3-21

3-21

Belgische Senaat

3-21

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 20 NOVEMBER 2003 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Stemmingen

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

Commissie voor de opvolging van buitenlandse missies

Vraag om advies aan de Raad van State

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Landsverdediging over «de modernisering van twee Falcon 20-vliegtuigen van het Belgisch leger bij de firma Dassault» (nr. 3-48)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met de Bijlagen I tot en met XVII, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 18 november 2002 (Stuk 3-215)

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap en het Europees ruimte-agentschap betreffende de bescherming en de uitwisseling van geclassificeerde informatie, gedaan te Parijs op 19 augustus 2002 (Stuk 3-285)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn, en met de Slotakte, gedaan te Parijs op 3 april 2001 (Stuk 3-231)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de aanvangswedden en de anciënniteit van de referendarissen bij de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg» (nr. 3-37)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de neerlegging ter griffie en het nazicht door de procureur des Konings van de registers van burgerlijke stand» (nr. 3-43)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opsluiting van geïnterneerden in de gevangenissen» (nr. 3-26)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de kinderpornografie op het Internet» (nr. 3-49)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opstelling van een nationaal actieplan inzake de rechten van het kind» (nr. 3-52)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de oprichting van een nationale commissie voor de rechten van het kind» (nr. 3-51)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid over «de laattijdige uitbetaling van de subsidies die worden toegekend door het Impulsfonds voor het migrantenbeleid» (nr. 3-38)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de aard van de betrekkingen tussen België en Iran» (nr. 3-41)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de toestand inzake de mensenrechten in Iran » (nr. 3-56)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de stand van zaken met betrekking tot de te ratificeren verdragen» (nr. 3-50)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Financiën over «de vestigingsplaats van de vierde Europese school» (nr. 3-54)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de verblijfsvergunning via regularisatie voor asielzoekers die zich langdurig in procedure bevinden» (nr. 3-40)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het onderbrengen van de illegalen die tweemaal door de politie zijn opgepakt, in een gesloten centrum» (nr. 3-42)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de geautomatiseerde stemming» (nr. 3-55)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Werk en Pensioenen over «de naleving van de verplichting voor openbare besturen, instellingen van openbaar nut en particuliere ondernemingen om mindervaliden te werk te stellen» (nr. 3-53)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van het Koninkrijk Thailand inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, en met het Bijvoegsel, ondertekend te Brussel op 12 juni 2002 (Stuk 3-193)

De voorzitter. - We hervatten de naamstemming die onbeslist is gebleven. Vraagt iemand het woord?

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Na de karikatuur die we er vorige week van gemaakt hebben en om de rapporteur, de heer Vandenberghe, die begaan is met mensenrechten, gerust te stellen zal ik even ingaan op het belang van bilaterale overeenkomsten. De ene keer wordt er vlug over bilaterale overeenkomsten heen gegaan, de andere keer worden ze gebruikt om te filibusteren. Toch zijn ze belangrijk. Dat zal ik aantonen aan de hand van het geval van de Nederlander Machiel Kuijt die in 1997 werd aangehouden wegens drugssmokkel.

Nederland heeft geen bilaterale overeenkomst met Thailand. Zijn zaak werd pas in 2002 behandeld. Hij heeft dus ongeveer vijf jaar vastgezeten. In Thailand betekent dat opgesloten zitten met zeventien personen in een kamertje van vijf bij vier, en geld geven om water, eten en om een slaapplaats te krijgen.

Vorig jaar werd Machiel Kuijt vrijgesproken, maar op dat ogenblik werd in Thailand een razzia gehouden tegen de drugshandel. Er werden toen ongeveer 1.600 zogezegde drugskoeriers of -handelaars gedood. Om een voorbeeld te stellen ging de procureur in Thailand onmiddellijk in beroep tegen de vrijspraak. Zonder enige mogelijkheid tot verdediging werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

In Nederland krijgt minister De Hoop Scheffer nu het verwijt te horen dat Nederland geen bilateraal verdrag heeft met Thailand. Nederland kan dus op juridisch vlak niet tussenkomen om die man vrij te krijgen. Ik vertel dat verhaal om aan te tonen dat mensenrechten ook moeten worden verdedigd in verre landen en niet alleen als het in onze kraam past. Bilaterale verdragen met zulke landen kunnen de mensenrechten beschermen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil niet moeilijk doen, maar moesten de stemverklaringen niet worden afgelegd op het ogenblik van de stemming die onbeslist is gebleven omdat het quorum niet bereikt was?

De voorzitter. - Ik zal dat nagaan, mijnheer Mahoux.

De heer Marc Van Peel (CD&V). - Het is uiteraard belangrijk dat het verdrag wordt goedgekeurd. De polemiek over het rekken van het parlementaire debat raakt de vezel van onze parlementaire democratie. Als het politiek onoorbaar is het parlementaire debat te rekken, dan is het even onoorbaar een wetsvoorstel door het parlement te willen jagen. Het is van alle tijden en van alle parlementen het politieke debat zo lang mogelijk te rekken als een meerderheid de politieke bedoeling heeft iets zo vlug mogelijk te laten goedkeuren.

Ik vraag alle collega's van welke partij ook, daarover eens na te denken. Door de procedureregels te diaboliseren verhindert men het normale parlementaire werk. De selectieve verontwaardiging door een georkestreerde beeldvorming heeft alles te maken met openbare of verborgen politieke en/of journalistieke agenda's.

(Applaus van CD&V, Vlaams Blok en VLD)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Goed zo, het Vlaams Blok is het met u eens!

De heer Marc Van Peel (CD&V). - Kijk, zo werkt de selectieve verontwaardiging. Die diabolisering en selectieve verontwaardiging doden het politieke debat. Mijnheer Mahoux, door aan verschillende collega's te zeggen dat ze alleen maar achter het Vlaams Blok aanlopen breidt u het cordon sanitaire uit tot ongeveer driekwart van de publieke opinie in Vlaanderen. Waarom zou mijn mening irrelevant zijn omdat ze over dit concrete onderwerp toevallig overeenstemt met die van het Vlaams Blok? Debat gesloten!

In de Kamer heb ik meegemaakt dat heer Rik Daems duizenden amendementen indiende. Dat werd toen als volkomen legitiem gezien. Ik heb ook meegemaakt dat heer Louis Tobback in de jaren '80 de debatten eindeloos wist te rekken. Wie heeft toen geprotesteerd?

De heer Philippe Mahoux (PS). - Zijn gezondheid werd toen zelfs ernstig bedreigd. Wees dus voorzichtig...

Mijnheer de voorzitter, is dit een stemverklaring?

De voorzitter. - Mijnheer Mahoux, we zijn in een democratisch land, waar de parlementsleden nog het recht hebben om hun mening te uiten, of ze nu deel uitmaken van de meerderheid of van de oppositie.

(Hevig protest van de heer Philippe Moureaux)

Mijnheer Moureaux, van u hoef ik geen lessen in objectiviteit te krijgen.

Mijnheer Van Peel, uw spreektijd van twee minuten is om. Gelieve te besluiten.

De heer Marc Van Peel (CD&V). - Ik besluit. Wat de heer Mahoux zegt en wat de heer Moureaux roept is een perfecte illustratie is van the arrogance of power en het totale gebrek aan respect voor de parlementaire procedure. Degenen die zich zo gedragen, moeten beseffen dat het behoren tot de meerderheid of tot de oppositie een toevallige positie is. Het respect voor de procedures is evenwel van absoluut belang. Zonder de heer Dedecker te willen verdedigen, moeten we als instelling de moed hebben in te gaan tegen de perceptie die vorige week werd gecreëerd, zoniet worden fundamentele democratische en parlementaire belangen geschaad.

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb me onthouden om te kunnen vaststellen dat het verloop van het debat over het verdrag met Thailand aanleiding geeft tot de commentaar dat een parlementslid dat spreekt, de werkzaamheden van het Parlement vertraagt. We hebben het recht het woord te nemen. Ik heb gesproken over artikel 5 van het verdrag. Niemand heeft op mijn inhoudelijke opmerkingen gereageerd. Evenals de heer Van Peel wil ik verhinderen dat het absolute spreekrecht van de parlementsleden dat gewaarborgd wordt door de Grondwet, op enigerlei wijze wordt beknot. Ik heb geen zin te functioneren in een parlement waar niet vrij gesproken kan worden.

Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft gezegd dat het Parlement de ruimte bij uitstek is waar vrij moet kunnen worden geademd. Dat impliceert het respect voor zekere procedures. Ik weet dat sommigen vinden dat het Parlement, en zeker de Senaat, overbodig zijn en dat de debatten in televisiestudio's moeten plaatsvinden. Tegen die evolutie van de parlementaire democratie wil ik me formeel verzetten. Ik wens niet dat ons Parlement een soort Cromwell-parlement wordt.

(Applaus van CD&V, CDH, Vlaams Blok en VLD)

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van het Tunesische Parlement, samengesteld uit de heer Afif Chiboub, eerste ondervoorzitter, en de heer Mounir Ben Miled, lid van de commissie voor de Financiën van ditzelfde Parlement. Ik wens hun een vruchtbaar verblijf in ons midden toe. (Algemeen applaus)

Commissie voor de opvolging van buitenlandse missies

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor, voor de duur van deze zittingsperiode, een bijzondere commissie voor de opvolging van buitenlandse missies op te richten.

De commissie zou uit zeven leden bestaan: één lid per fractie vertegenwoordigd in het Bureau.

In de commissie zal de regel van de absolute vertrouwelijkheid van toepassing zijn, een verplichting die dient te worden opgenomen in het huishoudelijk reglement van de commissie. Het Bureau zal dit reglement later dienen goed te keuren. (Instemming)

Ik stel voor dat de kandidaturen mij worden bezorgd uiterlijk op woensdag 26 november e.k. om 16 uur.

Vraag om advies aan de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 19 november 2003 heb ik, met toepassing van artikel 66-1 van het reglement, het spoedadvies van de afdeling wetgeving van de Raad van State gevraagd over het wetsvoorstel tot toekenning van het actief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen aan vreemdelingen (Stuk 3-13).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de bewaking van de ambassades door leden van privé-bewakingsdiensten op de openbare weg» (nr. 3-66)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - De bewaking en bescherming van ambassades en diplomatieke posten wordt gewoonlijk toevertrouwd aan de politie. In sommige gevallen doen ambassades, naast de klassieke politiebewaking, ook nog een beroep op de diensten van privé-bewakingsondernemingen of politieambtenaren van hun land van herkomst. Heeft elke ambassade of diplomatieke post recht op de aanwezigheid van politieagenten en onder welke voorwaarden?

In Ukkel heeft zich een woordenwisseling voorgedaan tussen voorbijgangers en een bewakingsdienst van een ambassade. De feiten, die aangemerkt werden als slagen en verwondingen, hebben aanleiding gegeven tot het indienen van een klacht bij het gerecht.

Kunnen de ambassades en andere diplomatieke posten inderdaad een beroep doen op privé-bewakingsondernemingen van ons land of van hun land van herkomst? Mogen de agenten wapens dragen op de openbare weg? Welke reglementering is van toepassing op de leden ervan, inzonderheid de buitenlanders? Hebben ze altijd een diplomatieke status?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Elke ambassade of diplomatieke post op ons grondgebied heeft recht op beschermingsmaatregelen als de belangen en de personen van het betrokken land worden bedreigd. Die bedreiging wordt constant geëvalueerd door de gespecialiseerde diensten.

De beschermingsmaatregelen kunnen ruim worden opgevat en houden niet noodzakelijk de zichtbare aanwezigheid van politieagenten in. Het niveau van de maatregelen hangt af van de graad van de dreiging. De politiemaatregelen worden op de openbare weg uitgevoerd. De ambassades en diplomatieke posten mogen op eigen initiatief een beroep doen op privé-bewaking.

De wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen is van toepassing op heel het Belgisch grondgebied, met inbegrip van de ambassades. De ambassades die privé-veiligheidsmaatregelen willen nemen, kunnen een beroep doen op een externe, Belgische of buitenlandse, in België toegelaten bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst organiseren. In dat laatste geval is de wet op de bewakingsondernemingen slechts van toepassing en is een ministeriële machtiging slechts vereist als de interne dienst actief is op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Gewapende bewakingsactiviteiten op de openbare weg worden door die wet uitdrukkelijk verboden, behoudens de bescherming van personen en beschermde waardetransporten.

Noch mijn diensten noch de lokale politie zijn op de hoogte van de incidenten die u aanhaalt met de bewakingsdienst van een ambassade in Ukkel, evenmin als van de aanwezigheid van een bewakingsonderneming of een toegelaten interne bewakingsdienst in een ambassade op het grondgebied van die gemeente. Ik heb mijn diensten gevraagd een inventaris op te maken, alsook een evaluatie van de privé-veiligheidsmaatregelen die thans door de ambassades en de diplomatieke posten worden genomen, opdat die activiteiten in overeenstemming zouden zijn met de wet van 10 april 1990 op de privé-beveiliging.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik dank de minister voor zijn gedeeltelijke antwoorden. Ik heb zijn verklaring over de aanwezigheid van de politie en over de reglementering genoteerd. Ik heb echter geen antwoord gekregen met betrekking tot bepaalde politieagenten uit het land van de ambassade waarover ik het had. Er is wel degelijk een woordenwisseling geweest en politieagenten uit een vreemde Staat hebben slagen en verwondingen toegebracht aan buurtbewoners. Er werd klacht ingediend. Ik weet niet wat daarvan het gevolg zal zijn als die agenten diplomatiek onschendbaar zijn.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de eerste minister, aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Financiën over «de verklaringen van de regering tijdens het Sabenadebat op 8 november 2001 over de waardeloosheid van de slots en de vaststellingen van de rechtbank van koophandel te Brussel van 30 juni 2003» (nr. 3-73)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Tijdens het Sabenadebat op donderdag 8 november 2001 heb ik de regering erop gewezen dat de slots van Sabena een immateriële waarde zijn met een belangrijke commerciële waarde, essentieel voor het hubsysteem dat Sabena op dat ogenblik 11 jaar eerder in het leven had geroepen om de verbindingen vanuit Brussel te blijven verzekeren. De heer Daems antwoordde daarop: "U moet echter weten dat een slot een eigenaardig beestje is. Zodra een maatschappij failliet is, heeft ze haar slots niet meer. Slots zijn dus geen activa".

Uit de lezing van het vonnis van de rechtbank van koophandel van 30 juni 2003 blijkt echter dat de slots op 6 november 2001 werden overgedragen aan NV DAT en dat ingeval NV DAT deze slots zou verkopen, de opbrengst aan de NV Sabena diende te worden terugbetaald. Op 5 november 2001 was er overigens een aanbod van British Airways om de slots in Heathrow voor 50 miljoen pond te kopen. Deze slots werden vervolgens door de NV DAT verkocht voor 38 miljoen pond, waarvan maar 25 miljoen pond aan de failliete boedel van Sabena werd terugbetaald. Deze merkwaardige gang van zaken roept enkele vragen op.

Was de regering, als hoofdaandeelhouder, op de hoogte van de gratis overdracht van de slots één dag voor het faillissement van Sabena aan de NV DAT en van het aanbod van British Airways op dat ogenblik? Indien de regering daarvan niet op de hoogte was, hoe kunnen de bestuurders die de Belgische staat vertegenwoordigen, dan een dergelijke beslissing goedkeuren? Indien de regering daarvan wel op de hoogte was, hoe kan dan verklaard worden dat de heer Daems in de Senaat beweerde dat slots geen activa zijn?

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Aangezien deze problematiek vorige week uitgebreid aan bod is gekomen tijdens het vragenuurtje in de Kamer, verwijs ik de heer Vandenberghe naar het antwoord dat ik vorige week in de plenaire vergadering van de Kamer heb gegeven. Overigens heeft de bevoegde rechter zich akkoord verklaard met de overdracht van de slots aan DAT, iets wat de heer Vandenberghe niet heeft vermeld.

Vorige week hebben bepaalde parlementsleden laten uitschijnen dat de regering de beslissing om de slots aan DAT over te dragen voor het Parlement heeft verzwegen. Uit een onderzoek van de voorzitter van de Kamer, de heer De Croo, blijkt dat de onderzoekscommissie inzake Sabena reeds op 10 april 2002 in het bezit was van het proces-verbaal met de beslissing van de raad van beheer van Sabena van 6 november 2001 om de slots aan DAT over te dragen staat en om het bod van British Airways af te wijzen. De insinuaties van de heer Vandenberghe en zijn partijgenoten in de Kamer dat de regering informatie heeft achtergehouden, kloppen dus niet. Ik zal een kopie van de documenten aan de heer Vandenberghe bezorgen.

De rechtbank van koophandel heeft vandaag in het hetzelfde dossier een uitspraak gedaan inzake een vordering van de Belgische Staat tegen het vroegere SwissAir. Met SwissAir bedoel ik de vennootschappen in vereffening en niet de nieuwe maatschappij Swiss. Die vordering is een van de vele die de Belgische aandeelhouders, de Belgische Staat en de curatoren hebben ingesteld omdat ze van oordeel zijn dat de Zwitsers bepaalde overeenkomsten die ze in januari en augustus 2002 met de Belgische aandeelhouders hadden gesloten, niet hebben nageleefd.

Voor het eerst heeft een Belgische rechtbank in deze procedure een uitspraak gedaan. Het gaat niet over de verantwoordelijkheid van SwissAir bij de vlootvernieuwing van Sabena in 1997 of andere fouten die SwissAir heeft gemaakt bij het bestuur en het management van Sabena. Enkel en alleen de curatoren zijn immers bevoegd procedures in te stellen met betrekking tot de schade geleden door Sabena en de schuldeisers.

Over die heel belangrijke aspecten werd nog geen uitspraak geveld. De vordering van de aandeelhouders waarover de rechtbank nu uitspraak heeft gedaan, is beperkter en gaat alleen over de contractuele verhoudingen tussen de aandeelhouders.

De rechtbank heeft in het vonnis in duidelijke termen de dubbele contractbreuk van de Zwitserse aandeelhouders van Sabena vastgesteld, namelijk met betrekking tot de overeenkomst gesloten met de Zwitsers op 24 en 25 januari 2001 en met betrekking tot het zogenaamde hotelakkoord van 2 augustus 2001. De rechtbank was ook van oordeel dat de crisis in de luchtvaartsector, die het gevolg is van de aanslagen van 11 september, geen excuus vormde voor SAir Group en SAir Lines om contractbreuk te plegen.

Ter informatie kan ik ook meedelen dat de rechtbank een tegeneis van een vroegere SwissAir-vennootschap heeft afgewezen, zijnde de eis tot terugbetaling van een lening van 100 miljoen euro aan FIM, omdat de fouten van SAir Group en SAir Lines hebben bijgedragen tot het faillissement van Sabena.

De rechtbank heeft nog geen vergoeding vastgesteld voor de specifieke schade die werd geleden door de Belgische aandeelhouders. Het is evenwel evident dat het merendeel van de schade werd geleden door Sabena zelf en niet door de aandeelhouders. Voor het eerst in deze reeds lang aanslepende zaak verleent het vonnis de curatoren van Sabena een belangrijke bijkomende basis om een schadevergoeding te vorderen.

We zullen de juiste draagwijdte van dit vonnis analyseren in het licht van de verdere vrijwaring van de belangen van de Belgische aandeelhouders. Dit is alleszins een eerste ronde in een vermoedelijk uitgebreid contentieux dat - laten we ons geen illusies maken - waarschijnlijk nog heel wat jaren zal aanslepen.

Voor het overige verwijs ik naar het verslag van de plenaire Kamervergadering, waar ik vorige week al in detail heb geantwoord op de diverse vragen van de heer Vandenberghe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik vind het bijzonder merkwaardig dat als in de Senaat een andere vraag wordt gesteld dan in de Kamer, naar het antwoord wordt verwezen dat in de Kamer werd gegeven.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Het ging om dezelfde vraag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Neen, want daar werd gevraagd of de rechtbank, indien ze kennis zou hebben gehad van het aanbod van British Airways, Sabena failliet zou hebben verklaard. Ik besef evenwel dat het schadelijker is voor de democratie dat parlementsleden het woord nemen dan dat ministers op deze tribune de waarheid niet zeggen.

Ik vroeg hoe de regering verklaart dat minister Daems op mijn vraag om uitleg van 8 november 2001 antwoordt dat slots geen activa zijn, er op 6 november een bod van 50 miljoen pond werd gedaan op een beperkt gedeelte van de slots en een dag voor het faillissement de slots gratis werden overgedragen. De eerste minister, die het faillissementsrecht uitstekend kent, weet heel goed dat als een gewone vennootschap dergelijke activa een dag voor het faillissement overdraagt, dit tot grote problemen leidt.

Daarenboven heeft Sabena het bod en de overdracht voor iedereen verborgen gehouden. Ik verwijs in dit verband naar het gedeelte van het vonnis dat betrekking heeft op de door mij gestelde vraag. Op pagina vijf van het vonnis verwijst de rechtbank te Brussel naar al deze gegevens: het aanbod van British Airways, de gratis overdracht van de slots aan DAT, de afspraak om bij verkoop van de slots de NV Sabena terug te betalen. De rechter zegt:"... que cette offre a été celée au tribunal tant par la SA Sabena sous sursis que par le commissaire au sursis". Er staat ook dat ze er maar kennis heeft van genomen eind december 2001. Maar, zoals ik al zei, parlementsleden die spreken, zijn blijkbaar een veel groter gevaar voor de democratie dan het omstandig verzwijgen van de waarheid door de minister op het spreekgestoelte van de Senaat.

Ik hoop dat de curator van Sabena alle processen wint, maar de ene contractbreuk verantwoordt de andere niet. Het is niet omdat SwissAir zijn verplichtingen niet naleeft, dat de regering van een democratisch land gemachtigd is duidelijke vragen over de commerciële waarde van de slots niet correct te beantwoorden.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Blijkbaar recidiveert de heer Vandenberghe. Ik overhandig de voorzitter het verslag van de Kamer waarin ik op alle vragen antwoord.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De manier waarop de premier optreedt, is een gevaar voor de democratie. De regering wil ons doen zwijgen.

Als een gewone vennootschap zou doen wat de raad van bestuur van Sabena doet, ... (Onderbrekingen van de heer Moureaux) Ik begrijp dat de heer Moureaux verveeld is met deze vraag, want het lot van Sabena gaat hem ook aan. Ik stel echter vast dat in ons land vandaag `progressief' gelijk staat aan `repressief'.

