3-208

3-208

Belgische Senaat

3-208

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 15 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Inoverwegingneming van voorstellen

Indiening van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting» (nr. 3-2187)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de invoering van een fiscale incentive ter bevordering van het bedrijfsmecenaat» (nr. 3-2188)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «het toepassingsgebied van de regeling voor klokkenluiders» (nr. 3-2184)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «koppelverkoop in de telecommunicatiesector» (nr. 3-2185)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verlenen van tijdelijke bescherming aan de slachtoffers van de burgeroorlog in Irak» (nr. 3-2192)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara» (nr. 3-2189)

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel» (nr. 3-2190)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken» (nr. 3-2195)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding» (nr. 3-2196)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het garantiefonds» (nr. 3-2170)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het holebibeleid» (nr. 3-2186)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «de hervorming van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G» (nr. 3-2191).

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om15.15 uur.)

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 8 maart 2007 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mee dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare zitting van 6 februari 2007, overeenkomstig artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van lijsten van kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot twee ambten van Franstalig assessor die bij de afdeling wetgeving vacant zijn geworden.

Overeenkomstig artikel 70, §1, tweede tot twaalfde lid van de voornoemde gecoördineerde wetten, komt het aan de Senaat toe om over te gaan tot de voordracht van kandidaten voor het tweede vacante ambt van assessor.

De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:

De Raad van State heeft de heer Georges de Leval bij eenparigheid van stemmen voorgedragen voor het eerste ambt van assessor.

Werden door de Raad van State voorgedragen voor het tweede vacante ambt, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

Aangezien de voordracht niet unaniem is, zijn artikel 70, §1, zevende lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van toepassing: `Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een eerste of bij een nieuwe voordracht naar aanleiding van een weigering, kunnen de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht:

Het Bureau stelt voor dit punt naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te verzenden teneinde de kandidaten te horen, overeenkomstig artikel 70, §1, achtste lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. (Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Indiening van voorstellen

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op de lijst van de inoverwegingnemingen staat een voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet. Vorige week hadden wij één voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet ingediend waarin alle artikelen, weliswaar afzonderlijk, waren opgenomen.

De heer Delpérée heeft er toen op gewezen - volgens ons ten onrechte - dat die werkwijze niet kon en hij werd door de Senaat bijgevallen. Daarom dienen wij nu een aantal voorstellen van verklaring tot herziening in, ofwel van afzonderlijke, ofwel van samengevoegde artikelen van de Grondwet. Zo krijgt de heer Delpérée genoegdoening en kan hij constateren dat de door ons gevolgde werkwijze grondwettelijk is en conform met zijn visie. Eens onze voorstellen gedrukt zullen zijn en opgenomen in de lijst van in overweging te nemen voorstellen, zal niemand er dus nog bezwaar tegen kunnen maken.

De voorzitter. - Dat is uw goed recht, mijnheer Van Hauthem.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het erfgoed van de Nationale Plantentuin van België» (nr. 3-1448)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - De Nationale Plantentuin van België is één van de grootste botanische tuinen ter wereld en geniet sinds lang een uitstekende reputatie, zowel op wetenschappelijk als op tuinbouwgebied.

De Plantentuin ligt op een oud koninklijk domein. De serres en de collecties in open lucht tellen samen bijna 24.000 levende planten, wat ongeveer 6% van alle bekende plantensoorten in de wereld vertegenwoordigt. Die onvoorstelbare verzameling wordt gebruikt voor onderzoek, voor pedagogische activiteiten en voor de instandhouding van de Plantentuin.

Ten gevolge van de Lambermontakkoorden van 2001 moet de Plantentuin, die op Vlaams grondgebied ligt, aan de Vlaamse Gemeenschap worden overgedragen. De hervorming bepaalt evenwel dat de gemeenschappen met het oog op de overdracht een samenwerkingsakkoord sluiten.

Het gedeelte van de verzameling van de Plantentuin dat verworven is vóór de overdracht, blijft eigendom van de Staat aangezien de Plantentuin gedurende meer dan een eeuw heeft kunnen bestaan dankzij het belastinggeld van de drie gewesten.

Kan de minister precies bepalen welk gedeelte van de verzameling het eigendom is van de Staat en wat voortaan aan de Vlaamse gemeenschap toebehoort? Kan hij ook de verhouding tussen beide in percent geven?

Kan hij ook zeggen of de onderzoekers en het Belgische en internationale publiek in de Plantentuin nog in een andere taal dan het Nederlands terecht zullen kunnen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Aangezien er nog geen samenwerkingsakkoord is gesloten, heeft de overdracht naar de Vlaamse Gemeenschap nog niet plaatsgevonden. Geen enkele wetenschappelijke collectie behoort bijgevolg tot de Vlaamse Gemeenschap.

Bij de overdracht van de Plantentuin zal de volledige verzameling federaal eigendom blijven. Pas naargelang er nieuwe aanwinsten komen, zal een deel van de verzameling het eigendom worden van de Vlaamse Gemeenschap, voor zover de huidige tekst van het ontwerp van samenwerkingsakkoord wordt goedgekeurd.

Op dit ogenblik is de Plantentuin dus voor 100% federaal eigendom. Dat zal pas in de loop van de tijd veranderen, gezien de grote verzameling die aan de Staat toebehoort.

Plantentuinen hebben de traditie alle onderzoekers uit heel de wereld toegang te verschaffen tot de wetenschappelijke collecties.

Ze kunnen ter plaatse onderzoek verrichten, maar er worden jaarlijks ook tienduizenden soorten naar het buitenland verzonden. De wetenschappelijke informatie over de verzamelingen kan bovendien via het internet worden geraadpleegd.

De Plantentuin is overigens toegankelijk voor het Belgische en internationale publiek.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het consumentenkrediet» (nr. 3-1451)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Een jaar geleden hebben we het probleem van de nulstelling verschillende keren besproken. Dat mechanisme bestaat erin dat van de kredietnemer wordt geëist dat hij zijn geldreserve volledig aanvult alvorens een nieuw krediet op te nemen. Dat mechanisme lijkt me een voortreffelijk instrument voor de bescherming van de consumenten tegen overmatige schuldenlast.

Sinds 1 februari bedraagt de nulstellingstermijn overeenkomstig een koninklijk besluit maximaal 60 maanden voor de kredietovereenkomsten van onbepaalde duur of met een looptijd van meer dan vijf jaar, die niet in de periodieke terugbetaling van kapitaal voorzien. Die bepaling kan gemakkelijk worden omzeild door in een periodieke, zelfs zeer geringe terugbetaling van kapitaal te voorzien. Ik blijf dus van mening dat de termijn voor de nulstelling ook het totale terug te betalen bedrag moet omvatten.

De minister antwoordde op mijn vorige vraag over dit onderwerp dat hij de evaluatie van de wet van 1 januari 2004 en de publicatie van een voorstel van richtlijn inzake consumentenkrediet door de Europese Commissie afwachtte om een beslissing te nemen. Aangezien het koninklijk besluit gepubliceerd is, ga ik ervan uit dat de evaluatie van de wet en van het voorstel van richtlijn voltooid is.

Kan de minister mededelen op welke elementen hij zijn beslissing heeft gebaseerd?

De minister had beloofd een koninklijk besluit te publiceren met het oog op een daling van de maximale jaarlijkse kostenpercentages, die nu kunnen oplopen tot 16 of zelfs 19%. Kan hij de stand van zaken met betrekking tot die tekst meedelen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Artikel 9, §1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet somt de gevallen op waarin een minimale terugbetaling van kapitaal in de kredietovereenkomst is bepaald. Die bepaling voorziet in een nulstelling per kredietopneming: de kredietverlener moet van de consument een regelmatige en minimale terugbetaling eisen aan de hand van een afbetalingstabel die overeenstemt met die van de verkoop en lening op afbetaling.

Het systeem van de absolute nulstelling werd ingevoerd om een juridische leemte aan te vullen voor kredietopeningen waarbij geen minimale terugbetaling van kapitaal was vereist.

Nu wordt het omgekeerde gevraagd: §1 nog versterken met een absolute termijn voor de nulstelling. Het systeem uit §1 komt al neer op een impliciete nulstelling als de consument geen nieuw krediet opneemt. De wet wordt dus niet omzeild.

In mijn antwoord op de mondelinge vraag van 8 december 2005 heb ik reeds gezegd dat de kredietopening, en zeker de voorschotten op rekening-courant en het revolving credit, soepele producten zijn. Door strikte terugbetalingsmaatregelen op te leggen, wordt die soepelheid verminderd. In ieder geval moet het evenwicht worden bewaard tussen de gewenste bescherming en de voorgestelde maatregel. Een absolute nulstelling opleggen voor revolving credit is niet verdedigbaar omdat buitenlandse kredietinstellingen in hun land niet zulke uitgebreide maatregelen voor de bescherming van de consument kennen.

In mijn antwoord op de parlementaire vraag van 19 januari 2006 had ik inderdaad aangekondigd dat de praktische gevolgen van de nieuwe bepaling die de termijn voor de nulstelling verplicht, zouden worden geëvalueerd in het kader van de strijd tegen de overmatige schuldenlast. Het voorstel van richtlijn inzake consumentenkrediet is evenwel al verschillende keren gewijzigd en het debat gaat voort. De Europese Commissie lijkt niet bereid een bepaling over de nulstelling of de maximumtarieven te aanvaarden.

Bovendien is het nieuw koninklijk besluit betreffende de nulstelling pas op 1 februari 2007 in werking getreden. De evaluatie is nodig, maar moet niet worden overhaast.

De nieuwe jaarlijkse totale maximale kostenpercentages zijn bepaald in het koninklijk besluit van 19 oktober 2006 en zijn van toepassing sedert 1 februari 2007.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik kan de stelling van de minister dat de versterking van §1 een impliciete nulstelling mogelijk maakt en dat het principe van revolving credit een flexibele maatregel is, moeilijk onderschrijven.

We beseffen goed dat de instrumenten om de overmatige schuldenlast te bestrijden voorhanden zijn, maar het probleem is dat we de consument tegen zichzelf moeten beschermen. Voor sommigen is de verleiding dan ook groot om die flexibele of impliciete instrumenten te gebruiken op het gevaar af dat de schuldenlast zo hoog oploopt dat er een bankroet moet worden uitgesproken.

Een bankroetverklaring is erg. Met onze voorstellen, ook al gaat Europa er niet mee akkoord, kunnen we de minst gegoeden en de zwaksten beschermen en werken we in ieder geval niet verder in de richting die de banken wensen. Zij zijn vooral geïnteresseerd in de toegepaste tarieven.

Het is trouwens niet verwonderlijk dat Europa niet akkoord gaat met onze voorstellen want van een sociaal Europa is op dit ogenblik niet echt sprake.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik stel voor dat mevrouw Zrihen me de individuele gevallen waarvan ze op de hoogte is, meedeelt. Ik heb vroeger al gevraagd individuele dossiers te laten onderzoeken omdat ik weet dat er in sommige dossiers ernstige problemen rijzen.

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de gevolgen van de welvaartsaanpassingen» (nr. 3-1453)

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Mensen die alleen wonen of een vervangingsinkomen genieten, hoeven geen belastingen te betalen wanneer dat inkomen onder een bepaalde grens ligt. Die ligt momenteel op ongeveer 12.450 euro. Wanneer die grens wordt overschreden, al is het maar met een halve euro, bestaat het risico dat die mensen enkele honderden euro belastingen moeten betalen.

Door de welvaartsaanpassingen zal een groot aantal mensen die grens overschrijden en effectief belastingen moeten betalen. Het bedrag van die belastingen kan hoger liggen dan de welvaartsaanpassing die zij krijgen. Uit de berekeningen die werden gemaakt, bleek dat dit het geval zou kunnen zijn voor 5% van de gepensioneerden, dus ongeveer 75.000 personen. De welvaartsaanpassingen zijn nochtans een belangrijke sociale maatregel. Het zou jammer zijn dat ze fiscaal worden afgeroomd en dat de mensen er netto minder aan overhouden.

In antwoord op recente parlementaire vragen hieromtrent werd verzekerd dat een oplossing zou worden uitgewerkt. Hoever staat het met dit dossier en is er al een oplossing in het vooruitzicht?

