3-97

3-97

Belgische Senaat

3-97

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 17 FEBRUARI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een oud-senator

Samenstelling van een politieke fractie

Samenstelling van de commissies en afvaardigingen

Belangenconflict

Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Evaluatie van de hervorming van de politiediensten (Stuk 3-566)

Ontwerp tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (Stuk 3-700)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (Stuk 3-951)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Dubai op 8 maart 2004 (Stuk 3-952)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische stoffen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-956)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Kroatië, ondertekend te Brussel op 31 oktober 2001 (Stuk 3-957)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek der Filippijnen, ondertekend te Manilla op 7 december 2001 (Stuk 3-958)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Australië, ondertekend te Canberra op 20 november 2002 (Stuk 3-959)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-962)

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997 (Stuk 3-965)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Litouwen betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Vilnius op 19 november 2003 (Stuk 3-983)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 3-1005)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (Stuk 3-991) (Tweede behandeling)

Voorstel van resolutie over vrouwen, vrede en veiligheid (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-902)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de algemene invoering van de intelligente koffer bij waardetransporten» (nr. 3-583)

Mondelinge vragen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de eerste minister over «de niet-deelname van de Vlaamse regering aan de feestelijkheden in verband met de 175ste verjaardag van België» (nr. 3-587)

Vraag om uitleg van mevrouw Olga Zrihen aan de eerste minister over «zijn onderhoud met de president van de Verenigde Staten, George W. Bush» (nr. 3-597)

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de operationalisering van de Communicatie- en Informatiecentra (CIC's)» (nr. 3-569)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de sensibiliseringscampagne voor orgaandonatie» (nr. 3-549)

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de stand van zaken in verband met de taalproblematiek inzake de mobiele urgentiegroepen (MUG) in Vlaams-Brabant en Brussel» (nr. 3-570)

Vraag om uitleg van de heer Luc Paque aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het Belgisch nationaal rapport over drugs 2004» (nr. 3-585)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «zijn beleid inzake het overaanbod van apotheken» (nr. 3-589)

Vraag om uitleg van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Werk over «het systeem van de dienstencheques» (nr. 3-577)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de taalaanhorigheid van de ambtenaren van de FOD Justitie (Hoofdbestuur)» (nr. 3-600)

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het veiligheidsbeleid in de gevangenissen» (nr. 3-582)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de dubbele nationaliteit en de ratificatie van de Conventie van de Raad van Europa over de nationaliteit van 6 november 1997» (nr. 3-586)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de verkoop van 24 woningen te Brasschaat» (nr. 3-598)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het actieplan van de federale regering in het kader van de Wereldconferentie tegen racisme en onverdraagzaamheid» (nr. 3-599)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de aids/hiv-problematiek» (nr. 3-544)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Frans Blancquaert, gewezen senator voor het arrondissement Kortrijk-Ieper.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Samenstelling van een politieke fractie

De voorzitter. - Bij brief van 17 februari 2005 heeft de heer Hugo Coveliers mij laten weten dat hij niet langer deel uitmaakt van de VLD-fractie en dus voortaan als onafhankelijk lid in deze vergadering zal zetelen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Samenstelling van de commissies en afvaardigingen

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de afvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor de veiligheid en de samenwerking in Europa de heer Hugo Coveliers te vervangen door de heer Jean-Marie Dedecker als effectief lid.

Bij de Senaat is eveneens een voorstel ingediend tot wijziging van de samenstelling van de Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen:

Belangenconflict

De voorzitter. - Bij brief van 10 februari 2005, heeft, na de voorzitter van het Vlaams Parlement, de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers op zijn beurt de motie overgezonden die door het Vlaams Parlement werd aangenomen op 24 november 2004, en waarbij het Vlaams Parlement verklaart ernstig in zijn belangen te worden benadeeld door het wetsontwerp houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor pensioenen (Stuk Kamer nr. 51-1444).

De termijn van 30 dagen waarover de Senaat beschikt om een gemotiveerd advies uit te brengen, heeft derhalve een aanvang genomen op 11 februari 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Verzoekschriften

De voorzitter. - Bij brieven van 25 januari, 1 en 14 februari 2005 hebben mevrouw Marleen Vanderpoorten, burgemeester van Lier, de heer M. Wackenier, burgemeester van Alveringem en de heer Rik Daelman, burgemeester van Waasmunster aan de Senaat overgezonden, drie moties met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Flor Koninckx aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de organisatie van de Gumball Rally» (nr. 3-575)

De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Het is niet de eerste keer dat ik een vraag stel over de Gumball Rally. Ik vind dit nogal belangrijk en kom er dus graag nog even op terug.

Op het programma van op 14 mei een doortocht door ons land gepland. De Gumball Rally, of Gumball Race, is een grensoverschrijdende wedstrijd over de openbare weg voor heel rare, superzware en peperdure auto's. Op zich is dat niet zo erg, maar het evenement heeft een kwalijke reputatie. Tijdens de jongste editie, in mei vorig jaar, zijn in Spanje verschillende deelnemers gearresteerd op beschuldiging van streetracing en uitten verschillende deelnemers tegenover de media hun minachting voor het verkeersreglement en de veiligheid op de openbare weg.

Twee maanden geleden vroeg ik de minister de mogelijkheid te onderzoeken om de Gumball Race uit ons land weg te houden. Uit het antwoord begreep ik toen dat het inderdaad niet evident is zoiets op wettelijke basis te verbieden. Mijn argument was en is dat de overheid al een aantal jaren veel inspanningen doet om het verkeer veiliger te maken - overigens niet zonder succes - en dat het beter is een dergelijke organisatie uit ons land weg te houden.

De organisatoren van de Rally, editie 2005, wilden op 14 mei met hun `karavaan der verdwazing' tot op de Grote Markt van Brussel rijden en een feestje bouwen in het Brusselse stadhuis. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel heeft hun aanvraag geweigerd. Ik citeer even de beslissing van 20 januari: "Gumball à la Grand-Place le 14 mai refusé pour cause de mauvaise réputation dans le passé. 1. L'organisation du Rallye et l'exposition de voitures extravagantes sur le territoire de la ville. 2. La mise à disposition des salons de l'hôtel de ville pour les participants de cet événement de glamour." Daarna staat er kort en bondig als antwoord op de vragen 1 en 2: "la demande est refusée". Ik heb hier ook het advies van de korpschef van de Brusselse politie, die op basis van "la mauvaise réputation" en nog enkele elementen "un avis défavorable" geeft.

Mijn vraag is heel kort: ziet de minister een mogelijkheid om de andere gemeenten in het land aan te raden in deze aangelegenheid het voorbeeld van Brussel te volgen en ook de Gumball Race op hun grondgebied te verbieden?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik verneem inderdaad dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel de samenkomst op het grondgebied van de stad heeft verboden. Aangezien er inderdaad twijfel kan bestaan over de aard van de gebeurtenis, heb ik - zoals de minister van Mobiliteit op 16 december 2004 vermeldde in zijn antwoord op de mondelinge vraag van de heer Koninckx - aan de rallycommissie gevraagd te onderzoeken of er preventief kan worden opgetreden. Het advies van de rallycommissie werd mij nog niet formeel toegestuurd, maar officieus verneem ik dat aangezien het geen wedstrijd betreft en nog minder een snelheidswedstrijd, de reglementering inzake officiële rally's niet van toepassing zal zijn. Volgens mijn informatie hebben de organisatoren van de Gumball Race aangekondigd dat het geen race is, dat er tussen de deelnemers geen wedstrijden mogen worden gehouden en dat de deelnemers alle wetten en reglementen die gelden in de landen waar ze door rijden, moeten naleven, dus ook de verkeerswetgeving, het verbod op het rijden onder invloed van alcohol of verdovende middelen en dergelijke meer.

Deelnemers die deze regels niet naleven, kunnen worden uitgesloten. Het verbieden van voertuigen die de verkeersregels naleven om zich over de weg te verplaatsen, ligt niet voor de hand.

Als gebruik wordt gemaakt van de openbare weg en als het geen officiële rally is, dan moet de verkeersreglementering worden nageleefd. Ik zal dus niet tolereren dat in het kader van een dergelijk evenement de regels met voeten worden getreden.

Het evenement moet worden benaderd vanuit het perspectief van de verkeershandhaving en van de openbare orde. Vanuit dat oogpunt zal ik ook het crisiscentrum belasten met de coördinatie van het evenement en alle mogelijk preventieve en repressieve maatregelen laten onderzoeken.

De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Ik ben tevreden over het feit dat de minister alles grondig zal controleren en een crisiscentrum met de coördinatie belast. Ik heb echter gevraagd of het mogelijk is ook andere gemeenten aan te sporen om het voorbeeld van Brussel te volgen als ze een vraag krijgen om op hun grondgebied een dergelijk evenement te laten organiseren.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik moet rekening houden met de gemeentelijke autonomie. De publiciteit die aan deze vraag en het antwoord kan worden gegeven, kan een signaal zijn voor de gemeenten.

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «zijn werkbezoek aan Denemarken en de gevolgen voor het vreemdelingenbeleid in ons land» (nr. 3-573)

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - In de media was heel wat te doen over het werkbezoek dat de vice-eerste minister aan Denemarken heeft gebracht.

Zoals bekend is Denemarken een van de voortrekkerslanden in Europa als het om een strikt vreemdelingenbeleid gaat. Het Deens beleid wordt gevoerd door een minderheidskabinet van liberalen en conservatieven, met de steun van de Volkspartij. Dat is een unieke coalitie in Europa en misschien was dat ook gedeeltelijk een doel van de studiereis. Een vreemdelingenbeleid van de Deense regering vindt steun bij de bevolking en wordt beloond door de kiezers. Zelfs de oppositie laat horen dat ze, indien ze na de jongste verkiezingen aan de macht was gekomen, dat beleid zou hebben voortgezet.

In ons land ligt het anders. In de kranten konden we de reacties van de coalitiegenoten lezen. De heer Di Rupo was verbaasd; hij wou zelfs in het verzet gaan tegen de reis van de minister; de PS tikte de minister op de vingers; de heer Di Rupo was verbolgen en hij sprak over cynische chantage. Senator Dedecker vond dat de schoolreis van de minister wel eens heel leerrijk kon zijn.

De vice-eerste minister zei dat hij zou overleggen met zijn collega's-ministers over de koppeling van het asielbeleid aan het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, een verhoging van het budget voor ontwikkelingshulp en een uniform asielbeleid in de EU met opvang aan de buitengrenzen van de EU. Dat verhaal is overigens niet nieuw; we hebben dat al eerder van hem gehoord.

Maar van al die straffe verklaringen in de pers wordt later bijzonder weinig in praktijk gebracht. Nochtans kan de vice-eerste minister de maatregelen waarvan hij zegt voorstander te zijn, niet uitvoeren zonder de steun van de hele regering en zelfs van de Europese Raad van ministers.

Met welke voorstellen is de vice-eerste minister uit Denemarken teruggekeerd? In welke mate is zijn schoolreis, zoals collega Dedecker de uitstap noemt, leerrijk geweest?

Hoe concreet zijn die voorstellen? Heeft hij daarover al overleg gepleegd met zijn collega-ministers en worden zijn voorstellen door de hele regering gesteund?

Binnen welke termijn mogen we verwachten dat die voorstellen in beleid worden omgezet?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb gisteren aan kamerlid Tastenhoye ook al gezegd dat ik toch wat sta te kijken van de emotie die mijn bezoek aan Denemarken bij sommigen heeft teweeggebracht. Daarom wil ik het even in de juiste context plaatsen.

In het programma van Den Haag wordt zeer veel aandacht besteed aan het ontwikkelen van een Europees extern asielbeleid. Op de formele ontmoeting van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van januari in Luxemburg heeft de Deense minister van Binnenlandse Zaken een bijzonder interessante presentatie gegeven van het Deense beleid op dat vlak. Met het oog op de discussies in de Raad van ministers van de Europese Unie leek het me dan ook nuttig om met deze Deense invulling van een Europees extern asielbeleid nader kennis te maken. Ik benadruk dat ik niet naar Denemarken ben gegaan om het vreemdelingenbeleid as such te bestuderen, want voor dat beleidsdomein leveren de diverse Europese richtlijnen het kader waarbinnen ik zal werken. Alle lidstaten hebben meer en meer richtlijnen hieromtrent in hun eigen recht omgezet zodat we stap voor stap komen tot een harmonisering van het migratiebeleid in de hele Europese Unie, althans voor zover het om het interne aspect daarvan gaat.

Er wordt over het Deense migratiebeleid van alles en nog wat verteld. Daarom wil ik een paar punten preciseren.

Denemarken is het land met het hoogste budget voor ontwikkelingssamenwerking binnen de Europese Unie. Denemarken heeft zijn asiel- en immigratiebeleid ten volle geïntegreerd in zijn buitenlands beleid. Het land heeft zich geëngageerd in tal van projecten, overigens in samenwerking met het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de VN, onder meer in Kenia, Uganda en Tanzania.

Vooral voor dit punt wil ik lessen trekken uit mijn bezoek. We mogen namelijk niet berusten in de onwil van sommige landen om eigen onderdanen terug op te nemen. Er bestaat trouwens een internationale verplichting voor ieder land om eigen onderdanen terug op te nemen. En van landen waarmee we handelsakkoorden sluiten of ontwikkelingssamenwerking organiseren, mogen we toch verwachten dat ze meewerken aan de terugname van onderdanen die zich illegaal in ons land bevinden. Voorts wil ik de strijd aangaan tegen misbruiken met migratie, zoals in het regeerakkoord staat vermeld. Ik kan namelijk niet aanvaarden dat mensen gebruik of misbruik maken van de onwil van het land van oorsprong om hen terug op te nemen.

Er wordt nogal eens beweerd dat ik vind dat landen die niet meewerken, geen of minder ontwikkelingshulp zullen ontvangen. Daarmee zouden we echter de bevolking van dat land treffen. Dat is zeker niet mijn bedoeling en ik hoop van de heer Van Overmeire hetzelfde. Dat heb ik voldoende duidelijk gemaakt vóór, tijdens en na mijn bezoek. Ik wil wel dat andere departementen, zoals Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking of Defensie, aandacht krijgen voor de internationale aspecten van mijn departement.

Die departementen moeten de problemen in het Belgische uitwijzingsbeleid in verband met de terugname van eigen onderdanen aansnijden in hun buitenlandse relaties. Een goed migratiebeleid moet niet alleen achteraf reageren, maar vooral proactief reageren. Dat is bij uitstek een bevoegdheid van mijn collega van Ontwikkelingssamenwerking.

Binnenkort zal ik vergaderen met collega's De Gucht en De Decker om het beleid nog meer op elkaar af te stemmen. Ik verwijs ook naar het regeerakkoord. Er was immers nogal veel te doen om niets. Ik citeer het regeerakkoord: "Grotere aandacht zal gaan naar regio's waar de problemen van armoede en ongelijkheid aanleiding geven tot een grote migratiedruk, zoals de landen van Noord-Afrika en ook bepaalde Balkanlanden die vandaag geen uitzicht hebben op een toetreding tot de Europese Unie." Dat staat in het onderdeel ontwikkelingssamenwerking van het regeerakkoord. Ik heb dat verband dus niet verzonnen; het is een opdracht uit het regeerakkoord.

Andere lidstaten hebben een gelijkaardige aanpak. Ik denk onder meer aan Nederland en aan het Verenigd Koninkrijk. Ik heb een bezoek gepland aan Londen, waar ik de voorstellen van Labour wil gaan bekijken. Labour heeft nieuwe initiatieven aangekondigd die zeer nuttig kunnen zijn voor het huidige beleid.

Ook de Europese Unie zelf wil werk maken van een betere samenwerking tussen Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Binnenlandse Zaken inzake asiel- en migratiebeleid. Dat staat in de beleidsnota's van de commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking, de heer Michel.

Oplossingen op het vlak van het asiel- en migratiebeleid moeten steeds meer gevonden worden in een Europese context. Ik denk aan readmissieakkoorden, het opzetten van een fonds voor terugkeer en ook projecten in transitlanden. Die voorstellen komen vanuit de Europese Unie, meer in het bijzonder vanuit de Europese Commissie.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Toen sommigen destijds een strakker en ander asielbeleid voorstelden, werd dat als onmogelijk en onmenselijk voorgesteld en als in strijd met de internationale akkoorden. Vandaag zien we dat in Denemarken en ook in andere landen een strakker, maar rechtvaardig asielbeleid binnen het kader van internationale afspraken wel mogelijk is. Ik ben blij dat de vice-eerste minister daaruit conclusies trekt. Ik hoop dat een streng, maar rechtvaardig asielbeleid, dat echte asielzoekers de kans geeft om bij ons asiel te vinden, steeds meer ingang zal vinden. Terzelfder tijd kan voor een aantal problemen in de derde wereld een grotere inspanning vanuit onze landen worden verwacht.

Zo'n beleid zal steun krijgen bij grote lagen van de bevolking. Ik hoop dat de vice-eerste minister erin zal slagen de coalitiepartners ter linkerzijde te overtuigen.

Mondelinge vraag van mevrouw Jihane Annane aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de discriminatie, op het gebied van werkgelegenheid, van vrouwen in het kader van de conferentie Peking +10» (nr. 3-574)

Mevrouw Jihane Annane (MR). - Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen spitst zich momenteel toe op de 49ste zitting van de VN-Vrouwencommissie van 28 februari tot 11 maart.

In een recent rapport stelt de Economische Commissie voor Europa van de VN (UNECE) vast dat vrouwen het slachtoffer zijn van systematische discriminatie inzake toegang tot arbeid, promotie en opleiding. De heer Robineau, de voornaamste adviseur in die commissie, voegt daaraan toe dat de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt de laatste tien jaar is gestegen, maar dat de structuren die het hun mogelijk moeten maken tegelijkertijd hun gezinstaken op zich te nemen, niet zijn gevolgd. De commissie benadrukt zelfs dat het typeprofiel van de arme binnenkort de alleenstaande vrouw van boven de 46 zal zijn.

Uit een enquête van eind januari, verschenen in La Libre Belgique naar aanleiding van de tiende verjaardag van de Nationale Vrouwenraad van België, blijkt dat gelijke lonen de voornaamste eis zijn. In haar tweede jaarrapport over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen van 14 februari stelt de Europese Commissie vast dat de kloof inzake bezoldiging in de Unie van Vijftien ongeveer 16% bedraagt en stabiel blijft, terwijl dat voor de Unie van Vijfentwintig 15% is.

In de verklaring van de ministers na de conferentie van vorige vrijdag in Luxemburg staat dat de 25 ernaar streven de obstakels die vrouwen beletten op de arbeidsmarkt te komen, te overwinnen, het aantal actieve vrouwen en kwaliteitsvolle banen te vergroten en een beleid te bevorderen dat het vrouwen en mannen mogelijk maakt hun beroeps- en privé-leven en hun gezinsverantwoordelijkheden op een evenwichtige wijze te beleven.

Het verslag van de Europese Commissie wijst in dezelfde richting. Daarin staat dat de moeilijkheid om beroeps- en gezinsleven te combineren voor een deel te wijten is aan het ontbreken van kinderopvang en aan onvoldoende flexibele werkvoorwaarden.

Deze goede intenties zijn niet nieuw. Tijdens ontmoetingen op hoog niveau, binnen de EU of de VN, worden veel loffelijke ideeën en verwachtingen geformuleerd. Gisteren heeft de minister in het adviescomité aan die van België herinnerd. Die wil moet ook op nationaal vlak worden vertaald.

Welke maatregelen zullen in ons land terzake worden genomen, meer in het bijzonder om vrouwen ertoe in staat te stellen hun beroeps- en privé-leven zo goed mogelijk te verzoenen?

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat ons Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen hierover volgende week een actualiteitendebat houdt.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De positie van de vrouwen op de arbeidsmarkt en de verzoening tussen beroeps- en gezinsleven vormen kernelementen van een beleid dat de gelijkheid tussen vrouwen en mannen beoogt zoals die door de regering wordt nagestreefd.

Dat vereist uiteraard de medewerking van vele ministeriële departementen, zowel op federaal als op gemeenschaps- en gewestniveau. De gender mainstreaming wil in alle beleidsdomeinen de gelijkheid tussen man en vrouw invoeren. Ik verwijs naar mijn algemene beleidsnota, waarin gender mainstreaming een belangrijke plaats krijgt in het beleid dat ik wil voeren met de steun van het instituut voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Ik herinner eraan dat dit instituut een voorbeeld binnen Europa is. Europa zelf is op dit vlak een voorbeeld voor de rest van de wereld.

De federale regering heeft tijdens de ministerraad van 20 en 21 maart laatstleden, die gewijd was aan de kwaliteit van het leven, belangrijke maatregelen genomen - voornamelijk ten voordele van de vrouwen - om een beter samensporen van privé- en beroepsleven mogelijk te maken.

Ik herinner aan enkele van die maatregelen:

Inzake de gelijkheid van de lonen heb ik afgelopen december de financiering van een programma ondersteund - gecoördineerd door het Instituut en gedragen door de sociale partners - voor een reeks sensibiliserings- en opleidingsinitiatieven met de bedoeling binnen de ondernemingen een classificatie van functies op te stellen, rekening houdend met het geslacht. Dat instrument maakt het mogelijk ongelijkheden in behandeling die, bewust of niet, naar niet gerechtvaardigde loonverschillen leiden, te objectiveren en te corrigeren.

De minister van Gelijke Kansen staat op federaal niveau garant voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Toch moet iedere minister, zowel federaal als gewestelijk, binnen zijn eigen bevoegdheidsgebied concrete maatregelen nemen ter bevordering van de gelijkheid en de strijd tegen discriminaties.

Zolang de gelijkheid niet is bereikt, moeten de nog niet opgeloste problemen aan de orde worden gesteld. Ik zal ze opsporen en elke dag proberen de situatie te verbeteren.

Mondelinge vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het actieplan voor meer diversiteit bij de overheid» (nr. 3-578)

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - In de pers stond deze week te lezen dat de minister meer allochtonen, gehandicapten en vrouwen bij de federale overheid aan het werk wil zetten. De minister heeft daartoe een actieplan voor meer diversiteit bij de overheid opgesteld. Het plan bevat meer dan tachtig maatregelen die ervoor moeten zorgen dat er in de toekomst meer gehandicapten, allochtonen en vrouwen bij de overheid komen werken.

De overheidsmanagers zullen voortaan beoordeeld worden op hun inspanningen om een positief actiebeleid te voeren.

Ook denkt de minister aan een anonieme sollicitatieprocedure. De selectie van overheidspersoneel gebeurt voortaan anoniem via Selor. De dienst stelt de voorwaarden waaraan de kandidaat moet voeldoen. Selor zoekt dan de personen die daaraan beantwoorden. Pas bij het sollicitatiegesprek ziet de dienst met wie hij te maken heeft.

Aan de basis van het plan van de minister liggen drie studies van de KULeuven, de Brusselse ULB en de universiteit van Namen. De SP.A-fractie juicht de initiatieven van de minister ten zeerste toe.

Toch maken we ook een belangrijke bedenking. De minister wil afstappen van het idee om de Grondwet aan te passen om ook niet-EU-burgers toe te laten tot overheidsdiensten. In de plaats zouden niet-Belgen aan de selectieprocedures voor een statutaire ambtenarenloopbaan kunnen deelnemen. Als de buitenlandse sollicitant geselecteerd wordt, kan hij de procedure starten om de Belgische nationaliteit te verwerven. Dat meldden op dinsdag 15 februari de kranten De Standaard en De Tijd.

De minister wil dus meer allochtonen aan het werk bij de overheid, maar toch wil hij de Grondwet daartoe niet aanpassen. Nochtans zit de grootste discriminatie hierin begrepen. Volgens artikel 10, tweede lid, tweede zinsdeel staan de burgerlijke en militaire bedieningen enkel open voor Belgen.

Mijn fractie heeft een wetsvoorstel ingediend in de Senaat. Concreet willen wij het de overheidsdiensten openstellen voor niet-EU-burgers, evenwel beperkt tot betrekkingen die geen directe of indirecte deelname aan het openbaar gezag veronderstellen en die niet tot doel hebben de algemene belangen van de staat of andere openbare diensten te waarborgen.

Ons voorstel past in het beleid van de regering. Het federaal regeerakkoord van juli 2003 bepaalt immers dat de overheid de toegang van vreemdelingen tot bepaalde betrekkingen in overheidsdienst wil aanmoedigen en de deelname van landgenoten van vreemde herkomst aan de vorming voor selectieproeven in de ambtenarij wil stimuleren. Artikel 10, tweede lid, tweede zinsdeel, van de Grondwet werd om die reden toegevoegd aan de lijst van voor herziening vatbare Grondwetsbepalingen.

Kan de minister nader toelichten waarom hij de Grondwet niet wenst aan te passen? Welke logica steekt er achter zijn beslissing?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Het actieplan tot bevordering van de diversiteit bij de overheid is inderdaad toegespitst op de toegang van personen van vreemde afkomst tot de ambtenarij. Vele jongeren in onze wijken en steden zijn hier geboren en hebben de Belgische nationaliteit, maar omwille van hun afkomst slagen ze er niet in een plaats te verwerven op de arbeidsmarkt en dus ook niet bij de overheidsdiensten. Wij hebben beslist om dit probleem bij voorrang aan te pakken. Hiertoe stellen wij voor om sensibiliseringsacties en opleidingen rond interculturaliteit voor ambtenaren te organiseren. Daarnaast zal Selor een samenwerkingsverband met de inschakelingsactoren opzetten om de werkaanbiedingen beter te verspreiden en duidelijke informatie over de selectietest te brengen.

Dat zijn zeer concrete maatregelen en ik hoop dat ze zullen leiden tot een multiculturele overheidsdienst. Men beweert immers dat in de ambtenarij personen van vreemde oorsprong worden gediscrimineerd.

Een ander belangrijk probleem is de toegang van niet-EU-burgers tot overheidsdiensten. Het actieplan biedt daarvoor geen oplossingen. Het bevat alleen acties van de overheidsdiensten die rechtstreeks onder mijn toezicht vallen. De symbolische draagkracht van de maatregel verantwoordt zeker een grondig debat in het Parlement. SP.A-SPIRIT heeft in die zin in de Senaat een voorstel van herziening van de Grondwet ingediend. Karine Lalieux nam met een aantal medestanders hetzelfde initiatief in de Kamer.

Het probleem van de toegang tot de ambtenarij voor niet-EU-burgers is volgens mij een belangrijke symbolische maatregel in de strijd voor de gelijkheid voor allen, maar het mag niet zo zijn dat men tussen de bomen het bos niet meer ziet. De gelijkheid waarborgen op papier is een, weliswaar belangrijke, zaak, maar die gelijkheid omzetten in de realiteit is een veel grotere uitdaging

De jonge Belgen van vreemde oorsprong hebben in principe toegang tot de overheidsdiensten ambt, maar we stellen vast dat de deur voor hen nog altijd maar op een kier staat. Mijn actieplan is dus in de eerste plaats op hen gericht.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - Ik kan de concrete acties van de minister om de discriminaties in de overheidsdiensten weg te werken alleen maar toejuichen.

Ik hoop dat ons wetsvoorstel door de Senaat zal worden goedgekeurd. Er is al een symbolische erkenning, maar de toegang is nog niet voor iedereen gelijk. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gaf het goede voorbeeld en het is tijd dat er ook op federaal niveau iets in beweging komt.

