3-177 | Belgische Senaat | 3-177 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Overlijden van een oud-senator
Inoverwegingneming van voorstellen
Ontwerp van programmawet (Stuk 3-1774) (Evocatieprocedure)
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Stuk 3-1775) (Evocatieprocedure)
Ontwerp van programmawet (Stuk 3-1774) (Evocatieprocedure)
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Stuk 3-1775) (Evocatieprocedure)
Ontwerp van programmawet (Stuk 3-1774) (Evocatieprocedure)
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Stuk 3-1775) (Evocatieprocedure)
In overweging genomen voorstellen
Informele mededeling van een verdrag
Arbitragehof - Prejudiciële vragen
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 15.20 uur.)
De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Jan Lenssens, gewezen senator voor het arrondissement van Dendermonde-Sint-Niklaas.
Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - De staatssecretaris verklaarde in maart 2006 dat de overheid in 2005 slechts 181 miljoen euro verlies leed door BTW-fraude. Hoewel dit cijfer hoger ligt dan het cijfer van 2004, toen het 159 miljoen euro bedroeg, toonde het volgens de staatssecretaris duidelijk aan dat de strijd tegen de fiscale fraude zijn vruchten afwerpt. In 2001 bedroeg het verlies van de Schatkist door BTW-carrousels immers nog 1,1 miljard euro. Uit cijfers van een Britse krant blijkt dat de Belgische staat niet 181 miljoen euro, maar wel 1,329 miljard euro misliep door BTW-fraude. In heel Europa zou het volgens diezelfde krant jaarlijks gaan om 50 miljard euro. EU-commissaris László Kovács gaf op 28 mei 2006 aan dat de BTW-fraude Europa 60 miljard euro per jaar kost. Deze fraude omvat 10% van alle transacties. Op 1 juni raakte bekend dat Groot-Brittannië, gezien de omvang van de fraude, van de Europese Commissie toestemming heeft gekregen om een `reverse charge' of `verlegging van BTW-heffing' in te voeren op fraudegevoelige artikelen zoals mobiele telefoons en computers. Deze maatregel houdt in dat de BTW slechts eenmaal wordt aangerekend op het einde van de waardeketen, dus bij de eindafnemer/consument. In het huidige BTW-stelsel wordt de BTW geïnd telkenmale de goederen worden verkocht. De BTW wordt telkenmale terugbetaald behalve wanneer het een eindverbruiker/consument betreft. Door de `reverse charge' worden BTW-carrousels voor deze producten onmogelijk en bovendien is dit systeem efficiënt en eenvoudig.
In het eerste kwartaal van dit jaar steeg de BTW-carrouselfraude in Groot-Brittannië met 50% en de laatste 12 maanden steeg deze met 500%. Kan de staatssecretaris aangeven of deze stijging zich ook in België voordoet? Zo neen, kan hij de redenen hiervoor geven? Zo ja, kan hij dan zeggen welke bijkomende maatregelen hij heeft getroffen?
Hoe reageert hij op het cijfer van 1,3 miljard euro dat door The Guardian en door de Europese Commissie naar voren wordt geschoven? Kan hij dat toelichten?
Kan hij uitvoerig toelichten of hij voorstander is van de Britse maatregelen in de strijd tegen de BTW-fraude waarbij voor fraudegevoelige, specifieke productcategorieën een systeem van `reverse charge' of `verlegging van de BTW-heffing' wordt ingevoerd? Wat zijn de voordelen daarvan?
Is hij zinnens om aan de Europese Commissie de toelating te vragen om een systeem van verlegging van BTW-heffing door te voeren voor fraudegevoelige producten?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - De enorme stijging van de BTW-carrouselfraude die Groot-Brittannië op grond van de in The Guardian geciteerde cijfers zou ondervinden, blijkt niet uit de vaststellingen van onze Belgische gespecialiseerde diensten, met name de bijzondere belastinginspectie, de ondersteuningscel carrouselfraude en de ambtenaren gedetacheerd bij de CDGEFID. Daarmee wil ik de budgettaire impact van de BTW-carrousels niet minimaliseren, want in het eerste semester van 2006 werden vaststellingen inzake BTW-carrouselfraude gedaan ten bedrage van 135 miljoen euro. Dat de BTW-carrouselfraude in België zo geen exponentiële groei kent als in Groot-Brittannië is te danken aan de coherente aanpak van deze problematiek onder deze en vorige legislatuur. Immers, nadat de noodzaak van een krachtdadige aanpak van de grote fiscale fraude aan de orde werd gesteld in het eindverslag van de Senaatscommissie belast met het onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België van 8 december 1998, werd een hele batterij maatregelen genomen met het oog op de gerichte, multidisciplinaire aanpak van onder meer BTW-carrousels.
Wat de interdepartementale samenwerking betreft, omvat dit onder meer:
Er werden ook specifieke initiatieven gelanceerd binnen het departement van Financiën zoals:
Er wordt ook gebruik gemaakt van privaat-publieke samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van het Europese project inzake de uitwisseling van accijnsinformatie. In samenspraak met de Belgische en Nederlandse beroepsfederaties verstrekken de belangrijkste operatoren meteen spontaan informatie.
Deze talrijke structurele manieren van fraudebestrijding zorgen er ieder jaar voor dat er steeds minder geld aan de Schatkist onttrokken wordt als gevolg van BTW-fraude, zowel in de sector van de minerale oliën als in andere fraudegevoelige sectoren.
In het kader van de laatste programmawet wordt dit arsenaal nog uitgebreid met bijkomende maatregelen, zoals de aansprakelijkheid van de bestuurders ten aanzien van BTW en bedrijfsvoorheffing. Met een nieuwe §4 in artikel 51 van het BTW-wetboek wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid ingevoerd van BTW-plichtigen die wisten, of hadden moeten weten, dat ze betrokken zijn bij BTW-carrouselfraude.
Wat de Britse maatregelen betreft, heeft Groot-Brittannië op 1 juni 2006 aan de Commissie gevraagd om op voorstel van de Commissie door de Raad te worden gemachtigd om van de zesde BTW-richtlijn afwijkende maatregelen in te voeren in de interne rechtsorde. De administratieve procedure die hiertoe moet leiden is nog maar pas opgestart. Rekening houdend met de fundamentele discussies die omtrent de toepassing van de `verlegging van heffing' momenteel op communautair vlak worden gevoerd, is de machtigingsprocedure voor het Britse dossier dus nog verre van afgerond. Er is zelfs nog geen voorstel van de diensten van de Commissie.
Meer in het algemeen moet de Britse aanvraag worden geplaatst in het geheel van de intense besprekingen die sinds het Oostenrijkse voorzitterschap op communautair vlak werden aangevat inzake de toepassing van de verlegging van heffing als instrument in de strijd tegen de fiscale fraude.
Ingevolge een beslissing van de informele vergadering op hoog niveau inzake de belastingheffing en de strijd tegen de fraude in Wenen begin februari dit jaar, heeft de Commissie een technische werkgroep opgericht om met de geïnteresseerde lidstaten te onderzoeken of de verlegging van heffing een efficiënt werkinstrument kon zijn in de strijd tegen de fiscale fraude. Deze werkgroep, waaraan uiteindelijk alle lidstaten hebben deelgenomen, heeft vergaderd op 27 maart, 24 april en 17 mei van dit jaar. De conclusies van deze werkgroep werden door de Commissie mondeling toegelicht op de ECOFIN-Raad van 7 juni 2006 samen met de meer omvattende mededeling van de Commissie aan de Raad over de ontwikkeling van een strategie tot verbetering van de werking van het BTW-systeem in het kader van de interne markt. Deze mededeling verwijst naar de verlegging van heffing, maar tevens naar een aantal alternatieven die zouden kunnen worden gebruikt in het kader van de strijd tegen de BTW-fraude. Zoals ook aangegeven in de mededeling van de Commissie, concludeert de werkgroep ad hoc dat de basisvoorwaarde voor elke fundamentele aanpassing van het BTW-systeem met het oog op de strijd tegen de fiscale fraude, moet sporen met de volgende parameters: de bestaande fraudemogelijkheden aanzienlijk verminderen en tegelijkertijd nieuwe belangrijke frauderisico's uitsluiten, geen disproportionele administratieve lasten met zich meebrengen voor bedrijven of belastingadministraties, de neutraliteit van de BTW blijven waarborgen, binnen een lidstaat een niet discriminatoire behandeling waarborgen van aldaar gevestigde en aldaar niet gevestigde belastingplichtigen.
Wat de concrete evaluatie van het systeem van de verlegging van heffing betreft, was de conclusie dat het systeem zowel belangrijke voordelen als belangrijke nadelen in zich draagt, zodat het voorbarig zou zijn hieruit definitieve conclusies te trekken.
Op basis van de voorstelling van de conclusies van de werkgroep en de mededeling van de Commissie, heeft de Raad besloten dat de verschillende denksporen aangebracht door de mededeling van de Commissie, verder moeten worden onderzocht en in het bijzonder de waarde van de verlegging van heffing als antifraude-instrument verder in detail dient te worden geanalyseerd. De Raad zou dan eind 2006 bekijken welke elementen kunnen worden opgenomen in een algemene antifraudestrategie.
De Europese besprekingen over deze problematiek lopen dus onverminderd verder. Op 20 juli eerstkomend zal een vergadering plaatsvinden in de werkgroep Fiscale Vraagstukken van de Raad over de mededeling van de Commissie met betrekking tot een strategie tot verbetering van de werking van het BTW-systeem binnen de interne markt waarna er ongetwijfeld nog verder onderzoek en besprekingen op communautair vlak zullen volgen.
Mijn diensten volgen deze werkzaamheden van nabij op om hieruit te gepasten tijde, met inachtneming van de eigenheden van de Belgische situatie en met kennis van alle relevante technische, juridische, economische en budgettaire aspecten die verbonden zijn aan de invoering van een verlegging van heffing, de gepaste conclusies te kunnen trekken voor wat een sectorale of meer veralgemeende aanwending van de verlegging van heffing in de strijd tegen specifieke vormen van BTW-fraude betreft.
In die zin bestuderen we nu concreet de mogelijkheid om de toelating te vragen om op grond van artikel 27 van de zesde BTW-richtlijn de verlegging van de heffing te mogen toepassen tussen BTW-plichtigen in de sector van de telecommunicatie waar, op grond van onze vaststellingen, grootschalige fiscale fraude voorkomt.
Met dat voorstel willen we specifiek de veel voorkomende crossborder fraude en carrouselfraude met resellers aanpakken. Via die structuren worden de belwinkels bevoorraad. Die ontwijken de voorfinanciering van de BTW op de aangekochte beleenheden, wat een onmiddellijk voordeel van 21% oplevert. Vervolgens worden verkopen niet aangegeven, wat opnieuw een voordeel inzake BTW en inkomstenbelasting oplevert. Bonafide carriers, providers en belwinkels worden op die manier buitenspel gezet.
Via de verlegging van de heffing zouden Belgische operatoren opnieuw rechtstreeks kunnen verkopen aan de belwinkels, die niet langer de BTW zouden moeten voorfinancieren. Door de ketting van malafide buitenlandse en binnenlandse resellers uit te schakelen kan het zwarte circuit in de sector worden aangepakt. Zo verbetert de concurrentiepositie van Belgische operatoren ten opzichte van buitenlandse operatoren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Op 4 juli jongstleden werd een kerk in Anderlecht onder politiedwang ontruimd. Achtenveertig mensen, onder wie kleine kinderen, werden administratief aangehouden, weggevoerd en in het gesloten centrum van Vottem opgesloten.
De ontruiming moet worden beschouwd als een precedent en een politiek feit. Voor de eerste maal hebben politiediensten op die wijze in een kerk betreden. De pastoor van de kerk voerde nochtans een permanente dialoog met de gemeentelijke autoriteiten en de lokale politie van de zone Brussel-Zuid. Er was afgesproken dat de kerkbezetting op 21 juli zou worden beëindigd. Toch beval de burgemeester op een onverwacht moment tot de ontruiming.
Is de minister op de hoogte van het feit dat bij de politieactie minderjarigen werden weggevoerd en opgesloten?
Staat hij achter de werkwijze om kerken binnen te vallen en onder dwang te ontruimen?
Wat is zijn beleid in verband met alle minderjarigen die nu in gesloten asielcentra zijn opgesloten?
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik werd vlak voor de interventie van de politiediensten van start ging op de hoogte gebracht. De actie is trouwens volledig correct verlopen op basis van een besluit van de burgemeester van Anderlecht. Volgens de diensten werden vier minderjarige kinderen samen met hun ouders naar het opvangcentrum van Steenokkerzeel overgebracht. Een gezin met drie kinderen werd intussen in vrijheid gesteld nadat was gebleken dat een repatriëring niet mogelijk was.
De handhaving van de openbare orde, rust en hygiëne is in de eerste plaats een bevoegdheid van de lokale overheid. Volgens de inlichtingen die ik heb ontvangen, werd de kerk ontruimd op basis van een gemotiveerde politieverordening van de burgemeester en met respect voor de wetsbepalingen ter zake. Ik hoor mij als minister niet in deze aangelegenheid te mengen.
De regering opteert inzake verwijderingen voor een getrapt systeem. Een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft, krijgt in principe eerst de kans om het land vrijwillig te verlaten. Als hij administratieve of financiële hulp nodig heeft, dan kan hij steeds een beroep doen op de diensten van de Internationale Organisatie voor migratie. Het is ook mogelijk dat een vreemdeling weigert vrijwillig gevolg te geven aan een rechtsgeldig betekend bevel om het grondgebied te verlaten.
Op dat ogenblik ben ik genoodzaakt over te gaan tot gedwongen verwijdering. Het gelijkheidsprincipe voor ogen houdend, mag deze regel niet alleen gelden voor alleenstaanden, maar ook voor gezinnen.
Administratieve vrijheidsberoving van gezinnen met kinderen is een gevoelige zaak. Ik dring er bij mijn diensten dan ook geregeld op aan om het verblijf van gezinnen met kinderen in een gesloten centrum zo beperkt mogelijk te houden. In uitvoering van het regeerakkoord heb ik in de gesloten centra afzonderlijke afdelingen gecreëerd voor gezinnen met kinderen, waar een losser regime van toepassing is en een ruimere omkadering voorhanden is.
In het verleden heeft de dienst Vreemdelingenzaken alternatieven voor de opsluiting van gezinnen in illegaal verblijf uitgeprobeerd. Ze gaven evenwel geen volledige genoegdoening en werden ook gecontesteerd. Ik blijf echter bereid om andere oplossingen te bekijken, wat ik trouwens ook onlangs in de Kamer heb bevestigd. Bovendien heb ik reeds de opdracht gegeven een studie te maken over deze problematiek. Op korte termijn zal ik daaraan conclusies verbinden. Daarenboven heb ik me zowel in de Kamer als in de Senaat ertoe verbonden met de bevoegde commissie over de resultaten van deze studie te debatteren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Bij de ontruiming van de kerk in Anderlecht was er geen sprake van een getrapt systeem. Er waren immers mensen in de diverse stadia van de procedure. Sommigen hadden van nog geen enkele dienst antwoord gekregen en anderen hadden geen bevel tot het verlaten van het grondgebied gekregen.
Ook bij andere acties en politiemaatregelen werden kerken of kerkgebouwen betreden tijdens de erediensten. Wat zal het statuut van een kerk in de toekomst zijn? Als een kerk voortaan openbare ruimte wordt, is het statuut ervan wel veranderd.
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - In de kerk waren grosso modo drie categorieën van mensen aanwezig: mensen die in een asielprocedure zaten, mensen die op een of andere manier wel bekend waren bij de dienst Vreemdelingenzaken en ten slotte mensen die geen enkele aanvraag voor wat dan ook hadden ingediend. De laatsten zouden we de `zuivere illegalen' kunnen noemen. Als illegalen op ons grondgebied worden onderschept, treedt altijd het systeem van uitwijzing in werking, waarbij deze mensen altijd eerst de gelegenheid krijgen vrijwillig het grondgebied te verlaten. Wij organiseren dus niet voor ons plezier vluchten en gedwongen repatriëringen.
Dan is er de moeilijke vraag over het statuut van een kerk. De burgemeester werd gealarmeerd door de politie en in zekere zin had ook de kerkelijke overheid erop gewezen dat er in het heterogene gezelschap geregeld schermutselingen waren. Soms ging het om agressiviteit, maar soms ook om echte vechtpartijen. Er was dus wel degelijk een gevaar voor de openbare orde. Bovendien geeft een langdurige bezetting van een kerk ook problemen met de hygiëne.
Op basis van die twee elementen heeft de burgemeester een besluit genomen en, nogmaals, dat is zijn taak. Zodra de beslissing genomen was, werd de dienst Vreemdelingenzaken gevraagd de betrokkenen te identificeren. De dienst moet daaraan meewerken, want dat behoort tot zijn wettelijke opdracht. Daarvoor moet de minister zelfs geen beslissing nemen; dat staat zo in de wetgeving van 1980 ingeschreven.
Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - De ministers van Buitenlandse Zaken van 57 landen uit Europa en Afrika hebben op 10 en 11 juli 2006 gedurende twee dagen vergaderd voor een ontmoeting, de eerste in haar soort, over migratie en ontwikkeling. Marokko en Spanje waren vragende partij voor die top na het binnenvallen van clandestiene Afrikanen in de Spaanse enclaves van Ceuta en Melilla in het noorden van Marokko in oktober 2005.
De top resulteerde in een actieplan dat de clandestiene immigratie en de armoede moet bestrijden en de grenscontroles moet versterken. Concreet voorziet het actieplan in een betere coördinatie tussen emigratie-, doorreis- en opvanglanden voor de bewaking van de grenzen en zeeroutes en de oprichting van een Euro-Afrikaans migratieobservatorium. Als repressieve maatregelen dachten de ministers zelfs aan gemeenschappelijke politiepatrouilles in de Middellandse Zee en langs de kusten van Oost-Afrika om de migrantenboten tegen te houden.
Op de agenda stonden ook armoedebestrijding, ontwikkelingsprojecten, taalopleiding en onderwijs van potentiële immigranten.
Het actieplan, dat voorziet in scherpere repressieve maatregelen tegen de clandestiene immigratie, kwam tot stand in ruil voor een groots opgezet plan voor Europese steun voor het creëren van werkgelegenheid voor de jonge Afrikanen.
De conferentie van Rabat moet het immigratiedebat opnieuw in het bredere perspectief van een echt partnerschap ten dienste van de Afrikaanse en Europese samenlevingen plaatsen. We zouden ook een co-ontwikkeling moeten aanbevelen in partnerschap met de Europese Afrikanen die vaak bereid zijn een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van hun streek van herkomst. Het akkoord sluit aan op de verklaring van Schuman van 9 mei 1950 waarin staat: `Europa zal met de toegenomen middelen de realisatie van een van zijn essentiële taken kunnen voortzetten: de ontwikkeling van het Afrikaanse continent.'
Welk beleid zal België voeren om dat Europees actieplan te steunen en welke middelen zullen daarvoor worden uitgetrokken?
Komt er een versterking of herziening van het huidige beleid inzake de Millenniumdoelstellingen? Ik herinner eraan dat de strijd tegen de illegale immigratie moet met eerbied voor de menselijke waardigheid worden gevoerd.
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Mijn collega van Ontwikkelingssamenwerking, Armand De Decker, heeft België op die conferentie vertegenwoordigd.
De politieke verklaring en het actieplan werden echter voorbereid in nauwe samenwerking met mijn departement en dat van Buitenlandse Zaken.
Zoals u onderstreept, was het de eerste keer dat een dergelijke conferentie plaatsvond, omdat het de eerste keer is dat politieke vertegenwoordigers van de landen van bestemming, doorreis en herkomst bijeenkwamen. De conferentie heeft echter nog andere verdiensten.
De kwestie van de migratiestromen werd op een allesomvattende manier besproken, waarbij de diverse fasen van het migratieproces aan bod kwamen.
Alle aspecten met betrekking tot ontwikkeling, legale en illegale migratie kwamen aan bod. Het is de bedoeling ze zowel beleidsmatig als op het terrein op een meer coherente manier te behandelen.
Een louter repressief beleid volstaat niet als de diepere oorzaken van de migratie niet worden aangepakt. Afrika telt vandaag 900 miljoen mensen en de helft is jonger dan 17 jaar.
Als we die jongeren geen echte kansen bieden in hun eigen land, dan zullen we op korte termijn opnieuw met dezelfde crisissen worden geconfronteerd.
De conferentie heeft ook aangetoond dat de kwestie van de migratiestromen moet worden behandeld in een geest van medeverantwoordelijkheid. De ontwikkeling kan maar worden bevorderd door goed bestuur, evenwichtige menselijke en commerciële betrekkingen, de promotie van vrede en stabiliteit en een coherent internationaal beleid.
Dat partnerschap moet trouwens operationeel zijn. Een evenwichtig actieplan maakt dat mogelijk.
De bedoelde maatregelen hebben betrekking op de promotie van de ontwikkeling en samenwerkingsprogramma's voor het beheer van de legale migratie. Daarbij komen nog de maatregelen ter bestrijding van de illegale immigratie en de mensenhandel, met eerbied voor de menselijke waardigheid, en onze verplichtingen inzake asielrecht.
Het actieplan kan in een bilateraal of multilateraal kader worden uitgevoerd. Ik denk aan de Europese Unie.
Elke staat kiest de maatregelen en het uitvoeringskader die hij het meest gepast vindt.
België heeft al verschillende maatregelen uitgevoerd, namelijk een verhoogde capaciteit van de administraties die de migratie behandelen, onder meer in Marokko en in de Democratische Republiek Congo, steun voor de diaspora en kennisoverdracht, en het lanceren van informatiecampagnes.
Ik pleit voor de Europese Unie als kader voor die maatregelen. De financiële middelen zijn al beschikbaar via het Aeneas-programma - 250 miljoen euro - en het nabuurschapsbeleid.
Een actie in overleg met alle Europese partners zal overlapping voorkomen en de acties rationaliseren.
Ik herinner eraan dat ik voorstander ben van een grondig debat in de Raad van de Europese Unie over de legale migratie, een cruciale kwestie voor de Afrikanen op de conferentie van Rabat. Ik vind het absoluut noodzakelijk dit probleem te bespreken in partnerschap met de landen van herkomst. We willen niet aan braindrain doen, maar samen met de politieke leiders in Afrika een debat voeren over de migratie van hoog opgeleide, minder hoog opgeleide en ongeschoolde Afrikanen.
Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - Ik ben blij met de vooruitgang die in dit dossier is geboekt, vooral omdat de nodige kredieten ter beschikking zijn. Het komt er nu op aan de mentaliteit te veranderen en erop toe te zien dat het ontwikkelingsgeld goed doordacht wordt besteed. Tot op vandaag moeten wij ons nog niet schamen over onze samenwerking, maar we moeten de controle op de verschillende financieringswijzen verscherpen, er zeker van zijn dat de fondsen met kennis van zaken worden toegekend en dat de mensen er beter van worden.
Ik ben toch een beetje sceptisch over de gekozen vorm van migratie. Ik vind het beter dat de bekwame mensen in hun land blijven. Het is zeker in ons voordeel als we zelf kunnen bepalen wie we in ons land toelaten, maar we moeten de hoog opgeleiden in hun land laten zodat ze een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van hun land.
Ik wacht met ongeduld op de teksten van de conferentie.
De voorzitter. - Ik stel voor de vraag om uitleg en de mondelinge vraag samen te voegen. (Instemming)
De heer Philippe Mahoux (PS). - Over de harmonisering van de arbeiders- en bediendenstatuten wordt al jarenlang gedebatteerd door parlementsleden en sociale partners.
In 1979 werd via collectieve arbeidsovereenkomst een gewaarborgd maandloon voor arbeiders ingevoerd. In paritaire comités of subcomités werden verschillende reglementeringen uitgewerkt om de carensdag geheel of gedeeltelijk af te schaffen.
Toch blijven sommige sectoren achter en worden niet alle arbeiders gelijk behandeld.
De sociale partners moesten tegen eind vorig jaar een gedetailleerd rapport indienen over deze problematiek.
In het regeerakkoord stond dat de eenmaking van het statuut van arbeiders en bedienden zou worden nagestreefd, dat de regering van de sociale partners een strikt tijdschema verwachtte en dat de harmonisering niet beperkt mocht worden tot het arbeidsrecht, maar dat ook het sociale zekerheidsrecht moest worden eengemaakt.
Wat is de stand van zaken? Hoe ver staan de sociale partners? De minister volgt dit dossier ongetwijfeld van nabij. Welke initiatieven heeft hij genomen of zal hij nemen om het dossier vooruit te helpen?
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Ik verwijs naar de antwoorden van de voorbije maanden inzake het eenheidsstatuut en de langverwachte conclusies van de bijzondere commissie bij de Nationale Arbeidsraad aangaande het eenheidstatuut en de afschaffing van de bestaande tweedeling tussen arbeiders en bedienden.
De tweedeling is uiterst nefast voor de werkgelegenheid. Dat uit zich door een toenemend aantal knelpuntberoepen, meer werklozen en een totaal gebrek aan mobiliteit. Arbeiders hebben het bijzonder moeilijk om door te stoten tot het management en om promotie te maken.
Ik vrees dat het eenheidstatuut tot sint-juttemis wordt uitgesteld. Het is inmiddels zonneklaar dat de sociale partners geen voortgang maken in dat dossier. Haast nooit worden de afspraken nageleefd.
Zo werd in het interprofessioneel akkoord 2005-2006, dat door de regering werd overgenomen, bepaald dat een bijzondere commissie bij de Nationale Arbeidsraad conclusies zou indienen voor einde 2005. De deadline werd telkenmale verschoven, tot uiterlijk eind juni 2006.
Aangaande de langverwachte conclusies antwoordde de minister op een vraag die ik op 29 juni 2006 stelde: `Tot op heden heb ik de conclusies van de commissie nog niet ontvangen. Ik verwacht ze in de komende dagen'.
Als reden voor de vertraging verwees de minister naar de werkzaamheden van het generatiepact en de bijzondere expertise die de werkzaamheden vergden.
Het komt erop neer keuzes te maken. Kiest men voor de toekomst en dus voor een dynamische arbeidsmarkt of houdt men vast aan een ver verleden waar `den arbeider' minder voordelen mocht krijgen dan `de bediende'.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:
1. Heeft de minister na zes maanden en twee weken uitstel de conclusies van de commissie eindelijk ontvangen? Hij gaf immers op 29 juni aan dat het een kwestie van dagen was. Zo ja, wat zijn de hoofdlijnen van de conclusies? Tegen wanneer worden de discriminatie en de tweedeling op de arbeidsmarkt weggewerkt en welke maatregelen bepleit de commissie? Zo neen, wat zijn de oorzaken van de zoveelste vertraging?
2. De minister gaf tevens aan, zowel in 2005 als op 11 mei jongstleden en 29 juni dat, mochten de resultaten van de commissie uitblijven, hij zelf een initiatief zou nemen. Zal hij nu een initiatief nemen of wacht hij verder af?
3. Wat is de nieuwe absolute deadline voor de sociale partners om de resultaten voor te leggen?
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Zoals ik op 29 juni 2006 al zei, verwachtte ik de conclusies van de commissie tegen eind juni.
Aangezien ik nog niets heb ontvangen, heb ik de voorzitter van de Groep van 10 gevraagd mij toelichting te verschaffen over de werkzaamheden van de commissie.
Ik wacht het gesprek met de voorzitter af om te zien of en welke initiatieven eventueel nodig zijn. Voorlopig is er dan ook geen nieuwe deadline vastgesteld.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. We zouden de Groep van 10 of zijn voorzitter tot spoed kunnen aanzetten en hen horen in het parlement, maar in de huidige omstandigheden lijkt me dat te delicaat. Ik denk dat u met hen moet praten. We hopen dat u daarvan in het parlement verslag zult uitbrengen.
Man kan op coherente wijze de algehele harmonisering van de statuten nastreven. In de Kamer hebben twee socialistische collega's voostellen ingediend over twee deelaspecten: het eerste voorstel, onder andere ingediend door de heer Delizée, heeft betrekking op de carensdag en het andere over de duur van de opzeggingstermijn. Het betreft twee markante verschillen tussen de twee statuten, maar er zijn er nog meer ... Als er over de eenmaking van het geheel geen vooruitgang kan geboekt worden, moet men misschien overgaan tot gedeeltelijke harmonisering van bepaalde punten. Ik vind dat het parlement daarover een debat moet voeren.
We kijken dus uit naar de resultaten van de werkzaamheden van de Groep van 10.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Uit een onderzoek van Capgemini in opdracht van de Europese Commissie blijkt dat in ons land 47 procent van de Belgische overheidsdiensten volledig on line beschikbaar is. Twee jaar geleden was dat nog amper 35 procent. De stijging zou vooral te danken zijn aan de introductie van de een elektronische identiteitskaart. Een goede evolutie, maar moeten we toch niet veel ambitieuzer zijn? Uit hetzelfde onderzoek blijkt namelijk dat ons land daarmee slechts de zeventiende plaats in Europa bekleedt. Uit een onderzoek in het najaar 2005 op vraag van de minister bleek bovendien dat velen en vooral senioren sterk vragende partij zijn voor een nog grotere onlinebeschikbaarheid van overheidsdiensten.
Daarom kreeg ik van de minister graag antwoord op de volgende vragen.
Is een zeventiende plaats niet teleurstellend? Moeten wij als land dat investeert in kennis en innovatie, niet juist een voorloper zijn? Moeten we niet in de topvijf staan? Heeft de minister een actieplan met heel concrete doelstellingen qua verhoging van het percentage onlinebeschikbaarheid? Wat is de inhoud en de planning?
Voor welke concrete en tastbare toepassingen denkt de minister de onlinebeschikbaarheid van overheidsdiensten te verhogen? Zullen hierbij nog nieuwe eID-toepassingen worden gelanceerd? Zo ja, welke en tegen wanneer?
Is het samenwerkingsakkoord dat de minister onlangs met de deelstaten sloot, wel concreet en ambitieus genoeg?
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - De studie van Capgemini heeft alleen betrekking op de onlinebeschikbaarheid van 20 e-governmentdiensten. België heeft zijn inspanningen echter vooral gefocust op de integratie van de backoffices en de informatie-uitwisseling tussen de besturen en minder op het online aanbieden van bestaande diensten. Zo worden aan de burgers verschillende diensten automatisch ter beschikking gesteld zonder dat ze er iets voor moeten doen. Van de 20 door Capgemini doorgelichte diensten werden bijvoorbeeld de dienst kinderbijslag en de dienst inschrijving van voertuigen voor België niet in aanmerking genomen, gewoon omdat die diensten ten laste worden genomen door tussenpersonen, zonder dat de burger een aanvraag moet invullen op een website, zoals dat in andere landen het geval is. De studie van Capgemini meet dus niet de vooruitgang op het vlak van e-government, maar enkel de beschikbaarheid ervan, via internet, en dus niet via andere kanalen, noch de mate waarin de burger er werkelijk van gebruik maakt.
De informatie-uitwisseling tussen de besturen, de eenmalige inzameling van gegevens en het feit dat aan de burger geen informatie wordt gevraagd waarover het bestuur - welk bestuur dan ook - al beschikt, zijn doelstellingen die veel ambitieuzer zijn dan het louter ontwikkelen van een onlinedienstenaanbod dat niet verschilt van wat aan het loket of via de telefoon wordt aangeboden. Het klopt dat de resultaten misschien langer op zich laten wachten, maar de vooruitgang op het vlak van vereenvoudiging en efficiëntie is veel groter.
Er valt ook op te merken dat Capgemini reeds aan haar zesde meting toe is en dat de gebruikte methodologie, die dateert van 2000, haar grenzen heeft bereikt: er is geen reële vooruitgang meer bij de onderzochte landen. Het betreft dus de laatste meting op basis van de huidige methodologie. Er zijn besprekingen aan de gang met de Europese Commissie, waaraan ons land deelneemt, om andere indicatoren te definiëren voor het meten van de vooruitgang op het vlak van e-government, indicatoren die rekening houden met de eenmalige inzameling van gegevens en de automatische toekenning van rechten.
Het aantal op de elektronische identiteitskaart gebaseerde toepassingen neemt elke dag toe.
Toepassingen die momenteel worden ontwikkeld zijn onder meer het telewerk bij het federale bestuur via een VPN-verbinding, de integratie van de SIS-kaart, de elektronische toegang voor notarissen tot de hen betreffende toepassingen van de administratie, zoals de Tax-on-webtoepassing, de elektronische aangifte voor de sociale zekerheid door de werkgevers via de elektronische identiteitskaart, de elektronische indiening en ondertekening van de voorstellen van decreet bij het Vlaams Parlement, de controle van de toegang tot de gebouwen bij de gemeentebesturen of tot de containerparken, de onlinetoegang tot bibliotheken, de safe chatboxen voor kinderen en de aanvragen voor studiebeurzen bij de Vlaamse Gemeenschap.
Toepassingen waarmee we begonnen zijn, maar waarvan we pas op iets langere termijn concrete resultaten verwachten zijn onder meer de toegang tot het dossier bij rechtbanken, de toegang tot het medisch dossier en de integratie van het rijbewijs.
Uiteraard wordt de elektronische identiteitskaart ook in de privé-sector als identificatiemiddel gebruikt, waar ook voortdurend nieuwe toepassingen worden ontwikkeld.
Het samenwerkingsakkoord dat in 2001 werd gesloten, was te ambitieus en te abstract. Het strekte ertoe een gemeenschappelijk e-platform op te zetten en te exploiteren. Die doelstelling werd niet gehaald. We hebben dan ook een nieuw samenwerkingsakkoord gesloten, dat pragmatischer is en rekening houdt met de realiteit. Dat akkoord legt het referentiekader vast waarbinnen aan een geïntegreerd e-governmentbeleid wordt gewerkt met vrijwaring van de onafhankelijkheid van de verschillende partijen. De klemtoon wordt gelegd op de uitwisseling tussen de partijen eerder dan op de verwezenlijking van een gemeenschappelijk platform. Er werden verschillende werkgroepen opgericht waar de federale overheid en de gefedereerde entiteiten eindelijk kunnen discussiëren over essentiële thema's zoals authentieke bronnen, het beleid inzake veiligheid van de informatie en bescherming van de privacy, de identificatiesleutels enzovoort.
Er moeten nog uitvoeringsakkoorden volgen met betrekking tot specifieke projecten. Ook het strategisch comité dat in het kader van dat akkoord werd opgericht, werkt aan een document waarin een ontwikkelingshorizon wordt vastgesteld en de algemene principes van het akkoord worden uiteengezet. In tegenstelling tot het eerste akkoord, zijn bij dit akkoord ook de lokale overheden betrokken. Dat moet het mogelijk maken lokale toepassingen te ontwikkelen, waarnaar het meest vraag is vanwege de burgers.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - De minister heeft zijn twijfels over de methodologie die Capgemini hanteert. Het is belangrijk dat hij dat bezwaar formeel aankaart bij de Europese Commissie, die de opdrachtgever was voor de studie. België scoort hoe dan ook niet goed volgens de studie van Capgemini.
Het beleid inzake de elektronische beschikbaarheid van de overheidsdiensten kan duidelijk beter. Ik hoop dat de minister via zijn beleid duidelijk maakt dat de elektronische beschikbaarheid van de overheidsdiensten een topprioriteit is in zijn beleid.
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Ik trek de methodologie van Capgemini niet in twijfel. Ik zeg alleen dat bepaalde zaken werden gemeten, en andere niet, die volgens ons wel belangrijk zijn. Die methodologie roept nu ook vragen op bij de Europese Commissie die naar een nieuwe methodologie zoekt voor de toekomst.
De voorzitter. - De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Een Belgisch atoomexpert, hoofdinspecteur in Iran voor het IAEA, het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, werd begin april opzijgezet. Volgens diplomaten zou hij te veel afweten van het Iraanse dossier en zou de Iraanse overheid hem daarom niet langer in het land dulden.
Om welke redenen werd de heer Charlier opzijgezet? Klopt het dat hij de laan werd uitgestuurd omdat de Iraanse overheid druk heeft uitgeoefend op het IAEA? Heeft Iran gebruik gemaakt van een door het Verdrag geboden mogelijkheid? Hebben de landen die door het IAEA gecontroleerd worden, een revocatierecht ten opzichte van de inspecteurs?
Een onderhandelaar van de Iraanse regering bezocht ons land. Wat zijn de laatste ontwikkelingen in het Iraanse atoomdossier?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.
De heer Charlier is lid van het Internationaal Secretariaat van het IAEA en is hoofdinspecteur Midden-Oosten, onder het Directoraat-Generaal Waarborgen. Het IAEA spreekt zich in voorkomend geval uit over de functies die de leden van zijn Internationaal Secretariaat bekleden.
Het IAEA ontkende vorige dinsdag het gerucht dat het de betrokken internationaal ambtenaar bepaalde verantwoordelijkheden zou hebben ontnomen.