De voorzitter. - Ik zeg op elke vergadering van het Bureau dat het niet goed is om iedere week vragen te stellen in de Senaat die vlak voordien in de Kamer werden gesteld.

Mondelinge vraag van de heer Etienne Schouppe aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «het terugschroeven van de dotatie aan de NMBS» (nr. 3-74)

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Ik hoop dat de vraag die ik stel nog niet in de Kamer aan bod is gekomen en dat ik een antwoord krijg zonder de commentaar die collega Vandenberghe heeft moeten horen.

De ministerraad heeft op 14 oktober 2003 beslist dat, enerzijds, de dotatie van de NMBS met 50 miljoen euro wordt verminderd en dat, anderzijds, zal worden overgegaan tot een financiering van de NMBS via de HST-Fin met hetzelfde bedrag.

Dit lijkt me uitermate eigenaardig. Ook het Rekenhof heeft naar verluidt vragen bij de precieze inhoud van de regeringsbeslissing om uit te maken of het hier een debudgettering betreft. Gaat het hier om een geïsoleerde maatregel? Gaat het om een nieuwe maatregel? Ik heb nergens een basis gevonden voor deze beslissing.

De vice-eerste minister heeft mij veertien dagen geleden gezegd dat er, in uitvoering van artikel 494 van de programmawet van 24 december 2002, inderdaad voor 148 miljoen euro stortingen, te verhogen met de nalatigheidsintresten, zouden gebeuren voor het einde van dit kalenderjaar. Hij heeft toen evenwel niets gezegd over de modaliteiten. Maakt de nieuwe beslissing van de ministerraad van 14 oktober daar misschien deel van uit? Een andere meer plausibele veronderstelling is dat de regering hiermee uiteindelijk toch gevolg geeft aan de betaling van de 8 miljard oude Belgische frank of circa 200 miljoen euro, die vroeger was beslist. Die zouden in 8 schijven van 25 miljoen euro worden gestort gedurende de jaren 1998-2005. De federale participatiemaatschappij zou stortingen verrichten ten voordele van de NMBS om een kapitaalverhoging van HST-Fin door te voeren voor de financiering van de hogesnelheidslijnen.

Dit zijn maar twee mogelijke verklaringen voor wat er precies is gebeurd, maar wellicht moet de waarheid nog elders worden gezocht. Vanuit een oprechte bezorgdheid voor de begroting van het land wil ik van de vice-eerste minister vooral ook vernemen of we deze financiering van 50 miljoen euro begrotingstechnisch als een primaire uitgave moeten beschouwen dan wel of ze volledig buiten de door de regering opgemaakte begroting valt en dus gedebudgetteerd is.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - De investeringsdotatie voor de NMBS is van 733 miljoen euro in 2003 gestegen tot 786 miljoen euro in 2004. Daarvan valt 51 miljoen euro ten laste van het RER-fonds en 50 miljoen loopt via de HST-Fin en de Federale Participatiemaatschappij.

In artikel 494 van de wet van 24 december 2002 zijn inderdaad 148,7 miljoen stortingen aan de NMBS vastgelegd. We nemen op het ogenblik de nodige maatregelen om die te laten doorgaan. De Federale Participatiemaatschappij verhoogt daarom zijn participatie in het kapitaal van de HST-Fin voor een bedrag van 148,7 miljoen euro. HST-Fin verhoogt op zijn beurt zijn participatie in de NMBS met eenzelfde bedrag. In 2004 komt daar nog eens 50 miljoen euro bovenop. Ook die krijgt de vorm van een verhoogde participatie in het kapitaal van HST-Fin.

Van deze hele operatie mag 124 miljoen euro worden beschouwd als een schuldaflossing en dus als een niet-primaire uitgave. De 24,7 miljoen euro en de 50 miljoen euro voor 2004 moeten echter wel worden beschouwd als primaire uitgaven in de nationale rekeningen.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - De minister heeft nog geen antwoord gegeven op mijn vraag of deze investering al dan niet kadert in de beslissing van 1997 omtrent de toewijzing van 8 miljard via de Federale Participatiemaatschappij aan de NMBS onder de vorm van een kapitaalsverhoging van HST-Fin.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Het antwoord is positief. Ik moet het definitief antwoord daarop schuldig blijven, maar ik vermoed dat we met deze storting van 2 miljard frank die 8 miljard inderdaad vol maken.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Wanneer mag ik een definitief antwoord verwachten?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik laat het u morgen bezorgen.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Happart aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de aankoop van digitale videocamera's om gevaarlijk rijgedrag van automobilisten te registreren» (nr. 3-67)

De heer Jean-Marie Happart (PS). - Toen op 23 oktober laatstleden de resultaten van het één jaar oude actieplan voor de verkeersveiligheid werden voorgesteld, vernamen we dat de federale politie een openbare aanbesteding had uitgeschreven voor de aankoop van negen digitale videocamera's. Die moeten niet alleen gevaarlijk rijgedrag van autobestuurders filmen, maar ook snelheidsovertredingen vaststellen.

Een afgevaardigde van de verkeerspolitie preciseerde dat de "camera's aangesloten kunnen worden op de versnellingsbak van het politievoertuig en zo de snelheid ervan kunnen aangeven. Het politievoertuig zou dan net achter het gecontroleerde voertuig rijden om de snelheid ervan te meten. Deze camera's zullen vooral gebruikt worden om de bestuurders te filmen en hun zo hun gevaarlijk rijgedrag te tonen."

Welke soort rijgedrag wordt precies bedoeld? Zal men bijvoorbeeld controleren of de bestuurder zijn gordel om heeft en of hij zijn GSM gebruikt? Hoewel een dergelijke werkwijze verdedigbaar is vanuit het standpunt van de verkeersveiligheid, rijst toch de vraag of het gebruik van dergelijke videocamera's geen inbreuk betekent op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, niet alleen van de bestuurder, maar ook van zijn passagiers.

Wat denkt de minister hierover en welke maatregelen zal hij nemen om het privé-leven van de bestuurder en zijn passagiers te beschermen? Welk gebruik zal worden gemaakt van deze visuele gegevensbank? Is het juist dat de camera's waarvan één per provincie zal worden aangekocht, in de lente van 2004 in gebruik worden genomen?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De camera's aan boord van anonieme voertuigen hebben vooral tot doel asociaal of agressief rijgedrag vast te stellen zonder dat dit betwist kan worden. Ik denk bijvoorbeeld aan rechts inhalen, slalommen, niet-aangepaste snelheid, het niet gebruiken van richtingwijzers, snijden, het niet respecteren van de veiligheidsafstand tussen voertuigen enzovoorts.

De mogelijkheid om overdreven snelheid vast te stellen is niet ondergeschikt aan de andere geviseerde vaststellingen.

Wat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer betreft, zijn de wettelijk vastgelegde gebruiksvoorwaarden dezelfde als die voor de flitsapparaten. Alleen de beelden die het gerecht nodig heeft, zullen gedurende een beperkte periode en onder de controle van de gerechtelijke autoriteiten bewaard worden.

De openbare aanbesteding loopt nog. De datum van ingebruikname van het materieel is op dit ogenblik nog niet bekend.

De heer Jean-Marie Happart (PS). - Vermits de minister mijn vraag niet echt heeft beantwoord, zal ik ze tijdens een volgende vergadering opnieuw stellen. De minister heeft niet gesproken over wat er met die visuele gegevensbank zal gebeuren. Mijn vraag had betrekking op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De details over het rijgedrag van de autobestuurders waren niet echt nodig.

Het is juist dat sommige bestuurders rechts inhalen. Maar misschien moeten ook de bestuurders worden bestraft die op de middenrijstrook van de autoweg rijden en daardoor twee rijstroken in beslag nemen. Men zou de bestuurders in de eerste plaats duidelijk moeten maken dat ze op de rechterrijstrook van de autoweg moeten rijden.

De belangrijkste vraag heeft de minister echt niet beantwoord.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb gezegd dat alles gebeurt onder de controle van gerechtelijke autoriteiten.

Mondelinge vraag van de heer Michel Guilbert aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «de onevenwichtige verdeling van het nieuwe rollend materieel M6 over het noorden en het zuiden van het land» (nr. 3-75)

De heer Michel Guilbert (ECOLO). - De Waalse vereniging van gebruikers van het openbaar vervoer (ACTP) heeft van 10 tot 14 november in het Brusselse Centraal station een telling verricht. Ze heeft vastgesteld dat dagelijks nauwelijks 8% van de nieuwe M6-dubbeldekstreinen bestemd is voor de lijnen naar het Waalse Gewest. De overige treinen rijden op lijnen naar het noorden van het land. Ik kan de minister deze veelzeggende cijfers bezorgen.

Vandaag ziet de verdeling van de M6 eruit als volgt: in het Vlaams Gewest de ICK-treinen Gent-Brussel-Genk, de ICN-treinen Brussel-Antwerpen en zes P-treinen naar Oostende, Kortrijk en Antwerpen, wat neerkomt op 70 treinen per werkdag; in het Waals Gewest zijn er alleen de twee treinen heen en terug Brussel-Luxemburg en één trein heen en terug Brussel-Châtelet, zes treinen per werkdag dus.

Dat betekent dat er in Vlaanderen de hele dag M6 rijden, ook buiten de piekuren en op verbindingen met een lage bezettingsgraad, bijvoorbeeld de ICK naar Genk. In Wallonië daarentegen rijden de M6 alleen tijdens de piekuren en slechts op twee belangrijke lijnen

De NMBS beweert dat de verdeling van het nieuwe materieel gebeurt op basis van een reeks criteria zoals de bezettingsgraad, de nabijheid van de onderhoudswerkplaatsen, de infrastructuur en de beschikbaarheid van locomotieven. Nochtans zijn in Wallonië bepaalde lijnen, zoals Brussel-Namen en Brussel-Luik, overbezet en worden geen M6 ingezet.

Bevestigt de minister de cijfers van de ACTP? Wat denkt hij over deze verdeling? Op welke lijnen kunnen technisch geen M6 worden ingezet?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - De vraag verbaast me omdat er geen verdeelsleutel bestaat voor de verdeling van rollend materieel tussen het noorden en het zuiden van het land. Het materieel wordt gekocht en gebruikt naargelang de noden. De geciteerde cijfers zijn niet helemaal correct, aangezien bepaalde IC-lijnen niet permanent door M6 worden bediend. De huidige verdeelsleutel bedraagt 12/88.

Er zijn maar weinig lijnen die niet aangepast zijn aan de M6: lijn 37 Luik-Verviers en lijn 34 Luik-Liers. Voor de overige lijnen is er geen probleem, behalve dan voor de secundaire lijnen, waarvoor de M6 niet bedoeld zijn. Het is de bedoeling dat de M6-rijtuigen andere types van materieel vervangen. Dat is dan ook het enige criterium waarmee rekening wordt gehouden bij de verdeling tussen het noorden en het zuiden.

Ingeval van overbezetting wordt allereerst een groter aantal rijtuigen ingezet. Alleen als er met 12 rijtuigen nog altijd overbezetting is, worden M6 ingezet.

De heer Michel Guilbert (ECOLO). - Ik heb nooit over een verdeelsleutel gesproken. Of het nu gaat om 8/92 of om 12/88, de onevenwichtigheid is een feit. Hoewel bepaalde lijnen in Wallonië tijdens de piekuren overbezet zijn, kunnen daar geen M6 worden ingezet, terwijl deze dubbeldekstreinen in Vlaanderen op sommige lijnen de hele dag rijden.

Hoe kunnen we de autobestuurders ervan overtuigen voor een andere vervoermiddel te opteren en hun auto te laten staan? Door een grotere frequentie, een hogere snelheid en meer comfort. Op zeer lange afstanden kunnen de M6-dubbeldekstreinen een gedeelte van de reizigers ertoe overhalen voor de trein te kiezen.

Ik heb nooit over een verdeelsleutel gesproken. Ik heb gepleit voor een evenwicht opdat alle inwoners van het land kunnen genieten van het comfort dat door de M6 geboden wordt.

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de toename van het aantal begeleide minderjarige vreemdelingen in centrum 127bis» (nr. 3-70)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Tijdens een vergadering van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft minister Arena verklaard dat niet-begeleide minderjarige vreemdelingen binnenkort niet meer in gesloten centra vastgehouden zullen worden. Mevrouw Onkelinx verklaarde heel recent dat in de komende weken een dienst Voogdij voor deze minderjarigen zal worden opgericht.

Vandaag wens ik de vice-eerste minister te horen over de begeleide minderjarigen die al te vaak opgesloten zitten in gesloten centra, meer bepaald in Steenokkerzeel of in Melsbroek. Deze minderjarigen leven samen met volwassenen die zich anders gedragen, anders spreken en anders leven. Iedereen weet dat opgroeiende jongeren nood hebben aan andere rolmodellen.

Het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind bevat overigens een aantal principes in verband met de begeleiding en opvoeding van minderjarigen.

Het verslag dat een jaar geleden door de werkgroep Kinderrechten van de Senaat werd opgesteld, bevatte verschillende aanbevelingen, met name dat alle kinderen gelijk moeten worden behandeld, maar ook dat rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen minderjarigen en volwassenen.

We vieren vandaag de verjaardag van de Universele verklaring van de rechten van het kind. Hoe zal de regering ervoor zorgen dat deze jonge minderjarigen een gepaste opvoeding en opleiding krijgen? De afdelingen voor gezinnen waarvan sprake is, zijn wellicht beter geschikt. Op welke manier zal de vice-eerste minister voor ondersteuning zorgen bij de persoonlijke, emotionele en lichamelijke ontwikkeling evenals bij de vrijetijdsbesteding van de betrokken jongeren? Hoeveel geld zal hij besteden aan een dergelijk integratiebeleid?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - In de regeringsverklaring staat dat de niet-begeleide minderjarigen op termijn zullen worden opgevangen in beschermde instellingen aangepast aan hun leeftijd. Zoals u weet, moet voor de organisatie, financiering, opvang en begeleiding van deze minderjarigen worden samengewerkt met de gemeenschappen. Hiermee werd een aanvang gemaakt tijdens de jongste vergadering van het overlegcomité.

Wat de begeleide minderjarigen betreft, stipuleert de regeringsverklaring dat de humanisering van de gesloten centra wordt voortgezet, meer bepaald door de oprichting van afzonderlijke afdelingen voor gezinnen.

Het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vastelling van het regime en de werkingsmaatregelen toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgische grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, bepaalt dat elke bewoner van een centrum recht heeft op persoonlijke, medische, psychologische en sociale bijstand. De directeur van het centrum moet de persoonlijke ontwikkeling van de bewoners bevorderen door de organisatie van recreatieve, culturele en sportactiviteiten. Een aangepaste infrastructuur moet ter beschikking worden gesteld van de minderjarigen die in een centrum verblijven zodat ze zich kunnen ontspannen.

Het personeel van de centra stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de minderjaren tijdens hun verblijf zo weinig mogelijk schade oplopen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Voor niet-begeleide minderjarigen zijn de regeringsintenties duidelijk. Wat daarentegen de begeleide minderjarigen betreft, zouden de afdelingen voor gezinnen nog niet operationeel zijn. Wanneer en met welke middelen zullen deze afdelingen worden opgericht?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het antwoord staat in de regeringsverklaring. Daarvoor is een begrotingswijziging nodig.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over «de timing inzake de uitvoering van het spreidingsplan voor de geluidshinder rond Zaventem» (nr. 3-72)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Enkele weken geleden stelde de minister het spreidingsplan voor in de Senaatscommissie. De senatoren hebben toen de vraag gesteld of dat plan gesteund werd door de regering.

Door de veroordeling van de Belgische Staat tot een dwangsom van 50.000 euro per dag is de druk op de ketel verhoogd om het spreidingsplan effectief uit te voeren.

Er is heel wat kritiek op dat spreidingsplan. Die kritiek betreft niet de keuze om af te stappen van de concentratie van de nachtvluchten boven de Noordrand. Het knelpunt is het Brussels gewest dat de tijdbom in handen heeft door de bijzonder strenge geluidsnormen. Die normen kunnen op elk moment opnieuw worden toegepast. Indien het Vlaams gewest dezelfde geluidsnormen zou toepassen, zou dit de sluiting van de luchthaven van Zaventem betekenen.

De minister zei dat er wegens de versnippering van de bevoegdheden uiteraard een overeenkomst tussen de gewesten nodig is om de geluidsnormen op elkaar af te stemmen. De Vlaamse minister van Leefmilieu, de heer Sannen, verklaarde gisteren in het Vlaams Parlement dat minister Anciaux nog geen initiatief tot overleg heeft genomen. Hoe ver staat het met dit overleg?

Is het gerucht waar dat morgen, zonder overleg tussen de gewesten, in de Ministerraad het spreidingsplan waarin Brussel grotendeels wordt ontzien, wordt goedgekeurd?

Wanneer komt het spreidingsplan op de Ministerraad? Wanneer gaat de minister eindelijk het overleg tussen het Brussels en het Vlaams gewest opstarten? Wat is de timing voor het definitieve spreidingsplan?

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Ik hoor van de Vlamingen steeds dat Brussel zeer tevreden zou moeten zijn met het spreidingsplan, maar de Brusselaars zelf hebben dat nog niet echt begrepen. Er moet dus nog beter worden gecommuniceerd en ingevolge het arrest van eergisteren zal ik sneller moeten werken.

Het is inderdaad belangrijk om de normen te harmoniseren. Minister Sannen beweert dat hij van mijnentwege nog niets heeft vernomen in verband met een overleg. Ik heb met minister Sannen reeds in augustus en ook enkele weken geleden een gesprek gehad omtrent dit dossier. Ik heb ook verschillende keren overlegd met mijn collega van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de heer Gosuin.

Intussen hebben de bevoegde werkgroepen al enkele keren van gedachten gewisseld over de bevoegdheid van de gewesten voor de geluidsnormen, want als federaal minister ben ik daarvoor niet bevoegd. Het arrest bepaalt dat de federale overheid desalniettemin haar initiatiefrecht moet laten gelden. Ik heb al enkele stappen gedaan, maar ga nu versneld optreden om beide gewesten aan de tafel te krijgen om de harmonisering van de geluidsnormen te bespoedigen. Wanneer dit niet lukt dan moet ik een beslissing nemen, weliswaar ingedekt door de coalitiepartners, om te voorkomen dat er een dwangsom van 50.000 euro per dag moet worden betaald.

Een hiërarchie van normen bestaat niet in onze federale staat. Mocht die toch bestaan, dan zouden sommigen ze wel willen omkeren.

Ik ben geen voorstander van een akkoord zonder de gewesten.

Als democraat wil ik mij aan uitspraken van de rechtbank houden. Als regeringslid wil ik mij houden aan het regeerakkoord. Dat is niet onverenigbaar.

Het plan dat ik zal voorstellen zal een aantal verbeteringen bevatten aan het plan dat in de commissie en aan de actiecomités werd voorgesteld. Dank zij dat plan neemt elke zone rond de luchthaven een deel van de geluidsoverlast voor haar rekening, zodat niemand zich gediscrimineerd voelt.

Ik vraag ermee te stoppen om van deze zaak een communautaire kwestie te maken. Vragen dat er meer vliegtuigen over Brussel vliegen houdt geen steek, want het is onmogelijk over Brussel te vliegen zonder eerst over Vlaanderen te vliegen. De aanhangers van die benadering moeten mij dan eens vertellen over welke Vlaamse gemeenten er moet worden gevlogen om de Brusselaars de duivel te kunnen aandoen. Ik ben voor een correcte spreiding over Vlaanderen en Brussel. Voor wie vandaag te veel geluidshinder ondervindt, moet de geluidsoverlast worden verminderd, wie vandaag weinig of geen geluidshinder ondervindt, moet in de toekomst een groter deel van de geluidsoverlast voor zijn rekening nemen. Dat is geen aangename, maar wel een correcte boodschap.

In mijn plan zal ik met alle aspecten van het regeerakkoord rekening houden en het zal gebaseerd zijn op het geluidskadaster. De meerderheid discussieert momenteel nog over het model dat ook op Europees niveau wordt gehanteerd en dat overigens door de vorige regering werd gebruikt.

Er werd wel afgesproken dat een aantal metingen dienden te worden uitgevoerd op het terrein. Dat is inmiddels gebeurd, zodat kan worden nagegaan of het geluidskadaster de toets aan de praktijk doorstaat. De bevoegde werkgroepen zullen een en ander volgende dagen evalueren.

Ik heb goede hoop dat een aantal beslissingen in versneld tempo kunnen worden genomen, zodat het betalen van dwangsommen kan worden vermeden.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). -

Als we de luchthaven van Zaventem als een economisch belangrijk gegeven behouden, zonder de gevolgen daarvan op het milieugebied te onderschatten, is het niet meer dan correct te vragen dat elke zone een billijk deel van de lasten draagt. Dat is ook ons uitgangspunt en daarom was het concentratiemodel slecht en wat de doelstellingen betreft zelfs onuitvoerbaar.

De minister vraagt ons om er geen communautaire zaak van te maken. Dat doen wij ook niet. Waarom is het concentratiemodel tot stand gekomen en waarom zegt de minister nu zelf dat Brussel tevreden moet zijn met het spreidingsplan? Ik ben in Brussel geboren en het is geenszins mijn bedoeling om de Brusselaars te pesten. De minister verklaart echter dat het politieke gelobby van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft verhinderd dat hij het spreidingsplan dat hij aanvankelijk voor ogen had, kon realiseren. Dat is de achterliggende boodschap die hij in de Senaatscommissie heeft meegegeven.

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Ik heb dat niet verklaard!

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Toch wel! U hebt de vertegenwoordigers van het Brusselse Gewest die kritiek hadden op het initiële spreidingsplan in de Senaatscommissie geantwoord dat ze tevreden moesten zijn met het beperkte aandeel van de lasten dat Brussel zou worden opgelegd.

De voorzitter. - Mijnheer Van Hauthem, dit is geen repliek meer. We zijn hier niet in de commissie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Ik confronteer de minister gewoon met wat hij in de commissie heeft verklaard. Dat mag toch?