De voorzitter. - Ik begroet de vertegenwoordiger van het Yeunten Ling-instituut in ons midden. Dat nam het initiatief voor de uitnodiging van de Dalai Lama in Antwerpen, Hoei en Charleroi. Ik dank het daarvoor. Wij weten dat het instituut het hoofd heeft moeten bieden aan een catastrofale situatie.

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de annulering van het bezoek van de Dalai Lama aan Vlaanderen» (nr. 3-567)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de annulering van het bezoek van de Dalai Lama» (nr. 3-569)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de annulatie van het bezoek van de Dalai Lama aan België» (nr. 3-579)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Het Tibetaans Centrum in Schoten neemt al sinds april 2004 voorbereidingen voor het geplande bezoek van de Dalai Lama in juni van dit jaar. De organisatoren van het bezoek moesten echter via een journalist vernemen dat diplomatieke druk werd uitgeoefend op de Dalai Lama, waardoor deze zijn bezoek afzegde.

De reden voor deze diplomatieke druk zou te zoeken zijn in het `toevallige' officiële bezoek van koning Albert in dezelfde periode aan China, dat Tibet al sinds 1950 bezet. De uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken in De Morgen van 7 februari doen minstens de vermoedens rijzen dat voor onze regering de handelsbetrekkingen belangrijker zijn dan mensenrechten, vrijheid en vrije meningsuiting.

Wat alles bijzonder eigenaardig maakt, is dat het bezoek van de Dalai Lama al in april 2004 in diverse kranten werd aangekondigd en dat nauwelijks enkele weken later, op 5 mei, de Chinese premier Wen Jiabao tijdens een bezoek aan Europa, koning Albert zou hebben uitgenodigd voor een officieel staatsbezoek aan China.

Toch verklaarde de minister in een kranteninterview dat het louter toeval is dat de reis van de Dalai Lama samenvalt met het staatsbezoek van koning Albert. Het blijft alleszins onduidelijk waarom de Dalai Lama pas vorige maand op de hoogte is gebracht van het dubbelbezoek.

Klopt het dat de beslissing omtrent het officieel staatsbezoek van de koning aan China in mei 2004 werd genomen, op een ogenblik dat reeds een maand bekend was dat de Dalai Lama ons land zou bezoeken? Waarom werd daarmee geen rekening gehouden? Waarom werd de Dalai Lama pas vorige maand op de hoogte gebracht?

Waarom heeft de minister in de media verklaard dat er niet tegelijkertijd een bezoek van de Dalai Lama aan Vlaanderen en een bezoek van de koning aan China kan plaatsvinden? Waar ligt de onverenigbaarheid van beide zendingen? Waarom kan een geestelijke leider geen privé-instelling bezoeken terwijl koning Albert naar China gaat? Ik vermoed dat de beslissing van de Dalai Lama het gevolg is van een vraag of een suggestie van de Belgische regering. Vindt de regering het opportuun zich te mengen in religieuze aangelegenheden? Meent de minister dat het bezoek van een spirituele leider ondergeschikt is aan het bezoek van de koning aan een dictatoriaal regime dat reeds vijftig jaar Tibet bezet?

Is er vanuit China diplomatieke of andere druk uitgeoefend om het bezoek van de Dalai Lama te dwarsbomen?

Gelet op de bereidheid die de minister aan de dag legt bij het verkondigen van zijn standpunt in andere landen, zoals Congo, had ik graag vernomen wat het officiële standpunt van de regering is over de Chinese bezetting van Tibet?

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik ben zeer verbaasd.

Vorige zaterdag, tijdens een parlementaire vakantie die me belette de minister van Buitenlandse Zaken te ondervragen, vernam ik via de RTBF dat het komende bezoek van de Dalai Lama was afgelast. Erger was dat de organisatoren, die reeds vele jaren, en zeker de jongste maanden, aan de organisatie van dit bezoek werken, op dezelfde wijze werden geïnformeerd.

Wat de vorm betreft, is dat een nieuwigheid. Ik wens echter ook te worden ingelicht over het waarom van de annulering, temeer omdat de communicatie van de diensten van de minister niet eenduidig is.

In de eerste mededeling was sprake van een beslissing van de diensten van Buitenlandse Zaken.

In de tweede mededeling werd gewag gemaakt van een beslissing van de Dalai Lama zelf nadat het probleem - ik vraag u trouwens wat dat probleem is, aangezien het een privé-bezoek betreft - hem werd voorgelegd.

Wat is nu de betekenis van die mededelingen?

Als motief wordt het koninklijk bezoek, een maand later, aangehaald. Ik zie hier absoluut geen enkel verband. Frankrijk heeft in 2004, terwijl het land het jaar van China vierde, een privé-bezoek van de Dalai Lama gekregen zonder dat dit de diplomatieke en handelsrelaties tussen Frankrijk en China ook maar in het minst in het gedrang bracht.

Dit bezoek is niet enkel dat van een religieuze en spirituele leider, maar ook dat van een winnaar van de Nobelprijs voor de vrede, van een mondiale vredesambassadeur. Zijn komst werd verwacht door tienduizenden mensen in België en in het buitenland. Daarvan getuigen de tienduizenden bezoeken en commentaren op de webstek van de organisatoren en de omvang van de reacties in de culturele wereld, het verenigingsleven en de internationale pers. Kijk maar eens hoe België nu in EuroNews wordt behandeld.

Na de incidenten met de Congolese autoriteiten waarover de minister in Le Soir zelf een artikel pleegde, na zijn besluit het beleid ten aanzien van Afrika te reduceren tot een humanitair beleid en Azië prioriteit te geven, zien wij nu de annulering, van de ene dag op de andere, van een bezoek dat al jaren werd verwacht. Wil de minister werkelijk met de hele wereld ruzie maken?

Wat zijn de echte redenen voor de annulering van een privé-bezoek dat sinds vijf jaar wordt verwacht?

Waar, wanneer, hoe en door wie werd die beslissing genomen?

Is die beslissing definitief?

Zal de minister, als antwoord op het protest die de beslissing uitlokt en voorzover ze wordt gehandhaafd, drie maanden vóór het evenement, de organisatoren moreel en financieel schadeloos stellen?

Hoe zal de minister opnieuw contact leggen met de duizenden mensen die hun onbegrip en verontwaardiging hebben geuit?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De Dalai Lama, de verbannen spirituele en politieke leider van Tibet, komt in juni niet naar België. Volgens de minister van Buitenlandse Zaken heeft de geestelijke leider dat `uit vrije wil' beslist om geen incident te creëren. In juni gaat koning Albert immers naar China.

België begaat op dit vlak een pijnlijke diplomatieke fout. Economie mag niet primeren op mensenrechten en godsdienstvrijheid. Ongeacht het feit of deze toestand het gevolg is van druk van China dan wel van een fout van Buitenlandse Zaken, blijven we geconfronteerd met een no win-situatie die België had kunnen voorkomen. De Dalai Lama, die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg toegekend, verdient de meest respectvolle behandeling, evenals de boeddhistische gemeenschap in België. Het is bovendien ongehoord dat het niet-respecteren van de mensenrechten en de godsdienstvrijheid in China gevolgen heeft voor België. Dat de minister van Buitenlandse Zaken, uit vrees de Chinese overheid te misnoegen, aan de Dalai Lama heeft laten weten dat zijn komst in juni een probleem vormt, betekent een inbreuk op de godsdienstvrijheid en de mensenrechten in ons land.

Graag had ik van de minister vernomen wat de precieze reden is van deze pijnlijke diplomatieke situatie. Welke maatregelen zal de minister nemen om de situatie recht te zetten teneinde de Dalai Lama, de boeddhistische gemeenschap, de mensenrechtenorganisaties en de gehele bevolking van ons land te bewijzen dat wij de godsdienstvrijheid en de mensenrechten eerbiedigen?

De voorzitter. - Ik sluit me aan bij wat hier werd gezegd. Oorspronkelijk ging de uitnodiging van mijn stad uit.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees u het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken voor. Ik heb de eer en het genoegen hem vanmiddag in de Senaat te vertegenwoordigen. Ik zal ook namens meerdere andere collega's antwoorden. Ik neem nota van de commentaren met de afstandelijke houding die ik op dit ogenblik moet betonen.

"Een voorstel van data voor het Staatsbezoek aan China is door de Belgische Ambassadeur in Peking op 24 juni 2004 bezorgd aan het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ging om een Belgisch voorstel. Op dat ogenblik was het voornemen van de Dalai Lama om België in juni 2005 privé te bezoeken bij de diensten van de FOD Buitenlandse Zaken niet bekend.

Op 22 november 2004 vond te Brussel een ontmoeting plaats met de bijzondere gezant van de Dalai Lama die verslag uitbracht van zijn derde ronde consultaties met de Chinese autoriteiten te Peking. Tijdens dat twee uur durende gesprek is op geen enkel ogenblik melding gemaakt van een bezoek van de Dalai Lama aan België. Op 1 december 2004 heeft een andere gezant van de Dalai Lama Buitenlandse Zaken op de hoogte gebracht van het privé-bezoek van de Dalai Lama aan Brussel in juni 2005. Pas op dat ogenblik is gebleken dat het staatsbezoek aan China en het privé-bezoek van de Dalai Lama gelijktijdig waren gepland.

De Dalai Lama zelf heeft onmiddellijk het probleem ingezien toen hem hierover om advies werd gevraagd. Hij heeft meteen zijn privé-bezoek aan België afgelast. Ook voor de Dalai Lama oversteeg het diplomatieke belang het religieuze. Er kan derhalve op geen enkele wijze sprake zijn van inmenging in religieuze aangelegenheden. Enkel diplomatieke onverenigbaarheid is een essentiële factor geweest, ook bij de overwegingen van de Dalai Lama die, naar zijn eigen zeggen, de betrekkingen van derde landen met China niet wenst te verstoren.

Ik herinner eraan dat een verblijf van de Dalai Lama, waar ook ter wereld, nooit als een `diplomatieke zending' kan worden beschouwd, aangezien hij geen Staat vertegenwoordigt.

Tevens herinner ik eraan dat de Dalai Lama reeds drie keer op privé-bezoek was in België en toen telkens privé-audiënties heeft gehad met leden van de federale regering.

De Chinese autoriteiten hebben op geen enkel ogenblik enige druk uitgeoefend of suggesties of toespelingen gedaan om het bezoek van de Dalai Lama te dwarsbomen. Iedereen die vertrouwd is met het buitenlandse beleid van China weet dat een staats- of officieel bezoek aan China onverenigbaar is met een gelijktijdig verblijf van de Dalai Lama op het grondgebied van de bezoekende staat.

België heeft in 1971 diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met China zonder reserves over het grondgebied van de Volksrepubliek China. Het Tibetaans Autonoom Gebied maakt derhalve voor België deel uit van China. Geen enkel land dat diplomatieke betrekkingen heeft met de Volksrepubliek China, betwist dit.

De redenen voor de annulering van het privé-bezoek van de Dalai Lama zijn die welke in het communiqué van de FOD Buitenlandse Zaken werden vermeld, namelijk de standvastige houding van de Dalai Lama, die de relaties tussen de Volksrepubliek China en een derde land niet wil verstoren. Er zijn geen andere redenen voor zijn beslissing.

Zijn beslissing werd door de diensten van de Dalai Lama aan de organisatoren meegedeeld. Enkel de organisatoren kunnen u zeggen hoe, wanneer en door wie de beslissing aan hen werd meegedeeld.

Aangezien het een beslissing van de Dalai Lama betreft, kan alleen hij op uw vraag antwoorden.

Ingevolge deze gebeurtenissen werden contacten gelegd tussen de organisatoren en de FOD. Het is echter voor de Staat onmogelijk de kosten te vergoeden van een beslissing van de Dalai Lama.

Mijn diensten en ikzelf zijn bereid elke delegatie te ontvangen die ons hierover wil ontmoeten."

Zelf wil ik daaraan toevoegen dat de Dalai Lama altijd welkom is in België, waar hij het respect van iedereen geniet. Ik zou zelf bijzonder verheugd zijn hem te kunnen ontmoeten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het antwoord van de minister is totaal niet overtuigend. In deze zaak is er maar één verliezer, namelijk de Belgische diplomatie en democratie, omdat we niet de moed hebben gehad de Dalai Lama te zeggen dat hij toch welkom is in ons land, ook in juni 2005, ongeacht andere staatsbezoeken. Ik betreur dit ten zeerste, alsook het feit dat er geen rechtzetting is gekomen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik verzoek de minister de heer De Gucht mee te delen dat ik volstrekt niet tevreden ben met zijn antwoord. Als de Chinese autoriteiten, zoals hij zegt, geen enkele druk hebben uitgeoefend, waarom was dit bezoek dan onmogelijk? Volgens hem weet iedereen dat er een onverenigbaarheid bestaat. Wie is die `iedereen'? Het bezoek van de Dalai Lama is een privé-bezoek, in tegenstelling tot het bezoek van onze vorsten, dat een officieel bezoek is.

Na alle vergissingen en politieke en diplomatieke fouten die minister De Gucht week na week blijft opstapelen, meen ik dat het buitenlands beleid van België veel te winnen zou hebben bij zijn ontslag.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Ik heb in de eerste plaats een opmerking over de chronologie. In april 2004 hebben alle kranten aangekondigd dat de Dalai Lama ons land zou bezoeken. Op 5 mei bezocht de Chinese premier ons land en stelde hij voor onze Koning uit te nodigen. Op 24 juni vroeg de Belgische regering de Chinezen onze Koning te ontvangen. De chronologie toont aan dat hier vals gespeeld wordt.

Er zou een probleem zijn met het bezoek van de Dalai Lama. Hij zou een privé-bezoek brengen, terwijl de Koning een handelsbezoek brengt. Volgens mij is er geen onverenigbaarheid. De minister zegt in zijn antwoord dat er een groot diplomatiek probleem is en dat de Dalai Lama dat heeft begrepen. Anderzijds zegt de minister dat de Dalai Lama geen diplomatieke zending kan leiden. Hoe kan er dan een diplomatiek probleem zijn? Er ontgaat mij iets. Ofwel heeft het woord diplomatiek een dubbele betekenis, ofwel maakt de minister ons iets wijs.

De minister zegt dat wij China sedert de bezetting van Tibet in 1971 nooit enige opmerking hebben gemaakt. Dan is het nu wel hoogtijd. In de krant van eergisteren lees ik: "Volgens Amnesty International zijn in China de voorbije twee maanden 650 mensen geëxecuteerd. Alleen al in de jongste twee weken, net vóór het Chinese nieuwjaar, vonden 200 executies plaats, wat gebruikelijk is voor een feestdag." Hopelijk bezoekt Koning Albert China niet in die periode. Gelet op de opmerkingen van Buitenlandse Zaken over Nepal en op het feit dat er zich onder die aantallen geëxecuteerden ook Tibetanen bevinden, vind ik dat het hoogtijd is dat we China duidelijk zeggen dat we het niet eens zijn met de wijze waarop het communistische China nog altijd Tibet bezet.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De minister van Buitenlandse Zaken heeft in zijn antwoord nooit gezegd dat er geen opmerkingen werden gemaakt aan China.

Ik zal de commentaren van de sprekers bezorgen aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Evaluatie van de hervorming van de politiediensten (Stuk 3-566)

Bespreking

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), rapporteur. - Ik wil eerst alle commissieleden die al jaren de werking van de politie bestuderen en de laatste maanden gewerkt hebben aan dit rapport en de commissiediensten die hun best gedaan hebben om dit rapport tot stand te laten komen bedanken. Ik dank ook het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister zelf voor hun inzet met het oog op het welslagen van de hervorming van de politiediensten.

Het voorliggende verslag past in wat stilaan een traditie is geworden binnen de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden. Tijdens de voorbije drie regeerperiodes werden immers door de commissie verslagen uitgebracht en aanbevelingen geformuleerd over de werking van de politie. De opvolging van deze aanbevelingen wordt telkens besproken met de bevoegde minister en hierover wordt op regelmatige tijdstippen verslag uitgebracht in de commissie.

In de commissie werden hoorzittingen met de minister van Binnenlandse Zaken en zijn vertegenwoordigers, met de commissaris-generaal van de Federale Politie, met vertegenwoordigers van de commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau en met vertegenwoordigers van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten. De samenvatting van die hoorzittingen en de conclusies die daaruit getrokken zijn, vindt u in het rapport.

Hoewel men soms bedenkingen kan hebben bij het houden van hoorzittingen in een commissie, is het in deze materie een noodzaak gebleken. De meeste leden van de commissie hebben ruime ervaring met de werking van de lokale politie, maar minder met die van de federale politie. Dankzij die hoorzittingen konden ze een goed zicht krijgen op de moeilijkheden die er op dit ogenblik nog zijn bij de federale politie en wat eraan gedaan wordt, evenals op de samenwerking tussen de lokale en de federale politie.

Een van de punten waarover in de commissie grondig werd gedebatteerd is de financiële weerslag van het opleggen van bijkomende taken aan de lokale politie. Meerdere commissieleden ervaren de supplementaire doorverwijzing van deze opdrachten naar de lokale politie als overbelastend en in sommige opzichten zelfs onhaalbaar. Ze willen dat remediëren, zonder het nut van de bijkomende taken te betwisten. Het is een goed principe dat zoveel mogelijk taken worden gegeven aan het korps dat het dichtst bij de bevolking staat. Volgens sommige leden en misschien in bepaalde moeilijke zones hypothekeren ze echter de werking van de lokale politie. Andere leden meenden evenwel dat het lokale niveau niet moet proberen de kosten door te schuiven naar het federale niveau.

In de praktijk zien we een betere invulling van de taken. Zoals bij elke hervorming het geval is, moest iedereen zijn plaats vinden in het nieuwe systeem. We plukken nu de vruchten van de politiehervorming.

Een tweede belangrijk discussiepunt was het behoud van een deel van de algemene reserve van de federale politie in Brussel. Voor de commissie is het evident dat een korps van de federale politie mee moet instaan voor de ordehandhaving in de federale hoofdstad.

Voor ik de aanbevelingen overloop, wijs ik er nog op dat de commissie erin geslaagd is een goed evenwicht te vinden tussen de belangen van het federale en van het lokale niveau.

Ik kom nu tot de aanbevelingen van de commissie.

In de eerste plaats moet het statuut eenvoudiger en transparanter worden. Deze vraag komt overigens ook van de basis.

Ten tweede beveelt de commissie de federale politie aan het verslag betreffende de vereenvoudiging binnen de politiediensten uit te voeren. Dit vergt een duidelijke omschrijving van het statuut van het burgerpersoneel en vereenvoudigde procedures voor de aankoop van materieel, personeelsbeheer en de aanwerving van het personeel. De commissie beveelt ook aan de lokale politie te ontheffen van een aantal gerechtelijk-administratieve opdrachten, zoals de invordering van minnelijke schikkingen, het beheer van brieven van gerechtsdeurwaarders, het beheer van de kantschriften van de parketten. Tevens dringt ze aan op een snelle operationalisering van het veiligheidskorps.

De derde aanbeveling betreft de werking van de politie. Er moet gewerkt worden aan een echte, zichtbare buurtpolitie. De jaarverslagen van de politie moeten verplicht worden, zodat de informatie over de oplossing van problemen en misdaden sneller beschikbaar wordt. De deontologische code van de politie moet zo snel mogelijk in werking treden. De minister moet ook oog hebben voor de toenemende afwenteling van politietaken op privé-bewakingsdiensten.

In haar vierde aanbeveling dringt de commissie aan op een betere samenwerking tussen de zones, zowel op operationeel als op niet operationeel niveau. Spontane interzonale initiatieven moeten een algemeen ondersteunend kader krijgen. De misdaad houdt immers niet op aan de grens van een lokale zone. Ook de samenwerking met het federale niveau kan worden verbeterd. De commissie onderstreept de belangrijke rol van de bestuurlijke directeur-coördinator.

In verband met de gehypothekeerde capaciteit onderlijnt de commissie in de vijfde aanbeveling het belang van de handhaving van een deel van de Algemene Reserve in Brussel. De federale regering dient over een korps te beschikken dat instaat voor de ordehandhaving in de hoofdstad. Ook moet het personeelsbestand van de Brusselse zones worden aangevuld om de vraag naar HYCAP-versterking te doen dalen.

In haar zesde aanbeveling dringt de commissie erop aan dat het financieringsmechanisme verder wordt bewaakt. De minister heeft immers beloofd dat het principe van de budgettaire neutraliteit voor de gemeenten zou worden geëerbiedigd.

De zevende aanbeveling heeft betrekking op de informatisering. De commissie dringt erop aan dat het ASTRID-systeem wordt veralgemeend en zo snel mogelijk operationeel wordt voor het hele grondgebied. Het informaticasysteem moet volledig compatibel zijn. Desnoods moet de minister de compatibiliteit kunnen opleggen.

De achtste aanbeveling gaat over de bijzondere rekenplichtigen, het sociale secretariaat en de CDVU.

In de negende aanbeveling vraagt de commissie de versterking van de gespecialiseerde politiediensten voor de bestrijding van het terrorisme.

In de tiende aanbeveling pleit de commissie voor de uniformering van de opleiding in de verschillende politiescholen.

De aanbevelingen werden eenparig aangenomen door de commissie.

Tegen de verwachtingen in werd de balans van de politiehervorming in haar geheel genomen, overwegend positief beoordeeld. De politiezones beschikken over een cel Gerechtelijke Politie die zich specifiek kan toeleggen op de criminaliteitsbestrijding. Zelfs in de kleinere politiezones leidt dit tot een professionelere aanpak en wordt een daling van de criminaliteit vastgesteld.

De samenwerking tussen de zones onderling en met het federale niveau kan nog worden verbeterd, maar toch stellen we vast de samenwerking reeds intenser wordt.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden zal in de komende jaren de politiehervorming blijven volgen en evalueren.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ondanks de vele pijnpunten waarmee de politiehervorming in het begin te kampen had, blijkt ze goed te functioneren. Dat blijkt ook uit de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden. Het goede werk moet dus worden voortgezet. Ook moeten nog enkele storende pijnpunten worden weggewerkt, zoals de regularisaties uit 2002 en het politie-uniform.

Het belangrijkste is echter dat er meer blauw op straat moet komen. De politie moet dicht bij de burger staan, het moet een echte police de proximité zijn.

Wat misschien nog niet voldoende wordt onderkend, is dat in elke politiezone het aanbod van de politiediensten voor de burgers ontzettend is uitgebreid. In elke zone is er nu een dienst voor slachtofferonthaal en een lokale recherche. In alle zones zijn de politiediensten 24 uur op 24 bereikbaar, terwijl vroeger in vele zones de kantoren om 17 uur sloten.

De politie werkt nu ook meer planmatig en op basis van projecten. In elke zonale veiligheidsraad houden de procureur, de burgemeester, de lokale en de federale politie overleg zodat de diverse actoren hun werkzaamheden meer dan vroeger op elkaar afstemmen.

De federale politie biedt nu ook meer steun aan de lokale politie, al kan dat nog worden verbeterd. Toch beseft de federale politie veel beter dan vroeger dat ze gespecialiseerde steun, zoals de FIPA, speciaal materieel, luchtsteun en dergelijke, moet bieden aan de lokale politie.

De regering heeft ook de nodige maatregelen genomen om haar doelstelling te halen om tegen 2007 nog 2.500 bijkomende fulltime equivalenten op straat te hebben. Hiervoor moet worden gesleuteld aan het rigide statuut. Iedereen kent de omstandigheden waarin het statuut - wellicht wat overhaast - is tot stand gekomen. De arbeidstijdorganisatie en de mobiliteitsregeling moeten worden versoepeld. Tijdens mijn bezoeken aan politiezones hoor ik immers vaak de vraag om die mobiliteitsregeling te versoepelen. Ik wil dan ook tegen eind dit jaar het overleg met de vakbonden op gang brengen teneinde het statuut weer volledig onder de loep te nemen.

Tevens werd een nieuwe regeling uitgewerkt voor de gehypothekeerde capaciteit. De HYCAP-regeling vormde een te grote hypotheek op de capaciteit van de lokale politie. Bij de aanvang van het voetbalseizoen 2004-2005 is een nieuwe richtlijn van kracht geworden die een betere planning en rationalisering van de politieformaties bij evenementen van openbare orde, dus voornamelijk bij voetbalwedstrijden, mogelijk maakt.

In de praktijk blijkt nu al dat die nieuwe richtlijn een grote stap vooruit is.

Verder moeten we maatregelen nemen tegen het absenteïsme. Vandaag wordt dit probleem prominent in de pers besproken, maar eigenlijk werd vorig jaar op de bijzonder ministerraad over justitie en veiligheid al beslist over een actieplan tegen het absenteïsme.

Verder zijn het bestaffen van de CIC's, de tenlasteneming door de federale overheid, de uitbreiding van de bevoegdheden van de hulpagent, het op touw zetten van het interventiekorps allemaal maatregelen die ertoe zullen leiden dat 2.500 of zelfs meer dan 3.000 politieagenten in het straatbeeld zullen verschijnen. Ik kan niet genoeg benadrukken dat het hier niet gaat om bijkomende aanwervingen. Uit alle rapporten blijkt dat deze agenten er wel degelijk zijn, dat ons land een goede verhouding kent tussen het aantal politiemensen en het aantal inwoners, maar dat die politiemensen alleen onvoldoende zichtbaar zijn.

Over de administratieve vereenvoudiging kan ik het heel kort houden. Ik ben het uiteraard eens met de aanbevelingen, maar één punt wil ik daaraan nog wel toevoegen. We moeten politie en parketten beter op elkaar afstemmen. Een van de pijnpunten die ik vaak hoor vermelden, is dat de politie door de magistratuur te veel wordt belast. Daarom moeten we verder werken aan systemen zoals het vereenvoudigd proces-verbaal en het autonoom politioneel onderzoek. Met vertegenwoordigers van de magistratuur, met de Raad van de procureurs des Konings moet er verder worden overlegd hoe de parketten door een rationeler gebruik van het systeem van de kantschriften de lokale politie verder kunnen ontlasten.

Ik heb Willy Bruggeman ook gevraagd een werkgroep voor te zitten. Zoals u weet heb ik een tussentijdse evaluatie van de politietop gevraagd, omdat er nogal wat kritiek was gekomen op het functioneren van de federale politie, ook van de kant van de onderzoeksrechters en de politiek. De federale politie zou nog veel te bureaucratisch functioneren en nog altijd dat administratieve waterhoofd vertonen. De werkgroep-Bruggeman bestudeert nu hoe de organisatiestructuur van de federale politie verder kan worden geoptimaliseerd. Niet omdat we er plezier in scheppen de structuren opnieuw te bekijken, maar omdat we willen nagaan hoe de federale politie haar kerntaken beter kan waarmaken en de lokale politie beter kan ondersteunen.

Tot slot nog een woord over de financiering van de lokale politie door de federale overheid. In het begrotingsconclaaf van vorig jaar zijn we overeengekomen dat we de federale dotatie een paar jaar zouden bevriezen. Vanaf het begin heb ik geweigerd opnieuw een debat aan te gaan over de financiering en de KUL-norm. Ik ben ervan overtuigd dat de KUL-norm opnieuw moet worden bekeken, maar dat we eerst een paar jaar moeten consolideren, stoppen met debatteren over de structuren en de politie de kans moeten geven te bewijzen wat ze kan. Met de start van een nieuwe gemeentelijke legislatuur moeten we dan met de steden en gemeenten het debat over de financiering van de lokale politie aangaan.