Volgens mijn informatie heeft Iran geweigerd een inreisvisum uit te reiken voor de heer Charlier, die dat nodig had voor de inspecties in het kader van de waarborgovereenkomst die Iran met het IAEA heeft gesloten. De ondertekenende partijen hebben, op grond van artikel 9 van de IAEA-waarborgovereenkomst, inderdaad het recht bepaalde inspecteurs te weigeren.
Wat de laatste ontwikkelingen in het Iraanse atoomdossier betreft, wijs ik erop dat Iran niet aan de verwachtingen van de internationale gemeenschap heeft beantwoord en de gevolgen van zijn onverschillige houding zal moeten dragen.
De Iraanse onderhandelaar, de heer Larijani, was vorige dinsdag in Brussel voor een beslissende ontmoeting met de heer Solana. De heer Larijani werd ook ontvangen door eerste minister Verhofstadt. Uit de gesprekken blijkt dat Iran nog niet in staat is concrete commentaar te geven bij de voorstellen die de heer Solana hem begin mei namens Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad heeft overhandigd. De heer Larijani was evenmin in staat de stopzetting van de verrijkingsactiviteiten van Iran aan te kondigen, hoewel dat de essentiële voorwaarde is voor het openen van onderhandelingen.
De ministers van Buitenlandse Zaken van de G8, namelijk Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Rusland, Japan, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, zijn gisteren tot de conclusie gekomen dat de kwestie opnieuw in de Veiligheidsraad zal worden besproken.
Het is niet uitgesloten dat een resolutie over hoofdstuk 7 van het Handvest van de Verenigde Naties aan de Veiligheidsraad zal worden voorgelegd. Het is immers duidelijk geworden dat het Iraanse atoomprogramma mag worden beschouwd als een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid.
Ik betreur ten zeerste dat die demarche onafwendbaar geworden is, maar Iran heeft ons geen andere keuze gelaten.
Ik roep Iran eens te meer op om zich constructief en verantwoordelijk op te stellen en in te zien welke mogelijkheden de voorstellen op het gebied van samenwerking en veiligheid bieden.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik neem akte van het uitvoerige antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.
Het verbaast me vast te stellen dat een land dat een inspectieteam op bezoek krijgt, het recht heeft een expert te weigeren die door een derde land wordt gestuurd en de opdracht heeft een verslag op te stellen.
De internationale gemeenschap zou zich over deze kwestie moeten buigen.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik stel vast dat men de luchthaven sedert de jaren '90 op een hardnekkige en systematische manier wil uitbreiden, zonder stil te staan bij de fundamentele vragen over de milieu- en mobiliteitsbeperkingen van een dergelijke uitbreiding. Die evolutie is begonnen in de jaren '90 en zet zich voort via het START-plan en andere initiatieven van het Vlaams Gewest. Er werden al verschillende fasen afgehandeld: de bouw van de nieuwe luchthaventerminal, van de nieuwe pier, de investeringen in het verhogen van de capaciteit op de banen en hun geleidingsuitrusting, de bouw van de nieuwe controletoren, om nog niet te spreken over het spreidingsplan en de verkoop van BIAC aan Macquarie. Ik zal het nog hebben over een ontwerp van kaderwet dat uw collega Landuyt in de Kamer heeft ingediend en de minister van Mobiliteit eigenlijk het alleenrecht geeft om te beslissen in welke richtingen de vliegtuigen zullen vliegen.
Al die fasen samen lijken deel uit te maken van een samenhangend en ambitieus transformatieplan van de luchthaven om belangrijke economische ambities te realiseren. Is dat houdbaar? Tot wanneer en hoe?
Ik heb drie concrete vragen over de uitbreidingsplannen van de luchthaven, in het licht van het Europees gemeenschapsrecht.
De eerste vraag heeft betrekking op de aanbesteding voor de verkoop van BIAC aan Macquarie. Ik verneem dat het verkoopscontract van BIAC aan Macquarie geheime - of niet-openbare - clausules zou bevatten die onder meer de Belgische Staat zouden verplichten 500 miljoen euro terug te betalen als de contractuele verplichtingen niet zouden worden nagekomen. Volgens één van die clausules zou de Belgische Staat zich ook moeten engageren om nooit minder dan 300.000 dagvluchten en 10.000 nachtvluchten in Brussel Nationaal toe te laten. Dat zou bijzonder onrustwekkend zijn voor de omwonenden en slachtoffers van de geluidshinder van de luchthaven. Het zou bovendien haaks staan op het voornemen om de hinder van de luchthaven te verminderen, conform de Europese richtlijn 2002/49. Die clausule houdt ook een vorm van oneerlijke concurrentie in voor de nationale luchthaven ten opzichte van de andere luchthavens die de milieukosten op een transparante en proportionele manier moeten dragen. Tot slot zou het een zware fout betekenen in het beheer van dit dossier.
Kunt u mij geruststellen over het al dan niet bestaan van een dergelijke clausule in de aanbesteding en het verkoopscontract?
Mijn tweede vraag heeft betrekking op de verkoop van gronden rond BIAC net vóór de verkoop van BIAC aan Macquarie. In het laatste jaarverslag van de hoofdaandeelhouder van BIAC, namelijk de beursgenoteerde onderneming Macquarie, staat ter attentie van de investeerders dat een belangrijke potentiële winst kan worden gerealiseerd omdat het vastgoed onder de marktprijs zouden zijn aangekocht en de meerwaarde van dat vastgoed inbegrepen is in de EBITDA-winst van 135,9 miljoen euro van Macquarie, wat toch vreemd is voor een luchthaven.
Die situatie lijkt me ook erg twijfelachtig in het licht van de bepalingen uit het gemeenschapsrecht in verband met de overheidsopdrachten omdat ze op een incorrecte en deloyale manier BIAC, en dus ook Macquarie, heeft bevoordeeld ten opzichte van de andere luchthavens. Kan dat niet worden beschouwd als oneerlijke concurrentie omdat het gaat om inkomsten die BIAC heeft en de concurrenten niet? Welke teneur in de strategische engagementen van de Staat ten opzichte van Macquarie in de context van BIAC rechtvaardigt dat concurrentievoordeel?
De derde vraag heeft betrekking op een klacht die destijds bij de Europese Commissie werd ingediend tegen het project Zaventem 2000, wegens een overtreding op twee richtlijnen met betrekking tot de effectenrapportering en de raadpleging van de bevolking.
De MER, de milieueffectrapportering, en de communicatiemaatregelen werden ontoereikend bevonden. De klacht zou zonder gevolg geklasseerd geweest zijn en de pier werd toch gebouwd, ondanks de ingebrekestelling van de Belgische Staat op 30 april 2001.
Wat is er concreet geworden van die ingebrekestelling en de belofte die België aan de Commissie gedaan heeft om zijn verplichtingen in de toekomst na te komen, vooral op het gebied van de verplichte voorafgaande effectrapportering en de transparante communicatie? Welke acties werden de jongste vijf jaar in dat opzicht ondernomen?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Mijn antwoord op de eerste vraag zal kort en nauwkeurig zijn. Ik kan u verzekeren dat de contracten met Macquarie geen stabiliteitsclausules bevatten.
De gronden, waarvan sprake in uw tweede vraag, zijn in 2001 door BIAC aangekocht, dus drie jaar vóór de verkoop van de aandelen. BIAC heeft de marktprijs betaald voor die gronden die ze gratis mocht gebruiken in de vorm van een recht van opstal. De markprijs was het resultaat van analyses van gespecialiseerde firma's.
Toch is dat geen concurrentievoordeel omdat het gaat om een normale transactie in het kader van de uitbating van een luchthaven. Real estate-ontwikkeling is in België volkomen wettelijk voor een luchthaven als Brussel. Er bestaan talrijke buitenlandse voorbeelden: Schiphol, Frankfurt, Parijs, enzovoort.
Mevrouw Durant heeft de tekst uit het jaarverslag van Macquarie verkeerd geïnterpreteerd. Uit de tekst blijkt immers zeer duidelijk dat BIAC beschikt over een marge om de huurprijzen van zijn huurders te verhogen.
De derde vraag heeft betrekking op de naleving van de MER-verplichtingen met betrekking tot de bouw van Pier A.
Na de opmerkingen van de Commissie, heeft BIAC voor die pier een nieuwe bouwvergunning aangevraagd en er de noodzakelijke milieueffectrapportering aan toegevoegd, in de grootste transparantie. Ze heeft ze onder meer gepubliceerd in drie dagbladen zoals de Commissie had gevraagd.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn uitdrukkelijke bevestiging dat er helemaal geen niet-openbare clausules bestaan. Dat is geruststellend want het gaat om hardnekkige en onrustwekkende geruchten. Dat is een belangrijk element voor het vervolg van dit dossier.
De voorzitter. - De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Leden van de Hezbollahmilitie hebben gisterochtend twee Israëlische soldaten ontvoerd in het grensgebied. Een reactie van Israël bleef niet uit. Israël heeft de internationale luchthaven van Libanon in de zuidelijke buitenwijken van Beiroet beschoten. Bij nachtelijke Israëlische aanvallen in het zuiden van Libanon kwamen zeker 22 Libanese burgers om. Libanese guerrillastrijders hebben op hun beurt raketten afgevuurd op Israël. Het is een kroniek van geweld en terreur geworden. Gisteren viel Israël ook al de Gazastrook binnen. Israël had voordien al buitensporig geweld gebruikt als reactie op de ontvoering van een Israëlische soldaat. Enkele weken geleden arresteerden Israëlische soldaten 20 Hamasparlementsleden en 8 van de 23 ministers. Daarmee is de jongste Midden-Oostencrisis gevaarlijk geëscaleerd. Het Israëlische leger heeft duizend reservisten opgeroepen en sluit een algemene oorlog niet uit.
Welke demarches heeft de Europese Unie ter zake gedaan?
Heeft de minister met andere ministers van Buitenlandse Zaken overlegd gepleegd om de escalatie van het conflict te stuiten? Wat waren de conclusies?
Is er al bilateraal overleg geweest met de ambassades van de betrokken landen?
Hebben de Verenigde Naties een resolutie geagendeerd om een verdere escalatie van het conflict tegen te gaan? Welke houding neemt België ter zake aan?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. -
Het Finse voorzitterschap van de Europese Unie heeft gisteren gereageerd op de toestand aan de Israëlisch-Libanese grens. Het heeft alle partijen opgeroepen tot terughoudendheid en verantwoordelijkheidszin met het oog op het stopzetten van een verdere escalatie van de reeds gespannen situatie in het Midden-Oosten. Het reageerde vroeger al op de verontrustende ontwikkelingen in de Gazastrook. De Europese Unie dringt aan op de bevrijding van de gekidnapte Israëlische soldaat, betreurt de vernietiging van de essentiële civiele infrastructuur en vraagt de onmiddellijke toegang tot het getroffen gebied voor humanitaire bijstandsverlening.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft zijn uiterste bezorgdheid uitgedrukt over de evolutie in Zuid-Libanon en heeft Hezbollah veroordeeld voor de raketaanvallen tegen Israël en de ontvoering van twee Israëlische soldaten. Hij dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van beide soldaten en de stopzetting van alle gewelddadige acties gericht tegen Israël. Tezelfdertijd roept hij Israël op tot terughoudendheid in zijn reactie, de geweldspiraal niet verder te voeden en de humanitaire situatie van de burgerbevolking niet verder te belasten.
Vandaag heeft de minister van Buitenlandse Zaken in een persmededeling verklaard: `Israël heeft het recht om zich te verdedigen. De Israëlische reactie is eenwel buitensporig. Ik veroordeel de blokkade van Libanon door Israël en het massief gebruik van geweld, waarbij nu reeds talrijke onschuldige slachtoffers vielen, onder wie ook veel kinderen.'
België blijft in permanent contact met zijn Europese partners. Vanmiddag wordt een uitzonderlijke vergadering van het Politiek en Veiligheidscomité bijeengeroepen om de situatie te analyseren en de verdere mogelijke EU-acties te bespreken.
De negatieve ontwikkelingen in het Midden-Oosten zullen maandag worden besproken op de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van de Europese Unie. Hoge Vertegenwoordiger Solana zal dan zijn analyse van de situatie bekendmaken. De Europese partners zullen verdere demarches overwegen om te komen tot een vermindering van het geweld.
Informatie over de situatie komt vooral van onze diplomatieke posten in de regio en via de gebruikelijke contacten met de betrokken ambassades te Brussel.
De VN-Veiligheidsraad in New York buigt zich over een gepaste reactie op de gebeurtenissen. De twee betrokken landen hebben een buitengewone vergadering van de Veiligheidsraad bijeengeroepen.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - België heeft vandaag terecht gereageerd op de recente gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ik ben van oordeel dat ons land even kordaat moet reageren op de arrestatie van de Hamasparlementsleden. We zullen deze zaak op de voet volgen.
De heer Michel Delacroix (FN). - Mijn vraag betreft de interpretatie van artikel 10 van de nieuwe wet op de VZW's. Ze is zeer actueel aangezien ze verwijst naar recente, volgens mij foute commentaren die in verschillende publicaties van beroepsverenigingen van accountants verschenen zijn.
In artikel 10 worden op gedetailleerde wijze de verplichtingen van de raad van bestuur gedefinieerd wat het houden van en de raadpleging door de leden van het ledenregister en de boekhoudkundige documenten betreft.
Alle effectieve leden kunnen op de zetel van de vereniging het register van de leden raadplegen alsmede alle notulen en beslissingen van de algemene vergadering en van de raad van bestuur evenals alle sociale en boekhoudkundige stukken van de vereniging.
Door de programmawet van 15 juli 2004 werd aan artikel 10 een tweede alinea toegevoegd waarin wordt bepaald dat dat recht van onderzoek van de boekhouding door de leden niet van toepassing is ingeval de VZW de rekeningen door een commissaris heeft doen nakijken.
De wet van 2 mei 2002 tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 heeft het beginsel van de verplichte controle van de rekeningen door een commissaris in de grote VZW's ingevoerd, naar analogie met de artikelen 165 tot 167 van het Wetboek van vennootschappen. Volgens een algemeen aanvaarde opvatting moet die commissaris lid zijn van het Instituut der Bedrijfsrevisoren zoals artikel 130 van het Wetboek van vennootschappen voorschrijft. De andere VZW's hebben de mogelijkheid om de rekeningen te laten controleren door een lid van de vereniging die geen bedrijfsrevisor is. Die persoon mag niet de titel van commissaris dragen.
Dat alles lijkt duidelijk.
In recente publicaties van beroepsverenigingen van accountants lezen we echter dat voor kleine VZW's iedereen de hoedanigheid van commissaris kan hebben, ongeacht of hij al dan niet lid is van de VZW en zonder over de vereiste beroepskwalificatie te beschikken.
In dezelfde commentaren staat dat slechts voor de grote VZW's enkel leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren als commissaris kunnen worden aangesteld.
Artikel 130 van het Wetboek van vennootschappen heeft op een algemene wijze de titel van commissaris beschermd door enkel leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren tot die functie toe te laten.
De commentaren die nu door sommige beroepsorganismen worden verspreid, lijken op het eerste gezicht onjuist, omdat ze verwarring scheppen tussen de titel van commissaris, die sedert 1999 beschermd is, en een meer informele functie van mensen die als controleur van de rekeningen moeten worden gekwalificeerd.
Het gaat niet over een eenvoudig semantisch probleem. Het betreft de correcte toepassing van artikel 10, alinea 2, omdat de aanwezigheid van een commissaris de effectieve leden het individuele recht ontneemt om de registers, de sociale documenten en de rekeningen te raadplegen.
Kan de minister bevestigen dat de hoedanigheid van commissaris, bedoeld in artikel 10, alinea 2 van de wet op de VZW's, uitsluitend betrekking heeft op het geval dat een commissaris, waarvan de titel beschermd wordt door zijn inschrijving in het Instituut der Bedrijfsrevisoren, de rekeningen heeft gecontroleerd en dat enkel in dat geval de leden van de VZW hun individueel recht op raadpleging van de boekhoudkundige stukken verliezen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Volgens artikel 83 van de programmawet van 9 juli 2004, dat artikel 10, alinea 2 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen heeft gewijzigd, hebben de leden van een vereniging geen `individueel onderzoeksrecht' als de vereniging een commissaris heeft aangesteld. Dat wordt eenvoudig verklaard door het feit dat de commissaris uit naam en voor rekening van alle leden optreedt.
Artikel 84 van dezelfde programmawet verduidelijkt dat artikel 130 van het Wetboek van vennootschappen van toepassing is op verenigingen die een commissaris hebben aangesteld. In artikel 130, alinea 1, staat letterlijk dat de commissariseen worden gekozen onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. De wet laat me dus geen andere keuze dan op de vraag van de heer Delacroix positief te antwoorden.
De heer Michel Delacroix (FN). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Het verheugt me dat we op dezelfde golflengte zitten wat de interpretatie van die bepaling betreft. Ik zal dit antwoord bezorgen aan de beroepsorganisaties die volgens mij foute informatie hebben verspreid.
De voorzitter. - De heer Willems verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1672/3.)
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Dit ontwerp betreft een zevental wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek en een wijziging van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het is een verplicht bicameraal ontwerp. Onze commissie voor de Justitie heeft er zeven vergaderingen aan gewijd.
In 1998 kwamen de Octopusakkoorden tot stand. Met de wijziging van artikel 151 van de Grondwet werd een systeem ingevoerd waarbij korpschefs voor een mandaat van zeven jaar werden benoemd. Die korpschefs waren niet aan een evaluatie onderworpen. De ratio legis van dit ontwerp is dan ook om de korpschefs te gaan evalueren. Het ontwerp stelt een mandaat voor van vijf jaar dat één maal hernieuwbaar is in dezelfde jurisdictie of hetzelfde parket waar de korpschef is benoemd. De evaluatie heeft betrekking op de inhoud van de functie en de bekwaamheid inzake beheer, organisatie en leiderschap.
Hoewel de Raad van State oordeelt dat een evaluatie onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, vindt de regering die noodzakelijk om volgende redenen: korpschefs moeten tijdens hun mandaat kunnen nagaan of hun beheersplan in de praktijk kan worden omgezet, de Hoge Raad voor de Justitie, die zich moet uitspreken over de vernieuwing van het mandaat moet een overzicht krijgen en over de nodige beoordelingselementen beschikken en aan het mandaat moet enige legitimiteit worden gegeven.
Er werd meermaals benadrukt dat het mandaat van de korpschefs die op 1 april 2000 werden benoemd één maal verlengbaar is.
Er zijn twee evaluatiemomenten. Het eerste vindt plaats na twee jaar. Het tweede gebeurt op het einde van de periode van vijf jaar. In de eerste fase krijgt de chef een evaluatie met goed of goed met opmerkingen In de tweede fase volgt een beoordeling met goed of onvoldoende. Is het goed, dan wordt het mandaat hernieuwd en beslist de Hoge Raad voor de Justitie hoe de hernieuwing gebeurt.
Voor de evaluatie wordt een college ad hoc benoemd, dat de over de nodige onafhankelijkheid en bekwaamheid beschikt. Dat college bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer. Het is samengesteld uit twee korpschefs van de zittende magistratuur of het parket, twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissies van de Hoge Raad voor de Justitie, een magistraat van het Rekenhof en een specialist in human resources.
De evaluatie gebeurt aan de hand van het werkingsrapport van de korpschef, het advies van de algemene vergadering of van de korpsvergadering, het advies van de directeur-generaal van het Directoraat-generaal van de gerechtelijke organisatie en het evaluatieonderhoud tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het evaluatiecollege.
Wat de wijziging van de wet van 15 juni 1935 betreft, zal de arbeidsauditeur van Brussel worden onderworpen aan dezelfde regels van evenwicht en taalafwisseling als de nadere korpschefs.
De minister van Justitie zal zeker een beroep kunnen doen op de expertise van de korpschefs van wie het mandaat verstrijkt en die geen ambt nastreven, hetzij hier te lande, hetzij in het buitenland.
Naar aanleiding van dit wetsontwerp werden heel wat hoorzittingen gehouden. Vele magistraten werden in de commissie voor de Justitie gehoord, onder meer procureur-generaal Dekkers van Antwerpen en eerste voorzitter Hubin. Mevrouw Dekkers had geen principiële bezwaren tegen het ontwerp, maar vond wel dat het woord `evaluatie' wat te zwaar doorweegt en stelde voor om het begrip `rapportageplicht' te gebruiken. De heer Hubin stelde vragen bij de burgerlijke aansprakelijkheid van de korpschef, onder meer inzake het beheer van de gebouwen. Hij legde ook de klemtoon op de kritische vraag van de Raad van State of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht door deze evaluatie niet in het gedrang komt.
Ook voorzitter van het Hof van Cassatie Verougstraete en procureur-generaal bij het Hof van Cassatie De Swaef zijn naar de commissie gekomen. Zij waren niet echt voorstander van het nieuwe evaluatiesysteem. Ze vonden dat het huidige systeem voldoet en vroegen zich af of het systeem dat nu wordt voorgesteld wel kan worden toegepast op het Hof van Cassatie. Ze merkten ook op dat er een probleem is met artikel 151 van de Grondwet en de onafhankelijkheid van de rechterlijk macht. Ze wilden weten hoe het zit als men twee mandaten van vijf jaar krijgt. Bovendien is de taalrol in het Hof van Cassatie heel belangrijk.
Ook namens de Raad van Procureurs des Konings werden opmerkingen gemaakt over de evaluatie en werd de bezorgdheid geuit over de wettelijke overgangsbepalingen.
Tijdens de bespreking in de commissie hadden de commissieleden ook bedenkingen bij de evaluatie en de duur van het mandaat. Ook bij artikel 151 werden heel wat opmerkingen geformuleerd. Er is veel discussie geweest over de overgangsbepalingen en over de verschillende statuten, namelijk voor magistraten die op 1 april 2000 benoemd zijn, degene die daarna zijn benoemd en degene die in het kader van dit ontwerp zouden worden benoemd.
De collega's Nyssens, Vandenberghe en de T' Serclaes hebben verschillende amendementen ingediend.
Het geamendeerde ontwerp werd aangenomen met 8 stemmen tegen 1.
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik dank mevrouw Talhaoui voor haar uitstekend verslag.
De minister kon niet bij de bespreking aanwezig zijn, maar wij hadden met de medewerker van de minister een erg constructieve dialoog. Dat heeft het mogelijk gemaakt een aantal bepalingen te verbeteren. Ik dank die medewerker voor de wijze waarop we hebben kunnen debatteren over dit, voor de goede werking van justitie, belangrijk ontwerp.
Deze tekst bouwt voort op de sedert 1998 ingezette hervormingen waarbij men de korpschefs meer verantwoordelijkheid wou geven en de werking van justitie wou verbeteren.
In 1998 werd geopteerd voor mandaten van zeven jaar voor de korpschefs. Wij vroegen ons toen reeds af of er voor mandaten van zeven jaar, dan wel voor twee mandaten van vijf jaar diende te worden gekozen. In 2006 werd opnieuw tweemaal vijf jaar voorgesteld. Daar kan ik mee instemmen. Ik was daar in 1998 al voorstander van. Het biedt immers de mogelijkheid om tien jaar te blijven indien men dat wenst, of te stoppen na het eerste mandaat om één of andere reden.
Tijdens de discussies werd geoordeeld dat voor het Hof van Cassatie een uitzondering mogelijk is. Er werd dan ook beslist dat het mandaat van vijf jaar niet hernieuwbaar zou zijn gelet op de bijzondere situatie van het Hof van Cassatie, met name de zorg voor het taalevenwicht. Ik ben daar ook voorstander van. Ook de vertegenwoordigers van het Hof van Cassatie die we hebben ontmoet opteerden daarvoor.
Over de tussentijdse evaluatie was er heel wat discussie. Aanvankelijk werd dat idee door de magistratuur slecht onthaald.
Ik heb het altijd goed gevonden dat, in het kader van een mandaat van vijf jaar, de korpschef een onderhoud kan hebben dat hem zal helpen en ondersteunen bij de uitvoering van zijn beheersplan.
Wij hebben de tekst herwerkt.
De evaluatie van de magistraten leek ons nogal schools opgevat. Er werd hen een `goed' of een `goed met aanbevelingen' toegekend. Wij hebben dan ook geopteerd voor een tekst waarin veel meer de wil tot uiting komt om tot een dialoog te komen tussen het evaluatiecollege en de korpschef over de uitvoering van het beheersplan. Wanneer het Themisplan operationeel zal zijn, zal een dergelijke dialoog zeer nuttig zijn. Dit modern management wil de korpschef ondersteunen bij de uitvoering van zijn beheersplan. Ik ben blij dat de oorspronkelijke tekst op dat punt werd verbeterd. De uitvoering zal echter geleidelijk gebeuren zodat er op het terrein korpschefs met erg uiteenlopende statuten dreigen te komen.
Het externe evaluatiecollege deed grondwettelijke bezwaren rijzen, maar die konden worden omzeild. Het zal nochtans pas op 1 januari 2008 in werking treden. De teksten moeten nog naar de Kamer en het Themisplan werd nog niet geconcretiseerd. We staan slechts aan het begin van een proces. We hebben nu de basis gelegd voor een modern management voor de korpschefs. De tekst kan zwaar op de hand lijken, erg administratief en pietepeuterig, maar zoals ook in de commissie werd gezegd, kan men in de wereld van de juristen nooit voorzichtig genoeg zijn.
Ik hoop dat er, los van de teksten, een nieuwe mentaliteit zal groeien en dat men zich niet zal beperken tot evaluaties versturen per aangetekende brief, maar dat de korpschefs de hervormingen ter harte zullen nemen en de noodzaak zullen begrijpen om zich te integreren in een modern management voor justitie teneinde de burger beter te kunnen dienen. Dat is de bedoeling van alle hervormingen van de jongste jaren.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - We hebben in de commissie de tekst aandachtig onderzocht. CDH zal zich onthouden bij de stemming omdat op vier punten de ongerustheid niet kon worden weggenomen.
Ten eerste is er het probleem van de conformiteit van dit ontwerp met artikel 151 van de Grondwet. Over dat artikel bestaan verschillende interpretaties. De Raad van State, de Hoge Raad voor de Justitie en andere gerechtelijke instanties hebben hun twijfels geuit over de verenigbaarheid van deze hervorming met artikel 151 van de Grondwet. Het probleem blijft dus bestaan.
Ten tweede is er de evaluatie. Mevrouw de T' Serclaes zegt dat de tekst werd geamendeerd en de eerste evaluatie werd afgezwakt en menselijker en adequater werd gemaakt.
Ik blijf me echter verbazen over de logheid van de evaluaties in het algemeen. De minister heeft gelijk als ze zegt dat magistraten moeten worden geëvalueerd. De toekomst zal uitwijzen of de daartoe vastgestelde voorwaarden de juiste zijn. Ook de evaluatie moet worden geëvalueerd. Een evaluatie van magistraten vereist immers zeer specifieke procedures omdat hun onafhankelijkheid moet worden gerespecteerd.
Het gaat hier om een bijzondere functie en daarvoor een evaluatie organiseren is niet eenvoudig.
Ten derde zijn er de overgangsbepalingen. Er blijven, gespreid in de tijd, verschillende statuten van korpschef bestaan. Het zal moeilijk zijn de verschillende gevallen te volgen. De Hoge Raad voor de Justitie zal een kalender moeten opstellen. Men zal moeten in het oog houden wie begint en wie stopt en op welke wijze ... Dat wordt een echte puzzel.
Ten vierde is er de inwerkingtreding, rekening houdend met het Themisplan. Ik verneem dat het Themisplan geleidelijk in wetteksten zal worden omgezet. Er zullen in het parlement initiatieven worden voorgesteld om geleidelijk de ideeën vervat in het Themisplan in de praktijk te brengen.
Er zullen korpschefs worden benoemd en die zullen de Themisplannen moeten uitvoeren. Was het niet verkieslijk geweest alles samen goed te keuren: de evaluatie, de commissie voor de gerechtelijke organisatie die zopas werd goedgekeurd en het Themisplan?
Het verontrust me dat het Themisplan in de commissie voor de Justitie van de Senaat niet ter sprake kwam. Er was daartoe ook geen gelegenheid, aangezien het niet om een wet gaat.
Ik had naar aanleiding van deze twee hervormingen graag over het Themisplan gesproken om aan hen die de functie van korpschef gaan opnemen te zeggen waaraan ze zich zullen moeten houden.
Mevrouw de T' Serclaes heeft een historisch overzicht gegeven van de duur van het mandaat en eraan herinnerd dat zij tijdens de Octopushervormingen een termijn van vijf jaar verkoos boven zeven jaar. Is zeven jaar te lang of te kort? Ik weet het niet. Ik stel vast dat men nu naar twee maal vijf jaar gaat, hetzij tien jaar. Hoe langer een mandaat loopt, hoe meer moet worden geëvalueerd. Hoe korter een mandaat is, hoe minder moet worden geëvalueerd. Laat ons dus niet te vlug iemand evalueren die slechts zeer korte tijd op post is. Hij moet de kans krijgen vooruitgang te boeken.
Tot daar mijn voorbehoud bij dit wetsontwerp. CDH zal zich dan ook onthouden.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De discussie in de commissie voor de Justitie was uiteindelijk vrij interessant. We hebben boeiende hoorzittingen kunnen organiseren met mensen van het Hof van Cassatie en met het parket-generaal. We kregen ook een interessante nota van de Hoge Raad voor de Justitie. Ik dank de rapporteur voor het verslag waar de verschillende argumenten en discussiepunten uitvoerig aan bod komen. Een precisering van de regering maakt duidelijk dat de nieuwe benoemingen waarop het wetsontwerp van toepassing is, de vacatures na 1 april 2007 betreft. De meerderheid is dus bijzonder optimistisch. Ze stemt nu reeds wetsontwerpen die van toepassing zijn in de volgende regeerperiode. De huidige vacatures vallen immers onder het systeem van het zevenjarige mandaat, niet hernieuwbaar.
We krijgen drie soorten korpsoversten: de korpsoversten benoemd vóór 1 april 2000, de korpsoversten benoemd na 1 april 2000 en de korpsoversten benoemd na 1 april 2007 waarbij de duur van het mandaat en de aard van de overgangsmaatregelen verschillend is naargelang van de benoemingsdatum. De juridische vraag rijst dan of de benoemingsdatum een pertinent criterium is om dergelijke verschillende statuten uit te werken. Daaraan kan op zijn minst getwijfeld worden. Het wordt in elk geval een zeer ingewikkelde zaak. Ik verwijs naar de discussie die we gehad hebben over de korpsoversten van het Hof van Cassatie in het rechtsgebied van Brussel. We hebben toen moeten amenderen omdat de vraag rees wat er gebeurt wanneer na vijf jaar een mandaat van een korpsoverste in Brussel niet zou worden verlengd. Wat is het lot van de taalvariante die daarmee moet worden gecombineerd? Die vraag hebben we juridisch-technisch moeten oplossen. Tegelijk hebben we het ingewikkelde systeem moeten verduidelijken.
Wat de evaluatie betreft, rijst het probleem van de conformiteit met de Grondwet. Bij de Octopusonderhandelingen over politie en justitie waaraan ik heb deelgenomen, was duidelijk dat we een mandaat van 7 jaar voorstellen, niet hernieuwbaar, omdat we voor ogen hadden dat voor de evaluatie van de rechters, de korpsoversten een eenmalig mandaat kregen van 7 jaar en niet werden geëvalueerd. De regering heeft een ander standpunt en volgt een grondwetsconforme lezing. Het zij zo.
Vooral belangrijk is het feit dat een andere regeling werd uitgewerkt voor de korpsoversten in de rechterlijke macht dan voor de korpsoversten bij de politie. Bij de politie worden de korpsoversten voor een periode van vijf jaar benoemd en hun mandaat is steeds hernieuwbaar na een evaluatie. Dat geldt niet voor de rechterlijke macht.
Bovendien had de regering oorspronkelijk een termijn van tien jaar voor ogen, met een evaluatie na vijf jaar. De Raad van State merkte echter op dat een dergelijke regeling de onafhankelijkheid en bijgevolg ook de onpartijdigheid van de korpsoverste in het gedrang zou kunnen brengen. De regering heeft hierop een mandaat van twee maal vijf jaar uitgewerkt, met de nuance dat na de eerste periode van vijf jaar geen vacature wordt open verklaard.
Een derde groot probleem is de evaluatie. Bij de evaluatie van mensen die onafhankelijk en onpartijdig moeten oordelen wordt de opmerking gemaakt dat de evaluatie vanzelfsprekend geen betrekking heeft op de inhoud van vonnissen en de arresten. Ik wil de regering geenszins ervan betichten enkel lippendienst te bewijzen, maar de afgelopen maanden heb ik heel wat parlementsleden over beslissingen van rechters verklaringen horen afleggen. De waarborg van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een institutionele waarborg die rechtstreekse of onrechtstreekse beïnvloeding uitsluit.
De waarborg van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de institutionele evaluatie is vervat in de beschikbare rechtsmiddelen tegen een rechterlijke uitspraak. Wie niet met een uitspraak kan instemmen, kan beroep of cassatie aantekenen. De kwaliteit van de rechtspraak wordt dus permanent geëvalueerd. Vele rechters weten aan de hand van de uitspraken van de hoven van beroep over hun vonnissen hoe ze worden beoordeeld.
Ik weet dat de evaluatie vooral betrekking heeft op het management. De rechtsvoorraad is enorm en die moet binnen een redelijke termijn worden verwerkt.
Er is ook een probleem met het evaluatiecollege aangezien een vertegenwoordiger van de minister van Justitie bij de evaluatie zou worden betrokken. Dat is geen goed idee. Misschien kan net als in Nederland worden gedacht aan een specifieke managementfunctie binnen de rechterlijke orde, maar de uitvoerende macht kan beter niet deelnemen aan de evaluatieprocedure.
Uiteindelijk zou de evaluatie deel moeten uitmaken van het Themisplan. Ik kan me vinden in de basisbeginselen van dat plan. Het is duidelijk dat in het voorliggende wetsontwerp de korpsoverste een andere rol krijgt toebedeeld dan in het Themisplan was vooropgesteld. De regering heeft de ambitie om wetten te maken voor de eeuwigheid, dus ook voor de periode na 1 april 2007. Die ambitie is lovenswaardig, al geloof ik er zelf niet in. Aangezien het Themisplan nog niet volledig ten uitvoer is gelegd zou het volgens mij beter zijn de evaluatie zoals ze in het wetsontwerp is vooropgesteld, af te stemmen op dat Themisplan. Om die redenen zullen we de amendementen die we in de commissie hebben ingediend, opnieuw aan het wijze oordeel van de Hoge vergadering voorleggen in de hoop dat ze nu wel worden aangenomen.
De heer Berni Collas (MR). - Ik onderschrijf de filosofie en de doelstellingen van dit wetsontwerp. Het verheugt me dat amendement 30 dat de regering na een opmerking van de Dienst wetsevaluatie van de Senaat heeft ingediend, in de commissie werd goedgekeurd. Het voegt volgende zin toe: `Bij gebrek aan een magistraat in de Franstalige kamer die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk.' Dat is vanzelfsprekend in een Staat waar de Grondwet het bestaan van drie nationale talen erkent. Het kan worden betreurd dat niet minstens één lid van de Franstalige kamer tweetalig Frans-Duits moet zijn, al ben ik me wel bewust van de moeilijkheid om kandidaten te vinden die kennis van het Duits hebben. Dat werd al ervaren bij de Hoge Raad voor de Justitie. Hoe dan ook lijkt me in het geval dat de betrokkene, die waarschijnlijk zijn studies in het Frans heeft gedaan, zich in het Duits wil uitdrukken, het beroep op een tolk billijk en aanvaardbaar.
De heer Luc Willems (VLD). - In commissie werd over dit ontwerp uitvoerig gedebatteerd. Naar alle waarschijnlijkheid zal het uitmuntend verslag nog meermaals worden geconsulteerd bij het in de praktijk brengen van deze wetgeving, gelet op de talrijke interpretatieproblemen.
Sta me toe de minister nog een praktische vraag te stellen.
De kandidaten korpschef worden mede op basis van het door hen voorgelegde beheersplan geëvalueerd. Als men er daarbij van uitgaat dat voor de verwezenlijking van zo'n plan tien jaar nodig is, komen de oudere nochtans ook zeer waardevolle kandidaten niet meer in aanmerking. Daarom kreeg ik graag de bevestiging dat voor de benoeming steeds als basis de periode van de eerste vijf jaar wordt genomen.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik wil allereerst de heer Willems geruststellen. Als dat niet zou gebeuren, zouden zeer waardevolle, maar al tegen de zestig aanlopende kandidaten geweerd worden. U hebt gelijk om verduidelijking te vragen.
Ik wil het groot belang van dit ontwerp onderstrepen. Ons land heeft behoefte aan een kwaliteitsvolle magistratuur, versterkt door korpschefs die zowel uitstekende magistraten als uitstekende managers zijn.
