5-98

5-98

Belgische Senaat

5-98

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 18 APRIL 2013 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Mondelinge vragen

Wetsontwerp betreffende de door de advocaten van de partijen medeondertekende onderhandse akte (Stuk 5-1936) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (Stuk 5-1922) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen (Stuk 5-1923)

Wetsontwerp tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren (Stuk 5-62) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 433quinquies van het Strafwetboek met het oog op het verduidelijken en het uitbreiden van de definitie van mensenhandel (Stuk 5-711) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming

Inoverwegingneming van voorstellen

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Samenstelling van commissies

Vragen om uitleg

Niet-evocaties

Grondwettelijk Hof - Arresten

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Hof van Beroep

Parketten

Arbeidsauditoraten

Rechtbanken van eerste aanleg

Arbeidsrechtbanken

Rechtbanken van koophandel

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Nationale Arbeidsraad

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad

Europees Parlement


Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de eerste minister over «het wapenembargo tegen Syrië en de politieke houding ten opzichte van het Syrische conflict» (nr. 5-941)

De voorzitster. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw, antwoordt.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Eind mei loopt het wapenembargo tegen Syrië af. Frankrijk en Groot-Brittannië willen, eventueel vóór eind mei, een verregaande versoepeling van het embargo forceren, of als de andere EU-landen daar niet voldoende toe bereid zijn, het embargo gewoon laten aflopen.

Het EU-embargo werd op 28 februari reeds door de Europese Raad aangepast: de levering van `semimilitair' materiaal zoals pantserwagens en kogelvrije vesten is toegestaan. Als reden voor die versoepeling werd gesteld dat het de bedoeling was de oppositie beter te bewapenen zodat ze met gelijke wapens zou kunnen vechten. Daarnaast wilde Europa de gematigde en seculiere vleugel binnen het verzet versterken ten opzichte van de jihadistische groeperingen.

Op 23 april vindt een NAVO-top plaats. Daar zal het embargo ongetwijfeld verder worden besproken. Minister Reynders verklaarde eerder al dat hij persoonlijk geen voorstander van een versoepeling was.

De argumenten voor een versoepeling wegen niet op tegen de nadelen. Er zijn al veel te veel wapens in Syrië. De toevoer van nog meer wapens zal het conflict waarschijnlijk alleen maar rekken en de kansen op een vreedzame oplossing nog verkleinen.

De oppositie tegen Assad bestaat uit zeer diverse groepen, waaronder zeer sektarische groeperingen, met niet altijd duidelijke en soms zelf tegengestelde agenda's. Militaire steun bieden aan die groepen kan de instabiliteit in Syrië nog vergroten. Het is onduidelijk waar de wapens uiteindelijk terecht komen.

De wapens verdwijnen niet na de beëindiging van een conflict, maar ze duiken vaak op bij andere strijdgroepen, in Syrië zelf of in omringende landen, met langdurige negatieve gevolgen voor de regio.

Er wordt een wapenwedloop gecreëerd. De tegenpartij zal op haar beurt op zoek gaan naar meer en betere wapens. Het conflict zit bijgevolg muurvast. Beide partijen, of beter gezegd heel veel partijen, beseffen dat ze bij een militaire nederlaag het gelag zwaar zullen betalen. Het maakt de strijdende partijen nog meer vastberaden en meedogenloos. Vanuit een humanitair perspectief is een militaire overwinning zelfs niet wenselijk meer. Een versterking van de gewapende oppositie betekent dat die oppositie wordt aangemoedigd om op een militaire overwinning, of minstens op een militair status quo, in te zetten eerder dan op een politieke uitweg, of zelfs op een politieke verbreding van de oppositie.

Er moet volop worden ingezet op diplomatieke oplossingen. Er moet meer worden gedaan om met name Rusland ertoe te bewegen zijn steun aan het Syrische regime op te zeggen. De levering van wapens zal contraproductief werken. Bovendien is een wapenlevering voor jonge Belgische en Vlaamse strijders een perfect alibi om naar het Syrische conflict te trekken.

Welk standpunt zal België innemen met betrekking tot het voorstel om het wapenembargo tegen Syrië te versoepelen of te laten aflopen? Is de premier het ermee eens dat meer wapens niet de oplossing zijn, maar integendeel tot een escalatie van het conflict zullen leiden? Beseft de eerste minister dat die strategie op zijn minst zeer kortzichtig kan worden genoemd, rekening houdend met de onduidelijkheid en de wisselvalligheid van de oppositiegroeperingen?

Kan de Europese Unie zich daarom niet beter inzetten voor een breed gedragen wapenembargo en voor het begin van een diplomatieke oplossing, die door de gehele internationale gemeenschap wordt ondersteund? Zal de eerste minister bij gelijkgestemde naties steun zoeken om een tegengewicht te vormen tegen de druk vanuit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk?

Ik hoor sommige ministers zeggen dat jongeren die naar Syrië gaan strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Ik hoor dat zelfs scholen worden ingeschakeld om met de Staatsveiligheid samen te werken. Het is dan ook bijzonder hypocriet om als land een wapenembargo op te zeggen en tegelijkertijd de wapenhandel pakken geld te laten verdienen met dit dramatische humanitaire conflict in Syrië.

Ik hoop dat de minister namens de regering een forse uitspraak kan doen door te zeggen dat België zich achter het wapenembargo blijft scharen.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken.

Ik heb al meerdere keren de kans gehad om mij over deze kwestie uit te spreken en mijn standpunt is niet veranderd. Vanuit een humanitair oogpunt is de situatie in Syrië catastrofaal en ze verergert naargelang het conflict blijft duren. België en de Europese Unie hebben altijd de voorkeur gegeven aan een politieke oplossing en hebben via alle niet-militaire, dus diplomatieke en economische middelen druk uitgeoefend op het Syrische regime om het principe van een transitie na onderhandelingen te aanvaarden.

Wij moeten erkennen dat onze demarches tot nog toe niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd. We moeten onze inspanningen om de internationale gemeenschap ertoe aan te zetten een gemeenschappelijke actie te ondernemen, zeker niet stopzetten. We moeten echter realistisch zijn: Rusland en Iran zullen het Syrische regime niet laten vallen zolang dat een kans heeft om aan de macht te blijven.

We weten dat op militair vlak wapens en technische assistentie blijven toestromen, zowel bij het regime als bij sommige rebellengroepen. Het lijkt erop dat de radicale groepen de voornaamste begunstigden zijn. Het conflict kristalliseert zich tussen enerzijds een regime dat zich schuldig maakt aan grootschalige oorlogsmisdaden en anderzijds een gewapende oppositie waarvan de meest efficiënte milities dicht bij Al-Qaida aanleunen en de oprichting van een radicaal islamitisch regime als doel hebben. Net de gematigde groepen die de revolutie in naam van de democratische beginselen zijn begonnen, zijn de enige die niet over middelen beschikken.

In die omstandigheden heb ik begrip voor het standpunt van degenen die een selectieve hulp wensen te bieden aan een aantal gematigde bewegingen die de bevolking kunnen beschermen en zo hopen te voorkomen dat die gematigde groepen door extremistische bewegingen worden gemarginaliseerd. Ik heb er echter ook al meermaals op gewezen dat we heel voorzichtig moeten zijn en erop moeten toezien dat mechanismen worden ingesteld die kunnen voorkomen dat de wapens, en vooral dan de gevaarlijkste wapens zoals raketten, in foute handen komen. Het debat is niet afgerond en de versplintering van de oppositie maakt het er niet makkelijker op.

In dit stadium, nu er meer dan 70 000 doden zijn en heel het land is verwoest, zijn er geen goede opties meer. Ik moet vaststellen dat de Europese Unie eens te meer haar onvermogen heeft aangetoond om in haar directe nabijheid op te treden en een bevolking te beschermen. Indien tegen eind mei geen akkoord wordt bereikt over de selectieve opheffing van het embargo, dan zal het hele embargo waarschijnlijk niet worden verlengd. Verscheidene partners werken momenteel aan compromisvoorstellen waardoor het embargo kan worden gehandhaafd en er tegelijkertijd een zekere marge blijft om de gematigde oppositie te steunen.

Die denksporen zijn verre van afgerond en ik kan nu nog niet zeggen wat het standpunt van België zal zijn. Mijn eerste prioriteit is de verdeeldheid binnen de Europese Unie over dit dossier weg te werken en ook te voorkomen dat een eventuele consensus alleen zou neerkomen op niets doen, wat helaas meestal de gemakkelijkste optie is.

Het fenomeen van de Belgen die in Syrië gaan strijden, is een duidelijke illustratie van het gevaar dat is ontstaan doordat men dit conflict heeft laten verrotten.

Elk geval is uniek en vraagt om een specifieke aanpak. Het kan echter niet worden betwist dat sommigen ongetwijfeld ontroerd zijn door het lijden van de bevolking en geschokt zijn door de onmacht van de internationale gemeenschap, terwijl anderen hierin een kans zien om een militaire opleiding te krijgen voor terroristische doeleinden.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik ga ervan uit dat minister Laruelle namens de voltallige regering heeft gesproken. Ik had mijn vraag immers aan de eerste minister gesteld, maar de minister zegt dat ze het antwoord van de vice-eersteminister leest.

Ik ben het eens met de analyse van de minister. Het gaat immers om een heel complex en ernstig probleem. Ik begrijp de frustratie en de woede van de bevolking, die het gevoel heeft dat heel de internationale gemeenschap haar in de steek laat.

Toch geloof ik niet dat de bewapening van al die fracties tot enig resultaat zal leiden. Ik ben er dan ook fundamenteel van overtuigd dat we alles in het werk moeten stellen om het embargo te handhaven, maar dat mag niet tot gevolg hebben dat we op het terrein niets doen. We moeten misschien ook over andere sporen nadenken. De internationale gemeenschap is nu al actief op het gebied van bewapening. Rusland en Iran, enerzijds, en Saudi-Arabië, Irak en Qatar, anderzijds, leveren massaal wapens en verdienen daar goed aan. Dat moet worden gestopt. Ik denk niet dat Europa een rol moet spelen in de wapenleveringen. Misschien moeten we iets meer doen dan alleen humanitaire acties opzetten en naar een politieke oplossing zoeken, maar ten gronde moeten we de bendes van elkaar scheiden en zorgen dat de bevolking in veiligheid is.

Ik vraag de minister dan ook de regering erop te wijzen dat elke versoepeling van het embargo volgens mij tot grotere catastrofes aanleiding zal geven.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine Vermeulen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over «de etikettering van de producten uit de door Israël bezette gebieden» (nr. 5-944)

De voorzitster. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw, antwoordt.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA). - In mei 2012 engageerden de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie zich ertoe de relevante Europese wetgeving over nederzettingsproducten toe te passen.

In overeenstemming met deze Europese richtlijn bepaalt de wet op de handelspraktijken en consumentenbescherming dat informatie die de beslissing van de consument om een bepaald product te kopen kan beïnvloeden, voorhanden moet zijn. De Europese Commissie heeft bevestigd dat deze richtlijn van toepassing is op producten uit Israëlische nederzettingen en dat het de verantwoordelijkheid is van de nationale autoriteiten en juridische instanties om ervoor te zorgen dat deze richtlijn nageleefd wordt.

Een aantal lidstaten zette ondertussen stappen om een onderscheid te maken tussen producten uit Israël zelf en uit de illegale nederzettingen in bezet gebied op de Westelijke Jordaanoever, de Golanhoogten en Oost-Jeruzalem.

Concreet namen zij maatregelen waardoor de consument het onderscheid kan maken tussen producten uit Israël zelf en producten uit de nederzettingen.

Ook in buurland Nederland zullen in de toekomst de etiketten op producten duidelijk moeten aangeven of ze uit Israël dan wel uit de nederzettingen in Palestijns gebied afkomstig zijn.

Vorig jaar stelde minister Reynders dat de consument met betrekking tot de nederzettingsproducten het recht heeft om geïnformeerd te zijn over de oorsprong van een product en om te weten waar het vervaardigd werd.

Vorige maand zei minister van Consumentenzaken Vande Lanotte in een radio-interview dat producten uit de gebieden die Israël bezet volgens het internationaal humanitair recht niet onder het label "Made in Israël" kunnen worden verkocht, en vooral dat de Belgische regering een gezamenlijke labeling wenst voor de hele Benelux.

Wat is het standpunt van de federale regering ter zake? Zal ons land het initiatief van Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken volgen?

Heeft de minister al contact gehad met zijn Beneluxcollega's met betrekking tot een gezamenlijke labeling? Welke andere EU-lidstaten houden dit initiatief in beraad?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - In overleg met minister Vande Lanotte bestudeer ik het uitvaardigen van vrijblijvende richtlijnen voor de handelaars met betrekking tot de etikettering van producten uit de nederzettingen.

Dit initiatief, dat gericht is op een goede voorlichting van de consument, zou deel moeten uitmaken van een gezamenlijk initiatief in een ruimer Beneluxkader. De werkzaamheden verlopen in nauw contact met mijn Nederlandse en Luxemburgse collega's, maar er zijn ook contacten tussen de respectieve ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken.

Dit Beneluxoverleg vindt plaats in een Europees kader. Er wordt dan ook geregeld gediscussieerd in de Europese Unie over de implementatie van de Raadsconclusies van mei 2012, waarnaar de spreker verwijst. Mevrouw Ashton heeft trouwens de ministers van Buitenlandse Zaken gevraagd om de aandacht van de andere ministers en departementen te vestigen op deze aangelegenheid.

De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en de Commissie zijn ook bereid om samen te werken met de bevoegde nationale autoriteiten. De EU-instellingen zijn ook vast van plan EU-richtlijnen voor te bereiden in dit verband.