De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. - De vraag van mevrouw Geerts is zeer terecht en betreft een probleem waarmee we bij iedere verbetering van de sociale aanpassingen worden geconfronteerd. Daarom had ik voorgesteld de welvaartsaanpassingen toe te kennen in de vorm van een forfaitaire bonus die niet bij het bedrag van het pensioen zou worden gevoegd. Daardoor zouden die bonussen niet worden belast en zou er ook geen rekening mee worden gehouden voor het toekennen van voordelen aan personen die onder WIGW- en OCMW-statuten vallen. Op aandringen van de sociale partners hebben wij beslist die welvaartsaanpassing toch te integreren in het pensioenbedrag, wat een aantal gevolgen met zich kan meebrengen.

Het wetsontwerp houdende uitvoering van het interprofessionele akkoord voor de periode 2007-2008, dat op 1 maart door de Ministerraad werd goedgekeurd, bevat een begin van oplossing. Zolang het inkomen de huidige grensbedragen niet overschrijdt, blijft uiteraard de huidige vrijstelling geldig. Zodra het inkomen die grens wel overschrijdt, wordt een afbouwregel toegepast. Die regel zorgt ervoor dat bij een lichte overschrijding van de grens, de belasting niet meer kan bedragen dan het inkomen dat die grens overschrijdt. Gepensioneerden blijven daardoor minstens op hetzelfde inkomensniveau. Ze kunnen dus nooit netto minder krijgen door die aanpassing. De belastingdruk is dus al lager dan in de huidige regeling. Die regel wordt toegepast vanaf 1 januari 2007 en geldt dus ook voor de aanpassing die vanaf 1 april wordt toegekend.

Voor de WIGW- en andere statuten zal worden nagegaan of de grensbedragen mee kunnen evolueren met de welvaartsaanpassingen. Dat is een complexer probleem aangezien de aanpassing verrekend is in het pensioenbedrag. We hebben dus nog niet voor iedereen een definitieve oplossing gevonden.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoord. Het is positief dat de minister de nodige aanpassingen zal uitvoeren om te voorkomen dat gepensioneerden door een welvaartsaanpassing netto uiteindelijk minder krijgen . Ik neem er akte van dat de minister zei dat hij deze zaak zal blijven volgen om ongewenste neveneffecten te voorkomen en ervoor te zorgen dat de mensen met de laagste pensioenen meer zullen krijgen.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Cheffert aan de minister van Werk over «arbeidsongevallen in de bouwsector» (nr. 3-1459)

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Hoewel het aantal arbeidsongevallen al gedurende twintig jaar daalt, blijft het hoog, vooral in de bouwsector, waar zich jaarlijks meer dan 25.000 arbeidsongevallen voordoen. Kan de minister dat cijfer bevestigen? Wat is het aandeel van de arbeidsongevallen in de bouwsector in het totale aantal arbeidsongevallen?

In 2001 heeft België een Europese richtlijn omgezet met het oog op de vermindering van het risico op de bouwplaatsen.

Aangezien het risico toeneemt naarmate er meer bedrijven op eenzelfde bouwplaats aanwezig zijn, bepaalt onze reglementering op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen dat een veiligheidscoördinator moet worden aangesteld die erop moet toezien dat de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder gevaar voor de verschillende betrokken partijen.

Er gelden zware sancties indien geen coördinator wordt aangesteld.

Kunnen we het effect van deze wetgeving op het aantal arbeidsongevallen in de bouwsector vandaag evalueren? Die wetgeving lijkt immers moeilijk toe te passen op het terrein. Er gaan stemmen op, in het bijzonder bij BIB.Co, het Belgisch Instituut voor veiligheids- en gezondheidscoördinatoren, om een betere toepassing van die wetgeving te eisen.

Hoe denkt de minister het aantal arbeidsongevallen in de bouwsector te verminderen?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - In de bouwsector is het risico op arbeidsongevallen inderdaad groot. Het percentage arbeidsongevallen dat is toe te schrijven aan bouwactiviteiten ligt rond de 13,3%. In absolute cijfers waren er 22.800 ongevallen in 2003, 22.100 in 2004 en 21.150 in 2005. Voor 2006 is het cijfer nog niet bekend, maar wegens de groei in de bouwsector wordt een stijging verwacht. Voor de jaren 2003 tot 2005 zien we een aanzienlijke daling van de frequentiegraad, namelijk van 54 naar 51. De ernstgraad is ook gedaald.

Het is onmogelijk te berekenen in welke mate de veiligheidscoördinatoren een invloed hebben gehad op de cijfers. Uiteraard dragen goede praktijken inzake coördinatie bij tot de vermindering van het risico op arbeidsongevallen.

Om het aantal ongevallen zowel in de bouwsector als in andere sectoren te verminderen heeft de regering het FARAO-plan uitgewerkt en uitgevoerd. Ik vermeld twee maatregelen:

Die twee maatregelen samen zullen de `cowboybedrijven' zwaar treffen.

Die maatregelen zullen van toepassing zijn vanaf 2009, maar zouden onmiddellijk resultaat moeten opleveren aangezien de factuur voor de eventuele overmatige ongevallen van vandaag vanaf 2009 zal worden voorgeschoteld, en die factuur zal zwaar zijn.

We willen de bedrijven die de veiligheid respecteren bevoordelen.

Mondelinge vraag van de heer Pierre Chevalier aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het rookverbod in restaurants» (nr. 3-1449)

De heer Pierre Chevalier (VLD). - Sinds 1 januari jongstleden geldt een rookverbod in restaurants en in bepaalde drankgelegenheden.

Volgens sommige inspecteurs van Volksgezondheid zou dit rookverbod ook van kracht zijn op de terrassen buiten en de binnenterrassen van restaurants.

Is die interpretatie correct? Als ik de tekst van het koninklijk besluit lees, is me dat niet helemaal duidelijk.

Of mag er toch nog gerookt worden indien de eetgelegenheden zich buiten de besloten ruimte van het restaurant bevinden? Mocht het gezond verstand een inspiratiebron zijn voor de wetgeving, dan denk ik dat het antwoord positief kan zijn.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De vraag betreft de toepassing van het koninklijk besluit van 13 december 2005 dat het roken verbiedt op openbare plaatsen. Artikel 2 van dat besluit bepaalt dat het verboden is te roken in `gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn'.

De definitie van een gesloten plaats staat in artikel 1, namelijk `een plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond'.

Het rookverbod is dus niet van toepassing op een buitenterras, waar die ook gelegen is, langs de openbare weg of op een privéterrein.

Als een terras evenwel is afgesloten met wanden en een plafond, is er een totaal rookverbod. Terrassen die afgesloten zijn met plastic zeilen worden als gesloten plaatsen beschouwd, waar het totaal rookverbod van toepassing is. Hetzelfde geldt voor een veranda, zelfs als daar een raam of deur open staat in de zomer.

De heer Pierre Chevalier (VLD). - Ik dank de minister voor dit heel duidelijke antwoord, te meer omdat de inspectie niet altijd een eenduidige houding aanneemt. Ik ben blij dat de minister zich laat inspireren door het gezond verstand.

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie, aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de registratie van de wilsverklaring inzake euthanasie en de wijze van mededeling ervan aan de betrokken artsen» (nr. 3-1455)

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). - Het is al de tweede of de derde keer dat ik een vraag stel over de euthanasiewet. Zolang die wet niet volledig van toepassing is, blijft het onderwerp actueel.

Op 22 juni 2002 verscheen de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie in het Belgisch Staatsblad. Op 13 mei 2003 werd het koninklijk besluit tot vaststelling van de wijze waarop de wilsverklaring inzake euthanasie wordt opgesteld, herbevestigd, herzien of ingetrokken, gepubliceerd. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van de registratie van de wilsverklaring bij de gemeentebesturen of de bekendmaking van het bestaan ervan via het rijksregister aan de betrokken artsen.

De ministerraad keurde op 2 februari 2007 een ontwerp van koninklijk besluit goed over de registratie van de wilsverklaring over euthanasie en de communicatie ervan aan de arts via de diensten van het Rijksregister. Dat was een grote stap vooruit. Alleen merk ik dat de gemeentebesturen slecht of helemaal niet zijn geïnformeerd, dat burgers niet overal terechtkunnen voor hun wilsverklaring en dat zij zich niet kunnen laten registreren op een moderne manier, zoals de wet bepaalt.

Kan de minister mij meedelen wanneer concreet werk wordt gemaakt van de registratie via het rijksregister van de wilsverklaringen bij de gemeentebesturen?

Kan de minister mij eveneens meedelen of diezelfde gemeentebesturen ertoe kunnen worden aangezet of verplicht de bevolking in te lichten? Mensen moeten zeer gemotiveerd zijn en de wetgeving heel goed kennen, om een wilsverklaring te kunnen invullen. Dat was niet de bedoeling. Het was de bedoeling de wilsverklaring voor iedereen toegankelijk te maken.

Wanneer traden deze maatregelen precies in werking? Het is belangrijk dat wij de bevolking kunnen meedelen dat de wetgeving af is en dat de registratie van de wilsverklaring nu mogelijk is.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het ontwerp van koninklijk besluit waarvan sprake bevindt zich momenteel bij de Raad van State. Ik verwacht hierover zeer binnenkort een advies.

Na een eventuele aanpassing van het besluit en de machtiging van de privacycommissie, beschikken we over een definitief wettelijk kader voor de registratie. Op dat ogenblik zullen mijn diensten beginnen met de uitwerking van het registratiesysteem. Zij zullen nauw samenwerken met de diensten van het rijksregister en eventueel ook de gemeenten. Bij de totstandkoming van het ontwerp werd overigens met de diensten van het rijksregister overlegd.

Tot nu toe speelden de gemeentebesturen geen rol voor wat betreft de wilsverklaring. Dat zal veranderen als het registratiesysteem, zoals voorzien in het ontwerp, wordt ingevoerd. Het is de bedoeling om de gemeentebesturen over het registratiesysteem te informeren. Aan de gemeentebesturen zal dan ook worden gevraagd hun inwoners in te lichten.

Het facultatieve registratiesysteem impliceert dat om rechtsgeldig te zijn, een wilsverklaring niet verplicht moet worden geregistreerd. Wilsverklaringen die in toepassing van het koninklijk besluit van 13 mei 2003 werden opgesteld, blijven van kracht. De betrokken persoon kan er uiteraard voor opteren zijn wilverklaring volgens de nieuwe procedure te laten registreren.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). - Het is jammer dat de minister geen datum heeft meegedeeld. De Raad van State kan zich snel uitspreken, maar ik vrees dat de privacycommissie de kwestie heel lang zal bestuderen.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gevaren van gsm-straling voor jongeren» (nr. 3-1456)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Vele ouders maken zich zorgen over de gezondheid van hun kinderen nadat een aantal kinderartsen in de pers heeft opgeroepen om het gsm-gebruik voor jongeren onder de 16 jaar te verbieden.

Hoewel eenduidige causale verbanden tussen gsm-gebruik en de schadelijkheid voor de hersenen uitblijven, wijzen steeds meer studies op een beïnvloeding van de normale hersenactiviteit. Naarmate studies een langere termijn bestrijken, wijzen ze steeds meer in de richting van een negatieve beïnvloeding. Omdat de hersenen van kinderen nog in volle ontwikkeling zijn, loopt die groep dan ook een groter risico op mogelijke beschadiging.

Net om die onzekerheid weg te nemen vragen internationale organisaties om meer onderzoek. België heeft de middelen die voor dat onderzoek werden gevraagd, nog niet ter beschikking gesteld. Op basis van het voorzichtigheidsprincipe pleiten de kinderartsen dan ook voor een verbod op gsm-gebruik voor jongeren onder 16 jaar.

Is de minister op de hoogte van deze oproep en wat is zijn reactie?

Beschikt hij over studies die deze bekommernis weerleggen of integendeel bevestigen?

Zo niet, zal hij de Hoge Gezondheidsraad om advies vragen en het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg een studie laten maken teneinde over dat probleem duidelijkheid te krijgen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ook ik heb in de pers kennis vernomen dat al meer dan dertig Vlaamse kinderartsen een petitie van de actiegroep `Beperk de straling' heeft ondertekend waarin wordt gevraagd het gebruik van gsm-toestellen door jongeren onder 16 jaar te verbieden.

Mijn administratie volgt de wetenschappelijke literatuur op de voet. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Europese Commissie hebben onlangs gesteld dat de absorptie van radiogolven tijdens een gsm-gesprek bij kinderen en volwassenen kan verschillen. Kinderen zouden kwetsbaarder kunnen zijn. Bovendien zal de cumulatieve blootstelling van de huidige generatie jongeren groter zijn omdat ze reeds op jonge leeftijd zijn beginnen gsm'en.