We hebben daar des te meer behoefte aan nu we stilaan in het Themistijdperk komen. Stap voor stap krijgen de arrondissementen en de hoven van beroep bijkomende verantwoordelijkheden in volle autonomie. We zullen mannelijke en vrouwelijke chefs nodig hebben die in staat zijn verantwoordelijkheid op zich te nemen en tegelijk een kwaliteitsvolle justitie blijven waarborgen.
Ik ben erg verheugd over het werk dat de Senaat heeft geleverd en dat uitstekend is weergegeven in het verslag van mevrouw Talhaoui. Ik heb er geen spijt van dit ontwerp eerst bij de Senaat te hebben ingediend, maar betreur dat ik hier niet aanwezig kon zijn, omdat ik andere ontwerpen in de Kamer moest verdedigen. Het debat was zeer interessant. Er werden niet minder dan 51 amendementen ingediend en besproken. Sommige ervan, en niet de minste, werden aangenomen. Ik ben verheugd over die uitstekende samenwerking tussen de Senaat en de regering, ook al gaat u, mijnheer de voorzitter van de commissie voor de Justitie, niet akkoord met de grond van het dossier. Wij hebben geen bridge gespeeld, maar gewerkt aan de toekomst van de rechterlijke macht in dit land. Voor hen die het niet zouden weten: in een interview dat vandaag in de pers verscheen, beweert de heer Vandenberghe dat de regering de Senaat voor een bridgeclub houdt. Met het gepresteerde werk leveren we het doorslaande bewijs dat daar niets van waar is.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Bij bridge is het probleem te weten wie de dummy is. (Men glimlacht)
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Wat de amendementren betreft, wil ik vooral wijzen op het amendement dat een mandatensysteem invoert aangepast aan de realiteit van het Hof van Cassatie en tegelijk een vierdubbele taalafwisseling invoert tussen de zittende magistratuur en het openbaar ministerie, tussen de eerste voorzitter en de voorzitter en tussen de procureur-generaal en de eerste advocaat-generaal.
Het evaluatiesysteem zal ons in de mogelijkheid stellen - ik ben daarvan overtuigd, maar het zal uiteraard moeten worden geëvalueerd - kwaliteitsvolle evaluaties te maken en dat in een zekere openheid door de aanwezigheid van niet-magistraten. De invoering van een onderhoud over de uitvoering van het beheersplan van de korpschef, dat de oorspronkelijk voorziene eerste evaluatie vervangt, betekent een onbetwistbare meerwaarde. Die innovatie past in de filosofie van een moderne evaluatie.
Het opschrift van het ontwerp werd aangepast en herneemt de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die werden gewijzigd. Dat is wat zwaar op de hand, maar noodzakelijk omwille van de invoeging van een amendement dat het mogelijk maakt dat de opdracht van een jeugdrechter wordt toevertrouwd aan een plaatsvervangend rechter. Door die aanpassing wordt de beheersbevoegdheid van de eerste voorzitter van het hof van beroep versterkt. Dat maakt een goede uitvoering van de recente wetgeving inzake de jeugdbescherming mogelijk. Die wet creëert immers kamers die bevoegd zijn voor de uithandengeving, bestaande uit twee jeugdrechters die daartoe een verplichte opleiding hebben gevolgd.
Eind juni bracht de Hoge Raad voor de Justitie een advies uit over het ontwerp. Het ging de indiening van amendementen vooraf.
Tijdens de hoorzittingen hebben twee leden van de Raad hun houding toegelicht. Dat heeft de senatoren, ook die van de oppositie, niet overtuigd. Ik mag dus twijfels hebben over de relevantie van dat standpunt. De Raad heeft kritiek op de samenstelling en de opdrachten van het evaluatiecollege en over de hernieuwingsprocedure. De Raad stelt een door hem uitgevoerde evaluatie voor en, in subsidiaire orde, een advies door de advies- en onderzoekscommissies over het beheer van het korps. Tijdens de hoorzittingen gaf de Raad evenwel toe niet de middelen te hebben om elke twee en elke vijf jaar 153 onderzoeken te doen.
Aan sommige opmerkingen werd wel tegemoet gekomen door de amendementen die in de commissie werden besproken.
Sommigen stellen dat beter wordt gewacht op de vooruitgang van het Themisplan alvorens een evaluatiesysteem in te voeren. Volgens mij zou dat tot immobilisme leiden. Themis vergt tijd. Er werd zopas een commissie opgericht. De Senaat heeft die al goedgekeurd en de Kamer zal dat nog vandaag doen. De actoren op het terrein zullen worden betrokken bij de hervorming van de rechterlijke macht. Er zal met de rechterlijke macht worden gewerkt aan de decentralisering, maar dat vraagt tijd. In Nederland heeft dat twintig jaar geduurd. Gelukkig kunnen wij profiteren van de ervaring in andere landen, maar we hebben wel een achterstand. Wij gaan het proces dus versnellen door gebruik te maken van de ervaring in andere landen en dat in samenwerking met de rechterlijke macht.
Er is een verandering van cultuur nodig. Naast de mentaliteitswijziging zal stap voor stap aan de decentralisering moeten worden gewerkt om uiteindelijk te komen tot een veel minder gecentraliseerd systeem. Dat is een goede zaak. Elke macht moet worden geresponsabiliseerd. Nu al wijzen op het belang van de korpschefs, werken aan de evaluatie, de korpschefs die worden geëvalueerd tijdens het proces van decentralisering daarbij betrekken, dat alles lijkt me een kwaliteitsgarantie voor de toekomst van onze magistratuur.
De kritische opmerkingen van de heer Vandenberghe werden uitvoerig besproken in de commissie. Er rest me dan nog enkel de Senaat te danken voor het kwaliteitsvolle werk en voor de uitstekende samenwerking in de commissie voor de Justitie.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1707/6.)
De voorzitter. - Artikel 3 luidt:
In artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 2000, 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º §1 wordt vervangen als volgt: "§1. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat niet hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket.
De andere korpschefs bedoeld in artikel 58bis, 2º, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket."
2º §2, eerste lid, 2º, wordt vervangen als volgt:
"2º de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is. Voor de magistraten die bij toepassing van artikel 144bis, §3, eerste en tweede lid, een opdracht krijgen, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene voltijds voor hem werkt. Zijn de prestaties niet voltijds dan wordt voor het aspect federaal werk, het advies van de federale procureur aan dat van de korpschef toegevoegd."
3º §2, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
"Ingeval de in het eerste lid, 2º, bedoelde korpschef dezelfde persoon is als de in het eerste lid, 1º bedoelde korpschef, dan wordt het advies verstrekt hetzij door de algemene vergadering wat het Hof van Cassatie betreft, hetzij door de voorzitter van het college van procureurs-generaal wat de federale procureur betreft, hetzij door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege wat de andere gevallen betreft. Zulks geldt ook ingeval de in het eerste lid, 1º en 2º, bedoelde korpschef om enige reden in de onmogelijkheid is om advies te verstrekken of er in zijn hoofde een persoonlijk tegenstrijdig belang bestaat in de zin van artikel 259ter, §1, vijfde lid. De regels van artikel 259ter, §1, tweede lid, en §2, eerste tot derde lid, zijn overeenkomstig van toepassing."
4º In §3, tweede lid, 3º worden de woorden "zes jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar".
5º een §3bis wordt ingevoegd, luidende:
"§3bis. Uiterlijk op het einde van de 52e maand van de uitoefening van het mandaat brengt de korpschef bedoeld in §1, tweede lid, de minister van Justitie ervan op de hoogte of hij al dan niet de verlenging van het mandaat vraagt. Indien hij deze verlenging niet vraagt, valt het mandaat open.
Om de verlenging te kunnen vragen, moet de korpschef op de einddatum van het eerste mandaat, ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, §1.
Indien de betrokkene de verlenging van het mandaat heeft gevraagd, zendt de minister van Justitie uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van het mandaat, het verlengingsdossier dat de stukken bevat bedoeld in artikel 259nonies, §10, veertiende lid, over aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie.
De benoemings- en aanwijzingscommissie hoort de korpschef.
De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat van korpschef. Ze wordt uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat overgezonden aan de minister van Justitie.
De verlenging van het mandaat of het openvallen van het mandaat vindt plaats binnen 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat.
In geval van aanwijzing van een korpschef bedoeld in §6, derde lid, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou geweest zijn op zijn voorganger.
Indien het mandaat van een korpschef niet wordt verlengd, wordt het mandaat, tot de aanwijzing van de opvolger, uitgeoefend door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit."
6º §4 wordt vervangen als volgt:
"§4. De korpschef die uit hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket afkomstig is, neemt op het einde van het mandaat het ambt waarin hij op het tijdstip van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, naar gelang van het geval, het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen.
De aanwijzing als korpschef in het rechtscollege waaruit de magistraat afkomstig is, schorst het adjunct-mandaat.".
7º In §5, tweede lid, worden de woorden "§4" vervangen door de woorden "§4, eerste lid".
8º In §5, derde lid, vervalt het woord "vast".
9º §5, vierde lid, wordt vervangen als volgt:
"Bij gebrek aan een verzoek hiertoe aan de Koning, naar gelang van het geval hetzij uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat, hetzij binnen de maand voor het einde van het mandaat indien het mandaat niet is verlengd, wordt §4 toegepast.".
10º §6 wordt vervangen als volgt:
"§6. Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287.
Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt artikel 287 enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt. Indien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid.
Indien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, van de arbeidsrechtbank te Brussel en van de rechtbank van koophandel te Brussel, van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en van arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Brussel voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat nog ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287 toegepast.
Indien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld in het derde lid voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid.
Indien de vervanging bedoeld in het vierde lid in de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt artikel 287 toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode.
In geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het tweede, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen.
De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt in afwijking van §1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig afloopt. Indien de aanwijzing in een mandaat bedoeld in het derde lid evenwel gebeurt in de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieuwingsperiode §3bis toegepast."
11º In §7, tweede lid, vervallen de woorden ", met uitzondering van de bepalingen van §4 die de wedde en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen betreffen".
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 42 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, §1 vervangen als volgt:
"De Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de Procureur-Generaal bij het Hof van Cassatie worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat niet verlengbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket en dat niet aan een evaluatie is onderworpen"
Artikel 5 luidt:
Artikel 259nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 13 maart 2001 en 3 mei 2003, wordt vervangen als volgt:
"Artikel 259nonies. §1. De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een mandaat van korpschef, een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft.
De periodieke evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan.
De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling "zeer goed", "goed", "voldoende" of "onvoldoende". De evaluatie van de houders van mandaten kan leiden tot een beoordeling "goed" of "onvoldoende".
[...]
De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
De evaluatie van de korpschefs heeft tevens betrekking op hun managementcapaciteiten en inzonderheid op het personeelsbeheer en de initiatieven genomen met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand.
De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
§2. Bij de aanvang van de periode waarover de magistraat moet worden geëvalueerd vindt een planningsgesprek plaats tussen de magistraat en zijn beoordelaars of één van hen.
De plaats en het tijdstip waarop het planningsgesprek zal plaatshebben, worden uiterlijk vijftien dagen vooraf bij ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
Het planningsgesprek strekt ertoe op grond van de concrete functiebeschrijving van de magistraat en rekening houdend met de organisatorische context de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen. Die doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
De beoordelaars, of één van hen, bepalen welke beoordeling aan de magistraat zal worden verleend indien hij de vooropgestelde doelstellingen haalt. Gaat het niet om de hoogste beoordeling dan wordt aan de magistraat meegedeeld welke doelstellingen bereikt zouden moeten worden om een betere beoordeling te behalen.
De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars of één van hen, een verslag op van het planningsgesprek.
Dit verslag vermeldt de punten waarover overeenstemming werd bereikt. Voor de punten waarover geen overeenstemming werd bereikt, worden de verschillende standpunten weergegeven.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt het meningsverschil zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Indien de beoordelaars, of één van hen, van oordeel zijn dat het verslag geen accurate weergave is van de inhoud van het planningsgesprek, voegen zij hun versie eraan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd.
Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
§3. In de loop van de evaluatieperiode kan tot een functioneringsgesprek worden overgegaan wanneer aanleiding bestaat om de functiebeschrijving of de doelstellingen aan te passen. Dit gebeurt hetzij op initiatief van de beoordelaars, of één van hen, hetzij op verzoek van de magistraat.
De plaats en het tijdstip worden in gemeen overleg bepaald.
Bij gebrek aan consensus vindt het functioneringsgesprek plaats binnen vijftien dagen na het schriftelijk verzoek van één van de partijen dat aan de andere partij bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis is gebracht.
De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars, of één van hen, een verslag op van het functioneringsgesprek, overeenkomstig de procedure bepaald in §2, zesde tot achtste lid.
§4. De plaats en het tijdstip waarop het evaluatiegesprek plaatsheeft, worden uiterlijk 15 dagen voordien bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
In deze kennisgeving wordt de magistraat verzocht het evaluatiegesprek schriftelijk voor te bereiden en deze voorbereiding uiterlijk drie dagen voor het evaluatiegesprek aan de beoordelaars te bezorgen.
De beoordelaars stellen vervolgens een ontwerp van voorlopige beoordeling op. Dit ontwerp wordt tijdens het evaluatiegesprek aan de magistraat meegedeeld en met hem besproken. Het kan worden aangepast rekening houdend met het onderhoud.
§5. De korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt.
De voorlopige beoordeling wordt definitief ingeval de magistraat geen schriftelijke opmerkingen formuleert.
Ingeval de magistraat wel schriftelijke opmerkingen met betrekking tot de voorlopige beoordeling formuleert, wordt een definitieve schriftelijke beoordeling opgesteld waarin deze opmerkingen schriftelijk worden beantwoord.
§6. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
§7. Het evaluatiegesprek wordt gevolgd door een planningsgesprek voor de volgende periode.
§8. De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de geëvalueerde ingekeken worden.
§9. De §§2 tot 8 zijn niet van toepassing op de korpschefs.
In de loop van het tweede jaar van uitoefening van het mandaat wordt over de uitvoering van het beheersplan, als bedoeld in artikel 259quater, §2, derde lid, d, een follow-upgesprek gehouden tussen de korpschef en de leden van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bedoeld in artikel 259undecies, §3. Dit gesprek heeft betrekking op de genomen maatregelen op managementvlak en vooral op de aanpassingen die de korpschef na zijn indiensttreding in het beheersplan heeft aangebracht. Er is geen follow-upgesprek voor de korpschef bedoeld in artikel 259quater, §6, derde lid, noch voor deze bedoeld in het vijfde lid wanneer het mandaat voor een duur van minder dan vijf jaar wordt toegewezen.
Wordt het mandaat verlengd dan gaat het follow-upgesprek over de invoering van het functioneringsplan dat de korpschef heeft opgesteld tijdens het vijfde jaar van zijn eerste mandaat.
Het follow-upgesprek heeft plaats op zijn vroegst in de achttiende maand van uitoefening van het mandaat.
De korpschef maakt rapport van dit gesprek. Indien de bevoegde kamer van het evaluatiecollege van oordeel is dat het verslag geen accurate weergave vormt van de inhoud van het follow-upgesprek, voegt zij er haar versie aan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd. Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
De plaats en het tijdstip waarop het follow-upgesprek tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsheeft, worden door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege ter kennis gebracht van de magistraat uiterlijk tien dagen voordien bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.
De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt uiterlijk in de loop van de 24e maand van uitoefening van het mandaat eventueel aanbevelingen op die zijn ingegeven door het follow-upgesprek.
In voorkomend geval deelt de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege binnen die termijn aan de betrokkene een afschrift van de aanbevelingen mee tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Een afschrift van de eventuele aanbevelingen berust gedurende ten minste tien jaar bij de minister van Justitie.
§10. De korpschefs worden geëvalueerd in de loop van het vijfde jaar van uitoefening van hun mandaat. Voor de evaluatie van de korpschefs bedoeld in artikel 259quater, §6, derde lid, alsook voor deze bedoeld in het vijfde lid ingeval het mandaat wordt toegewezen voor een duur van minder dan vijf jaar, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou zijn geweest op de voorganger.
De evaluatie vangt op zijn vroegst aan in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
Het verslag van het follow-upgesprek en in voorkomend geval de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege als bedoeld in artikel 259undecies, §3, het functioneringsverslag opgesteld door de korpschef, de verplichte en facultatieve adviezen en de evaluatiegesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het evaluatiecollege vormen de grondslag van de evaluatie.
De korpschefs bezorgen het functioneringsverslag in tweevoud aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie en naar gelang van het geval de algemene vergadering of de korpsvergadering zenden in tweevoud een met de redenen omkleed advies over aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
Een afschrift van deze adviezen wordt, binnen dezelfde termijnen, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs bezorgd aan de betrokken korpschef, respectievelijk door de algemene vergadering of door de korpsvergadering en door de federale overheidsdienst Justitie.
Niet-verstrekte adviezen worden geacht noch gunstig noch ongunstig te zijn.
De plaats en het tijdstip waarop de evaluatiegesprekken tussen de korpschefs en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden worden aan de magistraat meegedeeld door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, uiterlijk tien dagen vóór de datum van het gesprek.
De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de voorlopige beoordeling op.
De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
Op straffe van verval kan de betrokkene binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de voorlopige beoordeling zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs meedelen aan de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt.
De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de definitieve beoordeling op uiterlijk zeventig dagen vóór het einde van het mandaat. De definitieve beoordeling gaat vergezeld van een motivering.
De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt binnen deze termijn een afschrift van de definitieve met redenen omklede beoordeling tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs over aan de betrokkene.
De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bezorgt tegelijkertijd de volgende stukken aan de minister van Justitie:
De evaluatiedossiers berusten bij de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluatie is vertrouwelijk en kan altijd door de geëvalueerde ingekeken worden."
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 43 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het vierde lid van het voorgestelde artikel 259nonies, §1 van het Gerechtelijk Wetboek, doen vervallen
Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 44 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek, §9, eerste lid vervangen als volgt:
"De korpschefs worden geëvalueerd in de loop van het vijfde jaar van uitoefening van het mandaat".
Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 45 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek, §9, derde lid vervangen als volgt:
"De korpschefs bezorgen het verslag in tweevoud aan de bevoegde kamer van voornoemd college uiterlijk op het einde van de vierenvijftigste maand voor de evaluatie"
Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 46 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek, §9, vierde lid vervangen als volgt:
"Naar gelang van het geval zendt de algemene vergadering of de korpsvergadering in tweevoud een met redenen omkleed advies over aan dit college op het einde van de vierenvijftigste maand voor de evaluatie".
Artikel 7 luidt:
In artikel 259undecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º in §2, eerste lid, wordt het woord "ander" ingevoegd tussen de woorden "een" en "adjunct-mandaat" en worden de woorden "dan het mandaat van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal van het Hof van Cassatie" ingevoegd tussen het woord "adjunct-mandaat" en de woorden "en van een bijzonder mandaat".
2º Het artikel wordt aangevuld met een §3 (nieuw), luidende:
"§3. Er wordt een evaluatiecollege opgericht samengesteld uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer die respectievelijk belast zijn met de evaluatie van de korpschefs van de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep.
Bij gebrek aan een magistraat in de Franstalige kamer die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk.
De korpschefs worden geëvalueerd door de bevoegde kamer van het evaluatiecollege samengesteld uit twee korpschefs afkomstig uit de zittende magistratuur of het parket naargelang de geëvalueerde behoort tot de zittende magistratuur of het parket, twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, een magistraat van het Rekenhof en een specialist in het beheer van human resources.
Elk van de kamers wordt voorgezeten door de korpschef met de meeste anciënniteit.
De leden van het evaluatiecollege zetelen voor een hernieuwbare periode van vier jaar die begint te lopen de dag van de bekendmaking van de samenstelling van de kamers in het Belgisch Staatsblad. De uittredende leden zetelen tot de installatie van de nieuwe leden.
De aanwijzingsprocedure wordt gestart uiterlijk acht maanden voor het verstrijken van de mandaten.
De leden die een evaluatie "onvoldoende" hebben gekregen of die de hoedanigheid hebben verloren op grond waarvan zij als lid van het college werden aangewezen, worden ambtshalve door een plaatsvervanger vervangen. De gepensioneerde leden van de evaluatiecolleges kunnen hun mandaat na hun pensionering beëindigen.
De leden van de kamers van het evaluatiecollege dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Ze kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie ze een feitelijk gezin vormen.
De beslissingen van de kamers worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de leden. Bij eenparigheid van stemmen is de stem van de voorzitter van de kamer beslissend.
Naargelang de korpschefs hun ambt uitoefenen in de zittende magistratuur of het parket, worden zij respectievelijk verkozen door de korpschefs van de zittende magistratuur of het parket onder alle korpschefs van de zittende magistratuur of het parket van dezelfde taalgroep die ten minste vier jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, §1. De stemming is verplicht.
De magistraten die lid zijn van de Hoge Raad voor de Justitie worden aangewezen door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie.
De raadsheren in het Rekenhof worden aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof.
De specialisten in het beheer van human resources worden aangewezen door de minister van Justitie op de voordracht van de minister van Ambtenarenzaken.
Het secretariaat van de kamers van het evaluatiecollege wordt waargenomen door de griffie van het Hof van Cassatie.
De nadere regels inzake de verkiezingen, het aantal plaatsvervangers van iedere categorie van leden van het evaluatiecollege en het aan de magistraten van het Rekenhof en de specialisten in human resources toegekende presentiegeld, zijn vastgesteld bij koninklijk besluit."
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 47 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek, §3, tweede lid vervangen als volgt:
"De korpschefs worden geëvalueerd bij volstrekte meerderheid van de stemmen van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege samengesteld uit twee korpschefs, waaronder één hiërarchisch overste van de geëvalueerde, afkomstig uit de zittende magistratuur of het parket naargelang de geëvalueerde behoort tot de zittende magistratuur of het parket en twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie".
Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 48 ingediend (zie stuk 3-1703/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek, §3, derde lid vervangen als volgt:
"Elk van de kamers wordt voorgezeten door de korpschef hiërarchisch overste van de geëvalueerde".
Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging in dit Wetboek van een artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
-De stemming over de amendementen en over de artikelen waarop ze betrekking hebben wordt aangehouden.
-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - Mevrouw Laloy verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1742/3.)
-De artikelen 1 tot 16 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
Ik wil nochtans de aandacht vestigen op de opmerkingen die in de commissie voor de Justitie werden geformuleerd. De eerste kwam van mevrouw Nyssens die vroeg wanneer de betrokken maatregelen worden ingevoerd. Ik denk dat de regering daarop heeft geantwoord.
De tweede opmerking kwam van de commissievoorzitter, die erop wees dat de nu voorgestelde wijzigingen tijdens een voorgaande bespreking werden geformuleerd in amendementen die toen niet werden goedgekeurd.
Ik wilde als rapporteur die twee elementen meedelen. De tekst werd goedgekeurd door de twaalf aanwezige leden.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2519/4.)
-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
De voorzitter. - Mevrouw De Roeck, mevrouw Annane, mevrouw Kapompolé en mevrouw Talhaoui, en de heer Galand, rapporteurs over het ontwerp van programmawet, verwijzen naar hun schriftelijk verslag.
Mevrouw De Roeck, mevrouw Annane en mevrouw Kapompolé, de heer Koninckx, mevrouw Talhaoui en de heer Galand, rapporteurs over het wetsontwerp houdende diverse bepalingen, verwijzen naar hun schriftelijk verslag.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Bij de bespreking van de programmawet en de wet houdende diverse bepalingen zal ik de onderwerpen behandelen die in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden aan bod kwamen. Ik zal het eerst hebben over de bepalingen in de programmawet en daarna ingaan op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen.
Ik wil vooral de vele problemen signaleren die bij de invoering van bepaalde maatregelen op het terrein kunnen ontstaan en ook wijzen op het slechte wetgevende werk. De regering, gesteund door de meerderheidspartijen, gunnen het de Senaat niet meer kwaliteitsvol werk af te leveren, wat nochtans zijn taak is.
Ik begin met de programmawet. Een drietal hoofdstukken hebben betrekking op het bestrijden van fraude, meer bepaald hoofdstuk II, over de aansprakelijkheid van de bestuurders, hoofdstuk IV, over de maatregelen ter bestrijding van misbruiken en de invoering van een hoofdelijke aansprakelijkheid bij niet betaling van de BTW, en hoofdstuk V, over de kasgeldvennootschappen.
Dat er maatregelen worden genomen om tot een goede en correcte inning van belastinggelden te komen en op die manier fraude werkelijk te bestrijden, kunnen we alleen maar toejuichen. Uit de concrete maatregelen blijkt evenwel dat er meer aan de hand is. Diverse maatregelen, ook al zijn ze gericht tegen malafide personen, kunnen ongewild ook bonafide personen treffen en dat kan toch niet de bedoeling van de wetgever zijn. Bonafide personen kunnen immers problemen ondervinden bij het opzetten van volkomen legale constructies. Bovendien bestaat het gevaar dat onschuldigen moeten opdraaien voor fraude door derden.
De paarse regering voert voortdurend het arsenaal aan wettelijke instrumenten op terwijl de inning niet echt verbetert. De aansprakelijkheid van onze ondernemers wordt voordurend uitgebreid en steeds meer inbreuken in het ondernemingsleven worden strafrechtelijk bestraft. We zijn het ermee eens dat fraude moet worden bestraft, maar niet zó dat eerlijke bestuurders, hun vennootschappen en verenigingen kunnen worden gepakt.
Bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk indien het niet betalen van bedrijfsvoorheffing en BTW als fout wordt aangemerkt. Opmerkelijk is evenwel dat er een weerlegbaar vermoeden van fout geldt indien de schuldenaar in een periode van één jaar ten minste twee of drie vervallen driemaandelijkse of maandelijkse schulden niet heeft betaald. Een dergelijke bepaling wijkt fundamenteel af van het gemeen recht. De aansprakelijkheid van de bestuurder wordt verruimd op basis van een wettelijk vermoeden van foute aansprakelijkheid en daarbij wordt de rechtspersoonlijkheid doorbroken.
Deze bepaling is niet alleen van toepassing op bestuurders van vennootschappen, maar ook van verenigingen en vooral dat laatste vinden we een probleem. In principe is de vereniging aansprakelijk voor de fouten die kunnen worden aangerekend aan haar organen of aangestelden waardoor ze handelt. De bestuurders zelf gaan geen persoonlijke verplichting aan inzake de verbintenissen van de vereniging. Dit is trouwens in de meeste VZW-statuten uitdrukkelijk opgenomen.
Bovenop de vele al bestaande wettelijke instrumenten krijgt de fiscus er hier nu nog een aangereikt, namelijk de vermoede aansprakelijkheid van de bestuurders. Daarmee wordt de overmacht van de fiscus nogmaals bevestigd en wordt de positie van de gewone schuldeiser zwakker. Hij kan zich immers op geen enkel ogenblik veilig stellen.
Verder mag de ontvanger reeds bewarende maatregelen nemen tegen de bestuurder die mogelijk aansprakelijk is. Dat wil zeggen nog voor de fout bewezen is. Dat gaat toch wel erg ver. De afwijking van het gemeen recht die hier alweer voor de fiscus wordt gemaakt, roept toch wel wat vragen op over onze rechtsstaat en het vertrouwen dat we erin nog kunnen hebben.
Naast deze principiële kritiek zijn de bepalingen bovendien vanuit legistiek oogpunt van bedenkelijke kwaliteit. Er is onder meer onduidelijkheid over de begrippen `bestuurder', `vennootschappen' en `bevoegdheid' en over de mate van toepasselijkheid op kleine VZW's. We hebben dan ook amendementen ingediend om de artikelen 14, 15 en 16 van de programmawet te schrappen.
Ik kom nu bij de artikelen met betrekking tot de BTW-maatregelen ter bestrijding van misbruik.
Ook op dit punt zijn er maatregelen genomen die `een bom onder het ondernemen' leggen. In feite verhaalt de overheid haar eigen onmacht nu op de belastingplichtige.
In deze programmawet wordt een volledig herschreven rechtsmisbruikbepaling inzake BTW opgenomen. Die maatregel zal tot heel wat rechtsonzekerheid leiden.
De ondernemer moet ervoor zorgen dat hij goed geïnformeerd is om te vermijden dat hij mede aansprakelijk wordt voor een navordering, omdat hij zogenaamd op de hoogte van fraude had moeten zijn. Zelfs iemand die te goeder trouw is, maar niet voorzichtig genoeg was, kan nu hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden. De regering verplicht de belastingplichtige nu als het ware als een soort van BTW-controleur op te treden.
Het artikel viseert `het verkrijgen van een fiscaal voordeel'. Zelfs wanneer er gerechtvaardigde economische motieven zijn die de handeling kunnen verantwoorden, kan er sprake zijn van misbruik indien die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben. Volgens de memorie van toelichting is de regering blijkbaar van oordeel dat overeenkomsten inzake onroerende financieringshuur, waarbij de betaling van de BTW in de tijd gespreid wordt, nu als een misbruik worden beschouwd.
Uit de discussie is ook gebleken dat deze bepaling heel wat gevolgen kan hebben voor de gemeenten. Bepaalde constructies met autonome overheidsbedrijven zouden kunnen geherkwalificeerd worden ten behoeve van de BTW. De indruk blijft bestaan dat de regering met deze passe-partoutbepaling diverse gemeentelijke constructies viseert en een nieuwe extra financiële bron zoekt.
Als de regering problemen heeft met de problematiek van de BTW en de gemeenten, dan zou ze beter het wetsvoorstel van CD&V aangaande het BTW-compensatiefonds voor de gemeenten goedkeuren.
Ten derde, de artikelen met betrekking tot de kasgeldvennootschappen.
De belastingfraude met kasgeldvennootschappen is een complexe zaak. Om deze fraude te voorkomen heb ik een wetsvoorstel ingediend. Mijn wetsvoorstel werd in de commissie besproken. De regering liet bij monde van staatssecretaris Jamar weten gewonnen te zijn voor een wetgevend initiatief. De programmawet voert nu bij kasgeldvennootschappen de objectieve hoofdelijke aansprakelijkheid van aandeelhouders in. Dat is revolutionair.
Vervolgens de wet houdende diverse bepalingen.
Eens te meer stellen we vast dat in deze wet veel zaken verschijnen die vroeger door CD&V als amendementen werden ingediend. Er zijn er ook zaken opgenomen die een betere behandeling en een grondiger debat verdienden. Een wet houdende diverse bepalingen wordt meer en meer synoniem voor een wet waaraan geen fundamentele bijsturingen meer mogelijk zijn, om binnen de meerderheid geen onenigheid te creëren of geen vertraging op te lopen.
We weten nu reeds dat er in de volgende wet houdende diverse bepalingen minstens één bepaling zal opgenomen worden. Als de regering haar belofte ten minste houdt. Bij de bespreking van het wetsontwerp op de beroepstitel voor dienstverlenende intellectuele beroepen had de minister uitdrukkelijk afgesproken dat een amendement dat wij hadden ingediend om de inwoners van het Duitstalig gebied de keuze te geven tussen de Nederlandstalige of Franstalige Kamer, zou indienen bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen. Wij stellen vast dat dit niet het geval is en betreuren dit. De minister kondigt nu aan dit te zullen doen bij de volgende wet houdende diverse bepalingen, dus op het einde van het jaar.
Zo schuiven we de zaken steeds voor ons uit en zijn we nu reeds de inhoud van de volgende wet houdende diverse bepalingen aan het schrijven.
Ik wens een drietal punten aan te snijden.
Ten eerste, de volmachtregeling aan de regering voor de omzetting van de achtste Europese richtlijn inzake accountancy.
Principieel is het geen goede evolutie dat de regering volmachten vraagt om Europese richtlijnen tijdig te kunnen omzetten. Allicht is dat een veeg teken dat de regering niet meer gelooft dat een omzetting van een belangrijke richtlijn tijdig kan gebeuren en dat ze er geen vertrouwen in heeft dat het Parlement dat nog zal kunnen behandelen. Misschien is het echter de oplossing voor alle omzettingen van richtlijnen: geef gewoon volmacht aan de regering en bekrachtig ze nadien. Op die manier zal onze achterstand vlugger opgelost worden.
We wijzen erop dat de laattijdigheid niet te wijten is aan het Parlement, maar aan de regering die de ontwerpen ter omzetting voortdurend te laat in het Parlement indient.
In werkelijkheid krijgt de regering door artikel 102 niet alleen de bevoegdheid om de achtste richtlijn om te zetten, doch ook om diverse andere richtlijnen die op basis van hetzelfde artikel 44.2 g van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn getroffen, te wijzigen. De bevestiging van de minister dat het enkel de bedoeling is de achtste richtlijn aan te passen, negeert evenwel niet de ruimere volmacht die bij dezen aan de regering toegekend wordt.
Ten tweede, de programmaovereenkomsten in het deel over energie.
Vorig jaar voerde de meerderheid via de wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2005 een artikel in voor het sluiten van nieuwe programmaovereenkomsten. Daardoor kon 60% van de ondernemingen van de sector, met een marktaandeel van misschien maar 15%, met de regering een nieuwe programmaovereenkomst sluiten zonder dat er rekening diende te worden gehouden met de ondernemingen die representatief zijn voor 85% van de hoeveelheid producten.
De petroleumsector in België is immers structureel heel ongelijk: zeven grote ondernemingen realiseren een marktaandeel van 75%, terwijl alles samen toch zowat 800 ondernemingen in de sector actief zijn.
De CD&V-fractie heeft toen met een amendement hiertegen gereageerd. Wij menen namelijk dat hier een dubbele meerderheid vereist is en dat er rekening moet worden gehouden met het aantal ondernemingen van de sector en met het marktaandeel van de in die sector actieve ondernemingen. Dat amendement werd toen niet aanvaard, maar later wel door collega Dedecker overgenomen en omgezet in een wetsvoorstel.
We stellen nu vast dat de regering dit punt opnieuw wenst te wijzigen. In dit ontwerp gooit de regering het namelijk over een andere boeg: nu wordt integendeel het marktaandeel van de beroepsverenigingen doorslaggevend, wat de balans doet overslaan in de richting van de belangen van de zeven grootste leveranciers, terwijl de andere marktspelers maar recht hebben op een bezwaarprocedure.
Ook dit voorstel is niet evenwichtig. De programmaovereenkomsten kunnen immers nu algemeen bindend verklaard worden indien ze goedgekeurd zijn door een beroepsvereniging die representatief is voor ten minste 60% van de in verbruik gebrachte hoeveelheid aardolieproducten. Dat leidt onvermijdelijk tot een bestendiging van de exclusieve bevoegdheid voor de Belgische petroleumfederatie, zoals die vandaag bestaat. En dit geldt ook voor het sluiten van akkoorden over de distributie- en de minimummarges voor de pomphouders. De beroepsverenigingen, representatief voor de handelaars in vloeibare brandstoffen, worden daar niet in gekend.
Met een amendement op artikel 119 wensen wij het democratisch gehalte van de voorgestelde regeling te verhogen. We doen dit door aan de beroepsvereniging of verenigingen die al naar gelang het geval een meerderheid van het marktaandeel of van het aantal ondernemingen vertegenwoordigen, een vetorecht toe te kennen indien ze menen dat hun belangen worden geschaad.
Met de voorgestelde hervorming van de CREG kunnen wij niet akkoord gaan. Net nu de rol van de CREG zo belangrijk is, zeker in het licht van de geplande fusie tussen SUEZ en Gaz de France, is het zeker niet aangewezen de autonomie van de CREG nog verder in te perken. Een onafhankelijke en autonome regulator is absoluut nodig. We stellen echter vast dat met dit wetsontwerp de CREG eens te meer verder onderworpen wordt aan een strikter toezicht. De verwijzing van de regering naar een interpretatieve nota van Europa dat onafhankelijkheid moet worden begrepen als onafhankelijkheid ten opzichte van de marktspelers en niet ten opzichte van de politiek, kan ons niet overtuigen. In deze nota wordt dit misschien niet opgelegd, maar wel aanbevolen. Ik citeer dit verslag: `This, therefore, does not necessarily require the regulator to be separate from existing government structures, even though a separate regulator is the most common and desirable model' Het is gewoon een politieke optie van deze regering om een onafhankelijke regulator niet de kans te geven die hij verdient.
Indien er eventueel bij de CREG bepaalde disfuncties zijn die bij wet dienen te worden rechtgezet worden, dan behoort dit ons inziens te worden geregeld in afzonderlijk wetsontwerp waarop ernstige parlementaire controle mogelijk is.
Vandaar dat wij diverse amendementen hebben ingediend om de artikelen 124, 133, 135, 136,137 en 138 te schrappen.
Opnieuw besluit ik met wat ik reeds tijdens de besprekingen van vroegere programmawetten heb aangehaald. De regering slaagt er niet in om behoorlijke wetten af te leveren. Bovendien ontzegt ze de Senaat elke mogelijkheid om aanpassingen aan te brengen. Dat komt de kwaliteit van het wetgevend werk allerminst ten goede. We moeten beseffen dat slechte wetten een negatieve invloed hebben op de concurrentiekracht van onze ondernemingen en bijgevolg op onze volledige samenleving.