De minister wist tot slot al in juni dat de dwangsom eventueel kon worden opgelegd. Het verwondert mij dat hij toen al verklaarde dat hij met de gewesten zou gaan onderhandelen. Vandaag stel ik vast dat de minister van zijn kant verklaart dat hij bilateraal met de twee gewesten contact heeft opgenomen en dat de Vlaamse minister van Leefmilieu verklaart dat hij nog niets vernomen heeft.

We zullen de Vlaamse minister volgende week in het Vlaams Parlement daarover opnieuw ondervragen.

Mondelinge vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de vervanging van een lid van de Medicomut en de aanpassing van het koninklijk besluit houdende samenstelling van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen» (nr. 3-62)

Mondelinge vraag van de heer Jan Van Duppen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de toekomst van de huisartsgeneeskunde» (nr. 3-68)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - In het Belgisch Staatsblad van 7 november verscheen de mededeling dat bij koninklijk besluit van 22 oktober 2003 aan de heer Baeke `eervol' ontslag werd verleend uit zijn functie als lid van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen. De heer Baeke had nochtans niet gevraagd uit zijn functie ontslagen te worden. In hetzelfde Staatsblad verscheen ook het koninklijk besluit van 30 oktober 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 houdende de wijze waarop de leden van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen worden aangewezen.

Ik wens eerst en vooral duidelijk te maken dat het mij niet te doen is om de personen in deze discussie want ik ken zowel de heer Baeke als zijn opvolgster, mevrouw Roels, en ik heb respect voor iedereen die zich inzet voor de verdediging van de beroepsbelangen. Hier gaat het echter om uiteenlopende visies en het is geen geheim dat de algemene geneesheren en specialisten vaak van mening verschillen. Ook bij de huisartsen zelf leven er verschillende visies.

De heer Baeke was door de BVAS voorgedragen als Vlaams huisartsenvertegenwoordiger, maar nam ontslag uit dat syndicaat omdat hij vond dat hij de belangen van de huisartsen in dat gemengde syndicaat onvoldoende kon verdedigen. Hij wou als onafhankelijk lid in de medicomut spreken namens het Vlaams huisartsenparlement.

Blijkbaar heeft de BVAS u, mijnheer de minister, aangeschreven met de vraag hem te vervangen en is u tegemoetgekomen aan die vraag. De Vlaamse huisartsen voelen zich daardoor zwaar aangeslagen en zien dit als een actie tegen de huisartsen en tegen de Vlamingen. Vandaar mijn vragen.

Waarom heeft u die beslissing genomen en waarom bij hoogdringendheid? Artikel 26 van de ZIV-wet bepaalt dat de Koning instaat voor de samenstelling van de medicomut. Kan de Koning zichzelf van die opdracht ontheffen? Volgens het oud koninklijk besluit benoemt de Koning de kandidaten op basis van een dubbele lijst. Dat betekent dat de Koning wel degelijk gekozen heeft om die bepaalde persoon te benoemen.

Kan u het koninklijk besluit aanpassen om één bepaald geval te regelen? Daaromtrent heerst heel wat juridische onzekerheid. Het aangepast koninklijk besluit werd ondertekend na het ontslag van de heer Baeke. De heer Baeke heeft een klacht ingediend bij de Raad van State.

Ik heb overigens vernomen dat de voor volgende week geplande vergadering van de medicomut sine die is verdaagd. Is dat een gevolg van de heersende juridische onzekerheid?

Is er overleg geweest met alle betrokkenen vooraleer het koninklijk besluit aan de Koning ter ondertekening werd voorgelegd?

Is de minister zich ervan bewust dat het koninklijk besluit voor heel wat ongenoegen heeft gezorgd bij de huisartsen. Het probleem doet zich vooral aan Vlaamse kant voor, waar er verschillende visies bestaan over de huisartsengeneeskunde en de rol van de huisartsen in de eerstelijnszorg.

Ook tijdens de gezondheidsdialogen bleek dat de huisartsen hun problemen bij voorkeur apart wilden behandeld zien, maar u is niet op die suggestie willen ingegaan. Persoonlijk pleit ik al tien jaar voor een aparte huisartsenvertegenwoordiging in de medicomut. Wat is het standpunt van de minister terzake?

De heer Jan Van Duppen (SP.A-SPIRIT). - Ik sluit mij uiteraard aan bij de vraag van mevrouw Van de Casteele.

Deze week werd bekendgemaakt dat het contingent van 180 voorziene opleidingsplaatsen voor huisartsen in Vlaanderen niet zal worden ingevuld. We weten ook al geruime tijd dat vele jonge huisartsen - niet enkel vrouwen - binnen vijf jaar afhaken.

Bij de organisatie van de gezondheidszorg moet zowel aandacht worden besteed aan het financiële als aan het menselijke, het therapeutische en het preventieve aspect. Uit de verklaringen van de minister blijkt dat hij zich daarvan terdege bewust is. We worden dus geconfronteerd met een probleem dat voortdurend in omvang toeneemt. Het ontslag van de heer Baeke uit de medicomut heeft bij heel wat huisartsen, ook bij mij, de vraag doen rijzen naar de visie van de nieuwe minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op de echelonnering en de huisartsgeneeskunde.

Wat is de precieze reden van het ontslag van de heer Baeke? Moet dit ontslag worden beschouwd als een wijziging in de visie op de organisatie van de gezondheidszorg en de huisartsgeneeskunde? Beschouwt de minister de huisartsgeneeskunde als een essentieel onderdeel van een geëchelonneerde gezondheidszorg?

Is de minister zich ervan bewust dat in de regio Turnhout steeds meer - niet alleen jonge - huisartsen het beroep verlaten? Ze doen dat niet enkel om in de Senaat te komen zetelen, maar vooral om naar Nederland te gaan, waar ze in veel aangenamere en veel degelijker georganiseerde en gehonoreerde omstandigheden aan de slag kunnen. Die toestand leidt tot problemen voor de patiënten. Huisartsen moeten de patiënten begeleiden in de jungle van de geneeskunde, waar achter elke boom een leeuw staat die aast op de portefeuille van de patiënt en van de sociale zekerheid.

Hoe ziet de minister de toekomst van de huisartsgeneeskunde in ons land?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik heb veel belangstelling voor de huisartsen. Ze spelen een zeer belangrijke rol. Ik weet dat er veel problemen van burn-out bij jonge huisartsen bestaan, niet alleen bij vrouwelijke huisartsen.

Artikel 26 van de wet op de verplichte verzekering voor de geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt dat de samenstelling en werkingsregels van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen door de Koning worden vastgesteld. Artikel 211 van dezelfde wet bepaalt dat het RIZIV om de vier jaar verkiezingen organiseert op basis waarvan de vertegenwoordiging van de representatieve beroepsorganisaties wordt geregeld. De Koning bepaalt de criteria van de representativiteit via een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Die criteria zijn vastgesteld bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1997, 2 maart 1998, 18 mei 1998 en 13 juli 2001. In toepassing van die criteria zijn nu twee beroepsorganisaties van geneesheren representatief. Alleen die twee organisaties konden zich dus kandidaat stellen bij de verkiezingen.

De mandaten in de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen zijn gebaseerd op het resultaat van de vorige verkiezing in 2002 en zijn dus verdeeld tussen die twee organisaties. Tot 7 november 2003 bestond er, op basis van een koninklijk besluit, een procedure van benoeming op voordracht van de representatieve organisaties. Die procedure is administratief gezien erg log: opvragen van kandidaturen per brief, opstellen van koninklijke besluiten, ondertekening van die besluiten door het staatshoofd, bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Bovendien kan ze niet op soepele wijze inspelen op incidenten die zich binnen de representatieve organisaties kunnen voordoen wanneer leden na hun benoeming hun organisatie verlaten.

De wet bepaalt niet dat de samenstelling van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen gedurende de lopende vier jaar kan afwijken van het resultaat van de verkiezingen. Alleen de vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties kunnen in die commissie zitting hebben.

Om de risico's van representativiteit op te vangen en om de administratieve procedure van de mandaten te vereenvoudigen heb ik de tekst die in het Belgisch Staatsblad van 7 november 2003 is verschenen, aan het staatshoofd voorgesteld. Die tekst gaat over de aanwijzing van de leden door de representatieve organisaties, rekening houdend met de uitslag van de verkiezingen.

Ook in andere overeenkomstencommissies wijzen de beroepsorganisaties de leden aan die hen in die commissies vertegenwoordigen. Een gelijkaardig geval als dat van dokter Baeke heeft zich enige tijd geleden voorgedaan in de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen.

Dat voorval heeft de administratie en mezelf ertoe gebracht te zoeken naar een stabiele en eenvoudige oplossing die op harmonieuze wijze de wettelijke werking van die essentiële overlegorganen regelt. Er moest dringend iets worden ondernomen omdat de besprekingen voor het sluiten van een akkoord geneesheren-ziekenfondsen een concrete vorm begonnen aan te nemen. Er had immers al een vergadering plaatsgevonden op 20 oktober 2003. Het akkoord moest worden gesloten in een commissie waarvan de samenstelling rekening houdt met de resultaten van de verkiezingen. Ondanks de dringendheid werd het besluit genomen overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

Het is niet waar dat ik geen oor heb voor de verzuchtingen van de huisartsen, aangezien dokter Baeke vervangen werd door dokter Roels, die zelf ook huisarts is. De stem van de huisartsen kan voortaan in de Technisch Geneeskundige Raad en in de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen worden gehoord, rekening houdend met de vereiste meerderheid die in de wet wordt bepaald.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - De uitleg van de minister was nogal technisch. Wij kennen de chronologie en de inhoud van de koninklijke besluiten. Mijn vraag ging vooral over de manier waarop u over de hoofden van de betrokkenen heen heeft gehandeld. Waarom heeft u geen overleg gehad met dokter Baeke?

Ik blijf er ook bij dat de minister de procedure heeft aangepast voor één specifiek geval en dat ook daarover had moeten worden overlegd. Is het wel zo dat de verkiezingen niet over personen gaan? In hoeverre heeft de heer Baeke er in dit geval, bijvoorbeeld, mee voor gezorgd dat de verdeling tussen de twee syndicaten de verdeling van vandaag is? Zou die anders zijn geweest als hij voor de andere artsenorganisatie kandidaat was geweest? Dat weten we niet. In de politiek gebeurt het ook soms dat mensen van ideeën veranderen of moeten veranderen en in de loop van de legislatuur in een andere partij terechtkomen.

De minister heeft het over een stabiele en eenvoudige oplossing. Ik ben er niet zo zeker van dat het nieuw koninklijk besluit voor een stabiele en eenvoudige oplossing zal zorgen. De minister schept immers een precedent. Als er in de syndicaten problemen zijn, zullen de afgevaardigden in de medicomut soepeler kunnen worden vervangen. Ik weet niet of het wel zo goed is dat men à la tête du client en volgens het onderwerp dat moet worden besproken, de pionnen kan verschuiven.

Ik blijf er bij dat het beter zou zijn een aparte huisartsenvertegenwoordiging te laten verkiezen. De voorganger van de minister heeft trouwens als antwoord op mijn vraag bevestigd dat één van de problemen van de huisartsen op dit moment is dat ze zich niet goed vertegenwoordigd voelen in de medicomut. Ze zien dat een groot deel van de budgetten naar de specialisten gaan. Hun ongenoegen is deels terecht. Het kan worden opgevangen door aparte huisartsenverkiezingen. Ik dien vandaag als eerste stap dan ook een voorstel in om artikel 211 van de ZIV-wet aan te passen en om de criteria die nu door de Koning bij koninklijk besluit worden vastgelegd, in de wet in te schrijven om monodisciplinaire huisartsensyndicaten aan de verkiezingen te laten deelnemen. Hopelijk kunnen we mijn voorstel in de loop van de legislatuur in de Senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden bespreken vóór in 2006 nieuwe verkiezingen voor de artsensyndicaten worden georganiseerd.

De heer Jan Van Duppen (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn technische toelichting, maar ik sluit mij aan bij de repliek van mijn collega. Ik mag hopen dat hij onze visie deelt over de rol van de huisartsgeneeskunde en de echelonnering in de organisatie van de gezondheidszorg. Ik volg deze problematiek al ruim twintig jaar. Wanneer er geen doorbraak komt in de organisatie, de financiering, de planning van de gezondheidszorg, staat de minister een ontzaglijk werk te wachten om de boot drijvende te houden. Er moeten structurele maatregelen komen en daarin zal de eerstelijnszorg een zeer belangrijke rol spelen. In de eerstelijnszorg heeft de arts het meest directe contact met de patiënten; hij/zij vermijdt dat mensen overgeleverd worden aan een systeem dat de minister, de gemeenschap, de ZIV fortuinen kost.

De minister heeft de voorbije drie maanden al immense inspanningen gedaan, maar de situatie zal blijven uit de hand lopen zolang er geen structurele wijzigingen komen.

Ik hoop dat de minister rekening zal houden met het voorstel van collega Van de Casteele. Een aparte vertegenwoordiging van de huisartsen biedt een niet-onbelangrijke mogelijkheid. Dat is een open doel voor de minister, omdat hij, voor het eerst sinds lang, zowel het departement van Volksgezondheid als dat van Sociale Zaken beheert.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de bilaterale verdragen inzake de sociale zekerheid» (nr. 3-63)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Met diverse niet-EU-landen werden er bilaterale verdragen betreffende de sociale zekerheid gesloten. Deze verdragen bepalen dat de betrokken buitenlandse werknemers aan de in België van kracht zijnde wetgevingen worden onderworpen en, evenals gezinsleden of hun rechthebbenden, de voordelen ervan genieten onder dezelfde voorwaarden als de Belgische onderdanen. Dezelfde rechten gelden voor de Belgen in de betrokken landen.

Dit heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen in het buitenland verblijvende familieleden van in ons land verblijvende buitenlandse werknemers of ex-werknemers die in ons land verblijven of verbleven, kunnen genieten van voordelen in de Belgische sociale zekerheid. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de terugbetaling van ziektekosten voor in het buitenland genoten geneeskundige verzorging of kinderbijslag voor in het buitenland verblijvende kinderen.

Mijn vragen betreffen elk van de landen waarmee België een bilateraal verdrag betreffende de sociale zekerheid heeft gesloten.

Om welke budgettaire weerslag ging het in het jaar waarvan u de meest recente cijfers ter beschikking heeft?

Ik wijs erop dat Nederland de sociale zekerheidsverdragen opzegt, zodat de export van alle nieuwe sociale verzekeringsuitkeringen kan worden stopgezet voor zover de verdragsluitende partijen niet bereid worden gevonden met Nederland een handhavingsverdrag te sluiten, waarbij een adequate controle wordt vastgelegd met betrekking tot de aanpak van bijstandsfraude.

Bestaan er in ons land afspraken met de verdragsluitende partijen betreffende de controle op fraude? Zoniet, waarom niet?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Er zijn inderdaad met verschillende niet-EU-landen bilaterale verdragen afgesloten. Het materieel toepassingsgebied is echter niet steeds hetzelfde. Bovendien zou elk verdrag in zijn juiste context moeten geplaatst worden om te kunnen begrijpen waarover het gaat. Er zijn redenen waarom in sommige verdragen alle takken van de sociale zekerheid zijn opgenomen en waarom andere verdragen meer beperkt zijn. U zal begrijpen dat het onmogelijk is u in de beperkte spreektijd die ons is toegemeten, de gevraagde cijfers te geven. Ik kan ze u wel geven als antwoord op een schriftelijke vraag.

Ik vestig uw aandacht op het feit dat de betrokken landen ook uitkeringen betalen voor mensen die in België verblijven. Een verdrag is immers altijd wederkerig en werkt in twee richtingen. Bovendien betalen de buitenlandse werknemers of gepensioneerden hier ook de sociale zekerheidsbijdragen, net als iedereen.

Ze worden op dezelfde manier behandeld als de Belgische staatsburgers.

Nederland zegt de socialezekerheidsverdragen niet op. De situatie in Nederland is niet vergelijkbaar met de onze. Tot 1 januari 2003 bepaalde de Nederlandse wetgeving dat de uitkeringen werden geëxporteerd overal ter wereld ongeacht de nationaliteit. Sinds 1 januari is dit niet meer het geval tenzij er een internationaal verdrag bestaat waarin het bestemmingsland zich bereid verklaart bij de controles de nodige steun te bieden.

België exporteert de socialezekerheidsprestaties alleen als er een verdrag bestaat. De rust- en overlevingspensioenen van Belgische staatsburgers worden op basis van de interne wetgeving geëxporteerd ongeacht waar ze verblijven. In onze verdragen vragen we dat het bestemmingsland rekening houdt met de door ons uitgekeerde bedragen bij de controle van de uitkeringen.

Wat de sociale bijstand betreft, werden nooit afspraken gemaakt aangezien België hierover geen internationale verdragen heeft afgesloten.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik vind het antwoord nogal onduidelijk. Ik heb de vraag een drietal weken geleden ook schriftelijk gesteld.

Ik heb niet gezegd dat Nederland de verdragen heeft opgezegd. Nederland zegt de verdragen op met de landen die geen controle toestaan. Zo werd het verdrag met Marokko opgezegd omdat Nederland in Marokko geen controle mag doen. De minister verklaart nu dat België in het buitenland geen controle doet en volledig afhankelijk is van de controle door de betrokken landen. Is dit juist?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Inderdaad.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de bij koninklijk besluit van 4 juni 2003 vastgelegde terugbetaling van in-vitrobevruchtingen» (nr. 3-64)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - In artikel 11 van het koninklijk besluit van 4 juni 2003 wordt bepaald dat aan de ziekenhuizen met een erkend zorgprogramma reproductieve geneeskunde B een forfaitair bedrag van 1.182 euro wordt toegekend per cyclus waarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1º de leeftijd van de vrouw waarvoor de cyclus wordt verricht is maximaal 42 jaar;

2º deze bepaling is van toepassing voor een maximum van 6 cycli per vrouw bedoeld in 1º.

Deze financiering dekt op forfaitaire wijze alle kosten van het proces, met name de laboratoriumkosten, personeel, apparatuur, materiaal en indirecte kosten. Dat omvat natuurlijk ook het opzoeken van de kiemcellen, de bevruchting, de kweek van de verkregen embryo's en de morfologische evaluatie ervan alsmede de cryobewaring van de embryo's.

De ziekenhuizen hebben vragen bij het retroactieve karakter van de terugbetaling. Worden vrouwen, bijvoorbeeld, die nu aan hun derde cyclus toe zijn, terugbetaald voor de huidige en voor de vijf komende cycli of zullen de voorbije cycli retroactief worden terugbetaald? Met andere woorden, heeft een patiënte die vóór 1 juli in behandeling was, recht op zes nieuwe terugbetaalde cycli of worden de cycli van vóór 1 juli ook terugbetaald?

Mijn tweede vraag is algemener. Wordt sedert 1 juli 2003, datum waarop het koninklijk besluit van 4 juni in voege trad, een stijging van het aantal aanvragen voor in-vitrobevruchtingen vastgesteld?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De nieuwe regeling is niet retroactief. De tellers zullen op 1 juli 2003 op nul worden gezet en de patiënten krijgen vanaf die datum zes cycli terugbetaald, welke behandelingen ze voordien ook ondergingen.

Ik beschik nog niet over officiële gegevens over een eventuele toename van het aantal aanvragen. Ik wacht daarvoor op de jaarverslagen 2003 van de ziekenhuizen die in de loop van 2004 zullen verschijnen. Uit steekproeven blijkt evenwel dat het aantal aanvragen sinds juli wel degelijk gestegen is.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - We wachten met belangstelling de verslagen af. Heeft de minister enig idee in welke mate het aantal aanvragen sedert 1 juli is toegenomen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik heb daarvan geen enkel idee.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Landsverdediging over «de modernisering van twee Falcon 20-vliegtuigen van het Belgisch leger bij de firma Dassault» (nr. 3-48)

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - De Belgische Staat laat de twee Falcon 20-vliegtuigen van het leger voor ruim 15,5 miljoen euro moderniseren. Het contract werd begin oktober toegewezen aan de firma Dassault. De vliegtuigen werden in 1972 bij dezelfde firma aangekocht. Het gaat om zakenjets die plaats bieden aan 8 personen. Bovenop de modernisering van de navigatieapparatuur en de elektronica en de revisie van de twee motoren wordt ook nog een miljoen euro betaald voor een grote onderhoudsbeurt.

De modernisering van de dertig jaar oude vliegtuigen is van geen enkele militaire betekenis. De zakenjets worden voornamelijk gebruikt voor de verplaatsing van leden van de Belgische regering bij officiële aangelegenheden. Ook daarvoor zijn de Falcon 20-toestellen niet onmisbaar vermits het leger over een degelijk alternatief beschikt, namelijk de vier bij het Braziliaanse Embraer bestelde zakenjets die meer dan 8 personen kunnen vervoeren en die modern zijn ingericht. Sinds 1996 beschikt het leger ook over een luxueuze Falcon 900 die plaats biedt aan 12 personen en die perfect beantwoordt aan de noden van modern en comfortabel passagiersvervoer.

Het besluit tot modernisering van de stokoude Falcon 20-toestellen wordt in legerkringen als eigenaardig bestempeld en zelfs sterk betwist, vooral nu de krijgsmacht te kampen heeft met zware budgettaire problemen en overal moet bezuinigen om ruimte te creëren voor de uitbouw van een modern leger. In dergelijke omstandigheden getuigt het van weinig realisme 15,5 miljoen euro te besteden aan de modernisering van vliegtuigen die op de tweedehandse markt nog minder dan 5 miljoen euro waard zijn.

Waarom werd door de minister besloten om de Falcon 20-vliegtuigen te moderniseren en waarom werd niet naar goedkopere alternatieven uitgekeken?

Vindt de minister het noodzakelijk dat de Belgische krijgsmacht beschikt over zeven zakenjets met beperkte passagierscapaciteit, die voornamelijk worden ingezet voor het vervoer van leden van de Belgische regering?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Vooraleer het dossier van de modernisering van de Falcon 20 werd afgerond, werden de mogelijke alternatieven wel degelijk grondig onderzocht: ofwel de Falcontoestellen moderniseren ofwel nieuwe of tweedehands vliegtuigen voor personenvervoer van hetzelfde of een gelijkaardig type aankopen.