De epidemiologische studies over het gsm-gebruik die geen verband konden aantonen met hersentumoren, hebben daarom beperkte bewijskracht als het over kinderen gaat. Voorzichtigheid is dan ook geboden. Daarom beveelt de Wereldgezondheidsorganisatie aan gsm-gebruik bij kinderen niet aan te moedigen.

De gezondheidsaspecten van hoogfrequente technologieën stonden in 2006 al op de agenda van de Hoge Gezondheidsraad. Tot nog toe werden hierover echter geen aanbevelingen gedaan. In 2002 gaf de Hoge Gezondheidsraad uit voorzorg de aanbeveling mee dat de hele bevolking en in het bijzonder kinderen en zwangere vrouwen beter niet langer dan enkele minuten aan één stuk de gsm gebruiken. Als alternatief werden kits voor handenvrij bellen voorgesteld.

Ik ben het ermee eens dat voorzichtigheid geboden is. De federale overheid heeft in de jongste uitgave van Belgopocket dan ook enkele elementen opgenomen die oproepen tot een voorzichtig gebruik van gsm's door kinderen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik meen begrepen te hebben dat de minister niet ingaat op de vraag van de kinderartsen om het gsm-gebruik te verbieden voor kinderen onder 16 jaar. Hij zegt wel dat voorzichtigheid geboden is en dat hij die voorzichtigheid wil stimuleren. De vraag is nu welke preventieve acties er moeten komen. Dat behoort volgens ons tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik wil inderdaad preventieve maatregelen. Communiceren en informeren zijn dan ook belangrijk. De resultaten van een nieuwe, wereldwijde studie in opdracht van de WGO zullen tegen eind dit jaar of begin volgend jaar beschikbaar zijn. Misschien krijgen we dan een beter zicht op de effecten van gsm-gebruik door welbepaalde doelgroepen, zoals kinderen.

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de verklaringen van de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid betreffende de Raad van State» (nr. 3-1454)

De heer Luc Willems (VLD). - In de nationale media heeft de heer Frank Van Massenhove, de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid, keihard uitgehaald naar de Raad van State. Hij bestempelde dit rechtscollege als `staatsgevaarlijk' en als een `beul'.

De aanleiding daartoe blijkt de vernietiging te zijn van de benoeming van de heer Georges Monard tot hoofd van de FOD Personeel en Organisatie. Persoonlijk begrijp ik ten volle dat het voor de betrokken ambtenaar hard aankomt wanneer zijn benoeming wordt vernietigd zonder dat hij zelf enige fout heeft gemaakt.

De Raad van State moet echter de wet naleven en controleren of de wet door de publieke overheden wordt nageleefd. Belanghebbenden verzoeken de Raad van State een bepaalde beslissing, in casu de aanstelling van een ambtenaar, te vernietigen omdat zij zich in hun belangen geschaad voelen. De Raad van State treedt dus niet ambtshalve op.

De heer Van Massenhove meent dat de Raad van State het principe van `proportionaliteit' moet hanteren bij haar arresten inzake de vernietiging van administratieve beslissingen. Volgens de wet kan dit echter niet en is alleen bij een schorsingsprocedure een belangenafweging mogelijk.

Deelt de minister de analyse van de heer Van Massenhove inzake de rechtspraak van de Raad van State? Is zijn kritiek terecht?

Meent de minister eveneens dat de Raad van State een staatsgevaarlijke organisatie is en als een beul te werk gaat?

Heeft de minister met de betrokken ambtenaar over deze uitspraken gesproken en zijn maatregelen nodig?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Om te beginnen wens ik zeer duidelijk te stellen dat ik als minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid een absoluut vertrouwen in de Raad van State heb. Het is uiterst gevaarlijk om de legitimiteit van de hoogste gerechtelijke instantie van het land in twijfel te trekken.

Ik werd nooit betrokken bij, noch ingelicht over het initiatief van de heer Frank Van Massenhove. Hij heeft zich in geen geval uitgesproken in naam van de FOD Sociale Zekerheid.

Ik betreur natuurlijk zijn flater om de Raad van State met een terroristische organisatie te vergelijken.

Ik zal hem binnenkort bij mij ontbieden en hem een verklaring en motivering voor deze uitingen vragen.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoord. De legitimiteit van een aantal instellingen moet vooropstaan. Als de werking moet worden gewijzigd, dan moet dat door een wetswijziging in het parlement gebeuren. Deze instellingen moeten zich houden aan de wetten.

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de eventuele vervanging van de Chef Defensie» (nr. 3-1457)

De heer Wouter Beke (CD&V). - De afgelopen dagen werd niet alleen in de pers, maar ook bij de militaire vakbonden en in militaire kringen druk gespeculeerd over de eventuele versnelde vervanging van de stafchef, generaal Van Daele.

Dat verbaast ons, want het parlement heeft ten behoeve van de continuïteit in het verkiezingsjaar 2007 en van de geplande loopbaanhervormingen het mandaat van de stafchef net voor één jaar verlengd.

Groot was ook onze verbazing toen we vernamen dat men naar een opvolger voor generaal Van Daele zocht. Het zou morgen zelfs op de agenda van de Ministerraad staan.

Overweegt de regering de stafchef op korte termijn te vervangen?

Klopt het dat een vervanger wordt gezocht om de afbouw van het aantal manschappen te versnellen? Bij de bespreking van het gemengde loopbaanconcept antwoordde de minister bevestigend op de vraag of 27.000 plus 10.000 manschappen het streefcijfer van de hervorming is. Is het juist dat er in regeringskringen een scenario de ronde doet om tot een versnelde afbouw met 13.000 eenheden te komen? Volgens militaire vakbonden wordt dit scenario ernstig genomen. Er bestaat daarover dan ook ongerustheid.

Is er een vacature, zo ja waarom? Bestaat er een opvolgingsscenario? Past dit in het kader van de versnelde afbouw van het personeelsbestand van defensie?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De informatie van de heer Beke betreft zuivere speculatie van diverse kranten uit het noorden van het land en van vakbonden.

Wat is er echt gebeurd? De Chief of Defence, generaal Van Daele, heeft een verlenging van zijn mandaat met een jaar gekregen. Over zijn opvolging beslist de regering, maar die kwestie staat nog niet op de agenda van de Ministerraad. Voor de personeelsplanning en de investeringen loopt er een plan voor de periode 2000-2015. Er is geen sprake van enige versnelde uitvoering van deze planning. Het gaat dus om zuivere speculaties, waarvan ik de reden niet begrijp. Ik kan alleen vermoeden dat het met de verkiezingen te maken heeft.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister zegt dat de aanstelling een zaak van de regering is. Bedoelt hij de huidige of de volgende regering?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Zoals ik zei, het is een beslissing van de regering. Voor de rest kan ik alleen maar herhalen dat u zich louter op speculaties baseert.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Nochtans zijn ook de vakbonden, waarmee de minister dagelijks aan tafel zit, erg ongerust.

Het antwoord stelt mij wel enigszins gerust, maar aan de andere kant zorgt de SP.A wel voor onduidelijkheid. Als één van de pijlers van deze coalitie zegt deze partij in haar verkiezingsprogramma dat ze het aantal soldaten op korte termijn wil halveren van 40.000 naar 20.000. De minister reageert daarop met te zeggen dat dit het standpunt is van een partij en niet van de regering, maar hij zal het met mij eens zijn dat zoiets onvermijdelijk voor ongenoegen en verwarring zorgt.

Ik begrijp uit zijn antwoord dat de kwestie niet meer op de agenda van de regering staat. Ik hoop dat deze de wijsheid én de democratische reflex heeft om een volgende regering daarover te laten beslissen.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Als minister heb ik natuurlijk een plan voor de modernisering van defensie. Voor de verkiezingsprogramma's van de partijen moet de heer Beke zich tot hen richten.

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van Mobiliteit over «de toegankelijkheid van vliegtuigen» (nr. 3-1452)

De heer Franco Seminara (PS). - In 2007, het Europees jaar van de gelijke kansen voor iedereen, staat ook de mobiliteit van de gehandicapten centraal.

Van verschillende verenigingen verneem ik dat vliegreizen voor gehandicapten geen makkie zijn. Naargelang van het type vliegtuig en van de bezetting zou het aantal beschikbare plaatsen zeer beperkt zijn.

Die verenigingen wijzen er overigens op dat vliegtuigen niet aangepast zijn aan bepaalde handicaps, in het bijzonder als het gaat om personen die niet zonder hun rolstoel kunnen. Vliegtuigen afstemmen op de comfortbehoeften van personen met een uitermate beperkte mobiliteit zou volgens dezelfde verenigingen blijk geven van meer respect voor die mensen.

Kan de minister me vertellen welke maatregelen genomen zijn om dat euvel te verhelpen?

Zou het niet mooi zijn mocht België zich middels een akkoord tussen de vliegmaatschappijen en de regering er als eerste toe verbinden een vliegtuig volledig aan te passen aan personen met beperkte mobiliteit?

Daarmee zouden we koploper zijn op het vlak van de bevordering en de bescherming van de rechten en de waardigheid van gehandicapten die is opgenomen in het VN-Verdrag voor de rechten van mensen met een handicap.

Ik verwijs ook naar artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die bepaalt dat eenieder het recht heeft om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap. Het recht op reizen maakt daarvan deel uit en het recht op comfortabel luchtvervoer eveneens, want personen met een handicap zijn er op hun plaats en hebben recht op een goede plaats in het vliegtuig.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Sinds 2001 hebben vliegmaatschappijen en luchthavens op eigen initiatief de situatie voor personen met beperkte mobiliteit verbeterd.

Sindsdien werd de Europese verordening 1107/2006 goedgekeurd die talrijke verplichtingen oplegt aan luchtvaartmaatschappijen en luchthavens. Zo zijn ze verantwoording verschuldigd als een passagier met beperkte mobiliteit niet aan boord kan worden gebracht.

De maatschappijen die dergelijke verplichtingen al op eigen initiatief nakwamen, verantwoorden soortgelijke beslissingen meestal op grond van de veiligheidsnormen. Het aantal personen met beperkte mobiliteit aan boord van een luchtvaartuig is beperkt omdat rekening moet worden gehouden met de evacuatietijd in geval van nood.

Het zou goed zijn bij de inrichting van luchtvaartuigen een middenweg te vinden tussen de rechten van personen met beperkte mobiliteit en de veiligheidsvoorschriften.

Overweging 11 van de Europese verordening zet de luchtvaartmaatschappijen ertoe aan om bij het ontwerp of de renovatie van een luchtvaartuig zo veel als mogelijk rekening te houden met de behoeften van personen met beperkte mobiliteit. Bij de toepassing van de verordening die volledig van kracht wordt in juli 2008, zal België erop toezien dat de Belgische maatschappijen zich ernaar schikken.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de terugkerende klachten van het medisch personeel van Vottem» (nr. 3-1458)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Nieuwe klachten van het medisch personeel van het gesloten centrum van Vottem halen vanochtend de voorpagina's. Deze vrij ernstige klachten hebben betrekking op het geregeld opsluiten van bewoners in isoleercellen, de aanwezigheid van ernstig zieke personen die gelet op hun gezondheidstoestand niet opgesloten zouden mogen zijn, de moeilijkheden van opgesloten personen om hun medisch dossier in te zien, het overmatig toedienen van slaap- en kalmeermiddelen, het feit dat de medische en sociale diensten, vooral de psycholoog, niet onafhankelijk zijn, de inefficiëntie van de klachtencommissie.

De artsen die in Vottem werken, naargelang van het geval als vastbenoemde of als contractueel, klagen over druk en pesterijen. Zou het niet gezonder zijn dat ze hun statuut van onafhankelijke behouden? Zou ook niet beter een beroep worden gedaan op een onafhankelijk psycholoog?

De verenigingen klagen over het gebrek aan efficiëntie van de klachtencommissie. Het zou wellicht goed zijn de werking ervan te verbeteren - zoals in rapporten al werd aanbevolen - inzonderheid door de termijn voor het indienen van een beroep te verlengen, aanspreekpunten te creëren in de gesloten centra, de bewoners in te lichten over het bestaan van deze commissie en hen te verzekeren dat hun klacht vertrouwelijk wordt behandeld.

Heeft de minister al geprobeerd de werking van deze commissie te verbeteren? Wat is zijn standpunt daarover?

Ik verneem dat de minister van plan is in Vottem een vleugel te heropenen voor de gezinnen. Is die informatie correct?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De gesloten centra werken met onafhankelijke artsen die met een ondernemingscontract in dienst worden genomen. Zij verlenen dus diensten aan de centra en staan tot hun beschikking. Dat soort aanstelling komt tegemoet aan de wens van de ngo's om een beroep te doen op onafhankelijke artsen.