De heer Wouter Beke (CD&V). - De Senaat moet nog snel tegen 14 juli een wetsontwerp houdende diverse bepalingen en een ontwerp van programmawet afhandelen. Waarom moeten we zo nodig op 14 juli onze werkzaamheden beëindigen? Wegens de verjaardag van de Franse revolutie? Staan we voor een nieuwe revolutie en het begin van een nieuw bewind? Is het omdat op 14 juli 1933 in Duitsland alle partijen, met uitzondering van de NSDAP, werden verboden? Of is het omdat op 14 juli 1993 het Sint-Michielsakkoord werd goedgekeurd waarbij de Senaat zijn nieuwe samenstelling en rol kreeg? Het is maar de vraag of we onze nieuwe rol echt naar behoren kunnen vervullen. Uit de uiteenzetting van collega Steverlynck blijkt duidelijk dat het antwoord op die vraag negatief is, ondanks het feit dat er pertinente opmerkingen worden gemaakt in de commissies en er pertinente amendementen worden ingediend. De paarse regering zou nochtans anders en beter, sneller en efficiënter werken, maar dat blijkt alleen een mooie belofte te zijn geweest, waar heel weinig van is terecht gekomen.
Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - We moesten het puin van CD&V opruimen!
De heer Wouter Beke (CD&V). - Het puin dat paars na acht jaar regeren zal achterlaten, zal veel groter zijn dan het puin dat de huidige regeringspartijen hebben aangetroffen in 1999. Toen stonden de staatsfinanciën er beter voor dan vandaag. In 2007, bij de regeringsonderhandeling, zal pas blijken hoe groot het puin van paars is.
Ik vrees dat het niet omwille van de verjaardag van het Sint-Michielsakkoord is dat we onze werkzaamheden moeten beëindigen op 14 juli. Ik vrees dat de redenen veel trivialer zijn: het is mooi weer, en er is de zucht naar de gemeenteraadsverkiezingen - of misschien wel de angst ervoor.
Het was ook mooi weer op 22 februari 2006. Toen werd in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden mijn voorstel over de fiscale aftrekbaarheid van de renovatie van huurwoningen door eigenaars besproken. De regering was voorstander van die fiscale aftrek want onze grote visionaire premier had soortgelijk idee de week voordien gelanceerd. Minister Reynders kwam echter met veel dedain in de commissie zeggen dat hij ons voorstel wat magertjes vond. De regering zou tegen de zomer met een veel beter voorstel voor de dag komen, dat zou worden opgenomen in de programmawet. Vandaag bespreken we de programmawet, maar we lezen er niets over. De meerderheidspartijen bewezen in de commissie lippendienst aan ons voorstel, maar ze weigerden de daad bij het woord te voegen.
De regering is wel komen aanzetten met de omvorming van het tabaksfonds tot een algemeen fonds tot bestrijding van de verslavingen. In de programmawet wordt de bevoegdheid van dat fonds uitgebreid. Ook de middelen worden opgetrokken van twee miljoen euro naar vijf miljoen. Het tabaksfonds is opgericht door de programmawet van 2003.
De Raad van State verklaarde bij de programmawet van 2003 dat de oprichting van het fonds een bevoegdheidsoverschrijding inhoudt.
De regering legde dat advies echter naast zich neer. Ook in 2005 vroeg de Raad van State om met de gemeenschappen een degelijk samenwerkingsakkoord te sluiten.
Het federale Tabaksfonds is een franco-belge tabaksfonds geworden. In Vlaanderen werd in 2004 en 2005 geen enkel project met de middelen ervan gefinancierd. De federale minister gaf in de commissie als belachelijk antwoord dat de Walen waarschijnlijk beter geïnformeerd zijn dan de Vlamingen. De federale minister heeft de plicht om alle Belgen te informeren.
De federale regering gaat hier haar bevoegdheden te buiten en de middelen van het fonds worden manifest misbruikt. Ik heb bij het Rekenhof de inkomsten en uitgaven van dit fonds bestudeerd. Men moet mij nu toch eens duidelijk maken wat het tabaksfonds te maken heeft met de Waals-Brusselse Fietsfederatie Pro Velo, die 7.000 euro krijgt, of met de autopiloot Kenneth Lotin die duizenden euro's krijgt omdat hij rondrijdt met een Mini Cooper waarop staat dat tabak slecht is voor de gezondheid? Wat heeft het tabaksfonds te maken met de subsidiëring van de Women Tennis Trophy, in Charleroi of all places, waar duizenden euro's naartoe zijn gegaan? Ik heb vastgesteld dat de gekregen toelage diende voor de financiering van initiatielessen tennis voor kinderen, voor maaltijden en drank, geschenken voor de kinderen voor het tennistornooi, filmopnames, ontspanningselementen, de huur van de Spiroudrome en zelfs de aankoop van vliegtuigtickets naar New York.
Het fonds druist in tegen alle regels van goed bestuur, zuinigheid, doelmatigheid en tegen de federale staatsstructuur. De minister kon daar in de commissie alleen maar op antwoorden dat wie niets doet, ook niets misdoet.
De federale regering is dus niet competent, in de dubbele betekenis van het woord, om dit fonds te beheren en gelet op het gebruik dat er vandaag van gemaakt wordt, kan het dan ook maar beter worden afgeschaft.
Ik heb nog een korte reactie op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen, meer bepaald op het betaald educatief verlof. Bij de bespreking van het Generatiepact hebben wij al duidelijk gemaakt dat men mensen niet alleen langer moet doen werken, maar dat men ze ook anders moet laten werken. De meerderheid had daar toen echter geen oren naar. Er werd volstrekt geen aandacht besteed aan het idee van lifelong learning dat we toen in de commissie en in de plenaire vergadering naar voor hebben gebracht en dat ook een federale bevoegdheid is. Men beweerde toen echter bij hoog en bij laag dat dit aspect behoorde tot de bevoegdheden van de deelgebieden. Uit de bespreking van voorliggend wetsontwerp blijkt nu dat het wel degelijk federale componenten bevat.
Wij hebben een tijd geleden een wetsvoorstel ingediend dat de federale componenten regelt om het betaald educatief verlof te kunnen integreren in de filosofie lifelong learning. Het ging over vier zaken, namelijk ten eerste de instemming van de hogescholen en universiteiten naar aanleiding van de hervorming in het hoger onderwijs, de Bolognaverklaring enzovoort, ten tweede de regeling van het afstandsonderwijs, ten derde een regeling voor de stages en ten vierde de assessments. De regering neemt nu het eerste punt van ons voorstel over, wat goed is, maar spreekt niet over de andere zaken, hoewel ze essentieel zijn voor een goed werkend systeem. De regering heeft een kans gemist om een degelijk uitgebouwde regeling uit te werken voor het betaalde educatief verlof. Wij zullen dan ook enkele amendementen indienen.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Ik stel opnieuw vast dat een programmawet nooit tot goede wetgeving leidt. Dat is niet meer dan normaal omdat programmawetten altijd op een drafje door het parlement worden gejaagd. Ook de Raad van State is niet gediend van deze wijze van totstandkoming van wetten. De Raad moet zijn advies beperken tot de meest essentiële punten. Hij merkt terecht op dat de haast een aanzienlijk kwaliteitsverlies van de wetgeving tot gevolg heeft. Daardoor moet achteraf vaak met reparatiewetgeving worden gewerkt.
Voor een aantal bepalingen van de titel financiën van het ontwerp van de programmawet ziet de Raad van State geen dringende redenen. In het bijzonder de bepalingen betreffende antimisbruikmaatregelen inzake BTW, de verzekering van de openbare dienst en overdracht van openbare domeingoederen hadden een grondiger onderzoek verdiend. Met die handelswijze komen we in een vicieuze cirkel terecht. De aldus tot stand gekomen slechte wetten moeten keer op keer worden gerepareerd door een volgende wet houdende diverse bepalingen. Die wordt op haar beurt dan weer op een drafje door het parlement gejaagd.
Wat de toekenning van bepaalde bevoegdheden betreft aan sommige ambtenaren van de FOD Financiën zorgt de toepassing van het koninklijk besluit van 31 maart 2003 met betrekking tot de machtiging tot het verrichten van bankonderzoeken voor problemen. Het ontwerp vertrouwt de zorg voor de aanwijzing van de bevoegde ambtenaar voortaan toe aan de minister van Financiën. Dezelfde wijziging wordt aangebracht in het BTW-wetboek. Hetzelfde geldt voor de ambtenaren die bevoegd zijn voor de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures die onder de bevoegdheid van de federale procureur vallen.
Ik hoop dat daarmee de problemen opgelost geraken, hoewel ik geen grote voorstander ben van die mogelijkheden tot bankonderzoek.
Het ontwerp verlengt ook een aantal termijnen. De bijzonder aanslagtermijn wordt verlengd zodat de behandeling van uit het buitenland ontvangen inlichtingen niet resulteert in de onmogelijkheid om belastingen te vestigen door de verstrijking van die termijn. Dat is logisch. De bezwaartermijn inzake inkomstenbelastingen wordt opnieuw zes maanden. De minimale termijn die van toepassing was onder de vroegere fiscale procedure, de wet van 15 maart 1999, bracht die termijn ten onrechte terug tot drie maanden. Dat was duidelijk te kort.
De ambtenaren bevoegd voor deze materie krijgen de bevoegdheid om de Staat voor de hoven en rechtbanken te verdedigen. Als advocaat kan ik hier niet warm voor lopen. Ik kan evenmin nalaten aan te stippen dat in de memorie van toelichting bij artikel 12 een dt-fout staat.
Wat de BTW betreft en de maatregelen ter bestrijding van misbruiken en de invoering van de hoofdelijke aansprakelijkheid bij niet-betaling van belastingen, wijs ik op een arrest van het Europees Hof van Justitie van 21 februari 2006. Daarin werd beslist dat de zesde Europese richtlijn zich verzet tegen het recht van een belastingplichtige om belasting af te trekken indien de transactie waarop dit recht is gebaseerd een misbruik vormt. De antimisbruikmaatregel in het BTW-wetboek wordt dan ook vervangen, maar de bepaling van het ontwerp wijkt op verschillende punten af van de regels van het vermelde arrest. In het arrest wordt in het geval van misbruik aan de belastingplichtige alleen het recht ontzegd om de voorbelasting af te trekken. Het artikel in het ontwerp heeft in het algemeen betrekking op het verkrijgen van een fiscaal voordeel. De artikelen 17 en 18 hebben dan weer enkel betrekking op het recht van aftrek. Dat is zeer verwarrend. De misbruiken waarbij men een belastingvoordeel kan krijgen zijn trouwens ruimer dan deze die een aftrek tot doel hebben, bijvoorbeeld het onrechtmatig gebruik van de regels inzake plaatsbepaling. Dit soort misbruiken kan beter worden bestreden via de theorie van de simulatie. Er is dan geen uitbreiding nodig van de notie misbruik tot buiten de grenzen die door het arrest van het Europees Hof van Justitie zijn gesteld. In dat arrest wordt ook gezegd dat wanneer een misbruik is vastgesteld, de in het kader daarvan verrichte transacties zo moeten worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals ze zou zijn geweest zonder de transactie die het misbruik vormt. Om de rechtspraak van het Europees Hof in acht te nemen, moet er een uitdrukkelijke bepaling in onze wetgeving komen waarin dit gedeelte van het arrest wordt opgenomen. Dit kan immers, in tegenstelling tot wat is aangegeven in de memorie van toelichting, niet worden samengevat tot `de normale toepassing van het principe volgens hetwelk inzake belastingen geen rekening wordt gehouden met schijn en ficties, maar dat wordt uitgegaan van de realiteit in de zin dat de administratie zich tot taak stelt de fiscale situatie van de betrokken belastingplichtige te herzien door de fiscale voordelen te verwerpen die deze laatste bekomen heeft door de handeling in kwestie.'
Het door de Raad van State voorgestelde artikel 49bis werd echter niet in het ontwerp opgenomen. Wel werd `rechtsmisbruik' vervangen door `misbruik' en werd de hierboven geciteerde uitleg in de memorie van toelichting aangevuld met de zin `en/of door de belastingplichtige de fiscale gevolgen van de werkelijke handeling op te leggen.' Ik betwijfel of dat wel een oplossing biedt.
Verder vind ik naar aanleiding van de invoeging van een bepaling in het Wetboek van de Inkomstenbelasting (WIB), die ertoe strekt personen die hun aandelen overdragen aan een kasgeldvennootschap, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de door die vennootschap verschuldigde belastingen, geen aangepaste definitie terug van `kasgeldvennootschappen', terwijl de Raad van State adviseert om een correcte definitie te geven van begrippen en hun inhoud. Dat is immers een fundamentele vereiste voor kwalitatieve wetgeving.
De problematiek van de kasgeldvennootschappen is niet nieuw. Gisteren was dat thema nog voorpaginanieuws in De Tijd. De reactie van de wetgever is gelijkaardig met die welke destijds gold voor de optievennootschappen en de definitief belaste inkomsten en het forfait voor buitenlandse belastingen. De wetgever heeft de optie voor vennootschappen gewoon afgeschaft, behalve voor landbouwvennootschappen. Het regime van de definitief belaste inkomsten werd zodanig aangepast dat de inkomsten van buitenlandse holdingmaatschappijen waarop geen belasting werd geheven, van het regime werden uitgesloten. De verrekening van het forfait voor buitenlandse belastingen werd pro rata temporis beperkt zodat het bezit van buitenlandse titels voor een zeer korte termijn niet meer lonend is voor de toepassing van het forfait voor buitenlandse belastingen. Evenwel waren bovengenoemde technieken zeker niet frauduleus te noemen, maar banken verkochten die fiscale technieken als een financieel product zodat ze op grote schaal werden toegepast en de Schatkist daarbij veel geld misliep. Typisch voor de reactie van de fiscus is dat in afwachting van een wetgevende ingreep, men eerst begint te taxeren om de sector te laten weten dat de toepassing van de gewettigde technieken voortaan niet zomaar wordt toegelaten, maar dat de belastingplichtige naar de rechtbank zal moeten stappen om gelijk te halen. Nu zien we een zelfde scenario voor de kasgeldvennootschappen. Dit is een vorm van discouraging taxation: een taxatie die enkel bedoeld is om anderen te ontmoedigen ook een beroep te doen op de technieken die wettelijk toegelaten zijn. Dat werkt uitstekend: niemand zoekt een conflict met de fiscale administratie die altijd wat vindt, en bovendien kost procederen geld. Men kan de problematiek van de `frauduleuze' kasgeldvennootschappen echter niet gelijkstellen met genoemde technieken. De kasgeldvennootschap is trouwens geen techniek. Het komt hierop neer dat een aandeelhouder de aandelen verkoopt van een vennootschap die al haar activa en passiva te gelde heeft gemaakt en op de meerwaarde eventueel vennootschapsbelasting zal verschuldigd zijn ofwel bij afloop van het boekjaar, ofwel in de tijd gespreid bij toepassing van artikel 47 van het WIB 92 over de uitgestelde belasting door herinvestering. De koper neemt de aandelen over omdat hij een investeringsproject heeft waardoor hij de aldus ontstane belastbare basis nog tijdens het belastbare tijdperk of binnen de door artikel 47 van het WIB gestelde termijn kan uitvlakken. Op die manier kan de koper een prijs voorstellen die hoger ligt dan de waarde van het eigen vermogen min de normale belastinglatentie van 33,99%, die vroeger nog 40% was. Meestal wordt een zogenaamde korting op het eigen vermogen toegepast van 15%, of soms slechts van 5%. Op die wijze wordt de verkoop van aandelen, in beginsel een niet-belastbare verrichting, aantrekkelijker door de liquidatie van de vennootschap.
Dit laatste brengt niet alleen de vennootschapsbelasting mee op de gerealiseerde winst van het lopende boekjaar, maar ook een voorheffing van 10% bij uitkering aan de aandeelhouders. De vennootschap die de activa heeft aangekocht, kan op de verhoogde grondslag opnieuw afschrijvingen boeken.
Reeds van in het begin van de jaren '90 zijn er malafide personen op de markt die de toegepaste techniek, die zeer eenvoudig is, omgekeerd evenredig agressief toepassen. Met medewerking van banken werden in het verleden al tientallen verkopers van aandelen van vennootschappen die toevallig - of niet toevallig - liquide geworden waren, overtuigd om aandelen over te dragen aan vennootschappen die gevestigd waren in de zogenaamde offshoreoorden waar ze ongrijpbaar zijn voor de Belgische fiscus. Die malafide persoon krijgt dan een lening bij de bank - totaal wettelijk - ten belope van de prijs die hij moet betalen voor de aandelen. Hij vraagt de kandidaat-verkoper- eveneens totaal wettelijk - de liquide middelen van het doelvennootschap op rekening te plaatsen bij diezelfde bank. Op deze wijze heeft de bank een zekerheid voor de toegekende lening. De overdracht van aandelen grijpt dan plaats in de kantoren van dezelfde bank. Op dat ogenblik verwerft men dan de controle over de liquide vennootschap en haalt men al het geld eruit door gebruik te maken van dat geld voor de aankoop van een andere vennootschap waarvan de aandelen waardeloos zijn. Op die manier kan men het geld aanwenden voor de terugbetaling van voornoemde lening. Het verschil tussen de aanwezige liquiditeiten en de prijs van de aandelen - de zogenaamde korting - is de opbrengst waarmee men met de noorderzon vertrekt.
De Belgische vennootschap wordt verder aan haar lot overgelaten. Een aangifte vennootschapsbelasting wordt niet meer ingediend. Een jaarrekening wordt niet meer opgemaakt. Uiteindelijk wordt de vennootschap failliet verklaard. De vraag rijst dan wie de gebroken potten moet betalen.
Alle andere frauduleuze kasgeldvennootschapsconstructies zijn variaties op ditzelfde thema. Het geld van de liquide vennootschap wordt door de koper gebruikt om de verkoper van aandelen en de lening terug te betalen. De ontstane belastbare grondslag wordt weggewerkt met zuiver fictieve investeringen of minderwaarde op totaal waardeloze aandelen. De zogenaamde korting op eigen vermogen is de opbrengst die de koper aan de transactie overhoudt.
De fiscus heeft eerst geprobeerd om de burgers op burgerlijke vlak aansprakelijk te stellen als vereffenaars van de kasgeldvennootschap. De stelling was dat door de overdracht van alle activa de vennootschap in feit vereffend werd. De burgerlijke rechtbanken hebben die stelling nooit aanvaard. Enkele bepalingen in de programmawet brengen daarin verandering.
Een tweede middel dat ook werd gebruikt was de actio pauliana tegen de overdracht van het handelsfonds. De fiscus is hier evenmin geslaagd gelet op de anterioriteit van de fiscale schuldvordering aan de transactie van de overdracht van het handelsfonds. Uiteindelijk heeft de fiscus tegenover iedereen die bij de transactie betrokken is, zowel kopers als verkopers, advocaten, bedrijfsrevisoren, bankiers, klanten en zo meer, klachten ingediend bij de strafrechtelijke overheden op grond van artikel 29, tweede lid, van het wetboek van strafvordering.
Momenteel zijn er in bijna alle gerechtelijke arrondissementen gerechtelijke onderzoeken aan de gang die reeds jaren aanslepen en die, net als het geval Douwe Egberts, in de pers komen. Sommige zijn zelfs aanhangig sedert 1996. Als advocaat vraag ik mij af of daar nog een redelijke termijn in acht wordt genomen. Momenteel geraakt men in sommige zaken echter niet verder dan de raadkamer.
Opmerkelijk is dat het Groot-Hertogdom Luxemburg zijn medewerking aan rogatoire commissies nooit heeft verleend op grond van de fiscale exceptie in het Beneluxsamenwerkingsverdrag van 1962.
Het is dus duidelijk dat het hier gaat om een omvangrijke problematiek, die niet zomaar even snel voor het reces kan worden geregeld door een bepaling op te nemen in de programmawet. Bovendien wordt hierdoor de verkoper van de aandelen aansprakelijk gesteld voor niet betaalde belastingen ingeval van overdracht van aandelen van een vennootschap waarvan de activa voor 75% uit geldbeleggingen bestaat. De maatregel treft de verkoper, terwijl de fraude toch gepleegd wordt door de koper. Een aandeelhouder is tot nader order niet aansprakelijk voor de belastingen van de vennootschap waarvan hij aandelen bezit. Enkel ingeval hij strafrechtelijk wordt veroordeeld voor misdrijven bepaald in het wetboek van inkomstenbelasting, is hij op grond van artikel 458 van het WIB 1992 hoofdelijk aansprakelijk voor de ontdoken belastingen. Dat vergt uiteraard een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan.
De aandeelhouder wordt automatisch aansprakelijk voor de ontdoken belasting zonder dat wordt nagegaan of hij effectief schuld heeft aan het frauduleus handelen van de verkoper die het vertikt ernstige investeringen te doen en de vennootschap uiteindelijk failliet laat gaan.
Frauderen met kasgeldvennootschappen verschilt uiteindelijk niet van andere vormen van fraude, zoals het niet aangeven van inkomsten. Het is een vorm van misbruik van vennootschapsgoederen, van niet aangeven van inkomsten en van een frauduleus organiseren van onvermogen. Het is de schuld van de strafrechtelijke overheden, die de gerechtelijke onderzoeken jaren hebben laten aanslepen. Hierdoor is de vorm van fraude zo kunnen groeien.
Ik kan absoluut niet akkoord gaan met de manier waarop met grote borstel snel veranderingen aan artikel 442ter van het Wetboek van Inkomstenbelasting van 1992 worden aangebracht.
Ook het hoofdstuk over de verzekering van de openbare dienst en de overdracht van onroerende domeingoederen past perfect in het kortzichtige regeringsbeleid om met eenmalige maatregelen de begroting op te smukken. Op 28 april besliste de Ministerraad om tachtig gebouwen, waaronder de WTC-3 en WTC-4 torens, die zelfs nog moet worden gebouwd, te verkopen door ze in een vastgoedbevak onder te brengen. De privatisering van de gebouwen gebeurt in twee fasen. Eerst wordt een privé-partner uitgekozen die in het kapitaal van de bevak stapt. In een volgende fase stapt het vehikel naar de beurs.
De operatie betekent in totaal een opsteker voor de Schatkist van ongeveer 556 miljoen euro. Opdat Eurostat de opbrengst van de verkoop van de gebouwen in de begroting kan opnemen, beperkt de Belgische Staat volgens De Tijd van 15 mei 2006 haar belang in de nog op te richten vastgoedbevak tot 10%. Het is overduidelijk dat een dergelijke operatie bijzonder negatieve gevolgen heeft op lange termijn. Doordat het belang tot 10% wordt beperkt, zal de Staat in de toekomst veel minder dividenden ontvangen. Bovendien staat in de memorie van toelichting: `De overdracht van onroerend goed door de Staat aan de vastgoedbevak zal gepaard gaan met de huurovereenkomsten waarmee de vastgoedbevak de overgedragen gebouwen ter beschikking van de Staat zal stellen'.
Er is dus een eenmalige opbrengst door de verkoop, maar in de toekomst zal de overheid wel blijvend hoge huurlasten moeten dragen. Dat is geen goed bestuur, maar wel kenmerkend voor de huidige regering.
Een ander staaltje van dit regeringsbeleid vinden we terug in het dossier van de Koninklijke Muntschouwburg. De Staat stelt zich garant voor de aanvullende pensioenen van de KMS omdat het ondanks herhaalde pogingen niet mogelijk blijkt om die aanvullende pensioenen op basis van de wet-Colla om te vormen in een externalisering van de reserves. Hierdoor komt het systeem van het aanvullend pensioen in het gedrang. Volgens de toelichting zullen de aanvullende pensioenen ook in toekomst uit de werkingsmiddelen van de KMS worden betaald. Die garantie van de regering is een oplossing die werd aangereikt door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Ze is echter enkel bedoeld om conform de wet vrijgesteld te worden van externalisering van die reserves. De vraag is echter in welke mate de financiële problemen doorwegen in het geheel van de problemen van de Koninklijke Muntschouwburg met betrekking tot de aanvullende pensioenen. Ook rijst de vraag of de Staat in de nabije of de verre toekomst als waarborgsteller niet zal worden aangesproken om financieel bij te springen. Met een dergelijke langetermijnvisie houdt de regering zich blijkbaar niet bezig.
Ik heb ook nog enkele opmerkingen in verband met de discussies over het wetsontwerp houdende diverse bepalingen in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden en de missie voor de Justitie. Ook dat wetsontwerp is een schoolvoorbeeld van hoe wetten niet moeten worden gemaakt. In het hoofdstuk `Elektronische communicatie' worden bijvoorbeeld de sancties inzake het fonds voor de universele dienst uitgebreid. Dat is een rechtzetting van een bepaling van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen van vorig jaar. Een dergelijke werkwijze is een Senaat onwaardig.
Wetgeving wordt op een drafje en zonder een grondige evaluatie door deze wetgevende vergadering gejaagd door middel van programmawetten en wetsontwerpen houdende diverse bepalingen. We mogen er dus van uitgaan dat de fouten die dit jaar werden gemaakt, volgend jaar zullen moeten worden rechtgezet.
Hetzelfde geldt overigens voor de bepalingen aangaande de middenstand met betrekking tot de betere invordering van de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen. Ook dit is een rechtzetting van de wet houdende diverse bepalingen van vorig jaar.
Ook de wijzigingen in de wetgeving over de inkomstenbelastingen zijn een aaneenschakeling van rechtzettingen van vergetelheden en fouten in de wetgeving over de inkomstenbelasting.
Dan is er nog het onwettelijke en onwezenlijke kunst-, vlieg- en plakwerk inzake het accijnsstelsel in deze mozaïekwet.
In artikel 1, §1, 3' tot 7', van de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken worden wijzigingen aangebracht die er reeds voorlopig in aangebracht waren bij het koninklijk besluit van 24 januari 2005 tot wijziging van de vermelde wet van 13 februari 1995. Volgens de aanhef van dat koninklijk besluit heeft men zich daarbij gebaseerd op artikel 13, §1, van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977.
In de memorie van toelichting wordt over de bekrachtiging van de koninklijke besluiten betreffende het accijnsstelsel enkel vermeld dat de door de Raad van State onrechtmatig verklaarde toepassing van artikel 13 van de algemene wet inzake douane en accijnzen in dezelfde lijn ligt van wat reeds meerdere jaren in deze materie wordt toegepast, alsof dat een rechtvaardiging zou zijn. Dat is niet meer dan een magere verklaring, aangezien de Raad van State deze opmerking al meermaals maakte in het verleden.
De Koning is bij artikel 13, §1, van de vermelde wet niet gemachtigd om de wet te wijzigen, wat evenwel weliswaar voorlopig toch geschied is in het koninklijk besluit van 24 januari 2005.
De bekrachtiging die men wil verwezenlijken is niet de correcte werkwijze. De wet zou eigenlijk moeten terugwerken tot de datum waarop het besluit in werking is getreden. Gelet op het feit dat dit besluit onrechtmatig werd goedgekeurd, is het noodzakelijk de wet aan te passen, en niet het onrechtmatig koninklijk besluit te bekrachtigen.
Tot slot wens ik over de bepalingen die besproken werden in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden nog op te merken dat met betrekking tot de wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt aan de Koning de macht toegekend wordt om de toewijzing van de opbrengst van de federale bijdrage te bepalen waarbij de minister van Energie de meer precieze uitvoeringsmaatregelen zou moeten bepalen. Dat kan niet, omdat een rechtstreekse delegatie door de wetgever van een reglementaire bevoegdheid aan een minister neerkomt op het ingrijpen van de wetgever in een prerogatief dat aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht toebehoort krachtens artikel 37 van de Grondwet.
Aangaande justitie zijn in deze mozaïekwet bepalingen opgenomen waarmee ik me deels kan verzoenen.
Een stap in de goede richting is dat met dit wetsontwerp een wijziging wordt aangebracht aan de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen.
De aanvulling van artikel 8 van de wet van 20 mei 1997 vormt de wettelijke grondslag voor de overdracht of verdeling van, uitsluitend op verzoek van een buitenlandse overheid, in België verbeurd verklaarde vermogensvoordelen.
Thans komen die verbeurdverklaarde vermogensvoordelen exclusief aan de Belgische Schatkist toe, ook al is de verbeurdverklaring het gevolg van een buitenlandse rechterlijke beslissing. Als gevolg van het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de overdracht of verdeling kan ons land momenteel geen wederkerigheid garanderen, indien een buitenlandse overheid op verzoek van het Belgisch gerecht op haar grondgebied gelokaliseerde en verbeurd verklaarde vermogensvoordelen aan België wil overdragen. Zwitserland eist bijvoorbeeld wederkerigheid voor de overdracht van aldaar verbeurd verklaarde criminele vermogens, die doorgaans op Zwitserse bankrekeningen aangetroffen worden. Alleen al wat Zwitserland betreft, zou het gaan om een bedrag van ongeveer 4 miljoen euro dat voor overdracht aan België in aanmerking komt.
Door de wijziging van de wet van 20 mei 1997 kan een overdracht van verbeurdverklaarde vermogensvoordelen plaatsvinden met alle landen waarmee België in een bi- of multilateraal verdragskader verkeert, dat de opsporing, het beslag en de verbeurdverklaring van criminele vermogensvoordelen toelaat. De beslissing tot gehele of gedeeltelijke overdracht of verdeling van de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen wordt genomen door de correctionele rechtbank. Dat lijkt me correct.
Ook het nieuwe artikel 9bis van de drugswet dat aan de burgemeester de bevoegdheid toekent om, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke autoriteiten, een sluitingsmaatregel voor een duur van maximaal zes maanden op te leggen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat op een privé doch voor het publiek toegankelijke plaats herhaaldelijk drugs worden verkocht, is een stap vooruit.
Het nieuwe artikel 9ter maakt het mogelijk ronddolende junkies voor maximaal zes uur bestuurlijk aan te houden en daarmee kan ik akkoord gaan. Bij hun vrijlating worden ze op de hoogte gebracht van de bestaande hulpverleningsmogelijkheden en ook dat is correct.
De memorie van toelichting verwijst voor deze mogelijkheid van bestuurlijke aanhouding naar artikel 1, §2, van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van dronkenschap. De aanhoudingstermijn is in beide gevallen evenwel verschillend. In de besluitwet van 1939 bedraagt de duur van de bestuurlijke aanhouding bij dronkenschap ten minste twee en ten hoogste twaalf uur. In geval van intoxicatie door drugs bedraagt de aanhoudingstermijn maar zes uur. Het verschil is merkwaardig en wordt niet gerechtvaardigd. Daarmee kan ik dan ook niet akkoord gaan.
Mevrouw Nele Lijnen (VLD). - In mijn korte uiteenzetting wil ik twee thema's aansnijden: de omzetting van de Europese richtlijn inzake leeftijdsdiscriminatie en het telewerk.
De omzetting van de Europese richtlijn 2000/78 komt geen dag te vroeg. Indien dat niet voor 2 december gebeurt, loopt België immers kans door de Europese Commissie in gebreke te worden gesteld. Bovendien kan ons land in de problemen komen, aangezien de bepalingen van het Generatiepact en sommige andere wetgevende bepalingen een afwijking vormen op het algemene beginsel dat er geen leeftijdsdiscriminerende maatregelen mogen worden genomen. De Europese richtlijn bepaalt dat leeftijdsdiscriminatie verboden is, maar dat er uitzonderingen mogelijk zijn als er daarvoor objectieve criteria kunnen worden aangegeven. In het geval van werkgelegenheid en de problematiek van de vergrijzing kunnen dergelijke afwijkingen weliswaar objectief verantwoord worden, maar het neemt niet weg dat alles duidelijk omschreven moet zijn en door een legitiem doel gerechtvaardigd moet worden. De omzetting van deze Europese richtlijn is met andere woorden cruciaal voor een goede werking van het Generatiepact.
Enige tijd geleden werden over deze problematiek in de Kamer vragen gesteld. Hierop antwoordde de minister dat er geen problemen waren. Om dat zo te houden moest er in de Kamer echter met enige vertraging een amendement op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen worden ingediend om de Europese richtlijn alsnog in Belgisch recht te implementeren. Ik ben dan ook verheugd dat het gebeurd is en hoop dat hiermee alle problemen van de baan zijn.
VLD en ook Vivant zijn bijzonder tevreden dat er eindelijk werk is gemaakt van telewerken, een item waarmee onze groep al een tiental jaar bezig is in zowel het Vlaams Parlement, de Kamer als de Senaat. Na verschillende schriftelijke en mondelinge vragen, meerdere resoluties en uiteindelijk een wetsvoorstel verheugt het me ten zeerste dat de regering gevolg heeft gegeven aan de vraag naar een wettelijk kader rond telewerken. Dat de bepalingen van CAO 85 op 1 juli van kracht zijn geworden, maakte de tijdsdruk weliswaar groter, maar toch bood de bewuste CAO geen oplossing voor de openbare sector en de overheidsbedrijven.
Vandaar dat ik de regering uitdrukkelijk wens te danken dat ze is ingegaan op de vraag van de VLD en op basis van het wetsvoorstel van collega Maggie De Block in de Kamer het oorspronkelijke wetsontwerp heeft geamendeerd om telewerken ook in de openbare dienst en overheidsbedrijven mogelijk te maken. Sommige diensten of overheidsbedrijven, Belgacom begrijpelijk op kop, staan al ver met proefprojecten en wachten op de wettelijke basis om die ongestoord in de praktijk te kunnen omzetten. Ik dring erop aan in dit dossier niet te dralen, zodat ook ambtenaren zo snel mogelijk de geneugten van deeltijds telewerken kunnen genieten.
Ik spreek duidelijk over `geneugten van deeltijds' telewerken.
De dooddoeners over het gevaar voor sociale isolatie of vrouwen die achter hun pc zitten met de muis in de ene hand en een wenende baby op hun schoot, hebben we intussen nu echt wel gehad. Niemand pleit voor de invoering van voltijds telewerken. Niemand beweert dat telewerken het fileleed volledig oplost of kinderopvang overbodig maakt. Telewerken is nu eenmaal geen mirakeloplossing, maar wanneer het efficiënt wordt aangewend kan het de individuele werksituatie en de combinatie met het persoonlijk leven van zij die het willen en wier job het inhoudelijk toestaat, een stuk comfortabeler maken.
Het is dus onnodig om hier het debat over zin en onzin van telewerken, inclusief de bezwaren van vakbond- en werkgeverszijde, nog eens over te doen. Het belangrijkste punt voor ons is dat er eindelijk een voldoende flexibele wettelijke regeling komt, waardoor de telewerkers duidelijk een eigen reglementering krijgen die hen onderscheidt van de bredere term huisarbeid en waardoor ze op een juridisch sluitende manier hun arbeid in hun woning deeltijds kunnen uitvoeren op een manier die het beste bij hun werksituatie past. Ik vraag de minister nog wel ervoor te zorgen dat vooral de bepalingen inzake het ARAB en het welzijn op het werk zo snel mogelijk sluitend geregeld worden. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat telewerkers die een arbeidsongeval krijgen in hun woning, voor problemen komen te staan.
Telewerken hoort bij een moderne arbeidsorganisatie en vraagt een grote verantwoordelijkheid van de werknemers en een groot vertrouwen van het management of de werkgevers in hun werknemers. Die uitdaging moeten we durven aan te gaan, maar met dien verstande dat telewerken geen recht voor werknemers kan zijn, maar een gunst van de werkgevers, die bovendien herroepbaar is.
Nu het wettelijk kader eindelijk een feit is, hoop ik op een snelle en succesvolle toepassing van telewerken.
Met uitzondering van het hoofdstuk over de sociale inspecties heeft onze fractie geen onoverkomelijke problemen met de bepalingen over het deel inzake werkgelegenheid.
Bij de besprekingen in de Kamer maakte de VLD-fractie enige kanttekeningen bij het hoofdstuk over de sociale inspecties. We blijven van oordeel dat de maatregelen te snel en te verregaand kunnen zijn. Uiteindelijk hadden we de maatregelen liever geïntegreerd gezien bij de behandeling van het wetsontwerp over de hervorming van het sociaal strafrecht, maar de VLD is natuurlijk niet gekant tegen een gedegen controle en dito aanpak van sociale fraude.
De amenderingen in de Kamer bij het oorspronkelijke wetsontwerp hebben ten minste het voordeel dat een en ander wordt verduidelijkt. Al bij al vindt de VLD-fractie voldoende pluspunten in het wetsontwerp om er haar goedkeuring aan te geven.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De CD&V heeft al meermaals kritiek geuit op de werkwijze van de regering. Midden in de zomer, wanneer iedereen verdiende rust geniet, moeten wij bijna teruggetrokken voor de publieke opinie over allerlei bepalingen stemmen, wetgeving wijzigen, het sociaal recht herschrijven, zonder daarover grondig te kunnen beraadslagen.
