de vereffening en de verdeling voeren we het principe in dat akkoorden of deelakkoorden bij de notaris kunnen worden geregistreerd. Dat zal in zeer veel familierechtelijke dossiers de zaak ontmijnen. Dankzij een amendement van ons, dat trouwens mede door N-VA goedgekeurd werd, is dit principe nu in de wet opgenomen.

Door de introductie van familierechtbanken worden alle familiale procedures aan de vrederechter ontnomen. Dat maakt integraal deel uit van het doel van deze hervorming; te komen tot één rechtbank voor alle familierechtelijke geschillen. Omdat de vrederechter daardoor minder omhanden zal hebben, hebben we beslist de grens voor de vorderingen in geldsom voor de vrederechter te verhogen naar 2500 euro.

De vrederechter wordt tevens bevoegd voor alle onbekwaamverklaringen. Dat is een goede zaak. Het gaat hier immers om een persoonsmaterie die heel nauw aansluit bij de persoonlijke levenssituatie van eenieder. De vrederechter is het best geplaatst om de toestand van de onbekwame personen van dichtbij te volgen en te evalueren. Vandaag is de behandeling van deze dossiers heel versnipperd. Het aanstellen van een voorlopige bewindvoerder gebeurt voor de vrederechter, terwijl andere procedures voor de rechtbank van eerste aanleg gevoerd worden.

Ten derde, wordt de bijstand door een advocaat aan een minderjarige die in een burgerlijke zaak door de rechter gehoord wordt, bijvoorbeeld in het kader van een omgangsregeling, in feite teruggeschroefd. Aan de bijstand van de advocaat voor een minderjarige die zich in een problematische leefsituatie bevindt of die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, wordt niet geraakt. Ook dat is geen technische aanpassing. Het is een zeer goede aanpassing, want de meerwaarde van een advocaat bij het horen van kinderen is onduidelijk. De rechter staat de aanwezigheid vaak zelfs niet toe, wanneer hij een minderjarige wil horen. Hij is hiervoor zeer goed opgeleid; hij weet zeer goed waarmee hij bezig is.

Ten vierde werden de aparte bepalingen voor de opleiding van de magistraten in jeugd- en familiezaken geschrapt. Artikel 259sexies van het Gerechtelijk Wetboek voorziet al in gespecialiseerde opleidingen en het was dus niet nodig nogmaals een afzonderlijke opleiding in te richten voor die magistraten.

Ik dank de vorige minister van Justitie, alsook de huidige minister van Justitie, mevrouw Turtelboom en staatssecretaris Wathelet, die hun schouders onder dit ontwerp, dat oorspronkelijk in de Kamer als voorstel werd ingediend, hebben gezet. Ik dank ook de vele collega's in de Senaat die een zeer positieve inbreng hadden bij de totstandkoming van dit zeer grote project, waarvoor de mensen op het terrein vragende partij waren.

Het ontwerp zal worden onthaald als een zeer goede verbetering van ons familie- en jeugdrecht.

Mevrouw Els Van Hoof (CD&V). - De CD&V-fractie is verheugd dat we vandaag de oprichting van de familie- en jeugdrechtbanken goedkeuren. Daar is al dertig jaar sprake van. Ik heb dit ook maar van horen zeggen. We kunnen het in elk geval als een heuglijk moment beschouwen. Hiermee maken we een einde aan de versnippering van de bevoegdheden inzake familiale rechtszaken over heel wat rechtscolleges.

We zijn verheugd om vier redenen, die in de commissie ter sprake zijn gekomen. Ten eerste leidt de hervorming tot een professionele en geïntegreerde aanpak van verschillende geschillen waarmee een hedendaags gezin kan worden geconfronteerd.

Ik geef een voorbeeld. Als tussen gehuwden een conflict ontstaat, dan kunnen ze de vrederechter om dringende en voorlopige maatregelen verzoeken. Indien die dringende en voorlopige maatregelen geen oplossing bieden en de echtgenoten beslissen uit de echt te scheiden, dan moeten ze zich tot de rechtbank van eerste aanleg wenden. Eens de echtscheidingsprocedure is opgestart kunnen ze niet meer bij de vrederechter terecht voor voorlopige maatregelen, want op dat moment is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in kort geding bevoegd. Als het gaat over specifieke maatregelen met betrekking tot de verblijfsregeling van de kinderen, moet de zaak voor de jeugdrechter worden gebracht. Er zijn dus vier verschillende rechters bevoegd! Vandaar onze vreugde om de oprichting van de familie- en jeugdrechtbank, die voor al die geschillen bevoegd wordt.

Een tweede reden waarom wij verheugd zijn, is dat magistraten op ons initiatief een bijzondere opleiding voor de familierechtbanken moeten volgen. Dat is een bijzondere opleiding om voldoende te kunnen inspelen op specifieke gezinsproblemen. Die opleiding moet de familierechters in staat stellen om zoveel mogelijk tot een bemiddelende oplossing van geschillen te komen.

We zetten vandaag een belangrijke stap vooruit inzake de werking van onze justitie, die nog steeds veel te veel gericht is op het beslechten van conflicten. Met dit wetsontwerp slaan we de weg in van het oplossingsgericht denken. Dat is meteen de derde reden waarom we over dit wetsontwerp tevreden zijn, want er wordt een kamer voor minnelijke schikking opgericht.

Wij steunen die keuze voor een vaste kamer voor minnelijke schikking in elke familierechtbank ten volle. Een bemiddelde oplossing voor het geschil wordt in de praktijk immers beter aanvaard, wat het risico op de niet-naleving van uitspraken door de partijen vermindert.

Een vierde reden waarom we verheugd zijn met dit wetsontwerp is het feit dat het uniforme spreekrecht voor minderjarigen wordt ingevoerd. De voorzitster van de Senaat heeft destijds in die zin een wetsvoorstel ingediend en dat is nu integraal in het wetsontwerp opgenomen. Elke minderjarige zal het recht krijgen om door de rechter te worden gehoord wanneer die een beslissing moet nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag, het recht op huisvesting of het recht op persoonlijke relaties.

Naast het feit dat deze voorstellen goed bemiddelde oplossingen voor de familierechtbank invoeren, kunnen ze ook het vertrouwen van de burger in justitie opnieuw doen toenemen. Wij vragen de minister dan ook snel werk te maken van de tenuitvoerlegging van de voorstellen, zodra het wetsontwerp ook in de Kamer is goedgekeurd. De minister heeft een rechtbank van eerste aanleg en een familiekamer in Brussel bezocht, waar ze heeft kunnen vaststellen dat de oprichting van deze rechtbanken mogelijk is zonder grote financiële meerkosten. Daarom vraagt onze fractie vraagt dat de familierechtbanken vanaf 1 september 2014 operationeel zouden zijn. Onze fractie geeft de minister alle steun om hierin te slagen.

Ik dank alle collega's die constructief en in een positieve sfeer hebben meegewerkt aan dit wetsontwerp. Er werden meer dan 200 amendementen ingediend. Ik vond het zeer positief om vast te stellen dat velen aan dezelfde kar trokken.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Dit wetsontwerp heeft al een lange weg afgelegd. Het werd in 2010 in de Kamer ingediend als wetsvoorstel, de besprekingen in de senaatscommissie zijn gestart in 2011. Alle senatoren die er de voorbije maanden keihard aan hebben meegewerkt, mogen terecht trots zijn op het werk dat vandaag wordt afgeleverd. Ik dank hen daarvoor uitdrukkelijk, want ik ben ervan overtuigd dat Justitie alleen maar kan worden hervormd door op vele fronten samen te werken. Het werk dat de familierechtbanken verrichten, het werk dat de voorbije maanden, en jammer genoeg jaren, werd verricht, alsook het werk in de tuchtrechtbanken zal, samen met de hervorming van Justitie, waarvan de bespreking op dit ogenblik in de Kamer wordt gevoerd, van deze legislatuur een legislatuur maken die echt een verschil maakt op het vlak van procedure, efficiëntie en transparantie van Justitie. Ik ben dan ook ontzettend tevreden. Ik feliciteer de senatoren nogmaals met hun werk. Als we allemaal samenwerken, kunnen we immers meer bereiken dan alleen. De Senaat is nog niet aan het einde van zijn werkzaamheden, want er zitten nog een heel aantal andere goede ideeën van de senatoren in de pijplijn.