Ik heb nooit klachten ontvangen over de werking van de klachtencommissie. De ngo's zijn blijkbaar de enigen die klagen over een gebrek aan efficiëntie. De commissie ontvangt weinig klachten en behandelt alles wat ze ontvangt zo spoedig mogelijk.

Zodra de commissie een klacht ontvangt, begeeft het secretariaat van de commissie zich naar het bewuste centrum. Na bemiddeling ter plaatse wordt de klacht vaak ingetrokken.

De commissie is volledig onafhankelijk, ze is samengesteld uit een magistraat, een advocaat en de voorzitster van de FOD Binnenlandse Zaken of haar afgevaardigde, die echter geen personeelslid mag zijn van de Dienst Vreemdelingenzaken. Er is dus geen enkele reden om een structuur te veranderen die goed functioneert en waarvan de efficiëntie nooit ter discussie werd gesteld.

Om humanitaire redenen werden in verschillende centra, waaronder Vottem, vleugels ingericht voor gezinnen met kinderen. Thans wordt die vleugel in Vottem niet bewoond door gezinnen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik zal dit duidelijke antwoord meedelen aan de verenigingen en we zullen nagaan hoe we iets kunnen doen aan de meningsverschillen tussen deze verenigingen en de minister van Binnenlandse Zaken.

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2194/7.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Algemene bespreking

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag, maar ik wil nog iets zeggen namens onze fractie.

CD&V zal zich onthouden bij de stemming over dit wetsontwerp. We hebben vragen bij de verantwoording bij de bepaling dat betwistingen betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme bij voorrang door de Raad van State moeten worden behandeld.

Enkele maanden geleden zijn betwistingen betreffende vreemdelingenzaken aan de bevoegdheid van de Raad van State onttrokken. Nu moeten de betwistingen betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme bij voorrang door de Raad van State worden behandeld. Als argument wordt aangevoerd dat de slachtoffers anders verschillende jaren zouden moeten wachten op een beslissing.

CD&V zegt reeds enige tijd dat, wat de hervorming van de Raad van State betreft, er meer nodig is dan de bijsturingen die tot nu toe zijn gebeurd.

Wegens de onduidelijke verantwoording bij dit wetsontwerp zullen wij ons bij de stemming onthouden.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2849/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting» (nr. 3-2187)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Op mijn schriftelijke vraag van november 2006 betreffende de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting antwoordde u dat de Franse overheid onlangs aanstalten had gemaakt om de in oktober 2004 opgeschorte onderhandelingen te hervatten.

Op 15 december 2006 zou overigens een vergadering hebben plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de Belgische en de Franse fiscus.

Hoewel toen geen akkoord werd bereikt, antwoordde u: `Deze keer schijnt aan Franse zijde de wil aanwezig te zijn om tot een oplossing te komen voor het probleem van de grensarbeiders.

Het is nog te vroeg om te zeggen welke vorm een evenwichtige oplossing zou kunnen aannemen, maar het behouden van een overgangsregeling voor de grensarbeiders die inwoner zijn van Frankrijk is inderdaad een piste die overwogen wordt. Mocht er voor die oplossing gekozen worden dan zou de omvang van de vergoeding een zeer belangrijke factor zijn voor België.'

Ik verneem dat Jean-François Copé, de Franse onderminister van Begroting en Staatshervorming onlangs aan Patrick Delnatte, volksvertegenwoordiger uit het Franse Département du Nord, heeft bevestigd dat er tijdens het gesprek van 15 december 2006 vooruitgang is gemaakt op de weg naar een voor beide partijen evenwichtige oplossing en dat de belangen van de grensarbeiders daarbij volledig gevrijwaard zouden kunnen blijven.

Van Franse zijde zou erop zijn aangedrongen om een protocol te ondertekenen waardoor de regeling die momenteel van toepassing is op grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, nog 25 jaar blijft gelden. Frankrijk zou tevens gevraagd hebben om de toepassingsmodaliteiten te versoepelen zodat een grensarbeider die een beperkt aantal dagen buiten de zone werkt, zijn statuut niet zou verliezen. Wie nu één dag buiten de toegelaten zone werkt, verliest zijn statuut van grensarbeider.

Naar verluidt zou u als tegenprestatie voor die onderhandelingen financiële compensaties gevraagd hebben en een verlichting van de belastingen op dividenden die worden uitgekeerd aan België die in Frankrijk verblijven. Half februari zou hierover opnieuw een ontmoeting plaatsvinden.

Hoe ver staat het met de onderhandelingen? Kunt u bevestigen dat er half februari wel degelijk een ontmoeting heeft plaatsgevonden? Kunt u mij zeggen of daarbij vooruitgang werd geboekt? Denkt u de komende weken met Frankrijk een akkoord te kunnen bereiken om de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting te herzien en het statuut van grensarbeider misschien voor goed te schrappen? Zo niet, waarom niet?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister.

Op 9 maart jongstleden werd een protocolakkoord gesloten over de wijziging van de regeling voor grensarbeiders.

Het akkoord zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan beide Parlementen en brengt definitief uitsluitsel over de regels die van toepassing zijn zowel op grensarbeiders als op de ondernemingen die hen in dienst nemen.

De belangrijkste punten van het akkoord zijn de volgende:

1. Vanaf 1 januari 2007 zijn grensarbeiders die in België verblijven en in Frankrijk werken belastbaar in Frankrijk.

Ik wijs erop dat de belasting van grensarbeiders in het land waar ze verblijven, zoals bepaald in de Frans-Belgische Overeenkomst van 1964, een afwijking vormt van de algemene regel voor fiscale overeenkomsten die door de OESO wordt voorgeschreven, en met toepassing waarvan loontrekkers in de privésector belast worden in de Staat waar ze werken. Wij hebben de overeenkomsten met Duitsland, Nederland en Luxemburg al herzien.

Die regeling was verantwoord toen de werknemers veel minder mobiel waren, maar is niet aangepast aan de huidige Europese context. De meeste Europese werknemers betalen vandaag belastingen en sociale bijdragen in dezelfde Staat. Dat is het gevolg van de fiscale overeenkomsten tussen de EU-lidstaten en van de gemeenschapswetgeving inzake sociale zekerheid die Europese werknemers uitsluitend onderwerpt aan de sociale zekerheid van de Staat waar ze werken.

Dat is echter niet het geval voor de Frans-Belgische grensarbeiders, die worden belast in de Staat waar ze verblijven. Die toestand is bijzonder nadelig voor Belgische grensarbeiders die in Frankrijk werken; zij hebben zowel af te rekenenen met zware belastingen in België als met hoge sociale bijdragen in Frankrijk.

2. Vanaf 1 januari 2009 en gedurende een periode van 25 jaar blijven grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, maar in België werken, in Frankrijk belast, op voorwaarde dat ze niet meer dan dertig dagen per jaar buiten het grensgebied werken.

3. België zal die overeenkomst met terugwerkende kracht toepassen voor de jaren 2003 tot 2006 voor grensarbeiders die in Frankrijk wonen, zodat de bestaande problemen worden opgelost.

4. In de overgangsperiode zal Frankrijk een financiële compensatie betalen.

In de loop van de komende weken zal een nieuw avenant bij de Frans-Belgische Overeenkomst van 1964 worden ondertekend.

De minister is blij dat ter zake een oplossing is gevonden.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de invoering van een fiscale incentive ter bevordering van het bedrijfsmecenaat» (nr. 3-2188)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het bedrijfsmecenaat past in het ruimere concept van de burgeronderneming, die wil deelnemen aan de economische en culturele ontwikkeling van de gemeenschappen waarin hun activiteiten worden uitgeoefend.

Het mecenaat is een communicatiemiddel, maar beperkt zich niet tot dat ene aspect. Het doet immers ook nieuwe waarden ingang vinden in de onderneming en stimuleert haar integratie in de sociale, culturele, menselijke of natuurlijke omgeving. Het geeft de ondernemingen de gelegenheid hun vertrouwde partners, de overheid, hun medewerkers en hun klanten te ontmoeten in een nieuwe context met heel wat mogelijkheden tot dialoog en uitwisseling.

Een onderneming krijgt veel en uiteenlopende mogelijkheden om een mecenaatsbeleid te voeren: giften, subsidies, inbreng in natura, dienstverlening, terbeschikkingstelling van materiaal, personeel of technische middelen.

Nochtans blijkt in ons land het mecenaat veel minder ontwikkeld dan in het buitenland. Die achterstand kan gedeeltelijk worden verklaard omdat de belastingregeling op dat vlak onvoldoende stimulansen biedt, vooral wat de grote giften betreft.

In België is de fiscale aftrekbaarheid van maatschappelijke acties van ondernemingen niet evident, aangezien er in de vennootschapsbelasting ter zake geen enkele bepaling bestaat. Wel kunnen vennootschappen hun giften aan allerlei instellingen of organisaties aftrekken, op voorwaarde dat die bij koninklijk besluit werden erkend. Die regeling geldt ook voor de personenbelasting.

Onlangs zei Maurice Lippens, voorzitter van Fortis Foundation ter gelegenheid van een dag gewijd aan het mecenaat: België is het laatste land van Europa dat geen wettelijk kader heeft voor het mecenaat. Er is nochtans veel mogelijk. In Frankrijk werden, tussen de afkondiging van een dergelijke wet, in 2003, en eind 2006 144 bedrijfsstichtingen opgericht. In 2002 werd daar 343 miljoen euro geïnvesteerd in het bedrijfsmecenaat. In 2005 werd de kaap van een miljard euro overschreden: 55% werd geïnvesteerd in solidariteitsprojecten, 34% in cultuur, 5% in het milieu en 4% in onderzoek. Die cijfers sporen aan tot nadenken en wijzen op de noodzaak om het mecenaat in ons land fiscaal te stimuleren.

Bevestigt de minister die situatie? Met andere woorden, is hij het eens met de mening van de voorzitter van Fortis Foundation dat België het laatste land van Europa is dat geen wettelijk kader heeft uitgewerkt voor het mecenaat? Zo neen, waarom niet? Zo ja, is hij van plan op dat gebied een initiatief te nemen of gevolg te geven aan parlementaire initiatieven die al werden gelanceerd?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister.

Mijn administratie had niet voldoende tijd om te onderzoeken of alle Europese landen effectief een wettelijk kader hebben uitgewerkt ten gunste van het mecenaat, en waaruit dat desgevallend bestaat.

Ons wettelijk arsenaal bevat geen algemeen kader ter bevordering van het bedrijfsmecenaat via de fiscaliteit.

Thans bestaan er alleen maar specifieke maatregelen. Het mecenaat kan rekenen op de welbekende regeling van de aftrekbare giften, binnen bepaalde grenzen. Tal van ondernemingen mogen reeds bepaalde uitgaven met betrekking tot hun maatschappelijke acties aftrekken als bedrijfskosten. Wat dit laatste aspect betreft, gebeurt de appreciatie geval per geval en kan een wettelijke regeling nuttig zijn.

De belangstelling van verschillende senatoren voor de fiscale behandeling van het bedrijfsmecenaat heeft mij ertoe aangezet de diverse wetsvoorstellen die daaromtrent werden ingediend, aandachtig te bestuderen en de voorkeur te geven aan het parlementaire initiatief.

Mijn diensten hebben drie voorstellen onderzocht: dat van de heer Brotcorne, ingediend op 20 april 2005, dat van mevrouw Defraigne en de heren Roelants du Vivier en Noreilde, ingediend op 10 maart 2005 en dat van mevrouw Zrihen, ingediend op 30 november 2006.

Daar dit laatste voorstel werd ingediend na de hoorzittingen in de commissie, werd de tot stand gekomen dynamiek ernstig afgeremd. De drie voorstellen lijken wel hetzelfde voorwerp te hebben, namelijk de uitbreiding van de fiscale aftrekbaarheid inzake het mecenaat, maar ze zijn nogal uiteenlopend op het gebied van de redactie, de doelstellingen, het toepassingsgebied, het opzet en de bezorgdheid om budgettaire ontsporingen te voorkomen.