Tot zover de bedenkingen die ik wilde meegeven. Ik ben de commissie en de Senaat dankbaar voor de aanbevelingen en verzeker dat ik alles in het werk zal stellen om ze in mijn dagelijks beleid naar de praktijk te vertalen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wil de aandacht vestigen op een punt dat niet zo veel aandacht krijgt in het rapport, maar waarover we in de commissie voor de Justitie jarenlang onze bezorgdheid hebben geuit, namelijk de politiecapaciteit die ter beschikking wordt gesteld van de gerechtelijke overheden. De regering had ons verzekerd dat de politiecapaciteit ten voordele van de gerechtelijke autoriteiten niet zou verminderen. Wordt dit in deze hervorming van de politiediensten wel gerealiseerd?

Minister Verwilghen beloofde indertijd tegen eind december 2002 een meetrapport. Bij mij weten is dat er nooit gekomen. Is het probleem van de politiecapaciteit voor de gerechtelijke overheid nu al in kaart gebracht?

Het probleem bij de samenwerking is dat de politie nu bepaalt wat de prioriteit is bij gerechtelijke onderzoeken, welke zaken geseponeerd worden bij gebrek aan doorvoering van gerechtelijk opdrachten. De magistratuur moet als onafhankelijke derde rechtelijke macht over voldoende politiecapaciteit beschikken. Er zijn wel centrale mechanismen, maar die zijn in de praktijk moeilijk te hanteren. Over dit blijvend probleem zou ik graag een diepgaand debat voeren in de commissie voor de Justitie.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Bij het opstellen van het nationale veiligheidsplan werd alles in het werk gesteld om tot de noodzakelijke synergie en interactie tussen politie en justitie te komen. Het kan immers niet zijn dat de politie prioriteiten stelt, maar moet vaststellen dat justitie niet kan volgen of andere prioriteiten stelt. We gaan ervan uit dat de politie niet alle fenomenen van criminaliteit met dezelfde intensiteit kan opsporen. Ze boekt succes in de fenomenen die zowel federaal als zonaal prioritair worden behandeld. Justitie moet natuurlijk kunnen volgen.

De opmerkingen van de heer Vandenberghe houden verband met de gerechtelijke diensten binnen de politie. Ik zal ze doorgeven aan de minister van Justitie. Het lijkt me aangewezen dit aspect in de commissie voor de Justitie nader te bekijken.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft later plaats.

Ontwerp tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (Stuk 3-700)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-700/4.)

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Het ontwerp tot herziening van artikel 41 van de Grondwet vindt zijn oorsprong in het voorstel dat de heer Borginon op 21 november 2003 in de Kamer heeft ingediend. Op 13 mei 2004 werd dat voorstel in de plenaire vergadering van de Kamer eenparig goedgekeurd door de 136 aanwezige leden. Op 14 mei 2004 werd het als ontwerp overgezonden naar de Senaat, waarna de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden zich erover heeft gebogen. Ik geef hierbij een kort overzicht van de commissiewerkzaamheden. Voor meer informatie verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

De opzet van de herziening bestond erin in artikel 41 van de Grondwet, tweede lid en vijfde lid, tweede volzin, de woorden "de wet" te vervangen door de woorden "de in artikel 134 bedoelde regel". Daardoor zou artikel 41 bepalen dat de gewesten bevoegd zijn om de bevoegdheden, de werkingsregels en de wijze van verkiezing van de binnengemeentelijke territoriale organen te regelen. Hetzelfde zou gelden voor de volksraadpleging over aangelegenheden van gemeentelijk of provinciaal belang. Met binnengemeentelijke organen wordt verwezen naar de districtsraden in Antwerpen. Antwerpen is de enige stad met negen districten waarvoor de stad een aantal bevoegdheden behoudt. Destijds werd voor Luik en Gent een gelijksoortige regeling voorgesteld, maar uiteindelijk bleef ze tot Antwerpen beperkt.

Voor de bespreking van het ontwerp in de commissie heeft de dienst juridische zaken, wetsevaluatie en documentaire analyse van de Senaat een nota opgesteld. De conclusie was dat het niet duidelijk is of de grondwetgever dan wel de bijzondere wetgever zich over de kwestie moet buigen.

Voor alle duidelijkheid citeer ik even de bewuste passages van artikel 41. Het tweede lid bepaalt: "De wet stelt de bevoegdheden, de werkingsregels en de wijze van verkiezing vast van de binnengemeentelijke territoriale organen die aangelegenheden van gemeentelijk belang kunnen regelen". Het vijfde lid, dat discussie uitlokt, bepaalt: "Over de aangelegenheden van gemeentelijk of provinciaal belang kan in de betrokken gemeente of provincie een volksraadpleging worden gehouden. De wet regelt de nadere uitwerking en de organisatie van de volksraadpleging".

De opmerkingen in de nota gaan over een mogelijke strijdigheid met artikel 39 van de Grondwet, over de onmogelijkheid van verschillende behandeling door de gewesten, de mogelijkheid of onmogelijkheid om artikel 137 van de Grondwet toe te passen en over de vraag of de wijziging van de bevoegdheidstoewijzing alleen kan na een grondwetsherziening.

Tijdens de bespreking in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden maakte de heer Philippe Moureaux de fundamentele opmerking dat met de voorgestelde grondwetswijziging voor de eerste keer rechtstreeks bevoegdheden aan de gewesten worden toegekend. Hij zegt dat zulks de deur kan openzetten voor de uitholling van de bijzondere meerderheidswetten waarvoor in tegenstelling tot een grondwetsherziening een meerderheid in elke taalgroep is vereist op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en op voorwaarde dat het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de bespreking van de bijzondere wet van 13 juli 2001 betreffende de Lambermont-akkoorden en zegt dat politici soms te vroeg gelijk kunnen hebben. Ook die wet regelde een overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en gemeenschappen.

De heer Vandenberghe verwijst daarbij naar de opmerkingen van de Raad van State in verband met artikel 162 van de Grondwet dat toen jammer genoeg niet voor herziening vatbaar was verklaard. Als de bijzonder wetgever in 2001 heeft geoordeeld dat de regionalisering van de bevoegdheden inzake de ondergeschikte besturen rechtsgeldig bij bijzondere wet kon worden gerealiseerd, dan vraagt de heer Vandenberghe zich af waarom in deze aangelegenheid geen beroep wordt gedaan op dezelfde procedure? Een grondwetsherziening werd toen overbodig geacht.

De heer Delpérée benadrukt vooral de incoherentie die het wetsontwerp teweegbrengt. Artikel 41 zal immers naar drie verschillende wetgevende normen verwijzen. Hij gaat ook niet akkoord met de nota die de dienst juridische zaken, wetsevaluatie en documentaire analyse van de Senaat heeft gemaakt.

Het wetsontwerp zoals overgezonden door de Kamer, werd uiteindelijk goedgekeurd met tien stemmen voor en twee onthoudingen.

De heer Delpérée verklaarde zijn onthouding met het argument dat de voorgestelde grondwetsherziening met betrekking tot de binnengemeentelijke territoriale organen een incoherentie in het leven roept. Enerzijds wordt een bevoegdheid aan de gewesten overgedragen - hetgeen hij steunt - maar anderzijds wordt de bijzondere wetgever de mogelijkheid gelaten om de overige voorwaarden te bepalen, waaronder de wijze waarop die organen kunnen worden opgericht.

De heer Francis Delpérée (CDH). - De tekst die door de Kamer is goedgekeurd en waarover we ons vandaag buigen heeft twee onderwerpen: de volksraadpleging en het district.

Die twee onderscheiden thema's hebben als enig raakpunt dat ze betrekking hebben op de ordening van de lokale organen. Ik vraag dan ook om een gescheiden stemming, zodat de Senaat zich in alle duidelijkheid kan uitspreken over elk van beide onderwerpen.

Mijn standpunt over de volksraadpleging op gemeentelijk en provinciaal niveau is duidelijk: het gaat hier om procedure die deel uitmaakt van de democratische ordening van de lokale organen in de hedendaagse maatschappij. De procedure is opgenomen in de nieuwe gemeentewet en in de nieuwe provinciewet. Aangezien die beide juridische instrumenten zijn geregionaliseerd, is het volstrekt logisch dat de twee procedures eveneens worden overgeheveld.

Ik zal dan ook vóór stemmen. Ik hoop alleen dat de regionalisering geen achteruitgang met zich meebrengt inzake de politieke rechten waarover de burgers reeds beschikken. Zo mogen momenteel alle inwoners van een gemeente deelnemen aan de gemeentelijke volksraadpleging vanaf de leeftijd van 16 jaar en zonder enige nationaliteitsvoorwaarde. De uitoefening van de gewestelijke autonomie mag niet leiden tot een beperking van de uitoefening van de rechten die reeds zijn toegekend aan de inwoners van onze gemeenten en onze provincies.

Mijn mening over de districten is meer genuanceerd. Ik heb er geen enkel bezwaar tegen dat die materie wordt geregionaliseerd; dat is een volstrekt logische stap. De overheveling moet echter wel op een adequate en coherente wijze gebeuren.

De gevolgde methode is niet adequaat. Krachtens de verklaring tot herziening van de Grondwet is enkel het tweede lid van artikel 41 voor herziening vatbaar; het derde en vierde lid zijn dat niet. Waarschijnlijk is bij de samenstelling van de lijst van de te herziene grondwetsartikelen een fout gemaakt. De wetgever heeft er zich geen rekenschap van gegeven dat hij het tweede, derde en vierde lid voor herziening vatbaar moest verklaren om nuttig werk te kunnen doen. We moeten ons houden aan het wetgevende keurslijf dat op 10 april 2003 werd goedgekeurd.

Aangezien de methode ontoereikend is, kan het resultaat niet coherent zijn. Het doel van de vooropgestelde herziening was immers dat niet langer de federale wetgever, maar wel de gewestelijke wetgever het statuut van het district zou vastleggen. Dit is een goede en logische maatregel die past in de logica van de hervormingen van 2001. Waarom wordt in het derde lid - dat dus niet voor herziening vatbaar is - echter nog altijd geëist dat de federale wetgever optreedt, en dan nog wel met een bijzondere meerderheid? Waarom de eis van een decreet met bijzondere meerderheid om de voorwaarden en de wijze vast te leggen waarop de districten kunnen worden gecreëerd? Het is zeer eigenaardig dat een bijzondere wet of een bijzonder decreet is vereist voor de uitvoering van een gewoon decreet.

Er is maar één verklaring: men is in 2003 vergeten het derde en vierde lid van artikel 41 van de Grondwet voor herziening vatbaar te verklaren. Ik kan een dergelijke incoherente grondwetsherziening dan ook niet goedkeuren. De intentie is goed, maar de uitwerking is gebrekkig.

Ik roep de Senaat op coherent te zijn. De aanpassing van het vijfde lid met betrekking tot de volksraadpleging zal ik natuurlijk goedkeuren, maar achter de voorgestelde aanpassing van het tweede lid kan ik mij niet scharen.

-De bespreking is gesloten.

Bespreking van het amendement

De voorzitter. - Het enig artikel luidt:

Op dit artikel heeft de heer Delpérée amendement 1 ingediend (zie stuk 3-700/3) dat luidt:

-De stemming over het amendement wordt aangehouden.

-De aangehouden stemming en de stemming over het enig artikel hebben later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (Stuk 3-951)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Galand verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-951/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Dubai op 8 maart 2004 (Stuk 3-952)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Cornil verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-952/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische stoffen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-956)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-956/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Kroatië, ondertekend te Brussel op 31 oktober 2001 (Stuk 3-957)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-957/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek der Filippijnen, ondertekend te Manilla op 7 december 2001 (Stuk 3-958)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Galand verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-958/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Australië, ondertekend te Canberra op 20 november 2002 (Stuk 3-959)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Cornil verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-959/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-962)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Cornil verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-962/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997 (Stuk 3-965)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw de Bethune verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-965/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Litouwen betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Vilnius op 19 november 2003 (Stuk 3-983)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Cornil verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-983/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 3-1005)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Talhaoui verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1447/5.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (Stuk 3-991) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan mevrouw Kapompolé voor een mondeling verslag.

Mevrouw Joëlle Kapompolé, corapporteur. - De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft voor de tweede maal het wetsvoorstel, intussen het wetsontwerp, besproken dat ertoe strekt de termijn waarin oude Belgische muntstukken kunnen worden ingeleverd te verlengen van 31 december 2004 tot 31 maart 2005. De Kamer heeft de tekst geamendeerd om het mogelijk te maken dat het geld niet alleen kan worden gestort op de bankrekening van Tsunami 12.12, maar ook op die van de NGO's die actief zijn binnen de 11.11.11-actie.

Mevrouw Jacinta De Roeck en de heer Pierre Galand hebben in de commissie drie amendementen ingediend. Ze moesten worden ingetrokken omdat ze niet conform het Reglement van de Senaat zijn. De heer Jean-Marie Dedecker diende een amendement in dat ertoe strekte het ingezamelde geld te verdelen onder de verschillende NGO's die door de minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn erkend. Dit amendement werd met zeven tegen vijf stemmen en één onthouding aangenomen. Het geamendeerde ontwerp werd door de dertien aanwezige leden eenparing aangenomen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het Tsunami-wetsvoorstel dat door drie senatoren werd ingediend, was een goed voorstel dat nauw aansloot bij de sensibilisering rond de operatie 12.12. Op veertien dagen tijd werd het voorstel uitgewerkt, vertaald en goedgekeurd. De Senaat had goed werk geleverd, maar de Kamer van Volksvertegenwoordigers amendeerde het wetsvoorstel en voegde er ook de operatie 11.11.11 aan toe. Ik begrijp de argumentatie, maar daarmee komt het voorstel los te staan van de sensibilisering voor de operatie 12.12. Voorts is het spijtig dat door 11.11.11 toe te laten, tal van andere NGO's zich gediscrimineerd voelen. Op die manier is het voorstel minder zuiver geworden.

Tijdens de bespreking van het geamendeerde voorstel in de Senaat deze week werden er opnieuw amendementen ingediend en werd de regeling opengesteld voor alle NGO's. Het is een goede zaak dat zodoende elke vorm van discriminatie wordt weggewerkt, maar ik blijf het betreuren dat men de oorspronkelijke optiek heeft laten vallen, die erin bestond om de mensen muntjes te laten verzamelen en de opbrengst ervan te bezorgen aan de slachtoffers van de vloedgolf.

Ik zal het wetsontwerp goedkeuren, maar ik betreur het wel dat bepaalde EGO's het tweekamerstelsel hebben misbruikt om een voorstel uit te hollen dat kort op de bal speelde en tegemoetkwam aan de aspiraties van een brede bevolkingsgroep.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Mevrouw de voorzitter, ik richt mij tot u als verpersoonlijking van deze assemblee. Dit is een triestig moment. De Senaat had immers aangetoond dat hij snel en efficiënt kan werken en inspelen op een maatschappelijke behoefte van het ogenblik. Spijtig genoeg werd hij door alle fracties gebruuskeerd en voor voldongen feiten geplaatst. De oorspronkelijke bekommernis van de tekst om in te spelen op de solidariteitsbeweging die op dat ogenblik aan de gang was, en tegemoet te komen aan de vraag van verenigingen, organisaties en individuen, is zodoende volledig verloren gegaan.

Na de amendering door de Kamer moest het ontwerp noodgedwongen opnieuw door de Senaat worden behandeld. In de Senaatscommissie werden gisteren nieuwe amendementen goedgekeurd. Als de aldus geamendeerde tekst vandaag door de plenaire vergadering wordt goedgekeurd, moet de tekst terug naar de Kamer.

Het behoeft geen betoog dat door het pendelen tussen Kamer en Senaat het initiatief inboet aan mobilisatiekracht voor zowel de operatie 12.12 als voor de operatie 11.11.11 en voor een breed spectrum aan campagnes van andere NGO's.

De minister van Ontwikkelingssamenwerking is hier aanwezig en is ongetwijfeld even gevoelig als wij voor dit verlies aan mobilisatiekracht.

Wij hebben positieve reacties gekregen van het onderwijs dat op grond van deze wet wenste te mobiliseren voor de vastenacties; we kregen ook positieve reacties van service-clubs, van de Gezinsbond en van talrijke grote en kleine organisaties die niet alleen geld willen inzamelen, maar ook wensen te mobiliseren rond een thema dat de Tsunamiramp ver overstijgt, met name de ontwikkelingssamenwerking.

Het politieke gekrakeel en de wijze waarop het voorstel wordt behandeld, dreigen de spontane, positieve respons echter te niet te doen.

Ik wil alle politieke fracties in de Senaat, maar ook alle politieke fracties in de Kamer oproepen om het voorstel bij hoogdringendheid te behandelen zodat toch minstens een deel van de oorspronkelijke doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - We hebben dit voorstel in allerijl besproken. In de plenaire vergadering werden we overigens geprezen omdat het wetgevende werk dienaangaande zo snel opschoot. Het goedgekeurde voorstel werd overgezonden naar de Kamer, waar het op een totaal ondemocratische manier werd geamendeerd. Verscheidene hulporganisaties hadden vóór 31 december 2004 al gevraagd de vervallen Belgische muntstukken te gebruiken voor hulp aan de derde wereld. Dat verzoek werd evenwel geweigerd. De minister was bereid een uitzondering te maken omdat het slechts om een welbepaalde actie ging. Als de Kamer het niet met het voorstel eens is, vind ik dat de Senaat het volste recht heeft te beslissen dat de opbrengst van de inzameling kan worden verdeeld onder alle erkende NGO's.

Als de Kamer de vervaldatum van de regeling aanpast, kan het geld vooralsnog bij de juiste instanties terechtkomen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De huidige vervaldatum is 1 april 2005. Wij hadden een amendement ingediend dat ertoe strekt de periode te verlengen tot 1 juni 2005. Volgens het reglement van de Senaat is dat evenwel onmogelijk omdat dat punt niet was geamendeerd. Op mijn herhaalde vraag of de Kamer in staat is de datum aan te passen, heb ik tot nu toe geen antwoord gekregen. Ik roep alle senatoren op om er samen met mij op aan te dringen dat de vervaldatum wordt aangepast.

De voorzitter. - Moeten we dan tegen het ontwerp stemmen?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Neen, integendeel, maar het zou nog beter zijn als de Kamer ervoor zorgt dat de inzamelactie wordt verlengd en dat de opbrengst ten goede komt aan alle NGO's en aan de ontwikkelingssamenwerking in het algemeen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-991/10.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie over vrouwen, vrede en veiligheid (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-902)

Bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - In VN-resolutie 1325 van 31 oktober 2000 werd een kader gecreëerd voor de oplossing van de vrouwenproblematiek in vredesprocessen. Deze resolutie roept de betrokken landen op om ter zake een nationaal actieplan op te stellen. België heeft enkel een actieplan voor het leger, waarin wordt getracht een evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke personeelsleden te bewerkstelligen.

In haar voorstel van resolutie 3-902/1 pleit mevrouw de Bethune voor de uitvoering van VN-resolutie 1325 via een concreet nationaal actieplan, dat kadert in een vredes- en conflictpreventiebeleid. Er wordt op aangedrongen dat België deze problematiek zowel op multilateraal als op bilateraal vlak op de agenda zou brengen. Tevens wordt aangedrongen op een evenwicht tussen mannen en vrouwen in de diplomatie en in het leger.

Voor het leger dient er rekening te worden gehouden met de genderexpertise voor vredesonderhandelingen en de training daaromtrent. Er moet een terugkoppeling zijn met de commissie voor de opvolging van buitenlandse missies van de Senaat.

De genderdimensie van de buitenlandse missies moet worden benadrukt en moet blijken uit de verslagen die erover worden gemaakt.

De minister van Ontwikkelingssamenwerking moet inzake hulp en wederopbouwprogramma's meer aandacht schenken aan de genderdimensie. De minister van Binnenlandse Zaken wordt hetzelfde gevraagd aangezien ook het personeel van de civiele bescherming en van de politiediensten wordt uitgestuurd naar conflictgebieden.

Ik heb erop gewezen dat ik op 19 november 2004 een gelijkaardig voorstel van resolutie heb ingediend, dat echter meer was toegespitst op de volledige en enkelvoudige uitvoering van VN-resolutie 1325.

Ik geloof in een korte, duidelijke resolutie, maar was toch bereid het voorstel van mevrouw de Bethune te steunen, als dat zou worden aangepast. Daarom heb ik amendementen ingediend. Mevrouw Zrihen gelooft inzake vrouwenrechten in een complementariteit tussen het Adviescomité voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen en de Commissie voor Buitenlandse Zaken en Defensie. Dat is geen feministische eis, enkel een element dat de mensenrechten versterkt.

Voor de heer Brotcorne gaat de eis ten aanzien van de minister van Ontwikkelingssamenwerking te ver omdat de concrete actie op het terrein erdoor zou kunnen worden belemmerd.

Voor de geer Galand mogen bepaalde elementen uit het voorstel sterker worden geformuleerd. Hij kan zich echter niet akkoord verklaren met de eis om het aantal vrouwen in het leger te verhogen. Hij vraagt zich trouwens af of rekening werd gehouden met de laatste richtlijn van de Europese Unie betreffende het asielbeleid.

Uiteindelijk werden een tiental waardevolle amendementen aangenomen.

Eén amendement benadrukt de specifieke situatie van vrouwen inzake asiel, een ander strekt ertoe de aanbevelingen in overeenstemming te brengen met de resolutie van 4 april 2003 betreffende de oprichting van een Cel Conflictpreventie binnen het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen. Ik vermeld ook nog het amendement dat ertoe strekt de VN-initiatieven voor het versterken van de genderexpertise in internationale hoven en rechtbanken te ondersteunen.

De resolutie werd in de commissie in zijn geheel goedgekeurd met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de rapporteur en de leden van commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging voor het constructieve debat dat we in de commissie hebben kunnen voeren. Mijn dank gaat ook naar de medeondertekenaars van de resolutie, mevrouw De Schamphelaere en de heer Roelants du Vivier voor hun steun.

De resolutie geeft de Belgische regering de opdracht een nationaal actieplan op te stellen voor de uitvoering door België van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad, de resolutie 1325, die door de Veiligheidsraad in 2000 unaniem werd goedgekeurd.

Het is opmerkelijk dat tot nog toe alleen Nederland een aanzet heeft gegeven tot de implementatie van die resolutie, die door de VN zelf trouwens nog niet in concrete richtlijnen werd omgezet. Het is goed om weten dat de VN-Veiligheidsraad de Secretaris-generaal heeft gevraagd om tegen oktober 2005 een actieplan te schrijven met het oog op de implementatie van resolutie 1325 binnen het VN-systeem. Ik ben van oordeel dat onze resolutie de regering de mogelijkheid biedt om concreet in te gaan op de eisen van de Verenigde Naties.

De aanleiding tot de resolutie was de Vlaamse Vredesweek, die in september 2004 in haar jaarlijkse campagne het thema `de vrouwen als kracht voor vrede' vooropstelde. Verschillende politica kregen de vraag om als meter voor de vredesweek op te treden. Ik was één van die meters en heb daarom het initiatief genomen om samen met andere senatoren een tekst in het parlement in te dienen.

De resolutie wil de rol van de vrouw versterken bij conflictpreventie, conflictoplossing en naoorlogse wederopbouw. Dat is niet alleen belangrijk vanuit het democratische standpunt, maar ook omdat de vredesoperaties meer aandacht moeten hebben voor de wensen en noden van de vrouwen.

We beschikken in België over geen enkele richtlijn of onderzoek daaromtrent. Een belangrijke referentie die we kunnen gebruiken, is een studie van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael van 2002 met als titel Women's roles in conflict prevention, conflict resolution and post-conflict reconstruction.

Ik geef meer uitleg bij vijf speerpunten uit de aanbevelingen die wij formuleren.

Wij ijveren voor een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen in vredesonderhandelingen, buitenlands beleid, diplomatieke vertegenwoordiging en andere besluitvormingsorganen.

We kunnen nog heel wat sleutelen aan de kwantiteit van de vertegenwoordiging.

België moet ook meer vrouwelijke kandidaten aanmelden voor de VN-lijst van experts inzake vrede en veiligheid. Dat is ook een uitdrukkelijke eis van de Veiligheidsraad.

Binnen de FOD Buitenlandse zaken moet worden geïnvesteerd in de opbouw en verspreiding van kennis en expertise op het gebied van gender en conflict, in het bijzonder in de benoeming van een genderambassadrice.

Binnen de FOD Landsverdediging moeten er dringend richtlijnen komen rond gender in het raam van vredesmissies. Bij mijn weten bestaat er tot op heden nog steeds geen handboek inzake vredesoperaties. Er bestaat enkel een draft. Het is belangrijk dat daarin een passus wordt opgenomen rond gender en de manier waarop meer vrouwen in de actieve vredesopbouw kunnen worden betrokken. Daarnaast moet er oog zijn voor specifieke problemen zoals vrouwenhandel, prostitutie, mishandeling en verkrachting en specifieke noden op het vlak van seksuele reproductieve gezondheid met inbegrip van aids.

Alle maatregelen moeten worden gekaderd in een globaal actieplan ter implementatie van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad.

Ik betreur het dat één van de speerpuntaanbevelingen niet werd goedgekeurd. Het betreft de vraag om in het raam van vredesmissies waarin België aanwezig is ook op het terrein rekening te houden met de wensen van de lokale vrouwen en vrouwenorganisaties. Die oproep was ook gericht aan de FOD Landsverdediging. Vooral de collega's van de PS en ook de FOD Landsverdediging zelf hebben gevraagd die passage niet te behouden. Er wordt gevreesd dat we de knowhow niet hebben voor die samenwerking. Het is echter precies de bedoeling die knowhow op te bouwen. Een handleiding rond vredesoperaties en de vorming van de mensen die we uitzenden naar dergelijke operaties moeten het mogelijk maken dat de bekwaamheid van een zodanig niveau is dat wel met de lokale bevolking en in het bijzonder met de lokale vrouwengroepen kan worden samengewerkt.

Vandaag wordt de kracht van vrouwen onvoldoende aangewend. Volgens cijfers van het blad MO zijn in de huidige 17 VN-vredesoperaties slechts heel weinig vrouwen actief. Twee vrouwen staan aan het hoofd van een vredesmissie, namelijk in Georgië en in Burundi. Drie vrouwen zijn vice-speciaal vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal, namelijk in Georgië, de DRC en in Guatemala. Vrouwen maken een kwart uit van de burgerlijke staf, vier procent van de burgerlijke politie en anderhalf procent van het militair personeel.

Er wordt altijd gezegd dat oorlog een mannenzaak is en dat vrouwen vooral als slachtoffers van oorlog worden beschreven. Vandaag klopt dat beeld niet meer. Het is de hoogste tijd dat beeld te corrigeren en de actieve rol van vrouwen in vredesprocessen meer in de verf te zetten en te ondersteunen. Daartoe is een coherente beleidaanpak nodig. De resolutie die we vandaag zullen goedkeuren wil daartoe een aanzet zijn.

Over twee weken start de 49ste vergadering van de VN-vrouwencommissie. België zal daar een standpunt innemen in het raam van een Europees standpunt. De Nederlandstalige Vrouwenraad heeft enkele dagen geleden beslist om van de concretisering van resolutie 1325 één van de hoofdeisen te maken van de Vlaamse vrouwenbeweging voor het Belgische standpunt te New York. Indien de Senaat met deze resolutie kan instemmen, geven we steun aan wat leeft binnen de Vlaamse vrouwenbeweging.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Mevrouw de voorzitter, sta me toe nog even uit eigen naam te spreken. Oorlog wordt vaak voorgesteld als een mannenzaak. Dat is allicht grotendeels het geval op het slagveld, maar zeker niet aan de basis van de ontredderde samenleving, in de lokale kapotgeschoten gemeenschappen, in de uit elkaar gescheurde gezinnen...