Ter attentie van de heer Deprez voeg ik er nog aan toe dat ik op aan mijn twitterbericht heb toegevoegd: sterk werk, Senaat!

Het onderwerp dat hier vandaag besproken werd, hangt ook samen met de hervorming van Justitie en de invoering van de tuchtrechtbanken, zodat we een mooi pakket kunnen uitwerken. We ronden vandaag een discussie af, waarvoor een eerste voorstel werd ingediend in 2010. De heer Delpérée wees er zelfs op dat de discussie over de oprichting van de familierechtbanken eigenlijk al dertig jaar bezig is. Ook bij Justitie zijn nadenken en inspraak van belang, maar op een bepaald ogenblik moet men een besluit nemen.

Met dit wetsontwerp zorgen we ervoor dat het labyrint van procedures sterk vereenvoudigd wordt: voor één familie krijgen we voortaan één rechtszaak bij één rechtbank. Met betrekking tot de meest moeilijke en pijnlijke dossiers op persoonlijk vlak, wordt er nu voor gezorgd dat de hervorming van de justitie ook voor iedereen zichtbaar wordt. De familierechtbank die hier vandaag wordt goedgekeurd, zal niet alleen een groot verschil maken voor de betrokken mensen, maar ook onmiddellijk zichtbaar zijn op het ogenblik dat ze wordt ingevoerd. Omdat die beide aspecten zo belangrijk zijn aarzel ik niet vandaag het woord "historisch" in de mond te nemen.

Ik dank en feliciteer alle collega's, senatoren en medewerkers die hieraan de voorbije jaren hebben meegewerkt. Ze mogen terecht trots zijn op het werk dat vandaag wordt afgeleverd.

(Applaus)

De heer Bart Laeremans (VB). - Wat ik had voorspeld is uitgekomen: er zijn in het parlement twee categorieën van parlementsleden. Je hebt degenen die applaudisseren en je hebt degenen die kritische vragen stellen. De laatsten krijgen evenwel nul op het rekest. Op hun vragen wordt niet geantwoord. Het is onbetamelijk dat de minister niet oplet terwijl er vragen worden gesteld. Het getuigt bovendien van weinig fatsoen dat zij niet antwoordt op de concrete vragen over de penibele situatie in Brussel en de kuiperijen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die een Franstalige familierechtbank opricht en geen Nederlandstalige. Ik stel die vragen al voor de tweede keer, nadat ik ze op 29 mei in de commissie heb gesteld. De minister kent die problemen, maar ze doet er niets aan. We zijn lucht voor de minister van Justitie, dat is schandelijk.

Mevrouw de voorzitster, wil u de minister vragen tenminste op de voornaamste vragen die gesteld werden te antwoorden?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Mevrouw de voorzitster, ik kan daar nog het volgende aan toevoegen. Ik denk dat ik voldoende in de Senaat en in de Kamer aanwezig ben om op vragen te antwoorden en ik vind niet dat de senatoren kunnen klagen over mijn aanwezigheid hier of in de commissies.

De familierechtbank in Brussel valt buiten het bestek van dit wetsontwerp. Bij het bezoek dat de heer Laeremans blijkbaar zeer geschokt heeft, vond ik dat het goed is dat voorzitters van rechtbanken binnen de perken van de beschikbare middelen en binnen het bestaande wettelijke kader nagaan waar ze efficiëntiewinsten kunnen boeken en nadenken in het belang van de rechtzoekende.

Het klopt dat dit op vraag van de magistraten zelf aan Franstalige zijde begonnen is. Het is ook op vraag van de Nederlandstalige magistraten dat dit project al gestart is voor de Franstalige zaken, en bij de aanvang van het nieuwe gerechtelijk jaar voor de Nederlandstalige zaken in Brussel van start zal gaan. Men maakt dus een karikatuur van de voorzitter van de rechtbank door dit voor te stellen als een kaakslag voor de Vlamingen in Brussel, aangezien het op vraag van de Nederlandstalige magistraten zelf was dat eerst met de Franstalige zaken werd begonnen. Als de Nederlandstalige magistraten vragen om een paar maanden later te starten, is dat voor mij, als Vlaming, geen reden om dat te beletten voor de Franstalige families die intussen al kunnen geholpen worden. Dat is wat er in Brussel gebeurd is. Wat vandaag vooral van belang is, is dat dankzij de goedkeuring van deze wet, nog meer zaken zullen kunnen behandeld worden door die ene familierechtbank dan wat men vandaag, op vrijwillige basis, al kan doen.

De heer Bart Laeremans (VB). - Het antwoord stemt me niet tevreden. Ik had immers veel meer vragen gesteld, maar het is alleszins een begin.

Dat voor de Nederlandstaligen zou worden gezorgd, is slechts sinds enkele weken bekend nadat we hebben geprotesteerd en druk hebben uitgeoefend. De minister legde hieromtrent aan Belga verklaringen af nà ons persbericht over haar bezoek aan de rechtbank van eerste aanleg.

We weten allemaal waarom de Nederlandstaligen niet in staat waren om even snel een familierechtbank op te richten. Ze hebben immers te weinig magistraten. De Nederlandstalige magistraten moeten verdwijnen en belanden in een uitdovingsscenario, zoals in de wet is bepaald, en de Franstaligen mogen tientallen magistraten extra aanwerven, omdat men zich gebaseerd heeft op foutieve cijfers. Daarom kunnen de Franstaligen zich veel meer veroorloven dan de Nederlandstaligen.

Het antwoord op heel wat van mijn vragen is uitgebleven. Ik ben dus gedwongen de minister hierover nogmaals te ondervragen.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Ik moet tegenspreken wat manifest onjuist is. Destijds is reeds bij mijn bezoek aan de Franstalige familierechtbank te Brussel duidelijk meegedeeld dat in september een Nederlandstalige tegenhanger zou starten. Die maatregel is er niet gekomen als gevolg van de vragen van de heer Laeremans, maar zat al van meet af aan in de pijplijn.

Ik zal eerlijk zijn. De heer Laeremans kan het communautair spelen, maar hij mag dat niet doen op de kap van de families die moeten kunnen rekenen op een rechtbank die er is voor hen. Wentel uw frustraties over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde niet af op de families die nood hebben aan onze hulp! Is dat het doel van uw oppositie? (Applaus)

De heer Karl Vanlouwe (N-VA). - Het applaus voor de minister is enigszins opvallend. Ik moet namelijk terugdenken aan de manier waarop de besprekingen in de Senaatscommissie zijn verlopen. Toen heeft de minister zich namelijk terughoudend opgesteld en op een bepaald ogenblik zelfs vertragingsmanoeuvres ingezet. Ze zal zich nog wel de oriëntatienota herinneren die haar kabinet en zijzelf op verschillende vergaderingen hebben toegelicht. Niettemin is toen meermaals, ook vanuit de oppositie, aangedrongen om de besprekingen voort te zetten en de oprichting van de familierechtbank goed te keuren.

Mijn fractie blijft het wetsontwerp steunen. N-VA vindt de oprichting van een familie-en jeugdrechtbank inderdaad noodzakelijk, hoewel ze ontoereikend is. Voor ons moet er een eenheidsrechtbank komen.

Nu, in de laatste weken vóór 21 juli, wil de minister alsnog haar hervormingsplannen op een drafje door Kamer en Senaat jagen. Anderzijds heeft ze maandenlang vertragingsmanoeuvres tegen de familierechtbanken ingezet. Het initiatief lag haar niet, zoals duidelijk is gebleken uit de oriëntatienota. In die nota van tientallen bladzijden is ze inhoudelijk zeer sterk afgeweken van het voorstel dat door de Kamer was goedgekeurd en in de Senaat was ingediend.

Ik ben het niet altijd met de heer Laeremans eens, maar hij heeft wel één concrete vraag gesteld over het aantal zaken die voor de familierechtbank in Brussel worden ingeleid. Op die vraag heeft de minister niet geantwoord.