De problematiek van het mecenaat is voldoende belangrijk en actueel om er een nieuw wettelijk kader voor uit te werken. Tenzij de genoemde senatoren verkiezen een studiegroep op te richten om hun standpunten met elkaar te verzoenen en alleen toepasbare maatregelen voor te stellen, zal ik de administratie belasten met een grondig onderzoek van de praktische problemen en de moeilijkheden die rijzen in elk van de voorstellen. Ik zal mijn diensten vragen goed na te gaan welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat de toegekende fiscale voordelen leiden tot belastingontwijking of misbruiken, en daarvoor desnoods te rade te gaan bij de wetgevingen van de andere Europese landen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik neem akte van het antwoord van de minister van Financiën. De minister, die soms veel kwaads zegt over de Senaat, laat ons het initiatief nemen. Als wij dat niet doen, zal hij zijn verantwoordelijkheid op zich nemen. In de praktijk zullen we moeten wachten tot de volgende regeerperiode, maar ik hoop dat we het snel eens kunnen worden over een fiscale maatregel om het bedrijfsmecenaat te bevorderen.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «het toepassingsgebied van de regeling voor klokkenluiders» (nr. 3-2184)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Eind november stelde ik een schriftelijke vraag over het wettelijk beschermend statuut voor klokkenluiders. In Vlaanderen behartigt de Vlaamse Ombudsman als extern adviesorgaan klachten van ambtenaren die niet terecht kunnen op de eigen dienst. De minister antwoordde toen dat een beleidsnota federaal preventief integriteitsbeleid werd goedgekeurd. Het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en de adviesgroep Ambtelijke Ethiek en Deontologie werd toen gevraagd een voorstel te formuleren omtrent een meldingssysteem voor deontologisch onaanvaardbaar gedrag door federale administratieve ambtenaren, maar eerst diende het advies van de Privacycommissie te worden ingewonnen. Dat advies werd op 29 november 2006 overgezonden.

De minister wees erop dat de voorstellen betrekking hebben op de federale ambtenaren van het openbare administratieve ambt. Dat kan betekenen dat de regeling voor klokkenluiders niet op alle federale ambtenaren van toepassing is, bij voorbeeld niet op leden van de federale politie of op militairen. Jammer genoeg laten we zo een gelegenheid voorbijgaan om een universele, gecentraliseerde regeling te treffen voor klokkenluiders op federaal vlak, dus voor alle bedienden en ambtenaren van de federale overheid. Graag kreeg ik wat meer duidelijkheid.

Op welke groepen federale ambtenaren, militairen en leden van de federale politie incluis, zullen de voorstellen voor een klokkenluiderregeling van het Bureau van Ambtelijke Ethiek niet van toepassing zijn en op welke wel? Onder welke regeling vallen federale ambtenaren op wie de voorstellen die door het Bureau voor Ambtelijke Ethiek zullen worden geformuleerd, niet van toepassing zijn?

Welk tijdschema zal worden gevolgd voor de realisatie van de voorstellen en de eigenlijke implementering van een federaal preventief integriteitsbeleid, gelet op de komende verkiezingen? Welke garanties zijn er dat dit plan ook effectief tijdens de volgende legislatuur kan worden uitgevoerd?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Van den Bossche.

Op korte termijn bereidt het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie in overleg met de Adviesgroep Ambtelijke Ethiek en Deontologie een conceptnota voor die ik ter goedkeuring aan de ministerraad zal voorleggen.

Zoals het er nu naar uitziet is de regeling van toepassing op de federale overheidsdiensten. Het is echter niet uitgesloten dat het toepassingsgebied wordt verruimd tot bijvoorbeeld de federale politie, defensie of de personeelsleden van privéorganisaties die in het kader van overheidsopdrachten een contractuele relatie met de federale overheid aangaan.

Het toepassingsgebied van de regelgeving inzake meldingen moet in elk geval goed afgelijnd worden en het algemeen belang beogen. Dat impliceert dat overheidsdiensten en hun personeelsleden die niet onder het toepassingsgebied vallen, zelf een specifieke regelgeving zullen dienen uit te werken of in voorkomend geval zonder meldingsstructuur moeten functioneren.

Kortom, alle opties voor de modaliteiten van een meldingsstructuur, met inbegrip van het toepassingsgebied ervan, kunnen vandaag nog worden gewijzigd.

Zoals ik al zei, is het mijn bedoeling om nog tijdens de huidige regeerperiode een conceptnota over de meldingstructuur aan de ministerraad voor te leggen. Die nota wordt daarna in regelgeving omgezet.

Nu een deontologisch kader voor de federale overheidsdiensten is uitgewerkt, wordt volop gesleuteld aan de meldingsstructuur. Dat kader vormt een algemene preventieve pijler. Samen met de nog goed te keuren koninklijke besluiten inzake interne controle en interne audit moet het deontologische inbreuken helpen voorkomen.

In aansluiting hierop en op mijn verzoek werkt het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie het kader uit waarbinnen de volgende regering een goed functionerende meldingsstructuur kan uitbouwen.

De huidige regering maakt duidelijk werk van een federaal preventief integriteitsbeleid.

Ik kan mij uiteraard niet engageren namens de volgende regering. Ik ben er evenwel van overtuigd dat die eveneens voldoende aandacht zal hebben voor de integriteitsproblematiek omdat een aantal internationale verplichtingen en aanbevelingen van organisaties zoals de Verenigde Naties, de OESO en de Raad van Europa hieromtrent dienen te worden uitgevoerd.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De minister heeft een duidelijk antwoord gegeven. Er wordt nog aan de problematiek gewerkt. De vraag die ik specifiek stel in verband met de uitbreiding van de regeling van klokkenluiders sluit dat niet uit. Ik stel voor dat we dit dossier blijven volgen. Hopelijk kan er vóór de verkiezingen nog iets worden gedaan en kan het beleid inzake klokkenluiders na de verkiezingen worden voortgezet.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «koppelverkoop in de telecommunicatiesector» (nr. 3-2185)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De wet op de handelspraktijken is streng wat de koppelverkoop betreft. België is een van de zeldzame landen met een verbod op koppelverkoop en er zijn nauwelijks uitzonderingen op dit verbod. Recentelijk werden echter twee wijzigingen aangebracht.

De eerste wijziging kwam er in 2005 via een meerderheidsamendement op de telecomwet om het gezamenlijk aanbieden van telefonie, internet, tv-diensten, decoders en modems mogelijk te maken.

Een tweede wijziging kwam er met de goedkeuring van het pakket Internet voor iedereen. De wetgever wijzigde de wet op de handelspraktijken om de koppelverkoop van een pc, software en een eID-kaartlezer mogelijk te maken.

Een recenter fenomeen is echter de koppelverkoop van pc's en software. Pc's worden steeds vaker aangeboden in combinatie met het besturingssysteem Windows van Microsoft. De consument heeft geen keuze: hij moet het besturingssysteem erbij nemen als hij deze of gene pc koopt. Wil hij het besturingssysteem niet, dan moet hij dezelfde prijs betalen.

Als het principe van de telecomwet, dat telecommunicatieproducten ook apart moeten worden aangeboden tegen de gebruikelijke prijs, hier consequent wordt doorgetrokken, betreft dit niet alleen een geval van koppelverkoop, maar ook van concurrentievervalsing. Immers, andere besturingssystemen kunnen niet concurrentieel zijn met een besturingssysteem dat zonder meerkost bij het merendeel van de verkochte pc's wordt aangeboden.

Valt de koppelverkoop van pc's en besturingssystemen onder de wet op de handelspraktijken of onder de telecomwet van 2005? Is de aangehaalde verkooptechniek wettelijk?

Hebben de nationale mededingingsautoriteiten de koppelverkoop van pc's en besturingssystemen al onderzocht? Zo nee, zal de minister dan een initiatief in die zin nemen? Zo ja, hoe ver staat het onderzoek? Wat zijn de voorlopige resultaten en wat zijn de mogelijke sancties?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het samen aanbieden van computers en besturingssoftware valt onder de artikelen 54 en volgende van de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Deze praktijk valt niet onder de wet betreffende de elektronische communicatie, die stelt dat één van de bestanddelen van de gezamenlijke aanbieding moet bestaan in `intermediaire interactieve producten'. Deze laatste bepaling werd vooral ingevoerd als gevolg van de convergentie in de elektronische communicatie.

Het verbod op koppelverkoop is onder meer in de wet op de handelspraktijken opgenomen om de consument tegen prijsbewimpeling en nutteloze aankopen te beschermen en normale mededingingsvoorwaarden in te stellen.

Eén van de uitzonderingen op dat verbod betreft het samen aanbieden van producten of diensten die een geheel vormen.

Of iets als een geheel kan worden beschouwd, dient in de eerste plaats te worden nagegaan vanuit het oogpunt van de consument. Van zodra er bij de consument een gewoonte is gegroeid om de onderscheiden producten of diensten tegelijk aan te kopen, zodat zijn aankoopbeslissing niet meer op substantiële wijze beïnvloed wordt door het feit dat de producten of diensten gezamenlijk worden aangeboden, kan men spreken van een geheel in de zin van artikel 55, 1. van de wet betreffende de handelspraktijken.

Bij het merendeel van de consumenten is het nog altijd zo dat er bij de aankoop van een computer van wordt uitgegaan dat die is uitgerust met de nodige besturingssoftware. Het is dus in hoofde van de consument nog altijd gangbaar om de twee samen aan te kopen. Daarom wordt beschouwd dat er in dit geval sprake is van een geheel, aangeboden tegen een totale prijs. Het gaat dus om een toegelaten gezamenlijk aanbod.

De gezamenlijke verkoop van computers en besturingssoftware mag niet leiden tot belemmering van de vrije concurrentie, die de basis vormt van ons economisch bestel. De economische mededinging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de Minister van Economie.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Vorige vrijdag werd hier een vergadering gehouden rond armoede. De digitale kloof wordt voor steeds meer mensen een kenniskloof. Eén van de grote problemen voor hen is dat software duur is en meestal gekoppeld aan een pc verkocht wordt. Daardoor behoudt die software ook een dominantie op de markt. Zeker voor bepaalde bevolkingsgroepen is van het belang dat concurrentie tussen softwarepakketten mogelijk is. Dan kunnen die mensen een goedkope, meestal tweedehandse, computer kopen, samen met een betaalbaar en degelijk softwarepakket.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verlenen van tijdelijke bescherming aan de slachtoffers van de burgeroorlog in Irak» (nr. 3-2192)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Dinsdag 6 maart kwamen bij een aanslag in de stad Hilla in Irak 150 mensen om het leven.

In haar laatste verslag met betrekking tot de mensenrechten, dat op 16 januari 2007 werd bekendgemaakt, raamde UNAMI, de United Nations Assistance Mission for Iraq, het aantal burgers dat in 2006 in Irak werd gedood op 34.452. Het aantal gewonden zou evenveel bedragen. Tussen 1 november en 31 december 2006 verloren 6.376 Irakezen het leven en werden er 6.875 gewond. UNAMI haalt haar informatie uit twee bronnen: de Iraakse regering en het gerechtelijk geneeskundig instituut van Bagdad.

Nog altijd volgens de VN is Irak één van de meest gewelddadige conflictzones ter wereld, aangezien er elke dag een honderdtal doden vallen. Volgens de officiële cijfers, namelijk de cijfers verstrekt door de Irakese regering en die werden opgenomen in een rapport van de Veiligheidsraad, is het aantal burgerdoden aanzienlijk gestegen. Gemiddeld sterven elke dag een honderdtal mensen en elke maand zouden 14.000 mensen worden gewond. Vooral vrouwen en minderheden vallen ten prooi aan het machtsmisbruik van opstandelingen, milities en criminele bendes. Het sektarische geweld is nu de eerste oorzaak van migratie en ontheemding van de Irakezen, zowel binnen als buiten de grenzen.

De wet van 15 december 1980 bepaalt in artikel 57/29 dat een statuut van tijdelijke bescherming kan worden verleend `in geval van een massale toestroom of een imminente massale toestroom van ontheemden naar lid-Staten van de Europese Unie die is vastgesteld bij een besluit van de Raad van de Europese Unie dat is uitgevaardigd met toepassing van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen'.

De bedoelde personen zijn `onderdanen van derde landen of staatlozen die hun land of regio van oorsprong hebben moeten verlaten of geëvacueerd zijn, met name ingevolge een verzoek van internationale organisaties, en wier terugkeer onder veilige en duurzame omstandigheden onmogelijk is gezien de situatie in dat land en die eventueel kunnen vallen onder de toepassing van artikel 1A van het Verdrag van Genève of andere internationale of nationale instrumenten van internationale bescherming, in het bijzonder: personen die uit door een gewapend conflict of inheems geweld getroffen gebieden hebben moeten vluchten en personen die ernstig gevaar lopen op dan wel slachtoffer zijn geweest van systematische of algemene schending van de mensenrechten'.

Hoe interpreteert de minister, zowel in de Europese als de nationale praktijk, de woorden `imminente massale toestroom van ontheemden naar lid-Staten van de Europese Unie'? Wat zijn de beoordelingscriteria waarmee het bestaan van een imminente massale toestroom kan worden vastgesteld?