Samen met de Beneluxpartners zijn mijn diensten in contact met een tiental andere landen, die de inspanningen van de Hoge Vertegenwoordiger ook actief steunen.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA). - Ik veronderstel dat de door de minister vermelde vrijblijvende richtlijnen gewone richtlijnen zullen worden, want een duidelijke labeling is het logisch gevolg van het Europees standpunt dat de Israëlische nederzettingen in Palestijns gebied illegaal zijn onder internationaal recht. Standpunten op papier moeten ook op het terrein worden uitgevoerd. Helaas bestaat er vaak nog een te grote discrepantie tussen algemene verklaringen en wat daarmee in de praktijk gebeurt. Ik hoop dat dit snel kan veranderen.

Mondelinge vraag van mevrouw Fatiha Saïdi aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het inzetten van privédetectives door bedrijven in het kader van het aanwerven of het ontslaan van personeel» (nr. 5-938)

Mevrouw Fatiha Saïdi (PS). - Een verslag over privédetectives van de commissie voor de Binnenlandse zaken van de Kamer vermeldt dat bedrijven steeds meer een beroep doen op privédetectives om hun personeel te bespioneren.

Die praktijk is misschien begrijpelijk in het kader van industriële spionage of deloyale concurrentie, maar hij is niet aanvaardbaar bij een aanwerving waarbij het de bedoeling is een werkgever informatie te verschaffen over het privéleven van een personeelslid.

De ondernemers zeggen dat ze een detective inschakelen om bedrog door een toekomstige kandidaat op te sporen.

Het blijkt evenwel dat detectivebureaus veel minder lovenswaardige, zelfs illegale controles doen: controle van het tijdsgebruik van het personeel; controle van ziekteverlof; inlichtingen inwinnen en moraliteit onderzoeken van huidige, vroegere of toekomstige medewerkers.

Die praktijken, die buiten medeweten van de werknemers plaatsvinden, zijn verontrustend als ze als doel hebben zich op een goedkope manier van werknemers te ontdoen.

Welke onderzoeken zijn toelaatbaar binnen een onderneming? Welke maatregelen kunnen eventueel worden genomen om die illegale praktijken af te remmen?

Mevrouw Monica De Coninck, minister van Werk. - Zoals ik eerder reeds heb meegedeeld in een perscommuniqué na artikelen in de pers over dat thema, is de praktijk om een privédetective in te schakelen om de werknemers in de gaten te houden, niet altijd legaal.

Het recht op eerbiediging van het privéleven kan enkel worden ingeperkt overeenkomstig de voorwaarden van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Grondwet. In de beperking moet wettelijk zijn voorzien, ze is slechts mogelijk in het kader van een gerechtvaardigd doel en ze moet proportioneel zijn.

In de specifieke situatie van een professionele relatie, is de controle slechts gerechtvaardigd als ze relevant is voor de uitvoering van die relatie.

Het recht tot uitoefening van gezag van de werkgever stuit onmiddellijk op de grens van het fundamentele recht op de eerbiediging van het privéleven van de werknemer. Het gezag is aanwezig zodra er een arbeidsovereenkomst bestaat. Met andere woorden, het verslag van een privédetective mag nooit over het privéleven van een werknemer gaan in het kader van de arbeidsrelatie.

Bovendien moet de werkgever zijn personeel op de hoogte brengen van die controlemogelijkheid, zoals bijvoorbeeld in het geval van de installatie van bewakingscamera's.

Om tot een betere afbakening te komen - het concept "gezag van de werkgever" is immers nogal vaag - en om de inschakeling van detectives door een werkgever met het oog op het controleren van de werknemer te verduidelijken, heb ik op 28 maart aan de NAR gevraagd de kwestie te onderzoeken. Het doel is die praktijken een plaats te geven in de relatie tussen werkgever-werknemer.

Mevrouw Fatiha Saïdi (PS). - Het antwoord van de minister lijkt in de goede richting te gaan. Het antwoord van minister Milquet krijg ik straks.

De wetgeving zou dat soort praktijken niet mogen toestaan. Ik wacht dus met ongeduld af of ze zullen worden verboden, of op zijn minst gereglementeerd. Ik kijk eveneens met ongeduld uit naar de voorstellen van de minister en van haar diensten.

De voorzitster. - Ik betreur het dat de regering geen globaal antwoord op deze vraag kan geven. Een minister wordt verondersteld de regering te vertegenwoordigen. We zullen het reglement bestuderen en nagaan hoe we ervoor kunnen zorgen dat een dergelijke situatie zich niet meer voordoet.

Mondelinge vraag van de heer Filip Dewinter aan de minister van Justitie over «de arrestatie van een radicale moslim» (nr. 5-936)

De heer Filip Dewinter (VB). - Vorige dinsdag hebben de politiediensten om 6 uur 's morgens de leider van Sharia4Belgium, Fouad Belkacem alias Abu Imran, voor de zoveelste keer opgepakt voor verhoor. Dat gebeurde met veel machtsvertoon en in aanwezigheid van heel wat cameraploegen, fotografen en journalisten. Op hetzelfde moment werden nog een aantal andere leden van Sharia4Belgium opgepakt voor verhoor.

Ik heb begrepen dat de minister, in het kader van de antiterrorismewetgeving, van plan is om streng op te treden.

Ik noteer ook dat de woordvoerder van het Antwerpse parket Sharia4Belgium tijdens een persconferentie bestempeld heeft als een terroristische organisatie. Het werd in mijn ogen hoog tijd dat dat gebeurde.

De Marokkaanse overheid vraagt al geruime tijd om de uitlevering van Fouad Belkacem, die in Marokko veroordeeld is wegens drugsdelicten. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de Belgische nationaliteit af te nemen van de betrokkene, die op het ogenblik zowel de Belgische als de Marokkaanse nationaliteit heeft.

Hoewel de minister dus aankondigt streng te willen optreden tegen Fouad Belkacem, stel ik vast dat tot op heden geen van beide mogelijkheden in de praktijk is gebracht om snel van de betrokkene af te geraken.

Mijn vraag aan de minister is zeer eenvoudig. In hoeverre is de minister van Justitie van plan in te gaan op het Marokkaanse verzoek om uitlevering van Fouad Belkacem?

Is de minister bereid om de procedure op te starten om hem zijn Belgische nationaliteit af te nemen, gelet op het feit dat het parket van oordeel is dat hij de leider is van een terroristische organisatie? Zal de minister in dat verband gebruik maken van haar positief injunctierecht?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Begin vorig jaar is een federaal strafonderzoek naar inbreuken op de terrorismewetgeving opgestart door het federaal parket en het parket van Antwerpen.

Met dat gerechtelijk onderzoek wordt nagegaan of de feitelijke groepering Sharia4Belgium deel uitmaakt van een terroristische groepering, wat strafbaar is op basis van de artikelen 137 tot 140 van het Strafwetboek. Daarnaast wordt ook onderzocht of, en in welke mate, de personen waaruit Sharia4Belgium bestaat, deelnemen aan de activiteiten van die groep, of er zelfs een leidende rol in hebben.

Het parlement heeft recent op mijn aansturen een wetsontwerp goedgekeurd dat de terrorismewet nog uitgebreid en verstrengd heeft. Voortaan zijn ook de volgende daden strafbaar met een gevangenisstraf van 5 tot 10 jaar: het aanzetten tot het plegen van een terroristische daad; het rekruteren van mensen om een terroristische daad te plegen, of het rekruteren van mensen als lid van een terroristische organisatie; het opleiden van mensen of het volgen van een opleiding met het oog op terroristische doeleinden.

Zoals steeds komt het finaal toe aan een onafhankelijke rechter om te beoordelen of die wet al dan niet van toepassing is.

In opdracht van de gespecialiseerde Antwerpse onderzoeksrechter terrorisme, viel de federale gerechtelijke politie gisteren binnen op 48 plaatsen in de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant, in Brussel en in Charleroi.

Er werden 32 huiszoekingen verricht in de provincie Antwerpen, vooral in de stad Antwerpen. In Brussel en in Vlaams-Brabant zijn 15 huiszoekingen verricht.

Bij die huiszoekingen werden zes personen van hun vrijheid beroofd en ter beschikking gesteld van de onderzoeksrechter. Vier personen werden onder aanhoudingsbevel geplaatst en zullen in de loop van de komende dagen voor de raadkamer verschijnen.

Bij die huiszoeking zijn computers, gsm's en geld in beslag genomen, maar er zijn geen wapens of explosieven aangetroffen.

Uit sommige elementen uit het onderzoek kan worden afgeleid dat Sharia4Belgium het jihadistische salafisme als ideologisch en militant referentiekader heeft. Het onderzoek heeft het bovendien mogelijk gemaakt de organisatiestructuur van Sharia4Belgium nauwgezet in kaart te brengen; ook zijn zowel de harde kern van leidinggevenden als de sympathisanten in beeld gebracht.

Fouad Belkacem, de woordvoerder van Sharia4Belgium, is een van de personen die gisteren zijn aangehouden. Hij zal de komende dagen voor de raadkamer verschijnen. In het verleden heeft hij reeds een aantal gevangenisstraffen opgelopen voor andere feiten, met name voor racisme en weerspannigheid. Op grond daarvan is hij op het ogenblik definitief veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Volgende week kan daar nog een andere straf bijkomen.

Een groot deel van de eerste straf, namelijk meer dan acht maanden, heeft hij reeds uitgezeten in de gevangenis. Ingevolge een verder onderzoek op twee niveaus draagt hij gedurende de resterende maanden een enkelband.

Uiteraard ligt het ook voor de hand dat strafuitvoering nog iets anders is dan strafonderzoek.

Voor de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit hoef ik mijn injunctierecht niet te gebruiken. Het parket-generaal is immers nog volop bezig met een dossier om de Belgische nationaliteit te kunnen afnemen. Het spreekt vanzelf dat uiteindelijk een onafhankelijke rechter zich zal moeten uitspreken. In hetzelfde verband is ook via rechtshulpverzoek informatie opgevraagd in Marokko. Het is ook mogelijk dat de huiszoekingen deze week nieuwe elementen hebben opgeleverd die aan het dossier moeten worden toegevoegd. Het parket-generaal onderneemt hoe dan ook al het nodige om tot een zo sterk mogelijk dossier te komen.

In verband met Syrië heeft Justitie met de huiszoekingen die deze week zijn gebeurd, zeker verantwoordelijkheid opgenomen. Toch moet ook benadrukt worden dat de problematiek gelaagd is. De terrorismewet biedt ons wel meer middelen, maar dat belet niet dat we de komende tijd aandacht moeten hebben voor nog andere initiatieven én voor de verantwoordelijkheid van andere beleidsniveaus om te voorkomen dat Justitie zich telkens met de zaak moet bezighouden.

De heer Filip Dewinter (VB). - Ik noteer dat de minister haar injunctierecht niet zal gebruiken omdat het parket-generaal van Antwerpen nog steeds bezig is met het onderzoek naar de mogelijkheid tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit. Daarvan was ik op de hoogte, maar dat onderzoek is al geruime tijd aan de gang. Misschien kan de minister erop aandringen dat het parket-generaal zijn onderzoek afrondt en tot conclusies komt. Ik heb de indruk dat men het onderzoek laat aanslepen opdat de minister op dat vlak haar verantwoordelijkheid niet zou hoeven te nemen.

Voorts heeft de minister hetzelfde antwoord voorgelezen als op 17 april in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken. Dat is wellicht gebruikelijk bij soortgelijke vragen, maar aan de andere kant heeft de minister niet geantwoord op mijn vraag in verband met een Marokkaans verzoek dat al acht jaar loopt. Marokko heeft inderdaad om de uitlevering van Fouad Belkacem verzocht ingevolge een veroordeling die hij heeft opgelopen wegens drugsdelicten op Marokkaans grondgebied. Graag had ik het standpunt van de minister over die kwestie gehoord. Ook al heeft de betrokkene de dubbele nationaliteit, er doet zich immers nu een unieke mogelijkheid voor om in te gaan op het Marokkaanse verzoek. Daarmee zou ons land in één klap van een lastig sujet verlost zijn.

.

Mondelinge vraag van de heer Louis Ide aan de minister van Justitie over «de internering» (nr. 5-943)

De heer Louis Ide (N-VA). - In 1964 en 2007 werden interneringswetten gepubliceerd. Die voorzagen in twee nieuwe forensische psychiatrische centra, één in Antwerpen en één in Gent. In Gent is de bouw ervan al bezig, maar in Antwerpen moet die nog beginnen.

Voor het centrum in Gent wordt nog een uitbater gezocht. Minister Onkelinx kon eerder deze week in de commissie wel, in antwoord op een vraag van de heer Anciaux, het geplande verloop van de openbare aanbesteding voor de toewijzing van een uitbater schetsen, maar ze antwoordde niet op mijn bijkomende vraag hoe men ervoor zal zorgen dat bij de bouw van het centrum rekening zal worden gehouden met de visie van de toekomstige uitbater. Een uitbater wil nu eenmaal ook mee bepalen hoe de instelling eruitziet. Men kan het centrum bouwen als een gevangenis, maar ook als een zorginstelling.

Aangezien de infrastructuur van de gevangenissen onder de bevoegdheid van de minister van Justitie valt, ben ik benieuwd naar de mening van de minister daarover. Het is niet alleen mijn bezorgdheid trouwens, maar ook die van Henri Heimans, de voorzitter van de commissie tot bescherming van de maatschappij in Gent. Ook hij wijst op de vele onduidelijkheden.

Tijdens de paasvakantie kreeg ik het nieuwe wetsvoorstel van collega Anciaux betreffende de internering onder ogen. Het viel mij op dat het voorstel gesteund wordt door senatoren van alle meerderheidspartijen behalve van de partij van de minister van Justitie. Dat doet mij de wenkbrauwen fronsen en wekt enige wrevel.