Vrouwen dragen als geen ander de tol die oorlogen eisen. In oorlogsgebieden trachten vrouwen niet enkel te overleven, maar proberen ze ook om de samenleving en hun gezinnen bijeen te houden. Het zijn de vrouwen die tijdens de oorlog de zorg voor kinderen op zich nemen, die initiatieven nemen om de gezondheidszorg en het onderwijs in stand te houden en solidariteitswerken opzetten over etnische en culturele grenzen heen. Toch wordt aan die unieke overlevingsstrategie weinig aandacht besteed.

We kennen nochtans allemaal het voorbeeld van de Saharawi-vrouw in de vluchtelingenkampen op Algerijns grondgebied. Al dertig jaar leven daar 160.000 Saharawi's in kampen na te zijn gevlucht uit hun thuisland, dat door Marokko tot Marokkaans grondgebied werd uitgeroepen.

Die tentenkampen liggen midden in de woestijn. De bewoners, grotendeels vrouwen en kinderen, trotseren er reeds al die jaren extreme temperaturen en droogte, en leven er uitsluitend van de aangevoerde noodhulp. De mannen strijden verder, de jongste tien jaar zonder gebruik van geweld, om van de Westelijke Sahara opnieuw hun thuisland te maken. De vrouwen zijn erin geslaagd de samenleving te organiseren alsof het een gewone situatie was.

De gezondheidszorg, het onderwijs, zelfs de politieke instellingen zijn prima geregeld.

Deze vrouwen bewijzen als geen ander de kracht van de vrouw die de kiemen legt voor vrede en de heropbouw van de samenleving.

De VN hebben dit goed begrepen en hebben met resolutie 1325 van de Veiligheidsraad de rol van vrouwen in vrede en veiligheid omschreven. De resolutie, die op 31 oktober 2000 werd goedgekeurd, benadrukt de noodzaak om vrouwen te betrekken bij alle vredesinitiatieven.

Tot op heden bleef die resolutie echter dode letter. De Vredesweek vroeg daarom dat ook de federale overheid een voortrekkersrol zou spelen in de toepassing van resolutie 1325.

Zelf diende ik op 19 november 2004, samen met de collega's Lionel Vandenberghe en Pierre Galand, een resolutie in die kort en heel gericht de federale regering oproept die voortrekkersrol op te nemen. Ook mevrouw de Bethune diende een gelijkaardige resolutie in die echter veel ruimer gaat dan alleen de invulling van resolutie 1325.

Ik geloof in de kracht van een korte, krachtige en gerichte resolutie die goed opvolgbaar is binnen ons parlementair werk. Toch heb ik de uitgebreide resolutie van mevrouw de Bethune gesteund. En aangezien ze toch al zo uitgebreid was, heb ik nog enkele amendementen ingediend.

Zo roept die resolutie de minister van Buitenlandse zaken nu ook op eindelijk werk te maken van de resolutie betreffende de oprichting van een Cel Conflictpreventie, aangenomen in de plenaire zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 4 april 2003. Het kan toch niet dat, bijna twee jaar na datum een resolutie die door de parlementsleden gedragen wordt nog altijd niet uitgevoerd wordt!

Persoonlijk had ik het ook erg moeilijk met de aanbevelingen betreffende onze diplomatieke diensten en onze strijdmachten. Werken aan een grotere instroom van vrouwen in die specifieke takken, kan volgens mij beter gebeuren door te streven naar een gezinsvriendelijker organisatie dan door het organiseren van acties of het opleggen van quota.

Trouwens, een gezinsvriendelijker organisatie van de diplomatie en het leger komt ook de mannen ten goede!

De resolutie die thans voorligt, is gericht tot de hele federale regering en specifiek tot vier ministers. een dertigtal aanbevelingen. Het zal een huzarenstukje worden om op toe te zien op de dertigtal aanbevelingen. Ondanks dit alles zal ik deze resolutie toch steunen.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Wij zullen ons onthouden bij de stemming over deze resolutie hoewel we positief staan tegenover verschillende aspecten ervan, zoals de maatregelen tegen seksueel geweld in oorlogstijd. We hebben wel bezwaren tegen de teneur van positieve discriminatie in de resolutie, alsook tegen het feit dat de deur wordt opengezet voor uitbreiding van het recht op asiel.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik sta achter deze resolutie en ik wil de indieners en de leden die de tekst in de commissie hebben aangenomen geruststellen. Binnen Ontwikkelingssamenwerking houden we bij elk beleidsaspect, in alle gemengde commissies en voor alle plannen inzake samenwerking rekening met de genderdimensie. We besteden zeer veel middelen aan hulp voor vrouwen die het slachtoffer zijn van gewapende conflicten en we hebben op dat vlak verschillende belangrijke projecten lopen.

Een tiental dagen geleden heb ik in Lubumbashi de plechtige opening bijgewoond van een vrouwenhuis dat België heeft gefinancierd. Ik heb daar met veel bewondering geluisterd naar de vrouwen die met zeer veel wijsheid, gematigdheid en precisie diverse dagelijkse problemen hebben toegelicht.

De voorliggende tekst is reeds realiteit binnen het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de algemene invoering van de intelligente koffer bij waardetransporten» (nr. 3-583)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In januari 2005 werden twee geldtransporten overvallen. Beide geldtransporten waren niet uitgerust met de zogenaamde intelligente koffer of `plofkoffer'. Zulke plofkoffers maken de inhoud onbruikbaar bij diefstal. In België zouden amper 28 procent van de waardetransporten uitgerust zijn met intelligente koffers.

Het verplichten van de plofkoffer zou volgens sommigen het enige accurate systeem zijn om de veiligheid van de bewakers te beschermen. Het systeem zou overvallers immers afschrikken, te meer daar het wettelijk verplicht is om duidelijk op de wagens aan te brengen dat ze een ontwaardingssysteem bevatten.

Acht de vice-eerste minister het wenselijk de invoering van de intelligente koffers bij waardetransporten verplicht te maken? Zo ja, wanneer zal deze algemene verplichting een feit zijn?

Werd hierover reeds overleg gepleegd met de betrokken actoren?

Hoe zullen de kosten verdeeld worden over de verschillende actoren? Zal de overheid met andere woorden een deel van de kosten op zich nemen?

Acht de vice-eerste minister andere bijkomende maatregelen wenselijk om de veiligheid van de bewakingsagenten te verbeteren?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De regering heeft er steeds voor geijverd het gebruik van neutralisatiesystemen aan te moedigen. Die optie is veruit de veiligste en de meest probate om overvallen te vermijden. De biljetten worden ontwaard nog voor misdadigers ze kunnen bemachtigen. Niet langer de mens, of het personeel, zijn het beletsel voor criminelen, maar wel de techniek.

Sinds 1998 wordt echter een tweesporenbeleid gevoerd en is ook waardevervoer van geldbiljetten zonder gebruik van neutralisatiesystemen toegelaten. De hogere risico's op overvallen moeten dan gecompenseerd worden door andere veiligheidsmaatregelen. Bij die keuze en afhankelijk van het risico, moeten een aantal van die transporten worden begeleid door de federale politie.

De reden voor dat tweesporenbeleid is dat noch het personeel, noch de bewakingsondernemingen, noch hun cliënten in 1998 voldoende ervaring hadden met neutralisatiesystemen. Bovendien vertoonden meerdere systemen toen nog kinderziektes. Die hadden geen betrekking op de neutralisatiecapaciteit, maar wel op de bediening van de systemen, de logistiek die ermee gepaard ging en de niet-bedoelde ontwaardingen, die in sommige gevallen problemen opleverden op veiligheidsvlak.

Onlangs waren er inderdaad twee gewelddadige overvallen op transporten zonder neutralisatiesystemen, die gelukkig geen zware gewonden of doden tot gevolg hadden.

Ik heb inmiddels drie types van neutralisatiesystemen erkend; ze functioneren al een aantal jaren.

Van de 11.008 stoppunten in ons land van waardetransport voor geldbiljetten wordt 43,68% bediend met gebruik van neutralisatiesystemen. Neutralisatiesystemen worden in de praktijk dus in bijna de helft van de gevallen gebruikt.

In tegenstelling met de situatie in 1998 is er nu wél voldoende ervaring met die systemen. Ook de negatieve neveneffecten zijn grotendeels opgelost.

In het belang van de veiligheid in het algemeen, van het personeel, het cliënteel van banken en grootwarenhuizen en omstanders heb ik dan ook beslist de toepassing van die systemen te verplichten. De wijze waarop deze beslissing ook op het terrein zal worden uitgevoerd, de timing ervan en de randvoorwaarden die hiervoor moeten vervuld zijn, hangen af van vele operationele factoren. Daarom zal ik binnenkort overleg plegen met alle daarbij betrokken partners.

Op korte termijn zal dat vermoedelijk kosten met zich brengen, maar het is niet duidelijk of dat ook op langere termijn, het geval zal zijn. In ieder geval zal de federale overheid alleszins niet tussenkomen in mogelijke kosten verbonden aan deze omschakeling. De bijkomende maatregelen die nodig zijn in de overgangsperiode, worden onderzocht.

In ieder geval wil ik met mijn collega van Financiën onderzoeken of de ritten tussen de geldtelcentra van de waardetransporteurs en de zetels van de Nationale Bank niet kunnen gereduceerd worden. Als de minister van Financiën ermee zou instemmen dat operaties die nu dubbel gebeuren, gevalideerd worden in die centra, kunnen een aantal trajecten worden vermeden.

Neutralisatiesystemen bieden het voordeel dat bijkomende veiligheidsmaatregelen voor de bewakingsagenten niet nodig zijn en dat maatregelen die bij klassiek transport noodzakelijk zijn, verder kunnen worden afgebouwd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor het antwoord. We kijken uit naar de data die de minister in het vooruitzicht stelt voor de invoering van een algemene verplichting om neutralisatiesystemen te gebruiken.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het optreden van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid jegens de advocatuur in het kader van de aanpak van de schijnzelfstandigheid» (nr. 3-571)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Na de ministerraad van Gembloux op 16 en 17 januari 2004 en ook in de federale beleidsverklaring van 12 oktober 2004 kondigde de regering maatregelen aan om de schijnzelfstandigheid in te dijken. Tegen eind 2004 zou een sluitende aanpak van het probleem worden uitgewerkt en zouden de noodzakelijke wettelijke aanpassingen via een kaderwet worden doorgevoerd.

Ondertussen is er nog altijd geen regeling. Wel weten wij dat er ter zake nogal wat onenigheid is tussen de minister van Werk en de minister van Middenstand. De regering is het hierover dus niet eens. Voorts vernemen wij dat hieromtrent besprekingen gevoerd worden met diverse beroepssectoren, onder meer met de sector van de vrije beroepen.

Toch stellen wij vast dat de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) reeds brieven stuurt naar de stafhouders van de verschillende balies, met de mededeling dat de Rijksdienst vanaf oktober 2005 zal overgaan tot het opsporen van schijnzelfstandigen binnen de advocatuur en dat ze ook regularisaties zal doorvoeren.

Heeft de minister opdracht gegeven aan de RSZ om deze actie te ondernemen of handelt de RSZ op eigen initiatief?

Is met het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) overleg gepleegd over deze actie?

Waarom werd niet gewacht op de geplande kaderwet?

Wanneer wordt de verwachte kaderwet bij het Parlement ingediend? Hoever staat de regering met de uitwerking ervan?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De brieven van de RSZ aan de verschillende balies volgen op een initiatief van deze instelling na contacten met de vertegenwoordigers van de advocaten. Deze laatsten gaven bij de Rijksdienst uiting aan hun bezorgdheid over een mogelijke oneerlijke concurrentie tussen de advocatenverenigingen. Sommige zouden immers een beroep kunnen doen op medewerkers die in omstandigheden werken die nauw aanleunen bij loondienst.

De RSZ is bevoegd om de aard van de arbeidsrelatie tussen twee personen vast te stellen. De mededelingen in de brief die werd verstuurd aan de verschillend balies, zijn helemaal niet nadelig voor het op stapel staande wettelijke initiatief en ze beantwoorden aan de vraag van de beroepssector om verduidelijking.

De medewerkers van de minister overleggen momenteel met de medewerkers van minister Van den Bossche, zodat ze weldra een wetsontwerp in de Kamer kunnen indienen. Ik kan op het ogenblik nog niet precies zeggen wanneer dat ontwerp zal worden ingediend.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik zal het dossier verder opvolgen.

Ik kan alleen vaststellen dat voor de kaderwet de timing die oorspronkelijk was beloofd, niet werd gehaald. Ik vind het ook ongepast dat de RSZ acties onderneemt op een ogenblik dat de gesprekken daarover binnen de regering nog lopen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 24 februari 2005 om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

3. De millenniumdoelstellingen; Stuk 3-603/1 en 2.

4. Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, de faillissementswet van 8 augustus 1997 en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement (van de heer Jan Steverlynck); Stuk 3-882/1 tot 6.

Vanaf 18 uur:

a) Naamstemming over het afgehandelde agendapunt in zijn geheel.

b) Stemming over de aanbevelingen opgenomen in het verslag over de millenniumdoelstellingen; Stuk 3-603/1.

5. Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (Stuk 3-951)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V) (beroep op het reglement). - De mondelinge vragen zijn niet beëindigd en toch wordt overgegaan tot de stemmingen. Er zijn nog vragen van leden van onze fractie waarop nog geen antwoord is gekomen. Ik vraag om de stemmingen nog even uit te stellen zodat mevrouw De Schamphelaere conform het Reglement van de Senaat haar vraag kan stellen.

De voorzitter. - Dat is niet mogelijk; mevrouw Onkelinx is niet aanwezig en minister Dedecker beschikt niet over het antwoord.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het Reglement bepaalt dat de regering een antwoord moet geven op mondelinge vragen van parlementsleden. Het is niet normaal dat de minister niet opdaagt.

De voorzitter. - De stemmingen zijn gepland voor 17.30 uur, nu dus.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Het is goed dat stemmingen plaatsvinden op het afgesproken uur. Het gaat echter niet op dat de mondelinge vragen, die over actualiteitsproblemen gaan, worden uitgesteld, terwijl wel veel tijd kan worden uitgetrokken voor de bespreking van de wetsvoorstellen en de wetsontwerpen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Mijn mondelinge vraag was geagendeerd om 15 uur. Ik heb nog geen enkele verklaring gekregen voor de afwezigheid van de minister. Misschien is het momenteel te delicaat om op mijn vraag een antwoord te geven. Het Reglement van de Senaat eist echter wel dat de minister aanwezig is.

De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere, u weet beslist waarom minister Onkelinx hier niet aanwezig kan zijn.

Wij stemmen dus nu over het wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (Stuk 3-951)

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Dubai op 8 maart 2004 (Stuk 3-952)

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mijn onthouding bij de stemming houdt geen enkel verband met het betrokken land, maar wel met de aard van het ontwerp over de bescherming van de investeringen. Wij onthouden ons sinds lange tijd over dergelijke teksten. De opeenvolgende ministers van Buitenlandse Handel, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken hebben altijd beloofd clausules in te lassen inzake sociale voorwaarden, leefmilieu en respect voor de mensenrechten. Ik vraag de minister die hier aanwezig is onze bekommernis daarover bij de regering over te brengen. Ik herinner eraan dat de vorige minister van Buitenlandse Zaken beloofde deze kwestie zeer snel te regelen, met name ter gelegenheid van de volgende onderhandeling op het niveau van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - De heer Mahoux nam me de woorden uit de mond. Ik herinner me dat iemand daar breedvoerige verklaringen over deed vooraleer ze voorzitter van de Senaat werd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische stoffen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-956)

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Kroatië, ondertekend te Brussel op 31 oktober 2001 (Stuk 3-957)

Stemming 4

Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek der Filippijnen, ondertekend te Manilla op 7 december 2001 (Stuk 3-958)

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Australië, ondertekend te Canberra op 20 november 2002 (Stuk 3-959)

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen, en met de Bijlagen, gedaan te Aarhus op 24 juni 1998 (Stuk 3-962)

Stemming 7

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997 (Stuk 3-965)

Stemming 8

Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Litouwen betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Vilnius op 19 november 2003 (Stuk 3-983)

Stemming 9

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 3-1005)

Stemming 10

Aanwezig: 63
Voor: 61
Tegen: 2
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (Stuk 3-991) (Tweede behandeling)

Stemming 11

Aanwezig: 62
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik wil mijn onthouding bij de stemming motiveren. Als een van de indieners van het voorstel ben ik vooral ontgoocheld over de manier waarop dit ondanks alles eenvoudig, maar vooral tijdsgebonden wetsvoorstel een onwaarschijnlijk leven is gaan leiden: van de Senaat naar de Kamer, geamendeerd teruggekomen en nu opnieuw geamendeerd. Op die manier geven we niet het bewijs van een goed functionerend tweekamerstelsel. Hier wordt een karikatuur gemaakt van een wetsvoorstel dat in feite door iedereen wordt gedragen. Ik voel me daar niet goed bij. Ik ben niet tegen de inhoud van het voorstel, wel tegen het feit dat het zo verkracht werd.

Voorstel van resolutie over vrouwen, vrede en veiligheid (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-902)

Stemming 12

Aanwezig: 63
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal worden meegedeeld aan de eerste minister, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Evaluatie van de hervorming van de politiediensten (Stuk 3-566)

De voorzitter. - We stemmen over de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Stemming 13

Aanwezig: 62
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

-De aanbevelingen zijn aangenomen.

-Ze zullen worden meegedeeld aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

Ontwerp tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (Stuk 3-700)

De voorzitter. - Het amendement van de heer Delpérée is ingetrokken. Hij vraagt de stemming over het enig artikel te splitsen. Ik stel derhalve voor dat we eerst stemmen over de wijziging van artikel 41, tweede lid, vervolgens over de wijziging van artikel 41, vijfde lid, tweede volzin, en ten slotte over het enig artikel in zijn geheel. (Instemming)

Wij gaan over tot de stemming over de wijziging van artikel 41, tweede lid, van de Grondwet.

Stemming 14

Aanwezig: 63
Voor: 60
Tegen: 3
Onthoudingen: 0

-Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.

-De wijziging van het tweede lid is dus aangenomen.

De voorzitter. - Wij gaan over tot de stemming over de wijziging van artikel 41, vijfde lid, tweede volzin, van de Grondwet.

Stemming 15

Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.

-De wijziging van het vijfde lid, tweede volzin, is dus aangenomen..

De voorzitter. - We stemmen nu over het enig artikel in zijn geheel.

Stemming 16

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.

-De bepaling is dus aangenomen.

-Ze zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het ontwerp van koninklijk besluit tot vastlegging van de criteria en de modaliteiten voor de selectie van de erkende kinesitherapeuten die de tegemoetkoming van de verplichte ziekteverzekering bekomen» (nr. 3-577)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Wegens het overaanbod van kinesitherapeuten in ons land werd in 1999 beslist een aanbodbeperking in te voeren naar analogie met de maatregel voor artsen en tandartsen. Oorspronkelijk zou deze beperking ingaan in 2003, maar dat werd bij koninklijk besluit van 23 november 2000 uitgesteld tot 2005, omdat de gemeenschappen niet geneigd waren mee te werken aan een beperking van de instroom. Op initiatief van de minister werd beslist de beperking alleen toe te passen op erkende kinesitherapeuten die de tegemoetkoming van het RIZIV bekomen. Er bleven heel wat vragen over de praktische uitvoering.

Op de valreep heeft de minister nu toch een ontwerp van koninklijk besluit voorbereid om dit te regelen. Als het aantal afgestudeerden 10% hoger ligt dan het aantal kinesitherapeuten dat een RIZIV-nummer kan krijgen, zal een vergelijkend examen worden georganiseerd. Deze maatregel zorgt opnieuw voor onrust bij de eindejaarsstudenten.

Welke criteria zullen bij het vergelijkend examen worden gehanteerd? Zal dit examen per gemeenschap worden georganiseerd? Wie zal het organiseren?

Hoeveel kinesitherapeuten zullen er naar schatting in 2005 afstuderen aan Franstalige en Nederlandstalige onderwijsinstellingen?

Wat gebeurt er met EU-burgers die aan een buitenlandse instelling afstuderen en zich hier willen vestigen?

Welke andere mogelijkheden zijn er voor kinesitherapeuten die geen RIZIV-nummer krijgen? Hoeveel kinesitherapeuten werken momenteel in zorginstellingen met forfaitaire financiering van de kinesitherapie? Hoe zal dit aantal in de toekomst evolueren?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - SELOR zal de kennis, de bekwaamheid en de houding van de kandidaten testen. Die elementen zijn noodzakelijk voor het uitoefenen van het beroep en voor het beheren van een zelfstandige praktijk. Op die wijze zullen de kinesisten worden geselecteerd die in aanmerking komen voor de terugbetaling van de nomenclatuurprestaties uitgevoerd in de praktijk van de kinesist of bij de patiënt thuis.

Bij het examen worden de gewone procedureregels van SELOR gevolgd. Het examen zal nagaan of de kinesisten kans maken om succesvol een zelfstandige praktijk uit te bouwen. Er wordt een examencommissie opgericht, samengesteld uit afgevaardigden van het RIZIV, de planningscommissie, de hogescholen en universiteiten van elke gemeenschap, de beroepsorganisaties en SELOR. Die commissie moet de inhoud van het examen en de rol van de jury vastleggen.

De gediplomeerde kinesitherapeuten en de studenten van het laatste jaar kunnen zich voor het examen inschrijven, zodat het examen niet tweemaal per jaar moet worden georganiseerd: eenmaal voor de gediplomeerden van de eerste zittijd en eenmaal voor die van de tweede zittijd. Zo proberen we de termijn voor de toekenning van de vergunningen zo kort mogelijk te houden. Men moet het diploma én de erkenning hebben om in aanmerking te komen voor terugbetaling door de ziekteverzekering.

De testen worden verbeterd door Selor in samenwerking met de examencommissie. De resultaten worden bekendgemaakt in alfabetische lijsten waarin alleen vermeld wordt of de kandidaat wel of niet geslaagd is.

Voor het jaar 2004-2005 zullen er ongeveer 395 Nederlandstalige en 216 Franstalige kinesitherapeuten afstuderen.

De uitoefening van de kinesitherapie is ook mogelijk buiten het kader van de terugbetaling voor de ziekteverzekering. Daarom is het moeilijk om op basis van de terugbetaalde zorgverstrekkingen aan patiënten thuis of in een privé-praktijk het aantal kinesitherapeuten in België te schatten.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik dank de minister voor het verlezen van dit antwoord. Ik kreeg niet op al mijn vragen een antwoord. Ik zal echter nu geen bijkomende vragen stellen, omdat minister Dedecker daar toch niet zal kunnen op antwoorden.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Werk over «de voorstellen van de Commissie van Consumentenveiligheid om de uitbating van zonnecentra en het gebruik van zonnebanken te regelen» (nr. 3-566)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - De Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten heeft een advies uitgebracht betreffende de uitbating van zonnebankcentra. Volgens de commissie zou een sessie maximum twintig minuten mogen duren en eventueel minder lang voor gevoelige huidtypes. De uitbater van een zonnecentrum zou na iedere beurt een individuele fiche uitgebreid moeten invullen om controle mogelijk te maken. Er zou een verbod moeten komen op geautomatiseerde zonnecentra en op turbozonnebanken, behalve voor medische toepassingen. Daarenboven zou er een specifieke regelgeving moeten komen voor zonnebanken die verkocht worden aan particulieren.

Indien het advies wordt gevolgd en bijkomende regelgeving wordt uitgevaardigd, getuigt dat mijns inziens van de zoveelste onaanvaardbare betuttelingsdrift. De overheid moet de mensen waarschuwen voor gevaren van bepaalde activiteiten, maar niet `bepamperen'. Ze moet de ondernemer niet opzadelen met hopen administratieve rompslomp. Er is al het strenge koninklijk besluit van 20 juni 2002 houdende voorwaarden betreffende de exploitatie van zonnebankcentra. Het beschrijft de veiligheidsvereisten waaraan de zonnebankcentra moeten voldoen en het voorziet in een specifieke opleiding voor onthaalverantwoordelijken waarvan evenwel in de praktijk weinig in huis is gekomen.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op volgende vragen. Is de minister van plan het advies in zijn geheel of ten dele te volgen? Welke concrete wijzigingen wil ze eventueel in het koninklijk besluit van 20 juni 2002 aanbrengen? Wat zal desgevallend de inhoud zijn van een nieuw koninklijk besluit, gericht op de verkoop van zonnebanken aan particulieren? Moeten zonnekloppers aan de Belgische kust binnenkort met een tachograaf op het strand liggen en moeten klanten van zonnebankcentra een label krijgen of zich een chip laten inplanten zodat de overheid kan controleren hoe lang en hoe vaak ze op de zonnebank liggen? Vindt de minister niet dat de overwogen maatregelen te ver gaan?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - De aanleiding van mijn vraag om advies aan de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten was de discussie over een specifiek soort lampen, namelijk de UV-4-lampen. Die lampen worden vaak gebruikt onder medisch toezicht, maar werden in sommige landen in Europa steeds vaker gebruikt voor commerciële toepassingen. Er bestaat een Europese norm die in de Europese landen verschillend wordt toegepast. Maar daarnaast is er sprake van een nieuwe ISO-norm, die omdat ze op een hoger niveau staat, de Europese norm zou verdringen.

Ik heb de inspecteurs van de commissie gevraagd de controles op het gebruik van de UV-4-lampen uit te stellen omdat ik wil zien wat er met de Europese norm gebeurt. Het zou immers gek zijn controles uit te voeren op een norm die mogelijk verdwijnt. De commissie heeft niet alleen moeten uitzoeken hoe de norm moet worden geïnterpreteerd, maar ook wat de intentie van de Europese Commissie is, meer bepaald of ze de ISO-norm zou verdedigen in plaats van de Europese norm. Nu blijkt dat Europa zal blijven vasthouden aan de eigen norm. Er verandert dus niets. Onder medisch toezicht kunnen de UV-4-lampen nog steeds worden gebruikt.

De commissie heeft op basis van die beperkte vraag een omstandig advies geschreven over zonnebanken in het algemeen. De maatregelen die de commissie voorstelt zijn niet in verhouding tot de risico's. Iedereen weet dat buitensporig zonnen, of het nu op het strand van Oostende of onder de zonnebank is, schadelijke gevolgen kan hebben voor de huid. In zonnebankcentra wordt daar trouwens al voor gewaarschuwd. Er bestaat al een wet die uitbaters van zonnebanken verplicht hun klanten te wijzen op mogelijke gevaren.

De voorgestelde maatregelen zijn inderdaad moeilijk afdwingbaar en controleerbaar. De papierberg staat helemaal niet in verhouding tot het doel. Bovendien werden de adviezen gegeven zonder vooraf de betrokken sector te raadplegen, wat niet correct is.