Dat vind ik merkwaardig, want ik heb een gelijkaardige schriftelijke vraag aan de minister ingediend. Het is inderdaad belangrijk om te weten hoeveel Nederlandstalige en hoeveel Franstalige zaken worden ingediend. De minister heeft zich ertoe beperkt letterlijk te antwoorden dat die gegevens niet worden bijgehouden. Het merkwaardige is dat ik twee jaar geleden aan haar voorganger dezelfde vraag heb gesteld, maar dat die daarop wel kon antwoorden. Blijkbaar konden toen, in tegenstelling met wat de minister nu voorhoudt, de gegevens wel worden bijgehouden.

Collega Laeremans heeft inderdaad een punt. Kan of wil de minister om bepaalde redenen de bewuste vraag niet beantwoorden?

Misschien wil de minister geen antwoord geven, omdat ze weet dat op dit ogenblik zeer veel Franstalige magistraten worden aangeworven. Misschien wordt de Nederlandstalige rechtbank in Brussel op die manier een ondergeschikte rechtbank.

De huidige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft trouwens wel al een Franstalige, maar nog geen Nederlandstalige familierechtbank opgericht. De minister weet dat en vindt dat blijkbaar normaal. Als Brusselse Vlaming en als advocaat aan de Brusselse balie vind ik die gang van zaken absoluut niet normaal. In mijn ogen toont dit aan dat op de Vlamingen in Brussel wordt neergekeken.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Hierover is een schriftelijke vraag gesteld en ik zal ervoor zorgen dat daar spoedig op wordt geantwoord. Ik denk echter dat collega Vanlouwe wel al weet waarom de cijfers niet worden bekendgemaakt.

Ik wil ook nog even terugkomen op zijn vorige punt. Als op een bepaald ogenblik een reflectienota wordt verspreid, dan bevat die inderdaad opmerkingen van de administratie. Op een bepaald moment moeten in het politieke besluitvormingsproces knopen worden doorgehakt en moet een voorstel op tafel worden gelegd. Dat is wat er vandaag gebeurt.

Ik heb er altijd voor geijverd om die familierechtbanken op te richten en ik ben bereid om daarover dag en nacht te vergaderen. De partij van de heer Vanlouwe moet maar eens beslissen wat ze nu eigenlijk wil: ze kan niet zeggen dat justitie snel moet worden hervormd en dan op het moment dat een hervorming op tafel ligt zeggen dat het te snel gaat en dat er nog reflectie nodig is. (Applaus)

De heer Karl Vanlouwe (N-VA). - Wat de minister zegt, is niet correct. Ik heb destijds bijgehouden wanneer ze voor het eerst heeft aangekondigd dat die familierechtbank er snel moest komen: dat was in april 2012, dus meer dan een jaar geleden. De oriëntatienota waarmee de werkzaamheden zijn aangevat, dateert pas van het najaar 2012. Die nota was echter veeleer desoriënterend, want noch voor de meerderheid, noch voor de oppositie was het duidelijk wat er precies met die familie- en jeugdrechtbank diende te gebeuren. De minister heeft weken- en maandenlang laten uitschijnen dat de regering via een amendement de hervorming een andere richting zou uitsturen. Dat regeringsamendement is er uiteindelijk niet gekomen, maar het is voor mij duidelijk dat de minister op die manier zelf de vertragingsmanoeuvres heeft ingezet.

Het is dus manifest onjuist om vandaag te zeggen dat mijn partij de hervorming van Justitie zou willen tegenhouden. De minister probeert die hervorming op een drafje door het parlement te jagen, nog vóór het parlementair reces, terwijl ze weet dat de hervorming niet door het werkveld wordt gedragen en dat heel wat problemen nog niet zijn opgelost. Het gaat dus niet aan mijn partij vertragingsmanoeuvres te verwijten, terwijl de minister zelf gedurende meerdere maanden heeft getalmd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 5-1189/8.)

-De artikelen 1 tot 267 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 5-2130)

Algemene bespreking

De voorzitster. - De heer Claes verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - In het regeerakkoord is het verder tegengaan van overlast uitdrukkelijk opgenomen. Onze lokale mandatarissen, die ervaring hebben op het terrein, hadden gewezen op enkele juridische en technische knelpunten die verholpen moesten worden om het systeem van de administratieve sancties te verbeteren.

Het voorliggende wetsontwerp voert het akkoord uit dat hierover door de meerderheidspartijen is gesloten. De Senaat heeft enkel het bicamerale gedeelte van het ontwerp behandeld. Het andere gedeelte werd niet geëvoceerd. Vandaar de moeilijkheid van de debatten in de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden, die enkel gingen over de kwestie van de verlaging van de leeftijd vanaf welke minderjarigen een GAS-boete kunnen krijgen.

Dat is een zeer heikel punt en talrijke jongerenorganisaties hebben daartegen geprotesteerd. We betreuren dat de debatten rond dit wetsontwerp al te vaak neerkwamen op een stigmatisering van de jeugd. Overleg met de organisaties die hierover hun mening hebben laten kennen, is noodzakelijk.

Wij blijven ervan overtuigd dat het merendeel van de jongeren positief is ingesteld en dat vooral werk moet worden gemaakt van opvoeding en preventie. We kunnen dus niet zomaar stellen dat de socialistische fractie zeer enthousiast is over deze tekst.

Met het wetsontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers is goedgekeurd, kan de huidige procedure voor de administratieve sancties evenwel verbeterd worden. Het bevat eveneens belangrijke krijtlijnen waarvoor we vragende partij waren en die door onze fractie worden toegejuicht. Ik denk aan de bemiddeling die verplicht wordt voor minderjarigen, en aan de gemeenschapsdienst. Ik denk ook aan de procedurele waarborgen, met name de bijstand van een advocaat en de mogelijkheid van een kosteloos beroep bij de jeugdrechtbank. Ten slotte, en dit is geen onbelangrijk element, is de leeftijdsverlaging tot veertien jaar slechts een mogelijkheid en geen verplichting voor de gemeenten.

Die verantwoordelijkheid ligt voortaan dus bij de lokale mandatarissen. Zij moeten dit afwegen en samen het jeugdbeleid uittekenen dat ze wensen te voeren voor de jongeren. Ze kunnen een preventiebeleid voeren, met voorrang voor bemiddeling en gemeenschapsdienst. Dat debat zal in elke gemeente moeten gevoerd worden in overleg met de jeugdvertegenwoordigers.

De socialistische fractie zal deze tekst goedkeuren, vooral vanwege de nieuwe krijtlijnen en waarborgen. We zullen de evaluatie die over twee jaar moet gebeuren, evalueren.

Mevrouw Freya Piryns (Groen). - Ik begin met een vraag. Ze kan misschien een beetje onnozel klinken, maar ik zit er al heel lang mee. Weet iemand van de collega's wie de paashaas is? Sinterklaas kennen we. In Vlaanderen - met mijn excuses voor de collega's uit Wallonië - is dat Jan Decleir. De Kerstman is de man van de Coca-Colareclames, maar de paashaas ... ik zou het niet weten. U vraagt zich natuurlijk af waar ik het over heb. Toch is het relevant, want het is een zeer passend voorbeeld van de onzinnigheden waartoe de GAS-wet van april 1999 intussen heeft geleid. In Hasselt staat namelijk in het GAS-reglement letterlijk: "Behalve voor Sinterklaas, Zwarte Piet, de Kerstman en de paashaas is het verboden het gelaat geheel of gedeeltelijk te bedekken." Er kan maar één paashaas zijn en dus is het belangrijk te weten wie dat is. Ik zie echter dat mijn collega's het antwoord op deze pertinente vraag schuldig blijven.

Alle gekheid op een stokje, we kunnen er wel even om lachen, maar Groen en Ecolo verzetten zich tegen de uitbreiding van de GAS-wet die onlangs door de Kamer werd goedgekeurd en tegen de verlaging van de leeftijd naar 14 jaar. Wij zien geen oplossing in het criminaliseren van wat vaak heel normaal jongerengedrag is. Wij verzetten ons tegen het feit dat deze wet het mogelijk maakt 14-jarigen een boete van 175 euro op te leggen omdat ze zich misschien eens als de paashaas verkleden of een sneeuwbal gooien.