Er werden dus meerdere alternatieven met de bijhorende kostenraming naar voren gebracht. Uiteindelijk heeft de ministerraad beslist om te kiezen voor een modernisering van de Falconvliegtuigen. Deze optie bood immers goede garanties inzake de conformiteit met de geldende en toekomstige luchtvaartreglementeringen (navigatiehulpmiddelen, communicatie, lawaaihinder enzovoort), de actieradius, het comfort van de passagiers...

De zeven jets van Defensie bieden door hun verschillende technische kenmerken (vliegbereik, aantal passagiers, comfort) de mogelijkheid om voor elke opdracht het meest geschikte toestel in te zetten. De toestellen worden niet alleen ingezet voor opdrachten voor de Belgische overheid, maar ook als verbindingsvliegtuigen voor Defensie (aflossingen personeel in operaties, vervoer van depannageploegen, ...), en voor opdrachten voor de overheden van de NAVO, de EU en Luxemburg.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Ik heb er geen bezwaar tegen dat leden van de Belgische regering zich verplaatsen met een vliegtuig van Defensie. Evenmin stoort het mij dat dit in hedendaagse, moderne toestellen gebeurt.

Het is echter wel een slag in het gezicht voor de vele militairen die elke dag bezuinigingsinspanningen moeten doen. De minister heeft mij er niet van kunnen overtuigen dat het hier niet om luxe-uitgaven gaat. Binnenkort zijn er meer privé-vliegtuigen dan regeringsleden.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Staf Nimmegeers aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de erkenning van de voetverzorgers» (nr. 3-69)

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Het koninklijk besluit van 15 oktober 2001 legt de vereisten vast voor de uitoefening van het beroep van podoloog of voetverzorger. Een van de wettelijke vereisten is de graduaatopleiding. Aangezien die opleiding in België nog maar enkele jaren bestaat, voldoen de meeste praktiserende podologen niet aan die voorwaarde. Volgens de beroepsvereniging voor podologen, de vzw MEDIS, zouden maar 250 van de 4000 voetverzorgers in België voor een erkenning in aanmerking komen. Een overgangsmaatregel in artikel 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt nochtans dat praktiserende voetverzorgers zonder graduaatdiploma een erkenning kunnen bekomen op basis van drie jaar activiteit. Het koninklijk besluit dat de concrete uitvoeringsmodaliteiten van die overgangsmaatregel vastlegt, zoals de wijze waarop het bewijs van de activiteit moet wordt geleverd, blijft achterwege.

Het koninklijk besluit van 10 maart 2003 stipuleert dat voor bepaalde podologische verstrekkingen - bijvoorbeeld voor houders van een diabetespas - een terugbetaling door het RIZIV mogelijk is. De podoloog of voetverzorger moet erkend zijn door het RIZIV, dit wil zeggen dat hij of zij een graduaatopleiding moet hebben gevolgd. Van een overgangsmaatregel is geen sprake. Slechts een honderdtal voetverzorgers komen in aanmerking voor de RIZIV-terugbetaling.

Het is onbegrijpelijk dat personen die al jaren het beroep van podoloog in de paramedische betekenis uitoefenen, niet de kans krijgen snel wettelijk erkend te worden, waardoor hun patiënten geen terugbetaling van het RIZIV kunnen krijgen.

Hoever staat het met het uitwerken van het koninklijk besluit voor de wettelijke erkenning van de praktiserende podologen, die wel over voldoende ervaring, maar niet over het graduaatdiploma beschikken?

Komt er spoedig een overgangsmaatregel voor de vele patiënten die reeds jaren een beroep doen op een praktiserende podoloog zonder graduaatopleiding, zodat ook zij recht hebben op de terugbetaling door het RIZIV?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Artikel 54ter van het koninklijk besluit 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt dat kan worden afgeweken van de toegangsvoorwaarden voor het uitoefenen van de podologie voor de personen die op het moment waarop de lijst van de prestaties gepubliceerd wordt sinds ten minste drie jaar die prestaties of handelingen uitvoeren. Die personen mogen hun activiteit blijven uitoefenen in dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen, die zulke prestaties of handelingen uitvoeren.

Voor de podologie werd die lijst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 december 2001.

Het koninklijk besluit voorziet eveneens dat de Koning de procedure zal bepalen volgens dewelke de uitvoering van de prestaties wordt bewezen. Enkel op basis van dat koninklijk besluit is het mogelijk om die personen een attest te bezorgen in verband met handelingen of prestaties die zij mogen uitvoeren. Het betrokken ontwerp van koninklijk besluit is voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Zodra dat advies ter beschikking is, zal het besluit onverwijld voor ondertekening aan de Koning worden voorgelegd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met de Bijlagen I tot en met XVII, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 18 november 2002 (Stuk 3-215)

Algemene bespreking

De heer Pierre Galand (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-215/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap en het Europees ruimte-agentschap betreffende de bescherming en de uitwisseling van geclassificeerde informatie, gedaan te Parijs op 19 augustus 2002 (Stuk 3-285)

Algemene bespreking

De heer François Roelants du Vivier (MR), rapporteur. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft dit ontwerp behandeld.

De vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verwees naar de memorie van toelichting. De voorzitter merkte op dat het een zeer belangrijk ontwerp betreft, hoewel het zeer technisch is. Het regelt immers de veiligheidsmachtigingen voor gegevens die circuleren in het kader van het Galileo-project. De artikelen 1 en 2 en het wetsontwerp in zijn geheel werden eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

In eigen naam wil ik wijzen op het belang van dit akkoord, zowel voor ons land als voor de ontwikkeling van het beleid inzake de Europese ruimte.

Vandaag kunnen immers alleen ondernemingen uit landen die deel uitmaken van een gemeenschappelijk geclassificeerd informatiesysteem of PSI (Public Services International) antwoorden op geclassificeerde offerteaanvragen. Het gaat om Frankrijk, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Zweden en Nederland.

Ons land maakt geen deel uit van dat systeem. De aanwezigheid van de zeven genoemde landen is historisch. Aanvankelijk waren de Europese Commissie noch het Europees Ruimte-Agentschap, ESA, uitgerust met juridische instrumenten om geclassificeerde informatie te beheren. Dat geldt nog steeds voor de Europese Commissie.

Het beheer van de geclassificeerde delen van de contracten werd dan ook toevertrouwd aan de lidstaten van de Europese Unie waarin de ondernemingen gevestigd zijn die de geclassificeerde informatie moeten verwerken. Zo vloeit bijvoorbeeld de technologie van Galileo voort uit GPS (US Global Positioning System), ontwikkeld door het DoD (US Department of Defense), en trekt het dus een aantal gevoelige aspecten aan omtrent de veiligheid van de Staten. Oorspronkelijk waren dat vier Staten, maar die Staten waren toevallig met elkaar gebonden door verdragen inzake veiligheid die de uitwisseling van geclassificeerde informatie toeliet.

Sedertdien hebben zich andere Staten bij die vier gevoegd, in de mate dat toeleveringsovereenkomsten werden gesloten. Om te kunnen antwoorden op offerteaanvragen moet het land waarin de kandiderende onderneming gevestigd is, met de zeven landen van de PSI een verdrag inzake veiligheid hebben gesloten. België en Noorwegen proberen dat thans.

De doelstelling is om op korte termijn geclassificeerde informatie te beheren in ESA, want dat agentschap geeft de industriële contracten door. Dat zou nog makkelijker gaan als alle of de meeste lidstaten van ESA het akkoord inzake veiligheid zouden ratificeren. Vandaag kunnen landen die geen band hebben met de PSI, zoals België, niet antwoorden op geclassificeerde offerteaanvragen. Het is niet duidelijk of dat voor alle contracten geldt, maar als het zo is, komt dat bijna neer op een hold-up van de Club van de Zeven op de contracten van Galileo.

Het akkoord zal ESA, als zijn raad ermee instemt, waarschijnlijk toelaten duoprogramma's te beheren in het kader van de tweede pijler van de Unie.

Een dergelijke evolutie is uiteraard wenselijk in het kader van de internationale competitie inzake ruimtevaart, een gebied waarin de Verenigde Staten zich, dankzij het akkoord inzake defensie, het leeuwendeel toe-eigenen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-285/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn, en met de Slotakte, gedaan te Parijs op 3 april 2001 (Stuk 3-231)

Algemene bespreking

De heer Patrick Hostekint (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Ik verwijs naar het verslag, maar ik wil toch ook nog een opmerking maken.

De Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn wordt vooral gedomineerd door Frankrijk, de grootste wijnproducent ter wereld. De kleine wijnproducenten en vooral de ontwikkelingslanden komen nauwelijks aan bod. De commissie vraagt de Belgische regering om binnen die organisatie de belangen van de kleine wijnproducenten in de ontwikkelingslanden beter te behartigen.

De heer Hugo Coveliers (VLD). - Het is twintig over vijf, de pers is weg! Vorige week hebben sommigen zich ingebeeld dat ik hier een uiteenzetting over Costa Rica zou houden. Het betoog dat ik had voorbereid heb ik niet kunnen houden omdat de heer Mahoux na twee uur debat vroeg om het wetsontwerp over Costa Rica terug te verwijzen naar de commissie. De volgende dag las ik in de krant dat ik hier een reisbrochure over Costa Rica had voorgelezen. Ik heb afgeleerd te reageren op alles wat in de media verkeerd wordt weergegeven, want dat is een dagtaak en dat kan ik er echt niet meer kan bijnemen.

Intussen is wel mijn interesse voor verdragen gewekt, dus ook voor voorliggend ontwerp. Het siert de rapporteur dat hij zich niet heeft beperkt tot de verwijzing naar het verslag. De Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn wordt inderdaad sterk beheerst door Frankrijk. Wetende hoeveel Italiaanse wijn er wordt geconsumeerd, vooral in België, vooral in Brussel en vooral in en rond de Wetstraat, verbaas ik mij erover dat de officiële talen in de betrokken middens het Frans, het Engels en het Spaans zijn.

Aanvankelijk heette de organisatie Het Internationaal Wijnbureau of Office international du Vin. Aanvankelijk waren er acht leden, maar nu zijn het er zesenveertig. De naam van de organisatie werd al gewijzigd in `het Internationaal Bureau voor Wijnstok en Wijn' of `Office international de la Vigne et du Vin'.

De lidstaten konden het verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn tussen 4 april en 31 juli 2001 ondertekenen. In de memorie van toelichting staat een cryptisch zinnetje: "Gezien dit verdrag om redenen van interne procedures niet ondertekend werd binnen de afgesproken termijnen, zal de toetreding moeten gebeuren onder toepassing van artikel 14 van het verdrag, namelijk, elke lidstaat van het Internationaal Bureau voor Wijnstok en Wijn die dit verdrag niet ondertekend heeft binnen de voorgeschreven termijn kan te allen tijde tot het verdrag toetreden". Waarom is dat zinnetje zo belangrijk? Om financiële redenen natuurlijk. Bij latere toetreding moet een toetredingsbijdrage worden betaald.

Ik wil iedereen aanraden de bijlage I bij het verdrag aandachtig te lezen, want daar vindt men de formule voor de vastlegging van de coëfficiënt van iedere lidstaat. Ze is vrij ingewikkeld, althans voor mij, maar de parameters ervan kan ik wel opsommen: de gemiddelde productie van wijnen en equivalenten, de gemiddelde totale oppervlakte van de wijngaarden gedurende de laatste drie gekende jaren en - dit is wel heel bijzonder - de gemiddelde schijnbare consumptie van wijn en wijnequivalenten gedurende de laatste drie gekende jaren. Op basis van die parameters wordt de bijdrage vastgelegd, die moet worden betaald, naast wat men noemt "de specifieke financiering van de talen". Vermoedelijk gaat het over het Frans, het Spaans en het Engels, want andere talen worden in de vereniging niet gebruikt.

Collega Hostekint heeft heel terecht opgemerkt dat de leden niet automatisch stemrecht krijgen in de vergadering. Artikel 4 van het verdrag luidt: "Elk lid stelt vrij het aantal van zijn afgevaardigden vast, maar beschikt slechts over twee basisstemmen..." - wat voor België al een probleem vormt, ik kom daar dadelijk op terug - "... plus, in voorkomend geval een aantal extra stemmen berekend aan de hand van objectieve criteria die de relatieve positie van iedere lidstaat in de wijnbouwsector bepalen onder de voorwaarden bepaald in de bijlagen I en II, die een integrerend deel van dit verdrag vormen. Het totaal van deze twee cijfers vormt het aantal gewogen stemmen. De coëfficiënt voor de vaststelling van de positie van iedere lidstaat in de wijnbouwsector wordt periodiek geactualiseerd overeenkomstig de bepalingen in bijlage I."

Het lijkt me evident dat, mocht België twee stemmen krijgen, wij zullen vechten om er minstens een voor Vlaanderen te krijgen. De SP.A zal op dat moment moeten kiezen of ze met ons meedoet of met de Walen!

Als volgens de coëfficiënt ons land een bijkomende stem krijgt, dan wil ik hier een lans of liever een wijnstok breken voor Vlaanderen en meer bepaald voor het Hageland. Reden is dat in de memorie van toelichting van het ontwerp houdende instemming van het verdrag daar naar wordt verwezen. We lezen daar namelijk dat het lidmaatschap van België wordt verantwoord door de stijgende belangstelling "wegens de productie van tafeldruiven, de aanwezigheid van een groot aantal marktdeelnemers en een begin van wijnproductie". In de tekst wordt overigens nog opgemerkt dat de oorsprongsbenaming `Hagelandse wijn' en `Haspengouwse wijn' eigenlijk te danken is aan dit verdrag. Ik neem aan dat de ministers de berekening al lang gemaakt hebben en dat ze perfect weten hoeveel wijn er in dit land wordt gemaakt. Ik wed dat zij het dan ook evident vinden dat een eventuele derde stem intuitu personæ aan de meeste bekende wijnbouwers van ons land wordt toegekend. Ik kan me niet indenken dat we dit voorrecht aan iemand anders toekennen dan aan de weinige wijnbouwers die we hebben.

Naar goede gewoonte van de VLD-fractie, hebben we ook dit verdrag op zijn positieve en negatieve kanten beoordeeld. Ik probeer overigens elke glimlach te onderdrukken om te vermijden dat de komende dagen alleen nog mijn glimlach op de televisie komt. Er zijn inderdaad positieve kanten aan het verdrag. Zo vermeldt punt 7 van artikel 5 van hoofdstuk IV over het besluitvormingsproces het volgende: "De samenstellende organen van de Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn functioneren op een open en transparante wijze." Het is bijzonder prettig te vernemen dat ook die organisatie zo duidelijk voor openheid en transparantie kiest.

Naast de vraag of de bepaling van de stemvoorwaarden de toetsing aan het non-discriminatieprincipe doorstaat, rijst hier ook een bevoegdheidsprobleem. Wijn en wijnbouw horen volgens mij thuis bij de landbouw, een materie die we gedefederaliseerd hebben naar de gewesten. Tot mijn verbazing maakt de tekst op geen enkele manier melding van een raadpleging of een instemming van de gewesten, tenzij in de passage over interne procedures.

De VLD-fractie roept iedereen op het verdrag te ondertekenen. We moeten inderdaad de wijn en de wijnstok verdedigen, maar zoals de heer Hostekint al opmerkte, mag de organisatie niet overheerst worden door het Frans. Sinds vorige week weten we hoe lastig dat kan zijn. Onze coëfficiënt, ons wijnvolume en vooral ons schijnbaar wijnverbruik zijn meer dan groot genoeg om een derde stem op te eisen. Naast een stem voor Vlaanderen en een voor Wallonië, moet de derde stem gaan naar de wijnbouwer bij uitstek, namelijk die uit het Hageland. Hij verdient een stem in de Organisatie voor Wijnstok en Wijn.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-231/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met de Bijlagen I tot en met XVII, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 18 november 2002 (Stuk 3-215)

Stemming 2

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap en het Europees ruimte-agentschap betreffende de bescherming en de uitwisseling van geclassificeerde informatie, gedaan te Parijs op 19 augustus 2002 (Stuk 3-285)

Stemming 3

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnstok en Wijn, en met de Slotakte, gedaan te Parijs op 3 april 2001 (Stuk 3-231)

Stemming 4

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 27 november 2003 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsontwerp houdende opheffing van het verval van sommige wetsontwerpen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 3-311/1 tot 3.

Evocatieprocedure:

Wetsontwerp houdende opheffing van het verval van sommige wetsontwerpen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet; Stuk 3-312/1 tot 3. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van Locarno tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, en met de Bijlage, ondertekend te Locarno op 8 oktober 1968 en gewijzigd op 28 september 1979; Stuk 3-194/1 tot 3. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Costa Rica inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 26 april 2002; Stuk 3-195/1 tot 3. (Pro memorie)

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vraag om uitleg van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "het Executief van de moslims van België" (nr. 3-46).

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De heer Roelants du Vivier heeft gisteren een vraag om uitleg ingediend over de toestand inzake de mensenrechten in Iran.

Aangezien deze vraag betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de vraag nr. 41 van de heer Brotcorne, stel ik voor ze aan onze agenda toe te voegen.

De minister geeft een gemeenschappelijk antwoord op de twee vragen. (Instemming)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de aanvangswedden en de anciënniteit van de referendarissen bij de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg» (nr. 3-37)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De wetgever heeft de gerechtelijke functie van referendarissen bij de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg onlangs ingevoerd blijkens diverse bepalingen in het Gerechtelijk Wetboek.

Het eerste examen dienaangaande werd ingericht door de Hoge Raad voor de Justitie. In het Belgisch Staatsblad van 10 april 2003 verscheen de rangschikking van de laureaten van het wervingsexamen voor referendarissen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg. Bij de Nederlandstaligen waren er 14 geslaagden, bij de Franstaligen 36.

De aanvangswedde voor die referendarissen werd vastgesteld op het niveau van de gerechtelijke stagiairs, zijnde 2.209,96 euro bruto per maand.

Het is voor Justitie belangrijk dat als referendaris zeer bekwame juristen met belangwekkende ervaring worden aangeworven. Daar dient een billijke vergoeding tegenover te staan.

Met de jaren anciënniteit en de professionele ervaring verworven in de advocatuur of in de functie van jurist in de openbare of particuliere sector, werd evenmin rekening gehouden. Bij magistraten daarentegen werd de aanvangswedde van de rechters die uit de particuliere sector overkwamen met terugwerkende kracht aangepast. Zo werd bijvoorbeeld voor de rechters die in de fiscale kamers werden benoemd, met terugwerkende kracht rekening gehouden met hun ervaring, ook in de particuliere sector.

Acht de minister het wenselijk de aanvangswedde van de referendarissen te verhogen opdat zeer bekwame juristen met belangwekkende ervaring zouden kandideren voor deze job?

Acht de minister het aangewezen de anciënniteit van de kandidaten, verworven in de advocatuur of in de functie van jurist in de openbare of particuliere sector, in rekening te brengen bij de bezoldiging van de referendarissen?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De aanvangswedde van de parketjuristen en referendarissen is gebaseerd op de aanvangswedde van startende ambtenaren van niveau 1 in overheidsdienst. Aan parketjuristen en referendarissen enerzijds en aan beginnende adjunct-adviseurs anderzijds, wordt een beginwedde uitgekeerd van 20.705,34 euro per jaar. Het gaat om loonschaal 10/A.

De gelijkschakeling met de rijksambtenaren lijkt mij volkomen logisch. Het gaat immers om een ondersteunende functie die wordt uitgeoefend door een houder van een universitair diploma. Voor juristen wordt een diploma van licentiaat in de rechten vereist. In geen van de twee gevallen wordt een bijzondere ervaring vereist.

In de loop van de voorbije jaren heeft men begrepen dat de wedde goede en ambitieuze juristen kan aantrekken. Talrijke beginnende stagedoende advocaten krijgen inderdaad een jaarwedde die beduidend lager ligt dan die van een ambtenaar van niveau 1. Voor vele jonge juristen is de keuze zeer eenvoudig. Bovendien nemen vele jongeren die gelegenheid te baat om een loopbaan in de magistratuur aan te vatten. Hun activiteit wordt trouwens beschouwd als een juridisch ambt in de zin van artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek. Na een jaar kunnen de juristen al het examen afleggen dat toegang geeft tot de gerechtelijke stage. Die geeft op zijn beurt, na achttien maanden of na drie jaar, toegang tot de magistratuur. Dat betekent concreet dat die juristen, na tweeënhalf jaar, parketmagistraat kunnen worden en dat die jaren meetellen als nuttige dienstjaren. Die juristen hebben ook recht op een aanvangswedde van 38.793,6 euro, een aanzienlijke weddeverhoging dus. Wie kiest voor een loopbaan in de zetel krijgt die verhoging na vier jaar.

Daarmee willen we bekwame juristen al vanaf de eerste jaren aantrekken. Er is dan ook geen enkele reden om nu de aanvangswedde van de referendarissen te verhogen of enige anciënniteit in aanmerking te nemen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Dit is natuurlijk schitterend nieuws voor jonge kandidaten, maar niet voor oudere kandidaten die zich flexibel opstellen en misschien iets anders willen doen dan referendaris worden om zo snel mogelijk te kunnen overstappen naar het parket of naar de magistratuur. Zij willen misschien gewoon een ondersteunende rol spelen bij de juridische besluitvorming en dat schema voorziet niet in die mogelijkheid.

Als de regering wil dat wij haar actie voor werkgelegenheid voor de oudere generaties ernstig nemen, dan moet zij dit probleem opnieuw bekijken. In de loop van de komende maanden zal nog over de verschillende functies van gedachten worden gewisseld en zullen wij de gelegenheid krijgen hierop terug te komen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de neerlegging ter griffie en het nazicht door de procureur des Konings van de registers van burgerlijke stand» (nr. 3-43)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Artikel 40 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de akten van de burgerlijke stand in iedere gemeente worden ingeschreven in een of meer in dubbel gehouden registers.

Artikel 43 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de registers van burgerlijke stand door de ambtenaar van de burgerlijke stand worden afgesloten op het einde van ieder jaar en dat binnen een maand het ene dubbel wordt neergelegd in het archief van de gemeente en het andere ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

De verplichting van neerlegging ter griffie is bedoeld omwille van de controlefunctie van het Openbaar Ministerie. Overeenkomstig artikel 53 van het Burgerlijk Wetboek is de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg namelijk gehouden de staat van de registers na te zien, wanneer die ter griffie worden neergelegd.