Ik volg aandachtig het wetenschappelijk onderzoek om indien nodig strengere maatregelen te nemen. Op het ogenblik zie ik echter geen enkele reden om de bestaande koninklijke besluiten te wijzigen en een besluit uit te vaardigen over de verkoop van zonnebanken aan particulieren. Er is een goede reglementering en het gezond verstand van de gebruikers moet voor de rest zorgen.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Het is duidelijk dat er met een kanon op een mug werd geschoten. Ik ben tevreden met het antwoord van de minister en het verheugt me dat ze geen gevolg zal geven aan de adviezen van de commissie.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «het wetenschappelijk onderzoek naar prionen» (nr. 3-570)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Tot op heden gingen we ervan uit dat prionen zich vooral opstapelden in bepaalde zones zoals de hersenen, het immuniteitssysteem en de spieren.

Een recente studie van professor Aguzzi van het instituut voor neuropathologie van het universitair ziekenhuis van Zürich toont aan dat die pathogene proteïnen, die geen enkel deel van de organen waarin ze zich bevinden sparen, zich onder bepaalde voorwaarden ook kunnen opstapelen in organen als de lever, de nieren en de pancreas.

Die vaststelling werd enkel nog maar bij proefmuizen gedaan, maar de vraag rijst of dezelfde observaties ook kunnen worden gedaan bij hoevedieren.

Het histologielab van de Université de Liège meldt in een reactie op de aangehaalde studie dat het onderzoek op het domein van de prionen moet worden voortgezet, maar dat er geen reden tot paniek is.

Professor Heinen van de Université de Liège stelt dat het vlees op de Belgische markt veelvuldig en grondig wordt getest, waarbij alles wat verdacht is systematisch wordt verwijderd. Er is dan ook bijna geen risico voor de consument.

Is het departement van de minister op de hoogte van die Zwitserse studie?

Welke maatregelen werden er genomen om de burgers gerust te stellen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Er zijn verschillende elementen in de studie van professor Aguzzi.

Ten eerste gaat het om een scrapie-prion, dat zich in de lymfcellen opstapelt. Die opstapeling is nog niet aangetoond voor het BSE-agens dat runderen treft.

Vervolgens werden de muizen die geïnfecteerd waren met het scrapie-agens geanalyseerd in de terminale fase van de ziekte, waarin ze klinische neurologische tekenen vertoonden.

Ten slotte waren de proefmuizen aangetast door een chronische lymfocytaire infectie waardoor de lymfcellen met prionen zich konden opstapelen in organen die bij een normale toestand niet worden aangetast, zoals de nieren, de lever en de pancreas.

De Belgische wetgeving op de epidemiologische controle op overdraagbare spongiforme encefalopathieën, OSE, houdt rekening met de evolutie van de wetenschappelijke kennis. De wetgeving bepaalt dat elke herkauwer het voorwerp moet zijn van een klinisch onderzoek ante mortem door een dierenarts, van een onderzoek post mortem en van een systematische specifieke opsporingstest. Als een herkauwer bij zijn aankomst in het slachthuis klinisch neurologische tekenen vertoont, dan worden alle lichaamsdelen van die verdachte herkauwer, waaronder ook de huid, bewaard onder officieel toezicht totdat een negatieve diagnose kan worden gesteld. Als het vermoeden door de diagnose wordt bevestigd, dan worden alle delen door verbranding vernietigd.

Sinds 1 februari 1998 wordt in België systematisch alle risicomateriaal verwijderd uit runderen en kleine herkauwers. Met andere woorden, organen die met prionen besmet kunnen zijn, worden verwijderd. Die lijst wordt regelmatig bijgewerkt op basis van de evolutie van de meest recente wetenschappelijke kennis.

De belangrijke ontdekking van het team van professor Aguzzi had betrekking op proefmuizen die waren besmet met het scrapie-agens en die voordien een chronische lymfocytaire infectie hadden opgelopen.

Met de huidige Belgische instrumenten om OSE op te sporen kunnen de gezondheidsrisico's voor de consument op een juiste wijze onder controle worden gehouden. In dit instrumentarium zijn twee elementen essentieel: het onderzoek ante mortem bij herkauwers en de toepassing en strikte naleving van de wettelijke bepalingen.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Net als velen ben ik een leek in deze materie. Ik vertrouw dan ook op het antwoord dat ik heb gekregen.

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Werk over «internetfraude met dialers» (nr. 3-568)

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Begin december ondervroeg ik de minister over de internetfraude met dialers. (3-476) Ik deed dat naar aanleiding van de noodkreet van de ombudsmannen voor telecommunicatie en van andere organisaties, waaronder de Federale Politie, over het grote aantal klachten daarover. Ook een artikel in Fedra kaartte de problematiek aan.

Ik stelde voor om de betaalnummers automatisch uit te schakelen en ze enkel te openen wanneer de consument het expliciet vraagt. De minister vond dergelijke beschermingsmaatregel te verregaand. De minister verwees naar de inwerkingtreding in juni 2004 van de code van zelfregulering voor de operatoren. Ze zei ook aan de algemene directie Controle en Bemiddeling een onderzoek te hebben bevolen naar de naleving daarvan. Zo kwam de minister tegemoet aan mijn oproep om niet te wachten op het verslag van de ombudsman voor telecommunicatie dat pas in de loop van 2005 zal verschijnen.

Ombudsman Luc Tuerlinckx verklaarde deze week echter dat de fraude onverdroten voortduurt en de belangrijkste fraude sinds jaren is. Het ogenblik om die zaak definitief uit te klaren lijkt me daarom aangebroken. Operatoren moeten maar eens gaan bewijzen dat ze werk maken van de bescherming van de consument. Al te vaak verbergen ze zich achter het argument dat ze de lijnen gewoon verhuren aan derden en niet verantwoordelijk zijn voor eventuele misbruiken. Ik ben van oordeel dat ze wel verantwoordelijkheid dragen en stel daarom voor een knipperlicht in te bouwen. Wanneer de internet- of telefoonrekening van de klant plots snel stijgt, moet hij daarover worden ingelicht en gewaarschuwd door de operator via mail, sms of telefoon. De consument kan dan onmiddellijk actie ondernemen. Vandaag past een operator van mobiele telefonie een dergelijk systeem al toe wanneer bijvoorbeeld de kosten bij roaming plots zeer hoog oplopen en er dus sprake van fraude kan zijn. De operatoren kunnen in overleg met de minister de criteria ter zake uitwerken en hun goodwill bewijzen door het knipperlichtsysteem toe te voegen aan de bestaande code van zelfregulering en die onmiddellijk toe te passen.

Van de minister had ik graag vernomen hoe ver het staat met het onderzoek naar de naleving van de zelfreguleringscode? Wat zijn de resultaten? Welke conclusies worden eruit getrokken? Wijst de minister nog steeds mijn voorstel af om het gebruik van betaalnummers enkel na expliciete vraag van de consument mogelijk te maken? Zal de minister het inbouwen van een knipperlicht met de operatoren bespreken? Zo ja, wat is haar timing? Zo niet, stelt de minister zelf andere oplossingen voor die eerstdaags resultaat kunnen opleveren

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - In juni 2004 is een gedragscode in werking getreden, die werd ondertekend door Belgacom en door Telenet. Sinds de toepassing van die code werd geen enkele klacht geregistreerd door die twee operatoren. Dat betekent wellicht dat de code werkzaam is. De algemene directie Controle en Bemiddeling heeft wel meer dan 800 klachten geregistreerd betreffende diensten die door andere, vaak veel kleinere operatoren worden verstrekt. Dat toont aan dat het beter was geweest álle operatoren de code te laten ondertekenen zodat ze zich rekenschap hadden kunnen geven van de inhoud ervan en er gevolg aan te geven.

We hebben enkele maatregelen genomen. De mensen die konden bewijzen dat ze schade hebben geleden, hebben de onterechte betalingen gerecupereerd en de omleiding van de oproepen naar die nummers werd geschorst. We zijn echter ook rond de tafel gaan zitten met de veertien andere operatoren die op de Belgische markt actief zijn en ze hebben allemaal de gedragscode onderschreven. Die tweede etappe was wettelijk gezien helemaal niet nodig, want we kunnen al sancties opleggen op basis van de code. We vinden het echter belangrijk ook preventief op te treden.

Overeenkomstig de code kunnen de gebruikers van dure betaallijnen rechtstreeks klacht indienen bij hun operator, die de klacht doorstuurt naar de operator die het nummer ter beschikking heeft gesteld. De dienstverlener moet bewijzen dat de code gerespecteerd werd want anders moet hij de klager schadeloosstellen en riskeert hij een schorsing van zijn dienst. De operatoren verbinden er zich ook toe de verzoeken te behandelen en te beantwoorden binnen een redelijke termijn.

De Algemene Directie Controle en Bemiddeling zal blijven controleren. Dat lijkt me belangrijk om na te gaan of het aantal klachten tegen een operator daalt. Mocht dat niet het geval zijn, zullen we niet aarzelen om verdere acties te ondernemen. Die acties kunnen behoorlijk repressief zijn, maar dat is nodig gelet op de omvang van de fraude.

De bevoegde kamercommissie behandelt momenteel een wetsontwerp betreffende de elektronische communicatie. Het verplicht de operatoren om gratis een selectieve nummerblokkering aan te bieden, hoewel ik van mening ben dat het nog altijd beter is de mensen zelf te laten uitmaken welke nummers of groepen nummers ze willen blokkeren. Ik ben wel bereid om de efficiëntie van het systeem, eens het werkt, te evalueren. Mocht blijken dat het niet efficiënt is, dan zal ik de suggestie van de heer Noreilde om in knipperlichten te voorzien, in overweging nemen. Sommige operatoren verwittigen de gebruikers nu al wanneer het bedrag van hun facturen op zeer korte tijd spectaculair stijgt, wat op fraude zou kunnen wijzen. Ik zal die mogelijkheid samen met de operatoren onderzoeken. Gaat dat niet goedschiks, moet ik nadenken over eventuele dwingende maatregelen.

Er werden op het wetsontwerp in de kamercommissie deze week amendementen ingediend. Ze hebben allemaal betrekking op een veilig internet en zouden onder meer moeten garanderen dat de abonnee gratis gebruik kan maken van de veiligheidsdiensten die ongewenste elektronische communicatie verhinderen. Het wetsontwerp gaat verder dan wat minister Verwilghen en ikzelf aanvankelijk hadden gepland, op advies van parlementsleden.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het verheugt me dat de minister mijn suggestie in verband met de knipperlichten zal onderzoeken en ze aan de operatoren zal voorleggen.

Het verwondert me echter dat de minister verklaart dat er sinds de inwerkingtreding van de code van zelfregulering, die in juli werd goedgekeurd, geen klachten tegen Belgacom en Telenet meer zijn binnengekomen. Twee maanden later, in september, gewaagde Fedra immers van een gigantische fraude en de ombudsman voor telecommunicatie had het deze week nog over de grootste fraude in jaren. Ik leid daaruit af dat hij het had over Belgacom en Telenet omdat hij verklaarde dat de nieuwe procedure nog niet veel resultaten heeft opgeleverd. Misschien kan de minister me daarover meer uitleg geven.

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - De Algemene Directie Controle en Bemiddeling registreerde 800 klachten, die echter geen betrekking hebben op Belgacom en Telenet.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de eerste minister over «de niet-deelname van de Vlaamse regering aan de feestelijkheden in verband met de 175ste verjaardag van België» (nr. 3-587)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Deze vraag om uitleg had ook een actualiteitsvraag kunnen zijn, aangezien precies vandaag officieel de reeks evenementen van start gaat voor de viering van 175 jaar België en 25 jaar federalisme.

In dat kader zullen vele activiteiten plaatsvinden die de steun genieten van talrijke organisaties en natuurlijk ook van de federale regering en van het federaal parlement. De Senaat stelt een debat en een reflectie voor over de manier waarop men in 2005 blijk kan geven van burgerzin in deze federale Staat.

Ikzelf ben een complexloze Belgische burger die zich goed heeft aangepast aan de situatie van ons land.

Ik hoop dat mijn vraag om uitleg intussen overbodig is geworden. Uit andere antwoorden op vragen over de houding van Vlaams minister Bourgeois heb ik vernomen dat de Vlaamse regering niet aan de verschillende manifestaties zou meewerken omdat het evenement te laat zou zijn aangekondigd. Dat is verbazend want dit evenement was voorspelbaar, aangezien tussen 1830 en 2005 nu eenmaal 175 jaar is verstreken.

Klopt het dat de Vlaamse regering niet aan deze evenementen zal deelnemen? Zo ja, heeft de eerste minister gepoogd de Vlaamse regering ertoe te bewegen toch deel te nemen aan die manifestaties aangezien ook 25 jaar federalisme wordt gevierd? Toont de Vlaamse regering, door niet deel te nemen, geen gebrek aan federale loyaliteit binnen het kader van de instellingen die werden opgericht met het oog op het samenleven van de verschillende gemeenschappen in België?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik ben blij dat ik u, als goede Belg, meteen kan geruststellen. Ik lees u het antwoord van de eerste minister voor.

Op het overlegcomité van 1 december 2004 hebben alle regeringen, waaronder de Vlaamse regering, het ontwerp van samenwerkingsprotocol `175 jaar België, 25 jaar federalisme' goedgekeurd. Daarmee nemen de verschillende regeringen een financieel engagement op zich.

Iedere regering verbindt zich ertoe de initiatieven in het kader van de 175-25-vieringen te ondersteunen. Geen enkele regering maakte daar voorbehoud over, zelfs niet de Vlaamse regering.

Elke regering is vrij activiteiten te organiseren, die ze al dan niet in het kader plaatst van de 175-25-vieringen. Het komt mij, noch de federale regering toe daarin te interveniëren.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Dit antwoord is zeer subtiel: een engagement in het kader van een akkoord, zelfs een financieel engagement en een zekere vrijheid voor de deelgebieden om al dan niet, op een of andere manier, mee te doen. Een zeer Belgisch antwoord.

Toch ben ik blij dat er een officieel akkoord werd gesloten. Merkwaardig is wel dat de persberichten niet werden rechtgezet door de betrokken personen.

Vraag om uitleg van mevrouw Olga Zrihen aan de eerste minister over «zijn onderhoud met de president van de Verenigde Staten, George W. Bush» (nr. 3-597)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Met uw goedvinden zal ik deze vraag om uitleg aan u stellen, mijnheer de minister, hoewel ze eigenlijk tot de eerste minister gericht was. Ik begrijp wel dat hij nu de vergadering van maandag moet voorbereiden. Toch lijkt het mij belangrijk dat u weet dat volgende tekst te lezen staat op de webstek van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken: "De Verenigde Staten zijn voor België een partner waar men niet omheen kan. Onze politieke betrekkingen met onze Amerikaanse partner werden steeds gekenmerkt door een grote gelijkgerichtheid van belangen. (...) Onze betrekkingen met de Verenigde Staten zijn de jongste twee jaar duidelijk erg verslechterd. België erkent weliswaar dat de Verenigde Staten een macht met een wereldverantwoordelijkheid zijn, maar ons land heeft bij de Amerikaanse leiders een bepaald unilateralisme waargenomen. Washington heeft daarentegen aanstoot genomen aan de vrijmoedigheid van onze standpunten over de oorlog in Irak en in het dossier van de Europese defensie. Onze `genocidewet' heeft aanleiding gegeven tot uitwassen, waarop Washington kritiek heeft geuit en die wij inmiddels hebben verholpen.

De Belgische regering is vastbesloten die misverstanden weg te werken. Ze wenst dat te doen door een open dialoog die het moet mogelijk maken elkaar beter te begrijpen en aldus de punten van onenigheid te relativeren."

België en Europa moeten zich in algemene termen verzetten tegen elke eenzijdige visie op de internationale betrekkingen. Zo althans zie ik de zaken. België moet blijven voortbouwen aan een buitenlands beleid dat gebaseerd is op de versterking van het internationaal recht en van de multilaterale instellingen en dat beleid ten uitvoer leggen; het moet de democratische regimes steunen, de mensenrechten verdedigen, bijdragen tot het voorkomen van conflicten met eerbiediging van de VN-resoluties en de vreedzame oplossing van geschillen steunen.

In verband met op het bezoek van de Amerikaanse president George W. Bush aan Brussel op 22 en 23 februari, en van het onderhoud met de eerste minister, zou ik verschillende vragen willen stellen over onderwerpen die daarbij aan de orde zullen zijn.

Zal de eerste minister de toestand in Irak en de gevolgen van de verkiezingen aansnijden, het dossier-Iran, het statuut van het Internationaal Strafgerechtshof, de ratificering van het Kyoto-verdrag - een zeer actueel thema overigens - de volgende top van de WHO in Hongkong, het heropstarten van het vredesproces in het Midden-Oosten en de toestand in Centraal-Afrika?

Hoewel het een korte ontmoeting is, moet het volgens mij toch mogelijk zijn om nuttige inlichtingen te bekomen.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Vooraleer ik het antwoord van de eerste minister voorlees wil ik toch opmerken dat uw vraag mij enigszins verrast, mevrouw Zrihen, omdat ze betrekking heeft op de voornemens van de regering en zelfs op de gespreksintenties.

De bilaterale gesprekken tussen de vertegenwoordigers van België en de heer Bush zullen vooral gaan over de gemeenschappelijke strategische agenda. Volgende thema's zullen worden aangesneden: het Midden-Oosten, Irak en Afrika.

Bovendien zal over andere punten van gedachten worden gewisseld, zoals de internationale conventies en verdragen, waaronder ook het Kyotoprotocol.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik besluit hieruit dat het onderhoud betrekking zal hebben op actuele brandpunten en dat wij volgende week hierover dus zeer goed kunnen worden ingelicht.

Ik hoop echter dat ook de WHO-vergadering van einde december ter sprake zal komen.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de operationalisering van de Communicatie- en Informatiecentra (CIC's)» (nr. 3-569)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Op de Ninoofsesteenweg in Dilbeek zag een inspecteur van de federale politie op 5 december een dronken bestuurder die tijdens een dolle rit verscheidene aanrijdingen veroorzaakte. Hoewel hij niet in functie was, zette de inspecteur de achtervolging in. Tijdens deze achtervolging bracht hij de 101-centrale op de hoogte. De telefonist sprak enkel Frans en betwistte zelfs dat de Ninoofsesteenweg door Dilbeek loopt.

Gelijkaardige feiten, waarbij oproepen uit Dilbeek bij de 101 door eentalig Franstalige personen worden beantwoord, deden zich reeds eerder voor.

Volgens artikel 18 van het koninklijk besluit van 26 juni 2002 betreffende de organisatie van de gecentraliseerde dispatchingcentra en van het nationaal invalspunt, worden noodoproepen aan de 101-centrales door communicatie- en informatiecentra of CIC's beantwoord. In elke provincie, alsook in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden of werden reeds zulke gecentraliseerde dispatchingposten opgericht. De Brusselse 101-centrale was tot oktober 2004 nog steeds niet overgenomen door een CIC.

Waar bevindt zich momenteel de 101-centrale, die oproepen beantwoordt voor de politiezone Dilbeek? Kan de minister verklaren waarom de inspecteur niet in het Nederlands te woord werd gestaan? Is het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad reeds overgeschakeld op het communicatie- en informatiecentrum? Zo neen, wanneer dan wel en wat is de reden van de laattijdige overschakeling? Werden er reeds voldoende tweetalige telefonisten aangeworven?

In hoeverre zijn de CIC's in de overige provincies al operationeel, meer in het bijzonder in Vlaams-Brabant? Worden alle oproepen er bijgevolg uitsluitend in het Nederlands beantwoord? Artikel 34 van het koninklijk besluit bepaalt dat vanaf 1 januari 2005 op basis van eerder uitgevoerde evaluaties een nieuwe verdeelsleutel wordt gehanteerd voor het personeelsbestand. Over welke evaluaties gaat het, wanneer werden ze uitgevoerd en welke verdeelsleutel wordt er nu gehanteerd?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De oproepen voor de politiezone Dilbeek worden op dit ogenblik door de 101-centrale te Brussel beantwoord. Die situatie heeft te maken met de wijze waarop de telefoonzones gekoppeld zijn aan het werkterrein van de oproepcentrales. De 101 te Brussel telt momenteel 26 personeelsleden: 19 zijn afkomstig van de lokale politie en 7 van de federale politie.

De personeelsleden afkomstig van de lokale politie zouden allemaal tweetalig zijn, terwijl vijf van de zeven door de federale politie ter beschikking gestelde personeelsleden niet tweetalig zijn. Ik heb de federale politie gelast een praktische oplossing uit te werken om de eentalige personeelsleden te vervangen door tweetaligen in afwachting van de overname van de 101 door het CIC van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is nog niet overgeschakeld op het communicatie- en informatiecentrum. Op dit ogenblik zijn de technische voorzieningen voor een geïntegreerde samenwerking tussen het centrum en de politiezones nog niet in voldoende mate gerealiseerd om een vlotte overschakeling en samenwerking mogelijk te maken. Ook op organisatorisch vlak en qua timing wordt er verder overlegd met de lokale overheden over de wijze waarop de beslissingen van de bijzondere ministerraad Justitie en Veiligheid van vorig jaar zullen worden in uitvoering gebracht.

Op dit ogenblik is het centrum te Oost-Vlaanderen volledig operationeel en het centrum te West-Vlaanderen beantwoordt reeds alle 101-oproepen van de provincie. Dankzij de afspraken die tijdens de bijzondere ministerraad van vorig jaar werden gemaakt, hebben onze diensten zich in 2004 kunnen voorbereiden om de centra in 2005 in verschillende provincies geheel of gedeeltelijk te operationaliseren. De gouverneurs volgen de planning in de praktijk op. In Vlaams-Brabant is de opstart van het CIC gepland voor het tweede semester van dit jaar.

Dankzij de organisatie van deze centra op een provinciaal niveau is het gemakkelijker dan vroeger om tijdens een shift over gekwalificeerd personeel te beschikken. Mijn diensten zijn er zich terdege van bewust dat het bij de oproepafhandeling voor noodhulp van groot belang is om de oproeper adequaat te woord te staan. Er wordt hieraan dan ook voldoende aandacht besteed.

Het Koninklijk Besluit waarnaar de vraag verwijst, voorzag inderdaad in een evaluatie van een verdeelsleutel vanaf 1 januari 2005. Het akkoord tussen de verschillende overheden met betrekking tot de bestaffing van de centra dateert slechts van vorig jaar. Voor de personeelsleden die door de politiediensten worden geleverd is er in een verdeelsleutel van 50% voor de federale en 50% voor de lokale politie voorzien. De kost van de lokale gedetacheerde personeelsleden wordt ten laste van de federale overheid genomen. Deze werkwijze is pas sinds vorig jaar in uitvoering. Daarom is het nu nog te vroeg om dit al te herevalueren.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Ik neem nota van de nakende oprichting van het CIC en van de belofte om intussen de eentalig Franstaligen te vervangen door tweetalige personeelsleden. Ik vraag me wel af hoe het in godsnaam mogelijk is dat in een kritieke dienst als de 101, die heel snel met mensen moet kunnen communiceren, vijf eentalig Franstaligen worden aangesteld.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de sensibiliseringscampagne voor orgaandonatie» (nr. 3-549)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Een groot aantal mensen wacht tevergeefs op orgaantransplantatie. De lijst wordt steeds langer. België hanteert sinds de inwerkingtreding van de wet van 13 juni 1986 het bezwaarsysteem. Dit betekent dat iedereen potentiële donor is tot zij of hij daartegen bezwaar aantekent. Nabestaanden behouden het vetorecht tegen gebruik van de organen van het overleden familielid, wanneer de overledene geen standpunt heeft ingenomen. Wanneer een persoon bij leven zijn of haar keuze laat registreren omtrent donatie moeten de nabestaanden zich hierover niet meer uitspreken.

De ingreep maakt voor velen het verschil uit tussen leven en dood. Wij geloven dat door beter gebruik te maken van de bestaande structuren en door verfijning van de wetgeving een groot deel van de nood kan worden gelenigd. Wij stellen bovendien vast dat er steeds minder donoren beschikbaar zijn. Op dit moment hebben slechts 30.658 Belgen op 10 miljoen inwoners, amper drie op duizend, zich opgegeven als orgaandonor.

Het tekort aan organen heeft verschillende oorzaken. Omdat organen van de potentiële donor intact moeten zijn bij overlijden, komt het overgrote deel van de potentiële donoren niet in aanmerking. Slechts bij heel specifieke vormen van overlijden kan worden overgegaan tot orgaantransplantatie. In België kunnen de nabestaanden, zoals gezegd, de transplantatie nog steeds tegenhouden wanneer de overledene zich niet als donor liet registreren. Dit verkleint uiteraard de uiterst beperkte groep van effectieve donoren. Door gebrek aan informatie zijn mensen niet goed op de hoogte van de procedures en de enorme toegevoegde waarde op menselijk vlak van orgaantransplantatie.

De minister deelde mee dat hij van plan is in 2005 een sensibiliseringscampagne op te zetten.

1. Welke boodschap zal deze campagne met zich meedragen? Viseert de minister bepaalde doelgroepen of richt hij zich tot de gehele populatie? Onder welke vorm zal de campagne worden gevoerd? Welk budget wordt hiervoor uitgetrokken?

2. Vanaf welke leeftijd wordt orgaandonatie gestimuleerd? Werd in de mogelijkheid voorzien om bij afgifte van de identiteitskaart vanaf 12 jaar de burger uit te nodigen zich te laten registreren als donor?

3. Zou het niet aangewezen zijn de campagne te richten op de 17/18- jarigen? Transplantatiedeskundigen zijn het erover eens dat het informeren van die leeftijdsgroep de meest positieve weerslag heeft op alle mogelijke betrokkenen bij het donorvraagstuk. Andere landen hebben hierin het voorbeeld gegeven.

4. Wanneer mogen we de campagne verwachten? Zal dit éénmalig zijn of volgen er meerdere informatiecampagnes?

5. Wordt het systeem van registratie van orgaandonatie aangepast, vereenvoudigd? Indien ja, hoe verloopt dit dan concreet?

6. Heeft de minister overlegd met de ziekenhuizen over een eenvoudige procedure en een evaluatiesysteem om te voorkomen dat bruikbare organen verloren gaan door een slechte opvolging?

7. In België staat het overlegorgaan, de Transplantatieraad, in voor de opmaak en evaluatie van statistieken in verband met transplantatie. Deze Raad stelt jaarlijks een verslag op dat nu enkel aan de minister van Volksgezondheid wordt bezorgd. Wij vragen dat dit verslag aan het Parlement wordt doorgezonden, zodat het onderwerp wordt van een ruimere reflectie.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Voor de uitvoering van onze sensibiliseringscampagne werd een budget van 300.000 euro vastgesteld. Binnen een specifieke werkgroep worden er verschillende denksporen besproken met de bedoeling een sensibiliseringscampagne te voeren tijdens het tweede kwartaal van 2005, gericht op doelgroepen en de gehele bevolking. Er zullen ontmoetingen worden georganiseerd met kleine groepen mannen en vrouwen van verschillende leeftijden en sociale niveaus, zowel met mensen die al dan niet werden geconfronteerd met het aanvaarden van een orgaandonatie van iemand uit hun omgeving, als mensen die ooit een orgaan moesten krijgen en zich op een wachtlijst bevonden. Deze ontmoetingen worden geleid door specialisten om de psychologische remmingen te bepalen en vooral om te wijzen op de voordelen van een orgaandonatie om een leven te redden.

Er zal ook een website worden uitgewerkt, met links naar de officiële website, namelijk de website van Eurotransplant, en de verschillende patiëntenverenigingen.