We staan niet alleen met ons protest: 213 organisaties hebben gevraagd, en zelfs gesmeekt om naar hun argumenten tegen de GAS+-wet te luisteren. Komende zaterdag gaan ze betogen. De meerderheid heeft al dat protest zomaar naast zich neergelegd. Ik blijf het een belediging voor die organisaties vinden dat niet werd ingegaan op hun en onze vraag tot evocatie van de volledige wet.

Was ze wel geëvoceerd, dan hadden we over verbeteringen kunnen praten. We hadden kunnen zorgen, zoals collega Anciaux twee weken geleden al vroeg, voor een degelijke evaluatie, voor een limitatieve lijst van alles wat onder het begrip "overlast" valt, voor een strikt afgebakende lijst van welk gedrag met GAS kan worden aangepakt. Op die manier hadden we de absurde voorbeelden die ik ook vandaag helaas weer heb moeten vermelden, kunnen vermijden. We kunnen dat zonder de autonomie van de gemeenten te ondermijnen. Want dat is steeds weer het argument: we moeten vertrouwen hebben in de lokale democratie, ook al hebben die lokale democratieën precies tot dat soort excessen geleid.

De heer Dirk Claes (CD&V). - Het is eigenlijk op vraag van de stad Antwerpen dat dit dossier in de regeringsverklaring staat.

Ik stel voor dat mevrouw Piryns de lokale autonomie in Antwerpen aanwendt om te voorkomen dat de leeftijd tot veertien jaar wordt verlaagd. Ik wens haar daarbij veel succes.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - CD&V zit in Antwerpen in het bestuur.

De heer Francis Delpérée (cdH). - Ik wil mevrouw Piryns feliciteren met haar overtuigende verdediging van de Senaat en van het belang van een tweede lezing om de teksten van de Kamer te verbeteren. We gaan er echt op vooruit!

(Gelach)

Mevrouw Freya Piryns (Groen). - Ik vind het jammer dat de meerderheid niet is ingegaan op de vraag tot evocatie. We zullen alleszins bekijken wat er in Antwerpen mogelijk is. Anderzijds feliciteer ik collega Claes, omdat heel wat N-VA-burgemeesters dankzij de meerderheid de GAS-wet naar hun inzichten zullen kunnen uitvoeren, terwijl nogal wat burgemeesters van de regeringspartijen zelf duidelijk hebben laten blijken dat ze tegen de wet zijn. De N-VA mag dus tevreden zijn.

Ik begrijp overigens niet waarom de lokale autonomie zo benadrukt wordt. Wij vragen de lokale overheden toch ook niet om een eigen strafwet op te stellen. Het is me dus niet duidelijk waarom in het GAS-verhaal de verbeelding wel de vrije loop wordt gelaten. Volgens mij leidt dat alleen tot onduidelijkheden en onzekerheid.

Een ander argument dat de meerderheid en in het bijzonder de sp.a gebruikt, is dat de wet zal worden geïmplementeerd in overleg met het lokale middenveld. In concreto zal de jeugdraden om advies gevraagd worden. Om te beginnen is een dergelijk advies niet bindend. De vraag luidt dus in welke mate de jongeren au sérieux zullen worden genomen. De voorbeelden die ik in Antwerpen heb gezien, stemmen me niet bepaald vrolijk. Ook het federale niveau is niet echt voorbeeldig geweest, want liefst 213 organisaties die samen meer dan een miljoen mensen vertegenwoordigen, vroegen eensgezind om de aanscherping van de wet niet goed te keuren. Toch omschreef minister Milquet dat breed gedragen verzoek in Humo als `een beetje internetkabaal.' Zo gaat de minister met de jongeren en hun protest om. Ik vind dat bedroevend en weinig hoopgevend.

Groen en Ecolo zijn niet tegen alle gemeentelijke administratieve sancties gekant. De GAS-wet kan werken voor specifieke vormen van overlast en voor kleine criminaliteit zoals sluikstorten. De nieuwe wet is evenwel veel uitgebreider en strenger. GAS wordt nu GAS-plus. Het toepassingsgebied wordt verruimd in plaats van afgebakend. De leeftijd wordt tot veertien jaar verlaagd en de boetes stijgen fors. Dat kunnen wij niet goedkeuren, want zo worden de jongeren gecriminaliseerd, wat nooit de bedoeling mag zijn. Jongeren hebben in onze samenleving steeds minder rechten en ze worden steeds vaker als een probleem gezien. De leeftijdsverlaging draagt bij tot die negatieve beeldvorming. Groen en Ecolo doen daar niet aan mee.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Onze agenda van vandaag zorgt voor verrassende wendingen. We hebben daarnet een ontwerp besproken dat ertoe strekt kinderen en jongeren beter te beschermen, een lovenswaardig doel, waarvan de uitvoering helaas bemoeilijkt zal worden door de budgettaire krapte.

En dan gaan we meteen over tot een aantal maatregelen, die ik, hoewel ze nog net geen criminalisering van de jeugd inhouden, toch vrij jeugdonvriendelijk vind. Maar begrijp me niet verkeerd. De administratieve sancties zijn nodig gebleken, ook al kan men de invoering ervan op zich betreuren. Onze Justitie beschikt immers niet altijd over voldoende middelen, of is er niet toe bereid, om bepaalde zaken echt aan te pakken, wat voor de inwoners van dit land, Vlamingen of Franstaligen, onaanvaardbaar is. Zo kwam er een soort van armenrechtspraak, of dorpsrechtspraak tot stand, waarvan het grote voordeel is dat straffeloosheid ermee kan worden vermeden. Aan de minister wil ik trouwens zeggen dat haar ontwerp nuttige, interessante en noodzakelijke elementen bevat. Ik heb zeker geen negatief gevoel bij het geheel van het ontwerp.

Het is wel jammer dat we ten gevolge van de eigenaardigheden van het bicamerisme slechts over een deel van de tekst discussiëren, en niet het fraaiste deel. Daardoor kan ik nu niet ingaan op het goede dat erin staat. Wat dan het tweede deel van het ontwerp betreft, vrees ik dat de bedragen van de boetes voor sommige mensen betalingsmoeilijkheden zullen opleveren. Bovendien begrijp ik niet dat gewelddaden, slagen en verwondingen bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie. Toegevingen in bepaalde domeinen waren onvermijdelijk, maar voor geweldpleging had de minister van Justitie gerechtelijke vervolging moeten eisen. Ik vind het droevig dat er voortaan een tarief wordt toegepast op geweld. Je buurman geslagen? Betaal 250 euro en er wordt niet meer over gesproken. Wie geld heeft, kan het zich permitteren geweld te gebruiken. Wie geen geld heeft, is de klos. Het is maar een kleine bijkomende sociale onrechtvaardigheid. Dat zal in deze wereld het verschil niet maken.

In verband met de leeftijdsgrens verwijs ik graag naar wat publicist Henri Goldman over deze problematiek schrijft: wat leeftijdsgrenzen betreft, heeft de wetgever er een onoverzichtelijk kluwen van gemaakt. Sommige zaken kunnen niet meer vanaf 14, andere vanaf 15 of 16 jaar. Voor de seksuele meerderheid zijn er zelfs verschillende leeftijden. Kortom, het is zeer onoverzichtelijk. Dat is niet enkel de verantwoordelijkheid van de minister, we zijn daar allen verantwoordelijk voor.

In cafés en restaurants wil men nu alcohol verbieden voor jongeren onder 18 jaar. Misschien krijgen ze daarvoor een GAS-boete. Maar tegelijk kan een jongere, in dramatische omstandigheden die ik niemand toewens, om euthanasie vragen, terwijl hij, in andere omstandigheden, geen glas wijn zal kunnen bestellen.

Wat een zootje! Het lijkt wel of onze samenleving niet meer weet wat ze aan moet met haar jeugd! En dat is echt wel een drama. We zijn een stelletje ouderen geworden. Zelfs de jonge mensen die in deze Senaat zetelen, denken als ouderen. Ik heb de indruk dat de wetgever de jongeren steeds vanuit een angstreflex benadert. Angst! Want ze zouden gevaarlijk zijn. Sommigen van hen kunnen inderdaad af en toe baldadig uit de hoek komen. Dat is altijd zo geweest. Het is duidelijk dat sommigen onder ons opgesloten waren in colleges en dat dat soort van zaken hen niet bekend was. Ik heb wel een en ander uitgespookt in mijn jeugdjaren. Als tienjarige kwam ik zelfs eens tegenover een politiecommissaris te staan omdat ik een vriendje had geslagen en zijn moeder daarover een klacht had ingediend. Dat kan gebeuren als je jong bent. Maar moeten we daarom alle jongeren met de vinger nawijzen en zomaar stellen dat ze gevaarlijk zijn?