Aan de procureur des Konings is door laatstgenoemde bepaling opgedragen om na dit nazicht een beknopt proces-verbaal van het onderzoek op te maken en, in voorkomend geval, de door de ambtenaren van de burgerlijke stand begane overtredingen of misdrijven aan te klagen en tegen hen veroordeling tot geldboete te vorderen.

Het is evenwel niet duidelijk of in de praktijk die wettelijke verplichtingen nog terdege worden opgevolgd.

In hoeverre worden genoemde registers door de steden en gemeenten nog neergelegd?

In hoeverre oefent de procureur des Konings zijn controlefunctie nog uit en waaruit bestaat die dan precies? Zijn er verschillen tussen de gerechtelijke arrondissementen? Werden de wettelijk vereiste processen-verbaal opgesteld?

Indien de wettelijke verplichtingen niet of niet geheel meer worden uitgevoerd, om welke redenen gebeurt dat dan en wat zijn de mogelijke gevolgen, onder meer op het gebied van de aansprakelijkheid van de Staat of de bestraffing van begane misdrijven?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Mijn diensten hebben er geen kennis van dat de neerlegging van de registers van de burgerlijke stand ter griffie, zoals bedoeld in artikel 43 van het Burgerlijk Wetboek, niet meer zou worden verricht, noch dat de procureurs des Konings hun controlefunctie niet meer zouden uitoefenen. Wel integendeel.

Volgens de eerste informatie waarover ik beschik, zou die opdracht uitgevoerd worden door het parket. Ik zend niettemin de door u gestelde vragen over aan de gerechtelijke overheden teneinde er zeker van te zijn dat dit in alle arrondissementen het geval is.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opsluiting van geïnterneerden in de gevangenissen» (nr. 3-26)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ondanks herhaalde berispingen van internationale en nationale instanties, kritiek van belangengroepen zoals de vzw Opvang Tekort, blijft de positie van geestesgestoorde delinquenten zorgwekkend. Het debat sleept al meer dan twintig jaar aan, maar er is heel weinig vooruitgang. We hebben dat onlangs nog kunnen vaststellen bij ons bezoek aan de instelling van Merksplas. Ongeveer 80% van de geïnterneerden die daar in een gevangenissfeer opgesloten zijn, heeft van de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij de toelating om te verhuizen naar een psychiatrische instelling waar ze een behoorlijke behandeling kunnen krijgen. Dat betekent dat 80% van de gevangenen daar niet op zijn plaats is. Ondertussen formuleert de minister voorstellen in verband met de voorlopige hechtenis om de capaciteit in de overbevolkte gevangenissen te verbeteren. Misschien kan de minister mij straks het juiste cijfer geven, maar er zouden onmiddellijk 700 tot 800 plaatsen kunnen vrijkomen mocht de situatie van de geestesgestoorde delinquenten op een behoorlijke wijze worden aangepakt

Zo heeft het Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling van de Raad van Europa al meermaals kritiek geuit op de Belgische situatie. In zijn rapport van 1997 heeft het een hele reeks toestanden aangeklaagd.

Honderden van deze mensen zijn in onze gevangenissen opgesloten voor feiten waarvan zij zelf de draagwijdte niet begrijpen en krijgen geen aangepaste verzorging.

In 1997 werd er reeds gepleit voor een nieuwe structuur voor de acht psychiatrische afdelingen in België, aangezien ze hun wettelijke opdracht, namelijk de observatie van gedetineerden onder aanhoudingsbevel, tot dusver nooit volledig hebben kunnen vervullen.

Verder pleitte de internationale Commissie voor `adequate medische voorzieningen voor de behandeling en de begeleiding van geïnterneerden'. De Commissie stelt een partnerschap tussen Justitie en Volksgezondheid en een geïntegreerd en gediversifieerd netwerk voor ambulante en residentiële behandeling voor. Voor de begeleiding van de geïnterneerde moet een prestatieverbintenis worden uitgewerkt, waarin de rechten en de plichten van de geïnterneerde, de therapeut of de therapeutische instelling.

We hebben inderdaad een grote frustratie vastgesteld bij mensen die wel degelijk beseffen dat ze recht hebben op een psychiatrische behandeling, maar ze niet krijgen. Ze vragen een persoonlijk stappenplan om hun situatie te verbeteren.

Aangezien het veiligheids- en strafuitvoeringsbeleid een federale materie is en hulp- en dienstverlening aan gedetineerden een gemeenschapsmaterie, is er voor een degelijke uitbouw van de opvang en begeleiding van geïnterneerden samenwerking nodig tussen de bevoegde diensten van de federale en van de gemeenschapsoverheid.

Daarom werd er op 26 maart 2001 een protocolakkoord gesloten tussen de toenmalige ministers van Justitie en van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, houdende de krachtlijnen van verdere samenwerking op het grensgebied welzijn en justitie. Specifiek voor de geïnterneerden namen beide ministers toen de beslissing `deze problematiek grondig aan te pakken'. Er zouden zorgcircuits worden ontwikkeld voor de opvang, met voldoende psychiatrische eenheden binnen de structuur van meerdere psychiatrische klinieken. Er zouden terzake samenwerkingsakkoorden worden gesloten, onder meer om `te zorgen voor een betere toegang van geïnterneerden met een mentale handicap tot de voorzieningen van het Fonds voor Sociale Integratie van personen met een handicap'.

In een door de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen besteld beleidsadvies van 10 juni 2002 aangaande de geïnterneerden met een mentale handicap in de gevangenissen werd volgende analyse gemaakt van de schrijnende toestand. Door de overbevolking van de psychiatrische afdelingen in de gevangenissen kan er enkel basiszorg worden gegeven. De psychologen en maatschappelijk werkers zijn daar hoofdzakelijk belast met adviesverlenende taken zodat er onvoldoende ruimte overblijft voor zorg. Er is een minimum aan paramedisch en verplegend personeel, maar dat is ontoereikend voor de specifieke problemen van de geïnterneerden. De doelgroep is in de praktijk meestal aangewezen op de penitentiaire beambten, die niet gekwalificeerd zijn voor de ondersteuningsbehoeften van mensen met een verstandelijke handicap.

Het aanbod aan activiteiten en dienstverlening is uitsluitend afgestemd op normaal begaafde mensen. Er is geen mogelijkheid tot elementaire communicatie. De personen van de doelgroep zijn vaak afhankelijk van medegedetineerden. Binnen de gevangenis zijn geïnterneerden met een mentale handicap een gemakkelijk doelwit voor pesterijen, manipulatie en intimidatie door andere gedetineerden. Dat is de analyse van de toestand uit het beleidsadvies van 2002.

Is er op dit ogenblik een beleidsdoelstelling? We weten dat er een grondig voorontwerp uitgewerkt is in verband met de internering van delinquenten met een geestesstoornis. In de vorige regeerperiode werd er ook een ontwerp ingediend. Is deze regering van plan een ontwerp in te dienen of zal de zaak opnieuw op de lange baan worden geschoven? Zal er opnieuw een rondetafel worden georganiseerd? Zal de bevoegdheidsafbakening opnieuw het grote probleem zijn?

Hoeveel geïnterneerden bevinden zich op het ogenblik in de Belgische gevangenissen?

Is er een specifieke opleiding voor het gevangenispersoneel om met psychisch gestoorde delinquenten om te gaan? Hoeveel psychologen en psychiaters houden zich in de Belgische gevangenissen met de groep in kwestie bezig?

Wanneer zal de minister werk maken van de samenwerkingsakkoorden die nodig zijn om het protocolakkoord van 26 maart 2001 integraal uit te voeren?

Is de minister bereid voor de opvang van geïnterneerde gevangenen ook federale middelen ter beschikking te stellen?

Zal de regering de ontwerpen indienen betreffende de internering van delinquenten met een geestesstoornis? Wanneer zal dat gebeuren? Wanneer kunnen ze in het parlement worden besproken en wanneer zal er in dat kader geld worden vrijgemaakt?

Voorziet de minister in specifieke maatregelen voor psychisch gestoorde minderjarigen die worden opgevangen in gemeenschapsinstellingen voor minderjarige criminelen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In Vlaanderen bevinden zich 473 geïnterneerden in instellingen ressorterend onder de FOD Justitie, psychiatrische annexen en afdelingen voor sociaal verweer en zijn er 90 geïnterneerden opgenomen in psychiatrische klinieken.

In Wallonië bevinden zich 330 geïnterneerden in instellingen ressorterend onder de FOD Justitie, psychiatrische annexen en inrichtingen voor sociaal verweer te Paifve en zijn er 473 geïnterneerden opgenomen in de inrichtingen voor sociaal verweer ressorterend onder het Waals Gewest.

Het bewaarderspersoneel werkzaam in de psychiatrische annexen, in de instelling te Paifve en in de afdelingen voor sociaal verweer van Turnhout en Merksplas krijgt een vierdaagse basisopleiding die bestaat uit: een dag psychopathologie; twee dagen omgaan met problematisch gedrag; een halve dag omgaan met personen met een mentale handicap; een halve dag wetgeving en buitenlandse ontwikkelingen.

De instellingen onder de bevoegdheid van de FOD Justitie beschikken over een equivalent van 12,75 voltijdse psychiaters, 23,5 psychologen en 15,5 maatschappelijk assistenten die zich specifiek met de geïnterneerden bezighouden. Daarnaast zijn er nog de gespecialiseerde medewerkers van de gemeenschappen en de instellingen die ze subsidiëren in de instellingen voor geïnterneerden. De activiteiten voor de geïnterneerden verschillen naargelang van de instelling. Gelet op de tijd die mij werd gegeven voor mijn antwoord kon ik die niet allemaal in detail nagaan, maar ik heb mijn diensten met die opdracht belast en ik zal de resultaten later meedelen.

De problematiek van de geïnterneerden en de samenwerkingsakkoorden zullen worden geanalyseerd zodat het bewuste wetsvoorstel opnieuw kan worden ingediend. Met het aangenomen tijdschema moet dat lukken vóór het einde van het gerechtelijk jaar. Ik heb beslist thans bepaalde punten aan te pakken, inzonderheid de gezondheidszorg voor geïnterneerden. Daartoe worden de besprekingen gedecentraliseerd in de strafinrichtingen en de instellingen voor geïnterneerden. Wij willen tegen het begin van de lente een synthese krijgen van het geheel van de aangehaalde problemen in de strafinrichtingen in de ruime zin en terzake voorstellen formuleren, onder meer samen met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De kosten voor geïnterneerde gedetineerden vallen thans ten laste van de overheidsdienst Justitie. In het kader van externe, zorg subsidieert de Staat negentig bedden in drie psychiatrische ziekenhuizen. We werken samen met Sociale Zaken opdat die overheidsdienst eventueel een gedeelte van de kosten ten laste neemt.

De opvang van minderjarigen behoort tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Voor de minderjarigen die in Everberg zijn opgesloten, bestaan er al samenwerkingsakkoorden met die gemeenschappen. Die samenwerking geldt ook voor de personeelsleden van Everberg. Bij mijn recent bezoek aan dat centrum heb ik vastgesteld dat de dialoog tussen de gemeenschappen, enerzijds, en tussen de gemeenschappen en de federale Staat, anderzijds, optimaal lijkt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik apprecieer dat de minister er werk wil van maken. Ik meen echter dat we sneller moeten gaan. Er is al heel wat overleg geweest. De beleidslijnen liggen vast. Er is enkel de wil nodig om die uit te voeren. Onze fractie wil dan ook de tekst die in de vorige regeerperiode werd ingediend, enigszins gewijzigd, opnieuw indienen. We wensen daarover ook hoorzittingen. Wij willen dat in de Senaat het wettelijk kader daarvoor zo snel mogelijk wordt gerealiseerd. Als we moeten wachten op een rondetafel in het voorjaar, op het einde van het gerechtelijk jaar, en pas dan een nieuw wettelijk kader bespreken, dan staan we weer enkele jaren verder.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de kinderpornografie op het Internet» (nr. 3-49)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - In april 2003 heeft het Bundeskriminalamt in Duitsland de actie `HERAKLES' opgezet. Daarbij werden 57 verdachten opgepakt en werden er 72 PC's, 5.144 datadragers en 405 video's in beslag genomen. Uit dat onderzoek bleek dat via een computerprogramma een ruilbeurs met kinderpornografische bestanden werd aangeboden. In ons land stelt de wet van 13 april 1995 dergelijke zaken strafbaar. Ingevolge die actie in Duitsland werd eind september, onder leiding van het Landeskriminalamt van Sachsen-Anhalt, een internationale actie ondernomen tegen de aanbieders van kinderporno via het Internet. De actie kreeg de codenaam `Marcy' mee, naar het pseudoniem van een man uit Magdeburg, die via zijn eigen PC duizenden liefhebbers van kinderporno op hun wenken bediende. Tijdens de actie werden 26.500 daders geïdentificeerd.

Informatie over deze actie wekt de indruk dat België niet zou hebben deelgenomen aan `Marcy'. Nochtans namen niet minder dan 166 landen deel.

Klopt het dat de Belgische justitie niet deelnam aan `Marcy', en zo ja, wat is daar de reden voor?

Indien deze informatie klopt, zou dit enkel het hoogst bedenkelijke imago van België in het buitenland bevestigen. Enkele toonaangevende buitenlandse kranten verwezen na `Marcy' naar de zaak-Dutroux en zochten naar redenen voor de lange periode die verloopt tussen aanhouding en proces. Eén krant merkt verwijtend op dat nog steeds het vermoeden bestaat dat Dutroux enkel een schakel was in een netwerk waarvan ook hooggeplaatste Belgen deel zouden uitmaken. Uiteraard kan het niet-deelnemen aan gerechtelijke acties tegen kindermisbruikers enkel dat vermoeden bevestigen of versterken.

In dit land werd trouwens begin oktober nog een Luikenaar aangehouden die over meer dan 100 harde schijven - waarschijnlijk zogenaamde zip-schijven - beschikte, volgepropt met kinderporno. In dit geval kwam de tip opnieuw vanuit het buitenland en niet van eigen opsporingswerk. Het was inderdaad de Franse procureur van Puy-en-Velay die de Belgische instanties informeerde.

Welke inspanningen doet de Belgische justitie om kinderporno te bestrijden? Deze vraag berust vooral op de vaststelling dat de FCCU, de Federal Computer Crime Unit in 2000 zeven gevallen van kinderporno opspoorde en in het jaar 2001 22 internetadressen lokaliseerde waar kinderporno werd aangeboden. In 2003 waren er dat reeds 63. Dat zijn geen sites die naar een buitenlands adres leiden, maar websites of e-mailadressen met een Belgische extensie.

Vooral frustrerend voor de onderzoekers van de FCCU is - blijkens de verklaringen van een verantwoordelijke van FCCU - dat zij geen gegevens ontvangen over de opvolging van hun resultaten door de parketten. Ook de wetenschap dat een Brusselse substitute een tijd geleden verklaarde dat per jaar hooguit drie aanbieders van kinderporno, meestal videotheekuitbaters, worden vervolgd is niet bepaald bemoedigend voor de onderzoekers.

Welke kanalen bestaan er om uitwisseling van informatie tussen parketten en FCCU mogelijk te maken en welke mogelijkheden worden aan FCCU geboden om tot bij de minister te komen wanneer een parket geen gevolg geeft aan kinderpornozaken?

In België bestaan kinderpornoverspreiders die het internet gebruiken. Elke ontkenning daarvan zou misdadig dom zijn. Ik ben helemaal geen informaticus, maar het volstaat enkele sleutelwoorden in te tikken bij een zoekrobot, en daarmee even te surfen op het internet om terecht te komen op zogenaamde bulletin boards, waar ook e-mailadressen met de extensie `.be' te vinden zijn. Enkel het bezoeken van `boy-love.info/bbs' toont reeds aan dat het meest gore kindermisbruik handelswaar geworden is. Dat maakt de uitspraak van de justitieminister van Sachsen-Anhalt, Becker, oorverdovend: `Jeder Klick tötet eine Kinderseele'.

Enkele dagen geleden meldde de informaticus die voor mij het internet naspeurt op zoek naar kinderporno mij dat er een nieuwe website bestaat, `www.BoyBBS.com'. Die website staat bol van afbeeldingen van misbruikte minderjarige jongens die gedwongen worden te poseren voor internetmisdadigers. MSN, Microsoft Network, beschikt over een afdeling van internetgroepen. MSN sluit binnen de 24 uur elke groep af waarop kinderporno wordt aangeboden. Bestaat er overleg met Belgische providers, bijvoorbeeld om de toegang tot het Belgische net af te sluiten voor aanbieders van kinderporno? Als MSN dat kan, moeten ook Belgische providers dat kunnen. Ik raad de minister aan bijvoorbeeld het Windowsprogramma tracert (trace route) in te tikken. Dan kan ze vaststellen dat de site waarover ik het net had, vertrekt in Tampa, loopt via Washington en Londen, en terechtkomt in Brussel. Daar zorgt Belnet voor de verdeling over iedereen in België die op het internet is aangesloten. Het moet toch mogelijk zijn dergelijke poorten te sluiten? Als elke computerleek het spoor kan vinden, moet ook Justitie dat spoor kunnen vinden.

Welke concrete maatregelen overweegt de minister om de strijd tegen kinderpornografie niet langer over te laten aan hoogst dubieuze verenigingen als de werkgroep Morkhoven, maar om de parketten te wapenen en om ze te verplichten tot het uitwisselen van informatie met de aanbrengers van inlichtingen, bijvoorbeeld de FCCU?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De actie `Marcy' is bekend bij het federale parket, waar het dossier eenstemmig met de Federale Computer Crime Unit behandeld wordt. De informatie die de Duitse autoriteiten meedeelden wordt goed gebruikt. Omdat het onderzoek nog loopt kan ik hierover geen bijkomende details verstrekken.

In oktober 2003 werd inderdaad een persoon aangehouden in het gerechtelijke arrondissement Luik tengevolge van een huiszoeking waarbij cd-rom's met foto's van kinderpornografie in beslag werden genomen. Het onderzoek is nog steeds bezig.

De Federal Computer Crime Unit houdt toezicht op de internetsites en verwittigt de gerechtelijke instanties door het opmaken van processen-verbaal wanneer er laakbare feiten worden vastgesteld. Op basis van de circulaire col 12 van de procureurs-generaal zijn er in elk gerechtelijk arrondissement specifieke magistraten aangeduid voor het behandelen van zaken over mensenhandel en kinderpornografie. Zo is er in Luik bijvoorbeeld een magistraat die zich bezighoudt met mensenhandel en een magistraat die zich bezighoudt met kinderpornografie. Er wordt dus vast en zeker voldoende aandacht aan deze materie gehecht. In elk gerechtelijk arrondissement worden er op initiatief van deze magistraten minstens vier coördinatievergaderingen per jaar georganiseerd met onder meer één magistraat van het arbeidsauditoraat, en telkens één vertegenwoordiger van de lokale politie, van de federale politie en van de sociale en arbeidsinspectie. Tijdens die vergaderingen wordt alle informatie op het niveau van het gerechtelijke arrondissement meegedeeld en geanalyseerd. Er bestaat een protocol dat de samenwerking regelt op het vlak van de pedofiele pornografie tussen Child Focus en de politionele en gerechtelijke autoriteiten. In dezelfde zin hebben mijn collega's van de Franse Gemeenschap een eigen site opgestart met het oog op de opsporing en het aangeven van opgespoorde sites waarop pedofiele pornografie voorkomt. De magistraten van de parketten-generaal die zich specifiek met deze materie bezighouden, vergaderen met de magistraten van de diverse gerechtelijke arrondissementen die er ook mee bezig zijn. Deze materies staan als prioritair genoteerd in de beleidsnota en maken deel uit van het federale veiligheidsplan. Het is dus totaal verkeerd om te zeggen dat België niet actief betrokken is bij het onderzoek naar en de repressie van deze specifieke informatie omdat er geen specifieke communicatiekanalen zijn om een maximale verspreiding van de informatie te garanderen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik apprecieer het antwoord van de minister, maar ik kan toch niet om de buitenlandse kranten heen, die zeggen wat de minister ook zelf zegt, namelijk dat we op de hoogte zijn van de operatie `Marcy', maar dat België niet deelnam aan die operatie, terwijl 166 landen dat wel deden. Dat is een belangrijk onderscheid.

Met alle respect voor de sociale medewerkers van alle politiediensten, wil ik er toch op wijzen dat het internet een zeer specifieke materie is. Is er geen mogelijkheid om op het kabinet van Justitie informaticaspecialisten rond de tafel te brengen en te vragen hoe men de toegangspoorten tot het internet via Belnet kan sluiten zodat dergelijke vunzigheden ons bespaard blijven?

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opstelling van een nationaal actieplan inzake de rechten van het kind» (nr. 3-52)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Tijdens de speciale zitting van de Verenigde Naties in mei 2002 hebben de beleidsmakers van de internationale gemeenschap een Wereldactieplan voor kinderen aangenomen. Ook de Belgische regering heeft dit Wereldactieplan onderschreven en heeft zich op die manier geëngageerd mee te werken aan een nationaal actieplan tegen eind 2003.

De opstelling van een nationaal actieplan is tevens een belangrijke en dringende stap naar een overkoepelend beleid op federaal vlak betreffende de rechten van het kind.

Ik heb vorige week een vraag gesteld over het jaarlijkse verslag van de federale regering inzake kinderrechten. De minister verwees toen al naar de redactie van dit nationale actieplan. Niettemin heb ik een aantal concrete vragen hierover. Ik verwijs ook naar de vragen van collega de T' Serclaes, die niet aanwezig kon zijn.

Hoe ver staat het met de opstelling van een Belgisch nationaal actieplan inzake de rechten van het kind?

Wat zullen de krachtlijnen zijn van dit actieplan?

Wie coördineert de opvolging van het nationale actieplan en de andere initiatieven voor een federaal kinderrechtenbeleid?

Welke personen of organisaties zijn bij de opstelling van dit nationale actieplan betrokken en op welke manier? Ik heb het dan speciaal over de kinderrechtencommissarissen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap, de niet-gouvernementele organisaties die de opvolging van het kinderrechtenverdrag en de promotie en ondersteuning van de rechten van het kind in ons land tot doelstelling hebben, de kinderen en jongeren zelf.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Zoals ik vorige week al heb meegedeeld, werd slechts één werkgroep opgericht om tegemoet te komen aan de vereisten van de Verenigde Naties en de vereisten van de wet van 4 september 2002 in verband met het indienen van een jaarlijks rapport. Het is namelijk de bedoeling het overleg en de coherentie van het nationaal actieplan, dat zich nog in de oprichtingsfase bevindt, te optimaliseren.