Onlangs zat ik op de trein met een docent fiscaal recht. Die zei dat sinds de paarse regering aan het bewind is, zijn instelling elke tweede week van september een cursus `vakantiefiscaliteit' organiseert. Om up-to-date te blijven moeten technici zich bijscholen over de wijzigingen in de wetgeving die midden in de zomer zijn aangebracht.
Deze werkwijze maakt het moeilijk voor ons als wetgevers, maar ook voor de mensen die moeten uitmaken waarop men recht heeft als men problemen heeft met zijn sociaal of fiscaal statuut. Keer op keer vragen wij hier aandacht voor, maar jammer genoeg telkens tevergeefs.
In deze bespreking wil ik het vooral hebben over de bepalingen inzake de leeftijdsdiscriminatie. In de commissie voor de Justitie hebben we drie à vier jaar geleden de antidiscriminatiewet uitgewerkt. We hebben daar meer dan een jaar aan gewerkt en adviezen ingewonnen van juristen en experts en van de Raad van State. Het ging immers om een afweging tegenover grondwettelijke rechten. Maar met dit ontwerp werd via een amendement in de Kamercommissie een bepaling toegevoegd die ons inziens een totale uitholling betekent van het verbod op leeftijdsdiscriminatie.
Op dit moment is er volgens de wet sprake van directe discriminatie als een verschil in behandeling niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd. Over arbeidsbetrekkingen bepaalt de antidiscriminatiewet dat een verschil in behandeling op een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan worden toegelaten indien dit een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt.
Wij vragen ons echt af wat er nog meer nodig is om een afwijking inzake het verbod op leeftijdsdiscriminatie te rechtvaardigen. Onlangs las ik op een terras: `Kelners gevraagd, m/v, jonger dan 30 jaar'. Dergelijke dingen worden perfect mogelijk met de zeer vage omschrijving die de regering in dit ontwerp invoegt: verschillen in behandeling op grond van leeftijd zijn niet langer een discriminatie `indien zij objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of alle overige vergelijkbare legitieme doelstellingen'. Ik vrees dat de Raad van State, zo er advies was gevraagd, dit niet had laten passeren en dat het Grondwettelijk Hof dit overhaaste wetgevend werk zal terechtwijzen.
De CD&V-fractie heeft al meermaals de gevaren van dit soort van wetgevend werk aangetoond. We waarschuwen er vandaag opnieuw voor dat deze bepaling het verbod op leeftijdsdiscriminatie totaal uitholt.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Het debat over de tweetaligheid van de Brusselse politieagenten is al uitvoerig aan bod gekomen in de Kamer. Intussen heeft de minister eindelijk een eerste globaal overzicht gegeven van de cijfers die hij bij de Brusselse politiezone had opgevraagd. Die cijfers zijn niet echt bemoedigend. Amper iets meer dan de helft van het operationele kader van de Brusselse politie zou tweetalig zijn. Per zone varieert dat cijfer van 35 tot 71 procent. Artikel 69 van de taalwet in bestuurszaken, dat een overgangsperiode van vijf jaar inlaste om het personeel van de toenmalige rijkswacht de kans te geven alsnog aan de taalvereisten te voldoen, werd de voorbije jaren blijkbaar zeer creatief gebruikt om eentalige politieagenten in dienst te kunnen nemen. Van de recent gerekruteerde agenten voldoet maar 14 à 15 procent aan de wettelijke taalvereisten.
In de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden liet de minister uitschijnen dat het probleem bij Franstaligen en Nederlandstaligen even groot is. De cijfers die hij vorige week gaf, tonen nochtans heel duidelijk aan dat de tweetaligheid bij de Nederlandstaligen van de twee categorieën - degenen die oorspronkelijk onder artikel 69 vielen en de recent aangeworven agenten - hoger ligt dan bij de Franstaligen.
Het grote argument waarmee de minister altijd schermt is de veiligheid. Hij kan de taalkennis niet afdwingen want hij heeft geen stok achter de deur, behalve dan de verwijdering van de eentalige politiemensen uit de zone. Dat kan hij natuurlijk niet doen, want dan ontstaat een groot probleem van veiligheid in de Brusselse zones. Dat argument is niet heel origineel. De continuïteit van de dienst wordt al jarenlang als argument door de Brusselse overheid gebruikt om in Brussel ééntalig personeel aan te werven, of het nu gaat om rechters, verplegend personeel of agenten. De Raad van State heeft meermaals gesteld dat de continuïteit van de dienst niet kan worden ingeroepen om de taalwet te schenden, aangezien het een wet van openbare orde is.
De redenering van de minister getuigt bovendien van een nogal enge kijk op veiligheid. Onveiligheid is vandaag een groter probleem dan een eventueel personeelstekort bij de Brusselse politie of bij de politie in het algemeen. Zelfs wanneer het personeelskader volledig zou ingevuld zijn, mag de politie zoveel misdadigers en boefjes oppakken als ze wil, als die misdadigers en boefjes nadien niet streng worden gestraft, is het dweilen met de kraan open. Er is niets zo demotiverend dan het besef dat de arbeid die dagelijks wordt verricht geen reële bijdrage levert tot de veiligheid van de samenleving.
Om de statistieken een beetje op te fleuren, worden sommige misdrijven niet langer vervolgd, worden niet altijd processen verbaal opgesteld of komt de politie niet meer ter plaatse. Justitie is dan wel niet de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken, maar hij maakt deel uit van de regering. De vorige minister van Justitie behoorde zelf tot de partij van minister Dewael. Na zijn rol in de commissie Dutroux had hij hoge verwachtingen gewekt die, om het zacht uit te drukken, niet echt werden ingelost. In de tweede regering Verhofstadt kwam Justitie in handen van de PS. De VLD, die vóór elke verkiezing met een groot veiligheidsplan uitpakt, moest toch weten dat daarmee Justitie in handen wordt gegeven van de maffia, zoals Frans Lozie enkele jaren geleden zei. De VLD kon toch weten dat de PS, een partij waar de corruptie welig tiert, niet zou meewerken aan een echt veiligheidsbeleid. De minister kan zich natuurlijk verstoppen achter zijn portefeuille, maar hij maakt deel uit van de regering en van de VLD. Hij is medeverantwoordelijk voor het non-beleid inzake veiligheid in ons land.
De minister zegt dat hij degenen die niet voldoen aan de taalvereisten niet kan verwijderen uit de Brusselse zones omdat het nu al heel moeilijk is om de kaders in te vullen. De dienstverlening en de veiligheid zouden in het gedrang komen. Het aantrekken van kandidaten zal echter moeilijk blijven zolang de regering geen prioriteit maakt van veiligheid. De vooropleidingen - waarover ik trouwens een schriftelijke vraag heb gesteld in 2004 waarop ik nog geen antwoord heb ontvangen - zullen dat probleem niet verhelpen. Soepelheid betreffende de taalvereisten voor agenten in Brussel zal dat probleem evenmin verhelpen. Ondertussen wordt een bijkomend probleem in het leven geroepen en wordt de taalwetgeving, die een essentieel onderdeel is van de verhoudingen tussen de twee taalgemeenschappen, verder uitgehold.
Voor het Vlaams Belang is veiligheid heel belangrijk. Iedereen weet dat. De minister verwijst er ook telkens naar om zijn excuus kracht bij te zetten. Het Vlaams Belang is echter ook dé Vlaamse partij bij uitstek, die sinds haar ontstaan opkomt voor de rechten van de Vlamingen in ons land, niet enkel op politiek vlak, maar ook op gebied van taal en cultuur. Voor ons moeten zowel de veiligheid van de burger als het respect voor de taalwetten worden gegarandeerd. Dat kan volgens ons enkel door een nultolerantie op beide vlakken.
Toen de groenen en socialisten bij de bespreking van de vreemdelingenwet in de commissie een nieuwe algemene regularisatie vroegen, antwoordde minister Dewael terecht dat dit een beloning zou zijn voor wie de beslissing van de bevoegde instanties manifest aan hun laars lappen, wat niet te verantwoorden is tegenover degenen die vrijwillig vertrekken of worden gerepatrieerd. Het is jammer dat de minister diezelfde redenering niet in dit dossier volgt. Met de verlenging van de regeling beloont hij precies diegenen die manifest de taalvereisten aan hun laars lappen, ondanks de taalpremies die bij de politie tien keer zo hoog zijn dan de gebruikelijke taalpremies bij de openbare besturen, ondanks de taalcursussen die worden georganiseerd en ondanks het feit dat degenen die deze cursussen volgen hun premies en toelagen behouden en bijgevolg geen weddeverlies lijden.
Zij die het ondanks al die voordelen manifest laten afweten, worden beloond. Hoe kan de minister dat verantwoorden tegenover degenen die in de voorziene zes jaar wel de moeite deden om het tweetaligheidsbrevet te halen? Met de verlenging schaart de regering zich aan de zijde van de Brusselse regering die de taalwetgeving in Brussel al jaren ondergraaft. De verlenging van de termijn is trouwens ook de voorbode van een nieuwe Vlaamse communautaire nederlaag in wording. Waarom verlengt men uitgerekend tot 2007? Om de zeer eenvoudige reden dat er in mei of juni 2007 federale verkiezingen zijn en er nadien wellicht een nieuwe ronde in de staatshervorming zal worden gereden met een versoepeling van de taalwetgeving in Brussel, ook bij de Brusselse politie, op de agenda. Brussels minister Van Hengel, een partijgenoot van de minister, pleit immers al jaren voor een versoepeling van de taalwetgeving.
De overbrugging van één jaar en negen maanden moet dus dienen om de huidige illegale toestand te regulariseren, maar dat wordt in dit land stilaan een gewoonte. De Vlamingen die in onze hoofdstad wonen of werken, die Brussel meefinancieren, zullen het gelag mogen betalen. Ik verwijs graag naar het artikel van Herman Deweerdt in De Tijd van 4 april van dit jaar waarin hij, met de cijfers in de hand, aantoont dat het de Vlamingen zijn die de sociale voorzieningen in Brussel en Wallonië betaalbaar maken. Zonder Vlaams transfergeld zouden Brussel en Wallonië allang een ander beleid moeten voeren.
Stefaan Huysentruyt schrijft vandaag in De Tijd dat de aantasting van het communautaire evenwicht in Brussel wel eens het einde van België zou kunnen betekenen en dat de Franstaligen, als ze wat verder zouden kijken dan hun neus lang is, het Vlaamse medebeheer van de hoofdstad zouden moeten koesteren. Ze zouden er als de bliksem moeten voor zorgen dat de taalwetgeving in Brussel wordt geëerbiedigd.
De minister heeft nog één bijkomend probleem. Het Arbitragehof heeft duidelijk gesteld dat de overgangstermijn van vijf jaar die in 2002 met terugwerkende kracht was ingevoerd, aanvaardbaar was, maar dat een verlenging daarvan dat absoluut niet is. Het bewuste arrest is trouwens een gevolg van een juridische actie van het Vlaams Belang. Het arbitragehof heeft zich dus al ten gronde uitgesproken over deze verlenging en ze als niet-aanvaardbaar gecatalogeerd. Het Vlaams Belang zal dan ook niet aarzelen om het Arbitragehof in te schakelen in een nieuwe procedure tegen de verlenging.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Vandaag kunnen we ons afvragen of deze regering nog in staat is om belangrijke beslissingen te nemen. Ik durf dat zeggen in het licht van de aanstaande verkiezingen, maar zeker ook omdat de periode van 2003-2004 ook al gekenmerkt werd door verkiezingskoorts. In het begin van dit jaar verklaarde de minister zelf dat de eerste twee jaren van Verhofstadt II eigenlijk verloren jaren waren. Met het Generatiepact werd de eerste grote bouwwerf van Paars II in de steigers gezet. Inmiddels moet iedereen toegeven dat dit geen echt pact was. Het was bovendien ruim onvoldoende om de problematiek van de vergrijzing aan te pakken.
Op zoek naar een tweede adem werden dit voorjaar de tien werven afgekondigd. De eerste minister verklaarde in januari het volgende: `Met verkiezingen voor de boeg konden we op twee manieren reageren: de lopende zaken beheren of nieuwe hervormingen doorvoeren. We hebben voor het tweede gekozen.' Een half jaar later blijkt uit de feiten echter dat de regering voor het eerste heeft gekozen, namelijk de lopende zaken beheren en de verkiezingen van 8 oktober voorbereiden.
De resultaten van de maatregelen inzake innovatie en ondernemen, iedereen op het internet, efficiëntere overheid, consumentenzaken en handelspraktijken zijn mager. Van de werven `armoede uitsluiten' en `energie' hebben we nog niets gehoord. Voor de werf `mobiliteit' werd als alternatief voor de 80 km per uur een algemeen inhaalverbod voor vrachtwagens op wegen met tweemaal twee rijvakken afgekondigd. Er was echter geen voorakkoord met de gewesten die liever een modulair inhaalverbod zien. Mobiliteit is dus nog steeds een bouwwerf. Zal er nog deze legislatuur een oplevering komen?
De belangrijkste werf `herstel van de competitiviteit' werd gewijzigd in een andere prioriteit: het verleiden van de kiezer op 8 oktober. De ene bouwmeester wil de huurprijzen betonneren of een schoolpremie invoeren, de andere wil de forfaitaire beroepskosten optrekken of meer fiscale aftrek voor de kinderopvang. Daarbij komt nog een verlaging van de belastingen voor ploegen- en nachtarbeid en een verhoging van de inkomensgarantie voor ouderen. Alle beslissingen werden voorlopig geblokkeerd. Er is geen politieke eensgezindheid, noch een zicht op de budgettaire mogelijkheden. De flexibilisering van de arbeidsmarkt of het verhogen van de koopkracht en de competitiviteit dreigen het interprofessioneel overleg van september trouwens bij voorbaat te hypothekeren.
Terwijl het land met bouwwerven wordt overstelpt, worden wij met een programmawet en een wet houdende diverse bepalingen geconfronteerd om het zomerreces in te zetten. Elke keer komen dergelijke wetten in het parlement aan als een mooie doos met honderden artikelen. Het is net een doos pralines waarvan men ook niet weet welke soort pralines er in zitten. Maar de wetten houden niets zoets in, enkel zoute, zure of bittere dingen. Tussen de chocolade zitten er heel wat peperbollen, voorbeelden van slecht bestuur. Welke peperbollen verbergt de regering in die wetten? Er zijn vier soorten van dergelijke maatregelen. Ten eerste zijn er de maatregelen die vooral het parlementair debat willen ontwijken. Ten tweede zijn er de maatregelen die vroegere slechte wetgeving wil repareren. Ten derde zijn die wetten dit jaar een vehikel om de taalwetgeving en de bevoegdheidsverdeling in dit land niet na te leven. Ten slotte zijn er maatregelen om een aantal benoemingen mogelijk te maken. Ik geef kort een aantal voorbeelden van die maatregelen.
Voor de maatregelen die het parlementaire debat willen ontwijken geef ik voorbeelden betreffende de werkzaamheden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen waar ik namens mijn fractie elke week aanwezig ben.
De heer Paul Wille (VLD). - Als het over oudstrijders gaat, bent u altijd afwezig.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik was er, maar ik weet niet of u er was.
Ik kijk alvast uit naar uw reactie op mijn twee punten betreffende de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Misschien kunnen we nog een amendement goedkeuren op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen. We zijn hier vandaag immers om het debat ten gronde te voeren.
Aan de minister van Landsverdediging verleent dit wetsontwerp machtiging om de inkomsten uit de verkoop van onroerende goederen, legermateriaal en munitie, aan te wenden binnen het eigen budget. Door de creatie van allerlei fondsen neemt men afstand van de algemene principes van de begroting.
In het verleden werd al duidelijk dat bepaalde legeraankopen bijzonder ongelukkig verliepen. Het is dus niet aangewezen de minister hierin nog meer bevoegdheden te geven. Door de opname van deze machtiging in de programmawet onttrekt de regering zich aan een fundamenteel debat hierover en over de begrotingsfondsen in het algemeen. Daarom dien ik namens onze fractie een amendement in om deze machtiging te schrappen.
Een tweede voorbeeld heeft betrekking op ontwikkelingssamenwerking. Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen neemt een aantal fundamentele beslissingen zonder ze in een volledig kader te plaatsen. Ik betreur dat over de bepalingen die de werking van de BTC moeten aanpassen aan de Verklaring van Parijs inzake de effectiviteit van de hulp, niet grondig wordt gedebatteerd in de Senaat. Bovendien is een grondig debat over de BTC ook wenselijk.
In artikel 185 wordt de term `financiële samenwerking' geherdefinieerd om nieuwe financiële samenwerkingsvormen door de BTC, zoals begrotingssteun of schuldkwijtschelding te kunnen opnemen. Essentieel is ook de wetswijziging die de BTC de mogelijkheid biedt opdrachten uit te voeren in landen die geen partnerlanden zijn. We moeten erover waken dat de BTC niet afglijdt naar het model van het vroegere ABOS en in te veel regio's actief wordt. CD&V is niet principieel tegen een mogelijke uitbreiding, op voorwaarde dat ze beperkt is en grondig gemotiveerd. Zo vinden wij het bijvoorbeeld opportuun dat de BTC als uitvoerend agentschap van de deelstaten kan optreden en dus activiteiten kan ontplooien in partnerlanden. Bijgevolg verdient het aanbeveling dat de deelstaten een grotere rol krijgen in het beheer van de BTC.
Een tweede soort euvel in wat voorligt is het feit dat het om reparatiewetgeving gaat. De wetten die onder Paars tot stand komen doorstaan de toets van de kwaliteit niet. Een eerste voorbeeld is de wet betreffende de elektronische communicatie van 13 juni 2005, waardoor bepaalde politiediensten en de Staatsveiligheid wel de bevoegdheid hebben om af te luisteren, maar de apparatuur daarvoor verboden is. Dit wordt nu gecorrigeerd. Welke gevolgen zal dit juridisch hebben? Zijn alle gerechtelijke uitspraken die gebaseerd zijn op tapping nietig?
Een tweede voorbeeld betreft een wetswijziging die verband houdt met de uitoefening van ambulante handel en kermisactiviteiten. De machtiging daartoe wordt door die wijziging voortaan niet meer verleend door de minister of zijn afgevaardigde, maar door het ondernemingsloket, wat CD&V aanvankelijk al had bepleit. Men heeft ons toen niet willen volgen, maar vandaag gebeurt dit nu toch.
Een derde soort euvel dat dit ontwerp van programmawet en van wet houdend diverse bepalingen aantast is dat men het niet nauw neemt met de taalwetgeving en de bevoegdheidsverdeling in ons land. Ook hier koos ik twee voorbeelden uit.
Ten eerste voorziet het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen in een verlenging met anderhalf jaar van de overgangsperiode voor personeelsleden van de federale en van de lokale politie om zich in orde te stellen met de taalwetgeving.
In de politiehervorming werd in een overgangsmaatregel voorzien waardoor personeelsleden tot 1 april 2006 de tijd kregen om een taalbrevet van SELOR te behalen. Uit cijfers van de minister van Binnenlandse Zaken blijkt dat slechts 52% van de politieagenten geslaagd is voor het taalexamen. Van de personeelsleden die na de hervorming zijn toegetreden is slechts 22% geslaagd. De verlenging van de overgangsmaatregel die bedoeld was voor de personeelsleden die al in dienst waren, is eigenlijk van toepassing op de mensen die aangeworven werden na de politiehervorming. Ook daar werd de wetgeving omzeild. De verlenging van de overgangsfase betekent een aanfluiting van de taalwetgeving en houdt geen rekening met de grond van het probleem. De verlenging wordt aangewend om ééntalig personeel, zonder de nodige taalkennis, te kunnen aanwerven. Het structurele probleem wordt verschoven naar de volgende regeerperiode.
Een tweede voorbeeld waarbij de bevoegdheidsverdeling wordt overtreden betreft het Fonds voor de bestrijding van het tabaksgebruik dat in deze programmawet uitgebreid wordt behandeld. Het Fonds wordt uitgebreid tot het Fonds tot bestrijding van verslavingen met een budgetverhoging van 3 miljoen euro. Het Fonds respecteert de huidige bevoegdheidsverdeling in dit land niet. Gezondheidspreventie is een kerntaak van de gemeenschappen. Meerdere initiatieven van de federale overheid doorkruisen het preventiebeleid van de gemeenschappen en zijn zelfs contraproductief.
Ik heb minister Demotte vorige week geïnterpelleerd over zijn campagne rond zwaarlijvigheid en voedingsgewoonten. De minister en de regering willen blijkbaar niet begrijpen dat ter zake een bevoegdheidsverdeling in ons land bestaat. Via deze wetten wordt de overtreding nog uitgebreid.
De voorliggende ontwerpen worden gebruikt voor een verdere politisering van de benoemingen. Onbehoorlijk bestuur is ook de wijze waarop de minister van Landsverdediging in de wet Diverse Bepalingen in de mogelijkheid voorziet om het mandaat van de chef Defensie met telkens één jaar te verlengen. In 2003 werd het mandaat wettelijk op 4 jaar vastgesteld. CD&V heeft geen probleem met het garanderen van de continuïteit mits een positieve evaluatie. Wij kunnen echter niet instemmen met een arbitraire benoemingspolitiek. CD&V wil een objectieve grens voor de termijn bepalen zoals dat het geval is voor de Copernicusmandaten. Wij stellen voor de verlenging van het mandaat van de chef Defensie maximaal met een jaar te verlengen. Dit ontwerp maakt echter een onbeperkte verlenging mogelijk.
Evenmin kunnen we akkoord gaan met het onder curatele plaatsen van de CREG. Het voorbije jaar heeft de CREG zich ontpopt als een kritische regulator met een scherpe visie op de gas- en elektriciteitsmarkt. De regering was evenwel niet gelukkig met de adviezen van de CREG, ook al waren die gesteund door het brede middenveld. De regering volgde de adviezen meestal ook niet op. Het gevolg van het lakse regeringsbeleid is een slecht werkende gas- en elektriciteitsmarkt. Wij vermoeden dat de regering met voorliggende bepalingen de kritische waakhond CREG wil doodknijpen, het daarom onder curatele plaatst en een herschikking doorvoert van de directie.
Ik heb op een viertal punten voorbeelden gegeven van pijnpunten in dit ontwerp. Ik wil dat men inziet wat de regering probeert door het parlement te laten goedkeuren - met succes overigens, want ik heb weinig kritiek gehoord van de meerderheid en ook geen amendementen op mijn bank gevonden. Wij hebben wel amendementen ingediend.
Ook dit jaar wordt het parlement net voor het zomerreces opgezweept met een resem regeringsontwerpen. Misschien moet eens een grafiek worden opgesteld van de werklast in het parlement in de dagen voor het zomerreces. De meerderheid werpt dan op dat ze geen amendementen kan aannemen omdat anders het verlof in het gedrang komt. Dat wordt dan een argument om de kwaliteit van de wetgeving onderuit te halen.
Ook de Raad van State wordt kritischer tegenover de manier waarop Paars 2 de programmawetten opstelt. In zijn advies bij de programmawet van december 2004 stelde de raad: `Daarbij komt dat de techniek van de programmawet vanuit het oogpunt van de parlementaire behandeling weliswaar bepaalde voordelen biedt, doch ook nadelige gevolgen heeft. Zo ... is de Raad van State ... verplicht zijn advies te beperken tot de meest essentiële punten. Sommige bepalingen van het voorontwerp hebben te maken met fundamentele rechten en vrijheden waarvan de naleving, krachtens de Grondwet in het bijzonder door de wetgever dient te worden gewaarborgd of bevatten soms verregaande innovaties. Zowel de ene als de andere zouden aan een grondig onderzoek moeten worden onderworpen, zowel door de wetgevende kamers als door de afdeling Wetgeving, en zouden bijgevolg niet in een programmawet mogen worden opgenomen. De snelheid waarmee wordt gewerkt heeft nadelige gevolgen voor de kwaliteit van de wetgeving, wat naderhand vaak reparatiewetgeving noodzakelijk maakt'.
Met betrekking tot het voorliggende wetsontwerp houdende diverse bepalingen gaat de Raad van State nog verder. Voor de eerste maal weigert hij in zijn advies een aantal artikelen te behandelen. De Raad van State wijst er daarbij op dat een reeks artikelen helemaal niet `spoedeisend' is, zoals de regering laat uitschijnen, of dat althans een afdoende motivering hiervoor ontbreekt.
We kunnen de kritiek van de Raad van State op het vehikel van de programmawetten en de wetten houdende diverse bepalingen alleen maar bijtreden. CD&V verzet zich met klem tegen de wijze waarop Paars 2 wetten door het parlement jaagt zonder respect voor de parlementaire democratie.
We hebben de afgelopen dagen berekend dat in de loop van het parlementaire jaar 87 ontwerpen vanuit de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar de Senaat werden overgezonden. Hiervan werden er 27 geëvoceerd en uiteindelijk werden er slechts 6 geamendeerd. Dat is volgens mij een absoluut dieptepunt in de korte geschiedenis van de Senaat in zijn huidige vorm. Ik vrees dat die trend vandaag niet zal worden omgebogen omdat bij de leden van de meerderheid de lef ontbreekt om de voorliggende ontwerpen te amenderen.
Het evocatierecht wordt niet alleen door de regering, maar ook door de meerderheid uitgehold. Dat is jammer. Ik roep iedereen op om na te denken over hoe we de wetgeving in ons land kunnen verbeteren.
De Senaat wordt niet alleen in zijn wetgevende functie ondermijnd, maar ook onze rechten inzake parlementaire controle en informatie worden uitgehold. Uit een steekproef blijkt dat dit jaar ruim 87% van de parlementaire vragen niet door de bevoegde minister werden beantwoord, maar door een staatssecretaris van dienst die een antwoord voorlas, al dan niet in de juiste taal.
Deze praktijk is bedenkelijk, niet alleen omwille van een gebrek aan courtoisie tegenover het Parlement, maar vooral omdat de kwaliteit van de antwoorden daardoor niet voldoet en het informatierecht wordt uitgehold.
De heer Paul Wille (VLD). - Allicht geeft u de voorkeur aan het systeem van het Vlaams Parlement, waar zeven van de tien vragen worden geweigerd en voor het overige een zwijgakkoord wordt toegepast onder de kundige leiding van de minister-president.
De heer Wouter Beke (CD&V). - De huidige voorzitter van het Vlaams Parlement is lid van uw partij, die hierin nu verandering kan brengen.
(Samenspraken)
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Wij steunen helemaal geen zwijgakkoord. Mevrouw Leduc beklemtoonde vorige week nog dat haar partij belang hecht aan parlementaire vrijheid, een uitspraak die we op applaus hebben onthaald.
De heer Paul Wille (VLD). - De visie van mevrouw Leduc op de Boerenbond werd vorige week op heel wat minder applaus onthaald.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dat is een ander debat.
Alleszins moeten wij onze rol vervullen en de regering verplichten haar verantwoordelijkheid op te nemen.
De premier heeft ooit aangekondigd de Senaat te willen afschaffen. Inmiddels wordt de Senaat door de regering stelselmatig genegeerd. Dit is, naar ik vrees, een strategie, een bewuste keuze, want door het ondermijnen van de Senaat wordt de indruk gewekt dat die instelling overbodig is, waardoor de afschaffing uiteindelijk een self-fulfilling prophecy is. Het gaat overigens niet alleen over het voortbestaan van de Senaat, maar vooral over de essentie van de parlementaire democratie, die door deze agenda onderuit wordt gehaald.
Sinds de staatshervorming van 1993 heeft de Senaat specifieke opdrachten gekregen. Hij heeft zijn rol te vervullen als eerste internationale Kamer en als Reflectiekamer. Er worden maatschappelijke debatten gehouden. Daarenboven heeft de Senaat een verzoeningsfunctie met de gemeenschappen en moet hij waken over de kwaliteit van de wetgeving. Deze vernieuwende opdrachten vervullen we momenteel onvoldoende, omdat dit ons systematisch door de uitvoerende macht onmogelijk wordt gemaakt.
Met die manier van werken gaan we niet akkoord. Daarom doen we een oproep tot de leden van de meerderheid binnen deze Assemblee om de Senaat voluit te laten gaan. Onze opdrachten zijn immers noodzakelijk in het moderne federale land waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen.
Geef de Senaat meer slagkracht. Om hem te versterken en zijn verantwoordelijkheid te verscherpen moeten we slechts enkele technische institutionele wijzigingen aanbrengen binnen de huidige bevoegdheidsverdeling. Daartoe doe ik enkele suggesties, die we er in de loop van de volgende maanden zouden kunnen doordrukken. Allereerst stellen we voor het vorderingsrecht van regeringsleden opnieuw in te voeren, waardoor het onmogelijk wordt de parlementaire vragen niet te beantwoorden. Daarnaast zijn we voorstander van de invoering van informatieplicht van de regering inzake de ontwerpverdragen, zodat preventieve bijsturing mogelijk wordt, alsook inzake de lopende onderhandelingen over de samenwerkingsakkoorden met de deelstaten, teneinde parlementaire controle op de werkzaamheden van het interministerieel overlegcomité te organiseren.
Ten vierde stellen we voor de fundamentele maatschappelijke debatten die we moeten voeren, ruimer te agenderen en thema's te kiezen die de bevoegdheidsverdeling in ons land overschrijden. Ik denk aan vergrijzing, migratie, integratie en andere onderwerpen waarbij de verschillende politieke niveaus betrokken zijn en wij onze brugfunctie kunnen vervullen. Tot slot pleiten we voor de versterking van de dienst Wetsevaluatie van de Senaat en voor het bewust en verantwoord omgaan met de adviezen van deze dienst.
We hebben een technische nota gemaakt die veel meer voorstellen bevat dan ik hier heb aangegeven, maar ik bespaar u de volledige lijst. Namens mijn fractie wilde ik dit debat openen. We bevinden ons vandaag op een kantelmoment en het is onze taak om ervoor te zorgen dat de Senaat wél zijn grondwettelijke taak kan vervullen en dat we de Senaat in dat opzicht ook versterken.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De voorbije jaren hebben we al meermaals de zomerplaag en de winterplaag van de programmawetten en de wetten houdende diverse bepalingen aangeklaagd. Een dergelijke manier van wetgevend werken toont ook aan hoe noodzakelijk het is dat de parlementaire rechten en meer bepaald de rechten van de parlementaire oppositie door een beroep bij het Arbitragehof worden gewaarborgd. In ons wetgevingssysteem, met de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden, kunnen burgers zich bij een mogelijke schending tot het Arbitragehof richten. In de parlementaire procedure worden echter bepaalde minderheidsrechten niet meer gerespecteerd. Ik verwijs naar een arrest van het Franse constitutionele hof dat het systeem zelf van wetten houdende diverse bepalingen als ongrondwettelijk heeft veroordeeld. Wetgeving dient immers zo'n graad van sérieux te hebben dat parlementsleden het onderwerp kennen, er een normaal parlementair debat over kunnen voeren en hun amenderingsrecht geen theoretische mogelijkheid, maar een effectieve realiteit is.
Mevrouw de Bethune heeft daarnet ook al aangetoond dat wat vandaag ter bespreking voorligt, zo wordt geclassificeerd dat de parlementsleden niet meer precies het voorwerp van hun stem kunnen inschatten. Dat is de `onteigening' van de parlementaire democratie. We kennen de echte inhoud niet meer.
Ik geef één voorbeeld uit de programmawet, namelijk hoofdstuk VII, over de verzekering van de openbare dienst en de overdracht van onroerende domeingoederen. Dit hoofdstuk werd in de commissie voor de Financiën behandeld, terwijl het gaat om een fundamentele wijziging van het begrip `openbaar domein', dat sinds het begin van de negentiende eeuw bestaat. De goederen van het openbaar domein, op de eerste plaats de justitiepaleizen, vallen niet onder het eigendomsrecht, maar onder de domaniale rechten. Dankzij deze rechtspositie kan de overheid in de realisering van haar openbare dienst flexibel optreden en op ieder ogenblik gepast reageren.
Vandaag wordt alles echter aan het zogenaamde budgettaire evenwicht onderworpen en wordt het openbaar domein - de goederen van de natie dus - onder onduidelijke voorwaarden en tegen een onzekere prijs geprivatiseerd. Wat is immers de marktprijs van een hof van justitie? Bovendien huurt de overheid de gebouwen terug onder voorwaarden die ten minste discutabel zijn.
De gebouwen van het Hof van Cassatie, het Justitiepaleis, het Arbitragehof, de Raad van State en het Rekenhof worden ondergebracht in een vastgoedbevak. Het Arbitragehof en de Raad van State hebben trouwens al geprotesteerd tegen het onderbrengen van hun gebouwen in een vastgoedbevak die de ultieme hallucinatie wordt genoemd. Ze vinden dat strijdig met hun opdracht. Wanneer de overheid deze gebouwen op een bepaald ogenblik een andere bestemming wil geven, dan zal dit niet meer mogelijk zijn. De gebouwen hebben het statuut van privé-eigendom en worden terugverhuurd aan de overheid. Er is een dubbel voordeel voor de privé-investeerder. De vaste meerwaarde van het openbaar domein komt met het verloop van de jaren niet meer ten goede van de natie, maar van de privé-investeerder. Bovendien zou de bedongen prijs op jaarbasis op veel lager moeten zijn, aangezien de debiteur die zijn verplichtingen moet naleven, voor de eigenaar geen risico inhoudt.
Uit financieel oogpunt is het dus een betwistbare en onevenredige operatie. Het juridische gevolg is dat de flexibiliteit die de overheid moet hebben voor de aanwending van haar goederen, niet meer gewaarborgd is. Deze goederen een nieuwe bestemming geven zal een meerkost betekenen voor de overheid of zal gebeuren onder voorwaarden die niet noodzakelijk de beste zijn.
Dit mechanisme leidt ook tot een meerkost inzake de jaarlijkse last. Door de domeingoederen in een vastgoedbevak onder te brengen ontstaat het recht van een kadastraal inkomen. Er wordt onroerende voorheffing geheven. Als men alle openbare domeingoederen in Brussel in een vastgoedbevak onderbrengt, dan betekent dat een formidabele bijkomende financiering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze goederen geven nu immers geen aanleiding tot kadastraal inkomen, maar in de toekomst wel. Op de inbreng in een vastgoedbevak worden registratierechten geheven. Nu is het openbaar domein daar niet aan onderworpen.
Over deze constructie zou zowel vanuit financieel, economisch als vanuit juridisch oogpunt een echt debat moeten worden gevoerd, waarbij de commissie voor de Justitie wordt betrokken. Wanneer in de toekomst justitie op een andere manier wordt georganiseerd en bepaalde goederen een andere bestemming krijgen, dan is dat met deze constructie niet mogelijk.
Een andere invulling van het begrip openbaar domein in een programmawet opnemen en voorstellen als een budgettaire operatie, zonder een grondige discussie over de juridische, financiële en staatkundige gevolgen, is een typevoorbeeld van het misbruik van een programmawet. Het inbrengen van het openbaar domein in een vastgoedbevak is een duidelijke illustratie van de keizer zonder kleren. Er worden zaken ingekleed die de werkelijkheid verhullen. De kledij beantwoordt niet aan de realiteit.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het onderzoek van deze twee wetsontwerpen biedt ons zoals altijd de gelegenheid de manier van werken van de regering te evalueren. Sommige bepalingen van de tekst tonen aan dat we hier te doen hebben met een verwarde regering. De regering heeft ook verkeerde keuzes gemaakt en ze heeft het vooral moeilijk om haar in de media vaak aangekondigde beloften in wetteksten om te zetten.
De regering is dus verward en die indruk wordt nog versterkt door het aantal artikelen dat in de verschillende bevoegde commissies meestal in stormpas wordt behandeld. Uiteindelijk hebben de ontwerpen slechts een magere inhoud. De bepalingen die we onderzocht hebben, bewijzen dat de regering geen enkele inspiratie meer heeft en niet meer coherent werkt. Tal van bepalingen zijn uitsluitend bedoeld om materiële fouten uit vroegere ontwerpen te verbeteren of zelfs om de inwerkingtreding van die ontwerpen uit te stellen omdat de regering niet in staat was de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen uit te vaardigen.
Ik geef slechts één voorbeeld. In de Raad van Ministers van 15 oktober 2004 werd het voorontwerp van wet tot financiering van de politiezones aangekondigd. Op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken heeft de Ministerraad inmiddels echter beslist de federale dotatie in 2005 en 2006 te bevriezen. Artikel 61 van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen handhaaft die maatregel ook voor de begroting 2007, hoewel de regering het tegenovergestelde had aangekondigd. De regering is niet in staat geweest een financieringsmechanisme voor te stellen dat zowel transparant als toegankelijk is. De huidige basisfinanciering en aanvullende enveloppen vormen een bijzonder ingewikkeld geheel. De norm voor de interzonale verdeling wordt bovendien zwaar onder vuur genomen door de gemeenten die in de politiezones gediscrimineerd worden.