Deze maatregelen zullen niet vaak worden toegepast. De regering, die tot het besluit kwam dat ze noodzakelijk zijn, heeft daar vele voorwaarden aan verbonden om te voorkomen dat ze te gemakkelijk zouden worden toegepast. Daaruit blijkt dat ook de minister nog enige twijfels heeft over dit ontwerp.

Wat te doen? Ik wil niet tegenstemmen. Daarmee zou ik sommigen de gelegenheid geven te zeggen dat, sinds ik geen burgemeester meer ben, ik anders dan voorheen geen voorstander meer ben van de administratieve boetes. Ik blijf ervan overtuigd dat ze nodig zijn. Maar ik ben het ook eens met wat mevrouw Désir zei, en ik zal me dus beperken tot een oproep om onze jeugd door een andere bril te bekijken en om er anders mee om te gaan.

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Aangezien de heer Moureaux in zijn betoog verwees naar de jonge senatoren, wil ik, als jonge senator, de wijsheid waarvan hij blijkt heeft gegeven, onderstrepen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Onze fractie zal voor deze tekst stemmen. Persoonlijk wil ik toch niet nalaten te benadrukken dat het hier om jongeren van 14 jaar gaat. Het is al een hele tijd geleden dat ik 14 was, maar we kennen allemaal wel iemand die nu zo oud is. Als voorliggende tekst nog geen stigmatisering is op zich, lijkt hij er wel het pad voor te effenen.

Ik heb aandachtig geluisterd naar wat de heer Moureaux heeft gezegd. Hij wijst er terecht op dat dat jongeren van 14 jaar GAS-boetes kunnen krijgen voor gewelddaden. Maar gewelddaden zijn strafrechtelijk vervolgbaar. Sommige leden van onze assemblee pleiten al lang voor een verlaging van de strafrechtelijke meerderjarigheid, wat eventueel de jeugdbescherming in het gedrang brengt. De jeugdbescherming is evenwel een hoeksteen van ons beleid dat erop gericht is, met inbegrip van de nodige repressieve maatregelen, de jongerendelinquentie aan te pakken.

Ik zal anders stemmen dan de heer Moureaux, die ervoor kiest zich te onthouden, omdat ik a priori geneigd ben genoegen te nemen met de uitleg die de minister in de commissie heeft gegeven.

Dat betekent niet dat we geen enkel voorbehoud maken bij de verlaging van de minimumleeftijd voor een administratieve sanctie, omdat we vrezen dat deze maatregel een voorbode kan zijn voor een verlaging van de strafrechtelijke meerderjarigheid, aangezien sommige leden van deze assemblee onze jeugdbescherming in vraag wensen te stellen.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Ik ben erg gecharmeerd door de heer Moureaux, vooral omdat hij het had over het bric-à-brac van de leeftijdsgrenzen in ons rechtssysteem. In het commissieverslag lees ik een uitspraak van de heer Deprez, waarin hij stelt dat de levenswijze van onze jongeren fundamenteel veranderd is. Ze groeien vlugger op dan de vorige generaties, waardoor het volgens hem dus verantwoord is om de leeftijdsgrens voor het opleggen van gemeentelijke administratieve sancties van zestien op veertien jaar te brengen.

Ik heb daar de grootste moeite mee, omdat het niet wetenschappelijk onderbouwd is. Is de jeugd inderdaad sneller volwassen dan vroeger? Misschien op bepaalde punten wel en op andere helemaal niet. Een recent onderzoek van de VUB toont bijvoorbeeld aan dat jongeren niet sneller criminele feiten plegen. Het aantal jongeren dat een als misdaad omschreven feit gepleegd heeft, blijft volgens de cijfers van Bijzondere Jeugdzorg constant op 13 tot 15% van de totale populatie in de jeugdzorg. Het overgrote deel hiervan, 85% zijn jongeren die zich in problematische opvoedingssituaties bevinden, die in een hulpverleningspatroon zitten.

Ik heb het dus zeer moeilijk met de gratuite bewering dat de jeugd van tegenwoordig anders zou zijn dan de jeugd van vroeger. Mijn grootmoeder zei dat al indertijd tegen mij toen mijn rok te kort was. In dit wetsontwerp ontbreekt het totaal aan wijze en wetenschappelijke onderbouwingen.

De heer Gérard Deprez (MR). - Als men iemand citeert, moet men hem volledig citeren. Zich verschuilen achter de heer Moureaux om mijn argumentatie ter discussie te stellen, dat is een beetje gemakkelijk! Ik heb gezegd dat men het tijdstip waarop de jongeren verantwoordelijk worden voor hun daden systematisch is blijven vervroegen. De meerderjarigheid lag op eenentwintig jaar, vandaag op achttien jaar. Dat staat in het verslag van de commissie. De verkiesbaarheidsleeftijd, die op eenentwintig jaar lag voor de Kamer en op meer dan veertig jaar voor de Senaat, werd verlaagd tot achttien jaar. Dat betekent dat men aan jongeren van achttien jaar niet alleen het recht toekent om te kiezen, maar ook om te zetelen, om wetten te maken, met andere woorden om het collectieve leven in ons land te regelen. De seksuele meerderjarigheid ligt op zestien jaar. Dat heb ik geconstateerd.

Ik heb ook gezegd dat de wettekst in wezen niet beoogd de jeugd of de daden van jongeren te criminaliseren. Hij heeft tot doel de huidige dysfuncties van het gerechtelijk systeem weg te werken, waarbij in sommige gevallen de ergste overtredingen zelfs niet meer worden gestraft, omdat Justitie ze niet kan behandelen binnen de termijnen. Iedereen weet dat het niet bestraffen van laakbare feiten een onrechtstreekse aansporing tot recidive is, en dat blijkt nog meer te gelden bij jongeren. Als een jongere een beetje begint te "ontsporen" denk ik dat hij op dat moment wenst dat er iets gebeurt. In de tekst staat dat het niet de bedoeling is de jongeren te criminaliseren, maar de gemeenten kunnen, vanaf veertien jaar, gemeentelijke administratieve sancties opleggen. Er staat "kunnen": er zal dus een democratisch debat in de gemeenteraad nodig zijn. Bovendien moet er in een verplicht aanbod van bemiddeling worden voorzien.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Er werden voorwaarden toegevoegd om de tekst moeilijk toepasbaar te maken.

De heer Gérard Deprez (MR). - ... U hebt gezegd dat het een klassenjustitie betreft omdat de armen de boetes niet gingen kunnen betalen en de rijken wel.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Uiteraard, vijfhonderd euro!

De heer Gérard Deprez (MR). - De bemiddeling staat open voor iedereen en als ik het goed begrepen heb, is ze zelfs verplicht. Stop dus met te zeggen dat het een criminalisering van de jeugd is.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Mijn beste, u haalt alles door elkaar.

De heer Gérard Deprez (MR). - Ik heb uiterst aandachtig naar de heer Moureaux geluisterd. Ik antwoord niet alleen op zijn argumentatie, maar ook op die van onze collega. Ik heb nooit gezegd dat het wetenschappelijk bewezen was dat de jongeren van nu op jongere leeftijd criminele feiten plegen dan vroeger. Wat ik wel heb gezegd, is dat de situatie totaal anders is dan twintig jaar geleden, toen er slechts één enkel televisieprogramma was, toen er geen videospelletjes waren, toen er niet al de prikkelingen waren om allerlei gedrag te imiteren.

Ik begrijp zeer wel dat jongeren geneigd zijn dingen te doen die ze niet laakbaar vinden, hoewel ze dat wel zijn. Dat kunt u niet tegenspreken. Het is beledigend om te beweren dat degenen die dit wetsontwerp gaan goedkeuren, de jeugd willen criminaliseren. We willen de jeugd niet criminaliseren, we willen ervoor zorgen dat, zodra een jongere - vanaf de leeftijd van 14 jaar als de tekst wordt aangenomen - een eerste overtreding begaat, men hem zegt: Pas op! Je gaat de verkeerde weg op!