Ik wil absoluut niet dat er een nieuwe interneringswet komt waarvoor er, zoals voor de wet van 2007, geen uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd. Dan is er immers enkel het effect van een statement in de krant, maar gebeurt er verder niets. Dat wil ik niet.

Daarom wil ik van de minister van Justitie formeel horen of ze het voorstel van de heer Anciaux steunt en of ze bereid is bij de komende begrotingsbesprekingen de interneringsproblematiek als een prioriteit op de agenda te plaatsen en ervoor te zorgen dat er middelen worden vrijgemaakt. Dan pas heeft het voorstel van de heer Anciaux waarde.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Het gebeurt jammer genoeg dat wetten worden goedgekeurd, maar pas na jaren ook uitgevoerd. Dat komt vooral voor wanneer de wetten grote budgettaire implicaties hebben of wanneer er nog uitvoeringsbesluiten, bijsturing of verfijning nodig is. Een combinatie van beide factoren is natuurlijk ook mogelijk. Om die reden is de interneringswet uit 2007, die dus twee legislaturen geleden werd goedgekeurd, vooralsnog onuitgevoerd gebleven.

Ook al is dit een korte legislatuur en zijn de budgettaire middelen beperkt, toch hebben we de ambitie om ook op dit vlak stappen vooruit te zetten. We zijn al bezig met de overheidsopdracht tot oproeping van de kandidaturen voor het forensisch psychiatrisch centrum. Die loopt en uit dat dossier zullen we ook lessen kunnen trekken voor de opening van het forensisch psychiatrisch centrum in Antwerpen.

Voor de selectie van de geïnterneerden is enkel de commissie tot bescherming van de maatschappij of de strafuitvoeringsrechtbank bevoegd. Dat alleen deze instellingen geïnterneerden in een forensisch psychiatrisch centrum, FPC, kunnen plaatsen is een welbewuste keuze. Volgens de wetgeving kunnen beide naar eer en geweten oordelen welke geïnterneerden en profielen in aanmerking komen voor de FPC's die opengaan.

Aan de verankering van het FPC in het zorgnetwerk wordt heel veel belang gehecht om de rehabilitatie en de re-integratie van geïnterneerden in de maatschappij te waarborgen, maar ook om de uitstroom van geïnterneerden te garanderen. Dat laatste is natuurlijk minstens even belangrijk. Op het ogenblik dat mensen naar het normale zorgcircuit kunnen overgaan, moeten we er ook voor zorgen dat ze het FPC kunnen verlaten.

De totale kostprijs voor de exploitatie van het FPC van Gent wordt op verschillende tientallen miljoenen euro geraamd, ongeveer gelijk verdeeld tussen de departementen van Justitie en van Volksgezondheid. De budgetten hiervoor zullen worden aangevraagd bij de opmaak van de begroting voor 2014. De problematiek van de internering is voor een groot deel ook een zorgproblematiek. Het mag dan ook niet verwonderen dat daar kosten aan verbonden zijn.

Bij de inwerkingtreding van de interneringswet zal ook een budget moeten worden uitgetrokken voor de oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken internering, voor de gerechtskosten die voortvloeien uit de deskundigenonderzoeken met forensische specialisatie en voor de subsidiëring van de externe zorginstellingen die instaan voor de opname van de geïnterneerden. Dat budget moet dienen om de kosten van bepaalde administratieve taken en het levensonderhoud van de geïnterneerden te dekken, maar ook voor een uitbreiding van het personeel van de psychosociale dienst in de gevangenissen, dat meer zal moeten rapporteren aan de strafuitvoeringsrechtbanken over geïnterneerden binnen de gevangenismuren, en voor de oprichting van observatiecentra in de zin van de wet.

Het spreekt vanzelf dat de wetgeving op zich van belang is. Ik ben dan ook blij met elke politieke steun die er voor dit dossier is, want we weten allemaal hoe moeilijk de situatie en problematiek van geïnterneerden in de gevangenis is. Dat heb ik onlangs tijdens mijn bezoek aan de gevangenis in Brugge nog kunnen vaststellen.

De heer Louis Ide (N-VA). - De minister had het in haar antwoord vooral over de beslissingen die al zijn genomen, bijvoorbeeld over de centra van Gent en Antwerpen. Mijn specifieke vraag was eigenlijk of de minister en haar partij het wetsvoorstel Anciaux steunen en of ze er de nodige financiële middelen willen voor uittrekken. Het kostenplaatje van dat voorstel schommelt vermoedelijk rond tien miljoen euro, te verdelen over de budgetten van volksgezondheid en justitie. Alle meerderheidspartijen hebben het wetsvoorstel Anciaux ondertekend, behalve Open Vld. Komt dat door vergetelheid of wil de partij een statement maken?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Elk dossier dat de interneringen vooruithelpt, is een goed dossier en moet worden gesteund. We moeten er wel voor zorgen dat tegenover onze intenties de nodige budgettaire middelen staan. Ik herhaal dat ik met die bedoeling bij de begrotingsopmaak voor 2014 een dossier op tafel zal leggen.

De heer Louis Ide (N-VA). - Ik neem daar nota van. In het verleden zijn er nog dossiers ingediend, zonder succes. Ik zal de begrotingsopmaak afwachten, maar vrees dat het voorstel bij gebrek aan middelen een lege doos zal zijn.

De voorzitster. - Ik geef het woord aan de heer Anciaux voor een persoonlijk feit.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik vind het niet abnormaal dat de partij die de bevoegde minister levert, zich niet onmiddellijk uitspreekt, maar de reactie van die minister afwacht.

De begrotingsopmaak is de verantwoordelijkheid van de volledige regering. Wij vragen dus aan alle ministers om het nodige te doen voor de budgetten van Justitie en Volksgezondheid. Verder hoorde ik de minister zeggen dat ze alle punten van het wetsvoorstel steunt.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Arena aan de vice-eersteminister en minister van Pensioenen over «de expertengroep die zich over de toekomst van de pensioenen zal buigen» (nr. 5-939)

Mevrouw Marie Arena (PS). - De minister kondigde vorige week aan dat in samenwerking met zijn collega Laruelle een werkgroep zal worden opgericht die zich zal buigen over de pensioenen voor de periode 2020-2040.

In 2010 had zijn voorganger eenzelfde werkgroep geïnstalleerd. Die bestond uit een twaalftal deskundigen en had enkele vaststellingen gedaan en prioriteiten vastgelegd voor de toekomst en voor de duurzaamheid van de pensioenen. Dit alles werd gepubliceerd in een groenboek.

Graag kreeg ik van de minister informatie over de prioriteiten die in dat groenboek zijn opgesomd en over de meerwaarde van zijn expertengroep met betrekking tot de toekomst van de pensioenen.

De heer Alexander De Croo, vice-eersteminister en minister van Pensioenen. - Ik dank mevrouw Arena voor de gelegenheid de ze mij biedt om in de Senaat dieper in te gaan op de installatie van de commissie voor de hervorming van de pensioenen voor 2020-2040. Mijn collega Sabine Laruelle, bevoegd voor zelfstandigenpensioenen, en ikzelf hebben deze week een commissie van experts geïnstalleerd met een duidelijke en welomschreven opdracht, namelijk het uitwerken tegen begin volgend jaar van concrete en gedetailleerde hervormingsscenario's die effect zullen hebben tussen 2020 en 2040. Ze moeten de sociale en financiële duurzaamheid van de Belgische pensioenstelsels garanderen.

De opdracht is dus niet om een zoveelste analyse of stand van zaken op te maken, noch om vage aanbevelingen te formuleren. Dat is in het verleden al gebeurd, met name in het groenboek over de pensioenen. De Studiecommissie voor de Vergrijzing maakt ieder jaar een geactualiseerde berekening van de kostprijs van de vergrijzing. Haar voorzitster, mevrouw Masai, maakt overigens deel uit van de nieuwe commissie, zodat de continuïteit van het werk verzekerd is.

De opdracht van de expertencommissie is van een heel andere aard. De professoren en deskundigen zullen scenario's uittekenen, daarbij rekening houdend met de specificiteit van de Belgische pensioenstelsels, opdat de hervormingen waartoe de voorbij maanden is beslist en die nu worden doorgevoerd in de komende jaren zouden kunnen worden verdergezet.

De leden van de commissie zullen in alle onafhankelijkheid kunnen werken. Ik heb hen gevraagd om geen verklaringen af te leggen in de pers en heb me er zelf toe verbonden om geen commentaar te leveren over vragen die betrekking hebben op ons pensioenstelsel op lange termijn. Ze werken parallel met het hervormingstraject dat ik de komende maanden onverkort zal doorvoeren. De leden van de commissie kennen mijn beleidsnota voor de pensioenen en we hebben goed afgesproken welke thema's nog voor het einde van de legislatuur aan bod zullen komen.

Momenteel ben ik bezig met de hervorming van het overlevingspensioen, dat moet worden omgevormd tot een integratietegemoetkoming, zodat mensen die hun partner verliezen niet langer buiten de arbeidsmarkt gehouden worden.

Ik bereid ook een grotere harmonisering van de verschillende bestaande minimumpensioenen voor. Dat is van belang omdat er steeds meer mensen zijn met een gemengde loopbaan.

Voorts zal ik mij bezighouden met de aanvullende pensioenen en met het loslaten van de beperking tot de `eenheid van loopbaan', zodat elke werkdag, ook al wordt hij gepresteerd na een loopbaan van 45 jaar, meetelt voor het pensioen. Verschillende van die hervormingen zijn trouwens gebaseerd op de elementen uit het groenboek van 2010. Ik wil ook benadrukken dat de analyse die mijn voorgangers maakten in het groenboek al een grondslag vormde voor het regeerakkoord op dit gebied.

Zoals u ziet, werken we verder. Als minister moet ik er niet enkel voor zorgen dat de resem hervormingen uit het regeerakkoord nu wordt uitgevoerd, maar ook dat dit zonder ontsporingen kan gebeuren en dat al die hervormingen nauwgezet worden voorbereid. Zo kunnen ze doordacht worden uitgevoerd.

Men vergeet soms dat grote pensioenhervormingen steeds van toepassing zijn op duizenden mensen en een zekere invloed hebben op hun financiële toekomst. Het lijkt me redelijk om daarvoor gebruik te maken van de praktische en academische deskundigheid die in ons land aanwezig is.

Mevrouw Marie Arena (PS). - Ik noteer dat het werk van de voorgangers van de minister een basis vormt voor het huidige denkwerk. Daaruit kunnen concrete scenario's voor de toekomst van de pensioenen en voor de financiering ervan worden afgeleid. Dat is immers het voornaamste knelpunt.

We zullen de werkzaamheden van de expertencommissie aandachtig opvolgen. De verhouding tussen het repartitie- en het kapitalisatiesysteem is een heikel punt dat een parlementair debat verdient. We zullen dat de komende weken wellicht opnieuw bespreken.

De heer Alexander De Croo, vice-eersteminister en minister van Pensioenen. - Het allerbelangrijkste is de financiële en sociale duurzaamheid van ons pensioenstelsel. Het moet betaalbaar blijven, maar het mag ook niet leiden tot financiële kwetsbaarheid op grote schaal onder de gepensioneerden.

Mondelinge vraag van mevrouw Vanessa Matz aan de minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden over «de plaatsing van een snelheidsbegrenzer op lijn 42» (nr. 5-937)

De voorzitster. - De heer John Crombez, staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, antwoordt.

Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Meer dan twee jaar geleden werd een gedachtewisseling georganiseerd met de gedelegeerd bestuurders van de NMBS-groep en de minister om de inhoud van het ontwerp van het meerjareninvesteringsplan 2013-2015 te bespreken. Dat plan werd goedgekeurd door de drie raden van bestuur van de vennootschappen van de NMBS-groep, hoewel de cdH-bestuurders hadden tegen gestemd.

Het investeringsplan bevatte voor cdH onaanvaardbare elementen, waarvan ik de gedelegeerd bestuurders en minister Labille al op de hoogte heb kunnen brengen.

Een van de belangrijkste elementen die cdH weigert te aanvaarden is het lot dat de lijnen van categorie C beschoren is, namelijk de lijnen die regio's met een lage bevolkingsdichtheid aandoen, wat vooral in de provincie Luxemburg en het zuiden van Luik het geval is.

Op verschillende commissievergaderingen heeft de heer Lallemand, gedelegeerd bestuurder van Infrabel, bevestigd dat geen enkele lijn zou worden opgeofferd, dat het stopzetten van investeringen in onderhoud nooit op de agenda stond van om het even welke lijn en dat de lijnen A, B en C in dezelfde mate worden onderhouden. De heer Lallemand deed de classificatie van de lijnen en het verhaal dat de C-lijnen een zekere dood tegemoet zouden gaan wegens het stopzetten van de investeringen en het onderhoud af als praatjes, maar zei wel dat voor 2013 en 2014 een oplossing is gevonden voor het onderhoud van het hele spoornet, wat bewijst dat er tot op dat moment geen oplossing was.

Ik heb vernomen dat sinds 8 april snelheidsbeperkingen zijn ingevoerd op lijn 42, tussen Rivage en Gouvy op de sporen A en B, en tussen Vielsalm en Gouvy op spoor A.

Ik sta versteld. Een maand geleden verzekerden de minister en de verantwoordelijken van de NMBS-groep ons in de kamercommissie voor de Infrastructuur dat het onderhoud en de investeringen worden gehandhaafd en dat wie het tegengestelde beweert liegt. Vandaag wordt de snelheid op een internationale C-lijn verminderd omdat de dwarsliggers in slechte staat zijn en dus niet onderhouden zijn!