Soms verkeert de regering in de onmogelijkheid om te regeren, maar soms gaat ze overijld te werk en moet ze later corrigerend optreden. We stellen vast dat het grootste deel van de artikelen over de energiekwesties dient om wetten te wijzigen die minder dan een jaar geleden nog werden gewijzigd.
Sommige artikelen met betrekking tot de werkgelegenheid en de inkomstenbelasting zijn bedoeld om nalatigheden en fouten recht te zetten in het Generatiepact dat amper enkele maanden geleden werd opgesteld.
In andere gevallen wordt de inwerkingtreding uitgesteld van bepalingen die door het parlement werden goedgekeurd, of worden wettelijke bepalingen gewijzigd die nog altijd niet in werking zijn getreden.
Het ontwerp bevat bijvoorbeeld ook bepalingen tot wijziging van de zeer recente wet houdende regeling van de economische en individuele activiteiten met wapens, hoewel die wet nog niet in werking is getreden.
Tot slot heb ik in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen verschillende bepalingen gevonden waarover met de sociale partners vooraf geen overleg gepleegd werd, hoewel de minister daartoe verplicht was omdat hij dat beloofd had, of omdat de wet daarin voorzag.
De regering heeft ook verkeerde keuzen gemaakt. Twee kwesties die in de twee voorliggende wetsontwerpen voorkomen, verontrusten mij: de regularisering van de energiemarkten, een van de belangrijkste uitdagingen van de 21ste eeuw; en de manier waarop de regering de begroting in evenwicht probeert te houden, onder meer door het patrimonium van de Staat op een weinig transparante manier te verkopen. In beide ontwerpen vinden we de hele problematiek van de Vastgoedbevak terug.
De CREG, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas in België, wordt volledig onder toezicht geplaatst, terwijl iedereen weet dat de CREG een autonoom orgaan is dat een fundamentele rol speelt. Enkele maanden geleden, ter gelegenheid van de omzetting van een Europese richtlijn, heeft de regering behoorlijk gesnoeid in de bevoegdheden van de CREG door verschillende opdrachten over te hevelen naar de administratie Energie of naar de netbeheerders.
Voorliggende wet houdende diverse bepalingen legt de CREG nieuwe, belangrijke wijzigingen op. De Commissie komt op termijn ontegensprekelijk onder het toezicht van de regering.
Als gevolg van het terugschroeven van haar bevoegdheden kan de CREG niet langer een objectieve indicatieformule voorstellen voor de beheersbare kosten. Die formule is belangrijk omdat ze het naleven van de wettelijke verplichtingen van de netbeheerder en vaste tarieven gedurende een periode van vier jaar moet verzekeren.
Die beknotting van de autonomie van de CREG is niet alleen spijtig, maar om volgende redenen ook gevaarlijk.
1º De Staat geraakt zwaar verwikkeld in de energiekwesties, hoewel hij er zich uit teruggetrokken had.
2º De regeringsleden zijn niet onderworpen aan de onafhankelijkheidsregels die van toepassing zijn op de leden van het directiecomité van de CREG. Die mogen namelijk geen mandaat, aandelen of andere belangen hebben in de energiesector.
3º De CREG moet de regering advies verstrekken over energiekwesties, maar hoe kan de CREG die taak nog vervullen als de regering morgen het beleid en de resultaten controleert?
4º De almaar toenemende politisering van de CREG - de benoeming van de voorzitter is daarvan een duidelijk bewijs - zal nadelige gevolgen hebben voor de deskundigheid van de CREG.
Ik kom nu tot de operatie `Vastgoedbevak 2006'. Ik betreur het gebrek aan transparantie bij de verkoop van het vastgoed van de Staat. In het hoofdstuk `Verzekering van de openbare dienst en overdracht van onroerende domeingoederen' voert het ontwerp van programmawet, derogerend aan het gemene recht waarin het Burgerlijk Wetboek voorziet, een specifiek stelsel in voor de onroerende goederen die nu vallen onder het stelsel van de onroerende domeingoederen. Het gaat dus om goederen bestemd voor de openbare dienst die worden overgedragen aan private rechtspersonen. Men zegt ons dat het nieuwe stelsel de continuïteit van de openbare dienst moet verzekeren en tegelijkertijd de mogelijkheid moet bieden onroerende goederen over te dragen aan private rechtspersonen.
De Raad van State heeft hierover een bijzonder strenge uitspraak gedaan. Hij was van oordeel dat de programmawet een nieuw stelsel invoert dat volledig afwijkt van het huidige stelsel voor de onroerende goederen die tot op vandaag vallen onder het stelsel van de onroerende domeingoederen. De Raad van State zegt: `De Staat zal niet meer beschikken over een zakelijk recht op de onroerende goederen en zal niet meer de prerogatieven verbonden aan de eigendom kunnen uitoefenen, te weten op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen; hij zal alleen beschikken over een persoonlijk recht op die goederen en zal alleen de rechten van een huurder kunnen uitoefenen, te weten het genot van de goederen binnen de grenzen gesteld bij de artikelen 1714 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.'
Een tweede oordeel luidt: `De beperkingen die de wetgever aanbrengt in het eigendomsrecht van de privaatrechtelijke rechtspersonen moeten conform de ter zake toepasselijke normen zijn (inzonderheid artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952.' Tot slot stelt de Raad van State: `Die goederen, welke toebehoren aan privaatrechtelijke rechtspersonen, zullen in de handel zijn met toepassing van artikel 1598 van het Burgerlijk Wetboek en zullen dus vervreemd kunnen worden, het voorwerp kunnen uitmaken van verjaring van rechten en vatbaar zijn voor beslag.'
Het voorontwerp van programmawet bevat volgens de Raad van State aldus een reeks precieze regels die in ruime mate geïnspireerd zijn op de wet op de handelshuurovereenkomsten, voor wat de verlenging van de handelshuurovereenkomst betreft, en op de pachtwet voor wat het recht van voorkoop betreft. Zulke bepalingen, die hoofdzakelijk gebaseerd zijn op civielrechtelijke mechanismen, lijken evenwel ontoereikend om de continuïteit van de openbare dienst te waarborgen. Het lijkt dus a priori moeilijk dat twee dermate tegenstrijdige beginselen, namelijk de continuïteit van de openbare dienst en de bescherming van het eigendomsrecht, kunnen samengaan zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het wezen van het ene of het andere van beide beginselen.
De Raad van State merkt voorts op dat de wettelijke goedkeuring krachtens de bepalingen van de programmawet niet meer nodig is, wat tot gevolg heeft dat het Parlement de transfers van goederen naar de Vastgoedbevak voortaan niet meer moet goedkeuren. Dat is een nieuwe verkrachting van het specifieke kenmerk van `openbaar domein' van de goederen van de Staat.
Die maatregel bewijst dat de regering bezig is met een begrotingsoefening. De regering had beslist om ongeveer tachtig gebouwen die eigendom waren van de Staat, over te dragen aan een Vastgoedbevak in de hoop de opbrengst van die one shot-operatie, namelijk 585 miljoen euro, te kunnen gebruiken om de begroting in evenwicht te brengen. De regering moest het werk echter overdoen omdat Europa beslist heeft dat de Staat zijn aandeel in die Vastgoedbevak moest verminderen van 25 naar 10%. Ik merk terloops op dat de Staat aldus zijn blokkeringsminderheid verliest en dat de regering nu probeert alle mogelijke gebouwen te verkopen omdat ze absoluut 585 miljoen euro moet vinden voor het begrotingsevenwicht. Ze probeert, zoals de Raad van State onderstreept, zo goed en zo kwaad als het gaat twee van nature tegenstrijdige beginselen te verzoenen.
Het enige doel van de regering is een Vastgoedbevak voldoende stijven zodat ze 585 miljoen euro kan binnenrijven. Het verkoopcontract, het verhuurcontract en de gevolgen voor de toekomstige begrotingen van de Staat zijn daarbij van weinig belang, hoewel de stijgende huurprijzen gevolgen zullen hebben voor die begrotingen. Dat is echt een kortetermijnbeleid.
Wij hadden gehoopt in deze teksten een aanzet te vinden voor de concretisering van de regeringsaankondigingen waaraan we gewend zijn geraakt, maar we hebben niets gevonden. Op 9 januari jongstleden somde de eerste minister in de Kamer de tien punten op die hij nog vóór de federale verkiezingen van 2007 wil realiseren. Zes maanden later kunnen we alleen maar vaststellen dat in de voorgestelde teksten geen enkel punt werd geconcretiseerd.
De hervorming van de CREG en de operatie Vastgoedbevek 2006 zijn op zijn minst even zorgwekkend.
De teksten bevatten natuurlijk ook bepalingen die onze steun waard zijn, vooral omdat ze hoofdzakelijk bedoeld zijn om vroegere bepalingen te corrigeren. We kunnen de ontwerpen in hun geheel echter niet goedkeuren omdat de keuzes die werden gemaakt de begroting van de Staat in gevaar brengen en omdat de gedane beloften niet werden gehouden. De CDH zal daarom tegenstemmen.
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik zal mij beperken tot een bondige commentaar.
Ik heb aandachtig geluisterd naar de uiteenzettingen van de twaalf senatoren. Ik heb ook veel genoteerd en zou gerust een repliek van ongeveer twee uur kunnen geven, vooral omdat alle senatoren nu aanwezig zijn. Ik denk echter dat ze gekomen zijn om te stemmen en niet om naar mij te luisteren. Ik stel dus vertrouwen in de wijsheid van de senatoren bij de stemming over deze ontwerpen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst verbeterd door de commissies, zie stuk 3-1774/7.)
(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage opgenomen.)
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
(Voor de tekst verbeterd door de commissies, zie stuk 3-1775/8.)
(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage opgenomen.)
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 2
Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van mevrouw de Bethune.
Stemming 3
Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 42
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 3.
Stemming 4
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 2
Onthoudingen: 19
-Artikel 3 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 5
Aanwezig: 63
Voor: 52
Tegen: 2
Onthoudingen: 9
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 6
Aanwezig: 63
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 8
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 42 van de heer Hugo Vandenberghe.
Stemming 7
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 3.
Stemming 8
Aanwezig: 63
Voor: 44
Tegen: 6
Onthoudingen: 13
-Artikel 3 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 43 van de heer Hugo Vandenberghe.
Stemming 9
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 44 tot 46 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 5.
Stemming 10
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 8
Onthoudingen: 13
-Artikel 5 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 47 van de heer Hugo Vandenberghe.
Stemming 11
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 48 van de heer Hugo Vandenberghe. Het amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 7.
Stemming 12
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 8
Onthoudingen: 13
-Artikel 7 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 13
Aanwezig: 62
Voor: 41
Tegen: 14
Onthoudingen: 7
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 14
Aanwezig: 63
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 7
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Stemming 15
Aanwezig: 63
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 10
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Steverlynck.
Stemming 16
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 2 en 3 van de heer Steverlynck en amendement 4 van de heer Beke. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 5 van de heer Delpérée.
Stemming 17
Aanwezig: 63
Voor: 5
Tegen: 42
Onthoudingen: 16
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 7 van mevrouw de Bethune.
Stemming 18
Aanwezig: 63
Voor: 6
Tegen: 42
Onthoudingen: 15
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 6 en 8 van mevrouw de Bethune. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 19
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 21
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 10 van de heer Hugo Vandenberghe.
Stemming 20
Aanwezig: 61
Voor: 15
Tegen: 41
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 13, 14, 1 tot 7, 11, 12, 8 en 9 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 29 van mevrouw Thijs en de heer Van Peel.
Stemming 21
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 45
Onthoudingen: 2
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 30 van mevrouw Thijs en de heer Van Peel en amendement 31 van mevrouw de Bethune.
-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 34 van mevrouw de Bethune.
Stemming 22
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 50
Onthoudingen: 2
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 15 van de heer Steverlynck.
Stemming 23
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 23 van de heer Steverlynck.
Stemming 24
Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 42
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de volgende amendementen:
-17 tot 22 van de heer Steverlynck,
-33 van mevrouw de Bethune,
-25, 27, 26, 28 en 24 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke.
-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 25
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 21
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van mevrouw Durant.
Stemming 26
Aanwezig: 63
Voor: 2
Tegen: 48
Onthoudingen: 13
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het enig artikel.
Stemming 27
Aanwezig: 63
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 13
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Wij hebben ons onthouden, niet omdat we het niet belangrijk en noodzakelijk vinden dat duurzame ontwikkeling in de Grondwet wordt ingeschreven, maar integendeel omdat we denken dat dit zeer belangrijk is.
De voorgestelde tekst is voor ons te zwak. Hij bevestigt het gezegde dat wanneer zuivere lucht in de Grondwet zal zijn ingeschreven, de allergielijders zich zorgen moeten beginnen maken. Men geeft zich niet voldoende rekenschap van het belang om snel over een goede tekst en aangepaste maatregelen te kunnen beschikken.
Ik hoop dat we deze bepaling later in Kamer en Senaat kunnen verbeteren om hem ten minste in overeenstemming te brengen met de internationale verbintenissen die België heeft aangegaan.
Het is trouwens paradoxaal dat de tekst de internationale definitie van duurzame ontwikkeling zelfs niet overneemt.
-Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.
-De bepaling is aangenomen.
-Ze zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-De goedkeuring van het wetsvoorstel impliceert dat volgende wetsvoorstellen vervallen:
-Voorstel tot herziening van de Grondwet om in een nieuwe titel Ibis een nieuw artikel in te voegen betreffende de duurzame ontwikkeling als algemene beleidsdoelstelling (van de heer Jean Cornil, Stuk 3-1422)
-Voorstel tot invoeging van een titel Ibis en een artikel 7bis om duurzame ontwikkeling als doelstelling voor de Staat, de gemeenschappen en de gewesten in te schrijven in de Grondwet (van de heer Bart Martens en mevrouw Fauzaya Talhaoui, Stuk 3-1557)
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Afgelopen juni is de minister van Ontwikkelingssamenwerking naar Afghanistan gereisd in het gezelschap van generaal James L. Jones, hoofd van de geallieerde strijdkrachten in Europa.
De minister verklaarde aan de pers dat hij een rapport voorbereidde voor de eerste minister en dat hij zou voorstellen dat ons land gastland zou zijn voor een coördinatieconferentie tussen de NAVO en de multilaterale organisaties voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp. Hij pleitte ook voor de uitvoering van een onderdeel `ontwikkelingssamenwerking' in het kader van het militaire programma van België in Afghanistan.
Dat soort uitlatingen doet twee problemen rijzen.
De verklaringen van de minister van Ontwikkelingssamenwerking illustreren zijn wens om de humanitaire wereld te betrekken bij de strijdkrachten. Die houding wordt sterk betwist door de humanitaire organisaties omdat het dooreenhalen van de opdrachten de erkenning van hun neutraliteit belet. Die is onontbeerlijk voor de vervulling van hun opdracht in gebieden waar geweld heerst.
Die onduidelijkheid over hun rol op het terrein is een grote bedreiging voor de humanitaire hulpverleners. Zij worden soms tot doelwit, met name in Afghanistan. Anderzijds hebben sommige organisaties het misbruik gehekeld van humanitaire emblemen door de VS-coalitie in Irak.
De rol van de NAVO in het crisisbeheer staat momenteel, nu de top van Riga in zicht is, ter discussie, met name in Kamer en Senaat. Door de NAVO een `ontwikkelingscultuur' te willen influisteren loopt de minister van Ontwikkelingssamenwerking vooruit op de uitkomst van het debat.
Kan de eerste minister zeggen wat de opdracht van de minister van Ontwikkelingssamenwerking was tijdens zijn missie in Afghanistan? Werd deze missie samen met de minister van Landsverdediging voorbereid? Wat is het standpunt van de regering over het probleem van het onduidelijke onderscheid tussen humanitaire hulporganisaties en strijdkrachten?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.
Ik ben verheugd over de aandacht van de heer Brotcorne voor de situatie in Afghanistan en de eventuele bijdrage daaraan van ons land. De heer Brotcorne verwijst naar een bezoek van de minister van Ontwikkelingssamenwerking aan Afghanistan. Minister De Decker heeft me gisteren zijn rapport toegezonden. De missie in kwestie, die tot doel had de situatie op het terrein te evalueren, was het voorwerp van overleg tussen de ministers van Ontwikkelingssamenwerking, Landsverdediging en Buitenlandse Zaken.
Wij hebben afgesproken om binnenkort een meer diepgaand debat te organiseren over de voortzetting van de Belgische samenwerking, de beveiliging en wederopbouw in Afghanistan, zowel vanuit militair oogpunt als vanuit het oogpunt van ontwikkelingssamenwerking en op basis van de bijdrage die door de betrokken ministers zal worden geleverd. Ik wil niet vooruitlopen op dit overleg.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Dit antwoord is volledig naast de kwestie en onbevredigend. Mijn vraag om uitleg gaat niet over de problematiek van Afghanistan, maar over de uitlatingen van de minister van Ontwikkelingssamenwerking naar aanleiding van zijn reis naar dat land.
De minister heeft inderdaad laten verstaan dat humanitaire en verdedigingsoperaties nader tot elkaar kunnen worden gebracht. Op mijn vraag daarover werd niet geantwoord en ik denk niet dat de staatsecretaris mij meer verduidelijking kan geven. Mijn vraag om uitleg is erg precies geformuleerd en de regering antwoordt daarop helemaal niet.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Deze vraag om uitleg is een vervolg op mijn uiteenzetting over de programmawet.
Met de financieringswet die de regering voor 2007 had aangekondigd, zouden de federale en de gemeentelijke dotaties aan de politiezones transparanter moeten worden.
Het huidige financieringsmechanisme is immers niet toegankelijk en transparant genoeg. Het systeem van een basisfinanciering en aanvullende kredieten is veel te ingewikkeld. De financieringswet is evenwel niet opgenomen in de programmawet. Integendeel, de bevriezing van de financiering van de politiezones voor 2007 wordt verlengd. Waarom? Die wet werd nochtans uitdrukkelijk aangekondigd en de politiezones wachten op een nieuw wettelijk instrument.
Het tweede evaluatierapport van de Begeleidingscommissie voor de Politiehervorming stelt voor om, in afwachting van de financieringswet en de berekening van de federale toelage per gemeente, de mogelijkheid te onderzoeken dat bepaalde gemeenten die zich benadeeld voelen door de interzonale verdeelsleutel en die gegronde argumenten kunnen aanvoeren - bijvoorbeeld een verschillende grootte, de aard of andere specifieke omstandigheden zoals een gevangenis of een asielcentrum - gevrijwaard worden van buitensporige uitgaven. Als gemeenten menen gegronde argumenten te hebben om hun aandeel in de politiebegroting van een meergemeentezone te betwisten, kunnen deze voorgelegd worden aan de bevoegde federale diensten.
Als een nieuwe financieringswet uitblijft, zal de minister dan bijzondere maatregelen nemen voor de gemeenten die omwille van hun bijzondere situatie financiële moeilijkheden hebben?
(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
De bepaling waarnaar u verwijst en die ik in de programmawet heb laten inschrijven, maakt het mogelijk dat ik in 2007 een beroep doe op het solidariteitsfonds, waarvan de oprichting werd overeengekomen in 2001 toen het mechanisme voor de financiering van de zones werd vastgesteld.
Het solidariteitsfonds stort een deel van de federale dotatie aan de zones en betaalt een deel van de solidariteitsbijdragen terug aan de deelnemende zones, zonder de zones te benadelen die van die solidariteit profiteren. Het solidariteitsfonds is onontbeerlijk om in 2007 het financieringsmechanisme toe te passen zoals we dat vandaag kennen..
Dit lijkt me, op enkele maanden van de gemeenteraadsverkiezingen, een wijze oplossing. Het zou bijzonder ongepast zijn om het financieringsmechanisme van de zones te wijzigen terwijl de nieuwe gemeenteraden binnenkort zullen worden samengesteld. Aan het begin van de zittingsperiode hebben de nieuwe gemeente- en politieraden eerder behoefte aan stabiliteit dan aan een nieuw financieringssysteem voor de politiezones.
Er zijn nog maar enkele politiezones die over budgettaire moeilijkheden klagen. Door de maatregelen die ik sinds 2004 heb genomen, is de situatie verbeterd, weliswaar zonder bijkomende financiële middelen. Door die maatregelen hebben de zones kunnen besparen of capaciteit kunnen terugwinnen. Ik denk hierbij vooral aan de `calogisering', aan de federale interventies in de werking van de CIC's, de versoepeling van de werktijdregeling en de beschikbaarstelling van het interventiekorps. Er zijn daarenboven nog andere belangrijke inkomstenbronnen, zoals het Fonds voor de Verkeersveiligheid.
De zones hebben vooral budgettaire stabiliteit nodig. Intussen moet de werkgroep die daartoe werd opgericht, nieuwe financieringsmechanismen voorstellen die rekening houden met de moeilijke situaties waarnaar de heer Brotcorne verwijst.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Dit is opnieuw een totaal ontoereikend antwoord.
Vooreerst stel ik vast dat de minister afstand neemt van de verklaringen die hij vroeger heeft afgelegd. Toen wist hij nochtans dat de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2006 zouden worden georganiseerd. Hij gebruikt de gemeenteraadsverkiezingen als argument. Beweren dat de zones eerder stabiliteit nodig hebben dan een nieuwe financieringswet, is nogal surrealistisch. De zones wachten precies op een duidelijker en begrijpelijker financieringswet die echte stabiliteit brengt. Iedereen weet dat de KUL-norm absoluut niet op het terrein kan worden toegepast. De uitleg die de minister vandaag heeft gegeven, is zeker niet bevredigend.
Ik vrees dat we ons in dezelfde situatie zullen bevinden als we de wet tot oprichting van de hulpverleningszones zullen bespreken. De oprichting van die zones wordt voorbereid, maar niemand weet hoe ze zullen worden gefinancierd.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Met de recente gebeurtenissen in het Midden-Oosten is alle hoop op vrede in de regio voorlopig vervlogen.
Op de vergaderingen van 10 en 11 april 2006 heeft de Raad van de Europese Unie beslist elke hulp aan de Palestijnse Autoriteit te schorsen. Midden juni stelde de Commissie het Kwartet een tijdelijk internationaal mechanisme (TIM) voor om bepaalde bedragen buiten de Hamasregering om over te maken en ervoor te zorgen dat de medische diensten blijven functioneren, dat de elektriciteitsrekeningen worden betaald en dat de armste Palestijnen een sociale minimumuitkering krijgen.
De beslissing om de stortingen te schorsen en de `TIM-oplossing' worden door alle internationale organisaties op het terrein bekritiseerd. James Wolfensohn heeft zelf gezegd dat het risico op ineenstorting van de Palestijnse Autoriteit reëel is. De Wereldbank en het OCHA zijn dezelfde mening toegedaan.
1. Welke initiatieven heeft België genomen om de druk op Israël op te voeren, zodat het land zijn internationale verplichtingen eindelijk nakomt en aan de Palestijnse Autoriteit de douanerechten en belastingen terugbetaalt die het haar krachtens de Osloakkoorden verschuldigd is?
2. Waarom werd de eerste versie van het TIM, waarin aan de ambtenaren van de Palestijnse Autoriteit een loon en geen sociale en humanitaire uitkering werd uitbetaald, niet aanvaard?
3. Hoe zullen de Palestijnse institutionele structuren, waaraan de Europese Unie sinds tien jaar een grote bijdrage heeft geleverd, in stand worden gehouden? Zijn we niet op weg om elk vooruitzicht op institutionele opbouw voor Palestina op te geven en ons tevreden te stellen met humanitaire hulp?
4. Tijdens de Israëlische operatie in de Gazastrook heeft het leger de elektriciteitscentrale van Gaza vernield, alsook twee bruggen die, als ik me niet vergis, door de Europese Unie werden gefinancierd. Dat was een schending van de Conventie van Genève. Heeft de minister die schending veroordeeld? Werden die infrastructuurwerken door de Europese Unie gefinancierd?
We hebben vandaag vernomen dat het Israëlische leger startbanen van de luchthaven van Libanon heeft gebombardeerd. De heropbouw van de luchthaven werd gefinancierd door de Europese Unie, die hoopte op die manier samenwerkingsakkoorden te sluiten met Libanon. Wat is de houding van de Belgische regering ten opzichte van deze onbezonnen houding van Israël, die flagrant in strijd is met zijn internationale verplichtingen?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - België heeft ervoor gepleit Israël, overeenkomstig het standpunt van de Europese Raad op de vergaderingen van 15 en 16 juni jongstleden, onmiddellijk te vragen geen belastingen en douanerechten meer achter te houden die het aan de Palestijnse Autoriteit verschuldigd is. Die zijn immers essentieel voor de levensvatbaarheid van de Palestijnse gebieden.
De uitbetaling van een loon zou betekenen dat de Commissie de plaats inneemt van de Palestijnse Autoriteit als werkgever van de Palestijnse ambtenaren. Op die manier zou met hen een contractuele band worden gecreëerd waaraan ook een aantal wettelijke verplichtingen verbonden zijn.
De Europese Unie houdt vast aan de uitvoering van het stappenplan. Dat is precies gericht op de versterking van de democratische Palestijnse instellingen en de oprichting van een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse Staat die in vrede leeft met Israël en met zijn buurlanden. Het aan de macht komen van de Hamas-regering, die de criteria van het Kwartet niet respecteert, de dramatische escalatie van het Israëlisch-Palestijns conflict na de ontvoering van een Israëlisch soldaat en de buitenmaatse en ongepaste reactie van Israël maken elke vooruitgang in de uitvoering van het stappenplan onmogelijk.
In mijn verklaring van 5 juli heb ik gezegd dat de humanitaire situatie onhoudbaar dreigt te worden. Ik heb de stopzetting gevraagd van de militaire operaties van het Israëlische leger in de Gazastrook.
Op 3 juli heeft de Europese Unie de vernietiging betreurd van essentiële infrastructuur die voornamelijk door Europa en de internationale gemeenschap werd gefinancierd. Op 10 juli benadrukte het Fins voorzitterschap dat de luchtaanvallen op de elektriciteitscentrale van Gaza de humanitaire situatie verslechteren.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Iedereen moet zich bewust zijn van het drama dat zich in het Midden-Oosten afspeelt. De oplossingen zijn complex, maar ze kunnen wellicht de druk van een reeks andere latente conflicten in de rest van de wereld verlichten.
Israël is de enige staat ter wereld die het zich kan veroorloven het internationaal recht herhaaldelijk te schenden zonder te worden gestraft. Andere landen die veel minder hebben gedaan dan dit, worden veel sneller door de internationale gemeenschap op de vingers getikt. Ik vraag niet dat Israël door de andere landen in de ban wordt geslagen, maar er moet dringend een oplossing voor het conflict worden gezocht, zodat het zich niet over de gehele wereld kan uitbreiden.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - In België is er stemplicht. Bij de regionale verkiezingen van 13 juni 2004 bleef echter ruim 8 procent van de ingeschreven kiezers afwezig. Van de 7.537.854 ingeschreven kiesgerechtigden in Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Duitstalige Gemeenschap daagden slechts 6.908.953 personen op. We stellen bovendien vast dat het aantal personen dat niet opdaagt sinds de verkiezingen van 1977 gestaag toeneemt. In 1977 bleef slechts 4,9% van de kiezers thuis, terwijl in 1999 een recordaantal van 9,4% van de kiezers onwettig thuisbleef. Bovendien zijn er sterke regionale verschillen. Bij de jongste verkiezingen lag het absenteïsme gevoelig lager in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel. Op een schriftelijke vraag van 5 december 2005 antwoordde de minister dat de gegevens werden opgevraagd. Ik heb tot op vandaag echter nog geen antwoord gekregen. De enige manier om een antwoord te krijgen, is dan spijtig genoeg een vraag om uitleg in plenaire vergadering.
Hebben de verschillende parketten sancties getroffen tegen de kiezers die niet zijn opgedaagd bij de verkiezingen van 2003 of 2004?
Zo ja, om hoeveel personen ging het per gerechtelijk arrondissement? Voeren de parketten een uniform vervolgingsbeleid? Zo ja, hoeveel minnelijke schikkingen en hoeveel rechtstreekse dagvaardingen zijn er geweest?
Zo neen, wat is de reden voor het niet of niet meer vervolgen van de kiezers die hun stemplicht niet nakomen? Moeten daar geen conclusies uit getrokken worden?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
We beschikken voor deze problematiek slechts over onvolledige gegevens.
De parketten nemen geen uniforme houding aan. Een aantal parketten seponeert stelselmatig. Andere stellen een minnelijke schikking voor, terwijl nog andere een dagvaarding sturen, soms nadat meerdere keren de opkomstplicht niet werd nagekomen.
Meerdere redenen kunnen hiervoor worden aangehaald. Er dient in het bijzonder op gewezen te worden dat die overtredingen een zeer korte verjaringstermijn hebben en bovendien voor de politierechtbanken moeten worden vervolgd. Talrijke parketten geven terecht de voorkeur aan de vervolging van verkeersdelicten. Bijzitters van stembureaus die zonder een aanvaardbare reden verstek laten gaan, worden vaker vervolgd.
Het College van Procureurs-generaal is zich bewust van het gebrek aan uniformiteit. Met het oog op een strafrechtelijk beleid in verband met de stemplicht en de verkiezingen werd in het college een werkgroep opgericht onder leiding van advocaat-generaal Debruyne. Die werkgroep heeft echter nog altijd geen conclusies neergelegd.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Ik stel vast dat ik opnieuw geen cijfers krijg. Ik stel eveneens vast dat de minister erkent dat er geen uniform vervolgingsbeleid bestaat. Ik vind het belangrijk dat er in de discussie over het al dan niet handhaven van de stemplicht cijfers en een visie voorhanden zijn. Nu voeren we een louter symbolische discussie. Sommige partijen willen de stemplicht absoluut behouden, andere niet, maar op het terrein wordt er niet vervolgd. Als er in december 2005 cijfers worden gevraagd, moet men die zes maanden later toch kunnen meedelen. Na het reces kom ik zeker terug op het probleem.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het internet is een schitterend medium, maar kent spijtig genoeg ook veel misbruiken. Zo loopt volgens een Amerikaans onderzoek de totale omzet van kinderpornografie op het internet op tot maar liefst 3 miljard dollar. Het is dan ook belangrijk om de distributie van kinderpornografie en kindermisbruik via het internet hardnekkig te blijven bestrijden.
In ons land kunnen meldingen van dergelijke feiten worden doorgegeven aan het Centraal Gerechtelijk Meldpunt (CGM). Sinds 2002 meldt ook Child Focus berichten inzake internetmisbruik door aan het CGM. Deze worden dan anoniem overgemaakt aan de Federal Computer Crime Unit.
Hoeveel meldingen over de verspreiding van kinderpornografie en kindermisbruik liepen van 2001 tot en met 2005 binnen op het Centraal Gerechtelijk Meldpunt? Hoeveel meldingen werden in ieder van deze jaren ontvangen via Child Focus? Hoeveel inbreuken voor pedofiele zedenfeiten stelde de FCCU van 2001 tot en met 2005 vast? In hoeveel van deze gevallen was ons land effectief bevoegd? Hoe worden deze cijfers geïnterpreteerd? Welke maatregelen worden gepland om het probleem verder aan te pakken? Zijn er plannen voor een gecoördineerde internationale aanpak?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de minister en zal ook de cijfers van de minister overhandigen.
Er is een duidelijke stijging van de melding van pedofiele zedenfeiten op het CGM waar te nemen. Ook de meldingen bij Child Focus zijn aanzienlijk toegenomen.
Wat de feiten betreft waarvoor ons land bevoegd is, stellen we sinds 2004 een daling vast. Er is sinds 2004 wel een stijging voor de andere landen, in het bijzonder inzake kinderpornografie. Het belang van een internationale samenwerking ligt voor de hand. De cel Mensenhandel van de federale politie heeft een project inzake proactief onderzoek op het internet op touw gezet in samenwerking met Duitse, Nederlandse en Canadese politiediensten. Die beschikken over een ruime ervaring. Momenteel wordt gewerkt aan een technisch model met onder meer de technische vereisten waaraan de hardware en software moeten voldoen om dergelijke proactieve onderzoeken te kunnen voeren.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Ik zie aan de cijfers dat er inderdaad een stijging is. Het is zeer belangrijk dat de FCCU die strijd echt kan voeren. Er is vorige week tijdens de voorstelling van het activiteitenverslag gevraagd dat deze mensen alle middelen zouden krijgen. Ik steun deze vraag. Politie op het internet is erg belangrijk.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een rapport van de VZW Preventie en Veiligheid blijkt dat vorig jaar maar liefst 59.485 goederen werden gestolen uit Belgische grootwarenhuizen en andere winkels. In vergelijking met 2004 is dat een stijging met ruim 20%.
Bij bewakings- en beveiligingsexperts wekt de stijging geen verwondering. Volgens hen is het nog altijd onwaarschijnlijk hoe makkelijk dieven hun slag kunnen slaan. Dieven worden slimmer en creatiever in het omzeilen van de beveiliging.
In werkelijkheid ligt het aantal diefstallen waarschijnlijk nog veel hoger, aangezien meer dan de helft van de winkeliers de moeite niet neemt om aangifte te doen bij de politie. Tijd wordt daarbij als belangrijkste obstakel aangehaald. Bovendien loopt slechts 1 op de 20 dieven effectief tegen de lamp.
UNIZO vindt dat de regering dringend werk moet maken van een elektronisch aangifteformulier. Winkeldiefstallen kunnen daardoor beter in kaart gebracht worden.
Hoe verklaart de minister de stijging van het aantal winkeldiefstallen in 2005?
Welke maatregelen wil hij nemen om het stijgende aantal winkeldiefstallen tegen te gaan?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van vice-eerste minister Dewael.
Het rapport van de VZW Preventie en Veiligheid geeft aan dat het aantal vaststellingen van winkeldiefstal in de winkels die lid zijn van de VZW in 2005 met 1,7% gedaald is ten opzichte van 2004. Het aantal gestolen goederen en de totale waarde van die goederen is echter gestegen met respectievelijk 20,4% en 4,7%. Deze cijfers kunnen echter beïnvloed zijn door de verhoging van het aantal winkels dat lid is van deze VZW en dus ook van de totale verkoopoppervlakte in 2005.
Op het platform Veiligheid zelfstandige ondernemers' van 7 juli jongstleden werden de resultaten bekendgemaakt van het onderzoek naar de veiligheidsbehoeften van zelfstandige ondernemers. Deze resultaten zijn van belang voor de opstelling van de afsprakennota inzake winkelcriminaliteit die ik samen met de zelfstandigenorganisaties na het zomerreces wil presenteren. Daarin zal aandacht geschonken worden aan de volgende aspecten.
Ten eerste, het verhogen van de aangiftebereidheid. Vele slachtoffers dienen geen klacht in wegens een gebrek aan vertrouwen in de justitie. Ik zal hierover overleg plegen met mijn collega van Justitie. Als stimulans zal in januari 2007 de elektronische aangifteprocedure worden ingevoerd.
Ten tweede, het bekendmaken en stimuleren van preventieve maatregelen. In samenwerking met de zelfstandigenorganisaties, de sector, de politie en gemeentebesturen zullen we hier werk van maken. In dit kader heb ik eveneens de procedure voor verhoogde fiscale aftrek van veiligheidsinvesteringen vereenvoudigd. Er werd een werkgroep Beleidscoördinatie opgericht. De werkgroep vergadert op initiatief van een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken en is samengesteld uit vertegenwoordigers van de leden van het kernkabinet. Het voorstel van deze werkgroep zal tijdens de tweede begrotingscontrole 2006 voorgelegd worden.
Ten derde, het bekendmaken en promoten van de gratis dienstverlening van de technopreventieve adviseurs. Zij zijn het beste geplaatst om preventief advies te geven over de organisatorische, bouwfysische en elektronische maatregelen die kunnen worden getroffen.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Volgens recente berichten in de Vlaamse pers kampt de Franstalige vleugel van het Rode Kruis met aanzienlijke verliezen terwijl de Vlaamse vleugel financieel gezond is.
Op mijn schriftelijke vraag nr. 3-4534 die ik daarover op 20 januari 2006 reeds heb ingediend kreeg ik nog steeds geen antwoord. Kan de minister een overzicht geven van de federale overheidssteun die de voorbije tien jaar aan beide afdelingen werd gegeven? Wat is de verdeelsleutel?
Welke uitgaven moeten hiermee gefinancierd worden?
Het gecumuleerd verlies van de Franstalige afdeling zou 10 à 15 miljoen euro bedragen. Klopt dat? Wat zijn daarvan de redenen?
Over welke middelen beschikt het nationaal financieringsfonds? Werd er al een financiële doorlichting gemaakt van de instelling?
Hoeveel personeelsleden werken voor de Franstalige afdeling en hoeveel voor de Vlaamse afdeling?
Klopt het dat de Vlaamse afdelingen mee verantwoordelijk zijn voor de financiën van de Franstalige vleugel? Zou de opsplitsing in twee aparte rechtspersonen, zoals de Vlaamse afdeling zelf voorstelt, de afdelingen niet meer responsabiliseren?