(Applaus)

Mevrouw Dalila Douifi (sp.a). - Sinds eind 2011 zit ik in de Senaat. Het is jammer dat de Senaat ontmanteld zal worden, want na het aanhoren van de vele interventies is het duidelijk dat de wijsheid in deze assemblee zit.

Ik heb ook moeite met de perceptie dat de politici een wet hebben goedgekeurd die tegen de jeugd gericht is. Sommige collega's communiceren dat trouwens ook op die manier. Wij hebben ook de reacties van jongeren hierover gehoord.

Van bij het begin heb ik gezegd dat de sp.a-fractie het ontwerp over de GAS-boetes niet zou evoceren. Dat belet niet dat er binnen de sp.a-fractie en binnen andere fracties van de meerderheid kritische opmerkingen zijn. Wij hebben die ook meegegeven aan ons partijbureau en aan onze ministers in de regering.

Helaas is ligt het accent nu al weken op de verlaging van de leeftijd en de hogere boetes. Die hoge boetes gelden niet alleen voor de veertienjarigen, maar voor iedereen. Het verlagen van de leeftijd tot veertien jaar is geen verplichting, maar een mogelijkheid voor steden en gemeenten die met specifieke problemen kampen.

Maar zeggen dat wij de jeugd criminaliseren, als wij dit wetsontwerp goedkeuren, dat slaat nergens op. Op dat vlak volg ik de heer Deprez volkomen. We moeten met de jongeren in de gemeenten een positieve en constructieve dialoog voeren. De GAS-wet gaat de steden en gemeenten een grootse oefening laten doen in lokale democratie.

Collega Piryns klaagt aan dat het advies van de Jeugdraad niet bindend is. Maar geen enkel advies dat volgens de wet aan een lokaal adviesorgaan moet worden gevraagd, is bindend. Daarom zou het ook maar bric-à-bracwerk zijn om alleen in deze wet op te nemen dat het advies van de Jeugdraad wel bindend moet zijn.

We hebben allemaal een beetje gelijk. Elke gemeente of stad heeft het volgens mij goed voor met de jeugd. We zullen dus allerlei vormen van samenwerking met de jeugd en van directe democratie moeten ontwikkelen. Zoals mevrouw Piryns zei hebben tal van middenveldorganisaties, die samen meer dan een miljoen leden tellen, hun stem laten horen. Welnu, ze moeten hun stem ook op lokaal vlak laten horen. Als lokale mandatarissen moeten we die oefening in democratie ten volle ondersteunen.

Een aspect dat in het hele debat onderbelicht is gebleven, is dat de procedure gedemocratiseerd is en ook pedagogisch verbeterd. De regeling moet in de gemeenteraad komen en er moet advies worden gevraagd aan de Jeugdraad. Daarmee wordt het debat groter, gevoeliger en breder. Dat mag ook eens gezegd worden.

De regeling wordt ook democratischer omdat bij echte overlast van veertienjarigen er een verplichte procedure van bemiddeling komt. Dat is niet alleen democratischer, maar ook meer pedagogisch. Deze procedure is namelijk de enige gelegenheid om als lokale mandataris - ambtenaar, schepen of zelfs burgemeester - een goed gesprek, mogelijk zelfs une conversation d'amitié, te hebben over burgerzin en over betrokkenheid bij de gemeenschap. Want ook een kind van veertien jaar maakt deel uit van een wijk, een jeugdclub, een straat, een schoolomgeving ... waar spelregels moeten worden gevolgd, omdat er anders niet meer behoorlijk kan worden gespeeld. Bij een veertienjarige gaan we natuurlijk niet onmiddellijk met een boete zwaaien.

Het klopt ook niet dat we hiermee een klassenjustitie invoeren. Kleine criminaliteit of vandalisme is niet klassengebonden. Of de ouders nu rijk of arm zijn, elk kind kan wel eens kattenkwaad uithalen. Als het gedrag van een kind voor iedereen een last is en als het aanhoudt, biedt deze wetgeving een manier om een gesprek aan te knopen en het sociale contact te verstevigen, met andere woorden, om aan preventie te doen.

Om al de goede elementen die er in deze wetgeving zitten, zal de sp.a-fractie straks het ontwerp met volle overtuiging goedkeuren.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Het criminaliseren van jongeren is niet door onze fractie uitgevonden. Die perceptie is ontstaan bij de vele organisaties in het middenveld, omdat we de jongste tien jaar een afnemende tolerantie zien voor het natuurlijk gedrag van jongeren en kinderen, omdat we de voorbije tien jaar burgemeesters ontmoeten die borden ontwikkelen met "verboden te voetballen", die allerlei reglementen ontwikkelen om de ruimte te beperken van jongeren die moeten kunnen ravotten en spelen. We hebben een samenleving waarin jongeren theoretisch steeds meer rechten hebben, maar steeds minder ruimte hebben om kind te zijn.

Het is juist dat jongeren vandaag veel sneller geconfronteerd worden met videoboodschappen en zo meer. Jongeren hebben echter ook veel meer beperkingen. Toen ik zestien was ben ik zonder dat mijn ouders het wisten, veertien dagen al liftend op reis gegaan. Toen kon dat, omdat er geen gsm was en mijn ouders mij niet konden controleren. Eigenlijk was ik veel vrijer dan de jongere van vandaag, die om het uur zijn moeder moet opbellen om te zeggen waar hij is. Jongeren hebben vandaag steeds minder ruimte in onze samenleving om kind en om jong te zijn.

Wanneer het parlement een wet aanneemt waarin staat dat jongeren vanaf veertien jaar GAS-boetes kunnen krijgen, dan is het logisch dat jongeren zich daartegen verzetten en dat ook wij ons daartegen verzetten, omdat dat absoluut niet ons maatschappijbeeld is. Laat dat zeer duidelijk zijn!

De heer Ludo Sannen (sp.a). - Hier wordt een instrument aangevallen om een ander maatschappelijk probleem aan te kaarten, namelijk de onverdraagzaamheid. Wanneer te veel lawaai gemaakt wordt aan een zwembad, stappen er burgers naar de rechter. Wanneer in een kinderdagverblijf te veel lawaai gemaakt wordt, reageren er burgers. Wanneer jongeren samenkomen op een plein, zijn er burgers die reageren. Moeten daarom de regels veranderd worden?

De intolerantie is een erkend maatschappelijk probleem. GAS-boetes kunnen een meerwaarde bieden voor de begeleiding van jongeren, voor de bemiddeling en het contact met de ouders, zodat burgers niet onmiddellijk naar het gerecht stappen voor bagatellen. Met de GAS-regeling kan de gemeenschap proberen een oplossing te zoeken voor het probleem en kan ze problemen eerder decriminaliseren dan ze te criminaliseren.

Mevrouw Freya Piryns (Groen). - Ik wil nog twee opmerkingen maken.

In de veertiende eeuw was er al een monnik die schreef, misschien in andere bewoordingen, dat er met `de jeugd van tegenwoordig' niets aan te vangen viel. De context is sindsdien natuurlijk veranderd. De context verandert van de ene generatie op de andere. Mijn zoontje groeit in een andere context op dan ik. Maar de vraag is of uit die veranderde context ook kan worden afgeleid of er meer crimineel gedrag is en meer overlast. In tegenstelling tot de heer Deprez denk ik dat we dat niet zomaar kunnen vaststellen of bewijzen.

Er werd ook gezegd dat laakbaar gedrag niet moet worden gecriminaliseerd, maar dat daarover dient te worden bemiddeld en dat het in overleg dient te worden aangepakt. Maar dan moet er ook voor worden gezorgd dat op een behoorlijke manier over de wet kan worden gestemd. Dat gebeurt vandaag niet. De wet die vandaag voorligt en waarover wij zo meteen zullen stemmen, zet de deur open voor willekeur en voor ongelijke behandeling van jongeren.