Bevestigt de minister de invoering van de snelheidsbeperking op lijn 42? Is die beperking te wijten aan de slechte staat van de spoorlijnen? Zo ja, waarom werden ze niet onderhouden, zoals beloofd was? Is de storing tijdelijk in afwachting van een snelle herstelling van de sporen? Heeft de minister een idee van de vertraging die de storingen op het traject naar Luik en naar Luxemburg kunnen veroorzaken?

Hoever staat het met de contacten van de minister met de NMBS-groep, in het bijzonder wat zijn brief over de toekomst van de C-lijnen betreft, die volgde op die van zijn voorganger, de heer Magnette? De minister had aan de NMBS-groep gevraagd zijn kopie over de C-lijn te herzien.

Ik hoop dat de antwoorden van de minister de pendelaars kunnen geruststellen. Zij worden al vele maanden zwaar op de proef gesteld en moeten eens te meer vaststellen dat ze niet echt kunnen rekenen hun transportmiddel.

De heer John Crombez, staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude. - Minister Labille staat erop te bevestigen wat in de commissie voor Infrastructuur werd gezegd, namelijk dat de wil bestaat om de spoorlijnen van categorie C in goede staat te houden zodat eenieders recht op mobiliteit gegarandeerd wordt, ook in de afgelegen regio's.

Wat lijn 42 betreft, heeft Infrabel de minister ervan op de hoogte gebracht dat een tijdelijk vertragingsorder moest worden opgelegd sinds 8 april 2013. Die situatie is het gevolg van de staat van de dwarsliggers. De snelheid is dus verminderd van 90 km per uur naar 60 km per uur. Dat veroorzaakt momenteel vertragingen van vijf tot tien minuten.

De dwarsliggers worden in 2014 vervangen omdat er een andere budgettaire prioriteit is op die lijn, namelijk de beveiliging van de rotswanden. Als een stuk rots valt, ligt het verkeer immers volledig stil. Een tijdelijke vertraging is dus te verkiezen boven een sluiting van de lijn.

De werken voor de beveiliging van de wanden zijn technisch zeer zwaar en dus zeer duur. Ze worden geschat op 1,5 miljoen euro. Die investeringen zijn een zeer duidelijk bewijs van de wil van Infrabel om het behoud van de lijn te verzekeren. Het voortbestaan van die lijn wordt helemaal niet op de helling gezet. De werken zullen uitgevoerd worden vanaf augustus 2013, met treinverkeer op een enkel spoor. De laatste keer dat er een rots afbrokkelde, was in februari jongstleden en dat is nog steeds zichtbaar. Tijdelijke vertragingswaarschuwingen zijn een courante praktijk in de uitbating van de spoorwegen en zijn gebaseerd op een precieze diagnose van de staat van de sporen en voortdurend toezicht.

Op het stuk tussen Vielsalm en Gouvy zijn de vertragingen te wijten aan een modderachtige strook die door het voorbije winterweer is ontstaan. De saneringswerken worden gepland zodra de weersomstandigheden gunstiger zijn, met andere woorden nu.

Wat de reistijd naar Luik en Luxemburg betreft, worden veiligheidsmarges in de dienstregelingen opgenomen om dergelijke storingen op te vangen. Afhankelijk van de voorziene vertraging door de werken, zullen de dienstregelingen worden aangepast. Het onderhoud van het spoor mag niet verward worden met de vernieuwing van de sporen zelf. Het onderhoud gebeurt regelmatig terwijl de vernieuwing plaatsvindt als de infrastructuur aan vervanging toe is. Het is dus niet juist dat de infrastructuur niet wordt onderhouden.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker, ondervoorzitter.)

De minister kan verzekeren dat zijn kabinet geregeld contact heeft met de NMBS-groep, meer bepaald in het kader van de overlegvergaderingen over het meerjareninvesteringsplan. Er wordt actief naar oplossingen gezocht om tegemoet te komen aan de vragen van de regeringsleden evenals van de regionale overheden over belangrijke thema's die in het investeringsplan zijn opgenomen. Het onderhoud van de C-lijnen is een van de prioriteiten die de minister wil gerespecteerd zien.

Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Ik dank de heer Crombez voor zijn antwoord namens minister Labille.

De minister heeft opnieuw blijk gegeven van zijn intentie om het net in goede staat te houden. Ik begrijp evenwel niet dat zo achter de feiten aan wordt gelopen. Ik begrijp dat het onderhoud van rotswanden niet kan worden gepland. De vervanging van dwarsbalken daarentegen is niet het resultaat van abnormale slijtage. De pendelaars vrezen dat na de vertraging tot 60 km per uur, een vertraging tot 40 km per uur zal volgen en uiteindelijk de definitieve opheffing van de treinen omdat ze te veel vertraging oplopen.

Ik zal regelmatig op dit dossier terugkomen. Het is uiterst belangrijk voor mijn regio.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude over «het gebruik van valse documenten om sociale uitkeringen te bekomen» (nr. 5-946)

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Lijnen aan de staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude over «de nepwerklozen en de nepinvaliden» (nr. 5-949)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Het arbeidsauditoraat van Brussel wil vijftien mensen voor de rechtbank brengen wegens het organiseren van een grootschalige fraude. Zowat tweeduizend valse werklozen zouden jarenlang onterecht uitkeringen hebben gekregen via het kopen van valse C4-attesten bij nepvennootschappen. Het criminele netwerk verkocht daarnaast nog valse invaliditeitsattesten, maar er is ook sprake van fraude met gezinsuitkeringen en met vakantiegeld. Het totaalbedrag van onterecht uitbetaalde uitkeringen zou oplopen tot minstens tien miljoen euro.

De inbreuken hielden jarenlang aan tot in 2011.

Justitie zal hier nu uiteraard werk van maken.

Toch had ik graag, met respect voor de scheiding der machten, van de staatssecretaris enige toelichting gekregen over dit soort fraude en over de manier waarop die nepvennootschappen te werk gaan.

Aangezien de zwendel jarenlang aan de gang is geweest, is mijn vraag welke maatregelen de staatssecretaris al heeft genomen of nog zal nemen om het gebruik van valse documenten beter op te sporen en vennootschappen met slechte bedoelingen aldus de pas af te snijden.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik deel de verontwaardiging van mevrouw Defraigne. In 2009 bracht de regering een rapport uit rond uitkeringsfraude met diverse verwezenlijkingen, waaronder het oprollen van 561 bedrijven die valse C4-attesten uitschreven. Het ging om 20 000 afnemers. Uit eerdere vragen blijkt dat in 2009 151 bedrijven tegen de lamp zijn gelopen en dat er 603 afnemers van attesten rond C4-fraude waren. In 2010 ging het om respectievelijk 133 bedrijven en 490 fraudeurs en in 2011 respectievelijk 166 bedrijven en 196 fraudeurs. Vandaag vernemen we dat bij een netwerk van 40 bedrijven, dat in 2006 werd opgerold, 2000 valse C4-attesten werden afgeleverd en in het totaal 3000 valse attesten. Het gerecht is geschrokken van het hoge aantal afnemers van deze attesten. Dit aanvoelen lijkt terecht. Ik vrees dat in het licht van die informatie het totaal aantal fraudeurs veel hoger zal liggen dan de 20 000 die in het rapport van 2009 werden vermeld.

Ik ben zeer verontwaardigd, vooral over de zogenaamde sanctie, of veeleer het gebrek aan sancties ten aanzien van de nepwerklozen en nepinvaliden. Zij moeten het onterecht uitgekeerde bedrag terugbetalen en als ze nu nog werkloos zijn, worden ze voor 52 weken geschorst. Deze zogenaamde zware sancties zijn veel te laag, temeer daar deze fraude zeer bewust werd gepleegd. Ik bepleit dan ook, naar het Nederlandse voorbeeld, dat fraudeurs naast het terugbetalen van de uitkering hetzelfde bedrag aan boete opgelegd krijgen. Bovendien moet de boete worden verrekend met de uitkering, waardoor zij tijdelijk minder of geen uitkering ontvangen. Deze fraude ondermijnt immers het solidariteitsmechanisme.

Kan de staatssecretaris gedetailleerd aangeven in hoeverre zijn diensten deze georganiseerde C4- fraude en invaliditeitsfraude sneller detecteren? Kan hij de recentste cijfers geven wat betreft het totaal aantal bedrijven, het totaal aantal nepwerklozen die hiervan gebruik maakten, alsook het totaalbedrag aan onterecht uitgekeerde werkloosheidsgelden?

Graag had ik vernomen of hij het er ook mee eens is dat frauderende uitkeringsontvangers de ten onrechte verkregen uitkering moeten terugbetalen én daarnaast hetzelfde bedrag aan boete opgelegd moeten krijgen, die wordt verrekend op de uitkering? Kan hij toelichten wat de wetgevende initiatieven zijn?

De heer John Crombez, staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude. - Dat dit soort fraude verontwaardigdheid oproept, is logisch. Georganiseerde sociale fraude is pure diefstal. Degenen die het organiseren moeten streng gestraft worden.

De C4-fraude in Gent werd vaak als voorbeeld aangehaald bij het uitleggen van het actieplan fraudebestrijding. In eerste aanleg kregen de hoofdbeklaagden in deze zaak tot vijf jaar gevangenisstraf. Twee van hen zitten momenteel effectief achter de tralies. De mededaders kregen tot twee jaar effectief. De gebruikers kregen in sommige gevallen werkstraffen en straffen tot zes maanden.

Ik vind dit één van de meest verwerpelijke, maar ook één van de moeilijkst te detecteren vormen van fraude.

Het fraudemechanisme dat vanochtend in de pers werd beschreven, dateert van het midden van de jaren 2000. Aangezien het om een gerechtelijk dossier gaat, kan ik u geen details geven over hoe het precies in zijn werk ging. Ik wil de rechtsgang immers niet in gevaar brengen. Het ging om een netwerk van fictieve bedrijven met vele vertakkingen, die op verschillende manieren diverse valse documenten afleverden aan hun klanten zodat die klanten valselijk konden beweren dat ze een reguliere baan hadden of dat ze recht hadden op socialezekerheidsuitkeringen. Die fictieve vennootschappen werden opgericht met de hulp van tussenpersonen. Vaak hebben ze geen enkel reëel bestaan. De controleurs kunnen enkel vaststellen dat ze op het adres van de maatschappelijke zetel een braakliggend terrein aantreffen. Wat niet bestaat, kan moeilijk geïdentificeerd worden.

Vele diensten zijn hierbij betrokken: de RSZ, de sociale inspectie, de controle van de sociale wetten, de RVA, het RIZIV, de RJV en de RKW, maar ook de lokale politie en andere overheidsdiensten. Het is bijgevolg van belang om toegang te hebben tot gegevensbanken die het mogelijk maken de juistheid van documenten na te gaan.

In het algemeen, en niet alleen voor C4-formulieren en werkloosheid, worden steeds meer databanken aan elkaar gekoppeld omdat de regering, nu de budgettaire toestand moeilijk is, alle misbruiken wil voorkomen. Wat ik heb gezegd, geldt dus eveneens voor werkloosheids- en ziekte-uitkeringen en kinderbijslag. Door de koppeling van databanken wil de regering op zoek gaan naar gegevens die administratief niet juist kunnen zijn. Daardoor kunnen meer onterecht uitgekeerde bedragen worden opgespoord.

In samenspraak met het auditoraat werden de procedures voor de terugvordering van de onterecht ontvangen uitkeringen opgestart en werden bestaande administratieve sancties toegepast. Naar mijn mening mogen de sancties fors worden verhoogd. De prioriteit is echter de organisatoren van de fraude op te sporen en te sanctioneren. Als de organisatie van fraude zeer winstgevend blijft, en de pakkans klein is, zullen de fraudeurs blijven frauderen. Er kan niet worden gefraudeerd als dat soort verwerpelijke systemen niet wordt georganiseerd.

In de werkloosheid voorzien de bestaande administratieve sancties in een schorsing van de uitkering gedurende maximaal 52 weken. Dat is vaak efficiënter dan de toepassing van een geldelijke boete omdat de invordering van boetes niet altijd gemakkelijk is.

Wat de arbeidsongeschiktheid betreft, bestaat er eveneens een systeem van schorsing voor een periode van maximaal 200 dagen. In de gezondheidszorg bestaat er momenteel geen schorsingsmechanisme, maar er kunnen wel administratieve boetes van 50 tot 500 euro worden opgelegd.

In het kader van de strijd tegen dat soort fenomenen werden nieuwe werkprocedures ingevoerd bij de betrokken openbare instellingen voor de sociale zekerheid en werd een ad hoc-taskforce opgericht. Er werden nieuwe geïnformatiseerde gegevensuitwisselingen opgezet om de gegevens te kruisen.

Ter informatie, het aantal fictieve dossiers van aansluiting die door de RSZ zijn meegedeeld aan het RIZIV bedroeg 2049 in 2008, 2678 in 2009, 2678 in 2010 en 2676 in 2011.

De openbare instellingen in de socialezekerheidssector hebben verschillende aanpassingen van de wetgeving gesuggereerd.

De meest recente kwam van de RJV, aangezien de regering tijdens de begrotingscontrole heeft afgesproken een nieuwe uitwisseling van elektronische data tot stand te brengen tussen het RSZ en de RJV en tussen de RVA en de RJV. Er zijn ook plannen tot wijziging van de verjaringsregels, die in deze sector van toepassing zijn, om dit soort fraudemechanisme beter aan te pakken en dit lijkt me van groot belang. Ten slotte, bevat de programmawet van december een algemene antimisbruikbepaling om dit soort fenomenen of varianten ervan te kunnen bestrijden.