Hoeveel asielaanvragen en/of aanvragen voor tijdelijke bescherming van uit Irak afkomstige personen werden in België en in de andere lidstaten geregistreerd sedert het begin van het conflict aldaar?

Het voorstel van de Commissie, dat het uitgangspunt is van de procedure die tot een dergelijk besluit van de Raad leidt, kan door de Commissie uit eigen beweging of op verzoek van een lidstaat aan de Raad worden voorgelegd. Heeft die situatie zich voorgedaan in het geval van Irak?

Doet België een beroep op het statuut van tijdelijke bescherming voor de personen uit Irak die zich op ons grondgebied bevinden?

Welke praktijk hanteren de lidstaten van de Europese Unie op dat gebied?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Onder imminente massale toestroom van ontheemden wordt verstaan de aankomst in de Europese Unie van een aanzienlijk aantal ontheemden, uit een bepaald land of een bepaalde geografische zone, ongeacht of zij op eigen initiatief of met hulp, bijvoorbeeld in het kader van een evacuatieprogramma, de Gemeenschap zijn binnengekomen.

Het moet gaan om een reële of imminente massale toestroom van ontheemden uit derde landen wier terugkeer onder veilige en duurzame omstandigheden onmogelijk is, gezien de situatie in hun land van herkomst. In het bijzonder worden personen beoogd die moesten vluchten uit een door een gewapend conflict of inheems geweld getroffen gebied of die het slachtoffer zijn geweest van systematische of algemene schendingen van de mensenrechten. Dat wordt bepaald in artikel 2 van de richtlijn.

Het aantal Irakese asielzoekers vertoont een lichte stijging in 2006 en 2007, maar blijft relatief stabiel. Irak staat op de vierde plaats wat het aantal asielzoekers betreft. Er werden 695 asielaanvragen ingediend in 2006 en 122 in januari en februari 2007.

De procedure tot toekenning van tijdelijke bescherming wordt gestart door een besluit van de Raad van ministers, die zich, op voorstel van de Commissie, uitspreekt met een gekwalificeerde meerderheid, aldus artikel 5. Het besluit moet inzonderheid de omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen en houdt rekening met de omvang van de verplaatsingen van ontheemden en met de mogelijkheden van spoedhulp ter plaatse. Tot nog toe en sedert de inwerkingtreding van de genoemde richtlijn, werd deze procedure nog niet gestart.

Op de laatste Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 15 februari vermeldde Zweden het aanzienlijke aantal Iraakse asielzoekers - 9.000 in 2006 - op zijn grondgebied, maar diende geen officiële vraag in bij de Commissie om het mechanisme op Europees niveau te starten. Het land vroeg wel dat tussen de asielinstanties van de lidstaten overleg zou worden gepleegd over de behandeling die is voorbehouden voor de aanvragen om asiel en subsidiaire bescherming, ingediend door Iraakse onderdanen.

Aangezien het mechanisme op Europees niveau niet werd gestart, hebben België en de andere lidstaten geen tijdelijke bescherming toegekend aan de Iraakse onderdanen.

De Iraakse onderdanen genieten nu wel het statuut van vluchteling of de subsidiaire bescherming. Dertig Irakezen hebben het vluchtelingenstatuut al gekregen. De subsidiaire bescherming is maar sedert 10 oktober 2006 van toepassing.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara» (nr. 3-2189)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - In het voorjaar van 2006 startte de Marokkaanse Conseil royal consultatif pour les affaires sahariennes (CORCAS) een consultatieronde ter voorbereiding van een autonomieplan voor de Westelijke Sahara. Naast de CORCAS hadden ook alle politieke partijen, de vertegenwoordigers van de inwoners van de regio en de chefs van de verschillende Sahrawi stammen hun inbreng. Naarmate de werkzaamheden vorderden, werd ook duidelijk wat de invulling van het autonomieplan zou zijn. In het plan staan drie principes centraal: de territoriale eenheid van het Koninkrijk Marokko, de aandacht voor sociale en culturele bijzonderheden van de regio en de conformiteit met het internationale recht, wat autonomie van de deelgebieden betreft.

De Marokkaanse diplomatie is bijzonder actief om het autonomieplan toe te lichten bij de Europese regerings- en staatsleiders. Zo lieten de Franse president Jacques Chirac en de Spaanse premier Zapatero zich al positief uit over de inhoud van het plan. Ook het voorzitterschap van de Europese Unie heeft het plan ontvangen en heeft aangekondigd het te zullen bestuderen. Later deze maand wordt het plan besproken in de VN-Veiligheidsraad. Daarbij dient ons land een positie in te nemen over de te volgen weg om het conflict van de Westelijke Sahara op te lossen.

Aangezien het plan geen allusie maakt op het recht om zelfstandig over de eigen politieke status te beslissen, overeenkomstig VN-resolutie 1514 (XV), had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen.

Welk standpunt zal ons land in de VN-Veiligheidsraad innemen over het nieuwe Marokkaanse autonomieplan voor de Westelijke Sahara?

Zal ons land het zelfbeschikkingsrecht zoals omschreven in VN-resolutie 1514 (XV), als conditio sine qua non blijven hanteren als oplossing voor dit conflict?

Komt er nog een consultatie over dit plan binnen de Europese Raad van Ministers? Zo ja, wanneer en welk standpunt zal België aannemen?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Ik kan u verzekeren dat ik de toestand in de Westelijke Sahara met aandacht volg. Net als zijn Europese partners, ondersteunt België de inspanningen van secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-Moon en zijn speciale afgezant Peter van Walsum, om een politieke oplossing te vinden die voor alle partijen aanvaardbaar is. Ik ben van oordeel dat er dringend een oplossing voor dit geschil moet komen, mede wegens de ernstige humanitaire implicaties. Bij de betrokken partijen moet worden aangedrongen op een vreedzame, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing, wat enige flexibiliteit van de partijen veronderstelt. Als lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot eind 2008, zal België trachten een bijdrage te leveren om uit de huidige impasse te raken door een diepgaande discussie over de problematiek te bevorderen.

Marokko is al lang bezig met de voorbereiding van een voorstel voor zelfbestuur in het kader van de Marokkaanse soevereiniteit en heeft daarover een interne en internationale consultatie gevoerd. Dat voorstel zou in principe in april officieel aan de Veiligheidsraad worden voorgesteld. Pas vanaf dat ogenblik zal het autonomieplan kunnen worden bestudeerd en geëvalueerd, onder meer door de Europese Unie.

België verwelkomt alle initiatieven die tot een nieuwe dynamiek kunnen leiden, maar blijft voorzichtig. We zullen geen plan goedkeuren als we niet alle details ervan kennen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het klopt dat eindelijk een oplossing moet worden gevonden voor de 160.000 mensen die reeds 31 jaar in tentenkampen in de woestijn leven. Er zijn reeds plannen voorgesteld waarin ook de Sahrawi inspraak hebben. Marokko heeft die plannen systematisch van tafel geveegd. Het Marokkaanse autonomieplan ziet er op het eerste gezicht goed uit, maar er is volstrekt geen overleg gepleegd met de Sahrawi volkeren en het Polisario.

Ik stel dan ook voor om vast te houden aan het tweede plan van James Baker, dat op het Marokkaanse voorstel lijkt, maar tevens de bepaling bevat dat de Sahrawi volkeren, na vijf jaar autonoom in een vaste constellatie te hebben geleefd, zich in een referendum zouden kunnen uitspreken. Dat belangrijke zelfbeschikkingsrecht ontbreekt in het Marokkaanse plan. Ik hoop dat België de lijn van Frankrijk en Spanje niet zal volgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel» (nr. 3-2190)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Op 16 mei 2005 werd in Warschau het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel aangenomen. Eind 2006 hadden reeds 34 landen, zowel leden als niet-leden van de Raad van Europa, het verdrag ondertekend. België ondertekende het op 17 november 2005. Het verdrag treedt pas in werking als het door minstens tien staten is ondertekend, waarvan minstens acht lid van de Raad van Europa zijn.

Van 26 februari tot 9 maart 2007 ging in de gebouwen van de Verenigde Naties in New York de 51ste VN-Commissie voor de Status van de Vrouw door. In het kader van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel werd op 1 maart samen met de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw, de IPU en de VN-Afdeling voor Verbetering van de Positie van Vrouwen een zitting gehouden `A parliamentary perspective on discrimination and violence against the girl child'. In een van de werkvergaderingen zei waarnemend secretaris-generaal van de Raad van Europa, mevrouw Maud de Boer-Buquicchio, dat slechts vier landen eind 2006 het verdrag hadden geratificeerd.

Vorige week nog voerde de federale politie in ons land in samenwerking met ECPAT (End Child Prostitution, Child Pornography and Trafficking in Children for sexual purposes) en Child Focus actie tegen kindermisbruik in het buitenland. De Dienst Mensenhandel van de federale politie stelt dat dit project alleen, het probleem niet uit de wereld zal helpen.

Op voorstel van minister De Gucht keurde de ministerraad in september 2006 het voorontwerp van wet goed houdende instemming met het verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel, aangenomen te Warschau op 16 mei 2005.

Waarom heeft België dat verdrag nog niet geratificeerd? Klopt het dat de Europese Gemeenschap eerst het verdrag moet ratificeren, alvorens de lidstaten het kunnen ratificeren? Zo ja, heeft de Europese Gemeenschap al stappen gedaan? Zal België in de nabije toekomst het verdrag ratificeren of niet? Kan de minister een termijn vooropstellen?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord voor.

Zijne Majesteit de Koning heeft het wetsontwerp onlangs ondertekend. De ministerraad had het dossier goedgekeurd, maar na enkele opmerkingen van de Raad van State, moest de memorie van toelichting worden aangepast. Het wetsontwerp zal eerstdaags naar de Senaat worden gezonden.

De Europese Unie heeft het bewuste verdrag nog niet ondertekend. Dat verhindert de Europese lidstaten niet het verdrag te ratificeren. Oostenrijk en Roemenië hebben dat reeds gedaan. Ook zal het verdrag in werking treden zodra tien landen, waarvan acht lidstaten van de Raad van Europa moeten zijn, de tekst hebben geratificeerd.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Het verheugt me dat er schot zit in dit dossier. De Raad van Europa zal blij zijn met het Belgische voornemen.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp op de openbare overnamebiedingen (Stuk 3-2071) (Evocatieprocedure)

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 220 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, van artikel 121, §1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van artikel 41 in de wet van ... op openbare overnamebiedingen (Stuk 3-2072)

Stemming 2

Aanwezig: 58
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit (Stuk 3-2015) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 10 van de heer Vandenberghe.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 19
Tegen: 39
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van mevrouw Nyssens.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 39
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 5 van mevrouw Nyssens. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 11 van de heer Vandenberghe.

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 38
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 7, 8 en 9 van de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 39
Tegen: 11
Onthoudingen: 12

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (Stuk 3-2054)

Stemming 7

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 40 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Stuk 3-1495) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 8

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en de koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid en tot wijziging van de wet van 31 maart 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, alsook van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1496)

Stemming 9

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, teneinde verenigingen een vorderingsrecht toe te kennen ter verdediging van collectieve belangen (van mevrouw Fauzaya Talhaoui c.s., Stuk 3-1953)

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Ik wil graag een stemverklaring afleggen, omdat dit wetsvoorstel een belangrijke evolutie inluidt. Het geeft ongemerkt aan het recht een richting die sommigen niet willen.

Onder recht verstaan we in principe de regeling van conflicten tussen de overheid en het individu - de verticale werking - en tussen individuen onderling - de horizontale werking. Het is een erg liberaal standpunt te zeggen dat de overheid zo min mogelijk moet ingrijpen en alleen datgene moet regelen wat belangrijk is en de omgevingsfactoren biedt om zo gelukkig mogelijk te leven.

Met dit wetsvoorstel wordt echter een derde factor ingevoerd, namelijk een groep van individuen die zich in een vzw verenigt en die al dan niet wordt gesponsord door een groep die geen vzw-vorm aanneemt omdat hij niet aansprakelijk wil zijn voor zijn daden. De vzw zal dan een bevoorrechte positie innemen en het voorstellen alsof ze het collectief belang vertegenwoordigt. Dat is dus niet zo. De vzw verdedigt niet het collectieve belang; ze matigt zich dat gewoonweg aan. Men is bang dat dit bewezen zal worden, want men weigert het advies van de Raad van State te vragen.