Aan het middelbaar onderwijs wordt didactisch materiaal ter beschikking gesteld. In het laatste jaar van het middelbaar onderwijs wordt voorzien in een cursus van minstens één uur. Daarmee wil men de bevolking zo vroeg mogelijk sensibiliseren rond deze daad van burgerzin. Hierbij worden ook ontmoetingen georganiseerd met mensen met een transplant of die in hun familie geconfronteerd werden met een orgaantransplantatie.

Er zal ook specifieke documentatie onder de vorm van vraag en antwoord ter beschikking worden gesteld van het grote publiek, via de gemeentebesturen, de postkantoren, enzovoort. De vragen en antwoorden zullen ook op de webstek van de federale overheidsdienst Volksgezondheid worden geplaatst.

Het is ook belangrijk de gemeentebesturen te sensibiliseren want zij zijn te vaak geneigd aan donorkandidaten te zeggen dat iedere burger een potentiële donor is. Ze moeten erop aandringen dat mensen ook expliciet mogen verklaren dat hun organen na hun dood mogen worden weggenomen.

Een mediacampagne zal worden gevoerd via televisie, radio, pers en affichering om te informeren over onze actie orgaandonatie en te verwijzen naar de website of naar de administratie. Deze spots op radio en televisie moeten absoluut positief zijn. De meeste acteurs zullen voormalige transplantatiepatiënten zijn omdat ze door hun getuigenis de beste advocaten zijn voor orgaandonatie en kunnen aantonen wat een mens door transplantatie kan winnen. Medici en ziekenhuizen zullen een omzendbrief krijgen om hen ervoor te sensibiliseren dat te veel organen van goede kwaliteit verloren gaan door gebrek aan opsporing. Een groot aantal organen van potentiële donoren kunnen niet wordt gebruikt. Dat is erg als men weet dat een donor verschillende levens kan redden.

Twaalf jaar lijkt mij te jong om een standpunt te kunnen bepalen. We moeten niet proberen kinderen te responsabiliseren over zulk een complex ethisch onderwerp. Het is inderdaad de bedoeling lessen te geven aan jongeren die in het laatste jaar van het middelbaar onderwijs zitten. Dit vergt enig overleg met de gemeenschappen.

Deze campagne is voorzien tegen het tweede trimester 2005. We zullen daarna de impact moeten evalueren op het aantal verklaringen bij de gemeentebesturen, op het aantal afgenomen organen en op de wachtlijsten. De les voor de 17/18-jarigen binnen de cursus van het laatste jaar van het middelbaar onderwijs is natuurlijk een middel om deze doelgroep ieder jaar te sensibiliseren.

Ik vind dat onze wetgeving zeer goed is. We staan in de Europese top drie van het aantal orgaandonaties en we situeren ons boven het Europese gemiddelde. We moeten vooral de mentaliteit veranderen: van de bevolking om het percentage van de weigering door de families te verminderen, van de gemeentebesturen en van het medisch korps.

Vertegenwoordigers van de transplantatiecentra en de transplantcoördinatoren nemen deel aan onze vergaderingen en aan de werkgroepen. Het is de bedoeling een ministeriële omzendbrief naar de ziekenhuizen door te sturen. We moeten er ook op aandringen dat de leeftijd van de donoren niet noodzakelijk een criterium is om organen niet te gebruiken. De kwaliteit van de organen van mensen van 65 tot 70 jaar kan bijvoorbeeld nog heel goed zijn.

De Transplantatieraad heeft inderdaad de opdracht de statistieken bij te houden die afkomstig zijn van Eurotransplant. De samenstelling van deze raad werd onlangs volledig vernieuwd omdat het mandaat van de leden in 2004 eindigde. De nieuwe raad zal nu een verslag over het jaar 2004 opstellen. Ik zal u dit verslag bezorgen zodra ik het gekregen heb.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik dank de minister voor het antwoord. Ik ben blij dat de informatiecampagne binnenkort zal starten. Ik wil er wel op wijzen dat heel wat artsen het erover eens zijn dat met een algemene informatiecampagne en een brede discussie meer mensen tegen orgaandonatie zullen zijn dan er voor. Daarom moet gekozen worden voor een doelgerichte campagne veeleer dan voor een grote publieke campagne.

Ik vind het goed dat de minister de laatstejaars van het middelbaar onderwijs wil aanspreken. Uit Nederlandse en Spaanse statistieken blijkt immers dat deze doelgroep het vatbaarst is voor orgaandonatie.

De minister zegt dat we vooraan staan binnen Europa. In het land der blinden is eenoog koning. Alle landen kampen met een tekort aan organen. Het aantal Belgische orgaandonoren is heel gering in verhouding tot de vraag naar organen.

Wie maakte deel uit van de werkgroep die de campagne heeft georganiseerd? Maakten de ziekenhuizen er deel van uit?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik zal mevrouw Thijs de lijst met de experts bezorgen.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de stand van zaken in verband met de taalproblematiek inzake de mobiele urgentiegroepen (MUG) in Vlaams-Brabant en Brussel» (nr. 3-570)

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - De problematiek van de taalkennis, of beter gezegd het gebrek daaraan, van een aantal mobiele urgentiegroepen die in Vlaams-Brabant en Brussel opereren, is een thema dat al vele jaren meegaat en niet opgelost geraakt.

Het is niet de bedoeling de hele lijdensweg van dit dossier uit de doeken te doen. Ik wil alleen in grote lijnen in herinnering brengen wat er de jongste jaren is gebeurd, zonder dat er overigens iets veranderde, omwille van de absolute desinteresse, de besluiteloosheid, het amateurisme en soms ook de onwil van de bevoegde ministers.

Omdat het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 niet in een taalregeling voor de MUG's voorzag, besloot toenmalig minister Aelvoet een koninklijk besluit uit te vaardigen om dit vooralsnog te regelen. Voorts was er sprake van de oprichting van een meldpunt voor klachten. Het koninklijk besluit, dat juridisch-technisch een onding was en niets oploste, is een stille dood gestorven, mede ingevolge een advies van de Raad van State en een ander advies van de Vaste Commissie voor taaltoezicht. Het meldpunt werd vakkundig gesaboteerd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering.

De problematiek blijft dus bestaan. Er gingen kostbare jaren verloren, met alle nefaste gevolgen van dien. Een artikel in Het Nieuwsblad van 14 januari laatstleden over een voorval dat op 8 augustus 2004 plaatsgreep, heeft ons daaraan nog eens op brutale wijze herinnerd.

Het voorval is, als het artikel strookt met de werkelijkheid, uiterst schrijnend en schandalig en getuigt van een scherp anti-Vlaams racisme van bepaalde `ziekenverzorgers', met de dood van de zorgbehoevende tot gevolg. Het artikel verscheen onder de veelzeggende titel: "Moeder is gestorven omdat ze Nederlandstalig was." Een Vlaamse vrouw zakte in een kerk in Dilbeek in elkaar. Pas na 40 minuten daagde een MUG-ploeg van het Erasmusziekenhuis op, waarvan de drie leden alleen Frans spraken.

Ik citeer nu uit de krant wat de dochter van het slachtoffer vertelt over wat er dan gebeurd zou zijn: "In het Frans joegen ze op een weinig hoffelijke manier iedereen buiten. Op dat moment leefde mijn moeder nog. Toen de artsen even later de kerk buitenkwamen, kregen we pas echt een klap in ons gezicht. Elle est morte. C'était parce qu'elle est néerlandophone qu'on l'a laissé crever, zo klonk het botweg. We wisten niet wat we hoorden. Toen we achteraf terug binnen gingen, lag mijn moeder daar weinig respectvol halfnaakt in de kerk."

Naar aanleiding van dit voorval vraag ik de minister naar de stand van zaken in dit dossier. Reeds vele jaren maken de kranten met de regelmaat van een klok melding van dergelijke incidenten, gelukkig meestal met een minder dramatische afloop. Het stramien is wel altijd hetzelfde: MUG-ploegen komen uit Brusselse of Waalse ziekenhuizen om in Vlaams-Brabant te opereren, maar geen van de leden van deze ploegen kent een gebenedijd woord Nederlands of ze weigeren hautain het te spreken. De gevolgen zijn dan ook bekend: ze rijden verloren en kunnen de weg niet vragen aan de inwoners, zodat ze hopeloos te laat komen, en/of ze kunnen de patiënten voor wie ze worden opgeroepen, niet op efficiënte wijze helpen, omdat ze bij gebrek aan kennis van de taal niet kunnen communiceren. Soms komt daar dan nog een totaal misplaatste arrogantie bovenop.

De afloop kennen we dus: in het beste geval is er veel wrevel en een onaanvaardbaar slechte behandeling van de hulpbehoevenden, in het slechtste geval volgt de dood van de patiënt, zoals hierboven aangehaald. Dergelijke toestanden zijn absoluut onaanvaardbaar en zouden eigenlijk minstens moeten uitmonden in sancties of zelfs in ontslag voor de schuldigen.

De minister werd reeds meermaals over de MUG-problematiek ondervraagd, maar blijft de zaak relativeren en zet blijkbaar het beleid van zijn voorgangers voort om de problemen voor zich uit te schuiven of hoogstens met lapmiddelen te werken in plaats van de zaak eens en voorgoed grondig aan te pakken.

De minister stelde reeds eerder dat de MUG's verplicht zijn de taalwetgeving na te leven. Daarmee stampte hij een open deur in: de MUG's moeten dit immers al vele jaren doen, maar in de praktijk trekt een aantal Brusselse en Waalse MUG's, die in Brussel en Vlaams-Brabant opereren, zich daar niets van aan. Ze kunnen dat ongestraft blijven doen.

De minister kondigde ook aan dat hij op korte termijn de ziekenhuizen van Halle en Tubeke zou oproepen om gemeenschappelijk een MUG uit te baten. Hierdoor wordt slechts een klein deel van het probleem mogelijk opgelost en dan nog met een lapmiddel.

Tevens kondigde de minister aan dat de activiteiten van de 81 MUG's zouden worden geregistreerd om na te gaan of de spreiding aan de behoeften voldoet. Eventueel zouden conclusies worden getrokken om tot een betere spreiding te komen.

De minister zou ook opdracht hebben gegeven om hulpverleners-ambulanciers die taalgrensoverschrijdend actief zijn, een elementaire kennis van beide talen bij te brengen.

Hoever zijn al die aangekondigde maatregelen reeds gevorderd?

Wat heeft de minister concreet gedaan om te controleren of de MUG's die in Brussel optreden en die taalgrensoverschrijdend in Vlaams-Brabant optreden, effectief tweetalig zijn? Werd daarnaar een grondig en exhaustief onderzoek op het terrein verricht, en, zo neen, overweegt hij dat nog te doen? Welke vaststellingen werden daarbij eventueel gedaan? Waren er met andere woorden MUG's die niet tweetalig waren en zo ja, welke maatregelen heeft de minister dan genomen?

Wat heeft de aangekondigde samenwerking tussen de ziekenhuizen van Halle en Tubeke concreet opgeleverd? Is de minister overigens niet van mening dat de beste oplossing erin bestaat taalgrensoverschrijdende interventies van MUG's zoveel mogelijk te beperken door ervoor te zorgen dat in de streek voldoende MUG's voorhanden zijn?

Wat leverde de registratie van de activiteiten van de MUG's op, in het bijzonder in Vlaams-Brabant? Werden lacunes in de dienstverlening vastgesteld en wordt de spreiding ten gevolge daarvan aangepast? Zo ja, hoe en wanneer?

Wat is de stand van zaken in verband met de aangekondigde taallessen? Hoeveel van de -hulpverleners-ambulanciers die in Brussel en taalgrensoverschrijdend actief zijn, hebben die reeds met succes gevolgd en hoeveel nog niet? Worden de taallessen overigens beperkt tot de hulpverleners-ambulanciers? Zo ja, waarom worden de urgentieartsen dan uitgesloten? Zou het trouwens niet beter zijn repressiever op te treden door sancties te treffen tegen de ziekenhuizen die eentalige hulpverleners aanwerven en laten opereren in een regio waarvan ze de taal niet kennen?

Zijn de diensten van de minister op de hoogte van het voorval waarover de kranten het hadden? Zo ja, wat was hun reactie? Indien er nog geen reactie was, welke maatregelen zullen alsnog worden genomen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Senator Ceder bracht een aangrijpend verhaal over een interventie van een Franstalige MUG in Dilbeek op 8 augustus 2004. Dit verhaal heeft inderdaad in de pers gestaan en ik heb de feiten laten onderzoeken. Het is een voorbeeld van een tragische gebeurtenis - een plots overlijden - die op een demagogische wijze wordt misbruikt. Ik heb de registratiegegevens van het oproepcentrum van de 100 te Leuven opgevraagd en daaruit blijkt het volgende.

Bij de oproep werd alleen medegedeeld dat de betrokkene onwel was geworden. Daardoor is er geen MUG, maar alleen een ziekenwagen uitgestuurd, die vijf minuten na de oproep ter plaatse was. Onmiddellijk daarna werd een MUG van het Erasmusziekenhuis opgeroepen. Die was na 13 minuten ter plaatse. In de medische literatuur wordt deze termijn als volkomen aanvaardbaar omschreven. Vervolgens blijkt uit het verslag van de gezondheidsinspecteur dat de verpleegkundige van de MUG Nederlands sprak en dat, in tegenstelling tot wat in de pers werd geschreven, niet de dochter van het slachtoffer, maar wel de ambulancier de eerste zorg heeft toegediend. Niets wijst er dus op dat het team van de MUG een fout heeft gemaakt die in verband staat met het overlijden. Tot zover het incident waarvoor senator Ceder het nodig achtte mij ter verantwoording te roepen.

In verband met Vlaams-Brabant, en vooral het westelijke gedeelte ervan en de Rand rond Brussel, wil ik zowel de Nederlandstalige als de Franstalige parlementsleden en de plaatselijke politici oproepen de nodige ernst aan de dag te leggen. Het beleid inzake kwalitatieve en toegankelijke dringende medische hulpverlening is te belangrijk en te complex om het in het Parlement te herleiden tot een loutere taaltwist.

Ik blijf erbij dat de efficiëntiespreiding van de MUG's en het garanderen van een voldoende kwaliteit de belangrijkste prioriteiten van het beleid moeten zijn. In deze politiek is het opsplitsen van de dringende medisch hulpverlening tussen de regio's zeker geen optie. Terwijl er over de landsgrenzen heen, bijvoorbeeld in de streek Kortrijk-Rijsel, hoe langer hoe meer en zonder noemenswaardige problemen wordt samengewerkt, ga ik de samenwerking in de buurt van Brussel niet afbouwen wegens taalperikelen die door sommigen, die niet uit zijn op het vinden van reële oplossingen, worden opgeschroefd.

Aangezien er zeker geen overschot aan verpleegkundigen en gekwalificeerde artsen bestaat, wordt er nu bij de aanwerving maar beperkt geselecteerd op basis van de kennis van het Nederlands. Het opleggen van wettelijke verplichtingen op zeer korte termijn zou dan ook geen effect hebben. Enkel opleiding en een flinke dosis gezond verstand aan beide kanten van de taalgrens kunnen productief zijn.

Ik bereid een ontwerp van reglementering voor waarbij meertaligheid van de beroepsgroepen die actief zijn in de dringende medische hulpverlening, in het algemeen wordt vastgelegd. De call takers en dispatchers van de oproepcentra zullen bij de voorbereiding van dit ontwerp worden betrokken.

Tijdens de vorige legislatuur kon geen consensus worden bereikt over het plan om een meldpunt te organiseren. Op mijn initiatief werd vorige maand een nieuw overleg opgestart in het kader van de interministeriële conferentie.

Verder heb ik over de problematiek van de MUG in de regio Halle-Tubeke een overleg georganiseerd tussen beide ziekenhuizen met het oog op een gezamenlijke uitbating van de MUG met gemengde teams.

Ik aanvaard niet dat de MUG van Tubeke in een slecht daglicht wordt geplaatst. De veelvuldige interventies vinden een oorsprong in het feit dat het ziekenhuis te Halle heeft geweigerd een MUG in te leggen en dus deze essentiële dienstverlening in deze regio niet wil vervullen. Het is het enige ziekenhuis dat geweigerd heeft een MUG uit te baten of toe te treden tot een associatie. Het betrokken ziekenhuis draagt dus een heel zware verantwoordelijkheid.

Ik roep de ziekenhuizen te Halle en Tubeke voor de laatste keer op samen te werken. Als dit niet mogelijk is, zal ik niet aarzelen om zelf in te grijpen.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Volgens de minister worden de zaken door bepaalde mensen opgeschroefd. Welnu, ik woon in Dilbeek en ik ken de problematiek. Er zijn voldoende voorbeelden waarbij de patiënten geconfronteerd worden met personen die de taal niet kennen. Een dokter vertelde me onlangs nog dat men zelfs bij oproepen een eentalige Franstalige medewerker aan de lijn krijgt. Er zijn ook voldoende bewijzen dat de eentalige MUG's in Vlaams-Brabant opereren. Een bonafide Vlaamse krant beschrijft het verhaal van de familie van het slachtoffer. De minister vertelde het verhaal van het Erasmusziekenhuis. Ik heb nog altijd eerder de neiging de familie te geloven dan het Erasmusziekenhuis. Hopelijk mondt dit voorval uit in een juridische procedure en zal de waarheid naar boven komen.

De minister beweert dat er niet voldoende tweetalige personen zijn voor deze functies. Waarom gaat het dan altijd om eentalige Franstaligen? Ik zou het wel eens willen meemaken dat eentalig Nederlandstaligen actief zijn in Tubeke. Het is mogelijk dat het ziekenhuis in Halle geen MUG wil, maar de minister van Volksgezondheid moet ervoor zorgen dat de urgentiediensten in mijn gemeente en in de omliggende gemeenten de taal van de inwoners en van de streek spreken.

Vraag om uitleg van de heer Luc Paque aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het Belgisch nationaal rapport over drugs 2004» (nr. 3-585)

De heer Luc Paque (Onafhankelijke). - De pers presenteerde einde 2004 de grote lijnen van het Belgisch Nationaal Rapport over drugs 2004, opgesteld door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.

Dat rapport bevat informatie over het politiek en wettelijk kader, resultaten van epidemiologische onderzoeken en gegevens over diverse acties van medische en sociale aard.

We lezen in het rapport dat jongeren in de eerste plaats hun toevlucht nemen tot cannabis. Voorts staat er dat 32,2% van de 15- en 16-jarigen ooit in hun leven marihuana/hasj hebben gebruikt en dat 16,7% dat deed in de maand van de enquête. De gebruiksprevalentie van `magic mushrooms' (`paddo's') zou 5% bedragen. Voor alle andere illegale substanties vermeldt het rapport een prevalentie lager dan 5%.

Jongens gebruikten alle illegale substanties over het algemeen vroeger dan meisjes, met uitzondering van slaap- en kalmeermiddelen.

Uit een onderzoek in 2003 bij cannabisgebruikers in het Vlaamse Gewest blijkt dat jongeren gemiddeld op 16,3 jaar hun eerste drugs nemen. Dat impliceert dat men in bepaalde gevallen nog veel jonger is dan 16 jaar. We lezen in alle studies dat het gecombineerde gebruik van alcohol en een illegale substantie veel voorkomt.

Andere gegevensbronnen wijzen erop dat er minder en minder harddrugs geïnjecteerd worden. Er worden nog wel hoge percentages opgegeven voor druggebruikers die naalden delen - 47% in 2003 - maar er is een dalende trend.

In 2003 werd een onderzoek verricht in verschillende gevangenissen met als voornaamste doelstelling het evalueren van de kennis van de gedetineerden over de risico's verbonden aan druggebruik. Het gebruik van hasj werd toegegeven door ongeveer 30% van het staal, het gebruik van heroïne door 13% en het gebruik van cocaïne door 11%.

Er bestaan gegevens over de druggerelateerde sterfte in de periode 1987-1997. In 1993 stelde men een plotse stijging vast, maar nadien deden er zich geen significante wijzigingen meer voor. De stijging zou ten dele het gevolg kunnen zijn van de verbetering van de kwaliteit van de overlijdensakte. Ongeveer drie op vier van de overledenen zijn mannen. In 90% van de akten waarop de substantie vermeld wordt, gaat het om opiaten en dat voor bijna elk jaar.

In België wordt al sinds lang methadon voorgeschreven. De auteurs van het rapport hopen dat er in de komende jaren meer epidemiologische informatie beschikbaar zal zijn over patiënten onder substitutiebehandeling.

In 2003 rapporteerden de politiediensten een lagere gemiddelde prijs voor illegale drugs dan in de jaren daarvoor. Cocaïne kost gemiddeld 45 euro per gram en blijft de duurste illegale drug.

De bevolking is van oordeel dat drugs vrij gemakkelijk te verkrijgen zijn. België bekleedt door zijn geografische ligging een sleutelpositie in de transit van drugs naar andere landen.

Wat is de reactie van de minister op dit rapport?

Heeft de minister al maatregelen genomen naar aanleiding van dit rapport? Welke?

Ik zou vooral willen weten of er al voorstellen geformuleerd zijn om iets te doen aan de hoge consumptie van cannabis door jongeren.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik heb kennis genomen van het Belgische rapport 2004 over de drugs. Ik heb vastgesteld hoeveel middelen er ingezet worden in de globale strijd tegen de drugs en welke inspanningen er gedaan worden voor de coördinatie van het beleid. België moet zich zeker niet schamen over de resultaten van 2004, zowel wat betreft het aanbod als de vraag. Dit wordt bevestigd door het rapport van het Europese Observatorium voor drugs en toxicomanie dat België uitsluit van de meest alarmerende statistieken.

Het budget voor het drugsbeleid, onder meer voor onderzoek, preventie en behandeling, is de jongste jaren gestegen. Er bestaat sinds drie jaar een beleidscel Gezondheid-Drugs om de acties van de federale overheid en van de Gemeenschappen en Gewesten te coördineren. De belangrijkste uitdagingen voor de cel zijn het realiseren van een akkoord over de toepassing van het nationale TDI-protocol (Treatment demand indicator), van een vergelijkbare gegevensbank en van een algemeen epidemiologisch overzicht.

Als minister van Volksgezondheid wil ik eerst en vooral zorgen voor een aangepaste behandeling van de `probleemgebruikers'. Het is de bedoeling de fysieke en psychische effecten van het druggebruik en het aantal gebruikers te verminderen. Ik bevestig dat we moeten doorgaan met het verzamelen van betrouwbare gegevens, het onderzoek naar de gevolgen voor de gezondheid van het druggebruik en de experimenten rond zorgprogramma's op maat. Het koninklijk besluit met betrekking tot de registratie, met epidemiologische doeleinden, van substitutiebehandelingen beoogt de voortzetting van de operationele fase die ingeleid werd door de overeenkomst ondertekend met het Instituut voor Farmaco-Epidemiologie van België en de oprichting van een technisch comité in de beleidscel Gezondheid-Drugs.

Ik wil ook een permanente nationale drugscoördinatie tot stand brengen, met voldoende middelen om een volwaardig drugsobservatiebeleid mogelijk te maken. Het gebruik van cannabis stijgt constant. Vorige maand was dat gebruik het hoogst in de leeftijdscategorie 15-24 jaar. Bij de meesten vermindert het gebruik na de leeftijd van 25 jaar. Een studie van 2004 van prof. Peuskens van de KULeuven `Psychiatrische effecten van cannabisgebruik: een kritische analyse van wetenschappelijke resultaten en onderzoeksmethoden' bewijst dat er wel degelijk verbanden zijn tussen het gebruik van cannabis en bepaalde psychotische stoornissen zoals depressies en schizofrenie. Factoren die daartoe aanleiding kunnen geven, zijn het gebruik van hoge dosissen, het orale gebruik, het beginnen met cannabis en de combinatie met andere drugs, bijvoorbeeld bij een polytoxicomaan gebruik.

Het Brugmann-ziekenhuis werkt nog tot in 2006 aan de `Longitudinale studie over de effecten van cannabisgebruik op de fysische en psychosociale gezondheid'.

Ik wil het problematische gebruik van cannabis aanpakken. Men schat dat het gaat om 10 tot 15% van alle druggebruikers. Sinds twee jaar loopt een proefproject in twee psychiatrische ziekenhuiscentra in het land, in Sleidinge en Luik. Het betreft patiënten die zowel aan een verslaving als aan een psychotische stoornis lijden. Wordt het project positief bevonden, dan zou het een structurele oplossing kunnen zijn voor het problematisch gebruik van cannabis in België. Ik moet in de onmiddellijke toekomst samen met de minister van Justitie een duidelijk (d.w.z. begrijpbaar voor het brede publiek), handig (dus niet-arbitrair en niet stigmatiserend) en efficiënt wettelijk kader vinden. Zowel het repressieve aspect als het gezondheidsaspect zijn belangrijk.

De heer Luc Paque (Onafhankelijke). - Ik kan de minister alleen maar aanmoedigen om zijn actie voort te zetten. De strijd tegen de drugs moet op alle niveaus worden gevoerd. Ik neem er akte van dat binnenkort een nationale coördinatie zal tot stand komen. Ik onthoud ook de verklaring van de minister over het cannabisprobleem. We moeten duidelijke taal spreken wanneer we de jeugd attent maken op de gevaren van cannabisgebruik.

Jammer genoeg kan de politiek de verbeelding van de producenten van die dodelijke producten alleen maar volgen. Dat bemoeilijkt de aanpak van die problemen. We moeten er elke dag opnieuw tegenaan gaan.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «zijn beleid inzake het overaanbod van apotheken» (nr. 3-589)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Enkele maanden geleden deed de minister nogal forse uitspraken over het overaanbod van apotheken in ons land. In antwoord op mijn vragen in de plenaire vergadering van 25 november 2004 bevestigde hij dat België, in vergelijking met andere landen, te veel apotheken heeft en dat een vermindering van het aantal apotheken logisch lijkt. Toch kunnen er nog steeds nieuwe vestigingen toegestaan worden op basis van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken.

Die wetgeving moest vooral de volksgezondheid ten goede komen door in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren. De vraag is nu in hoeverre die oude wetgeving vandaag nog zinvol is.

Dossiers ingediend vóór het moratorium kunnen nog steeds geactiveerd worden. Gisteren nog ontving ik een mail van een apothekeres die daarin beschrijft dat ze hoopt op termijn in een eigen apotheek te kunnen werken. Ze schrijft het volgende: "Enige mogelijkheid is, dacht ik, een overname. Maar meer en meer word ik geconfronteerd met mensen die nu nog een eigen apotheek mogen beginnen, op basis van een aanvraag van twintig of zelfs vijfentwintig jaar geleden." Ze geeft een aantal voorbeelden - Lille, Geel-Bel, Lommel ... - en ze vraagt: "Mag ik zelf nog een aanvraag indienen? Hoe komt het dat deze aanvragen van toen nu nog gelden, ondanks het moratorium? En waarom worden de inwonersaantallen van twintig, vijfentwintig jaar geleden niet gebruikt in plaats van voor oude aanvragen recente inwonersaantallen te gebruiken?" Ze besluit terecht: "Hierdoor krijgen jonge apothekers helemaal geen kans meer".

Een andere mogelijkheid die in het koninklijk besluit wordt geboden, is de overbrenging van een bestaande apotheek. Wanneer een apotheker zijn zaak verhuist naar een gebied met een lagere concentratie aan apotheken, kan dat een betere spreiding tot stand brengen. Meestal gaat het echter om een verplaatsing van het probleem waarbij weer andere apotheken hun rendabiliteit kunnen verliezen, omdat bij de toepassing van het besluit vooral met geografische criteria rekening wordt gehouden.