Ik geloof zeer sterk in het gebruik van databanken voor zeer moeilijk opspoorbare fenomenen. De fraude verloopt soms via fictieve bedrijven en tussenpersonen.

De straffen die worden uitgesproken zijn hoog, zeker voor de hoofdbeklaagden, maar ook voor de gebruikers van het systeem. Ik verwijs naar het recente geval van de C4-fraude in Gent.

De verwijzing naar de schattingen van 2009 illustreert het eeuwige probleem hoe de schade van fraude aan de economie te meten. Ik ben het ermee eens dat het probleem veel uitgebreider is dan momenteel uit de statistieken blijkt.

De aanpak van fraude moet een absolute prioriteit blijven voor de regering.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De omvang van dit fenomeen, dat onder de georganiseerde criminaliteit valt, is enorm.

Als een vennootschap geen bijdragen betaalt aan de RSZ, maar een C4-attest uitschrijft, zou het kruisen van die gegevens de fraude aan het licht moeten brengen.

Er moet nagedacht worden over de verlenging van de verjaringstermijnen, wat evenwel geen wondermiddel is voor de strijd tegen zulke complexe misdrijven, maar gezien de internationale dimensie, is het voor de parketten moeilijk om te vervolgen binnen de gestelde termijnen.

We zien nu het topje van de ijsberg. Door de vele tentakels is een dergelijk kwaadwillig systeem moeilijk te bestrijden. We moeten op verschillende fronten optreden.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik ben het met de minister eens dat fraude een verwerpelijke manier is om centen te stelen van mensen die het vandaag in onze maatschappij moeilijk hebben.

Ik ben het niet helemaal eens met de keuze om zich in de eerste plaats te richten op de organisatoren van fraude. Het is inderdaad essentieel om de organisatoren heel zwaar te straffen, maar ook de gebruikers moeten zwaar worden gesanctioneerd. Dat zal ontradend werken. Als de vraag naar fraude niet meer bestaat, zullen fraudeurs hun systemen niet meer verkocht krijgen.

De verlenging van de verjaringstermijn voor ingewikkelde constructies is inderdaad noodzakelijk.

Aan ons heeft de minister een partner om de strijd tegen uitkeringsfraude aan te gaan.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik hoop dat men de rijken even streng zal beoordelen en dat men niet zal doen zoals met de Kredietbank, voor wie daaraan geen sancties werden verbonden.

Mondelinge vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken over «het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de inkomstenbelastingen betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten voor de vennootschapsbelasting» (nr. 5-940)

De voorzitter. - De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten, antwoordt.

De heer Ahmed Laaouej (PS). - Ik merk op dat de staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten weer eens zal antwoorden namens de minister van Financiën. Dat is nu al de derde keer sinds het aantreden van de nieuwe minister van Financiën. Vandaag zijn er vier mondelinge vragen tot hem gericht, maar tot nu toe hebben we nog niet de eer gehad hem rechtstreeks een vraag te stellen.

We zouden graag een parlementair debat hebben met de nieuwe minister van Financiën.

Het weekblad Le Vif/L'Express schreef onlangs over een uitvoeringsbesluit dat de lijst moet vastleggen van de landen met een voordelig fiscaal regime - lees fiscaal paradijs - voor de toepassing van het stelsel van aftrekbare dividenden.

Volgens het tijdschrift zou het besluit nooit gepubliceerd zijn, hoewel het aangenomen werd op de Ministerraad van 27 januari 2010. Le Vif/L'Express verwijst expliciet naar een perscommuniqué van de Ministerraad.

De budgettaire kostprijs van deze maatregel loopt in de miljarden en heeft vooral betrekking op heel grote holdings.

Hoe kunnen de controlediensten ernstig werken zonder deze tekst? Er wordt zelfs gezegd dat dit stelsel, dat de staatskas jaarlijks meerdere miljarden euro's kost, jammer genoeg door de diensten niet voldoende wordt onderzocht. Hoe kunnen deze laatste werken als er geen besluit dat bepaalt welke landen als fiscaal paradijs worden beschouwd.

Werd dit besluit gepubliceerd? Wanneer kunnen we de publicatie verwachten, zodat de diensten de nodige en rechtmatige controles kunnen doen en de levensvatbaarheid van onze overheidsfinanciën garanderen?

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - De minister van Financiën is momenteel in het buitenland.

De heer Ludo Sannen (sp.a). - De minister is nog nooit in de commissie geweest. Hij is nochtans al een tijdje minister van Financiën.

Hij doet uitspraken over zijn departement en zijn beleid, maar we krijgen de man niet naar de commissie. We kunnen niet eens van gedachten wisselen over het beleid dat hij gaat voeren. Dat is een schande, een schande voor de Senaat, maar vooral een schande voor de minister!

De heer Ahmed Laaouej (PS). - Mijnheer de voorzitter, ik sluit me aan bij de woorden van de voorzitter van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Ik zal de boodschap overbrengen.

Wat het perscommuniqué betreft, kan ik u bevestigen dat de Ministerraad van 27 januari 2010 in eerste lezing een voorontwerp van koninklijk besluit houdende een actualisering van de landenlijst, in uitvoering van artikel 203, §1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, heeft behandeld.

Ingevolge de val van de regering op 22 april 2010 is er geen tweede lezing van dit technisch ingewikkelde dossier geweest. Het koninklijk besluit in kwestie impliceert een update van de landenlijst zoals hij momenteel voorkomt in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Dit is een gedetailleerde lijst met drieënvijftig landen of rechtsgebieden. Gelet op de internationale evolutie op het vlak van de strijd tegen de landen met een gunstig fiscaal stelsel, hebben sommige landen wellicht hun regime aangepast. In die zin is een budgettaire weerslag onwaarschijnlijk.

Ik erken, net als u, dat er sinds oktober 2005 inzake internationale fiscaliteit heel wat is veranderd.

De update van 27 januari 2010 die aan de Ministerraad werd voorgelegd was bij de installatie van de nieuwe regering op 6 december 2011 al achterhaald. De administratie heeft dus beslist een nieuw onderzoek te doen. Zodra dit afgerond is, zal ik de Ministerraad zo snel mogelijk de nieuwe lijst ter goedkeuring voorleggen.

De heer Ahmed Laaouej (PS). - Dit antwoord is ontstellend!

Sinds de installatie van de regering heeft men het dossier laten vallen. Dat wil zeggen dat we het de controlediensten onmogelijk hebben gemaakt hun taak uit te voeren. Ik heb het hier niet over een kleine KMO, maar over een grote holding die zijn dividenden uit het buitenland, eventueel uit een fiscaal paradijs, fiscaal aftrekt. Dat is totaal onaanvaardbaar.

Ik hoop dat u het tempo zult opdrijven en, zoals de wet verplicht, de regering heel snel een koninklijk besluit met de lijst van de fiscale paradijzen voorstelt.

Het is totaal onaanvaardbaar, mijnheer de voorzitter.

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Ik begrijp de reactie van de heer Laaouej.

Ik zal vragen dat men dringend maatregelen neemt om dit probleem op te lossen.

Mondelinge vraag van de heer Ludo Sannen aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken over «het risico van sparen en de invoering van de bankenunie» (nr. 5-942)

De voorzitter. - De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten, antwoordt.

De heer Ludo Sannen (sp.a). - Ik ben echt kwaad en ik hoop dat de staatssecretaris dat aan de minister laat weten.

We hebben een regeerakkoord goedgekeurd. Daarin is sprake van een herstructurering van de banken, van een beter risicobeheer, van een grotere solvabiliteit voor de banken, van een bankentestament, van een onderscheid tussen deposito- en zakenbanken, van andere wegen om de spaarders bij de banken te beschermen. Over al die thema's willen we in het parlement met de minister van gedachten wisselen, want tot op heden zien we hiervan niets gerealiseerd.

We willen ook graag van gedachten wisselen over de stand van zaken van een Europees bankenfonds, over de kapitaalratio van Basel III, die verlaagd en versoepeld werd, over het uitblijven van een echte bankenunie. Allemaal dingen die er moeten zijn om de banken beter te controleren, de spaarders te beschermen en te zorgen dat spaarders en belastingbetalers niet meer moeten opdraaien voor het mankement dat de banken in de voorbije jaren veroorzaakt hebben.

In het parlement kunnen we daar met de minister niet over praten. Hij vindt het echter wel nodig om in de media positief te reageren op de uitlatingen van Olli Rehn. Hij vindt het maar logisch dat spaarders mee opdraaien bij herstructurering of ontmanteling van een bank. Ik heb het niet over een faillissement, maar over een herstructurering of ontmanteling. In feite wil hij de spaarders een extra belasting opleggen voor spaargeld boven 100 000 euro.

Je zult het maar meemaken! In de jaren tachtig ging je als jong paar bij het Gemeentekrediet een hypothecaire lening aan. Je bent een brave spaarder en je werkt allebei hard. Je hebt twee kinderen. Als je lening afbetaald is, ga je wat sparen. Soms steek je wat geld in een kasbon en soms zet je wat geld op een termijnrekening of op een gewoon spaarboekje. Je bent nu tegen de zestig en hoopt je kinderen te helpen wanneer ze een woning kopen. Je zit inderdaad boven die 100 000 euro, want je bent bij de bank en de kantoorhouder gebleven waar je in de jaren tachtig terechtkwam. Inmiddels is Gemeentekrediet wel Dexia geworden en op tien jaar tijd heeft de bank de Belgische belastingbetaler 16 miljard gekost, met daarbovenop een waarborg van 54 miljard. De personen bij de overheid die toezicht moesten uitoefenen op de banken, hebben dat allemaal laten gebeuren. De personen die controle konden uitoefenen, ook in de raden van bestuur, hebben laten begaan. Maar volgens de redenering van de minister is het wel logisch dat je mee opdraait wanneer de bank het slecht doet en geherstructureerd moet worden.

Dat maakt me kwaad! Het maakt me kwaad dat we in het regeerakkoord zoveel zaken hebben opgenomen om de spaarder te beschermen, om de banken meer solvabel en transparant te maken. Daar is niets van gebeurd, maar inmiddels vertelt de minister wel dat hij de spaarder wil aanpakken!

Ik heb in deze zaak een onverwachte bondgenoot gevonden: econoom Van de Cloot. Hij hoort niet meteen thuis in mijn ideologisch gedachtegoed, maar ik citeer hem hier toch. "De essentie blijft dat banken solide genoeg gemaakt moeten worden zodat we niet voor de keuze geplaatst worden tussen de pest en de cholera en te moeten kiezen om het vergokte geld te laten ophoesten door spaarders dan wel belastingbetalers. Daarvoor moet echter een strijd gevoerd worden tegen de aan de gang zijnde normvervaging in financiële aangelegenheden."

Vandaar de voorstellen in het regeerakkoord, waar niets mee gebeurd is. Vandaar de voorstellen op Europees niveau, die telkens afgezwakt en uitgesteld worden.

Eigenlijk ben ik meer geïnteresseerd in het standpunt van de regering. Denkt de regering ook dat we de spaarder moeten aanpakken? Wat is het standpunt van de regering over het voorstel van deze richtlijn? De emotionele en individuele uitlatingen van een minister die tot op heden niet eens de moed gehad heeft om zijn standpunten in het parlement te komen verkondigen, interesseren mij minder.

(Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune.)

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Ik begrijp de heer Sannen wel, want ik ben ook parlementslid geweest en ik voel mij nog altijd parlementslid. Minister Geens is echter vertrokken naar de lentetop van het IMF en de Wereldbank. Ik zal hem in elk geval de boodschap overbrengen.

De eerste doelstelling van alle Europese en nationale initiatieven blijft dat het redden van banken nooit meer nodig zal zijn. Daarvoor is een versterkt toezicht van essentieel belang en staat de verwezenlijking van de bankenunie centraal. De collectieve wil is aanwezig om snel een bankenunie op te richten. Alle EU-lidstaten zijn daar immers bij gebaat.

Een bankenunie is opgebouwd uit drie hoofdbestanddelen: een gemeenschappelijk toezichtmechanisme, een gemeenschappelijk afwikkelingssysteem en een uniform systeem dat spaartegoeden beschermt. Met deze drie bestanddelen wil de bankenunie de koppeling tussen de banken en de nationale begrotingen doorsnijden. Ik verheug me dan ook over het akkoord dat op de Raad Ecofin van 13 december vorig jaar werd bereikt omtrent de oprichting van een Europees toezichtmechanisme: de Europese Centrale Bank wordt vanaf 2014 rechtstreeks verantwoordelijk voor de belangrijkste kredietinstellingen binnen de eurozone.

Indien, ondanks de versterking van het toezicht, toch nog een kredietinstelling in een situatie zou terechtkomen waarbij de continuïteit niet meer gewaarborgd kan worden, moet de redding worden georganiseerd op een manier die zowel de belangen van de spaarders als die van de belastingbetalers vrijwaart. In geval van een bankfaling zijn er, behalve een gewoon faillissement, op dit moment twee mogelijkheden: een nationalisatie, zoals Belfius, en een vrijwillige of gedwongen verkoop, zoals Fortis. De laatste twee sporen, die de Belgische regering van Premier Leterme met succes toepaste, bestaan formeel pas sinds de wet van 2 juni 2010 tot uitbreiding van de herstelmaatregelen voor de ondernemingen uit de bank- en financiële sector.

Bij een gewoon faillissement, zoals dat van Lehman Brothers, verliezen de aandeelhouders hun inleg en worden de depositohouders als gewone chirografaire schuldeisers van de bank beschouwd, met dien verstande dat ze, indien er onvoldoende activa overblijven na betaling van de bevoorrechte schuldeisers, hun tegoeden tot 100 000 euro kunnen recupereren door tussenkomst van het bijzonder beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten. De nationalisatie of gedwongen verkoop zijn bail-outs waarbij enkel de aandeelhouder geld verliest. Alle schuldeisers en spaarders behouden integraal hun vordering.