We hebben hier te maken met een wetgever die weigert zijn adviseur te raadplegen, met de grootst mogelijke drogreden, namelijk dat het voorstel een kritiek vormt op de Raad van State. Dat is een zeer grote belediging voor de leden van de Raad van State, want dat houdt in dat ze geen kritiek zouden dulden. Elke rechter moet gefundeerde kritiek op zijn uitspraken kunnen verdragen, hetzij via beroep, hetzij in de rechtsleer.

Er worden voorbeelden gegeven, maar dan wel de slechtste die er te vinden zijn. Dat misdrijven zoals racisme en discriminatie aan een apart openbaar ministerie zijn toegewezen, namelijk het centrum van de heer De Witte, brengt natuurlijk met zich mee dat de parketten dergelijke zaken niet meer vervolgen en dat de rechtbanken terecht zeer huiverig staan tegenover deze geprivilegieerde behandeling.

De Senaat hoort heel veel mensen en organiseert allerlei colloquia, maar bij de hervorming van een instelling weigert hij iemand van die instelling, namelijk de Raad van State zelf, te consulteren en te horen.

Dit voorstel betekent een collectivistische ingreep in het recht. Waar gaat dat naartoe? We moeten dat catalogiseren als een staatsgreep van de minister van Mobiliteit in de parketten. Ik waarschuw daarvoor en zal met alle kracht die ik heb - al besef ik dat die zeer beperkt is - tegen dit voorstel stemmen. Ik vraag echter iedereen die de tekst goedkeurt, na te denken over de richting waarin hij of zij ons recht stuurt.

Stemming 10

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 13
Onthoudingen: 7

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Stemming 11

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 12

Aanwezig: 60
Voor: 37
Tegen: 9
Onthoudingen: 14

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 22 maart 2007

's ochtends om 10 uur

Het energiebeleid in België; Stuk 3-2041/1. (Themadebat - Art. 74 van het Reglement)

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te San Marino op 21 december 2005; Stuk 3-2045/1 en 2.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers; Stuk 3-2097/1 en 2.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding; Stuk 3-2068/1 tot 5. (Pro memorie)

Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit; Stuk 3-1794/1 tot 7. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; Stuk 3-2085/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en financiering van de ouderstage, bedoeld in de wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; Stuk 3-2086/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de inwerkingtreding van artikel 7, 7º van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; Stuk 3-2087/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s.); Stuk 3-1956/1 tot 4. (Pro memorie)

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove); Stuk 3-2011/1 en 2. (Pro memorie)

Vanaf 18 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken» (nr. 3-2195)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Test-Aankoop merkte op dat bij een controle van frisdranken op de Belgische markt grote hoeveelheden kankerverwekkend benzeen werd aangetroffen. De Belgische referentiewaarde van 1 µg/kg en de norm van 10 µg/kg van de Wereldgezondheidsorganisatie, werd geregeld overschreden.

Aangezien benzeen een kankerverwekkende stof is, wordt het best geprobeerd om de hoeveelheid zo laag mogelijk te houden. Welke controles laat de minister uitvoeren om benzeen in frisdranken te controleren? Hoe geregeld vinden deze controles plaats? Wat onderneemt de minister om de dosis benzeen in frisdranken zo laag mogelijk te houden?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik ben goed op de hoogte van de problematiek van benzeen in frisdranken en van het Britse onderzoek.

Benzeen kan inderdaad gevormd worden in frisdrank door de combinatie van benzoëzuur, vitamine C (ascorbinezuur) en licht. Dat hangt af van factoren zoals tijd, temperatuur, de aanwezigheid van stimulerende metaalionen en de aanwezigheid van remmende stoffen zoals suiker.

Enerzijds wens ik op te merken dat de waargenomen concentraties zeer laag zijn. Toch moeten in het raam van de gentoxische carcinogenen, deze concentraties zo laag mogelijk zijn en blijven.

Anderzijds wordt deze kwestie van heel nabij gevolgd, zowel de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, als het FAVV.

Op Europees niveau was de kwestie van het concentratieniveau - dat as low as reasonably achievable moet zijn - het onderwerp van vele besprekingen, met name in het Permanent Comité. Dit niveau kan worden geïnterpreteerd als equivalent van 10 µg/kg.

Dit betekent concreet dat frisdranken, die zich onder de grens van 10 µg/kg bevinden, volledig op de markt zijn toegestaan. De Europese Unie heeft momenteel deze norm nog niet officieel gepubliceerd.

Om in België zo goed mogelijk met deze problematiek te kunnen omgaan, hebben mijn diensten contact opgenomen met de industrie. Er zijn al vergaderingen geweest en er zijn er nog andere gepland. Als de standpunten van iedereen bekend zijn, kan bepaald worden welke maatregelen kunnen worden genomen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding» (nr. 3-2196)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De huisartsen in opleiding klagen dat ze in een slechte sociale situatie zitten. Ze zijn verplicht om als een soort schijnzelfstandige te werken. De huisarts bij wie ze hun twee jaar durende stage volgen, keert hen een vast loon uit. Het loon, dat rond de 2000 euro schommelt, is onafhankelijk van de geleverde prestaties. De helft van dat bedrag krijgt de huisarts-praktijkbegeleider van het RIZIV terug.

Van die 2000 euro houden de huisartsen in opleiding ongeveer 1000 euro over. De minister van Volksgezondheid wou volgens de vereniging van stagiairs-huisartsen, het HIBO-forum, aan het statuut sleutelen. De stagairs zouden zo 400 euro loonsverhoging verwerven. De stagairs klagen publiek aan dat de minister op zijn woorden terugkomt en enkel een verhoging van 168 euro zal toelaten.

Welke conclusie trekt de minister uit de kritiek van de huisartsen in opleiding en op welke manier wil hij aan hun verzuchtingen tegemoetkomen? Welke wijzigingen wil de minister in het statuut van huisartsen in opleiding aanbrengen?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Momenteel kent de rekrutering van jonge huisartsen problemen, doordat te weinig studenten aan het einde van hun doctoraat de optie huisartsengeneeskunde kiezen. Het gebrek aan aantrekkingskracht van het toekomstige beroep speelt hier duidelijk een rol. Er werden reeds tal van maatregelen genomen om de arbeidsomstandigheden van huisartsen te verbeteren.

Het statuut van de assistent-huisartsen in opleiding kan eveneens een belangrijke rol spelen in deze keuze. Het statuut van de huisartsen in opleiding of HIBO is momenteel een zelfstandigenstatuut en het inkomen varieert enorm naar gelang van de stageplaats. De contracten worden getekend tussen HIBO's en stagemeesters. De universiteiten zijn alleen verantwoordelijk voor het pedagogische aspect van de opleiding. Het RIZIV komt tussenbeide om de bedragen betaald aan de HIBO's terug te betalen à rato van de helft van de bijdragen ontvangen door de HIBO. Deze tegemoetkoming bedraagt momenteel maximum 10.000 euro.

In Vlaanderen bestaat er een vrij grote uniformiteit en schommelt de vergoeding van de HIBO's rond de 2.000 euro bruto voor een zelfstandige, wat veel minder is dan de vergoedingen van de kandidaat-specialisten en tot concurrentie leidt ten nadele van de opleiding voor huisartsen.

Het is dus noodzakelijk om het statuut van de HIBO te herwaarderen. Op korte termijn zal de tegemoetkoming door het RIZIV op 12.000 euro per jaar worden gebracht. Dit is een verhoging van 2000 euro per jaar. Dankzij de bijdrage van de stagemeesters, zou de verhoging voor de HIBO's voor het academiejaar 2007-2008 dus 20% bedragen.

Voor de toekomst wordt de oprichting van twee interuniversitaire vzw's gepland, een Nederlandstalige en een Franstalige, die de universitaire centra voor huisartsengeneeskunde verenigen en de werkgevers van de HIBO's worden. Deze centra worden gezamenlijk gefinancierd door de bijdrage van het RIZIV en het budget dat totstandkomt uit de verstrekkingen uitgevoerd door de HIBO's op hun stageplaats.

In het raam van het nieuwe statuut moet een gemiddeld aantal verstrekkingen worden bepaald die door de HIBO moet worden gepresteerd. Ook moet nog worden vastgelegd welk percentage van de inkomsten uit deze handelingen moet dienen voor de vergoeding van de HIBO. De HIBO's kunnen in dat geval werken onder het statuut van werknemer, gelijkgesteld met dat van de kandidaat-specialisten. Het betreft hier een specifiek statuut dat beantwoordt aan de kenmerken van de situatie van artsen in opleiding.

Voor we zover zijn, moet er nog veel werk worden verricht: de vzw's oprichten, de verdragen over het statuut van de HIBO's en de financiering daarvan wijzigen, het statuut aanpassen aan de kenmerken van de huisartsengeneeskunde en aan een praktijk buiten het ziekenhuis, overleg plegen met de stagemeesters en de HIBO's ... Dat alles vergt tijd. Het ziet ernaar uit dat het nieuwe statuut niet voor juli 2008 wordt bereikt.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het garantiefonds» (nr. 3-2170)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Al in 2000 stelde de toenmalige staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking voor om een financieel mechanisme op te richten dat investeerders in eerlijke handel een risicoverzekering en een tegemoetkoming in de prefinanciering aanbiedt. De dekking van de risico's voor eerlijke handel verschilt van de dekking die door de Nationale Delcrederedienst wordt aangeboden. De NDD is de kredietverzekeraar voor de reguliere export, maar beschikt niet over een aangepaste werkwijze op maat van ngo's.

In haar rapport van 2003 vermeldde de Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling dat er een budget voor de oprichting van een garantiefonds voor eerlijke handel zou komen, dat in het BTC zou worden geïntegreerd. Tijdens de hoorzittingen in de commissie Globalisering bracht de heer Bontemps, van Ethibel, de oprichting van een garantiefonds opnieuw onder de aandacht. Hij stipte aan dat een garantiefonds voor de eerlijke handel een waardevol instrument is.

Uit het antwoord van de minister op mijn schriftelijke vraag blijkt echter dat er geen consensus wordt gevonden over de vorm van zulk een fonds. De minister stelde dat de oprichting van een garantiefonds geen deel uitmaakt van zijn overeenkomst met het Fair Trade Centre, FTC, en de BTC. Dit is een stap achteruit voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking.

Waarom maakt de oprichting van een garantiefonds geen deel uit van de overeenkomst tussen de minister en het FTC en de BTC? Op basis van welke argumenten heeft hij deze beslissing genomen? Binnen welke termijn plant de minister alsnog de oprichting van het garantiefonds? Welke middelen zullen hiervoor worden uitgetrokken? Wordt de oprichting van het garantiefonds opgenomen in een volgend beheerscontract met de BTC en het FTC?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister De Decker.

Een overeenkomst met de BTC van 16 juni 2003 regelde het beheer van een `garantiemechanisme voor transacties van eerlijke handel'. Dit mechanisme heeft echter nooit gewerkt. Er werd slechts één aanvraag ingediend, die bovendien door de inspecteur van Financiën onontvankelijk werd verklaard. De voornaamste reden voor dit gebrek aan interesse ligt in het feit dat dit mechanisme niet is afgestemd op de noden van de actoren uit de sector.

In een brief van 23 april 2004 merkten de vijf belangrijkste organisaties van eerlijke handel - Max Havelaar, Oxfam Wereldwinkels, Miel Maya Honing, Fair Trade Original - inderdaad op dat het huidige mechanisme alleen betrekking heeft op drie ngo's van eerlijke handel, terwijl het oorspronkelijk ook de mogelijkheid moest bieden de voorlopige financieringen van de privéactoren te verzekeren. Daarnaast stellen de organisaties dat het huidige mechanisme niet tegemoet komt aan hun noden op het vlak van de aard van de gedekte risico's van eerlijke handel. Daarom heeft geen enkele van deze ngo's een dossier ingediend.

De BTC heeft dan aan de Nationale Delcrederedienst gevraagd om een ontwerp voor te bereiden voor een aangepast garantiemechanisme. Het `Voorstel van een product gericht op het verzekeren van de risico's verbonden aan prefinancieringen in het kader van fair trade transacties' van 20 oktober 2004 beantwoordde aan bepaalde bekommernissen van de sector, in het bijzonder betreffende de dekking van het debiteursrisico en de uitbreiding van het aantal begunstigden.

De verhouding tussen de kosten en de baten van zo'n een garantiefonds bleek echter niet meer interessant voor het merendeel van de actoren van de sector wegens een zeer zware administratieve last. Daarom werd de overeenkomst van 16 juni 2003 betreffende het `garantiemechanisme voor transacties van eerlijke handel', die eindigde op 30 juni 2005, niet meer verlengd.