De meeste ministeriële departementen hebben een contactpersoon aangesteld. Die personen zijn op 25 september en op 17 november 2003 samengekomen in de FOD Justitie. Er werd een gezamenlijke werkmethodologie vastgelegd.

De departementen werd gevraagd, binnen hun bevoegdheidsdomeinen, hun strategische doelstellingen inzake kinderrechten vast te leggen. Sommige federale departementen moeten die doelstellingen nog definiëren.

De gemeenschappen zijn daar vroeger mee begonnen. Ze beschikken al over een coördinatiemechanisme en konden die eerste werkfase dus al afronden.

Tijdens de tweede fase zullen de prioriteiten van het actieplan worden geanalyseerd. Hierna zal een consensus over de krachtlijnen van het actieplan worden ontwikkeld. Deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door twee commissies die binnen de werkgroep opgericht worden; ze zullen op 25 november en op 4 december 2003 bijeenkomen.

De coördinatie gebeurt momenteel door de FOD Justitie. Eens de Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind zal zijn opgericht, zal ze een belangrijke rol vervullen bij deze coördinatie.

Alle departementen die bevoegdheden hebben op het vlak van de kinderrechten, zijn lid van werkgroep die belast is met het uitwerken van het actieplan. Ook experts kunnen erbij worden betrokken. Het actieplan zal worden voorgelegd aan de NGO's die samengesteld zijn uit vertegenwoordigers van de burgermaatschappij en derhalve zijn er ook kinderen bij. Om praktische redenen en wegens de tijdsindeling, opteerde de werkgroep ervoor om de kinderen er niet actiever bij te betrekken.

Ik heb de indruk dat nog enige verduidelijking wenselijk is.

De werkgroep heeft dus een werkmethodologie vastgelegd om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de Verenigde Naties om vóór eind 2003 een nationaal actieplan uit te werken.

Men zou die werkgroep wel kunnen suggereren het parlement te raadplegen, een consequenter deelnemingsproces en inzonderheid een ronde tafel te organiseren, maar dan zou het actieplan pas in 2004 worden afgerond.

Ik deel uw zienswijze over de rol van de Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind als permanent forum en schakel tussen de regering en de maatschappij. Ik ben niet van plan die opdracht over te dragen of daartoe een onderzoekscontract te sluiten met een universiteit.

Om een permanent discussieplatform op te richten met betrekking tot de toepassing van de Conventie van de Verenigde Naties over de kinderrechten bepaalt het samenwerkingsakkoord dat de Commissie wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale, de gemeenschaps- en gewestministers, van het College van procureurs-generaal, van de Vereniging van steden en gemeenten, van de NGO's, van de universiteiten, van de délégué général aux droits de l'enfant en de kinderrechtencommissaris en van het Belgisch Unicefcomité.

Ik ben vastbesloten alles in het werk te stellen om dit dossier zo spoedig mogelijk af te ronden. Ik kan nu nog niet zeggen wanneer die Commissie wordt opgericht, want bepaalde parameters hangen af van het overleg dat met de gemeenschappen wordt gehouden om de blokkeringen die zich tijdens de vorige regeerperiode voordeden, te voorkomen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik reken erop dat de vice-eerste minister echt werk gaat maken van dit dossier. De vorige regeerperiode werd in dit dossier immers bijna geen vooruitgang geboekt.

Ik heb ook enkele concrete voorstellen voor het nationale actieplan.

Ten eerste moet binnen het plan ruimte worden gemaakt voor instrumenten voor een kindvriendelijk beleid. Zo moet er naar analogie met Vlaanderen een wet op de kindeffectrapportage komen.

Ten tweede moet jaarlijks aan de begroting een kindernota worden gevoegd, naar analogie met de bestaande zilvernota voor de vergrijzing en de solidariteitsnota voor de Noord-Zuidverhouding.

Tevens moet er op het federale niveau een kinderrechtencommissariaat worden opgericht bij het federale parlement. Die instelling moet geen ombudsdienst voor de kinderen zijn, maar moet er op onafhankelijke wijze over waken dat het kinderrechtenverdrag wordt geïmplementeerd.

Ook moet de methodologie om kinderen te betrekken bij de planning en de evaluatie van het kinderrechtenbeleid worden verfijnd. Het is niet eenvoudig om dat op een ernstige manier te doen. Het is niet de bedoeling om een rollenspel op te voeren, dat kunnen kinderen op school doen. Wel moet worden gezocht naar formules die de kinderen ernstig nemen. De werkgroep `Kinderrechten' van de Senaat heeft tijdens de vorige regeerperiode enkele malen geprobeerd dat op een ernstige wijze te doen, bijvoorbeeld inzake het dossier van de niet-begeleide minderjarige illegalen en asielzoekers. Na overleg met kinderen die zelf in die situatie zitten, hebben we een advies geformuleerd. Deze methodologie moet verder worden onderzocht, eventueel in samenwerking met de Senaat.

De Senaat heeft ook talrijke belangrijke aanbevelingen gedaan in het vooruitzicht van de Top van New York. We hebben een volledige agenda opgesteld voor een nationaal actieplan. Zo vindt onze fractie het essentieel dat ook de rechtspositie van de minderjarige wordt versterkt en dat dringend werk wordt gemaakt van het spreekrecht van kinderen in Justitie, van een statuut voor jeugdadvocaten, van de rechtstoegang voor kinderen en van de implementatie van het voogdijstatuut voor de niet-begeleide minderjarige. Ook moet verder worden gesleuteld aan de Grondwet. Het gaat om voorstellen waarvan het parlementaire werk is afgerond en die, eventueel mits verfijning, kunnen worden geïmplementeerd.

Ik hoop ook dat we een parlementair debat kunnen houden eens het plan klaar is zodat we ook hier het draagvlak kunnen verbreden en eventueel aanpassingen kunnen doen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de oprichting van een nationale commissie voor de rechten van het kind» (nr. 3-51)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Deze vraag sluit aan bij de vorige. Als ik het goed begrepen heb, zal de Nationale Commissie voor de rechten van het kind binnenkort worden opgericht. Kan de minister meer concrete gegevens verstrekken?

Haar voorganger, de heer Verwilghen, had in commissie op informele wijze een voorontwerp rondgedeeld. Toen waren we hoopvol gestemd, omdat we dachten dat de commissie spoedig zou worden opgericht. Inmiddels zijn we meer dan een jaar later en is de commissie nog steeds niet opgericht.

Ik veronderstel dat het nog steeds in de bedoeling ligt dat de federale instanties partner vormen met de gemeenschappen, de gewesten en de NGO's. Indertijd was er discussie over de manier waarop de gemeenschappen zouden bijdragen in de financiering en de administratie. In die zin heeft minister Verwilghen alleszins geantwoord op een vraag om uitleg in dit verband.

Ik had dan ook graag vernomen of het budget voor deze commissie is ingeschreven in de begroting 2004. Daarenboven kreeg ik graag preciezere gegevens over de timing en over de vorm die de commissie zal aannemen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Tijdens de vorige regeerperiode werd, in het kader van een ietwat moeilijkere dialoog met de Vlaamse Gemeenschap, contact opgenomen met minister Byttebier. Er kon een akkoord worden bereikt over de medefinanciering. De interministeriële conferentie voor het kind en de jeugd zou dus binnenkort moeten kunnen samenkomen met het oog op een akkoord over de tekst.

De tienduizend euro werden ingeschreven op de begroting van 2004.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid over «de laattijdige uitbetaling van de subsidies die worden toegekend door het Impulsfonds voor het migrantenbeleid» (nr. 3-38)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens mevrouw Marie Arena, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Talrijke verenigingen bevinden zich in een rampzalige financiële situatie omdat de subsidies toegekend door het Impulsfonds voor het migrantenbeleid laattijdig worden betaald.

Veel van die verenigingen moeten dan ook bij de bank leningen aangaan in afwachting van de betaling. De subsidies worden immers vaak met meer dan een jaar vertraging betaald. Ze kunnen het zich echter niet allemaal veroorloven om leningen aan te gaan en intresten te betalen.

Wat zijn de redenen voor die vertraging?

Kunnen de betalingen niet op geregelder tijdstippen plaatsvinden, bijvoorbeeld in januari en in juni, zodat de verenigingen geen leningen meer moeten aangaan?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Mevrouw Arena is op de hoogte van de ingewikkelde situatie van vele actoren op het terrein, die te maken hebben met uiteenlopende vervaldagen en tijdschema's, die dikwijls onvoldoende worden nageleefd door de subsidiërende instantie, die zelf afhankelijk is van werkingsregels.

De begunstigden van het IFMB kennen de voordelen en nadelen, zoals de onzekerheid over de data voor de selectie van de projecten en de vereffening van de subsidies.

Het fonds wordt sedert zijn oprichting in 1991 gefinancierd uit de opbrengst van de Nationale Loterij. Het steunt projecten in het kader van de sociale integratie van personen van vreemde afkomst. Het steunt vernieuwende projecten en betrekt daarbij de deelstaten.

Het IFMB voorziet niet in een structurele of terugkerende financiering, maar legt bruggen naar verschillende soorten van financiering.

De datum waarop de jaarlijkse procedure wordt gestart voor de oproep tot het indienen van projecten hangt van de verdeling van de opbrengst van de Nationale Loterij. Het IFMB hangt dus af van de datum van het koninklijk besluit met betrekking tot het voorlopig verdelingsplan van die opbrengst. De besluiten werden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 29 juni 2000 voor de opbrengst van het jaar 2000, op 19 juli 2001 voor die van 2001, op 26 april 2002 voor die van 2002 en op 8 april 2003 voor die van 2003.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding is belast met de begeleiding en het administratieve en financiële beheer van de projecten die door het fonds worden gefinancierd. Het is dus dat centrum dat de bedragen moet betalen aan de verschillende promotoren die door het fonds worden gesteund.

Over het algemeen beschikt het centrum op het einde van het kalenderjaar over het totale jaarbedrag dat bestemd is voor het IFMB. Het kan de subsidies maar uitbetalen na de beslissingen van de deelgebieden en van het beheerscomité en na de ondertekening van een overeenkomst met de promotor van het gesteunde project.

Wat de subsidies van 2002 van de Nationale Loterij betreft, heeft het centrum een eerste schijf van 50% ontvangen op 24 oktober 2002 en een tweede van 30% op 20 januari 2003.

Hoewel alle projecten al zijn afgesloten, heeft het centrum de resterende 20% nog altijd niet ontvangen.

Ik geef toe dat de agenda in de toekomst beter moet worden afgestemd op de selectieprocedure en de duur van de projecten. Daarom heeft mevrouw Arena in september 2003 een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van de minister die toezicht uitoefent op de Nationale Loterij en de bevoegde ministers van de gemeenschappen en van de gewesten. Die werkgroep zal maatregelen nemen om de besluitvorming, de werking en de financiering van het fonds te optimaliseren: meerjarigheid, minimale subsidiëring, coherentie, enz.

Voor het eerst in zijn bestaan wordt het IFMB bestuurd door een minister die ten volle bevoegd is voor interculturele aangelegenheden. Van bij haar aantreden wou mevrouw Arena de voor 2003 genomen beslissingen regulariseren en de evaluatie maken van een fonds dat soepeler en zekerder zou moeten werken en de projecten die het financiert zichtbaarder zou moeten maken. Vanaf 2004 wil ze de werking van het fonds ombuigen om over een efficiënt instrument te beschikken voor de coördinatie van het optreden van de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen en de gemeenten, ten gunste van de integratie van personen van vreemde afkomst.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik stel vast dat mevrouw Arena zich perfect bewust is van de moeilijkheden waarmee de verenigingen op het terrein worden geconfronteerd. Dat bewijst de oprichting van de werkgroep. Ik wacht op de conclusies van die werkgroep om eventueel terug te komen op dit onderwerp.

Regeling van de werkzaamheden

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Mijnheer de voorzitter, ik moet ook antwoorden op vragen om uitleg aan de minister van Financiën. Misschien moet u de senatoren daarvan op de hoogte brengen, zodat ze hun vraag kunnen stellen onmiddellijk na de vragen om uitleg die tot mij gericht zijn. Op die manier zou ik tijd winnen. (Instemming)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de aard van de betrekkingen tussen België en Iran» (nr. 3-41)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de toestand inzake de mensenrechten in Iran » (nr. 3-56)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat deze vragen om uitleg werden samengevoegd.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De toestand in Iran, die door de bezetting van ULB- en UCL-lokalen door asielzoekers opnieuw in de actualiteit is gekomen, is zorgwekkend. Volgens rapporten van internationale mensenrechtenorganisaties nemen de schendingen van de meest elementaire rechten toe. Tijdens de studentenbetogingen in juni 2003 in Teheran werden 4000 studenten aangehouden. Momenteel zou de helft daarvan nog steeds achter de tralies zitten. Tientallen studentenleiders en journalisten worden op onbekende plaatsen vastgehouden.

In Iran wordt steniging nog altijd toegepast, krijgen mannen bij echtscheiding het exclusieve hoederecht over de kinderen, is polygamie toegestaan, hebben weduwen slechts recht op een achtste van de erfenis, is de getuigenis van een vrouw niets waard zolang ze niet wordt bevestigd door die van een man, kunnen vrouwen niet opklimmen tot belangrijke functies.

Sinds begin dit jaar heeft Amnesty International zes amputaties bij wijze van straf en 83 terechtstellingen geteld. De organisatie preciseert dat de echte cijfers wellicht hoger liggen.

In Iran worden de vrijheden van meningsuiting en van vereniging beperkt door de wet en talrijke onregelmatigheden die de werking van justitie en administratie beïnvloeden. Amnesty International maakt ook melding van talloze aanhoudingen zonder inbeschuldigingstelling, lange, dikwijls geheime gevangenzettingen die uitmonden in processen die verre van billijk zijn, en opsluitingen alleen omwille van het uiten van persoonlijke overtuigingen.

In een nota van 13 augustus spreekt Amnesty International zijn ontsteltenis uit over de weigering van de Raad der Wachters, het voornaamste wetgevende orgaan in Iran, om het parlementaire voorstel goed te keuren om toe te treden tot het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van de vrouw.

Dat toont aan dat Iran zich onttrekt aan de internationale normen inzake essentiële mensenrechten.

Een dergelijke houding druist ook in tegen de wens van de vrouwen om hun waardigheid en hun plaats in de maatschappij erkend te zien.

In het jaarrapport van 2002 over de situatie van de mensenrechten in de wereld, dat in juli laatstleden aan het Europees Parlement werd voorgesteld, wordt Iran 52-maal genoemd, met name voor `ongenaakbare en extreme interpretatie van de Sharia'. Na de stand van zaken in de dialoog met Iran inzake mensenrechten te hebben onderzocht, verklaart de Raad zich bijzonder bezorgd over de volgende feiten: terechtstellingen met manifeste miskenning van de internationaal erkende garanties, openbare terechtstellingen, martelingen en andere wrede, onmenselijke en vernederende straffen, afwezigheid van een eerlijke rechtspraak, vervolgingen van advocaten, blijvende schendingen van de rechten van en discriminaties tegenover vrouwen, discriminatie van religieuze minderheden, met name van de Bahá'ís, waarvan de godsdienst door de Iraanse grondwet niet wordt erkend.

Het enige positieve element in het rapport is dat het akte neemt van het feitelijke, maar niet wettelijke, moratorium op de terdoodveroordeling door steniging.

Sinds kort weet men ook dat Iran belangstelling heeft voor uranium, al dan niet verrijkt. Dat wekt de ongerustheid van de internationale gemeenschap op aangaande de mogelijkheden van dat land inzake bewapening.

Dat alles moet ons des te meer aanspreken nu 250 Iraanse asielzoekers op ons grondgebied verblijven en men Iran als een veilig land schijnt te beschouwen, terwijl de Iraanse ambassadeur in België die asielzoekers, zijn eigen onderdanen, als terroristen heeft bestempeld.

De vice-eerste minister moet bijzondere aandacht schenken aan de diplomatieke betrekkingen die België met dat land onderhoudt en alle middelen aanwenden om dat land zo snel mogelijk de internationale mensenrechtenverdragen te doen respecteren.

Wat doet België, eventueel in samenwerking met andere Europese landen, om Iran de fundamentele rechten te doen respecteren en om, in het kader van een eventuele regularisatie geval per geval van die asielzoekers, een oplossing te vinden die tegelijk aanvaardbaar is op binnenlands vlak en oog heeft voor de bijzondere situatie in dat land?

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik heb over dit onderwerp reeds op 20 maart vragen gesteld. Toen heeft mevrouw Neyts geantwoord. Die vragen betroffen met name de redenen waarom Iran inzake het respecteren van de mensenrechten nog niet werd veroordeeld tijdens de Algemene Vergadering van de VN in oktober 2002 of tijdens de vergadering van de Commissie voor de mensenrechten van de VN in maart 2003.

Volgens Europees Commissaris Chris Patten moest de dialoog een kans krijgen. Dienaangaande wou mevrouw Neyts me als volgt geruststellen: "De dialoog met Iran heeft tot doel concrete en blijvende vooruitgang te boeken inzake mensenrechten. Het is dan ook redelijk om wat tijd te geven om die vooruitgang tot stand te laten komen en de eerste stappen van Iran bevestigd en opgevolgd te zien. Mijn analyse van de dialoog is dus positief."

Waar staan we nu, negen maanden later, op een ogenblik dat Iraanse asielzoekers talrijke mensenrechtenschendingen in hun land aanklagen en zich door de autoriteiten in Teheran als terroristen bestempeld zien?

De feiten stemmen niet optimistisch. Terechtstellingen, amputaties, zweepslagen en aanhoudingen gaan onverminderd voort.

Wat de vrouwenrechten betreft, herinner ik eraan dat, ondanks het belangrijke werk van mevrouw Shirin Ebadi, winnares van de Nobelprijs voor de vrede, de Raad van Wachters, het voornaamste wetgevend orgaan in Iran, op 12 augustus het voorstel van het Parlement afwees om toe te treden tot het verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van de vrouw.

De derde zitting van de dialoog over de mensenrechten tussen de Unie en Iran van 8 en 9 oktober laatstleden duidt er trouwens niet op dat de Iraanse autoriteiten de situatie inzake mensenrechten substantieel willen verbeteren. Dat leidde de Unie ertoe hierover een verklaring aan te nemen op 15 oktober. Die verklaring werd door Iran onaanvaardbaar genoemd.

Ik wijs ten slotte op de recente missie van de heer Ambeyi Ligabo, bijzonder rapporteur van de Commissie voor de mensenrechten over de bevordering en de bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting. Hij bereidt daarover een rapport voor dat in maart 2004 aan de Commissie voor de mensenrechten van de VN wordt voorgelegd. Die missie werd blijkbaar niet gesmaakt door de procureur-generaal van Iran, de heer Abdolnabi Namazi, die ze partijdig noemde. Hij voegde er, blijkbaar als een definitief oordeel, aan toe "dat die mensen een internationale organisatie vertegenwoordigen en, naar mijn oordeel, staan internationale organisaties meestal onder invloed van zionistische elementen (...) die de Islamitische Republiek in een slecht daglicht willen stellen."

Moet België niet bij zijn EU-partners aandringen op concrete maatregelen inzake mensenrechten vooraleer de handels- en politieke dialoog met Iran wordt voortzet? Wat is de houding van België in de Commissie voor de mensenrechten van de VN, in het bijzonder met het oog op de komende vergadering van maart 2004?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Hoewel de toestand inzake mensenrechten nog zorgwekkend is, valt er, gelet op de politieke machtsverhoudingen in dit land, toch een geleidelijke evolutie te verwachten. Sedert de parlementsverkiezingen van 2000, die door de hervormingsgezinden werden gewonnen, treedt er een sterke polarisatie van twee tegenovergestelde strekkingen op. Aan de ene kant heeft men de Iraanse regering en het parlement die door de hervormers worden gedomineerd en die zich beroepen op de volkswil, aan de andere kant de conservatieven die zich voor hun legitimering beroepen op de islamitische Grondwet en die bepaalde sleutelgebieden van de macht controleren, zoals het gerechtelijk apparaat en de media.

Als gevolg van deze onenigheid onder de politieke machthebbers ontstaat een contradictoir debat, dat onder meer over mensenrechten gaat en dat steeds meer doordringt, over de grenzen van de politiek heen, tot de Iraanse civiele maatschappij. In die geest heeft België van bij het begin het initiatief van de Iraanse regering gesteund om een dialoog tussen de Europese Unie en Iran over mensenrechten op gang te brengen. Het betreft een gestructureerd en concreet debat waarvan al drie sessies plaatsvonden. Veel concrete resultaten heeft die dialoog nog niet opgeleverd, maar de Iraanse regering heeft een aantal positieve signalen gegeven, zoals de hervatting van de samenwerking met de Verenigde Naties en de uitwisseling van informatie over alle individuele gevallen die de Europese Unie heeft aangekaart. Nog belangrijker is dat de dialoog het interne debat tussen de verschillende beleidsniveaus lijkt aan te wakkeren. Het gevolg hiervan is dat de Iraanse bevolking wordt gesensibiliseerd voor de problematiek van de mensenrechten. De EU-Ministerraad heeft op 13 oktober jl. bevestigd dat deze dialoog een van de middelen is om de toestand inzake mensenrechten in Iran om te buigen. Een open en concrete dialoog is een constructieve bijdrage tot een echte verbetering van de toestand. Zowel in het kader van de bilaterale betrekkingen met Iran als binnen de Europese Unie zal België prioritair aandacht schenken aan de mensenrechtenproblematiek.

Dan kom ik tot de vraag van de heer Roelants du Vivier. Ons land en onze Europese partners wensen een actieve politiek te voeren ten aanzien van Iran, met het oog zowel op intensievere politieke en commerciële betrekkingen als op de verbetering van de toestand inzake mensenrechten. Zolang de dialoog over de mensenrechten redelijke perspectieven blijft bieden, hoeven we onze betrekkingen met Iran over andere materies niet te beperken. De evolutie van onze betrekkingen met Iran wordt geregeld getoetst in Europees verband. De aspecten die verband houden met de mensenrechten worden meer bepaald onderzocht vóór de Algemene Vergadering van de UNO en vóór de jaarlijkse vergadering van de Commissie voor de Mensenrechten. De volgende vergadering van die Commissie wordt in het komende voorjaar gehouden. Over enkele maanden komt er dus opnieuw een evaluatie en wordt er overleg gepleegd over de aan te nemen houding.