Tot nog toe is er geen op EU-niveau geharmoniseerd kader voor de begeleiding van bankenfalingen.

Midden 2012 heeft de Europese Commissie een voorstel van richtlijn uitgewerkt dat voorziet in een waaier van instrumenten waaruit de bevoegde autoriteiten kunnen putten om de bankenfalingen, zo die zich nog zouden voordoen, op een georganiseerde wijze af te wikkelen. Basisdoelstelling daarvan is te vermijden dat het beroep op de overheid, met alle gevolgen van dien voor de overheidsschuld en de belastingbetaler, een verworvenheid wordt; dit houdt immers ultiem een risico in op deresponsabilisering van de banken, de zogenaamde moral hazard.

Een van die instrumenten is de zogenaamde bail-in, waarover de Finse commissaris Olli Rehn het gisteren had. Bail-in betekent dat de schuldvordering van gewone schuldeisers van banken wordt omgezet in kapitaal, dus in aandelen van de bank. Alles staat en valt natuurlijk met de waardering van die deposito's ten opzichte van de waarde na een bail-in van de aandelen van de bank. Dit houdt een verbetering in van de positie van de schuldeisers ten opzichte van de situatie waarin ze zich zouden bevinden in geval van faillissement. Tegelijk wordt de kapitaalbasis en het eigen vermogen van de bank versterkt. Het is nog maar een voorstel en de conversie van schuldvordering in kapitaal, al dan niet in combinatie met andere instrumenten, zou volgens het voorstel enkel gelden indien de autoriteit bevoegd voor het begeleiden van het faillissement de mening is toegedaan dat er een reële kans bestaat dat de instelling leefbaar is en de aandeelhouders op termijn dus een return on investment kunnen verwachten.

Depositohouders zijn, zoals gezegd, gewone schuldeisers van de bank. Sowieso zou de bail-in enkel de deposito's betreffen die niet worden gedekt door de depositobescherming. Deze laatste blijft integraal behouden.

Naar aanleiding van de situatie in Cyprus werd hardop gevraagd of spaartegoeden boven 100 000 euro moeten kunnen worden aangesproken voor een bankredding, eerder dan de belastingbetaler hiervoor te laten opdraaien. Deze discussie zorgde voor enige ongerustheid bij het grote publiek, terwijl in de praktijk helemaal niets is veranderd tegenover vroeger. Vandaar dat momenteel binnen de eurozone wordt nagedacht over een betere bescherming van de grote spaarders om het vertrouwen van alle spaarders in het financieel stelsel te consolideren. Daarbij wordt overwogen hen in geval van bail-in voorrang te verlenen boven de andere schuldeisers van de bank. Ik benadruk dat de voorwaarden van de concrete tenuitvoerlegging van de bail-in geval per geval zullen worden beoordeeld en het dus steeds mogelijk blijft in een concreet geval te beslissen enkel de vorderingen van de obligatiehouders en van de houders van kortetermijnschuldpapier, en niet die van de grote spaarders, in kapitaal om te zetten.

De heer Ludo Sannen (sp.a). - De doelstelling moet zijn om zowel een bail-in als een bail-out te voorkomen. Daartoe werden in het regeerakkoord dan ook bepalingen opgenomen, want de regering wil de spaarder maximaal beschermen en de toezichthouders en de controle op Europees niveau alsook in België versterken. Zodoende zullen we een bail-in en een bail-out bij gewone spaarbanken waarschijnlijk kunnen voorkomen. Wie meer risico wil nemen of meer wil investeren, kent het risico dat daaraan verbonden is. Een gewone spaarder weet dat niet.

Het antwoord stemt me tevreden, in die zin dat de minister de situatie goed schetst en een beeld geeft van een bail-in en een bail-out en de Europese regelgeving. Jammer genoeg is er nog steeds geen bankenunie. Ik weet ook niet hoever de oprichting van een bankenfonds op Europees niveau gevorderd is.

De minister heeft echter met geen woord gerept over wat in ons land zal gebeuren, hoewel daaraan heel wat paragrafen in het regeerakkoord zijn gewijd. Dat frustreert me. De tijd dringt en dus wil ik van de minister vernemen welke maatregelen hij zal nemen om te voorkomen dat de spaarder in België wordt geconfronteerd met een bail-in of een bail-out.

Mondelinge vraag van de heer François Bellot aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken over «de stijging van het aantal aanvragen van fiscale regularisatie» (nr. 5-948)

De voorzitster. - De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten, antwoordt.

De heer François Bellot (MR). - De pers meldt dat het aantal aanvragen voor fiscale regularisatie in België de jongste twee weken plots is toegenomen. Heel wat mensen die jarenlang tegoeden in het buitenland hebben verborgen, vrezen de verhoogde boetes die op 2 juli ingaan.

De fiscus heeft sinds 1 april naar verluidt 243 regularisatieaanvragen ontvangen voor een totaalbedrag van 52 miljoen euro. Dat is vier maal meer dan in april 2012. Sinds begin 2013 zouden 1292 aanvragen zijn ingediend, meer dan de helft van het aantal personen dat verleden jaar werd geregulariseerd.

In totaal zou het gaan om een bedrag van 240 miljoen euro, of gemiddeld 185 000 euro per dossier!

Is het profiel van de personen die een regularisatie aanvragen bekend? Wat zijn de meest voorkomende soorten fraude?

Vormen de 243 aanvragen die in een periode van twee weken werden ingediend een hoogtepunt, of mogen we verwachten dat nog meer aanvragen worden ingediend? Zijn de diensten van de minister voorbereid op die extra werklast?

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Het merendeel van de geregulariseerde inkomens betreft roerende inkomsten uit persoonlijke rekeningen. Het contactpunt regularisaties kan nog niet zeggen of het aantal aanvragen zijn hoogtepunt heeft bereikt. Wel stelt het vast dat dagelijks gemiddeld dertig aanvragen worden ingediend. Het departement heeft een oproep aan kandidaten gedaan om het contactpunt te versterken. Op 26 april 2013 zal de dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken de kandidaten interviewen. De geselecteerde ambtenaren zullen vervolgens in dienst treden.

De heer François Bellot (MR). - Een precies antwoord op een precieze vraag!

Mondelinge vraag van de heer Rik Daems aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken over «de Tobintaks» (nr. 5-950)

De voorzitster. - De heer Hendrik Bogaert, Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare diensten, antwoordt.

De heer Rik Daems (Open Vld). - Ik stel vast dat opnieuw staatssecretaris Bogaert zal antwoorden in plaats van de minister van Financiën. Zoals een aantal collega's voel ik me gefrustreerd omdat het onmogelijk blijkt de nieuwe minister van Financiën naar de Senaat te laten komen, al moet ik toegeven dat hij vandaag wel een geldig excuus heeft. Zelfs op de Oude Markt in Leuven slaag ik er niet in hem te ontmoeten! Misschien kan Vincent Van Quickenborne me nog raad geven en me uitleggen hoe hij destijds tot bij minister van Binnenlandse Zaken Tobback in Leuven is geraakt. Kortom, als minister Geens binnenkort niet verschijnt in de Senaat, krijgt hij wel een probleem, denk ik.

Mijn vraag gaat over de financiële transactietaks, en omdat het een veeleer polemische vraag is, had ik ze graag aan de minister zelf gesteld.

Iedereen weet intussen dat ik een zeer koele minnaar ben van de financiële transactietaks, met dien verstande dat ik uiteraard plichtsgetrouw respecteer wat het regeerakkoord daarover bepaalt.

Recente berekeningen van zowel de Nationale Bank als van de bankenfederatie Febelfin tonen aan dat de invoering van een financiële transactietaks de Belgische banken zowat 8 miljard euro per jaar zal kosten. Dat is in mijn ogen een groot bedrag.

Kan de minister van Financiën de orde van grootte van dat bedrag bevestigen?

Kan de minister van Financiën bevestigen dat die hoge kost een element van bezorgdheid is? Vreest hij niet dat als de financiële transactietaks slechts in een deel van de Europese Unie wordt ingevoerd, dat aanleiding kan geven tot massaal ontwijkingsgedrag?

Ons land is op het ogenblik een financieel centrum, onder meer door de aanwezigheid van clearinghuizen zoals Swift en Euroclear. Deelt de minister van Financiën de bezorgdheid dat de invoering van een financiële transactietaks enkele duizenden jobs in ons land in gevaar kan brengen? Moet ons land in die omstandigheden wel het voortouw nemen bij de invoering van die taks? In mijn ogen staat in het regeerakkoord niet dat wij voorop moeten lopen.

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Sta mij toe even terug te gaan in de tijd. Het regeerakkoord van 1 december 2011 bepaalt dat de regering er op Europees vlak voor zou pleiten om een taks op financiële transacties in te voeren.

In overeenstemming daarmee heeft de vorige minister van Financiën in de Ecofin-ministerraad een ontwerp van richtlijn gesteund voor de invoering van een financiële transactietaks (FTT) in de Europese Unie. Dat ontwerp was door de Europese Commissie ingediend kort voor de totstandkoming van de regering.

Zeer vlug bleek dat er tussen de 27 lidstaten geen overeenstemming kon worden gevonden over de invoering van een FTT in de Europese Unie. Aangezien het gaat over een fiscale aangelegenheid, is er echter unanimiteit vereist voor het invoeren van een dergelijk taks.

Een aantal lidstaten, waaronder ons land, heeft daarop aan de Europese Commissie gevraagd om een voorstel in te dienen om te komen tot een Raadsbeslissing waardoor het mogelijk zou worden om een FTT in te voeren onder het regime van de versterkte samenwerking. De Europese Commissie heeft dan een dergelijk voorstel ingediend, dat door de Raad van ministers is goedgekeurd op 22 januari 2013. Daardoor kregen de 11 lidstaten die het verzoek tot versterkte samenwerking hadden geformuleerd, de toelating van de Raad om over te gaan tot een versterkte samenwerking voor de invoering van de FTT.

De Europese Commissie heeft dan op 14 februari 2013 een nieuwe ontwerprichtlijn voor een financiële transactietaks ingediend, ditmaal onder het stelsel van de versterkte samenwerking.

Op het ogenblik dat de heer Vanackere, namens de Belgische regering, de idee van een versterkte samenwerking steunde in een brief aan de Europese Commissie, wist niemand hoeveel lidstaten zouden meedoen. Het was ook niet duidelijk in welke mate de Europese Commissie in haar nieuwe ontwerprichtlijn oog zou hebben voor het verschil dat er nu eenmaal is tussen het invoeren van een gemeenschappelijke taks in de hele unie, dan wel in een deel van de lidstaten.

Inmiddels is binnen de organen van de Raad van ministers van de Europese Unie de bespreking over de ontwerprichtlijn begonnen. Ik heb mijn administratie gevraagd een impact-assessment te maken van de ontwerprichtlijn. Die oefening houdt uiteraard rekening met alle elementen die worden aangereikt, ook door stakeholders vanuit de financiële sectoren en andere sectoren van het bedrijfsleven. Alle input, ook die van Febelfin wordt met dank aanvaard en aandachtig bestudeerd door de diensten van Financiën.

Bovendien gaan heel wat ramingen die de regering ontvangt uit van ongewijzigd gedrag van de marktoperatoren. De financiële transactietaks heeft precies tot doel dat ze hun gedrag wel zouden wijzigen.

Uit de permanente analyse die ik samen met mijn administratie zal maken, zou kunnen blijken dat de bepalingen van de ontwerprichtlijn, mede aangezien slechts elf van de binnenkort achtentwintig lidstaten deelnemen, hetzij hun doel voorbijschieten, hetzij onvoldoende effectief zijn. In dat geval zal Financiën de onderhandelingen uiteraard bijsturen.

Naar verwachting is nu elk van de elf lidstaten bezig met de studie van de voorstellen en van de gevolgen ervan. In dat verband stip ik aan dat alle zevenentwintig, binnenkort achtentwintig lidstaten van de Europese Unie debatteren over de ontwerprichtlijn. Ten slotte moeten de deelnemende lidstaten die unaniem goedkeuren.

Ons land moet er rekening mee houden dat financiële dienstverlening een belangrijke activiteit is in onze economie. De impact op die economie zou dus voor België weleens groter kunnen uitvallen dan voor andere lidstaten, te meer daar onze buurlanden wellicht niet zullen meedoen. De heer Daems wijst in dat verband terecht op de aanwezigheid in ons land van een aantal instellingen op het vlak van de marktinfrastructuur.

Daarnaast zal ik bij de onderhandelingen onder meer in het achterhoofd houden dat België onderdak biedt aan een hoog aantal treasury centers van grote multinationals en een zeer open economie heeft.

De heer Rik Daems (Open Vld). - Het is een heel mooi antwoord. Ik ben er wel niet helemaal tevreden mee en ik had graag met de minister wat langer over het onderwerp gedebatteerd. Ik zal er dan ook binnenkort in de commissie op terugkomen.

Het antwoord is nogal genuanceerd en het bevestigt mijn idee dat het geen zin heeft met de fanfare voorop te lopen, snel principieel te handelen en de FTT in te voeren om daarna de schade op te meten.

Ik hoor nu de minister van Financiën bij monde van de staatssecretaris aangeven wat ik van bij het begin heb gezegd. Met andere woorden, we moeten kunnen nagaan wat de effecten op onze economie zijn van de invoering van de FTT, ook op de clearing houses en vooral de 104 treasury centers van de grote multinationals. Die dreigen immers weg te lopen als ze enige onzekerheid ter zake aanvoelen.