Er zullen burgemeesters zijn die jongeren een GAS-boete zullen geven als ze wat te veel lawaai maken naast het zwembad. De heer Sannen zegt dat hij dat niet wil, dat dit niet de bedoeling kan zijn. Dan moet hij ervoor zorgen dat dit niet het gevolg van deze wet kan zijn. Want die burgemeesters die jongeren 175 euro boete zullen opleggen voor zulke banaliteiten, zullen op dat moment wel het gedrag van die jongeren criminaliseren. In dat soort opbod mogen we niet meegaan.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ik ga de lange debatten in de commissie en de Kamer niet overdoen. Ik heb interessante gedachtewisselingen gehoord. In sommige interventies ontbreekt echter elke nuance en sommigen geven soms blijk van geheugenverlies ten aanzien van vroeger ingenomen standpunten.

Het voorliggende wetsontwerp verdient om te worden gelezen. Diegenen die zich in enkele dagen via internet hebben gemobiliseerd, hebben zich die moeite niet noodzakelijk geloond. Uit sommige analyses van pseudo-eminente juristen in kranten blijkt ook een bedroevend gebrek aan inhoudelijke kennis van het ontwerp.

Ten eerste, naast de reeds aangehaalde verbeteringen valt bij de lezing van de tekst op dat hij een doel nastreeft dat door iedereen zou moeten worden gedeeld, namelijk respect. Het gaat om de opwaardering van een respectvolle samenleving, met inbegrip van het respect voor de ander, zijn fysieke integriteit, zijn waardigheid, zijn anders zijn, en het respect voor minimumregels in een samenleving, die door een gemeente of, voor de gemengde inbreuken, door een ander beleidsniveau worden opgelegd. Die doelstelling lijkt me niet buitensporig of schokkend.

Ten tweede is het discours ten aanzien van jongeren even karikaturaal. Hoe meer men zegt dat de tekst jongeren stigmatiseert - wat niet het geval is - hoe meer men jongeren stigmatiseert. Hoe meer men ervan uitgaat dat het uiteraard jongeren zijn, hoe meer men jongeren beschuldigt van overlast of kleine inbreuken.

Het wetsontwerp beschermt jongeren tegen feiten waarvan zij ook het slachtoffer zijn: lichte afpersing, lichte gewelddaden, seksistische beledigingen van meisjes of racistische opmerkingen tegen jongeren van vreemde afkomst. Ook die beschermen we. Er wordt ons gevraagd op te treden en wanneer we dat doen, krijgen we het verwijt dat die middelen tegen de jongeren zijn gericht. Neen, het zijn ook middelen voor de jongeren. Het is kort door de bocht en gevaarlijk om overlast altijd gelijk te stellen met jongeren, los van het debat over leeftijd. Jongeren hebben soms zichzelf tot slachtoffer gemaakt of zichzelf gestigmatiseerd. Ik heb begrip voor sommige emoties, maar een beetje meer nuance mag wel.

Ten derde doet men alsof we gewapenderhand regels opleggen die vanaf morgen dwingend worden toegepast. Dat is geenszins het geval. We bieden de gemeenteraden een mogelijk kader aan. Die raden zijn volwassen genoeg om een tweede democratisch debat te houden dat grondig genoeg is om redelijke beslissingen voort te brengen. Omdat in een of andere lokale reglementering een ongelukkige maatregel is opgenomen, doen sommigen alsof geen enkele macht kan worden toevertrouwd aan die gekozenen, die hun bevolking en de grenzen van de lokale democratie kennen. Dat is overdreven. Ik vind het verbijsterend en incoherent om van hogerhand dwingende regels te willen opleggen. Die visie sluit niet aan bij de principes van Ecolo, dat veel belang hecht aan autonomie, kleinschaligheid en nabijheid.

Ook al kan ik begrip opbrengen voor de huidige tendens, toch stel ik vast dat heel wat mensen vergeten zijn wat bij het aantreden van de regering, of zelfs nog een jaar geleden, gemeengoed was in Vlaanderen en elders. Alle grote steden, alle burgemeesters, socialisten en liberalen uit het noorden en het zuiden van het land, hebben talrijke verzoeken gericht aan de eerste minister.

Eerst moest voorrang worden gegeven aan de GAS-boetes voor Antwerpen, Gent, Charleroi, Luik en Brussel. Dat vroeg elke burgemeester tijdens de ontmoeting die zij hadden met de premier, de minister van Justitie en mezelf. Op de tweede plaats kwam de rekrutering van politiepersoneel. Plots veranderde iedereen van mening, onder invloed van een paar meningen die op het internet circuleerden. Dat is al te gemakkelijk.

Voor de samenhang wijs ik erop dat het regeerakkoord is ondertekend onder een formateur van een socialistische partij; dat mijn partij aanvankelijk helemaal geen vragende partij was voor de leeftijd van veertien jaar; dat het gaat om een meerderheidsakkoord en dat ik geen minister van Binnenlandse Zaken was. Ik pas enkel het akkoord al tweeënhalf jaar toe. Iedereen weet dat. Ik heb geen grote manifestaties gezien en heb evenmin de heer Moureaux en anderen horen zeggen dat ze het regeerakkoord niet zouden goedkeuren.

In 1999 hebben zowel de groenen als de heer Moureaux, een wet goedgekeurd die veel slechter geschreven was en veel minder waarborgen biedt. Toen is gekozen voor de transfer van gemengde inbreuken, gewelddaden ... Ik heb alleen de bedreiging met aanslag geschrapt uit de lijst van de feiten waarvoor een administratieve sanctie kan worden opgelegd.

Ik heb in die twaalf jaar niet veel jongeren, burgemeesters, magistraten, onderzoekers van de KUL of anderen horen aanklagen dat we sinds de inwerkingtreding van de administratieve sancties, waartegen sommige gemeenten gekant waren, in een verschrikkelijk regime leven. Nochtans hebben drie gemeenten met een Ecolo-burgemeester, waaronder Louvain-La-Neuve, zeer strenge administratieve sancties en regels opgesteld - ik raad u aan die te lezen - in alle gemeenten ten aanzien van jongeren en minderjarigen.

Een beetje meer samenhang van tijd tot tijd zou nuttig zijn. Uiteindelijk wil men alles onmiddellijk aan de rechter toevertrouwen. Ik hoor de jongeren en de groenen die hen steunen - we staan op enkele maanden voor de verkiezingen - zeggen "alles, maar vooral de jeugdrechter". Dat verbaast me wel omdat ik van die kant vaak andere betogen heb gehoord.

Welnu, het voorliggende wetsontwerp bevat twee bepalingen, waarvan één het mogelijk maakt om bij de jeugdrechter een verslag in te dienen in geval van een administratieve sanctie. Dat moet de tegenstanders van het ontwerp toch al half tevreden stellen.

De maatregel in verband met de leeftijd maakt uiteraard deel uit van een groter geheel van nieuwe waarborgen die ik nu kort samenvat.

Ten eerste komt er alleen een verlaging van de leeftijd als de gemeenteraad dat in zijn algemene politieverordening voorziet. Het gaat dus niet om een algemene verplichting.

Ten tweede rust er een informatieverplichting op de gemeente die beslist minderjarigen te bestraffen.

Ten derde is er een volledig nieuw, preventief gedeelte. Een procedure van ouderlijke betrokkenheid zal het namelijk mogelijk maken het dossier af te ronden zonder de minderjarige te straffen. In sommige omstandigheden kan een gesprek met de ouders immers veel problemen oplossen.

Ten vierde vormt het verplichte aanbod tot bemiddeling een echte waarborg voor de jongeren. Dat is een pseudosanctie die preventief kan werken. Er zijn verschillende mogelijkheden denkbaar op dat vlak: vorming, hulp aan slachtoffers, mogelijkheid voor minderjarigen om gedurende maximaal vijftien uur gemeenschapsdienst te verrichten en om hun ouders daarbij aanwezig te laten zijn.

Ten slotte wordt het mogelijk om gratis over een advocaat te beschikken. De betaling van de administratieve boetes zal niet aan de jongeren worden opgelegd, maar enkel aan de ouders en dan enkel in zoverre de verschillende voorwaarden niet zijn nageleefd. Die regeling zal dus niet zo zwaar uitvallen.