Hoe kunnen volgens de minister de problemen opgelost worden?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
Binnen het Belgische Rode Kruis werken de Franstalige vleugel en het Rode Kruis Vlaanderen onafhankelijk. Beide vleugels zijn opgesplitst in een Humanitaire Sectie en een Dienst voor het Bloed. Die vier eenheden hebben elk een aparte boekhouding. De beide diensten voor het bloed hebben een deel van hun activiteiten toevertrouwd aan de Centrale Afdeling voor Fractionering. Die coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid produceert stabiele bloedderivaten op basis van plasma dat ze aankoopt bij de diensten voor het bloed.
De financieringsmechanismen voor het Rode Kruis vanuit de overheid kunnen als volgt worden samengevat.
Maatregelen inzake loonharmonisatie, eindeloopbaan en sociale Maribel dekken de kosten van de sociale akkoorden voor de federale gezondheidssector van 1 maart 2000 en worden toegestaan door het RIZIV.
De subsidies om de kosten te dekken van tests op hepatitis C en HIV worden toegekend via de begroting van de FOD Volksgezondheid.
Op de premies van de autoverzekeringen wordt een heffing van 0,35% betaald bestemd voor het begrotingsfonds Rode Kruis binnen de FOD Volksgezondheid; 0,10% wordt aangewend om de zelfvoorziening van plasma te verzekeren. De resterende 0,25% wordt als subsidie aan het Rode Kruis betaald ter financiering van de werkzaamheden die het Rode Kruis verricht voor de openbare besturen in vredestijd.
Wat de diensten voor het bloed betreft, evolueerde de som van deze bedragen van 3,175 miljoen euro in 2002 tot 5,877 miljoen euro in 2005. De verdeling van deze bedragen gebeurt op basis van het aantal labtests en het aantal eenheden bloedplasma die aan de CAF worden geleverd. De verdeling van de financiering van de werkzaamheden in vredestijd ten belope van ongeveer 5 miljoen euro per jaar, gebeurt volgens een verdeelsleutel 37/63.
Hoewel de algemene financiële toestand van het Belgische Rode Kruis in evenwicht is, bestaan er onbalansen, voornamelijk in de Franstalige humanitaire sectie. Het gecumuleerde tekort van het Franstalige Rode Kruis van 10-15 miljoen euro werd mij inderdaad bevestigd.
Wat de humanitaire secties van het Rode Kruis betreft, is het niet mogelijk nauwkeurige gegevens over het geheel te krijgen. Het internationale statuut van het Rode Kruis verzekert zijn onafhankelijkheid ten overstaan van de regeringen waardoor het moeilijk is om gegevens op te vragen.
Op de andere vragen kan ik niet antwoorden omdat de uitwerking van de statuten van het Rode Kruis tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort.
Ik ben uiteraard zeer gehecht aan de stabiliteit van het Rode Kruis. Ik zoek mee naar oplossingen om de problemen op te lossen.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het probleem ligt niet bij de diensten voor het bloed maar bij de humanitaire secties. De minister geeft toe dat er een tekort is van 10 tot 15 miljoen euro in de Franstalige afdeling, maar zegt daarover geen informatie te hebben. Dat aanvaard ik niet van een minister die uitlegt op welke manier de instelling wordt gefinancierd met overheidsmiddelen. Als hij verklaart dat de begroting van het Belgische Rode Kruis in evenwicht is, maar wel laat verstaan dat de Vlaamse humanitaire afdeling meer solidair is en de put van de Franse afdeling moet helpen dempen. Bovendien geeft hij ook geen enkele aanzet tot een oplossing van het problemen. Nochtans heeft hij tijd genoeg gehad om te overleggen met het Rode Kruis en een saneringsplan op te stellen.
Ik zie mij verplicht de minister na het reces opnieuw te ondervragen over het probleem.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Als ik goed ben geïnformeerd, heeft de minister van Volksgezondheid een doorlichting laten doen. De studie zou niet mogen worden bekendgemaakt omdat de resultaten te explosief zijn. Blijkbaar betalen binnen het Rode Kruis de Vlamingen voor de Walen. Ook ik zal de minister bij het begin van het parlementaire jaar hierover ondervragen.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De EG-vreemdelingen en de daarmee overeenkomstig artikel 40, §3 tot §6, van de vreemdelingenwet gelijkgestelde categorieën zijn wat hun rechten van binnenkomst en verblijf betreft onderworpen aan een controle van hun eventueel gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.
Artikel 43 van de vreemdelingenwet bepaalt in die zin tevens de grenzen van de mogelijkheid tot weigering:
1º de redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden;
2º de maatregelen van openbare orde of van openbare veiligheid moeten uitsluitend gegrond zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen;
3º het verval van het document dat de binnenkomst en het verblijf op het Belgisch grondgebied heeft toegelaten, kan op zichzelf de verwijdering van het grondgebied niet wettigen;
4º alleen ziekten en gebreken vermeld in de bij deze wet gevoegde lijst kunnen een weigering van binnenkomst op het grondgebied of van afgifte van de eerste verblijfsvergunning wettigen. Na afgifte van dergelijke vergunning kan geen ziekte noch gebrek de weigering tot vernieuwing van de verblijfsvergunning of de verwijdering van het grondgebied wettigen.
Het is de minister of zijn gemachtigde die overeenkomstig titel II, Hoofdstuk I, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 het recht van vestiging aan de bedoelde categorieën vreemdelingen kan weigeren.
Het is duidelijk dat de minister bij het nemen van de weigeringbeslissing een zekere discretionaire bevoegdheid heeft. Deze zal om evidente redenen groter zijn onder 1º en 2º dan onder 3º en 4º.
Wat betreft het gevaar voor de openbare orde of openbare veiligheid zullen inderdaad een aantal evidente motieven tot weigering bestaan, doch in een groot deel van de gevallen lijkt de wet geen duidelijkheid te brengen in de te nemen beslissingen.
Zo moet het eventuele bestaan van een strafrechtelijke veroordeling als weigeringsgrond steeds gepaard gaan met elementen uit het `persoonlijk gedrag' van de betrokkene. Daar in de wet een duidelijk onderscheid tussen die twee elementen is ingebouwd, lijkt het ernaar dat, wanneer een veroordeling bestaat, specifieke gronden moeten worden aangewezen waaruit blijkt dat de betrokkene bijvoorbeeld geen berouw toonde, recidive pleegde of uit omstandigheden blijkt dat betrokkene recidive zou kunnen plegen.
De minister of zijn gemachtigde moeten dus ten dele anticiperen op mogelijke toekomstige en absoluut onzekere feiten waarvan een recht van vestiging afhangt.
Zo lijkt het evident dat feiten die tot een lichte veroordeling of een voorwaardelijke veroordeling aanleiding hebben gegeven anders zullen worden geïnterpreteerd dan feiten die tot een strenge veroordeling hebben geleid, en dat recente feiten tot grotere omzichtigheid aanleiding zullen geven dan oudere feiten, althans wanneer geen recidive werd vastgesteld.
Anders dan bij de gunstmaatregel van artikel 9, derde lid van de vreemdelingenwet, waarvoor een aantal partijen, ook bij de meerderheid, vaste criteria vragen, gaat het hier evenwel om een recht van de vreemdeling tot vestiging in het Koninkrijk, zodat de vraag naar rechtszekere criteria hier nog dringender is. Die kunnen evenwel niet afgeleid worden uit de wet en het geciteerde uitvoeringsbesluit, zodat velen zich in een rechtsonzekere situatie bevinden. Dat is des te meer het geval wanneer het `persoonlijk gedrag' geen strafbaar feit uitmaakt of niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.
Hoe wordt het `persoonlijk gedrag' van de betrokken vreemdeling gecontroleerd en geëvalueerd en welke diensten zijn belast met de informatievergaring en controle?
Bestaan er vaste criteria op grond waarvan de beslissing tot weigering bedoeld bij artikel 43 van de vreemdelingenwet, meer bepaald 1º en 2º, wordt genomen?
Zo ja, kan de minister die meedelen? Zo neen, acht hij het niet noodzakelijk dan wel opportuun dergelijke criteria in te voeren?
In het laatste geval, welke termijn wordt daarvoor in het vooruitzicht gesteld?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.
Artikel 43 van de vreemdelingenwet is een omzetting in Belgisch recht van Europese richtlijnen. Zoals blijkt uit de richtlijn 2004/38, wordt met het criterium persoonlijk gedrag bedoeld dat de EU-onderdaan zelf een gevaar moet zijn voor de openbare orde of de openbare veiligheid, in tegenstelling tot motiveringen die los staan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen. Dergelijke motieven mogen niet worden aangevoerd.
Daarnaast vermeldt de richtlijn duidelijk dat een strafrechtelijke veroordeling op zichzelf niet volstaat. Wanneer een EU-onderdaan een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen die op zich een inbreuk op de openbare orde of openbare veiligheid kan inhouden, zullen dus steeds bijkomend de concrete omstandigheden van het individuele geval moeten worden onderzocht. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal, de aard, de zwaarwichtigheid en de anciënniteit van de feiten.
Om na te gaan of een EU-onderdaan in zijn land van herkomst of een ander land van verblijf feiten heeft begaan die kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde of de openbare veiligheid, wordt de te volgen procedure geregeld in de vermelde richtlijn 2004/38. Wanneer de dienst Vreemdelingenzaken dit onontbeerlijk acht, kan hij om politiële gegevens betreffende de betrokkene verzoeken. Deze raadpleging mag echter geen systematisch karakter dragen. De geraadpleegde lidstaat dient binnen de twee maanden te antwoorden.
Voor misdrijven die in België werden gepleegd, kunnen de ambtenaren van de dienst Vreemdelingenzaken hiertoe in eerste instantie het strafregister raadplegen. Op basis van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 hebben ze immers toegang tot de strafrechtelijke veroordelingen die volgens de nomenclatuur van de federale overheidsdienst Justitie een inbreuk tegen de openbare orde of openbare veiligheid inhouden.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord dat de staatssecretaris voorleest overtuigt me niet. Het statuut van de betrokken personen blijft onduidelijk. De staatssecretaris schept het algemeen kader dat me bekend is, maar ik kreeg graag een antwoord op indringende vragen over de interpretatie ervan. Hierop zal ik dan ook later terugkomen.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Op 12 maart 1999 kondigt de administrateur-generaal van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie - CDSCA - op een vergadering van het actiecomité van de huurders van deze woningen te Leopoldsburg een grondige renovatie aan. In datzelfde jaar zouden de woningen niet alleen voorzien worden van nieuwe ramen, deuren en verwarming, maar ook zouden verschillende straten met riolering en aardgas worden uitgerust. De eerdere verhoging van de huurprijzen zou onder meer dienen om deze renovaties te financieren.
De aangekondigde renovatieplanning kan slechts stap voor stap worden uitgevoerd, aangezien rekening moet worden gehouden met het communautaire evenwicht.
Een jaar later blijkt dat omwille van besparingen het vooropgestelde budget van 145 miljoen frank voor herstellingen in 1999 beperkt werd tot maximaal 125 miljoen frank. In 2000 zou een budget worden uitgetrokken van 163 miljoen frank, waarvan 11 miljoen specifiek voor de huizen in Leopoldsburg. Meteen wordt ook bepaald dat 6 miljoen van de voorziene 11 miljoen frank alleen zou dienen voor de renovatie van ramen en deuren in de woningen. De raming voor een volledige renovatie bedraagt 163 miljoen frank. In elk geval moet de volledige vernieuwing van de ramen te Leopoldsburg einde 2004 worden beëindigd.
In 2004 overweegt CDSCA om jaarlijks ramen te vervangen door PVC-ramen met dubbele beglazing op meerdere plaatsen, waaronder ook in Leopoldsburg. De einddatum wordt evenwel niet gehaald. In 2005 wordt deze operatie nogmaals bevestigd door CDSCA, met dien verstande dat voorrang wordt gegeven aan de oudste woningen en dat de totale vervanging in de loop van de volgende twee jaar zou moeten zijn beëindigd.
Ondanks de herhaalde beloften zijn een deel van de woningen te Leopoldsburg zeven jaar later nog steeds niet voorzien van dubbele beglazing. Het gaat om de woningen gebouwd na 1974, wat neerkomt op circa 275 gebouwen.
Wanneer is de vernieuwing van de ramen door PVC-ramen met dubbele beglazing voor de resterende 275 CDSCA-woningen te Leopoldsburg gepland?
Werden de huurders en de huurdervereniging vzw GEP.M.E.N.G. op de hoogte gebracht van de renovatieplanning? Zo neen, waarom niet? Wanneer is CDSCA van plan de betrokkenen op de hoogte te brengen?
Waarom werd de eerste termijn voor de volledige renovatie van de ramen en deuren van de woningen in Leopoldsburg niet gehaald? Werden de benadeelde huurders hiervan op de hoogte gebracht?
Zal CDSCA het tweede geplande tijdsschema, zijnde einde 2006, halen om de resterende 275 woningen te voorzien van nieuwe ramen?
Zal CDSCA een financiële tegemoetkoming verlenen ter compensatie van de sterk stijgende verwarmingskosten en het gebrek aan energiebesparende maatregelen, zoals dubbele beglazing en hoogrendementsbeglazing?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Flahaut.
Momenteel is 15% van de woningen, dit wil zeggen 500 woningen, nog uitgerust met enkele beglazing, Daarvan staan er 222 in Leopoldsburg. Dit jaar werd een aanbesteding voor de vervanging van de ramen van 18 woningen in Leopoldsburg goedgekeurd. De ramen van de resterende 204 woningen worden de komende jaren vervangen.
Alle betrokken huurders werden geïnformeerd over de werken in de woning die ze betrekken, met een brief op naam vóór de aanvang van de werken. Er is geen enkele noodzaak derden te informeren over de uitvoering van een contract tussen twee partijen.
De renovatiewerken zijn opgenomen in een meerjarenplan waaruit het jaarprogramma wordt afgeleid. Nieuwe factoren kunnen zorgen voor afwijkingen van het meerjarenplan. De renovatiewerken zijn niet het gevolg van een contractuele verplichting tegenover de huurder, maar wel van een beleid van goed beheer zoals opgelegd door de minister van Defensie.
Volgens het huurcontract vallen de energiekosten volledig ten laste van de huurder. Met 85% van de woningen uitgerust met PVC-raamwerk en geïsoleerd glas kan men de CDSCA moeilijk verwijten niet bezorgd te zijn over de energiefactuur van de huurders. Bovendien blijft de huurprijs na de uitvoering van de isolatiewerken in de woningen onveranderd.
De heer Wouter Beke (CD&V). - In 2006 krijgen dus nog 18 van de beloofde 275 woningen nieuwe ramen en de rest zal `later' volgen. Zeven jaar na de eerste belofte slaagt men er dus nog altijd niet in om het gros van de huurwoningen in Leopoldsburg van dubbele beglazing te voorzien. Er worden hier toch geen luxezaken gevraagd. Dit is destijds afgesproken en voor de renovatie werden nota bene ook hogere huren gevraagd. Zeven jaar later hebben de bewoners daarvoor nog altijd niets in ruil gekregen en worden ze met een kluitje in het riet gestuurd. Ik vind dit ongehoord. Vroeger zei CDSCA altijd dat de middelen beperkt waren. Nu blijkt er wel geld te zijn voor nieuwe woningen, maar slaagt men er niet in om het bestaande patrimonium op een fatsoenlijke manier te onderhouden. Ik neem aan dat in het totaal 85% van de huurwoningen dubbele beglazing heeft, maar vast staat ook dat 275 woningen dat alleszins niet hebben en dat al zeven jaar lang met de voeten van de huurders wordt gespeeld. Ik ben dus onaangenaam verrast te horen dat meer dan 200 gezinnen nog langer moeten wachten dan voor de zoveelste keer was afgesproken. Ik zal hen daarvan uiteraard op de hoogte brengen.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - In het eerste advies van de nieuw samengestelde Federale Raad voor wetenschapsbeleid wordt de falende financiering van het onderzoeksprogramma Interuniversitaire Attractiepolen aangeklaagd. Dit programma werd zowat twintig jaar geleden opgericht door de toen nog nationale regering met als oogmerk `het excellerend wetenschappelijk potentieel van de universiteiten te versterken door hen in netwerken in te schakelen en hen zodoende, via hun onderlinge complementariteit, voldoende kritische massa te verlenen en hen internationaal beter te positioneren.' De wetenschappelijke associaties die door dit onderzoeksprogramma de voorbije jaren zijn opgestart, hebben over de jaren heen zeer verdienstelijk werk geleverd en worden in de academische wereld dan ook erg op prijs gesteld.
Het IUAP-programma kende sinds de oprichting vijf fasen, die telkens over vier à vijf jaar liepen. Het aantal participerende netwerken steeg bij iedere nieuwe fase, maar de voorbije tien jaar is het budget per netwerk lichtjes gedaald, van 3,15 miljoen euro naar 3,10 miljoen euro. In reële cijfers uitgedrukt is de investering van de overheid in het IUAP-programma evenwel systematisch en drastisch gedaald. Het budget is in die periode nooit aangepast aan de evolutie van de consumptieprijzen, noch aan de loon- of loopbaanevolutie van het tewerkgestelde onderzoekspersoneel. Dit heeft tot gevolg dat de bestaande netwerken het stelselmatig met minder financiële middelen moeten doen en dat er geen ruimte is om nieuwe netwerken op te starten.
Vindt de minister het IUAP-programma noodzakelijk voor een adequaat wetenschapsbeleid?
Hoe verklaart hij de financiering van dit onderzoeksprogramma in het kader van de evolutie naar de Barcelonadoelstelling in 2010? De Barcelonadoelstelling houdt in dat 3% van het gezamenlijk bruto binnenlands product in Europa tegen 2010 aan onderzoek en ontwikkeling moet worden besteed. 2% moet worden ingevuld door de bedrijven en 1% door de overheid.
Onderschrijft de minister de vaststellingen van de Federale Raad in verband met de financiering van het IUAP-programma? Hoe zal de minister dit advies in het toekomstig wetenschapsbeleid aanwenden? Met andere woorden, welke maatregelen zal hij nemen en hoe zal het budget gedurende de toekomstige fases evolueren?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.
Ik heb steeds veel interesse gehad voor dit programma, dat in 1987 werd uitgewerkt, en ik heb erop toegezien dat het wordt voortgezet. Op mijn initiatief stemde de Ministerraad van 3 februari 2006 principieel in met de lancering van VIde fase van de IUAP, zodat de nodige stappen kunnen worden gedaan om over een samenwerkingsakkoord te onderhandelen. Dit laatste werd goedgekeurd tijdens een interministeriële conferentie Wetenschapsbeleid op 31 maart 2006. De oproep tot voorstellen is nu afgerond. Mijn administratie buigt zich momenteel over de evaluatie die door buitenlandse deskundigen werd uitgevoerd.
De voortzetting van het IUAP-programma en de verhoging van de kredieten draagt ongetwijfeld bij tot de realisatie van de Barcelona-doelstelling. Dit is trouwens meegerekend in de 3%-norm. Voor de VIde fase van het programma werd een bedrag van 23.607 euro voorgesteld, teneinde de kredieten van het IUAP-programma aan de consumptieprijzen aan te passen. Aangezien het IUAP-programma een behoorlijk deel van de federale overheidskredieten gewijd aan onderzoek en onwikkeling vertegenwoordigt, heb ik bovendien voorgesteld om hierop een jaarlijks groeipercentage van 6% voor de periode 2007-2011 toe te passen. De totale begrotingsenveloppe voor de VIde fase van de IUAP bedraagt dan ook 143 miljoen euro. Wat de vastlegging betreft, gaat het om 110.313.000 euro in 1996, 111.638.000 euro in 2002 en 143.000.000 euro in 2007. De regering tracht zodoende de 3%-norm te halen. Voorts moet men naast dit initiatief alle fiscale maatregelen die de regering sinds het begin van de legislatuur heeft genomen, vermelden: bijna 200 miljoen euro jaarlijkse uitgaven voor de Staat. Deze leveren een aanzienlijke bijdrage tot de indirecte herfinanciering van het onderzoek. Dit bedrag is goed voor bijna 50% van de huidige begroting van het federale Wetenschapsbeleid, 508 miljoen euro.
Ik heb kennis genomen van het advies en van de aanbevelingen van de Federale Raad voor het Wetenschapsbeleid betreffende de IUAP. Ik heb de aanvraag van een bijkomend bedrag van 57 miljoen euro op de oorspronkelijke begroting 2007 ingeschreven. De knoop zal tijdens de begrotingsopmaak 2007 in oktober worden doorgehakt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het doet me genoegen dat de minister de 57 miljoen euro om te komen tot het totale bedrag van 200 miljoen euro op de ministerraad zal brengen. Dat is een verbetering van het programma, dat heel wat netwerken heeft gecreëerd en dat heel belangrijk is voor het wetenschappelijk onderzoek in ons land.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V). - In België worden jaarlijks 700 studenten toegelaten tot de klinische specialiteit, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 30 mei 2002 betreffende de planning van het medische aanbod. Deze 700 studenten worden verdeeld a rato van 60% voor Vlaanderen of 420 studenten en 40% voor Wallonië of 280 studenten.
In Vlaanderen is 43% van deze plaatsen gereserveerd voor huisartsen - dit wil zeggen 180 studenten - en 57% voor specialisten zijnde 240 studenten. Deze verhoudingen zijn vastgelegd op basis van een contingentering. Deze contingentering is het resultaat van allerlei groeimodellen in de Planningscommissie, die aan de hand van een aantal scenario's op basis van de bevolkingsevolutie, de leeftijdsevolutie en de vervrouwelijking van het artsenberoep tot deze verdeling is gekomen. Elke universiteit krijgt een aantal plaatsen a rato van het aantal studenten.
In zijn antwoord op mijn vorige vraag hieromtrent erkende de minister dat de huisartsengeneeskunde de jongste jaren minder aantrekkingskracht uitoefent. Hij benadrukte dat zijn beleid gebaseerd is op de stimulering van de huisartsengeneeskunde. Hij stelde een aantal maatregelen voor die de huisartsen ten goede zouden moeten komen.
Ondanks al deze maatregelen ten gunste van de huisartsengeneeskunde gaan de evoluties in tegengestelde richting.
Ik heb de voorbije weken de Vlaamse universiteiten om enkele cijfers gevraagd. Die leren ons dat voor 2006 het specialistencontingent overschreden is met 16,25% tegenover 10,4% in 2005. Ook in Vlaanderen worden het specialistencontingent overschreden, terwijl dat van de huisartsen slechts voor 52,2% wordt opgevuld, waar dat in 2005 nog 84,4% was. Met andere woorden, voor bijna een op de twee nodige artsen, komt er geen. We blijven het herhalen: de inkomensspanning tussen de huisarts en de specialist is veel te groot.
Naast dit financiële aspect spelen ook factoren als deprivatie een rol. De huisarts wordt vandaag niet meer gemotiveerd, dit ondanks de inspanningen die de minister ontegensprekelijk levert. Maar als slechts 50% van het huisartsencontingent wordt opgevuld, ontstaat er een groot probleem. We weten allemaal dat een van de grote besparingsoperaties, namelijk een efficiënter gebruik van de schaarse middelen in de gezondheidszorg, afkomstig kan zijn van een betere organisatie en inzet van de eerste lijn. De cijfers hierover wijzen erop dat we op korte en op lange termijn voor een groot probleem komen te staan.
De recente cijfers tonen ook aan dat we echt kunnen spreken van een `witte braindrain' naar Nederland. Artsen wijken uit omdat de uurroosters in Nederland strikter en de loonvoorwaarden beter zijn. Bovendien worden ze in groepspraktijken opgenomen, wat de werklast drastisch verlicht. In die groepspraktijken verdienen ze tot 50% meer dan hier. Dankzij dit systeem is een nine-to-five job ginds geen uitzondering meer en hebben de dokters opnieuw een privé-leven. De combinatie arbeid-gezin, die ook te maken heeft met de feminisering van het huisartsenberoep, is hierdoor veel beter haalbaar.
Hoe reageert de minister op het feit dat de cijfers voor de huisartsen nog steeds in dalende lijn gaan? Worden er strikte maatregelen genomen opdat het huisartsencontingent beter opgevuld wordt en het specialistencontingent niet overschreden wordt?
Hoever staat het met de invoering van de herijking van de nomenclatuur betreffende de honoraria van de specialisten?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
Er werden inderdaad onlangs maatregelen genomen om het huisartsenberoep aantrekkelijker te maken. Een verhoogde interesse van de afstuderende artsen zal echter niet op één jaar merkbaar zijn. We kunnen verwachten dat, net zoals vorig jaar, de universiteiten er niet in zullen slagen de quota voor de huisartsenopleiding te halen.
Ik beschik op dit ogenblik nog niet over de cijfers voor 2006 aangezien de stageplannen voor de huisartsen en de specialistenopleiding nog volop worden ingediend. Het is niet zo evident via de contingentering strikte maatregelen uit te werken. Kan een arts worden gedwongen een huisartsenopleiding te volgen indien hij dat niet wenst? Volgens mij is het antwoord neen. Het resultaat zou trouwens zijn dat deze artsen op korte termijn uit de klinische praktijk stappen. Wel wordt onderzocht hoe de decanen, waarover ik geen bevoegdheid heb, een verantwoordelijkheid op dat vlak kan worden gegeven.
Vanuit mijn bevoegdheid als minister van Sociale Zaken zal ik verder werken aan de ondersteuning van het beroep van huisarts. We kunnen echter geen ommekeer op korte termijn verwachten. De interesse voor het beroep bij studenten dient vroeg gestimuleerd te worden. Het lijkt mij het beste gedurende de volgende jaren de evolutie nauwlettend op te volgen.
In de wet houdende diverse bepalingen van 23 december 2005 werd in de oprichting van een permanent comité voor de doorlichting van de nomenclatuur voorzien. Aan de betrokken instanties werd gevraagd om kandidaten voor deze commissie voor te dragen. Tot op heden heb ik geen voordrachten ontvangen.
De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister zegt niet over de cijfers voor 2006 te beschikken. Hij had toch op basis van de cijfers uit mijn vraag een antwoord kunnen geven. Uit mijn cijfers blijkt in ieder geval dat de evolutie die al jaren aan de gang is, steeds erger wordt. Slechts de helft van het benodigde aantal huisartsfuncties wordt ingevuld. De gevolgen daarvan zullen voelbaar zijn. Er dient zich een vergrijzingsgolf aan in heel Europa. Ook binnen het huisartsencontingent treedt vergrijzing op. De leeftijdspiramides zijn bekend. Binnenkort kunnen we dus problemen verwachten. Daar wordt uiteindelijk niet zo veel aan gedaan.
De minister kan het probleem in verband met de herijking van de nomenclatuur niet oplossen door kandidaturen af te wachten. Hij onderschat schromelijk de urgentie van het probleem. Ik hoop dat hij wakker schrikt, anders komen we voor onoplosbare problemen te staan. We kunnen de komende jaren nog wel trachten bij te sturen, maar het is vijf voor twaalf. De problemen moeten nu worden aangepakt. De minister kan niet zomaar afwachten tot de evolutie zich spontaan herstelt want dat zal niet gebeuren.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Deze vraag sluit aan bij mijn vorige. Een tijdje geleden heeft de planningscommissie beslist het aantal toegelaten artsen te verhogen tot 1025 per jaar vanaf 2013. Dit betekent een verhoging van de helft in vergelijking met de oorspronkelijke beperking van 700. Bij een vorige vraag had de minister nog geen officieel advies van de planningscommissie met betrekking tot de artsen ontvangen.
Heeft de minister dit officieel advies intussen ontvangen? Zal de minister dat advies volgen of niet? Hoe reageert de minister op de intenties van deze commissie? Is hij bereid om het huidige contingent te handhaven? Is hij van plan om binnen de huidige contingenten maatregelen te nemen zodat er meer studenten voor het huisartsenberoep zullen kiezen?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
Het advies van de planningscommissie is inderdaad aan mij overgemaakt. Op dit ogenblik wordt dit advies in de regering besproken. Het koninklijk besluit van 30 mei 2002 is een in ministerraad overlegd besluit en bijgevolg moeten ook de wijzigingen aan dat besluit in de ministerraad worden overlegd.
De essentie van het advies is dat de quota voor 2013 verhoogd worden naar 1025 en dat alle `immunisaties' uit het verleden hierin vervat zijn. Die `immunisaties' hebben betrekking op de aantallen artsen die niet in de contingentering worden meegerekend, bijvoorbeeld de artsen-specialisten in het beheer van de gezondheidszorggegevens, in de arbeidsgeneeskunde en in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dat advies lijkt mij verdedigbaar omdat het de ingewikkelde structuur van de huidige regeling vereenvoudigt.
De verhoging van de quota naar 1025 is het resultaat van een aangepaste berekeningsmethode. We nemen nu immers de werkkracht die nodig zal zijn voor de toenemende zorgvraag in de toekomst als basis voor het planningsmodel.
Wat uw specifieke vraag over de huisartsen betreft, meen ik dat het moeilijk is de jonge artsen te verplichten voor de huisartsenrichting te kiezen als zij dat zelf niet wensen. Wel probeer ik de aantrekkelijkheid van het huisartsenberoep te verhogen. Meer dwingende maatregelen binnen de contingentering zullen dit probleem niet oplossen.
De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister bevestigt mijn cijfer over de contingentering, namelijk 1025. De planningscommissie bevestigt dus dat de zorgbehoeften in de toekomst fel zullen toenemen. Alleen zal het optrekken van het contingent geen oplossing bieden voor het probleem waarmee we geconfronteerd worden. Het zal ons niet meer huisartsen opleveren, integendeel. De verhoging waarover in de regering blijkbaar gediscussieerd wordt, zal alleen het probleem in Wallonië oplossen. In Wallonië heeft men zich immers nooit aan dat contingent gehouden en deze regeling verschaft hen een alibi om het teveel aan specialisten te handhaven. Ik vind dit niet de juiste manier want dat komt erop neer dat de goede leerlingen in de klas gestraft worden en de slechte beloond.
Ik richt mij ook tot de staatssecretaris en doe een beroep op haar politieke overtuiging. Ik hoop dat zij het onrechtvaardige karakter van de maatregel inziet en beseft dat dit een kaakslag is voor Vlaanderen. Via een achterpoortje probeert men hier een Waals probleem te regelen, maar daar is niemand mee gediend.
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik kan de heer Beke geruststellen. In het antwoord van de minister staat dat de wijzigingen aan het koninklijk besluit in de ministerraad moeten worden besproken en ik zal daarbij aanwezig zijn.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven antwoordt.
Mevrouw Nele Lijnen (VLD). - Sinds 1 september 2005 is iedere schoolomgeving als zone-30 afgebakend. In totaal zijn er in ons land 4.326 schoolomgevingen waar sedertdien een snelheidslimiet van 30 km/u geldt. Daarvan zijn er 3.644 gelegen langs gemeentewegen, 59 langs provinciewegen en 623 langs gewestwegen.
Bijna een jaar na de inwerkingtreding van deze maatregel kan worden vastgesteld dat deze lineaire maatregel op bepaalde plaatsen zonder ook maar de minste infrastructurele ondersteuning ingevoerd werd.
Wanneer het wegbeeld onvoldoende aangepast wordt, blijft de kans bestaan dat een chauffeur niet of te laat beseft dat hij een zone-30 nadert of erdoor rijdt. Vooral bij schoolomgevingen die gelegen zijn langs wegen met een doorstromingsfunctie houdt een permanente maximumsnelheid van 30 km/u een verhoogd risico in voor de schoolgaande kinderen.
In de loop van 2006 heeft het Vlaamse Gewest reeds heel wat inspanningen geleverd om de schoolomgevingen langs gewestwegen gradueel uit te rusten met dynamische borden. Ten onrechte ging echter heel wat minder aandacht naar de aanpassing van het wegbeeld via infrastructurele ingrepen. Vrijwel alle verkeersdeskundigen zijn het er nochtans over eens dat je een zone-30 moeilijk kan afdwingen louter op basis van de plaatsing van een bord en verkeerscontroles. Vele weggebruikers worden in de war gebracht door berichten van een gedoogbeleid buiten de schooluren en negeren, al dan niet bewust, de snelheidsbeperking. Zonder infrastructurele bijsturingen is het gevaar reëel dat mensen er zich niet meer bewust van zijn dat zij in een zone-30 rijden.
Hoe staat de minister tegenover het invoeren van de mogelijkheid dat overheden de overlangse markeringen die de rand van de rijbaan aanduiden binnen de schoolomgeving in fluorescerend groen mogen schilderen, om zo duidelijk te maken dat het een zone-30 betreft?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.
Behoudens uitzonderlijke gevallen, gerechtvaardigd door de plaatsgesteldheid, moet elke schoolomgeving met de verkeersborden A23, F4a en F4b worden afgebakend.
De twee essentiële afbakeningsvoorwaarden die sedert 1 september 2005 gelden voor een zone-30 zijn opgenomen in artikel 12.1bis, punt 4 van het ministerieel besluit van 11 oktober 1976. De toegang tot een zone-30 moeten duidelijk herkenbaar gemaakt worden door de plaatsgesteldheid, door een inrichting of door beide.
In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 26 april 2004 staat expliciet vermeld dat het de bedoeling blijft dat zone-30-straten, net als straten uit de andere categorieën, zodanig ingericht zijn dat ze als intrinsiek veilig kunnen worden beschouwd. Het gaat hier om een evenwicht dat door de wegbeheerder tot stand wordt gebracht tussen de functie van de weg, de vormgeving ervan en het werkelijke gebruik dat van de weg gemaakt wordt. Deze aanpak laat zich niet zomaar in een reglement vatten. Het is een zaak van oordeelkundige organisatie en deskundigheid van de wegbeheerder.
Thans zijn de meeste schoolomgevingen in een zone-30 ingebed, tenzij omstandigheden om redenen van plaatsgesteldheid een uitzondering het rechtvaardigen. Op de meeste grote doorstromingswegen werd inmiddels ook variabele signalisatie geplaatst, hetgeen het maatschappelijk draagvlak heeft vergroot. Bovendien hebben verschillende wegbeheerders, vaak in samenspraak met de scholen en het BIVV, de schoolomgeving op ludieke wijze `aangekleed' met onder meer octopuspalen. Schoolomgevingen worden hierdoor in de kijker gezet, hetgeen de zichtbaarheid en dus ook de verkeersveiligheid ten goede komt.
Het gebruik van kleurmarkeringen langs de weg is niet evident. In tegenstelling tot herkenningstekens met een cijfer op, vereist een kleurmarkering een bijkomende associatie van de weggebruiker tussen kleur en snelheid. Bovendien is dit voor de wegbeheerder duur.
De Ministerraad heeft op 6 juni beslist het gebruik van bepaalde herkenningstekens mogelijk te maken en het afbakenen van snelheidszones te stimuleren. De wegbeheerder zal dan binnen de snelheidszone aan verlichtingspalen en verkeerspalen een zelfklevend vignet of herkenningsbord van beperkte omvang kunnen bevestigen met een afbeelding van het verkeersbord C43, dat zonale snelheid in herinnering brengt. Het ontwerp van koninklijk besluit hieromtrent ligt momenteel voor advies bij de gewesten.
Mevrouw Nele Lijnen (VLD). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Ik ben inderdaad blij met de implementatie van variabele signalisatie in veel schoolomgevingen. Toch wil ik ervoor pleiten om de markeringen te laten opvallen, door ze bijvoorbeeld in het groen aan te brengen, zodat mensen altijd weten dat ze zich in een schoolomgeving of een zone-30 bevinden. Dergelijke markeringen zijn immers veel beter zichtbaar dan een klein verkeersbord.
De voorzitter. - Ik stel voor de vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Onlangs stelde de Studiecommissie voor de Vergrijzing haar vijfde jaarverslag voor.
De regering gaf in de media hierover te kennen dat de conclusies hoopgevend zijn.
De budgettaire kost van de vergrijzing bedraagt voor de periode 2005-2030, net zoals in het vorige jaarverslag, 3,8% van het BBP. Op middellange termijn echter stijgt die budgettaire kost met 0,3% tot 0,4% van het BBP. Twee derde daarvan zou te wijten zijn aan de meerkost van maatregelen van het generatiepact. Op lange termijn zou er wel degelijk een positief effect zijn, maar slechts voor een veertiende van de totale kosten voor de vergrijzing.
Welke conclusies trekt de minister uit de studie? Is de studie geen bewijs dat de maatregelen -zeker voor wat betreft de korte en middellange termijn- niet ingrijpend genoeg zijn? In de discussies die we daarover hebben gehad in de werkgroep vergrijzing en in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, rees de vraag om verder te gaan dan het generatiepact.
Met de uitvoering van het generatiepact heeft men bovendien ook lang gewacht. Vele maatregelen zullen pas uitvoering vinden meer dan een jaar na het bereiken van het akkoord, sommige zelfs pas op 1 januari 2008. Is de minister van plan om de uitvoering te bespoedigen? Op welke manier zal de minister rekening houden met de conclusies?