Als alle 28 EU-lidstaten de richtlijn over de versterkte samenwerking moeten goedkeuren dan ben ik enigszins gerustgesteld, hoewel ik me ook kan indenken dat landen die aan ons land grenzen en die niet meedoen, wel eens voorstander zouden kunnen zijn van een invoering onder het regime van de versterkte samenwerking, om redenen die de staatssecretaris en ikzelf best kunnen begrijpen!

Nogmaals dank aan de staatssecretaris voor het antwoord dat hij heeft gegeven namens de minister van Financiën die ik binnenkort in de Senaat hoop te kunnen begroeten.

Mondelinge vraag van mevrouw Cécile Thibaut aan de staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit, en voor Staatshervorming over «de steun aan het gecombineerde en verspreide vervoer per spoor» (nr. 5-947)

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Deze week maakte een Nederlandstalige krant melding van een milieurapport van het Vlaamse Gewest. Daaruit bleek dat het wegverkeer de industrie heeft voorbijgestoken als grootste bron van vervuiling in het noorden van het land.

De economische optelsom is duidelijk en zet de ondernemingen ertoe aan de weg te verkiezen boven het spoor, met alle bekende negatieve gevolgen van dien: dichtgeslibde wegen, broeikasgassen, fijn stof. Nochtans kunnen die gevolgen worden vermeden.

Om de effecten van de verstoorde concurrentie tussen de weg en het spoor weg te werken, laat de Europese Commissie verspreid en gecombineerd vervoer toe.

Het huidig Belgisch programma liep op 31 december laatstleden af. Het werd via een wetsvoorstel houdende diverse bepalingen inzake gezondheid tot eind februari 2013 verlengd. Tijdens de debatten merkte de staatssecretaris op dat die verlenging met twee maanden noodzakelijk was in afwachting van een grondige hervorming.

Die laatste verlenging is nu afgelopen. Welke middelen zijn voor 2013 vrijgemaakt om het verspreide en gecombineerde spoorwegvervoer te steunen? Heeft België aan de Europese Commissie een nieuwe afwijking gevraagd om die transportmodus te blijven ondersteunen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit en voor Staatshervorming. - Het belang van het vrachtvervoer per spoor moet niet worden onderstreept. Die transportmodus komt niet alleen tegemoet aan een aantal milieuverzuchtingen, maar verbetert ook de mobiliteit op onze wegen. Het spoor zal niet alle problemen oplossen, maar we moeten het wel een kans geven. Het moet een van de modi voor goederentransport zijn op de Belgische markt.

De regering tracht de transitie te verzekeren en het spoor in staat te stellen een eigen bestaan inzake goederentransport te leiden.

Bij de begrotingscontrole is de regering erin geslaagd de steunmechanismen voor het gecombineerde en het verspreide vervoer tot 30 juni 2013 te verlengen.

Ondertussen kunnen de initiatieven die deze steun overbodig moeten maken, bijna ten uitvoer worden gelegd. Zo werden de aanpassingen aan de regelgeving voor de bewegingen binnen de havens aan de Ministerraad voorgelegd. Ze worden morgen aangenomen; dat hoop ik althans.

We hebben de manier waarop onze havens het vervoer per spoor kunnen opdrijven, geoptimaliseerd. Er was overleg met de gewestregeringen om de markt te verbeteren met het oog op een maximale ondersteuning van het goederenvervoer per spoor en minister Labille werkt aan een hervorming van NMBS Logistics.

Al die elementen moeten een geoptimaliseerd goederenvervoer mogelijk maken dat de beste voorwaarden op de Belgische markt geniet. Aldus kunnen ook de subsidies, die op 30 juni van dit jaar aflopen, geleidelijk worden afgebouwd.

Op 8 april jongstleden heeft de Europese Commissie de ontvangst bevestigd van de brief waarin we aankondigden de steun aan het gecombineerde en het verspreide vervoer te verlengen. We hebben dus een goede verstandhouding met het DG MOVE van de Europese Commissie, die wij ook op de hoogte houden.

In afwachting dat de verlenging ten einde loopt gaat het de goede richting uit met de structurele oplossingen die tot doel hebben het goederenvervoer per trein een echte kans te geven. We zullen ze ten uitvoer leggen vóór 30 juni, datum waarop de steun aan het gecombineerde en verspreide vervoer per spoor afloopt.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Het stelt me gerust dat bij de begrotingscontrole de steun aan het gecombineerde en verspreide vervoer per spoor tot 30 juni werd verlengd.

Het zou interessant zijn om de exacte bedragen te kennen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit en voor Staatshervorming. - Het gaat om 5 miljoen euro voor het verspreid vervoer en 3,3 miljoen euro voor het gecombineerd vervoer.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Ik ben ook gerustgesteld dat er structurele oplossingen komen waardoor het spoor autonoom kan blijven bestaan. Ik wacht de goedkeuring van de nieuwe regelgeving voor de havens en de voltooiing van de hervorming van NMBS Logistics af om een meer uitgewerkt standpunt in te nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Fatiha Saïdi aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het inzetten van privédetectives door bedrijven in het kader van het aanwerven of het ontslaan van personeel» (nr. 5-938)

De voorzitster. - Mevrouw De Coninck heeft reeds geantwoord op de vraag van mevrouw Saïdi. Ik geef nu het woord aan mevrouw Milquet voor haar deel van het antwoord.

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Ik weet niet wat mevrouw De Coninck heeft geantwoord op de vraag over de privédetectives, maar ik hoop dat de regering in dezen coherent zal zijn.

De oude wet op de privédetectives moet dringend worden hervormd want ze biedt niet voldoende waarborgen. Ik heb tijdens de paasvakantie enkele dagen uitgetrokken om de laatste hand te leggen aan een wetsontwerp dat binnen tien dagen aan de ad-hocwerkgroep zal worden toevertrouwd. Ik heb dus een analyse gemaakt van de verschillende punten die moeten worden hervormd, waarvan sommige zeer delicaat zijn. Het doel is het professionalisme en de transparantie te verhogen en de eerbiediging van het privéleven te waarborgen.

Tot op heden zijn de regels met betrekking tot de gevallen waarin werkgevers een beroep kunnen doen op privédetectives nogal vaag. Ik merk terloops op dat het ontwerp ook voorziet in een nieuwe benaming. Gelukkig bestaan er al enkele waarborgen. Krachtens artikel 7 van de wet is het de privédetective verboden informatie in te winnen omtrent de politieke en vakbondsovertuiging van de werknemers, over hun seksuele geaardheid, hun gezondheid of hun raciale of etnische afkomst. Die waarborgen worden niet alleen behouden, maar nog versterkt.

Het voorontwerp bepaalt ook dat de werknemer toestemming moet geven voor een soort screening bij de aanwerving. Die bepaling komt bovenop alle verboden die verbonden zijn aan het respect voor het privéleven en die voor iedereen gelden, dus zeker ook voor werknemers in het kader van een arbeidsovereenkomst.

Mevrouw Fatiha Saïdi (PS). - Mevrouw Milquet mag gerust zijn: de regering is coherent.

Het feit dat een beroep wordt gedaan op privédetectives is om meerdere redenen problematisch: interferentie met Justitie, schending van het recht op privacy enzovoort. Bedrijven zouden overigens in de verleiding kunnen komen om zich te ontdoen van personeelsleden die ze te vervelend vinden, zoals vakbondsafgevaardigden. Dat vormt een probleem inzake democratie.

Mevrouw Milquet heeft, net zoals mevrouw De Coninck, benadrukt dat die praktijken nog meer moeten worden geformaliseerd. Dat verheugt me en ik wacht met ongeduld op de wetteksten die in die richting gaan.

Wetsontwerp betreffende de door de advocaten van de partijen medeondertekende onderhandse akte (Stuk 5-1936) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-1498/7.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (Stuk 5-1922) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen (Stuk 5-1923)

Algemene bespreking

De voorzitster. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

Mevrouw Inge Faes (N-VA), corapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld), corapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (Stuk 5-1922) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 5-1922/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen (Stuk 5-1923)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-2464/3.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren (Stuk 5-62) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Algemene bespreking

De voorzitster. - Het woord is aan mevrouw Franssen voor een mondeling verslag.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V), corapporteur. - Op 13 december 2012 keurde de Senaat het geamendeerde wetsvoorstel van mevrouw Tilmans c.s. goed met 44 stemmen voor bij 16 onthoudingen. Het werd dezelfde dag aan de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden.

De Kamer amendeerde het ontwerp met 95 stemmen voor, bij 39 onthoudingen tijdens haar plenaire vergadering van 21 maart 2013. Het geamendeerde ontwerp werd op 22 maart 2013 naar de Senaat teruggezonden.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden besprak het geamendeerde wetsontwerp tijdens haar vergadering van 16 april 2013. Minister Onkelinx preciseerde dat tijdens de bespreking van het ontwerp in de Kamer van volksvertegenwoordigers een nieuw artikel 13 werd ingevoegd, dat bepaalt dat de huisarts die zich in de niet-heelkundige esthetische geneeskunde wil specialiseren, de huisartsgeneeskunde kan blijven uitoefenen tijdens zijn opleiding en nog twee jaar nadat hij de beroepstitel van geneesheer-specialist in de niet-heelkundige esthetische geneeskunde heeft verkregen. Na die periode van twee jaar moet hij kiezen. Ofwel beoefent hij voortaan uitsluitend de huisartsgeneeskunde, ofwel uitsluitend de niet-heelkundige esthetische geneeskunde.

Tevens werd in artikel 18 een bepaling toegevoegd die tot doel heeft het administratieve werk van de beoefenaars te verlichten door te stipuleren dat, de inlichtingen over meerdere identieke handelingen die deel uitmaken van eenzelfde behandeling, in één en hetzelfde verslag mogen worden opgenomen.

Ten slotte werd aan artikel 24 een tweede paragraaf toegevoegd die bepaalt dat de artsen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet een rechtmatige praktijkervaring van meer dan vijf jaar in de niet-heelkundige esthetische geneeskunde kunnen aantonen, die praktijk mogen blijven uitoefenen op voorwaarde dat ze binnen een jaar na de inwerkingtreding van het artikel een aanvraag tot bevoegdverklaring indienen.

Verschillende collega's hebben aan de discussies deelgenomen, onder wie ook de "moeder" van de wet, mevrouw Tilmans.

De commissie heeft met 13 stemmen voor, bij 1 onthouding, beslist in te stemmen met de tekst zoals hij door de Kamer werd teruggezonden.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Op een moment waarop men eraan denkt de Senaat te kortwieken, toont het tweekamerstelsel zijn deugdelijkheid. De Kamer heeft drie verantwoorde amendementen voorgesteld, waarbij ik me kan aansluiten.

Zoals mijn collega al zei, zullen de jonge huisartsen vier jaar de tijd hebben om te bepalen of ze al dan niet de opleiding medische esthetiek zullen volgen.

Het tweede amendement laat ervaren artsen die het wensen toe hun praktijk van medische esthetiek voort te zetten.

Tot slot werd de administratieve druk verlaagd: als verschillende identieke handelingen voor eenzelfde behandeling worden gesteld, moet hiervan geen ondertekend en gedateerd verslag worden opgesteld.

In tegenstelling tot Frankrijk, dat bijzonder restrictief is inzake medische esthetiek en waar het statuut van esthetische arts definitief werd afgeschaft, realiseren wij een opwaardering door de beroepstitel van geneesheer-specialist in de niet-heelkundige esthetische geneeskunde in te voeren. Dit is een wereldprimeur waar alle huisartsen die niet-heelkundige esthetische geneeskunde beoefenen blij mee zijn.

We mogen fier zijn op de creatie van deze titel, want nu kunnen naast de chirurgen, geneesheren ingrepen van esthetische geneeskunde uitvoeren. Dat beantwoordt zelfs aan een behoefte, want chirurgen stellen niet voortdurend esthetisch geneeskundige handelingen.

Uiteindelijk is voor de totstandkoming van beide wetten een lange weg afgelegd, maar het eindpunt is nu bereikt. Dankzij de medewerking van de minister, die, dat moet worden erkend, eerlijk spel heeft gespeeld, hebben we een afdrijven naar het commerciële een halt kunnen toeroepen. Ook al is de oorlog nog niet definitief gewonnen, toch is 80 à 90% van de strijd gestreden. Het werk is uiteraard nog niet af, meer bepaald wat de privé-instellingen betreft.

Ik erken nogmaals deze grote vooruitgang. Het belangrijkste doel, de veiligheid en de bescherming van de patiënt, is bereikt. Tot slot wens ik alle collega's en de diensten te danken voor hun geduld en hun welwillendheid.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik dank de initiatiefneemster, collega Tilmans, voor het doorzettingsvermogen waarmee ze al die jaren haar schouders onder dit voorstel heeft gezet. Ook de minister heeft het voorstel voluit gesteund en geamendeerd. Na enkele terechte opmerkingen van de Kamer kunnen we vandaag in de Senaat wereldgeschiedenis schrijven.

Met dit wetsvoorstel kunnen we de wantoestanden van de invasieve medische cosmetiek aan banden leggen. Kwakzalvers en charlatans kunnen worden opgespoord en veroordeeld. De wetgeving hinkte in dit dossier duidelijk achterop tegenover de maatschappelijke tendensen. Ondanks de gestage groei van het aantal medische cosmetische ingrepen bestond tot vandaag geen wettelijk kader. Die tekortkoming hield in dat een tandarts perfect legaal een borstvergroting kon uitvoeren. In heel wat schoonheidsinstituten werden medische ingrepen verricht, zoals inspuitingen met botox of permanente make-up en huidbehandelingen met laserstralen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een dergelijk wettelijk vacuüm tot wanpraktijken aanleiding geeft. Denken we maar aan de schoonheidskliniek in Maldegem waar personen zonder tandartsopleiding tanden bleekten en aan de kliniek voor esthetische chirurgie in Wemmel waar een man in 2005 zonder opleiding 300 borstoperaties uitvoerde, of aan de lekkende PIP-implantaten.