Ik heb de tekst onder meer besproken met vertegenwoordigers van diensten die op het terrein werken en met jeugdrechters. Ik ben ervan overtuigd dat het om een redelijk en aanvaardbaar geheel gaat dat nieuwe waarborgen voor de jongeren bevat, dat getuigt van respect voor de jongeren en hun ouders en tegelijkertijd pedagogisch verantwoord is.

Ik ben het eens met de vaststellingen inzake justitie. Met de huidige hervorming en de nodige massale investeringen moeten we de goede richting kunnen uitgaan.

In alle debatten van de afgelopen jaren over onderwerpen gaande van preventie tot integratie, bestraffing en repressie hebben alle psychologen en specialisten die we hebben gehoord, en die ik zeker niet veiligheidsgericht zou willen noemen, altijd aangegeven dat om een ontsporing te voorkomen, een onmiddellijke reactie van de Staat vereist is, hoe miniem ook, een aanmaning die tot doel heeft te vermijden dat overlast onbestraft blijft. Een evenwichtige reactie kan een positief effect hebben op jongeren van veertien of vijftien jaar en voorkomen dat hun crimineel gedrag escaleert. Nadien is een verwijzing naar de jeugdrechter mogelijk, bijvoorbeeld als de jongere in een gesloten inrichting moet worden geplaatst. Het zal niet gaan om een kort gesprek met de ouders of een kleine vergoeding voor een slachtoffer!

Mevrouw Freya Piryns (Groen). - De minister suggereert opnieuw dat de paars-groene regering de eerste GAS-wet heeft ingevoerd. Dat is pertinent onwaar. De minister weet zeer goed dat de eerste GAS-wet werd ingevoerd in april 1999, onder een rooms-rode regering.

Volgens de minister zou er bovendien nooit verzet zijn geweest. Ik ken zeer veel organisaties die zich al jaren uitspreken tegen de GAS-wet en tegen de manier waarop ze op dit ogenblik wordt toegepast. Het gaat in de eerste plaats om organisaties die met kwetsbare jongeren werken. De minister heeft hen misschien niet gehoord, maar ik wel. Die organisaties stellen alles in het werk om hulp te zoeken voor jongeren, bijvoorbeeld in de bijzondere jeugdzorg, maar stuiten overal op wachtlijsten en kunnen nergens terecht. Nu plots wil de minister alles oplossen via bemiddeling. Ik ben bereid de minister te geloven, maar de gemeenten hebben geen geld om dat te financieren. Die bemiddeling zal uiteindelijk uitmonden in een boete en zal de jongeren toch criminaliseren. Daarvoor passen wij.

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - De minister wordt door een deel van haar meerderheid afgevallen. Ik begrijp dan ook dat ze zenuwachtig wordt. Mocht ik in haar schoenen staan, zou ik ook zeer zenuwachtig zijn.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ik word niet door een deel van de meerderheid afgevallen. Ik vind alleen dat sommige personen misschien vragen moeten stellen aan hun respectieve partijen.

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Daar ben ik het mee eens. Toch wil ik nog reageren op haar uitgangspunt. Ze vroeg de oppositie om de parlementsleden die de tekst steunen, niet te beledigen. Ik vraag van haar hetzelfde, want doen alsof de honderden verenigingen die hun tegenstand kenbaar hebben gemaakt er niets van begrepen hebben, is beledigend en onaanvaardbaar. (Applaus.)

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-2712/8.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft zo dadelijk plaats.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitster. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Zijn er opmerkingen?

Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissie die door het Bureau zijn aangewezen.

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (Stuk 5-1189)

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 52
Tegen: 3
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 5-2130)

Stemming 2

Aanwezig: 55
Voor: 50
Tegen: 4
Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitster. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 27 juni 2013

's namiddags om 15 uur

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende dringende bepalingen inzake fraudebestrijding; Stuk 5-2127/1 tot 4.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechtzetting van materiële vergissingen of omissies in de vonnissen alsook tot de uitlegging van de vonnissen; Stuk 5-2091/1 en 2. [Pro memorie]
Toe te voegen: Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 796 en 797 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op het vereenvoudigen van de procedure betreffende de verbetering van de vonnissen (van de dames Christine Defraigne en Zakia Khattabi, de heren Francis Delpérée en Hassan Bousetta, de dames Martine Taelman en Sabine de Bethune en de heer Guy Swennen); Stuk 5-1126/1.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechtzetting van materiële vergissingen of omissies in de vonnissen alsook tot de uitlegging van de vonnissen; Stuk 5-2097/1 en 2. [Pro memorie]

Evocatieprocedure
Ontwerp van programmawet; Stuk 53-2853/1 tot 11.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

eventueel 's avonds om 19 uur

Hervatting van de agenda van de namiddagvergadering.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitster. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 27 juni om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Buysse en Morael, om gezondheidsredenen, de heer Broers, om familiale redenen, mevrouw Stevens en de heer Vandaele, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 52
Tegen: 3
Onthoudingen: 0

Voor

François Bellot, Frank Boogaerts, Jacques Brotchi, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Bart De Nijn, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Inge Faes, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Jean-François Istasse, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Nele Lijnen, Lieve Maes, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Danny Pieters, Freya Piryns, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Louis Siquet, Elke Sleurs, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Els Van Hoof, Karl Vanlouwe, Yoeri Vastersavendts, Sabine Vermeulen, Johan Verstreken, Mieke Vogels, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Tegen

Filip Dewinter, Bart Laeremans, Anke Van dermeersch.

Stemming 2

Aanwezig: 55
Voor: 50
Tegen: 4
Onthoudingen: 1

Voor

François Bellot, Frank Boogaerts, Jacques Brotchi, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Bart De Nijn, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Filip Dewinter, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Inge Faes, Cindy Franssen, Louis Ide, Jean-François Istasse, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Lieve Maes, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Fatma Pehlivan, Danny Pieters, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Louis Siquet, Elke Sleurs, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Anke Van dermeersch, Els Van Hoof, Karl Vanlouwe, Yoeri Vastersavendts, Sabine Vermeulen, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Tegen

Benoit Hellings, Zakia Khattabi, Freya Piryns, Mieke Vogels.

Onthoudingen

Philippe Moureaux.

In overweging genomen voorstellen

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie tot aanmoediging van het wegschenken van voedseloverschotten via een btw-vrijstelling (van mevrouw Cindy Franssen c.s.; Stuk 5-2156/1).

-Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 18 en 20 juni 2013 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet-geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (Stuk 5-2126/1).

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake pensioenen (Stuk 5-2148/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 13 juni 2013 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij (Stuk 5-2153/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie (Stuk 5-2147/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat betreft de termijn bij een vervangend verval van het recht tot sturen (Stuk 5-2149/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Wetsontwerp tot versterking van de transparantie, de onafhankelijkheid en de geloofwaardigheid van de beslissingen en adviezen op het vlak van de volksgezondheid, de ziekteverzekering, de veiligheid van de voedselketen en het leefmilieu (Stuk 5-2150/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, wat de waarborgen van de schuldeisers bij een kapitaalherschikking betreft (Stuk 5-2151/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Wetsontwerp betreffende de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop (Stuk 5-2152/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van de militairen (Stuk 5-2154/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Artikel 79 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wat betreft de nietigheden (Stuk 5-1924/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 1 juli 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake pensioenen (Stuk 5-2148/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 juni 2013; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 19 juni 2013.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende bestraffing van de exploitatie van bedelarij en van prostitutie, mensenhandel en mensensmokkel in verhouding tot het aantal slachtoffers (van de heer Bert Anciaux; Stuk 5-1216/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, wat bijeenroeping van de algemene vergadering betreft (Stuk 5-2005/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp betreffende de wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (Stuk 5-2084/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 13 juni 2013 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van een wetsontwerp

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opnemen van luchtvaartactiviteiten in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap overeenkomstig richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, afgesloten te Brussel, op 22 oktober 2012 (Stuk 5-2155/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parket-generaal

Bij brief van 13 juni 2013 heeft de Procureur-generaal te Brussel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket-generaal te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 12 juni 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Auditoraat-generaal

Bij brief van 12 juni 2013 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 30 april 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Bij brief van 13 juni 2013 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2012 "Migratie".

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.