Recentelijk heeft de minister nog een overbrenging goedgekeurd van een apotheek die al meer dan tien jaar gesloten was. Weliswaar kan dit volgens de letter van de wet, aangezien de overbrenging binnen de 10 jaar moet gebeuren. Toch rijst de vraag of dit strookt met de geest van de wet en met de eerdere uitspraken van de minister over het overaanbod van apotheken en de noodzaak om bestaande officina's te sluiten. Het lijkt me absoluut niet logisch dat de minister nog nieuwe apotheken toelaat. En voor mij is een apotheek die na tien jaar sluiting overgebracht wordt, een nieuwe apotheek. Andere apothekers, mogelijk in de onmiddellijke omgeving, worden dan soms aangemaand hun officina te sluiten.

De gevallen die ik daarnet citeerde kregen wel een positief advies van de vestigingscommissie, maar de minister is niet verplicht dit advies te volgen. De Raad van State oordeelde herhaaldelijk dat er geen sprake is van een recht op vestiging als aan de criteria van de vestigingswet is voldaan.

Hoeveel aanvragen tot opening van een voor het publiek opengestelde apotheek zijn er nog hangende bij de vestigingscommissie en van welke jaren dateren die? Hoeveel vragen tot overbrenging buiten de onmiddellijke omgeving zijn er ingediend en van welke jaren dateren die?

Is het verantwoord dat er nog nieuwe vestigingen worden toegestaan gezien het overaanbod van apotheken? Vindt de minister het normaal dat `speculatieve' aanvragen van soms meer dan 10 jaar geleden nog worden behandeld op basis van een wetgeving die eigenlijk volgens de uitspraken van de minister achterhaald is, zeker wat nieuwe vestigingen betreft? Is het verantwoord een overbrenging toe te staan van een apotheek die al meer dan 10 jaar gesloten is, terwijl andere gevestigde apotheken zouden moeten worden aangezet om te sluiten?

Vindt de minister niet dat de criteria van het koninklijk besluit van 25 september 1974 moeten geëvalueerd worden? Is dit een opdracht van de werkgroep waarover de minister het had in zijn antwoord van 25 november 2004? Wat moet er gebeuren met de dossiers die vóór het moratorium werden ingediend en die, doordat de beslissing zo lang aansleept, zorgen voor rechtsonzekerheid, zowel voor de aanvrager als voor de gevestigde apothekers en voor jonge apothekers die nog altijd hopen een overname te kunnen doen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik zal eerst de doelstellingen en de criteria van het moratorium inzake apotheken kort herhalen. In 1999 werd het moratorium inzake apotheken, dat geldig is sinds 1994, voor een periode van tien jaar verlengd. Dat moratorium bepaalt ook een minimum aantal apotheken, ter bescherming van de volksgezondheid. Indien na de definitieve sluiting van een apotheek het aantal apotheken lager zou liggen dan een bepaalde drempel, kan er bijvoorbeeld een aanvraag tot opening of tot overbrenging van een apotheek worden ingediend voor die gemeente. De criteria die worden toegepast om een overbrenging al dan niet te aanvaarden, zijn zowel op geografische als demografische elementen gebaseerd. Ze blijken in de praktijk te zorgen voor een goede spreiding van de apotheken, behalve voor de overtollige apotheken die reeds bestonden in september 1974, op het moment dat de vestigingsreglementering werd ingevoerd in België.

In 1999, op het moment van de verlenging van het moratorium, bestond er een consensus over het feit dat het maximum aantal apotheken nog kan worden verhoogd met vergunningen die worden toegekend voor aanvragen ingediend vóór het eerste moratorium, dus vóór 1994. Om de rechtszekerheid te verzekeren, worden de dossiers die werden ingediend vóór het moratorium behandeld volgens de regels die golden op het moment van indiening. Die regels dateren van 1974 en verschillen lichtjes van de regels die sinds 1994 worden toegepast.

Het kan vreemd lijken dat we het in 2005 hebben over dossiers die vóór 1994 werden ingediend, maar de behandeling van dossiers is geen gemakkelijke opdracht omdat in veel gemeenten er meerdere aanvragen lopen, al dan niet van dezelfde aanvrager. Daardoor dienen bepaalde aanvragen te wachten op de volledige afhandeling van een voorafgaande aanvraag. In het belang van alle betrokkenen wordt elk vestigingsdossier grondig bestudeerd en wordt er advies over verleend.

In verband met de cijfers, kan ik de volgende recente gegevens meedelen: er zijn momenteel ongeveer 200 hangende aanvragen tot opening. Dat is het totale aantal, niet ingedeeld op basis van de periode van indiening. De meeste dossiers dateren van voor 1994. Dit zijn zware dossiers. Er zijn 19 aanvragen tot overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid ingediend in 2004.

Zoals de rest van de vestigingswet werden de criteria voorgelegd aan de werkgroep waarin mijn kabinet, experts van het Directoraat-generaal Geneesmiddelen en vertegenwoordigers van de farmaceutische beroepsorganisaties zijn vertegenwoordigd. Indien deze werkgroep besluit dat de criteria moeten worden herzien, zal ik dat zeker overwegen. Deze werkgroep is nu in eerste instantie bezig met het zoeken naar een oplossing voor de overtollige, vaak stedelijke apotheken. Dit onderzoek zal in de eerste plaats alle Belgische apotheken in kaart brengen.

Ik wil wat nadere uitleg verschaffen over het specifieke geval van de goedkeuring van de overbrenging van een apotheek die tien jaar gesloten was. Het betreft geen bijkomende apotheek, want het totaal aantal Belgische apotheken wordt niet verhoogd, maar om de overplaatsing van een apotheek, zij het over een grote afstand. Dit is dus niet in tegenspraak met de geest van de wet of met mijn standpunt over de behoefte om een vermindering van het aantal apotheken aan te moedigen en daarbij toe te zien op een gepaste geografische verdeling.

Over het algemeen volg ik de gemotiveerde adviezen van de Vestigingscommissies. Het is juist dat ik niet verplicht ben het positieve of het negatieve advies van de commissie te volgen. Ik vind het echter aangewezen dit advies, dat door experts is opgesteld, niet zomaar naast mij neer te leggen tenzij daar objectieve redenen voor zouden zijn.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het antwoord van de minister ontgoochelt mij. Hij heeft geen enkel argument aangevoerd om aan te tonen dat het openen van bijkomende apotheken in het belang is van de volksgezondheid. Hij heeft daarentegen wel eerder vastgesteld dat er een overaanbod van apotheken bestaat en dat er wellicht moet worden gezocht naar de vereiste middelen voor de oprichting van een Sluitingsfonds voor Apotheken.

De minister heeft evenmin geantwoord op de klacht van jonge apothekers op zoek naar een eigen apotheek. Die jonge apothekers moeten eigenlijk optornen tegen de speculatie van personen die slim genoeg geweest zijn om vlak vóór het ingaan van het moratorium nog snel een aanvraag in te dienen voor plaatsen waar zij op termijn aan de voorwaarden van het koninklijk besluit dachten te kunnen voldoen.

Er bestaat mijns inziens geen enkele noodzaak om nog ergens ook maar één bijkomende apotheek toe te laten. Met overplaatsingen kan ik mij in sommige gevallen eventueel wel verzoenen, maar niet wanneer zoals in het geciteerde geval de apotheek al 10 jaar niet meer is uitgebaat. Door aan de ene kant toe te geven dat er apotheken te veel zijn en aan de andere kant te verdedigen dat er via de spreiding toch nog een aantal kunnen bijkomen, maakt de minister een verkeerde inschatting van zaken. Hopelijk adviseert de werkgroep de minister om de criteria aan te passen. Na meer dan tien jaar rechtsvacuüm, moet er eindelijk eens duidelijkheid en rechtszekerheid komen voor alle betrokken partijen.

Vraag om uitleg van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Werk over «het systeem van de dienstencheques» (nr. 3-577)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Sedert 1 januari 2004 is het systeem van de dienstencheques operationeel, dat tot doel heeft banen te scheppen in de dienstensector en het zwartwerk tegen te gaan.

Met een dienstencheque kunnen particulieren een erkende onderneming betalen voor prestaties van huishoudelijke hulp. In principe kan iedere werkzoekende als werknemer worden ingeschakeld in het kader van het systeem van de dienstencheques. In dat systeem behoort de werknemer tot categorie A of B, naargelang zijn situatie voor hij met een arbeidsovereenkomst-dienstencheques aan het werk ging.

De werknemers van categorie A zijn werknemers die een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp ontvingen. Ze blijven aanspraak maken op hun uitkering terwijl ze aan het werk zijn.

Werknemers van categorie B moeten niet noodzakelijk ingeschreven zijn als werkzoekende voordat ze beginnen te werken. Ze moeten wel als vrije werkzoekende ingeschreven worden bij de Forem, de Orbem, de VDAB of het Arbeitsamt. Ze beslissen zelf voor welke banen ze zich inschrijven, wanneer en waar ze willen werken. Ze kunnen evenwel geen aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering.

Wat is de balans na één jaar werking van het systeem? Naar verluidt is de sector van de uitzendarbeid momenteel goed voor 40% van de activiteit in het systeem van de dienstencheques. Gaat die vaststelling op voor het gehele land? Zijn er cijfers beschikbaar over de latere aanwerving van werknemers buiten het systeem van de dienstencheques?

Wanneer arbeidsprestaties met dienstencheques worden betaald, wordt met de werknemer een arbeidsovereenkomst-dienstencheques gesloten voor bepaalde of onbepaalde duur, voltijds of deeltijds. Beschikt u over cijfers met betrekking tot die verschillende categorieën? Wat is het aandeel van de contracten voor onbepaalde duur?

De loonvoorwaarden in het kader van een arbeidsovereenkomst-dienstencheques hangen af van de collectieve arbeidsovereenkomsten die gesloten zijn in het paritair comité waaronder de erkende onderneming ressorteert of van de overeenkomsten die binnen het bedrijf zijn gesloten. Wat met de verplaatsingskosten die door die categorie van werknemers worden gemaakt?

De bedragen uitgegeven voor de aanschaf van dienstencheques geven recht op belastingvermindering. De waarde van een dienstencheque, die aanvankelijk 6,20 euro bedroeg, werd in november 2004 opgetrokken tot 6,70 euro. Waar gaat dat verschil naartoe? Werd het bedrag van de maximale aftrek gewijzigd?

De werknemer mag verschillende opeenvolgende arbeidsovereenkomsten-dienstencheques voor bepaalde duur bij dezelfde werkgever sluiten, zonder dat dit leidt tot een contract voor onbepaalde duur. Wat zijn de regels daaromtrent? Ik neem aan dat deze mogelijkheid beperkt is in de tijd. Zijn in dit kader ook dagcontracten mogelijk?

In het kader van dit systeem worden uiteenlopende diensten verricht, al dan niet ten huize van de gebruiker: poetsen, strijken, koken, boodschappen doen, werken op de mindermobielencentrale. Wat zijn de meest gevraagde diensten in het systeem van de dienstencheques?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - In november 2004 werden er voor het gehele land 765.934 dienstencheques door erkende ondernemingen ingediend bij ACCOR Services, de uitgiftemaatschappij van de dienstencheques. In dezelfde maand werden in de regeling dienstencheques 320.858 uren gepresteerd door werknemers die werkten voor een uitzendbureau. Hiervan werden er 79,2% gepresteerd in het Vlaams Gewest, 15,8% in het Waals Gewest en 5% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de aanwerving a posteriori buiten het systeem van de dienstencheques van sommige van die werknemers.

Op dit ogenblik zijn er cijfers beschikbaar over de meest gevraagde diensten, maar niet over het aantal arbeidsovereenkomsten-dienstencheques voor bepaalde tijd en voor onbepaalde tijd, voor een voltijdse en voor een deeltijdse baan. Eind maart zal ik die cijfers krijgen en zal ik ze u meedelen.

Momenteel wordt het systeem van de dienstencheques geëvalueerd. Na die evaluatie zal hierover meer duidelijkheid bestaan.

De reiskosten zijn ten laste van de werkgever, maar hij kan ze doorrekenen aan de gebruiker. De gebruiker kan de reiskosten evenwel niet met dienstencheques betalen.

De prijs van een dienstencheque is sinds 20 november 2004 inderdaad verhoogd van 6,20 euro tot 6,70 euro. Het maximumbedrag dat voor fiscale aftrekbaarheid in aanmerking komt, werd niet verhoogd.

Voor de werknemers van categorie A kunnen bij dezelfde werkgever opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd gesloten worden tijdens een periode van zes maanden. De werknemers van categorie A zijn werknemers die aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering, leefloon of financiële sociale hulp terwijl ze aan het werk zijn. De eerste werkdag van de zevende maand is de werkgever er evenwel toe gehouden aan de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Dagcontracten zijn mogelijk, maar uiteraard binnen het hierboven uiteengezette systeem.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de laattijdige publicatie van het verkiezingsreglement voor de organen van de islamitische eredienst» (nr. 3-572)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik had mijn vraag liever direct aan de minister van Justitie gesteld, maar hopelijk zal ik ook van de vice-eerste minister een volledig en klaar antwoord krijgen.

Met het oog op de verkiezingen voor de hernieuwing van de organen van de Islamitische eredienst op 20 maart a.s. werd het langverwachte verkiezingsreglement uiteindelijk gepubliceerd in het Staatsblad van 14 februari 2005. Dit is bijzonder merkwaardig, niet alleen omdat het besluit vooruitloopt op een belangrijke politieke beslissing, met name de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde door een afzonderlijke kieskring voor de 19 gemeenten in te stellen, maar ook omdat het wordt gepubliceerd op 14 februari en stipuleert dat de termijn om zich als kiezer in te schrijven afliep op 31 januari voor de inschrijvingen per post en op 13 februari voor de inschrijvingen on line. Voor de kandidaten liep de termijn af op 23 januari. De uitspraak over de ontvankelijkheid van de kandidaturen moest uiterlijk op 28 januari gebeuren. De Belgische burgers en de moslimgelovigen kunnen dat alles lezen in het Staatsblad van 14 februari 2005.

Er zijn reeds vele vragen gerezen over de laattijdige bekendmaking, meer bepaald over de informatiedoorstroming naar de gewone gelovigen. Het Vlaams Minderhedencentrum twijfelt nu reeds aan de representativiteit van de nieuw samen te stellen organen. Men kent immers de problematiek die leidde tot een algehele vernieuwing van de organen. Er was kritiek op het gebrek aan representativiteit, op het ontbreken van Nederlandstalige leden in de organen en op de onvoldoende vertegenwoordiging van de vrouwen. Eigenlijk vind ik het onbegrijpelijk dat de minister van Justitie zo slordig omspringt met een zo delicate materie.

De algemene raad van moslims in België heeft nu al een beroep tot vernietiging ingediend bij het Arbitragehof omdat in hun ogen de Islam in ons land door de vergaande inmenging niet op voet van gelijkheid met de andere godsdiensten wordt behandeld. Er wordt nu al een juridisch debat gevoerd en elke procedurefout kan aanleiding geven tot de definitieve betwisting van de nieuwe organen.

Hoeveel kiezers hebben zich aangemeld in de Nederlandstalige provincies, in de Franstalige provincies en in Brussel-Hoofdstad? Hoeveel Marokkaanse en Turkse kiezers hebben zich aangemeld? Hoeveel kiezers waren er in de categorie `bekeerd' en in de categorie `andere culturele aanhorigheden'? Hoeveel kandidaten hebben zich aangemeld in de onderscheiden categorieën?

Hoeveel kandidaturen heeft de commissie onontvankelijk verklaard? Hoeveel procent van de ingeschreven kiezers en kandidaten zijn vrouwen? Hoe zullen de lokale overheden worden ingelicht over hun taak om neutrale stemlokalen en andere infrastructuur ter beschikking te stellen? Ze zouden immers nog geen officiële informatie hebben ontvangen.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - De commissie belast met de hernieuwing van de representatieve organen van de Islamitische eredienst is een volkomen onafhankelijke commissie en de rol van de minister van Justitie is dus vrij beperkt. Ze heeft geen invloed op de manier van werken en de besluitvorming van de commissie.

Alle vragen van mevrouw De Schamphelaere hebben betrekking op de kiezers die aan de verkiezingen zullen deelnemen.

De inschrijvingen werden afgesloten op 13 februari en de commissie onderzoekt op dit ogenblik al die inschrijvingen. Het is dus nog te vroeg om al concrete cijfers mee te delen. In overeenstemming met de wet van 20 juli 2004 zal de commissie eerstdaags verslag uitbrengen bij de minister van Justitie.

De commissie deelde wel mee dat 185 personen een kandidatuur hebben ingediend. De minister beschikt echter nog niet over de cijfers per provincie en culturele categorie.

De Commissie heeft de verschillende gemeenten van het land per brief gevraagd of ze bereid zijn om op 20 maart openbare plaatsen ter beschikking te stellen van de moslimgemeenschap. Nog niet alle gemeenten hebben geantwoord, maar ze hebben nog enkele weken de tijd om dat te doen.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de coördinatie van het huisvestingsbeleid» (nr. 3-576)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De regering beloofde in het regeerakkoord van 10 juli 2003 een fatsoenlijke woonst voor grote gezinnen en gezinnen zonder of met een laag inkomen. Ze stelde een betere coördinatie van de beleidsmaatregelen inzake huisvesting in het vooruitzicht, onder meer via een Interministeriële Conferentie ad hoc.

1. Hoe ver staat het met de oprichting van die Interministeriële Conferentie, de zogenaamde Task Force `Huisvesting'? Hoe is ze samengesteld?

2. Welke agenda heeft ze? Hebben er al vergaderingen plaatsgehad? Hoe ver zijn de werkzaamheden gevorderd?

3. Wie is de bevoegde minister, mocht die conferentie nog niet zijn opgericht?

De gezinnen, niet alleen die met een laag inkomen, ondervinden meer en meer moeilijkheden om een fatsoenlijke woonst te vinden. De toestand is zorgwekkend.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - De regering heeft op 10 oktober 2003 de Task Force `Huisvesting' opgericht. De volgende ministers maken er deel van uit: de minister van Justitie, die de conferentie voorzit, de minister van Financiën, de minister van Sociale Integratie, de minister van Economie, de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en de minister van Begroting.

In de Ministerraad van 20 maart 2004 in Oostende werd, als gevolg van de werkzaamheden van die conferentie, een federaal huisvestingsplan goedgekeurd. We zijn nu bezig met de concrete uitwerking van de maatregelen van dat plan. Ik denk bijvoorbeeld aan het plan `huisvesting' voor de grote steden. De nodige middelen werden uitgetrokken en de procedure voor de contracten met de grote steden loopt.

Om het fenomeen van de huisjesmelkers te bestrijden moeten andere maatregelen worden genomen. De wetgeving zal worden versterkt en er zullen acties komen. Het plan voorziet ook in de oprichting, bij wijze van experiment, van paritaire comités eigenaars/huurders om indicatieve huurprijzen uit te werken en zich in de plaats te stellen van de verplichte verzoening voor de vrederechter. Ik hoop dat punt spoedig op de agenda van het overlegcomité te kunnen plaatsen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik hoor dat de Conferentie nog andere punten op de agenda zal plaatsen. De problemen van huur en fiscaliteit kwamen ook in het regeerakkoord aan bod. Ik zal de eventuele maatregelen van de Task Force `Huisvesting' nauwkeurig bestuderen.

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de taalaanhorigheid van de ambtenaren van de FOD Justitie (Hoofdbestuur)» (nr. 3-600)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het is blijkbaar erg moeilijk om te weten te komen wat de taalaanhorigheid is van de ambtenaren van de FOD Justitie. In september van vorig jaar stelde ik de minister van Justitie een schriftelijke vraag omtrent de taalaanhorigheid van de ambtenaren in de FOD Justitie, hoofdbestuur. De minister gaf een vrij verward antwoord, waarbij ze me doorverwees naar de minister van Ambtenarenzaken. De minister van Ambtenarenzaken verklaarde op zijn beurt dat niet hij, maar de respectieve ministers verantwoordelijk zijn voor de taalaanhorigheid van de ambtenaren in de verschillende departementen. Aangezien ik van het kastje naar de muur wordt gestuurd, zie ik mij genoodzaakt mijn vragen te herhalen.

Volgens het statistisch overzicht van het personeel van de Belgische staat - de zogenaamde PData - beschikte de FOD Justitie, hoofdbestuur, op 1 december 2004 over 1271 personeelsleden, goed voor 1068,04 voltijdse eenheden. Daarvan zijn er 865 statutair tewerkgestelden, 396 contractuelen en 10 managers. Tevens is er statistische informatie betreffende de verdeling van die ambtenaren over de verschillende niveaus. Over de taalkundige verdeling wordt echter geen informatie verstrekt.

Kan de minister mij een overzicht geven van de verdeling per taalgroep van de personeelsleden buiten het hoofdbestuur, zowel uitgedrukt in fysieke personen als in voltijdse eenheden, en dit per statuut en per niveau?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - In het antwoord van mevrouw Onkelinx is sprake van 1100 ambtenaren. De verdeling per taalgroep, per statuut en per niveau van de ambtenaren van de FOD Justitie ziet eruit als volgt:

Niveau A: 158 Franstaligen, waarvan 128 statutair tewerkgestelden en 30 contractuelen; 135 Nederlandstaligen, waarvan 110 statutair tewerkgestelden en 25 contractuelen.

Niveau B: 38 Franstaligen en 30 Nederlandstaligen.

Niveau C: 137 Franstaligen en 137 Nederlandstaligen.

Niveau D: 258 Franstaligen en 207 Nederlandstaligen.

In de buitendiensten liggen de getallen veel hoger.

Niveau A: 1492 Franstaligen en 1990 Nederlandstaligen.

Niveau B: 725 Franstaligen en 703 Nederlandstaligen.

Niveau C: 1299 Franstaligen en 1128 Nederlandstaligen.

Niveau D: 5849 Franstaligen, 5951 Nederlandstaligen en 5 Duitstaligen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik dank de minister voor de informatie, maar ik betreur dat mijn schriftelijke vraag niet kon worden beantwoord.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het veiligheidsbeleid in de gevangenissen» (nr. 3-582)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Een half jaar geleden kwam het veiligheidsbeleid van de gevangenissen op de helling te staan door een aantal opmerkelijke ontsnappingen. De ene crimineel na de andere nam de benen. In Lantin wandelde een gedetineerde in augustus doodgewoon de gevangenis uit nadat hij van identiteit ruilde met een vervroegd vrijgelaten celgenoot. De meest tot de verbeelding sprekende ontsnapping was die van topgangster Benallal, die zich simpelweg aan een touw over de omheining van de gevangenis liet trekken. Tot overmaat van ramp slaagden in oktober drie gedetineerden erin op eenzelfde manier de benen te nemen. De reeks van ontvluchtingen gaf aanleiding tot crisisvergaderingen, administratieve onderzoeken, een heuse ontsnappingsnota en een hele reeks maatregelen post factum.

Om een ontsnapping door persoonswisseling te voorkomen, zou in alle gevangenissen het systeem van het UV-stempel worden geïmplementeerd: elke gedetineerde zou bij bezoek een onzichtbaar stempel op de hand krijgen. Bij het teruggaan naar de cel wordt met een UV-lamp de hand van de gedetineerde gecontroleerd. Om te voorkomen dat de stempels zouden worden nagemaakt door de gedetineerden, zou elke dag een andere afbeelding worden gebruikt. Alle arresthuizen zouden het nodige materieel al hebben ontvangen.

Daarnaast zouden de vingerafdrukken van de gedetineerden digitaal moeten worden geregistreerd bij het binnengaan van de gevangenis, dit met een speciaal daarvoor bestemd toestel. Bij het verlaten van de gevangenis worden de vingerafdrukken opnieuw vergeleken met de eerder geregistreerde afdrukken. In de praktijk bleken deze toestellen niet altijd even goed of niet te functioneren. Een technische ploeg zou dit euvel moeten herstellen.

Er werd beloofd betere en grotere foto's van de gedetineerden te maken, het personeel zou meer worden gesensibiliseerd en er zouden extra infrarood- en bewakingscamera's en gsm-stoorders worden geïnstalleerd.

Ten laatste tegen maart 2005 zou een nieuwe vergadering worden gepland met de directie van de penitentiaire instellingen, waarbij de vooruitgang en doeltreffendheid van de aangekondigde maatregelen zou worden geëvalueerd.

Graag had ik van de minister geweten welke maatregelen vandaag de dag zijn genomen na de ontsnappingsgolf van vorig jaar en in hoeverre de ontsnappingsnota werd opgevolgd?

De minister beloofde een rondzendbrief op te stellen die de controleprocedure zou veralgemenen, zeker inzake het verplicht controleren van de vingerafdrukken bij vertrek van de gedetineerde. Is de rondzendbrief al verstuurd? Functioneert het systeem momenteel in alle penitentiaire instellingen en wordt het effectief ook toegepast? Zo neen, in welke strafinstellingen wordt het controleren van vingerafdrukken niet uitgevoerd? Wat is hiervan de oorzaak?

Beschikken alle strafinstellingen reeds over het UV-systeem en is dit systeem reeds operationeel? Zo neen, welke strafinstellingen zijn hiermee nog niet in orde en wat is de reden hiervan?

De minister beloofde ook dat gewerkt zou worden aan het medisch-heelkundig centrum in Sint-Gillis en dat de ziekenboeg van Brugge met vier extra verpleegkundigen zou worden uitgebreid. Zijn de werkzaamheden aan het CMC te Sint-Gillis reeds begonnen en zijn de vier extra verpleegkundigen in Brugge reeds in dienst getreden?

De minister beloofde ook bijkomende bewakingsapparatuur. Zijn er reeds gsm-stoorders en bijkomende camera's? Hoe staat het met de opleiding van het gevangenispersoneel?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - De rondzendbrief waarin het controleren van de vingerafdrukken bij aankomst en verlaten van de inrichting verplicht wordt, is opgesteld en naar de inrichtingen verzonden. Om na te gaan of de technische installaties voor die controle functioneren werden alle inrichtingen bezocht. Tijdens die bezoeken werd vastgesteld dat alle installaties werken, maar moeten worden gemoderniseerd.

Met uitzondering van de open inrichtingen, waar de veiligheid wordt verzekerd door een opvoedend systeem dat op een vrijwillig aanvaarde tucht steunt en waarbij dwangmiddelen enkel worden aangewend wanneer dat nodig is, beschikt elke inrichting over een UV-systeem.

De werkzaamheden aan het CMC te Sint-Gillis moeten worden uitgevoerd door de Regie der Gebouwen. Daarvoor is minister Reynders bevoegd. De werken werden nog niet aangevat, maar het administratief dossier is afgewerkt. Door de terugkeer van een aantal verpleegkundigen uit zwangerschapsverlof en verlof zonder wedde enerzijds en door het behoud van de interim-verpleegkundigen die deze personen vervingen anderzijds, heeft Brugge nu drie extra verpleegkundigen.

Een vierde aanwerving kon niet plaatsvinden wegens een gebrek aan kandidaten. Op het ogenblik is een wervingsexamen voor verpleegkundigen lopende. Men hoopt op de laureaten van dat examen een beroep te kunnen doen voor de vierde aanwerving.