Op een bepaald moment werd overwogen om een garantiemechanisme op te nemen in de overeenkomst die op 16 juni 2005 door de BTC en door het departement Ontwikkelingssamenwerking werd ondertekend om het Fair Trade Centre bij de BTC onder te brengen. Om bovenvermelde redenen werd dat denkspoor echter verlaten.

Het was dus beter om in te gaan op het voorstel van de organisaties voor eerlijke handel en middelen te besteden aan de oprichting van een fonds voor de ontwikkeling van producten uit eerlijke handel.

De overeenkomst betreffende het Fair Trade Centre bevat dus een mechanisme om de commercialisering van producten uit eerlijke handel te ondersteunen. Wil men van de eerlijke handel een doeltreffend instrument in de strijd tegen de armoede maken, dan moeten de arme producenten de gelegenheid krijgen om een duurzame economische activiteit te ontplooien en meer bepaald nieuwe producten voort te brengen of bestaande producten te verbeteren.

In die optiek verdienen verschillende activiteiten de steun van het Faire Trade Centre van de BTC: marktonderzoeken, nieuwe producten ontwikkelen, de kwaliteit van bestaande producten verbeteren, kwaliteitscontrole, opleiding van producenten in management en marketing, deelnemen aan handelsbeurzen, company matching om producenten en importeurs rechtstreeks met elkaar in contact te brengen.

Die activiteiten worden tot maximaal 75% gefinancierd, maar kunnen wel het beslissende duwtje in de rug van de producenten zijn.

Het reglement staat op de webstek http://www.befair.be/en/articles/www-befair-be/6-producer-support/producer-support.cfm. Er worden ook gesteunde projecten voorgesteld.

De volgende overeenkomst betreffende het Fair Trade Centre bij de BTC voorziet niet in een garantiefonds. Het zou echter wel interessant kunnen zijn om na te gaan of het haalbaar is een fonds voor lagerenteleningen op te richten. Dankzij een dergelijk fonds kunnen verschillende actoren uit de eerlijke handel - of het nu ngo's zijn of niet - hun bestellingen makkelijker voorafbetalen. De voor eerlijke handel specifieke voorafbetalingen wegen immers zwaar op hun liquiditeiten.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Zoals altijd is het antwoord van de minister heel uitgebreid. Als ik merk hoe moeilijk het is om een meerderheid te vinden voor een resolutie over eerlijke handel in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen, dan word ik wat ongerust. Ik blijf het dossier op de voet volgen en ik hoop dat ook de minister er zijn schouders blijft onder zetten. Eerlijke handel is immers een van de middelen om de armoede in de derdewereldlanden terug te dringen.

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het holebibeleid» (nr. 3-2186)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Buitenlandse data alsook data van de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen tonen duidelijk aan dat holebi's geconfronteerd worden met discriminaties en pesterijen op het werk, zowel bij de indienstneming, de selectie, de doorstroming als bij ontslag. In het najaar 2006 zei de minister dat hij wachtte op de resultaten van diverse onderzoeken om zo het beleid eventueel te kunnen aanpassen.

Zijn er al resultaten van het onderzoek van het Centrum voor Gelijkheid van kansen en racismebestrijding (CGKR) naar discriminatie van holebi's op de werkvloer? Zijn er al resultaten van het onderzoek van de FOD Personeel en Organisatie naar het beeld van homoseksualiteit in de overheidsdiensten? Heeft de minister al initiatieven genomen om deze bevindingen te integreren in zijn beleid?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Dupont.

Mevrouw Geerts verwijst naar buitenlandse gegevens en naar gegevens van de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen over de discriminaties die holebi's ondergaan. Ze wijst zo onrechtstreeks op het cruciale gebrek aan federale gegevens over homofobe discriminaties. Om dit gebrek aan gegevens te verhelpen heb ik beslist twee studies te laten uitvoeren.

Om de discriminaties die holebi's treffen efficiënt te bestrijden, is het belangrijk een grondige kennis te hebben van het type discriminatie dat zich voordoet. Er werden dus twee studies tegelijkertijd aangevat: de ene wordt gecoördineerd door het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en heeft tot doel de homofobe discriminaties op de arbeidsmarkt in België af te bakenen. De andere wordt gecoördineerd door de Cel Diversiteit van het Openbaar Ambt en heeft tot doel de specifieke discriminaties in het Federaal openbaar ambt te onderscheiden.

Het Centrum heeft onlangs een onderzoekscontract voor een duur van 12 maanden toegekend aan een universitair team. Aangezien de studie nog maar pas gestart is, kan ik nog geen resultaten meedelen.

Wat het onderzoek binnen het Federaal openbaar ambt betreft, beogen de tussentijdse resultaten de identificatie van bepaalde discriminaties. Eén persoon op twee is immers van mening dat het moeilijk is zijn homoseksualiteit op het werk bekend te maken, en één respondent op drie is van mening dat een persoon die zich als homoseksueel out in de overheidsdiensten, zijn loopbaan schade berokkent. De eindresultaten van deze studie zullen eind mei worden voorgesteld en bij deze gelegenheid zullen de aanbevelingen om een efficiënt beleid ter bestrijding van de homofobe discriminaties te voeren, worden voorgesteld.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik ben zeker niet gekant tegen onderzoek, maar we moeten daar toch mee opletten. We krijgen immers dikwijls het gevoel dat we ons goed bewust zijn van een problematiek, maar we blijven aansporingen door het beleid uitstellen omdat we wachten op resultaten van onderzoek. De conclusie is eenvoudig: als de minister de resultaten eind mei ontvangt, kan hij ze niet meer integreren in het huidige beleid. Voor de holebi's is het te hopen dat de ministers in de volgende regering zich niet geroepen voelen het onderzoek van vooraf aan te beginnen. Wat de timing betreft, is dit wel een gemiste kans.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «de hervorming van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G» (nr. 3-2191).

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Sinds mijn toespraak van 1 maart 2007 over de hervorming van het rijbewijs, werd mijn aandacht getrokken door de nieuwe regelgeving inzake het rijbewijs G.

Sinds 15 september mogen jongeren van 16 jaar met een rijbewijs G een landbouwvoertuig van minder dan 20 ton besturen. Om een voertuig van meer dan 20 ton te besturen, moet men 18 jaar zijn.

De rijopleiding voor een voertuig van categorie G bevat verschillende onderdelen. Zo moet men slagen voor een specifiek theoretisch examen, een praktische opleiding volgen van minstens acht uur in een erkende rijschool of landbouwschool en slagen voor een specifiek praktisch examen.

De kostprijs van dat rijbewijs is betrekkelijk hoog. Men moet de praktische opleiding betalen, het examengeld, enzovoorts.

In landelijke gebieden waar talloze jongeren occasioneel landbouwvoertuigen besturen, kunnen daardoor problemen rijzen. Ik vermeld het voorbeeld van een jongere die driemaal per jaar met een trekker van 20 of 35 pk hout gaat halen in het bos. De uitgaven om een rijbewijs te halen staan niet in verhouding tot het gebruik van het voertuig. De regelgeving belet talloze jongeren in een landelijk gebied om zich van tijd tot tijd nuttig in te zetten.

Zou u voor dat soort van activiteiten een eenvoudiger of beter aangepaste oplossing kunnen vinden en daarbij bijvoorbeeld rekening kunnen houden met het vermogen of het gewicht van het landbouwvoertuig?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.

De nieuwe regelgeving met betrekking tot het besturen van landbouwtrekkers komt tegemoet aan verschillende vereisten zoals de technologische ontwikkeling van landbouwvoertuigen, het feit dat die voertuigen zich steeds vaker op de openbare weg moeten begeven, het voortdurend streven naar meer veiligheid voor de gebruikers en de vereenvoudiging van de regelgeving inzake rijbewijzen die de bestuurders van landbouwtrekkers er in de meeste gevallen toe verplichtte een rijbewijs C of een rijbewijs C+E te behalen.

Om al die doelstellingen met elkaar te verzoenen werd een rijbewijs G ingevoerd. Het kan behaald worden na een opleiding en een specifiek theoretisch en praktisch examen. Hoewel de nieuwe regelgeving veel lastiger lijkt, laat ze jongeren vanaf 16 jaar toe om voertuigen van categorie G te besturen die niet zwaarder zijn dan 20 ton.

Bovendien is het voortaan mogelijk om met een rijbewijs C en C+E en C1 en C1+E evenals met een rijbewijs B en B+E uitgereikt vóór 15 september 2006 voertuigen van categorie G te besturen die niet zwaarder zijn dan voertuigen die mogen bestuurd worden met voornoemde rijbewijzen.

Om het probleem op te lossen waarop de heer Collas heeft gewezen, zal de regelgeving worden gewijzigd zodat rijbewijzen B en B+E die sinds 15 september 2006 zijn uitgereikt, ook gelden voor het besturen van voertuigen van categorie G met hetzelfde toegelaten gewicht als dat van voertuigen waarvoor die rijbewijzen gelden.

Om het verwerven van het rijbewijs G te vergemakkelijken zal worden voorgesteld om de verplichte voorbereidende opleiding voor het praktisch examen te schrappen. Kandidaten kunnen aan het examen deelnemen zonder opleiding in een erkende rijschool, een landbouwschool of in een landbouwopleidingscentrum. Kandidaten die de door die instanties georganiseerde opleiding niet volgen, mogen evenwel niet op de openbare weg rijden; ze mogen alleen op een privéterrein rijden en genieten van een vrijstelling van rijbewijs om te kunnen deelnemen aan het praktische rijexamen.

De heer Berni Collas (MR). - Dat antwoord voldoet ruimschoots. U weet dat ik een landelijk gebied woon. De mensen zijn er ontevreden dat ze 750 euro meer moeten betalen.

Over het besturen van zware voertuigen is men terecht bezorgd. Veel mensen besturen echter nog trekkers van 20 of 35 pk. Talloze jongeren maken er af en toe gebruik van.

Uw antwoorden en correcties lossen de problemen die ik heb aangekaart al in zekere mate op en dat verheugt me.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 22 maart 2007 om 10.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 17.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van de Casteele en de heer Van den Brande, in het buitenland, mevrouw Bousakla, om gezondheidsredenen, de heren Destexhe en Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Stemming 2

Aanwezig: 58
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 19
Tegen: 39
Onthoudingen: 1

Voor

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Isabelle Durant.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 39
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 38
Onthoudingen: 1

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Isabelle Durant.

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 39
Tegen: 11
Onthoudingen: 12

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Stemming 7

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 8

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 9

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 10

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 13
Onthoudingen: 7

Voor

Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Jihane Annane, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Luc Paque, François Roelants du Vivier.

Stemming 11

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Stemming 12

Aanwezig: 60
Voor: 37
Tegen: 9
Onthoudingen: 14

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Isabelle Durant, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen met het oog op de invoering van de deelname op afstand aan de algemene vergadering (van mevrouw Stéphanie Anseeuw en de heer Luc Willems; Stuk 3-2111/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, teneinde de taalkennis van de beroepsbeoefenaars van de gezondheidszorgberoepen op te leggen (van de heren Yves Buysse en Joris Van Hauthem; Stuk 3-2113/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende toepassing van de scheiding van de Staat en de religieuze of niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties of gemeenschappen (van de heer Pierre Galand; Stuk 3-2115/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet, teneinde hierin het begrip scheiding van Kerk en Staat in te voeren (van mevrouw Amina Derbaki Sbaï; Stuk 3-2112/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocatie

Bij boodschap van 13 maart 2007 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Wetsontwerp tot invoering van de mogelijkheid tot onmiddellijke inning bij verkeersovertredingen begaan door militairen (Stuk 3-2073/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations (van de Regering; Stuk 3-2114/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (van de Regering; Stuk 3-2117/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 155 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, aangenomen te Genève op 22 juni 1981 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (van de Regering; Stuk 3-2118/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel, gedaan te Warschau op 16 mei 2005 (van de Regering; Stuk 3-2119/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met Resolutie 997, aangenomen door de Raad van de IOM tijdens zijn 421e vergadering op 24 november 1998, tot wijziging van het Statuut van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) (van de Regering; Stuk 3-2120/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de arbeidsauditeur te Kortrijk-Ieper-Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Kortrijk-Ieper-Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 7 maart 2007.

Bij brief van 27 februari 2007 heeft de arbeidsauditeur te Tongeren overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 februari 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parket

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Parket van de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 8 maart 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van koophandel

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2006 van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2006 van de Rechtbank van koophandel te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 februari 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbank

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 9 maart 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.