Onder het Belgische voorzitterschap hebben we onderhandelingen aangevat over de handel met Iran. Destijds waren er binnen de Raad twee stromingen. De meerderheid vond dat nieuwe handelsonderhandelingen moesten gekoppeld worden aan de problematiek van de mensenrechten. Ik was daar geen voorstander van. Ik vond dat de twee niet strikt moesten worden gekoppeld. Onder het Belgische voorzitterschap hebben we bewerkstelligd dat, volledig los van de economische en commerciële onderhandelingen, een politieke dialoog werd aangegaan. De hervormers in Iran hadden er bij ons immers op aangedrongen om die twee zaken van elkaar te scheiden. Zij hoopten dat door de vooruitgang die in de economische en commerciële onderhandelingen wordt geboekt, de hervormingsgezinde beweging meer wind in de zeilen zal krijgen. De voorzitter van de Commissie Buitenlandse Zaken die enkele maanden geleden ons land bezocht, was eigenaar van een krant. Hij is in het verleden aangehouden, gevangengezet en nadien weer vrijgelaten. Hij die zelf dus op moedige wijze strijd gevoerd heeft voor meer democratie in Iran, heeft ons met aandrang gevraagd om de twee problemen niet aan elkaar te koppelen en om op Europees niveau de vooruitgang van de economische en commerciële onderhandelingen niet afhankelijk te maken van de mensenrechtenkwestie, want anders werd de houding van de reactionairen alleen maar beloond.

Daarom blijf ik ervan overtuigd dat, ofschoon we erg streng moeten zijn in onze bilaterale relaties met Iran, we althans nog een tijdje de politieke dialoog moeten bevorderen veeleer dan te opteren voor het isolement van dat land.

In de huidige internationale context denk ik dat het beter is om via de politieke dialoog een spontane evolutie in Iran op gang te brengen, ook al kan ik begrip opbreng voor de voorstanders van een hardere aanpak.

Het probleem is dat binnen de huidige Iraanse institutionele structuur de hervormers niet echt de mogelijkheid hebben om institutionele wijzigingen door te voeren met het oog op meer democratie. Zo kunnen wetten die door het parlement zijn aangenomen door de Religieuze Raad worden verbroken en dan bestaan ze niet meer. Het tegenwicht van de reactionaire krachten is enorm. We moeten goed de context begrijpen, anders bestaat het gevaar dat we de reactionairen veel troeven geven.

Ik heb goede contacten met mijn hervormingsgezinde collega Kharrazi. Ik ben al verschillende keren naar Iran gereisd, onze bilaterale relaties zijn uitstekend en we hebben al belangrijke kwesties kunnen deblokkeren. Ik denk dat de hervormers vertrouwen stellen in ons. We vervullen een bemiddelende en stimulerende rol die interessant kan zijn, maar we mogen het land en de hervormers binnen dat land niet in het isolement storten.

Een dergelijke houding kan natuurlijk niet eeuwig blijven duren. Er moeten tekenen komen van verbetering, maar dat is een ander debat.

De actualiteit zorgt er trouwens helemaal niet voor dat ze zich soepeler gaan opstellen. Ik kan u verzekeren dat wat ze mij tijdens onze gesprekken over kernwapens en nucleair onderzoek zeggen niet bepaald geruststellend is.

In de huidige context blijf ik voorstander van stapsgewijze vooruitgang. We zullen in Wenen een gemeenschappelijk standpunt nastreven tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten voor het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie. Het is een belangrijke kwestie, maar ik denk niet dat we zover moeten gaan dat Iran internationaal geïsoleerd raakt.

Ik deel uw analyse volkomen. We zijn zeer waakzaam en we volgen de situatie goed op, maar mijn overtuiging is dat we ruimte moeten laten voor dialoog en overleg.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik begrijp en aanvaard de diplomatieke omzichtigheid van de minister. Ik onthoud uit zijn antwoord dat er in Iran twee stromingen tegenover elkaar staan en dat zij die het staatapparaat besturen niet de grote hervormers zijn. Iraanse asielzoekers kan men niet naar hun land terugsturen omdat hun land veilig zou zijn. Dat is geen geldig argument. Ik stel ook vast dat Europa en vooral de Verenigde Staten vlugger geneigd zijn te protesteren tegen het gebruik van mogelijk gevaarlijke wapens, wat dan weer bij Iran zeer heftige reacties uitlokt. Ik ben niet zeker dat dezelfde druk wordt uitgeoefend om vooruitgang te boeken inzake mensenrechten. Ik weet dat in landen zoals Iran op dit stuk veel afhangt van opvoeding en informatie. Dit kan je niet in een handomdraai bijsturen en dat is ook niet de bedoeling. Dat het complexer en moeilijker is, is voor ons evenwel geen reden om het op te geven. De weg die de minister wenst te bewandelen is misschien de juiste. Veranderingen zullen tijd vergen, maar toch moeten we ons steeds kordater opstellen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De grote meerderheid van de bevolking staat achter de hervormers. Zo is het mij opgevallen dat de journalisten die me vergezelden bij mijn eerste bezoek op straat bijna niemand bereid vonden om met hen te praten. Anderhalf jaar later liepen de mensen de camera's achterna om hun kritiek te luchten. Het volk is dus klaar voor de democratie. Alleen laat het systeem dat niet toe. Het systeem zal moeilijk kunnen evolueren naar een meer democratische vorm. Men kan het vergelijken met de toestand in Chili. De grondwet en de wetten beschermen de reactionairen en garanderen hen een onevenredig en ongegrond aandeel in de macht. Maar ik blijf dit dossier zeer aandachtig volgen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik las in La Libre Belgique een artikel over een boek van Ridha Kéfi met als titel `Se débarrasser des ayatollahs', waarin wordt gesteld dat de toestand in Iran alleen kan opschuiven naar meer democratie. De auteur doelt hiermee op het feit dat het systeem gecontroleerd wordt door de islamitische overheden. In andere moslimlanden zoals Turkije, Irak en Syrië werd de laïcisering bij wet opgelegd en uitgevoerd door het repressieve staatsapparaat. Elke vrije volksraadpleging zal daar dus onvermijdelijk leiden tot een triomf voor de religieuze fundamentalisten, zoals dat nu al gebeurt in Turkije. In Iran zal dat niet zo verlopen en zal wellicht een evolutie naar meer democratie mogelijk zijn.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Daar ben ik het helemaal mee eens.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het is interessant dat de minister voor ons de context schetst en ons informatie verstrekt over zijn contacten. Mevrouw Neyts had in maart aangekondigd dat de dialoog bepaalde resultaten zou opleveren. Ik heb evenwel niet de indruk dat er een gunstige evolutie merkbaar is. De door de minister voorgestelde methode, die ook door de hervormers werd gesuggereerd, kan resultaten opleveren, maar moet op geregelde tijdstippen geëvalueerd worden. De volgende stap is de vergadering van de UNO-Commissie voor de Rechten van de Mens in maart 2004. Dan moeten we een standpunt innemen. Ik zal de minister op dat moment opnieuw ondervragen.

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de stand van zaken met betrekking tot de te ratificeren verdragen» (nr. 3-50)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik ondervroeg de minister reeds in juni 2001 over dit onderwerp op basis van een lijst van te ratificeren verdragen van oktober 2001. Toen diende ons land nog 426 verdragen te ratificeren.

Wij ontvingen nu een nieuwe lijst van oktober 2003. Een groot deel van de achterstand werd ingelopen. Er wachten nu nog 357 verdragen op ratificatie: 152 die er tussen oktober 2001 en oktober 2003 zijn bijgekomen, 42 die administratief werden behandeld en niet minder dan 163 die sinds oktober 2001 niet zijn geëvolueerd. Voor sommige verdragen kunnen inderdaad bijzondere omstandigheden bestaan, maar 163 is een te groot aantal om te kunnen beweren dat juridische of politieke problemen de vooruitgang in de weg staan. Welke verklaring heeft de minister daarvoor?

Voor sommige materies is men blijkbaar minder gehaast. Inzake vervoer wachten er nog 62 verdragen, soms sinds 1956. Inzake personenverkeer liggen nog 39 verdragen te wachten en inzake technische bijstand 25, ondertekend tussen 1965 en 2003. Op het gebied van leefmilieu kwamen er twee verdragen bovenop de tien die sinds 2001 niet zijn geëvolueerd.

Naast het kwantitatieve aspect moet worden gewezen op het maatschappelijk of politiek belang van sommige teksten. Welke specifieke redenen bestaan er voor de vertraging in de behandeling van deze dossiers? Ik heb de minister daarover een lijst bezorgd. Ik denk in het bijzonder aan de conventie van 1990 over de koolwaterstoffen, de conventie van 1999 over de aanpak van de financiering van het terrorisme, het Belgisch-Franse samenwerkingsakkoord van 1998 over de kerncentrale van Chooz en de informatie-uitwisseling ingeval van incidenten of ongevallen (het is niet omdat men uit de kernenergie stapt dat een dergelijke kwestie aan belang inboet), de conventie over de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen van 1992 en nog enkele andere.

Dat er jaarlijks gemiddeld 75 verdragen bijkomen, getuigt niet alleen van de intense diplomatieke activiteit van ons land, maar ook van die van de internationale gemeenschap. Het dagelijks leven wordt meer en meer geregeld door internationale verdragen. De wetgevende macht moet zich aan het hoge tempo aanpassen. Elk internationaal verdrag draagt zijn steentje bij aan een internationale orde waaraan wij graag gedeelten van onze soevereiniteit overdragen. Met zijn instemming is het werk van het Parlement trouwens niet voorbij. De pertinentie en de efficiëntie van de verdragen moeten immers worden gecontroleerd.

Het lijkt me dus belangrijk dat het Parlement, en in het bijzonder de Senaat indien men hem specifieke taken inzake verdragen wil geven, al in een pril stadium informeert.

Ik weet dat de regering daar wettelijk niet toe verplicht is, maar is het niet mogelijk dat zij het Parlement systematisch op de hoogte houdt van de internationale akten die zij ondertekent? Op die manier kan de wetgever de evolutie volgen. De procedure eindigt toch met zijn instemming.

De wetgever zou op die manier van bij het begin worden ingelicht en dat zou een goede zaak zijn. Ik wil natuurlijk geen vergelijking maken met de Senaat van de VS waar de senatoren aan de onderhandelingen voor internationale verdragen deelnemen. Mij gaat het enkel over een goede informatie die ons in staat stelt geïnteresseerd te blijven en debatten te voeren over die verdragen. Zo voorkomen we dat die verdragen in de commissie worden behandeld tien jaar na hun ondertekening. Er is dan geen discussie meer mogelijk. Men is dan eigenlijk verplicht er mee in te stemmen.

Als men de wetgever er meer wil bij betrekken, moet men hem daar ook de middelen voor geven.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik dank de heer Roelants du Vivier voor zijn goed gedocumenteerde vraag en zijn erkenning dat het departement inspanningen heeft geleverd om de ratificaties te doen vooruitgaan.

De vermindering van het aantal te ratificeren verdragen en het inhalen van de vertraging zijn en waren doelstellingen van de huidige en vorige regering. Het is een werk van lange adem, maar de inspanningen werpen vruchten af.

Behalve voor de investeringsakkoorden en de Europese akkoorden hangt mijn departement bij de samenstelling van de dossiers met het oog op de parlementaire instemming af van andere departementen. Het is inderdaad het bevoegde departement dat het belangrijkste stuk moet opstellen, namelijk de memorie van toelichting. Voor mij is de opvolging van die dossiers een prioriteit. Tijdens de vorige zittingsperiode werden binnen mijn administratie coördinatoren aangesteld om de stand van zaken te controleren, maar zelfs herhaalde aansporingen bij de betrokken departementen hebben niet altijd het gewenste resultaat.

Ik heb er geen bezwaar tegen dat het Parlement systematisch, bijvoorbeeld driemaandelijks, een lijst van de ondertekende akkoorden ontvangt.

Ik kom nu tot de specifieke vragen. In tegenstelling tot wat staat vermeld in de gegevensbank heeft België de internationale conventie van 1990 inzake de strijd tegen en de samenwerking op het gebied van vervuiling door koolwaterstoffen niet ondertekend. De minister van Mobiliteit moet me laten weten of hij wenst dat dit verdrag wordt ondertekend en vervolgens een instemmingsdossier samenstellen.

Voor het verdrag inzake de aanpak van de financiering van het terrorisme en zijn bijlage werd het ontwerp van wet tot instemming bij de griffie van de Senaat neergelegd op 14 november 2003.

De Conventie nr. 174 van de IAO betreffende het voorkomen van zware individuele ongevallen werd op federaal niveau goedgekeurd door de wet van 6 september 1996. Voor de ratificatie wordt nog gewacht op de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Wij dringen aan op een snelle beslissing.

Wat de 25 samenwerkingsverdragen en verdragen inzake technische bijstand ondertekend tussen 1965 en 2003 betreft, werden de instemmingsdossiers van 15 daarvan klaar gemaakt. De desbetreffende wetsontwerpen zullen weldra gezamenlijk worden ingediend bij het Parlement. De andere verdragen zullen worden onderzocht door de algemene directie voor de ontwikkelingssamenwerking die ook instaat voor de administratieve dossiers.

Voor het Euro-Mediterrane associatieverdrag met Libanon wordt het wetsontwerp zeer binnenkort bij de Senaat ingediend.

Voor het Belgisch-Franse samenwerkingsakkoord over de nucleaire centrale te Chooz verwijs ik naar mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Voor het protocol bij het kinderrechtenverdrag over de verkoop van kinderen, de kinderprostitutie en de kinderpornografie werd op 15 oktober 2003 het advies van de raad van State gevraagd.

Voor de conventie aangaande de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen stelt de bevoegde dienst van de FOD Binnenlandse Zaken thans het voorbereidend dossier samen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Misschien zal ik over twee jaar een nieuwe balans opmaken, maar ik ben erg tevreden dat het dossier gunstig evolueert. Ik dank de minister en zijn administratie.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Financiën over «de vestigingsplaats van de vierde Europese school» (nr. 3-54)

De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Volgens persberichten zijn er plannen om een vierde Europese school te bouwen op de site van het Josaphatstation in Schaarbeek.

In het kader van de zetelverdragen is het de Regie der Gebouwen die de schoolinfrastructuur ter beschikking stelt van de Europese instellingen. De kosten voor die gebouwen komt dus ten laste van onze departementen.

Heeft de bevoegde minister al een beslissing genomen over de definitieve locatie voor de vierde Europese school?

Door de uitbreiding van de Unie zullen er steeds meer kinderen naar de Europese scholen gaan. Het is dus begrijpelijk dat een vierde school nodig is, maar de locatie van die nieuwe school doet vragen rijzen.

Lange tijd was er sprake van die school in de voormalige cadettenschool in Laken onder te brengen, die onder de bevoegdheid van minister Flahaut valt. Die locatie leek geschikt omdat het een voormalig schoolgebouw is en geen stedenbouwkundige problemen met zich meebracht. Heeft men definitief de locatie in Laken verlaten?

Ik heb vernomen dat die school zelfs niet in het Brusselse Gewest zou worden gevestigd, maar te Waver in Waals Brabant?

Is die beslissing al genomen? De ouders van de leerlingen van de Europese school volgen dit dossier van zeer nabij.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ingevolge de vraag van de Hoge Raad van de Europese scholen om een nieuwe school te openen in Brussel of in de omgeving van Brussel, heeft de federale ministerraad op 27 september 2002 beslist om het voorstel naar een werkgroep te verwijzen die wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van het kabinet van de eerste minister.

Uit een lijst van 31 sites die door de Regie der Gebouwen was voorgesteld koos die werkgroep op 14 mei 2003 zeven sites waar een nieuwe Europese school kan worden ondergebracht.

Die lijst werd op 5 juni 2003 aan de Hoge Raad van de Europese Scholen overgezonden.

Van die zeven locaties lagen er vier in het Brusselse Gewest en drie in Waals Brabant. Op 11 en 18 juli werden die locaties bezocht in aanwezigheid van secretaris-generaal Ryan, de directeurs van de drie Europese scholen van Brussel en vertegenwoordigers van de oudercomités.

De Hoge Raad van de Europese scholen heeft op 21 en 22 oktober 2003 beslist om geen voorkeur uit te spreken voor één van de zeven sites.

Bij brief van 28 oktober 2003 liet secretaris-generaal Ryan weten dat de Hoge Raad van de Europese scholen aan de Belgische overheid vraagt onverwijld verschillende nieuwe sites voor te stellen zodat de secretaris-generaal aan de Hoge Raad in januari 2004 een locatievoorstel kan doen.

Kortom, de beslissing van de Hoge Raad van 21 en 22 oktober 2003 om geen voorkeur uit te spreken voor één van de zeven voorgestelde locaties, lijkt mij een uitstel van de definitieve keuze inzake de locatie. Blijkbaar beantwoordt momenteel geen enkele van de voorgestelde locaties aan de criteria van de Europese instanties. Uit een recent onderhoud tussen minister Reynders en Europees commissaris Kinnock blijkt dat die criteria nog verder moeten worden toegelicht.

Eén van de grootste nadelen van de cadettenschool in Laken is dat de locatie te klein is; een ander element is de onzekere datum van terbeschikkingstelling.

Tot op heden blijft de locatie van de school nog een open vraag, zowel in het Brusselse Gewest als in Waals Brabant.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de verblijfsvergunning via regularisatie voor asielzoekers die zich langdurig in procedure bevinden» (nr. 3-40)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Naar aanleiding van de actie van de Afghaanse asielzoekers in een kerk in Elsene kondigde de minister van Binnenlandse Zaken op 14 augustus van dit jaar aan dat asielzoekers wier procedure drie jaar - voor families met schoolgaande kinderen - of vier jaar - voor alleenstaanden - aansleept, een verblijfsvergunning kunnen verkrijgen via regularisatie. Meer dan twee maanden later is het nog altijd wachten op een duidelijke regeling. De minister heeft blijkbaar geen haast om te bewijzen dat het niet om een belofte ging, maar om een echte beleidsmaatregel.

Wij vragen de minister dat hij snel met een duidelijke regeling op de proppen komt. Dat is in het belang van alle betrokkenen, niet het minst de administratie van de minister zelf. Bij de asielzoekers is immers grote onrust ontstaan na de publicatie van een artikel in De Morgen waarin deze regularisatie werd aangekondigd. Mensen vragen zich af of ze nu al een aanvraag moeten indienen. Aan hulporganisaties en gemeentelijke diensten wordt voortdurend informatie gevraagd.

Heeft de minister al uitgemaakt voor wie deze regeling zal gelden? Is dit enkel voor asielzoekers die nog in de procedure verkeren, of ook voor asielzoekers die in het recente verleden drie of vier jaar in procedure zaten? Wij dringen er bij de minister op aan om die tweede groep ook op te nemen. Ook deze mensen werden het slachtoffer van het dralen van de overheid; ook zij zijn ondertussen geïntegreerd en niet meer van plan om naar hun land terug te keren.

Moeten de betrokken asielzoekers voor deze regeling een aanvraag indienen of zal de dienst Vreemdelingenzaken zelf hun dossier ter hand nemen en onderzoeken? Het lijkt ons logisch dat voor de personen van wie de dienst Vreemdelingenzaken weet dat ze zich nog in ons land bevinden, zoals personen die nog in de asielprocedure zitten, de administratie ambtshalve onderzoekt of regularisatie mogelijk is.

Moeten de betrokkenen hun integratie in België aantonen of volstaat een verwijzing naar de lange duur van de asielprocedure?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb aan het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gevraagd om een studie te maken omtrent het aantal en de aard van de dossiers waarop de vraag van mevrouw De Roeck betrekking heeft.

Ik ontken dat er bij de regeringsonderhandelingen hierover afspraken werden gemaakt. Ik zal mijn standpunt louter en alleen laten afhangen van de resultaten van de studie van het Commissariaat-Generaal.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik vind het antwoord van de minister teleurstellend kort. Ik dring er toch nog op aan dat hij echt snel werk maakt van dit dossier. Natuurlijk besef ik dat er veel wantrouwen heerst tegenover mensen die hier willen blijven en dat er veel racisme bestaat. Maar de media tonen ook acties van buurtbewoners en scholen voor gezinnen met kinderen. Bij de bevolking leeft dus duidelijk wel een bekommernis voor het lot van deze mensen. De bevolking leeft met hen mee en wacht op een oplossing, net zoals de betrokkenen zelf.

Ik weet dat het lot van deze mensen ook de minister niet onverschillig laat. Ik durf daarom te hopen dat hij snel met een oplossing komt en dat we niet moeten wachten tot na de verkiezingen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het onderbrengen van de illegalen die tweemaal door de politie zijn opgepakt, in een gesloten centrum» (nr. 3-42)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Volgens de pers zou u besloten hebben om illegalen die een bevel tot het verlaten van het grondgebied hebben ontvangen en voor de tweede keer door de politie worden opgepakt, voortaan onder te brengen in een gesloten asielcentrum, waar zij zullen verblijven tot hun verwijdering.

Deze politieke beslissing is begrijpelijk. Als alle procedures uitgeput zijn of als men met illegalen te doen heeft, moet de wet de bovenhand houden. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat mensen worden vrijgelaten, verdwijnen, opnieuw worden aangehouden, vrijgelaten enzovoorts.

Mijnheer de minister, uw verklaring wekte de indruk dat de betrokkenen noodzakelijkerwijze in een gesloten centrum moeten worden ondergebracht en niet op een andere plaats die dezelfde waarborgen biedt en gelegen is in de nabijheid van de diensten die met de verwijdering zijn belast.

Volgens de pers hebt u verder verzekerd dat er momenteel geen probleem is met de opvangcapaciteit van de gesloten centra, waar `vijftig personen' of `nog vijftig personen konden worden ondergebracht.' Ik zou graag hebben dat u dit preciseert.

Om dit beleid gestalte te geven zou het nuttig zijn de huidige bezettingsgraad van de gesloten centra te kennen zodat kan worden geëvalueerd of de bestaande infrastructuur volstaat dan wel of er nood is aan nieuwe lokalen, zoals ik denk.