Dankzij de nieuwe wet zullen we veel kordater tegen dergelijke wantoestanden kunnen optreden. Esthetische geneeskunde en chirurgie zullen aan dokters worden voorbehouden. Er zal tevens een opdeling gebeuren die zal bepalen welke specialist met welke kwalificaties bevoegd is om invasieve esthetische ingrepen te doen. Esthetische heelkundige ingrepen blijven voortaan voorbehouden voor geneesheren met een specialisatie in esthetische ingrepen. Meer ingrijpende verstrekkingen mogen alleen worden uitgevoerd door chirurgen die in die materie zijn gespecialiseerd.

Ook aan de rechten van de patiënt werd gedacht. De wet voorziet namelijk ook in een informed consent, waardoor de patiënt op een begrijpbare wijze over de mogelijke risico's van de ingreep dient te worden ingelicht. Daarnaast wordt een bedenktijd van vijftien dagen ingevoerd en is voor medische cosmetische ingrepen bij minderjarigen het verslag van een psycholoog vereist.

Het wetsvoorstel beoogt dus niet alleen een verstrenging van de kwalificaties van de verstrekker, maar heeft ook oog voor de patiënt zelf. Vaak is een cosmetische ingreep puur psychologisch ingegeven. Daarom is een goede omkadering en een voldoende en correcte informatie noodzakelijk.

Ik ben oprecht verheugd met het verrichte werk en bedank alle collega's, en de minister en mevrouw Tilmans in het bijzonder.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Ik dank collega Lijnen, die me zopas een prachtig boeket heeft overhandigd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers teruggezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-2577/7.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 433quinquies van het Strafwetboek met het oog op het verduidelijken en het uitbreiden van de definitie van mensenhandel (Stuk 5-711) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Algemene bespreking

De voorzitster. - Het woord is aan de heer Deprez voor een mondeling verslag.

De heer Gérard Deprez (MR), rapporteur. - Het voorliggend wetsontwerp werd op 16 april jongstleden behandeld door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, onder het voorzitterschap van onze geachte collega, de heer Philippe Moureaux. Er werd over de tekst niet gediscussieerd. De politieke fracties hadden de gelegenheid de tekst die door de Kamer werd overgezonden te onderzoeken en hebben er hun goedkeuring aan gegeven. Het wetsontwerp werd door de negen aanwezige leden unaniem aangenomen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers teruggezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-2607/6.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming

De voorzitster. - Na overleg met de Kamer stelt het Bureau voor een gemengde parlementaire commissie - Kamer en Senaat - belast met de fiscale hervorming op te richten die samengesteld zou zijn uit twintig vaste leden op voorstel van de fracties van de Kamer en de Senaat volgens het principe van de evenredige vertegenwoordiging toegepast op de beide vergaderingen samen, en met naleving van de pariteit tussen kamerleden en senatoren.

De verdeling van de zetels voor Kamer en Senaat is de volgende:

N-VA: 4 leden
PS: 4 leden
MR: 2 leden
CD&V: 2 leden
sp.a: 2 leden
Ecolo-Groen: 2 leden
Open Vld: 2 leden
VB: 1 lid
cdH: 1 lid

Wat de aan deze commissie toegewezen opdracht betreft, wordt verwezen naar de formulering in de algemene beleidsverklaring van 21 november 2012.

De commissie zal haar huishoudelijk reglement opstellen. Wat de Senaat betreft, zal de gemengde commissie tijdelijk worden voorgezeten door de voorzitster van de Assemblee.

De Senaat zal later op voorstel van de gemengde commissie kunnen beslissen:

De voorzitters van de fracties hebben mij de kandidaturen doen toekomen van de leden van hun fractie die zitting voor de Senaat zullen hebben in deze commissie.

N-VA: mevrouw Lieve Maes en mevrouw Sabine Vermeulen
PS: mevrouw Marie Arena en de heer Ahmed Laaouej
MR: de heer François Bellot
CD&V: de heer Etienne Schouppe
sp.a: mevrouw Fauzaya Talhaoui
Ecolo: de heer Benoit Hellings
Open Vld: de heer Rik Daems
VB: -
cdH: mevrouw Vanessa Matz

Aangezien het aantal kandidaten gelijk is aan het aantal mandaten worden de bovengenoemde senatoren benoemd tot lid van deze commissie.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitster. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Zijn er opmerkingen?

Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen.

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp betreffende de door de advocaten van de partijen medeondertekende onderhandse akte (Stuk 5-1936) (Evocatieprocedure)

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 3
Onthoudingen: 12

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Onze fractie heeft zich onthouden omdat er in de praktijk niet veel verandert. De onderhandse akten hebben nu al bewijskracht. Enkel de bewijslast wordt omgekeerd.

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen. Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (Stuk 5-1922) (Evocatieprocedure)

Stemming 2

Aanwezig: 63
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 12

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Onze fractie steunt het idee van het ontwerp, want een modernisering van deze materie was dringend noodzakelijk. De N-VA heeft in de commissie enkele technische amendementen ingediend, die de deskundigen ondersteunden. Ze werden evenwel verworpen. Daarom heeft onze fractie zich onthouden.

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen (Stuk 5-1923)

Stemming 3

Aanwezig: 63
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 12

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren (Stuk 5-62) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 15

De heer Louis Ide (N-VA). - In de eerste plaats wens ik mevrouw Tilmans te feliciteren.

De N-VA is voorstander van een vooruitgang op het vlak van kwaliteit. We hebben ons bij de stemming onthouden omdat we liever hadden gezien dat er ook contextueel kwalitatief zou worden gewerkt. Op gemeenschapsniveau is minister Vandeurzen daarmee bezig. Onze fractie heeft in de Kamer een aantal opmerkingen gemaakt, maar die werden helaas niet meegenomen. We betreuren dit. Vandaar de onthouding. Elk initiatief dat bevorderlijk is voor de patiënt juichen we uiteraard toe.

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen en derhalve ingestemd met de tekst zoals die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd geamendeerd. Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 433quinquies van het Strafwetboek met het oog op het verduidelijken en het uitbreiden van de definitie van mensenhandel (Stuk 5-711) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 5

Aanwezig: 64
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen en derhalve ingestemd met de tekst zoals die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd geamendeerd. Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitster. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 25 april 2013 om 15 uur

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; Stuk 5-1999/1 tot 3.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen; Stuk 5-2000/1 en 2.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Vanaf 17 uur: Stemmingen

Geheime stemming over de benoeming van de twee werkende leden, twee plaatsvervangende voorzitters en vier plaatsvervangende leden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten (Comité I) (Pro memorie)

Naamstemmingen over de afgehandelde wetsontwerpen in hun geheel.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitster. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 25 april om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 17.35 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Vogels en de heer Morael, om gezondheidsredenen, de heer De Gucht, met opdracht in het buitenland, mevrouw Sleurs, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 3
Onthoudingen: 12

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, Wouter Beke, François Bellot, Hassan Bousetta, Jacques Brotchi, Marcel Cheron, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Jean-François Istasse, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Nele Lijnen, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Richard Miller, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Els Van Hoof, Yoeri Vastersavendts, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Bart Laeremans, Anke Van dermeersch.

Onthoudingen

Frank Boogaerts, Huub Broers, Jurgen Ceder, Bart De Nijn, Inge Faes, Louis Ide, Lies Jans, Lieve Maes, Danny Pieters, Wilfried Vandaele, Karl Vanlouwe, Sabine Vermeulen.

Stemming 2

Aanwezig: 63
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 12

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, Wouter Beke, François Bellot, Hassan Bousetta, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Marcel Cheron, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Jean-François Istasse, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Richard Miller, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Anke Van dermeersch, Els Van Hoof, Yoeri Vastersavendts, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Frank Boogaerts, Huub Broers, Jurgen Ceder, Bart De Nijn, Inge Faes, Louis Ide, Lies Jans, Lieve Maes, Danny Pieters, Wilfried Vandaele, Karl Vanlouwe, Sabine Vermeulen.

Stemming 3

Aanwezig: 63
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 12

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, Wouter Beke, François Bellot, Hassan Bousetta, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Marcel Cheron, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Jean-François Istasse, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Richard Miller, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Anke Van dermeersch, Els Van Hoof, Yoeri Vastersavendts, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Frank Boogaerts, Huub Broers, Jurgen Ceder, Bart De Nijn, Inge Faes, Louis Ide, Lies Jans, Lieve Maes, Danny Pieters, Wilfried Vandaele, Karl Vanlouwe, Sabine Vermeulen.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 15

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, François Bellot, Hassan Bousetta, Jacques Brotchi, Marcel Cheron, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Jean-François Istasse, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Nele Lijnen, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Richard Miller, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Els Van Hoof, Yoeri Vastersavendts, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Frank Boogaerts, Huub Broers, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Bart De Nijn, Inge Faes, Louis Ide, Lies Jans, Bart Laeremans, Lieve Maes, Danny Pieters, Wilfried Vandaele, Anke Van dermeersch, Karl Vanlouwe, Sabine Vermeulen.

Stemming 5

Aanwezig: 64
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, Wouter Beke, François Bellot, Frank Boogaerts, Hassan Bousetta, Huub Broers, Jacques Brotchi, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Alain Courtois, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Bart De Nijn, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Leona Detiège, Filip Dewinter, Dalila Douifi, André du Bus de Warnaffe, Inge Faes, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Jean-François Istasse, Lies Jans, Zakia Khattabi, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Lieve Maes, Paul Magnette, Philippe Mahoux, Bertin Mampaka Mankamba, Vanessa Matz, Richard Miller, Philippe Moureaux, Fatma Pehlivan, Danny Pieters, Fatiha Saïdi, Ludo Sannen, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Wilfried Vandaele, Anke Van dermeersch, Els Van Hoof, Karl Vanlouwe, Yoeri Vastersavendts, Sabine Vermeulen, Johan Verstreken, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot instelling van een zogenaamde "opveringstoelage" voor zelfstandigen in moeilijkheden (van de dames Cécile Thibaut en Freya Piryns; Stuk 5-2028/1).

-Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden

Wetsvoorstel betreffende de aansprakelijkheid van mandatarissen in dienst van openbare rechtspersonen (van de heer Armand De Decker c.s.; Stuk 5-2029/1).

-Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, met betrekking tot de verloning van ziekenhuisdirecties (van de heer Louis Ide; Stuk 5-2030/1).

-Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ter bevordering van de giften in natura (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 5-2032/1).

-Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, teneinde het toepassingsgebied ervan te verruimen tot de landbouwers die hun activiteit uitoefenen als natuurlijke persoon (van de dames Cécile Thibaut en Freya Piryns; Stuk 5-2035/1).

-Commissie voor de Justitie

Voorstellen tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de gevallen waarin de dienst Veiligheid van de Staat verkozen politici schaduwt (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 5-2034/1).

-Commissie voor de Justitie

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4 van het Reglement wordt de samenstelling van de commissies gewijzigd als volgt:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 16 april 2013 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet-geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (Stuk 5-2010/1).

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde de fiscale bemiddeling uit te breiden tot verzoeken tot ambtshalve ontheffing (Stuk 5-2011/1).

Wetsontwerp houdende invoeging van boek IX. "Veiligheid van producten en diensten" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IX in boek I van het Wetboek van economisch recht (Stuk 5-2012/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hof van Beroep

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Luik, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Hof van Beroep te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parketten

Bij brief van 26 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Dendermonde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 26 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Turnhout overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Mechelen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Nijvel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 19 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de Procureur des Konings te Ieper overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Ieper, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 21 maart 2013.

Bij brief van 5 april 2013 heeft de Procureur des Konings te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 9 april 2013 heeft de Procureur des Konings te Kortrijk overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Parket van de Procureur des Konings te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraten

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Nijvel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 27 maart 2013

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Verviers overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Verviers, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Dendermonde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 18 maart 2013

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Mechelen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 maart 2013

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Brussel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 maart 2013

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Hasselt overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 27 maart 2013

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de arbeidsauditeur te Bergen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van het Arbeidsauditoraat te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 27 maart 2013

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van eerste aanleg

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2013.

Bij brief van 2 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2013.

Bij brief van 5 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 8 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 maart 2012.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbanken

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2013.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Doornik, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brugge, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Brugge, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Charleroi, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Gent, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbanken te Namen en Dinant, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbanken te Namen en Dinant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 29 maart 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbanken te Verviers en Eupen, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbanken te Verviers en Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2013.

Bij brief van 2 april 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Luik, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 8 maart 2013.

Bij brief van 8 april 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 maart 2013.

Bij brief van 9 april 2013 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk-Ieper-Veurne, overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2012 van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk-Ieper-Veurne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van koophandel

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Kortrijk overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2013.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Verviers en Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Verviers en Eupen.

Bij brief van 3 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Dinant overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2013.

Bij brief van 3 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

Bij brief van 8 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Namen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Namen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 maart 2013.

Bij brief van 12 april 2013 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Hoei overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Rechtbank van koophandel te Hoei, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Bij brief van 2 april 2013 heeft de voorzitter van Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2012 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Nationale Arbeidsraad

Bij brief van 2 april 2013 heeft de Voorzitter van de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, aan de Senaat overgezonden

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 28 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 27 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad

Bij brief van 3 april 2013 hebben de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad aan de Senaat overgezonden:

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden en naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 8 april 2013 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat volgende teksten overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 11 tot en met 14 maart 2013.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.