In elke inrichting werden een UV-systeem en een installatie ter verificatie van vingerafdrukken ter beschikking gesteld. Daarnaast maakt de Regie der Gebouwen een lastenboek klaar voor de aanbesteding van gsm-stoorders. Voor de effectieve plaatsing van de gsm-stoorders dient bovendien eerst nog een wettelijke basis te worden gecreëerd. Daarin werd voorzien in het wetsontwerp betreffende de elektronische communicatie. Uiteraard worden de inspanningen inzake de opleiding van het penitentiair personeel voortgezet. Het sociaal akkoord dat mevrouw Onkelinx op 22 december 2004 met de vakbondsdelegaties heeft gesloten, bepaalt trouwens dat vanaf dit jaar cursussen conflictbeheer zullen worden gegeven en dat vanaf 2006 de basisopleiding wordt opgetrokken tot 6 weken.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de dubbele nationaliteit en de ratificatie van de Conventie van de Raad van Europa over de nationaliteit van 6 november 1997» (nr. 3-586)

De voorzitter. - De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - België verleent met steeds vaker de Belgische nationaliteit aan vreemdelingen zonder hen te verplichten afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. Belgen daarentegen die vrijwillig een vreemde nationaliteit verwerven, verliezen de Belgische nationaliteit krachtens artikel 22, §1, 1º, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.

De opvatting die het bezitten van verschillende nationaliteiten aanziet als een gebrek, is voorbijgestreefd. CDH heeft met andere fracties zowel in de Kamer als in de Senaat een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt Belgen die een vreemde nationaliteit verwerven hun oorspronkelijke nationaliteit te laten behouden. Sindsdien zijn er verschillende gelijklopende voorstellen ingediend of opnieuw ingediend door parlementsleden van alle partijen.

Een eerste debat over de kwestie vond plaats in de Senaatscommissie voor de Justitie op 14 januari. Er werd vastgesteld dat België spijtig genoeg nog steeds gebonden is door het Verdrag van de Raad van Europa van 6 mei 1963 betreffende de vermindering van het aantal gevallen van meervoudige nationaliteit en inzake de militaire dienstplicht in geval van meervoudige nationaliteit. België zou dat verdrag moeten opzeggen. Het legt de onderdanen van de verdragsluitende Staten, waaronder België, het automatische verlies van nationaliteit op als zij vrijwillig de nationaliteit van één van de verdragsluitende staten verwerven.

België heeft overigens het Europees Verdrag betreffende de nationaliteit van 6 november 1997 nog steeds niet geratificeerd. Dit verdrag opent de mogelijkheid voor Staten om in hun intern recht te voorzien in hetzij het afstand doen van de oorspronkelijk nationaliteit, hetzij in het behoud ervan.

Als het voortgang wil maken op dit vlak en de dubbele nationaliteit wil invoeren, zou België het verdrag van 6 mei 1963 kunnen opzeggen zonder de ratificering af te wachten van het verdrag van 6 november 1997 en zou het een wetgevend initiatief kunnen nemen om het Wetboek van de Belgische nationaliteit aan te passen.

Ik stel vast dat de toestand helemaal niet evolueert en stel dus volgende vragen:

Al jaren vragen verenigingen van Belgen in het buitenland ons om voortgang te maken in dit dossier. Vele landen staan de dubbele nationaliteit toe en ik begrijp niet waarom er hinderpalen blijven staan. Ik hoop dat de regering de zaak tenminste principieel gunstig gezind is.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Zoals mevrouw Onkelinx al heeft aangegeven in haar antwoord op een vorige vraag van een parlementslid, moet men een globale beoordeling maken van de ratificatie van het verdrag van 1997 en van de eventuele opzegging van het verdrag van 1963. Men mag niet vergeten dat dit verdrag betrekking heeft op verschillende aspecten van de nationaliteit. Het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij verwerven van een vreemde nationaliteit is er daar maar één van.

Zoals mevrouw Nyssens weet, veronderstelt de ondertekening en de ratificatie van een internationaal verdrag betreffende welke materie dan ook, dat de weerslag ervan op en de gevolgen ervan voor de nationale wetgeving vooraf worden geëvalueerd. De diensten van mevrouw Onkelinx hebben zich uiteraard over die kwestie gebogen. Het blijkt dat de ratificatie van dat verdrag een aantal substantiële wijzigingen van ons Wetboek van nationaliteit vergt, los van de problematiek van het verlies van de Belgische nationaliteit bij de verwerving van een vreemde nationaliteit.

Het betreft eerst en vooral de verplichte motivering van de beslissingen tot naturalisatie. In de huidige Belgische wetgeving wordt de naturalisatie traditioneel beschouwd als een gunst verleend door een discretionaire en soevereine beslissing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De Kamer heeft wel een leidraad uitgewerkt: de algemene criteria die op 10 februari 2004 door de commissie voor de Naturalisaties werden uitgevaardigd. De beslissingen moeten echter niet schriftelijk worden gemotiveerd. Het ontbreken van de motiveringsplicht onderscheidt de naturalisatieprocedure duidelijk van de andere procedures waarmee de Belgische nationaliteit kan worden verworven. Dat wijzigen is een eerste grote wetgevende omwenteling. Het parlement moet dan zijn beslissing motiveren. Het nieuwe Wetboek en het Verdrag van 1997 leggen dat op. Zo gebeurt het al in vele landen en het Belgische systeem van parlementaire beslissing over de naturalisatie vormt hierop een uitzondering.

Voorts legt het Verdrag van 1997 de verplichting op om te voorzien in een beroepsprocedure. Om die verplichting na te komen, zouden we moeten voorzien in een gerechtelijke of administratieve beroepsprocedure die haaks zou staan op het principe van de soevereine beslissingsmacht van de Kamer van Volksvertegenwoordigers inzake de naturalisatie: een tweede grote wetgevende omwenteling.

Bovendien huldigt artikel 5 van het verdrag van 1997 het principe van de niet-discriminatie tussen personen die van bij hun geboorte onderdaan zijn van de Staat en zij die de nationaliteit later verwerven.

Artikel 23 van het Wetboek van nationaliteit maakt thans een onderscheid tussen 1º de Belgen die hun nationaliteit niet hebben gekregen van een Belgische ouder op de dag van hun geboorte, evenals de Belgen van de derde generatie (kinderen geboren uit een Belgische ouder die zelf in België is geboren) en 2º de andere Belgen. Er is inderdaad voorzien in een mechanisme van vervallenverklaring dat uitsluitend op de eerste categorie van toepassing is. Er moet dus ook worden nagegaan in welke mate dit systeem verenigbaar is met het niet-discriminatiebeginsel dat in het verdrag is opgenomen.

Om die reden heeft mevrouw Onkelinx gevraagd om de implicaties van de ratificatie van het verdrag van 1997 op onze wetgeving grondiger te evalueren en een objectieve analyse te maken van de gevolgen op intern vlak en meer bepaald voor ons Wetboek van nationaliteit.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het antwoord overtuigt me slechts gedeeltelijk. Ik vraag me af of wij het verdrag van 1963 niet gewoon kunnen opzeggen en het principe van de dubbele nationaliteit in onze wetgeving kunnen opnemen. Laten we daarna het nodige doen om het nieuwe verdrag van 1997 te ratificeren.

Ik zal hierop terugkomen in de commissie in aanwezigheid van de minister, maar laten wij tenminste toch het verdrag opzeggen dat ons belet voortgang te maken en laten we vervolgens het verdrag van 1997 ratificeren.

Ik heb het verdrag van 1997 en al uw pertinente juridische opmerkingen gelezen. In mijn ogen kan er bij sommige punten voorbehoud worden gemaakt, al was het maar bij wijze van overgangsmaatregel. Landen die de dubbele nationaliteit toestaan, bevinden zich in dezelfde juridische situatie als wij en ik betreur dus de traagheid waarmee de regering dit dossier behandelt.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de verkoop van 24 woningen te Brasschaat» (nr. 3-598)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

De heer Wouter Beke (CD&V). - In de wijk Maria-ter-Heide te Brasschaat wordt de verkoop van 24 woningen van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele actie (CDSCA) overwogen. In Elsenborn worden 54 woningen verkocht. Dat betekent dat 54 gezinnen in Elsenborn en 24 gezinnen in Brasschaat in een grote onzekerheid leven.

De minister heeft een aantal voorwaarden aan de verkoop van de woningen in Brasschaat verbonden. De huidige huurders moeten zo snel mogelijk worden ingelicht over de plannen tot verkoop. De nieuwe logementen, in aantal gelijk aan het aantal verkochte woningen, moeten worden gebouwd in de zone Brasschaat, waar CDSCA over een concessie beschikt. Deze woningen moeten afgewerkt zijn vooraleer de huurders hun huidige huurpand moeten verlaten. De huidige bewoners kunnen kiezen uit de volgende mogelijkheden: de woning waarin ze nu wonen aankopen, een nieuwe CDSCA-woning betrekken of een andere CDSCA-woning huren.

Naar verluidt zouden de nieuwe woningen, die een alternatief moeten bieden voor de bestaande 24 CDSCA- woningen die zouden worden verkocht, reeds over een kleine twee jaar klaar zijn. In een bericht dat een van de medewerkers van de minister op 5 mei 2004 heeft doorgezonden, stond echter: "La vente ne sera de toute façon pas conclue avant 3 voire 5 ans".

Het gevolg is dat er onder de bewoners veel onduidelijkheid bestaat. Om deze onduidelijkheid weg te werken, hebben de bewoners de minister reeds herhaaldelijk schriftelijk om een gesprek verzocht, maar ze hebben nog geen antwoord gekregen.

Kan de minister duidelijkheid verschaffen over de stand van zake met betrekking tot dit dossier? Blijft hij bij de voorwaarden die hij aanvankelijk hieromtrent heeft gesteld? Zullen er nieuwe woningen voor deze gezinnen worden gebouwd? Zal de huurprijs van de nieuwe woningen verschillen van de huurprijs die vandaag door deze gezinnen betaald wordt en, zo ja, hoe groot zal dit verschil zijn? Is de minister bereid tot een gesprek met de bewoners om de onzekerheid die leeft bij deze mensen, weg te nemen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Er werden inderdaad een aantal voorwaarden verbonden aan de verkoop van deze woningen. Aan de eerste voorwaarde, het verstrekken van inlichtingen, werd wel degelijk op diverse manieren voldaan.

Op 27 april 2004 werd een delegatie van de huurders door de burgemeester van de stad Brasschaat en door de administrateur-generaal van CDSCA ontvangen. Bij die gelegenheid werd een briefing gegeven over de bedoelingen van de gemeente en van CDSCA.

Opdat iedereen persoonlijk worden ingelicht, heeft de minister de administrateur-generaal van CDSCA uitdrukkelijk gevraagd een brief te sturen naar elke betrokken huurder. Die brief, met referte 01-AGA-045(bis)2004, werd op 22 juni 2004 verzonden.

CDSCA stelt zich in de huidige stand van het dossier afwachtend op, want de gemeente moet aan de hand van een bijzonder plan van aanleg van de zone uitsluitsel geven over de verdere bestemming van de betrokken terreinen. Voor meer informatie dienaangaande verwijst de minister naar de beraadslagingen van de gemeenteraad van Brasschaat.

De Centrale Dienst voor sociale en culture actie werd wel degelijk opgedragen een alternatief te vinden voor de 24 gezinnen. Een terrein van CDSCA werd reeds voorbestemd voor de bouw van deze woningen. De minister verbindt zich ertoe dat al deze personen opnieuw zullen worden gehuisvest indien zij dit wensen. De eigenaar moet uiteraard de wettelijke opzegtermijnen naleven.

De methode voor de berekening van de huurprijzen voor de nieuwe woningen zal dezelfde zijn als voor de bestaande woningen van hetzelfde type in de streek van Brasschaat. Het is voorbarig om al cijfers voorop te stellen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De laatste zinsnede van het antwoord van de minister baart enige ongerustheid. De minister van Landsverdediging weet dat de militaire woningen die de families betrekken, thans niet tegen de gangbare huurprijzen die bijvoorbeeld in Brasschaat gelden, ter beschikking worden gesteld. Als ik de minister goed begrijp, zal men een huurprijs vergelijkbaar met die in de omgeving vragen, wat voor deze mensen een grote financiële impact zal hebben.

Het ter beschikking stellen van woningen aan militairen wordt voor een stuk beschouwd als een tegemoetkoming voor loonderving of voor het lagere loon dat ze ontvangen. Wanneer ze wel de op de markt geldende huurprijzen moeten betalen zal dat heel wat sociale onrust of zelfs sociale drama's teweegbrengen. Ik hoop dat toch een regeling wordt getroffen, zodat aan deze gezinnen niet alleen inzake huisvesting, maar ook financieel de nodige toekomstperspectieven worden geboden.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het actieplan van de federale regering in het kader van de Wereldconferentie tegen racisme en onverdraagzaamheid» (nr. 3-599)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking antwoordt namens de heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Van 31 augustus tot 8 september 2001 heeft in het Zuid-Afrikaanse Durban de Wereldconferentie tegen racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid plaatsgevonden. België heeft de besluiten van deze wereldconferentie goedgekeurd en is op die manier ook het engagement aangegaan om een nationaal actieplan tegen racisme op te stellen. Bij mijn weten heeft de Belgische regering tot nog toe nog niet zo'n nationaal actieplan opgesteld.

Bij de eerste bespreking van het tussentijds rapport over de interculturele dialoog werd ook zo'n actieplan vooropgesteld en werd zelfs gezegd dat een interministeriële conferentie dit thema zou behandelen.

Is de regering voornemens alsnog zo'n actieplan op te stellen? Is de regering van plan om ook de deelstaten te betrekken bij de opmaak van zo'n actieplan en het federale en deelstatelijke beleid op elkaar af te stemmen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - België heeft de slotverklaring van de Top van Durban ondertekend en heeft zich ertoe verbonden een actieplan voor de strijd tegen het racisme uit te werken. In juli 2004 heeft de federale regering het Belgische actieplan tegen het racisme en het antisemitisme, dat bestaat uit 10 punten, goedgekeurd.

De minister van Gelijke Kansen, belast met de coördinatie van het plan, brengt in het Parlement geregeld verslag brengen uit over de voortgang van het plan en de uitvoering ervan.

De minister twee werkgroepen opgericht waarin ook vertegenwoordigers van de gemeenschappen zitten: een eerste werkgroep voor de strijd tegen het racisme in het voetbal, naar aanleiding van de incidenten van de jongste maanden, en een tweede werkgroep voor de ontwikkeling van pedagogische middelen in het geschiedenisonderwijs, het staatsburgerschap en het samenleven in een multiculturele samenleving.

Binnen deze laatste werkgroep hebben de ministers van Onderwijs van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap en de federale regering een akkoord bereikt over een proefproject voor de oprichting van gemeenschappelijke pedagogische modules voor de verschillende onderwijsnetten en -richtingen. Dit project zal draaien rond het bezoek aan het Deportatiemuseum in Mechelen voor leerlingen van het zesde jaar van het basisonderwijs en het bezoek aan het kamp van Auschwitz voor de studenten van het zesde jaar van het secundair onderwijs. Het Centrum voor de gelijkheid van kansen en voor de racismebestrijding is, hierbij geholpen door de expertise van de organisaties die actief zijn op het terrein, belast met de ontwikkeling van deze pedagogische middelen.

Ten slotte zal midden maart een interministeriële conferentie voor de gelijke kansen plaatshebben. Het federale strijdplan tegen het racisme zal er worden besproken en toegepast op een aantal maatregelen die onder de bevoegdheid van de deelgebieden vallen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - In juli 2004 werd inderdaad een federaal actieplan opgesteld. Dat is echter geen nationaal actieplan zoals bedoeld in de besluiten van de Wereldconferentie van Durban, die ook punten bevatten die betrekking hebben op de bevoegdheden van de deelgebieden. Ik verneem nu dat initiatieven werden genomen om de deelstaten bij dit actieplan te betrekken en op die manier tot een echt nationaal actieplan te komen. Ik verheug me daarover.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de aids/hiv-problematiek» (nr. 3-544)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Op 2 december 2004 stelde ik de minister een vraag om uitleg over de AIDS-problematiek. Uit het antwoord bleek dat de minister in zijn beleid de problematiek erkent, dat België langs verschillende kanalen inspanningen levert om die epidemie tegen te gaan en in een aantal Afrikaanse landen projecten daartoe heeft opgestart. Ook de bijkomende nota van de minister heb ik met veel belangstelling gelezen.

Toch heb ik nog een bijkomende vraag. Zit de minister met zijn beleid inzake de AIDS-epidemie op één lijn met de minister van Buitenlandse Zaken, die veeleer economische en diplomatieke belangen als maatstaf voor zijn beleid hanteert? Aids heeft immers een harde economische impact. Kan hij dit illustreren aan de hand van maatregelen en budgettaire initiatieven?

Malaria en tuberculose, andere silent killers, komen in de ontwikkelingslanden nog steeds frequent voor. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie sterven jaarlijks meer dan één miljoen mensen in Afrika aan malaria. In 2002 stierven wereldwijd twee miljoen mensen aan tuberculose, het grootste deel daarvan in Zuidoost-Azië en Afrika. Beide ziektes hebben bovendien een wederzijds versterkende interactie met AIDS, waardoor de kans om aan TBC of malaria te sterven, toeneemt.

Wat is de Belgische bijdrage aan het GFATM -Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria - voor 2004? Is dit een verhoging tegenover de vorige jaren? Wat is de vooropgestelde bijdrage voor 2005?

Welke zijn de specifieke acties en projecten in het Belgische ontwikkelingsbeleid met betrekking tot malaria en tuberculose?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - België probeert voor zijn vrijwillige bijdragen aan internationale instellingen zoveel mogelijk te werken met meerjarige budgetten. Hierdoor is de hulp beter gewaarborgd en kunnen de organisaties hun projecten en programma's beter plannen.

België heeft in 2004 een overeenkomst getekend waarin het beloofde voor de periode van 2004 tot 2007 20,2 miljoen euro voor het Global Fund vrij te maken. Het volledige bedrag werd in de begroting vastgelegd.

In de begroting 2005 werd voor 1 miljoen euro aan ordonnanceringskredieten voor het Global Fund ingeschreven. Het fonds beschikt momenteel over meer dan voldoende liquiditeiten om de goedgekeurde projecten te financieren. Volgend jaar wordt een bijkomende overlegronde over nieuwe projecten gepland, waarbij het fonds opnieuw verse kredieten nodig zal hebben. België zal in 2006 voor een hoger bedrag aan ordonnanceringskredieten vastleggen, maar wel binnen het totale bedrag van 20,2 miljoen euro.

Intussen blijkt dat het fonds in 2005 over minder inkomsten beschikt dan oorspronkelijk gepland was, omdat de bijdragen uit de privé-sector tegenvallen en omdat Italië zijn beloofde bijdrage voor 2004 niet uitbetaalde. Mijn diensten volgen de situatie op de voet en indien nodig zullen we bij de begrotingscontrole in maart bijkomende middelen vragen.

Welke acties en projecten in het Belgisch ontwikkelingsbeleid zijn specifiek gericht op malaria en tuberculose? In de verschillende onderdelen van onze samenwerking - direct bilateraal, NGO-financiering, wetenschappelijke instellingen en multilaterale organisaties - is er aandacht voor de problematiek van malaria en tuberculose. In het totaal gaat ongeveer 20% van de budgetten voor de gezondheidssector naar deze twee ziekten.

Op het vlak van de strijd tegen malaria doen we het volgende. De Belgische ontwikkelingssamenwerking steunt al geruime tijd de strijd tegen malaria, zowel door nationale programma's te steunen in de partnerlanden van de directe en indirecte bilaterale samenwerking, als door activiteiten te steunen om deze ziekte te bestrijden en er onderzoek naar te verrichten via internationale organisaties zoals het Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria, wetenschappelijke instellingen, onder meer natuurlijk het Instituut voor Tropische Geneeskunde van Antwerpen, en via het speciale onderzoeks- en vormingsprogramma van de Wereldbank, UNPD, UNICEF en de WGO.

De specifieke acties in het raam van de directe bilaterale hulp bestaan uit hulp aan de nationale programma's om malaria te bestrijden in Rwanda, Mali, Vietnam en Laos.

De specifieke acties van de NGO's zijn te situeren in Guinee en in de Democratische Republiek Congo. Het Instituut voor Tropische geneeskunde van Antwerpen steunt EANMAT, een regionaal programma in Oost-Afrika, NIMPE, een regionaal programma in Azië, meer bepaald Vietnam, Cambodja en Laos, en de strijd tegen de vector van de ziekte in een Burundese provincie. Bovendien steunt het Instituut het onderzoek naar malaria in verschillende wetenschappelijke instellingen in Latijns-Amerika en in Afrika.

In de verschillende vormen van steun aan gezondheidsdistricten wordt steeds een deel van het budget voor de strijd tegen malaria gebruikt.

Ik kom nu bij de strijd tegen tuberculose. Op het vlak van de gouvernementele samenwerking werden in het begin de specifieke nationale programma's van Burundi en Congo ondersteund, later de gezondheidszones en districten die instonden voor het verlenen van de basisgezondheidszorg in een vijftiental landen. Op het ogenblik worden de nationale programma's ondersteund in Zuid-Afrika en Burkina Faso, in combinatie met de strijd tegen aids, en in de Democratische Republiek Congo en Burundi.

Op het vlak van de niet-gouvernementele samenwerking was er steun voor de activiteiten van de NGO's zoals Solidarité et Coopération Médicale Tiers Monde in Burundi en Bolivia, Damiaanactie in Burundi, Rwanda, Congo, China en Bangladesh, FOPERDA in Congo, Service Laïque de Coopération au Développement in Congo en Burundi.

Het Instituut voor Tropische Geneeskunde van Antwerpen ondersteunt onderzoek naar TBC in Congo, Benin en via verschillende Tropische instituten in Zuid-Amerika.

Wat de multilaterale samenwerking betreft, steunt DGOS het Globale Programma Tuberculose van de WGO door het toekennen van een vrijwillige bijdrage en het ter beschikkingstellen van een expert.

Ik sluit af met een algemene bedenking. Het Belgische beleid beoogt steeds een maximale integratie van de verticale programma-activiteiten in de structuren van basisgezondheidszorg.

Gezien de hoge kost van de verticale programma's, moet steeds overwogen worden of en in welke mate de uitbouw van speciale verticale structuren die bemand worden door gespecialiseerd gezondheidspersoneel kunnen worden ondersteund. Er moet vooraf steeds een grondige, rationele, technische en economische analyse gebeuren. Deze verticale structuren mogen maar acties opzetten na overleg met de gezondheidsdistricten, zoniet vormen deze activiteiten een bedreiging voor het functioneren van de nationale gezondheidssystemen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor het gedetailleerde antwoord. Het eerste deel van mijn vraag werd niet beantwoord, maar ik zal ze onder de vorm van een schriftelijke vraag stellen.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 24 februari om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Anseeuw, om gezondheidsredenen, de heren Coveliers, Galand, Nimmegeers en Wille, wegens andere plichten, de heer Roelants du Vivier, met opdracht in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Marcel Cheron.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Marcel Cheron, Philippe Mahoux.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 7

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 8

Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 9

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 10

Aanwezig: 63
Voor: 61
Tegen: 2
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Tegen

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Stemming 11

Aanwezig: 62
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jacques Germeaux.

Stemming 12

Aanwezig: 63
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 13

Aanwezig: 62
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 14

Aanwezig: 63
Voor: 60
Tegen: 3
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Tegen

Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Clotilde Nyssens.

Stemming 15

Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Stemming 16

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot aanvulling van de wegverkeersreglementering met bepalingen betreffende het veiligheidsvestje (van de heer Flor Koninckx; Stuk 3-1012/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 betreffende de verschoonbaarheid en de bevrijding van de kosteloze borgen van een gefailleerde rechtspersoon (van de heer Luc Willems; Stuk 3-1013/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de regelgeving betreffende het gebruik van een automatische defibrillator bij reanimatie (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-1018/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek en tot bestrijding van racisme en xenofobie (van de heer Francis Delpérée c.s.; Stuk 3-1020/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop de Raad van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen en tot bestrijding van racisme en xenofobie (van de heer Francis Delpérée c.s.; Stuk 3-1023/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement en tot bestrijding van racisme en xenofobie (van de heer Francis Delpérée c.s.; Stuk 3-1024/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 131 en 133 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 (van de heren Berni Collas en Alain Destexhe; Stuk 3-1026/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Federale Adviesraad voor Senioren (van mevrouw Christel Geerts; Stuk 3-1027/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot instelling van het vrijwillig bijzitterschap in de stembureaus (van de heren Stefaan Noreilde en Paul Wille; Stuk 3-1033/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstellen van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en tot bestrijding van racisme en xenofobie (van de heer Francis Delpérée c.s.; Stuk 3-1021/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en tot bestrijding van racisme en xenofobie (van de heer Francis Delpérée c.s.; Stuk 3-1022/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende tien jaar Euromediterraan partnerschap: balans en vooruitzichten (van mevrouw Jihane Annane; Stuk 3-1031/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de Conferentie over het non-proliferatieverdrag 2005 (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 3-1032/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende een verregaande schuldkwijtschelding voor de door de zeebeving getroffen landen in Zuidoost-Azië (van mevrouw Fauzaya Talhaoui c.s.; Stuk 3-1034/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel tot herziening van het Reglement

Voorstel tot wijziging van artikel 23 van het Reglement van de Senaat (van de heer Lionel Vandenberghe; Stuk 3-1025/1).

-Verzonden naar het Bureau.

Intrekking van wetsvoorstellen

Mevrouw Pehlivan deelt mee dat zij haar wetsvoorstel ter bevordering van de evenredige arbeidsparticipatie (3-88/1), wenst in te trekken.

De heren Willems en Germeaux delen mee dat zij hun wetsvoorstel tot opheffing van de wet van 18 juli 1985 betreffende de bekendmaking van de opiniepeilingen en de toekenning van de titel "Opiniepeilingsinstituut" (3-970/1) wensen in te trekken.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werd de volgende wijziging in de samenstelling van de volgende commissie aangebracht:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Bij de Senaat zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 3 februari 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 45bis, §2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, van de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-1014/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende uitvoering van het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica, het Aanhangsel en de Bijlagen I, II, III en IV, ondertekend te Madrid, op 4 oktober 1991, en Bijlage V, aangenomen te Bonn op 7 tot 18 oktober 1991 (Stuk 3-1015/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 4 februari 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 28 februari 2005.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van hoofdstuk V "Bijzondere bepalingen betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (Stuk 3-1016/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 4 februari 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 21 februari 2005.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 3-991/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 4 februari 2005; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 28 februari 2005.

Kennisgeving

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst met het oog op de bescherming van de kandidaten en de leden van de paritaire overlegorganen (van de heer Luc Willems c.s.; Stuk 3-435/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 3 februari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen, en met de Bijlagen A, B, C, D, E en F, gedaan te Stockholm op 22 mei 2001 (Stuk 3-1019/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

gesteld door de Raad van State (rolnummer 3363);

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parket van het Hof van Cassatie

Bij brief van 10 februari 2005 heeft de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, overeenkomstig artikel 346, §2, 2º, van het Gerechtelijk wetboek aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van het parket van het Hof van Cassatie voor 2004

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 8 februari 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Dendermonde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 januari 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Amortisatiekas

Bij brief van 3 februari 2005 heeft de eerste voorzitter van het Rekenhof, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 2 augustus 1955 houdende opheffing van het Fonds tot delging der staatsschuld, aan de Senaat overgezonden, de beheersrekening van de Amortisatiekas over het jaar 2003.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.