Nu kom ik tot mijn tweede vraag. Meer dan een jaar vóór het generatiepact vorm begon te krijgen diende ik, samen met collega Stefaan Noreilde, twaalf wetsvoorstellen in die de gevolgen van de vergrijzing van de bevolking op onze maatschappij en meer bepaald op onze sociale zekerheid moeten verzachten.
Sommige voorstellen zijn ook terug te vinden in het generatiepact, vandaar dat ik de uitvoering van het generatiepact met argusogen opvolg. De uitvoering van het generatiepact heeft een impact op het leven van veel vijftigers. Zij hebben via de media wel al gehoord welke maatregelen genomen zullen worden om hen aan te zetten langer te werken, maar hebben weinig of geen informatie over het tijdstip waarop elk van die maatregelen effectief van kracht wordt. Als burger heb ik hier ook naar gezocht en de meest volledige informatie heb ik gevonden op de website van het VBO, hoewel ook nog niet volledig én actueel.
Omwille van het belang van de uitvoering van het generatiepact denk ik dat de regering beter moet communiceren over de uitvoering ervan. In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden hebben we bij de bespreking van de programmawet nu wel een boordtabel gekregen van de minister van Pensioenen. We hadden dat ook graag gekregen van de minister van Werk en van de minister van Sociale Zaken.
1. Op welke manier verloopt de communicatie van de planning van uitvoering van het generatiepact naar de bevolking? Is de minister van plan om de communicatie te verbeteren? Zo ja, hoe dan wel?
2. Kan hij mij in het bijzonder zeggen wanneer het activerend beleid bij de herstructureringen met daarbij de heractivering van de aanvullende vergoeding voor bruggepensioneerden die terug aan de slag gaan, uitvoering zullen vinden?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees de antwoorden van minister Vanvelthoven. Ik begin met het antwoord op de vraag betreffende de uitvoering van het generatiepact.
Tot nog toe werd voornamelijk geïnvesteerd in de omzetting van de maatregelen van het generatiepact in wetten en besluiten. Terloops wil ik eraan herinneren dat dit pact niet alleen maatregelen omvat om het actief ouder worden te stimuleren, maar ook om meer jongeren aan het werk te helpen en de sociale zekerheid te versterken.
De omzetting van het pact in reglementaire teksten is overigens een zeer complexe aangelegenheid onder meer omdat tal van maatregelen een inbreng of minstens overleg vereisen met de sociale partners en/of de gefedereerde overheden. De inwerkingtreding van de maatregelen verloopt bovendien gespreid in de tijd. Dat alles belet evenwel niet dat er inzake communicatie reeds inspanningen werden geleverd die in de loop van de tweede helft van 2006 geïntensifieerd zullen worden en ook meer gestructureerd zullen verlopen.
Voor de communicatie werd tot nu hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de elektronische kanalen en meer in het bijzonder van de websites van zowel de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg als van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Zo biedt de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg een overzicht van de genomen en nog te nemen maatregelen in uitvoering van het generatiepact met, voor wat de maatregelen ter bevordering van het actief ouder worden betreft, meer gedetailleerde informatie over het activerend beleid bij herstructureringen en het verruimd toepassingsgebied van de werkhervattingstoeslag. Deze maatregelen komen ook aan bod op de webstek van de RVA, die tevens informatie verschaft over de inhoudingen sociale zekerheid op door de werkgever betaalde aanvullende vergoedingen bovenop werkloosheiduitkeringen of onderbrekingsuitkeringen, de zogenaamde Canada Dry-stelsels.
Met het oog op de versterking van de communicatie in verband met de uitvoering van het generatiepact en meer in bijzonder dan voor wat het stimuleren van het actief ouder worden aangaat, zal zoals gepland in het pact, in de loop van de tweede helft van 2006 een ruime sensibiliseringscampagne worden gestart. Met deze campagne willen we niet alleen informeren over de maatregelen, maar ook en vooral de zo nodige mentaliteitsverandering ten aanzien van ouderen tegenover werk helpen bewerkstelligen. Zo zal deze brede en langdurige campagne alle actoren wijzen `op hun vooroordelen in verband met werk, leeftijd en ouder worden' en `de economische productiviteit en arbeidsmarktwaarde van ervaren werknemers toelichten'. Een degelijke voorbereiding is noodzakelijk om een adequate strategie voor de campagne te ontwikkelen. Daarbij zal worden gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur binnen de FOD Werk, Arbeid en Sociaal overleg samen met de andere relevante federale en gewestelijke administraties; overleg met sociale partners en belangenorganisaties wordt gepland. De organisatie van de campagne, vooral die bestemd voor het grote publiek, zal worden georganiseerd in samenwerking met een extern communicatiebureau.
Wat het activerend beleid bij herstructureringen betreft, regelt het koninklijk besluit van 9 maart 2006, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2006, de oprichting van tewerkstellingscellen voor de herstructureringen die worden aangekondigd vanaf 1 april 2006.
Voor de activering van de aanvullende vergoeding bij brugpensioenen - en bij uitbreiding bij de Canada Dry-regeling - heeft de overheid natuurlijk geen direct instrument in handen. De aanvullingen worden geregeld bij CAO of in een individueel akkoord in het geval van canada dry. Wel leggen de betreffende koninklijke besluiten vanaf 1 januari 2007 zwaardere bijdragen en inhoudingen op indien de CAO of het akkoord tussen 2007 en 2008 een doorbetaling bij werkhervatting uitdrukkelijk uitsluit. Vanaf 1 januari 2008 zal de doorbetaling uitdrukkelijk opgenomen moeten zijn, teneinde de voormelde sancties te vermijden. Momenteel zijn binnen de NAR besprekingen aan de gang over een aanpassing in die zin van CAO 17, de basis-CAO brugpensioen.
Dan lees ik nu het antwoord op de vraag over het jaarverslag van de studiecommissie voor de vergrijzing.
In het verslag dat op 28 juni aan de regering werd overhandigd, wordt geen rekening gehouden met het ontradende effect van de bijdragen en inhoudingen die voortaan op aanvullingen van pseudo-brugpensioenen worden geïnd.
De commissie verwacht alleszins een belangrijke impact op de brugpensioneringsgraad. Ingevolge het pact dalen de uitgaven voor brugpensioen met 0,1% van het BBP ten opzichte van het basisscenario.
Ook stelt de commissie dat het pact een belangrijke bijdrage heeft in de stijging van de activiteitsgraad van de beroepsbevolking van 55 tot 64 jaar. Aan de stijging van de totale werkgelegenheidsgraad en het bnp levert het pact een positieve bijdrage van 1%.
Ingevolge de positieve invloed op de werkgelegenheid, en dus de verbreding van de bijdragebasis, zal het pact de overheidsontvangsten tegen 2030 met 0,53% van het BBP doen toenemen.
Het pact bevat ook een belangrijk hoofdstuk over welvaartsaanpassingen van sociale uitkeringen vanaf 2007. In haar basisscenario ging de commissie er echter vanuit dat het structurele mechanisme pas na 2010 zou aanvatten. Dat wekt de indruk dat het pact de sociale uitgaven verzwaart (op korte termijn met 0,3% van het BBP). Nochtans was de basis van het welvaartsmechanisme reeds goedgekeurd op de bijzondere Ministerraad van Raversijde. In die zin heeft de commissie in haar basisscenario dus wat te restrictieve hypotheses gehanteerd ten opzichte van wat politiek reeds was beslist. Het hoofdstuk van het rapport dat aan de pensioenen is gewijd, toont trouwens aan dat de regering een terechte beslissing heeft genomen door het mechanisme van welvaartsaanpassingen tijdig op te starten.
Ook na het in rekening brengen van de meerkost van deze beslissingen, geeft het pact een gunstig effect van 0,28% van het BBP op het vorderingensaldo van de overheid in 2030. Het pact levert dus zijn bijdrage tot financiering van de meerkost van de vergrijzing nadat het stevige mechanisme van welvaartsaanpassingen in de sociale zekerheid in rekening werd gebracht.
Het pact bevat een reeks maatregelen die globaal en in hun onderlinge samenhang een mentaliteitswijziging beogen. Uiteraard is de impact daarvan moeilijk vooraf kwantificeerbaar.
De regering heeft niet lang gewacht met de uitvoering van het pact. De uitvoering zit volledig op het schema dat in het pact werd afgesproken. De koninklijke besluiten inzake de actieve aanpak van herstructureringen -met de inbegrip van de impact op de brugpensioenwetgeving tussen 2006 en 2008 -, de bijdragen en inhoudingen op Canada Dry-vergoedingen, de versnelde toekenning van de werkhervattingstoeslag, de langere toekenning van de doelgroepvermindering en de specifieke activering van de uitkeringen voor zeer laag geschoolde jongeren, de activering van uitkeringen bij opleidingen op de werkvloer, de versterking van het ervaringsfonds, de versterkte lastenverlaging voor jongeren, de bijdragen op brugpensioen, de basisregeling voor brugpensioenen vanaf 2008, de start- en stagebonus ... zijn ofwel reeds in het Belgisch Staatsblad verschenen of zullen eerstdaags verschijnen.
Binnen de NAR wordt momenteel gedebatteerd over het scholingsbeding en de gelijkgestelde periodes en de definitie van zware beroepen die - conform het pact - moeten worden geïntegreerd in de brugpensioenregeling die vanaf 2008 van toepassing zal zijn.
De afgesproken maatregelen moeten nu eerst integraal worden uitgevoerd en er moet een periodieke evaluatie van de feitelijke impact worden gemaakt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het is moeilijk om op basis van een dergelijke opsomming een correct beeld van de gerealiseerde maatregelen te krijgen. De mentaliteitswijziging is inderdaad zeer belangrijk; om die reden is ook de communicatie naar de bevolking cruciaal.
Blijkbaar zullen de inspanningen in de tweede helft van het jaar worden opgedreven. Hopelijk wordt ook de informatie geoptimaliseerd want ook wij kunnen soms moeilijk een antwoord geven op vragen over de stand van zaken van sommige aangekondigde maatregelen.
Het is duidelijk dat minister Vanvelthoven uit het jaarverslag van de studiecommissie voor de vergrijzing die cijfers haalt die hem het beste uitkomen. Het klopt dat niet alleen de vergrijzing, maar ook de welvaartsaanpassingen en andere regeringsmaatregelen de kosten zullen opdrijven.
De overheid moet echter de evolutie van de kosten van het sociale zekerheidssysteem van nabij in het oog houden. Indien nodig moet ze bijsturen. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om maatregelen die in het kader van het generatiepact of naar aanleiding van een of andere Ministerraad werden genomen. Ik stel vast dat de minister de cijfers van de studiecommissie voor de vergrijzing voor een deel in twijfel trekt. Misschien moet alles nog eens nauwkeurig worden gecontroleerd.
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens hooggeplaatste bronnen bij de Nationale Loterij worden de verkooppunten van de Nationale Loterij onvoldoende gecontroleerd. Van de ruim 6.000 verdelers is nog nooit een verkoopcontract ingetrokken, aldus de Nationale Loterij.
Het beheerscontract tussen de Nationale Loterij en de federale regering geeft nochtans geen vrijgeleide aan de verdelers. In dat contract, goedgekeurd in april 2003 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 mei 2003, staat te lezen dat de Nationale Loterij op elk moment het verkooprecht van een verkooppunt kan terugnemen wanneer een inbreuk wordt gepleegd op de wetgeving of reglementering, zoals de verkoop aan minderjarigen. Verder stipuleert het contract dat de Loterij zich ertoe verbindt eenmaal per jaar kwaliteitscontroles te laten uitvoeren door een onafhankelijke instantie. De Nationale Loterij moet vervolgens jaarlijks verslag uitbrengen van de resultaten van de controles. De eerste controles werden gepland voor 2005.
Uit de cijfers blijkt echter dat van de meer dan 6.000 verkooppunten nog geen enkel verkoopcontract werd ingetrokken. Het enige wat de vertegenwoordigers van de Nationale Loterij controleren is of er in elk verkooppunt een sticker kleeft over het verkoopverbod aan minderjarigen. De verkoop van tabak aan minderjarigen, daarentegen, wordt wel gecontroleerd in de buurt van scholen.
Hoe beoordeelt de staatssecretaris de berichtgeving met betrekking tot de controle van de verkooppunten door de Nationale Loterij? Welke maatregelen stelt hij voor om de verkooppunten in de toekomst consistent en consequent te controleren?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Tuybens.
De bescherming van minderjarigen tegen gokverslaving vereist zowel een afdoend wettelijk kader als een voortdurende verfijning van de bestaande controlemechanismen en beschermingsregels. Ik heb met de gedelegeerd bestuurder van de Nationale Loterij, de heer Vandenbosch, afgesproken om de bescherming op korte termijn efficiënter en doelmatiger aan te scherpen. Daarbij wordt gedacht aan de inzet van zogenaamde mystery shoppers, daarvoor het meest aangewezen controlemechanisme.
De Nationale Loterij heeft een overheidsopdracht uitgeschreven voor het engageren van een privé-bedrijf dat gespecialiseerd is in mystery shopping. De Nationale Loterij laat me weten dat de selectie van het bedrijf momenteel achter de rug is en dat binnenkort anonieme inspecteurs op pad zullen worden gestuurd. Zij zullen onder meer controleren of de verkooppunten voldoende productinformatie geven aan de klanten, of het promotiemateriaal goed is aangebracht en of de uitbaters correct omgaan met minderjarigen.
Nu reeds worden geregeld campagnes georganiseerd in de media om iedereen te informeren over de minimumleeftijd voor het spelen met de producten van de Nationale Loterij. De jongste campagne werd deze maand verspreid. Vanaf deze maand krijgen daarenboven alle minderjarigen die een product van de Nationale Loterij willen kopen in een verkooppunt van de uitbater een voorgedrukt briefje mee voor hun ouders waarin staat dat minderjarigen geen producten van de Nationale Loterij mogen kopen.
Tenslotte bepaalt het beheerscontract dat de Nationale Loterij jaarlijks verslag moet uitbrengen aan de toezichthoudende minister over de resultaten van de controles, alsook over de acties die de Nationale Loterij heeft ondernomen om het kwaliteitsniveau van de controles te verbeteren.
Ik heb de Nationale Loterij gevraagd me uiterlijk 15 oktober verslag uit te brengen van de initiatieven en maatregelen voor de verkopers die het verbod op verkoop aan minderjarigen niet respecteren.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. We zullen de gevolgen van de door de regering aangekondigde maatregelen afwachten.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - De ombudsdienst van De Post ontving in 2004 46% meer klachten dan het jaar daarvoor. In 2005 steeg het aantal klachten alweer met meer dan 14%. Een deel van de klachten had betrekking op de verdwijningen van zendingen en pakjes. Ook dit type klachten stijgt de afgelopen jaren onafgebroken. Zo ontving de ombudsdienst in 2003 774 klachten over verdwijningen. Dit aantal liep in 2004 op tot 1023 en in 2005 tot 1283.
Gedelegeerd bestuurder Johnny Thijs wil het aantal verdwijningen dan ook systematisch indijken. Om dit te bereiken zouden alle sorteercentra en de belangrijkste postdistributiecentra met camera's worden uitgerust.
Kan de staatssecretaris op basis van het aantal ontvangen klachten een schatting geven van het aantal postpakketten en brieven dat ieder jaar verloren raakt en dit vanaf 2000 tot en met 2005? Wat gebeurt er met de brieven en pakketten die nooit op de juiste bestemming aankomen? Hoe worden die bewaard of vernietigd?
Welke oorzaken zijn er voor het verdwijnen van zendingen en pakketten? Welke conclusies trekt de staatssecretaris daaruit? Hoeveel personeelsleden zijn de voorbije vijf jaar ontslagen wegens diefstal van zendingen? Is dit een reëel probleem of is het eerder marginaal?
Hoeveel sorteercentra en postdistributiecentra zijn heden uitgerust met camera's om het verdwijnen van brieven en/of postpakketten te verminderen? Wat is de planning ter zake in de toekomst? Hebben de geïnstalleerde camerasystemen een positief effect? Werd naar aanleiding hiervan een advies gevraagd aan de privacycommissie? Zo ja, hoe luidt dit?
Ik kom nu bij mijn tweede vraag.
In een antwoord op mijn schriftelijke vraag over verkeersovertredingen bij De Post geeft de staatssecretaris aan dat de opeenvolgende reorganisaties van de collect- en uitreikingsdiensten van de briefwisseling de verkeerscode wel degelijk in aanmerking nemen. Dit zou inhouden dat iedere postman over voldoende tijd beschikt om zijn taak uit te voeren zonder verkeersovertredingen te moeten begaan. De personeelsleden van De Post zijn uiteraard verplicht om de verkeerscode te respecteren. De staatssecretaris geeft echter aan dat er geen statistieken worden bijgehouden over de verkeersovertredingen aangezien eventuele boetes rechtstreeks door de personeelsleden worden betaald.
Hoe wordt een werknemer op de hoogte gebracht dat hij of zij een verkeersovertreding beging? Komen die bij De Post binnen, aangezien het om dienstvoertuigen gaat?
Hoe voert De Post zonder statistieken over het aantal verkeersovertredingen een adequaat personeelsbeleid? Is het respect voor de wegcode geen element bij de individuele evaluaties? Wat indien een personeelslid zich bezondigt aan recidive?
In 2003 hekelde een politierechter De Post omdat het bedrijf zijn personeel zou dwingen tot het maken van verkeersovertredingen door een onhaalbare werkdruk op te leggen. Hoe kan de staatssecretaris conclusies trekken over de werkdruk en al dan niet het personeelsbeleid bijsturen zonder cijfers over het aantal verkeersovertredingen dat de personeelsleden begaan? Wat denkt de staatssecretaris over het voorstel om in de toekomst toch statistieken over de verkeersovertredingen bij te houden?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.
In antwoord op de eerste vraag om uitleg kan ik meedelen dat het aantal aanvragen om opzoekingen ingediend voor een niet toegekomen zending slechts beschikbaar is vanaf 2004. In 2004 ging het om 16.035 aanvragen waarvan 4.565 poststukken werden teruggevonden; in 2005 om 16.975 aanvragen waarvan 4.873 poststukken werden teruggevonden.
Op basis van de aanvragen om opzoekingen, kunnen wij het percentage van verloren zendingen ramen op 0,000003% of 1 verloren poststuk per 300.000 behandelde zendingen. De poststukken die aan de geadresseerde niet konden worden afgegeven, worden aan de afzender teruggezonden. De poststukken die noch aan de geadresseerde konden worden afgegeven, noch aan de afzender terugbezorgd, worden als onbestelbaar beschouwd.
De Post is ertoe gemachtigd de onbestelbare poststukken onmiddellijk te openen met het doel er de nodige inlichtingen uit te halen om die correspondentie aan de belanghebbenden terug te zenden. De onbestelbare poststukken die niet konden worden teruggezonden, worden vernietigd bij het verstrijken van een termijn van zes maanden voor gewone poststukken of voor aangetekende poststukken die noch voorwerp noch bescheid van waarde inhouden en van vijf jaar voor gewone of ingeschreven poststukken die voorwerpen of bescheiden van waarde bevatten. Na het verstrijken van die termijnen, vervallen die voorwerpen en bescheiden ten voordele van de Schatkist. De oorzaken hiervan zijn ofwel verlies door slechte adressering, heen- en retouradres; ofwel onaangepaste verpakking, beschadiging of verlies van inhoud; ofwel totale beschadiging, onverklaarbaar verlies, vruchteloze opzoekingen of diefstal.
Voor wat de slechte adressering betreft of het gebruik van niet aangepaste verpakking, zal een specifieke opleiding aan de loketbedienden worden gegeven en de communicatie naar de klanten zal worden aangepast.
Van juli 2003 tot eind 2005 waren er 24 contractuele en 13 statutaire personeelsleden.
De actuele sorteercentra, 5 in totaal, en een 20-tal postdistributiecentra zijn momenteel uitgerust met permanente camera's met volgende doeleinden:
De nieuwe sorteercentra zullen om dezelfde redenen eveneens met camera's uitgerust worden. Het doel van de camera's werd aan de werknemers medegedeeld.
Hoewel het moeilijk is om met statistische zekerheid te zeggen of enkel de geïnstalleerde camerasystemen op zich een positief effect hebben gehad op de daling van het aantal diefstallen, merken we duidelijk dat de plaatsing van de camera's gekoppeld aan een lokaal overleg en een preventie- en communicatieprogramma een duidelijk ontradend effect heeft.
De Post heeft zich verbonden om de bepalingen na te leven van het koninklijk besluit van 20 september 1998, waarbij algemeen bindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst nummer 68 van 16 juni 1998, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de camerabewaking op de arbeidsplaats. Bijgevolg werd het gebruik van de camera's aangegeven aan de privacycommissie die geen opmerkingen overmaakte.
Alvorens het antwoord van staatssecretaris Tuybens op de tweede vraag om uitleg voor te lezen, wens ik de personeelsleden van de Senaat te danken voor de fijne samenwerking en wens hen een prettige vakantie.
Ik kom nu tot de tweede vraag om uitleg van de heer Noreilde.
Aangezien alle voertuigen ingeschreven staan bij het departement Fleet, komen de processen-verbaal bij deze afdeling toe. Sinds de zomer van 2005 wordt bij Fleet een registratie gedaan van alle ontvangen processen-verbaal met volgende gegevens: plaatscode, postkantoor van de gebruiker, referentie van het proces-verbaal, datum, omschrijving van de boete, eventueel het bedrag van de boete en de datum van overzending naar het kantoor. Na deze registratie wordt het proces-verbaal aangetekend opgestuurd naar het kantoor waar het voertuig gebruikt wordt. Het is de postmeester die de betrokken bestuurder op de hoogte brengt.
Inzake personeelbeleid heeft de Business Unit een cursus Veilig en economisch rijden gepland, waarin alle bestuurders een opfrissing van de wegcode krijgen. Deze cursussen zijn gestart in 2005 en lopen door in 2006. Indien een bestuurder regelmatig verkeersovertredingen begaat, heeft het plaatselijk management de mogelijkheid om op basis van artikel 1137 van de Arbeidsonderrichtingen deze bestuurder tijdelijk het rijden met een voertuig te ontzeggen.
De organisaties zijn opgemaakt rekening houdend met de verkeersreglementering. De verkeersovertredingen kunnen dus moeilijk worden beschouwd als een element van de werkdruk.
Zoals hoger aangegeven doen wij sinds de zomer van 2005 een registratie van alle verkeersovertredingen.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het verrast me dat er vandaag wel cijfers over de verkeersovertredingen bij De Post voorhanden zijn, want toen ik mijn schriftelijke vraag stelde, zei men dat De Post daar geen cijfers over had. Ik zal het antwoord van de minister grondig doornemen en daar in mijn eerste vraag na het reces op terugkomen.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats morgen vrijdag 14 juli om 10.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 21.50 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Chevalier en Van den Brande, in het buitenland, de heer Van Peel, om familiale redenen, de heer Wilmots, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 63
Voor: 63
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 2
Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 3
Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 42
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 4
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 2
Onthoudingen: 19
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Josy Dubié, Isabelle Durant.
Onthoudingen
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 5
Aanwezig: 63
Voor: 52
Tegen: 2
Onthoudingen: 9
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Josy Dubié, Isabelle Durant.
Onthoudingen
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Stemming 6
Aanwezig: 63
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 8
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Stemming 7
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 8
Aanwezig: 63
Voor: 44
Tegen: 6
Onthoudingen: 13
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Francis Delpérée, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 9
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 10
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 8
Onthoudingen: 13
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 11
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 10
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 12
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 8
Onthoudingen: 13
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 13
Aanwezig: 62
Voor: 41
Tegen: 14
Onthoudingen: 7
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.
Stemming 14
Aanwezig: 63
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 7
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Stemming 15
Aanwezig: 63
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 10
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 16
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 5
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.
Stemming 17
Aanwezig: 63
Voor: 5
Tegen: 42
Onthoudingen: 16
Voor
Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 18
Aanwezig: 63
Voor: 6
Tegen: 42
Onthoudingen: 15
Voor
Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 19
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 21
Onthoudingen: 0
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 20
Aanwezig: 61
Voor: 15
Tegen: 41
Onthoudingen: 5
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.
Stemming 21
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 45
Onthoudingen: 2
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Josy Dubié, Isabelle Durant.
Stemming 22
Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 50
Onthoudingen: 2
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Michel Delacroix, Francis Detraux.
Stemming 23
Aanwezig: 63
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 5
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.
Stemming 24
Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 42
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 25
Aanwezig: 63
Voor: 42
Tegen: 21
Onthoudingen: 0
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Tegen
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 26
Aanwezig: 63
Voor: 2
Tegen: 48
Onthoudingen: 13
Voor
Josy Dubié, Isabelle Durant.
Tegen
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Stemming 27
Aanwezig: 63
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 13
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.
Artikel 14
Amendement 1 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1774/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 15
Amendement 2 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1774/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 16
Amendement 3 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1774/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 47
Amendement 4 van de heer Beke (Stuk 3-1774/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 63
Amendement 5 van de heer Delpérée (Stuk 3-1774/2)
In het voorgestelde 1º van dit artikel de woorden "in hetzelfde gerechtelijk arrondissement of in dat waar het personeelslid werkzaam is" vervangen door de woorden "binnen een straal van 20 km rond het vorige logement".
Artikel 65
Subsidiair amendement 6 van mevrouw de Bethune op amendement 7(Stuk 3-1774/2)
Dit artikel aanvullen als volgt:
"Deze machtiging vervalt indien de minister niet voldaan heeft aan de wettelijke verplichting jaarlijks een verslag bij het Parlement neer te leggen over de wapenverkoop door het leger."
Amendement 7 van mevrouw de Bethune (Stuk 3-1774/8)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 2
Amendement 10 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 2. - Artikel 8 van de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen wordt aangevuld met de volgende leden:
`Het openbaar ministerie bepaalt evenwel de bestemming van de verbeurdverklaarde goederen op de volgende wijze. Het kan beslissen de verbeurdverklaarde goederen geheel of gedeeltelijk aan de verzoekende Staat over te dragen.
Het kan tevens beslissen dat de andere goederen dan geldsommen worden verkocht, waarna de opbrengst van de verkoop deels of geheel aan de verzoekende Staat wordt toegewezen.
In de in het vorig lid bedoelde gevallen wordt rekening gehouden met de kosten van het beslag, de bewaring, de vervreemding, de verbeurdverklaring en de overdracht.
Indien niet kan worden beslist over de toewijzing van de verbeurdverklaarde goederen, komen deze aan de Belgische Schatkist toe.'."
Artikel 5
Amendement 13 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 6
Amendement 14 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 9
Amendement 1 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 10
Amendement 2 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 11
Amendement 3 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 12
Amendement 4 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 13
Amendement 5 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 14
Amendement 6 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 16
Amendement 7 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 11 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
In het voorgestelde artikel 1409ter, de volgende wijzigingen aanbrengen:
A. Paragraaf 1, eerste lid, vervangen door de volgende leden:
"De beslagen schuldenaar die aanspraak kan maken op een verhoging van het gedeelte van zijn inkomsten die niet vatbaar zijn voor beslag met toepassing van artikel 1409, §1, vierde lid, of 1409, §1bis, vierde lid, doet hiervan aangifte bij de optredende gerechtsdeurwaarder of de door de wet met de invordering belaste ambtenaar, door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
De beslagen schuldenaar voegt bij die aangifte één van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1409quater en verklaart op erewoord dat het kind niet beschikt over inkomsten waarvan het bedrag hoger is dan door de Koning bepaald of dat zijn inkomsten het voorwerp zijn geweest van een gemeenschappelijke belastingsaangifte. De gerechtsdeurwaarder of de met de invordering belaste ambtenaar oordeelt op grond van de ingebrachte stukken en stelt een proces-verbaal op waarvan hij onmiddellijk een afschrift aan de partijen betekent.".
B. Paragraaf 2 vervangen als volgt:
"§2. De verklaring heeft rechtskracht op de eerstvolgende vervaldag van de betaling van de beslagen bedragen voor zover de derde-beslagene beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van betaling.".
C. Paragraaf 3, tweede en derde lid, vervangen door het volgende lid:
"Het gedeelte van de beslagen inkomsten dat het voorwerp uitmaakt van de betwisting, wordt geblokkeerd in handen van de gerechtsdeurwaarder of de met de invordering belaste ambtenaar tot de kennisgeving van de beschikking over de betwisting of tot de beslagen schuldenaar en de beslaglegger een overeenkomst bereiken.".
D. Paragraaf 3, vierde lid, de woorden "De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep" doen vervallen.
E. Paragraaf 3, vierde lid, aanvullen door het volgende lid: "De geblokkeerde bedragen worden al naargelang het geval gestort aan de beslagen schuldenaar of aan de beslaglegger, onverminderd een overeenkomst die zij bereiken.".
F. Paragraaf 3, vijfde, zesde en zevende lid doen vervallen.
Artikel 29
Amendement 12 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel aanvullen met de volgende woorden:
"en uiterlijk op 1 september 2006.".
Artikel 31
Amendement 8 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 32
Amendement 9 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 73
Amendement 29 van mevrouw Thijs en de heer Van Peel (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Subsidiair amendement 30 van mevrouw Thijs en de heer Van Peel op amendement 29 (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel, waarvan de bestaande tekst §1 wordt, aanvullen met twee nieuwe paragrafen, luidende:
"§2. Artikel 65, §2 van dezelfde samengeordende wetten, wordt aangevuld met volgend lid:
`Onder in het eerste lid bedoelde gemeenteoverheden worden ook de politiezones verstaan die zijn vermeld in artikel 22bis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiediensten, gestructureerd op twee niveaus, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 13 juli 2001 houdende diverse institutionele hervormingen betreffende de lokale instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De zones sturen binnen acht dagen aan het gouvernement van de vice-gouverneur afschriften van de besluiten van raden en colleges die rechtstreeks of onrechtstreeks de toepassing van de wetten en verordeningen over het gebruik der talen in bestuurszaken betreffen'.
§3. Artikel 65, §3, eerste lid van dezelfde samengeordende wetten, wordt vervangen als volgt:
`De regeringscommissaris van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, vice-gouverneur, kan bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van de beslissing waarbij de gemeenteoverheid van één der gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van één dezer gemeenten of de politiezone in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de wetten en verordeningen op het gebruik van de talen in bestuurszaken schendt.'."
Artikel 76
Amendement 31 van mevrouw de Bethune (Stuk 3-1775/2)
In het voorgestelde nieuw lid van artikel 12ter de woorden "periodes van één jaar" vervangen door de woorden "periodes van maximum tweemaal één jaar".
Artikelen 82bis en 82ter (nieuw)
Amendement 34 van de mevrouw de Bethune (Stuk 3-1775/7)
In titel VI, een hoofdstuk IVbis (nieuw) invoegen met als opschrift "Vredesmissies", dat de artikelen 82bis en 82ter omvat, luidende:
"Art. 82bis. - De minister van Landsverdediging is eraan gehouden een handboek voor vredesoperaties op te stellen met bijzondere aandacht voor genderexpertise en voor specifieke problemen zoals de problematiek van de kindsoldaten en de bescherming van vrouwen en kinderen tijdens de missies.
Art. 82ter. - Er wordt een interdepartementale werkgroep opgericht met als opdracht een nationaal actieplan op te stellen ter implementatie van resolutie 1325 en volgens de krachtlijnen van Senaatresolutie 3-902."
Artikel 119
Amendement 15 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 119. - Artikel 1, §4, van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als volgt:
`§4. De minister van Economie kan tevens met beroepsverenigingen een programmaovereenkomst sluiten. Hierbij wordt onder beroepsvereniging verstaan: een vereniging van bedrijven die actief zijn in de raffinage, de invoer of distributie van aardolieproducten.
Indien de beroepsvereniging of meerdere beroepsverenigingen waarmee een programmaovereenkomst wordt gesloten representatief is voor ten minste 60% van het aantal bedrijven van de sector en 60% van het marktaandeel van de sector is de programmaovereenkomst bindend voor de ganse sector.
Indien aan slechts één van de twee voorwaarden bedoeld in het lid vorig is voldaan, wordt de programmaovereenkomst slechts algemeen bindend indien zij niet binnen de twee weken na haar bekendmaking op een door de Koning te bepalen wijze, wordt verworpen door één of meerdere beroepsverenigingen die, al naargelang het geval, aan de niet behaalde voorwaarde voldoen. De bedoelde verenigingen geven op gemotiveerde wijze en bij ter post aangetekende brief kennis van hun bezwaren.
Bij verwerping van de overeenkomst op de wijze bepaald in het vorig lid, start de minister van Economie binnen de maand na ontvangst van het gemotiveerde bezwaar een nieuwe onderhandeling over dit bezwaar binnen het kader van de programmaovereenkomst.
De minister van Economie brengt binnen drie maand na ontvangst van het bezwaar, de betrokken beroepsvereniging bij een ter post aangetekende brief op de hoogte van het resultaat van de onderhandeling.'."
Artikel 124
Amendement 23 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 133
Amendement 17 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 134
Amendement 18 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 135
Amendement 19 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 136
Amendement 20 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 137
Amendement 21 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 138
Amendement 22 van de heer Steverlynck (Stuk 3-1775/2)
De cijfers en leestekens ", 133, 2º en 3º, 134 en 135, 1º, 2º en 4º," doen vervallen.
Artikel 189
Amendement 33 van de mevrouw de Bethune (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 252
Amendement 25 van de heer Beke en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 3-1775/2)
Het derde lid van het voorgestelde punt c), artikel 4, §1, 2º wijzigen als volgt:
"De Koning stelt, na bindend advies van de Nationale Arbeidsraad, een lijst op met de gegevens die ingevolge de wet dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, bedoeld bij het eerste lid, en die zich op informatiedragers bevinden op de werkplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs."
Artikel 267bis (nieuw)
Amendement 27 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke (Stuk 3-1775/2)
Een artikel 267bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"In artikel 109, §1, van dezelfde herstelwet, gewijzigd bij wet van 10 juni 1993 wordt een 7ºter ingevoegd, luidende als volgt:
`7ºter - Het volgen van, de voorbereiding op, het afleggen van examens en de verplichte stages in het kader van open- en afstandsonderwijs, De voorbereiding van een assessmentprocedure bij een validerende instantie waarbij op basis van eerder verworven competenties bekwaamheidsbewijzen kunnen worden uitgereikt, onder voorbehoud van bijzondere toepassingsregels die de Koning vaststelt;'."
Artikel 350
Amendement 26 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 351
Amendement 28 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 352
Amendement 24 van de heer Beke en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 3-1775/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 352. - §1. De laatste twee zinnen van het vierde lid van artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling worden vervangen als volgt:
`De secretaris van de Commissie die door de Koning wordt benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vier jaar, is een ambtenaar van de administratie van het regeringslid bevoegd voor duurzame ontwikkeling. De voorzitter, de ondervoorzitters en de secretaris vormen samen het bureau van de commissie.'
§2. De personeelsleden van het Federaal Planbureau die er op de datum van overdracht met arbeidsovereenkomst in dienst zijn om de vertegenwoordiger van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling bij te staan om het secretariaat van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling waar te nemen, worden met ingang van 1 september 2006 overgedragen naar de Programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling.
De Koning bepaalt de regels van deze overdracht via een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Het overgedragen personeel behoudt minstens zijn loon, met inbegrip van alle uitkeringen, vergoedingen, premies of andere voordelen die het genoot bij het Federaal Planbureau, volgens de reglementering op grond waarvan deze werden toegekend."
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 1016bis van het Gerechtelijk Wetboek (van de heer Luc Willems en mevrouw Margriet Hermans; Stuk 3-1803/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de kosten voor het zoeken naar een baan fiscaal aftrekbaar te maken (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1804/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie ter bevordering van e-zorg in België (van de heer Jan Steverlynck c.s.; Stuk 3-1788/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij brief van 6 juli 2006 heeft de vice-eerste minister en minister van Financiën aan de Senaat ter kennisgeving overgezonden, de tekst van de overeenkomst tussen België en Macao tot het vermijden van dubbele belasting, ondertekend op 19 juni 2006.
Deze tekst zal tevens worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën www.fiscus.fgov.be.
Deze Overeenkomst werd nog niet aan de Kamers ter goedkeuring voorgelegd.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 6 juni 2006, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis12, §1, en 259bis18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:
goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 28 juni 2006.
Bij brief van 7 juli 2006, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis14 en 259bis18, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, de nota betreffende de overwegingen over de selectie, de loopbaan en de vorming van magistraten.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 29 juni 2006 heeft de NMBS, overeenkomstig artikel 27, §3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag over het dienstjaar 2005.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij brief van 6 juli 2006 heeft de voorzitter van de Raad voor de Mededinging, overeenkomstig artikel 19, §5, van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag voor 2004.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij brief van 6 juli 2006 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 12 tot 15 juni 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.