Hebt u al nagedacht over deze vraag en in voorkomend geval ook over de locatie van nieuwe infrastructuur? Welke weerslag zal dat hebben op de begroting?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik bevestig mijn voornemen. Wat de bezettingsgraad betreft, wacht ik op de becijferde resultaten van de actie in Zeebrugge en van de proefprojecten in acht gemeenten. In voorkomend geval kan worden nagegaan of het nodig is de bestaande centra aan te passen dan wel in een extra centrum te voorzien.

Ik kan u nu al meedelen dat er in de gesloten centra 75 plaatsen meer beschikbaar zullen zijn. Dat zal overigens een uitbreiding van het personeelsbestand vergen. Er wordt op dit ogenblik gediscussieerd over de overplaatsing naar de gesloten centra van een gedeelte van het personeel uit de twee opvangcentra die worden gesloten. Op die manier zou de uitbreiding van het aantal beschikbare plaatsen niet de minste weerslag hebben op de begroting. Tevens heb ik minister Reynders, die bevoegd is voor de Regie der Gebouwen, verzocht te onderzoeken of het mogelijk is om een nieuw centrum te openen.

Over de bezettingsgraad van de gesloten centra zal ik u een nota met cijfers bezorgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de geautomatiseerde stemming» (nr. 3-55)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het lijkt het ideale moment om de voor- en de nadelen van de geautomatiseerde stemming te evalueren in tempore non suspecto, na de parlementverkiezingen waarbij gebruik werd gemaakt van het systeem van de geautomatiseerde stemming, en vóór de regionale verkiezingen. De evaluatie van de stemverrichtingen tijdens de parlementsverkiezingen van juni 2003 moet het mogelijk maken die van juni 2004 beter aan te pakken. De democratie moet de kiezers de mogelijkheid bieden de verrichtingen te controleren en moet het geheim van de stemming garanderen.

Werden de doelstellingen van het geautomatiseerd stemmen bereikt? Vereist het systeem minder bijzitters? Is het een oplossing voor het moeilijk vinden van bijzitters?

Kunnen door het systeem besparingen worden gerealiseerd, meer bepaald door de vermindering van papierkosten en het aantal bijzitters? Ligt de kostprijs van de geautomatiseerde stemming niet hoger omdat daarvoor heel wat computermateriaal nodig is en omdat dit moet worden afgeschreven?

Is de verkiezingsuitslag vlugger bekend dan met het traditionele systeem? Hebben de uitvoerige controles niet het tegendeel bewezen? Ik herinner me dat in het rapport van de deskundigen de aandacht werd gevestigd op moeilijkheden in sommige gemeenten, onder meer in Schaarbeek.

Is het systeem technisch betrouwbaar? Zijn de vastgestelde fouten geen teken dat het systeem niet betrouwbaar is? Nog verontrustender is dat alleen de fouten werden vastgesteld die afwijkende resultaten teweegbrachten. Hoe kunnen kiezers vertrouwen hebben in kiesverrichtingen als ze geen enkele controlemogelijkheid hebben? Dit aspect van het probleem houdt vooral de burgers bezig die bedenkingen hebben bij de geautomatiseerde stemming.

Wordt het stemgeheim niet met voeten getreden? De kiezer die moeilijkheden heeft om zijn stem uit te brengen, kan zich immers laten bijstaan door de voorzitter of door een ander lid van het bureau die door hem wordt aangewezen. In de praktijk doen veel mensen die niet vertrouwd zijn met computers - ik denk aan oudere mensen - bijna altijd een beroep op de hulp van voorzitters en bijzitters. Dat is een probleem.

Zullen de regionale verkiezingen georganiseerd worden naar het voorbeeld van de parlementsverkiezingen? Zijn er verbeteringen gepland?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het systeem vereist inderdaad minder bijzitters omdat de telbureaus verdwijnen. Het biedt dus een oplossing voor het probleem van het vinden van bijzitters. De vermindering van de hoeveelheid papier en van het aantal bijzitters is kostenbesparend. Omdat het systeem in 2000 en in 2003 niet werd uitgebreid, waren de kosten beperkt. Het materiaal kan daarenboven minimum tien jaar worden gebruikt. Voor de verkiezingen van juni 2004 worden de verkiezingsuitgaven verdeeld tussen de verschillende betrokken autoriteiten, namelijk de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen. Elektronisch stemmen kost ongeveer 1,50 euro per kiezer en per verkiezing, rekening houdend met de afschrijving van het materiaal, gespreid over tien jaar.

Tijdens de verkiezingsnacht van 18 mei jongstleden werden de verkiezingsresultaten door de kantons aan de FOD Binnenlandse Zaken meegedeeld via telefoon, fax of elektronische overdracht. Ongeveer 66% van de cijfers van de totalisatiebureaus kwam bij de FOD Binnenlandse Zaken binnen tussen 20 uur en 21 uur. De ochtend van maandag 19 mei 2003 bedroeg het percentage beschikbare resultaten 96,20% tegenover 86% in 1999. Die vooruitgang is toe te schrijven aan het feit dat 160 kantons op 208 hun resultaten via elektronische weg hebben meegedeeld.

Bij de komende verkiezingen moet nog meer gebruik worden gemaakt van de elektronische overdracht, zodat het mogelijk is de resultaten nog sneller te verkrijgen. Bij het geautomatiseerd stemmen moet niet worden geteld; het volstaat de resultaten van de verschillende stembureaus op kantonaal niveau bijeen te brengen. Deze totalisatieoperatie gaat gemiddeld tweemaal sneller dan een manuele telling. De resultaten van de kantons waar elektronisch wordt gestemd zijn dus over het algemeen snel bekend, ruim voor de vergelijkbare kantons waar manueel wordt geteld.

Het college van deskundigen dat door de verschillende Belgische assemblees werd aangesteld en dat belast is met de controle op de geautomatiseerde stemming- en telsystemen, heeft bij nauwkeurige controles in de stembureaus op de dag van de verkiezingen geen technische disfuncties vastgesteld. Ook bij de analyses van de broncodes hebben de experts geen enkele onregelmatigheid in de programma's opgemerkt.

Het voorval in een bureau in Schaarbeek is volgens hen heel waarschijnlijk een geïsoleerd incident dat werd ontdekt door het bureau van het kanton van Schaarbeek, dat het in het verslag heeft opgenomen, en ook door de FOD Binnenlandse Zaken via de geautomatiseerde controles. Aangezien het incident kon worden verholpen, had het geen enkele invloed op de verkiezingsresultaten. Het college heeft er bij wijze van conclusie aan toegevoegd: zelfs al zijn de systemen niet perfect, alle controles die werden uitgevoerd wijzen op een goede algemene werking van het verloop van de elektronische stemming. Het beoogde doel, namelijk stemmen kunnen uitbrengen, ze opnemen, ze visueel weergeven en ze tellen volgens de wettelijke bepalingen, werd bereikt.

De kiezer heeft de mogelijkheid zijn eigen stem te controleren. De experts die deel uitmaken van het college moeten worden beschouwd als de indirecte vertegenwoordigers van de kiezers, want ze zijn aangesteld door het parlement, dat diezelfde kiezers zelf rechtstreeks vertegenwoordigt.

Ik wil er toch op wijzen dat de mindervalide kiezer zich ook bij het traditioneel stemmen kan laten bijstaan om zijn stem uit te brengen. Krachtens artikel 104 van de kieswet moeten bovendien: "de voorzitters en bijzitters van de stembureaus, evenals de secretarissen van de verschillende kiesbureaus en de getuigen van de kandidaten de volgende eed afleggen: ik zweer het geheim van de stemmingen te bewaren." Het geheim van de stemmingen lijkt me dus goed bewaard door de verschillende leden van de stembureaus.

Over het algemeen dan men besluiten dat de doelstellingen van de geautomatiseerde stemming zijn bereikt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De vice-premier heeft op bijna al mijn vragen geantwoord. Ik dank hem daarvoor. De geautomatiseerde stemming kan technisch gezien vergeleken worden met een echte geloofsdaad. Ik kan begrijpen dat de rechtsgeldigheid van het systeem sommige medeburgers bezighoudt, vooral degenen die papier en potlood verkiezen boven een machine die per definitie in handen is van experts. We moeten opmerkzaam blijven voor de wens van de burgers dat het stemrecht, dat een fundamenteel recht is, niet met voeten wordt getreden.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Werk en Pensioenen over «de naleving van de verplichting voor openbare besturen, instellingen van openbaar nut en particuliere ondernemingen om mindervaliden te werk te stellen» (nr. 3-53)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het Europees jaar van de mindervalide biedt ons de gelegenheid om wat meer aandacht te schenken aan deze problematiek. De vragen over de tewerkstelling van mensen met een handicap krijgen weerklank in de pers. Hoe ver staat het met de verplichting voor de openbare besturen, de instellingen van openbaar nut en de privé-ondernemingen om, met toepassing van artikel 21 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van mindervaliden, mensen met een handicap in dienst te nemen? Het is niet de eerste keer dat deze problematiek op het voorplan komt in ons land. En niet zonder reden...

Zopas werd de veertigste verjaardag van die wet voor de privé-ondernemingen gevierd, maar zij werd nog steeds niet uitgevoerd. Als deze bepaling niet werd opgeheven, blijft er hoop dat ze zal worden toegepast. Naar verluidt zouden de sociale partners op de Werkgelegenheidsconferentie zich alleen met de inschakeling van mensen met een handicap hebben ingelaten als het ging om de opleiding van de risicogroepen. Bent u voornemens om de verplichting voor de privé-sector om mindervaliden in dienst te nemen op de agenda te plaatsen van de volgende onderhandelingen met de sociale partners? Zo niet, denkt u er dan aan om de regering een initiatief voor te stellen in het kader van de 200.000 extra banen die zij in het leven wil roepen?

Bij de openbare besturen en de instellingen van openbaar nut blijkt het aantal verplichte indienstnemingen van mindervaliden dat ofwel in absolute aantallen wordt uitgedrukt, ofwel in percenten van het personeelsbestand, te variëren naargelang het bestuursniveau. Denkt u niet dat deze verplichting moet worden geharmoniseerd en vooral ook nageleefd? Het werkelijke aantal in dienst genomen mindervaliden schijnt niet overeen te stemmen met het reglementair verplichte aantal.

Kunt u ons een overzicht bezorgen van de evolutie van het aantal in dienst genomen mindervaliden over de jongste vijf jaar, uitgesplitst per sector, openbaar of privé, en per bestuursniveau? Moet dit soort evaluaties niet permanent worden gevolgd? Moeten er in geval van niet-naleving van de verplichtingen geen dwangmaatregelen worden genomen?

Ik weet dat de tewerkstelling van mindervaliden gevoelig ligt in de privé-ondernemingen omdat er een prijskaartje en moeilijkheden aan vasthangen. Kunt u de wet doen toepassen? Komen er uitvoeringsbesluiten voor een wet die tot nu toe niet is uitgevoerd?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Werk en Pensioenen. - Ik ben mij volkomen bewust van de zeer complexe problematiek die mevrouw Nyssens heeft aangekaart.

De wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van mindervaliden verplicht de werkgevers om een door de Koning bepaald aantal mensen met een handicap in dienst te nemen. De niet-gemotiveerde weigering om deze verplichting na te leven kan aanleiding geven tot strafsancties en administratieve boetes.

Die wet is nog steeds van toepassing, zij het niet meer over heel het grondgebied. Voor de Franse Gemeenschap werd zij gedeeltelijk opgeheven, incluis artikel 21, door een decreet van het Waalse Gewest van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen. Voor de Duitstalige Gemeenschap is het decreet van 19 juni 1990 »zur Schaffung einer Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung sowie für die besondere soziale Fürsorge« van toepassing.

Wat de plannen van de regering op wettelijk vlak betreft, kan enerzijds worden verwezen naar de Werkgelegenheidsconferentie en anderzijds naar de Europese richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep.

Eén van de doelstellingen van de Werkgelegenheidsconferentie was de hogere participatie van bepaalde ondervertegenwoordigde groepen via de verwezenlijking van de gelijke toegang tot de arbeidsmarkt voor allen door de achterstand van sommige groepen weg te werken en door op grote schaal een diversiteitsmanagement te ontwikkelen.

Gelijke toegang tot werkgelegenheid voor alle groepen die ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt, waaronder ook personen met een handicap, impliceert met name inzicht in de processen die leiden tot discriminatoire situaties evenals bijzondere aandacht voor de groepen die oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid.

Het meerjarenplan moet leiden tot de inbedding van het mainstreamingprincipe in het werkgelegenheidsbeleid. Meerdere pistes worden verkend, met name de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen, de sociale labeling, de sociale balans of de sociale clausules in de overheidsopdrachten. De verschillende regio's hebben elk op hun beurt specifieke contextvariabelen die cruciaal zijn om in rekening te brengen bij de uitwerking van dit beleid.

Naar aanleiding van de Werkgelegenheidsconferentie werd algemeen erkend dat er in het globale werkgelegenheidsbeleid voldoende aandacht moet gaan naar de gelijke toegang van elkeen en naar de discriminaties die bestaan bij aanwerving in het bijzonder. De gefedereerde entiteiten en de federale regering zullen elk in hun bevoegdheidsdomein en in nauw overleg de vereiste inspanningen leveren om hun doelstellingen te bereiken.

Het meerjarenplan tegen de discriminatie en de bijzondere aandacht voor de groepen die oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid zal berusten op de volgende elementen:

ten eerste, een akkoord van de verschillende partijen over de globale doelstellingen inzake gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en over de te bereiken doelgroepen, met het oog op een verhoogde participatie op de arbeidsmarkt van de meer kwetsbare sociaal - economische groepen, rekening houdend met de regionale kenmerken van de arbeidsmarkt;

ten tweede, de evaluatie van het huidige beleid, met steun van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen, de FOD en andere instrumenten voor de observatie van de arbeidsmarkt;

ten derde, de uitwisseling van prioriteiten en precisering van toekomstige acties, met name de voorbeeldfunctie van de overheid, de verantwoordelijkheid van de sociale partners, het diversiteitsmanagement, enzovoorts.

De federale regering engageert zich om het diversiteitsmanagement, gestoeld op het idee van gelijke kansen en diversiteit, binnen de ondernemingen aan te moedigen. De federale overheid zal daartoe een aantal instrumenten waaronder de diversiteitsplannen uitwerken en onderzoeken. Bovendien zal de federale regering, samen met de gefedereerde entiteiten, een denkoefening ondernemen in verband met de geschikte methodologie die kan worden aangenomen om het beleid te monitoren inzake gelijke kansen en participatie van groepen die oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid, waaronder de personen met een handicap. Het spreekt voor zich dat de federale regering als overheid ook haar voorbeeldfunctie moet opnemen, meer bepaald door de overheidsbedrijven en het openbaar ambt open te stellen via positieve acties.

Naar aanleiding van de Werkgelegenheidsconferentie werd de medewerking van de sociale partners gevraagd, meer bepaald om te onderzoeken op welke wijze zij de plannen inzake diversiteitsmanagement, zowel op sector - als op ondernemingsniveau kunnen ondersteunen. Er werd hen ook gevraagd om bij de definiëring van risicogroepen rekening te houden met groepen die ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt en desgevallend, onder andere via het instrument van de sectorale fondsen, specifieke acties - opleiding, begeleiding, sensibilisering enzovoorts - uit te werken voor deze groepen. Zij zullen ook acties ondernemen ter bevordering van de gelijke kansen in de ondernemingen.

De concrete uitwerking van die plannen zal worden onderzocht door een werkgroep die door mijzelf als minister van Werkgelegenheid en door de minister van Gelijke Kansen wordt voorgezeten. De resultaten van die werkgroep zullen worden gebruikt als input voor de subwerkgroep van de interministeriële Conferentie over het grootstedenbeleid en de interculturaliteit. De resultaten van de werkzaamheden zullen het uitgangspunt vormen voor de interministeriële Conferentie over het grootstedenbeleid en de interculturaliteit en de interministeriële Conferentie over de personen met een handicap.

Een meer concreet gegeven is de Europese Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep. Deze richtlijn verbiedt elke vorm van directe of indirecte discriminatie op de arbeidsmarkt, meer bepaald op grond van een handicap. De richtlijn bepaalt overigens dat een werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen moet nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen (toegang te krijgen tot een baan, de baan uit te oefenen en erin te groeien) dan wel om een opleiding te genieten. Deze bepalingen moeten uiterlijk op 2 december 2003 in nationaal recht zijn omgezet, met eventueel een bijkomend uitstel van drie jaar.

Deze wettelijke verplichtingen zijn al opgenomen in de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

De Interministeriële Conferentie voor personen met een handicap heeft op 30 januari 2003 overigens besloten om de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg aan te wijzen als proefdepartement voor het uitwerken van de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van de bepalingen betreffende de redelijke aanpassingen voor personen met een handicap. Hiertoe werd een subgroep opgericht.

Artikel 2, §3 van bovengenoemde wet van 25 februari 2003 refereert aan de redelijke aanpassingen voor personen met een handicap in die zin dat het ontbreken van dergelijke aanpassingen een discriminatie vormt.

In het kader van de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van de bepalingen betreffende de redelijke aanpassingen voor personen met een handicap, werd voorgesteld om een vademecum op te stellen voor de betrokkenen - de werkgevers en de personen met een handicap - waarin de regelgeving in dezen wordt uitgelegd, waarin voorbeelden en goede toepassingen inzake redelijke aanpassingen worden gegeven, ...

Op 8 mei 2002 heeft de Vlaamse Gemeenschap een het decreet houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt afgekondigd. Dit decreet beklemtoont dat het Vlaams beleid inzake werkgelegenheid moet worden georganiseerd overeenkomstig de principes van de evenredige participatie. De participatie op de arbeidsmarkt moet evenredig zijn met de samenstelling van de actieve bevolking en conform het beginsel van de gelijke behandeling, wat inhoudt dat er geen enkele vorm van directe of indirecte discriminatie of intimidatie op de arbeidsmarkt mag plaatsvinden.

De andere gemeenschappen en gewesten zijn elk op hun bevoegdheidsdomein bezig met de omzetting van de Europese richtlijn. In de loop van volgende maanden zullen die plannen geconcretiseerd worden.

Voor de cijfers verwijs ik naar de bijzondere module over tewerkstelling van mensen met een handicap dat in het tweede kwartaal van 2002 werd toegevoegd aan het onderzoek over de arbeidskrachten van het Nationaal Instituut voor de Statistiek. Ik zal enkele cijfers citeren uit een samenvattende tabel.

Het algemene gemiddelde van personen met een chronisch gezondheidsprobleem of met een handicap bedraagt 16,7% van de totale bevolking. Bij de werkloze bevolking bedraagt dit gemiddelde 20,3%, bij de niet-actieve bevolking 24,3% en bij de actieve bevolking 11,9%. Personen met een handicap zijn dus overduidelijk ondervertegenwoordigd in de actieve bevolking.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de minister voor dit uitvoerige antwoord. Ik kan de inspanningen van de regering om de openbare en de privé-sector bij het in dienst nemen van personen uit de betrokken doelgroepen te steunen alleen maar toejuichen.

Als de regering de toepassing van de Europese richtlijn en van de Belgische wet van 25 februari ter harte neemt, zal dat nuttig zijn voor een groot aantal mensen met een handicap die nog steeds niet aan de slag kunnen. Een en ander heeft niet alleen een gunstige weerslag op hun inkomen, maar ook op hun levenskwaliteit en hun tijdsbesteding. Naar buiten kunnen en contacten leggen op de werkvloer is essentieel voor een evenwichtige ontwikkeling.

De voorzitter. - De volgende vergadering vindt plaats donderdag 27 november 2003 om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Lizin en Thijs, de heren Chevalier, De Clerck, Germeaux en Paque, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Francis Poty, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Onthoudingen

Hugo Vandenberghe.

Stemming 2

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Michel Guilbert, Patrick Hostekint, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 3

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 4

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de Nederlandse tekst van artikel 10, laatste lid, van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof (van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems; Stuk 3-318/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 12 van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen (van de heer Jean-Marie Dedecker; Stuk 3-321/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende de rechten van vrijwilligers (van mevrouw Christel Geerts; Stuk 3-323/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 22 van het Wetboek van Belgische nationaliteit met het oog op het instellen van een dubbele nationaliteit voor de Belgische onderdanen die een vreemde nationaliteit aannemen (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Stuk 3-326/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot indexering van de pensioenrenten (van de heer Jean-Marie Dedecker c.s.; Stuk 3-327/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek om er een bemiddelingsprocedure in te voegen (van mevrouw Nathalie de T' Serclaes ; Stuk 3-343/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 123 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dat Hof (van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems; Stuk 3-322/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Michel Guilbert aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "het ontwerp van internationaal verdrag over wapenhandel" (nr. 3-57)

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "de houding van de Belgische regering betreffende het artikel van het ontwerp van Europese Grondwet inzake de kerken en de niet-confessionele organisaties" (nr. 3-58)

van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over "de procedure voor het stemmen van Belgen in het buitenland bij de Europese en Vlaamse verkiezingen" (nr. 3-59)

van de heer Patrick Hostekint aan de minister van Landsverdediging over "de hervatting van de militaire samenwerking met Congo" (nr. 3-60)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 18 november 2003 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp houdende overname door de Belgische Staat van de wettelijke pensioenverplichtingen van de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom ten opzichte van haar statutair personeel (Stuk 3-333/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Boodschap van de Kamer

Bij boodschap van 13 november 2003 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende terroristische misdrijven (Stuk 3-332/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 november 2003; de uiterste datum voor evocatie is maandag 1 december 2003.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, en met de Bijlage, aangenomen te New York op 9 december 1999 (Stuk 3-338/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van Canada tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Ottawa op 23 mei 2002 (Stuk 3-339/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Belgisch-Congolees fonds voor delging en beheer

Bij brief van 12 november 2003 heeft de voorzitter van het Belgisch-Congolees Fonds voor delging en beheer, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 8 september 1983 aan de Senaat overgezonden het jaarverslag van het Belgisch-Congolees fonds voor delging en beheer voor 2002-2003.

-Neergelegd ter Griffie.

Europees Parlement

Bij brief van 17 november 2003 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergadering van 20 tot 23 oktober 2003.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.