4-20

4-20

Belgische Senaat

4-20

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 13 MAART 2008 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verzoekschriften

Nationale Commissie voor de rechten van het kind

Inoverwegingneming van voorstellen

Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), gedaan te Valletta op 16 januari 1992 (Stuk 4-540)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk Thailand inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken;
2º Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Thailand betreffende de overbrenging van gevonniste personen en betreffende de samenwerking in het kader van de strafuitvoering,
ondertekend te Bangkok op 12 november 2005 (Stuk 4-543)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-16)

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 682bis in het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-17)

Voorstel van resolutie betreffende verkrachtingen en seksuele geweldplegingen tegen vrouwen in het oosten van de Democratische Republiek Congo (van mevrouw Miet Smet c.s., Stuk 4-485)

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Zelfstandigen en Landbouw en aan de minister van Werk over «zondagswinkelen aan de kust» (nr. 4-158)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen over «de normen die gelden voor het openbaar vervoer» (nr. 4-163)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Binnenlandse Zaken over «aanwervingen in het kader van gemeentelijke administratieve sancties» (nr. 4-153)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's» (nr. 4-161)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Klimaat en Energie over «de invoer van palmolie uit Colombia en de gevolgen hiervan voor de plaatselijke bevolking» (nr. 4-160)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de minister van Werk over «de berekening van differentiële kinderbijslagen voor Belgische grensarbeiders in Luxemburg» (nr. 4-148)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Justitie over «gedwongen huwelijken» (nr. 4-155)

Vraag om uitleg van de heer Jean-Paul Procureur aan de minister van Justitie over «de overbevolking in gevangenissen» (nr. 4-156)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de minister van Justitie over «de vervolging van bijzitters» (nr. 4-157)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Klimaat en Energie over «het gebruik van waterstof binnen het energieaanbod in België» (nr. 4-159).

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Verzoekschriften

De voorzitter. - De Senaat heeft vier moties ontvangen met betrekking tot de mensenrechten in Birma.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Bij brief van 21 februari 2008 heeft de heer Bruno Van Grootenbrulle, burgemeester van Ath, aan de Senaat overgezonden een motie betreffende de bewustwording over de energieproblematiek.

Bij brief van 21 februari 2008 heeft de heer Bruno Van Grootenbrulle, burgemeester van Ath, aan de Senaat overgezonden een verzoekschrift met betrekking tot de wijziging van het BTW-tarief op de levering van gas en elektriciteit.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Nationale Commissie voor de rechten van het kind

De voorzitter. - Op 19 september 2005 werd tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten een samenwerkingsakkoord gesloten houdende oprichting van een Nationale Commissie voor de rechten van het kind. Dit samenwerkingsakkoord werd goedgekeurd bij de wet van 1 mei 2006.

Artikel 7 van dit samenwerkingsakkoord bepaalt dat de voorzitters van het Federale Parlement en van de parlementen van de gefedereerde entiteiten, indien zij zulks nodig achten, een waarnemer kunnen aanwijzen die de vergaderingen kan bijwonen en aldus een voortgangscontrole kan uitoefenen op de werkzaamheden van de commissie in de verschillende parlementen.

Ik heb de commissie voor de Justitie verzocht een waarnemer voor de Senaat aan te wijzen.

Op 4 maart jl. heeft de commissie voor de Justitie eenparig voorgesteld mevrouw Sabine de Bethune als waarnemer aan te wijzen. (Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Regeling van de werkzaamheden

De heer André Van Nieuwkerke (sp.a-spirit). - Onze fractie heeft een mondelinge vraag ingediend ter vervanging van de vraag van mevrouw Vanlerberghe die blijkbaar door het Bureau werd geweigerd omdat de termijnen niet in acht werden genomen.

Zal die vraag vandaag aan bod komen?

De voorzitter. - Een vraag kan niet worden vervangen door een andere vraag. De vraag die door de sp.a-fractie was ingediend, werd door het Bureau geweigerd. Toen heeft de sp.a-fractie een tweede vraag ingediend, die de minister omstreeks 13.30 uur heeft ontvangen. De minister liet weten dat de vraag niet kon beantwoord worden omdat ze te laat was binnengekomen. Niettemin heb ik er bij de minister op aangedrongen dat hij de vraag toch zou beantwoorden. Of dat ook zal gebeuren, hangt af van de goodwill van de minister.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jacques Brotchi aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het visum van de vzw Mdeon» (nr. 4-198)

De heer Jacques Brotchi (MR). - Artikel 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen verbiedt in het algemeen aan beroepsmensen uit de gezondheidssector premies, voordelen, uitnodigingen of gastvrijheid van een onderneming uit de farmaceutische sector of uit de sector van medische hulpmiddelen aan te nemen.

Overeenkomstig die bepaling moeten farmaceutische ondernemingen die de kosten betalen voor deelname, transport en gastvrijheid verbonden aan een wetenschappelijke manifestatie die minstens één overnachting inhoudt, voorafgaandelijk een visum verkrijgen van de vzw Mdeon. Het doel van de wet is eventuele excessen te bestrijden door de regels betreffende de premies en voordelen te verduidelijken opdat degene die geneesmiddelen of medische hulpmiddelen voorschrijft of aflevert in zijn keuze niet beïnvloed wordt door drijfveren die niets te maken hebben met de objectieve eigenschappen van het medicijn of van de medische hulpmiddelen en met het belang van de patiënt of de maatschappij. Het basisprincipe is een algemeen verbod op premies en voordelen in geld of in natura. Er is evenwel in een hele reeks uitzonderingen voorzien, waaronder `de uitnodiging tot en de bekostiging van deelname aan een wetenschappelijke manifestatie, de gastvrijheid inbegrepen' op voorwaarde dat `de manifestatie een uitsluitend wetenschappelijk karakter heeft, dat met name past in het kader van de medische en farmaceutische wetenschap.'

Van 22 tot 26 april organiseert de Marokkaanse vereniging voor orthopedie in Marrakesh het internationaal congres van de vereniging van Franstalige orthopedisten. Het wetenschappelijk programma loopt elke dag van 8 tot 18 u. Enkel op 24 april, tussen een vergadering van 7 tot 9 u en een vergadering van 17 tot 19 u, worden er nevenactiviteiten gepland.

Mdeon heeft het visum geweigerd omdat er op 24 april slechts vier uur wordt vergaderd. Door die beslissing kunnen verschillende Belgische wetenschappers niet deelnemen aan die manifestatie. Onder hen zijn verschillende assistenten aan het eind van hun opleiding of jonge orthopedisten die hun wetenschappelijke publicatie op het congres zouden voorstellen.

Als burger en senator ondersteun ik de wetgeving ten volle. Het is een uitstekend middel om misbruiken te bestrijden. Als voorzitter van de Wereldvereniging voor neurochirurgie, denk ik dat nevenactiviteiten integraal deel uitmaken van een wetenschappelijke manifestatie. Tijdens conferenties en debatten luisteren de wetenschappers naar de sprekers, maar hebben ze niet de kans ze te ontmoeten of samen met hen over hun ervaringen te spreken. Die nevenactiviteiten bieden jonge wetenschappers overigens de gelegenheid zichzelf en hun onderzoek voor te stellen aan oudere en erkende wetenschapsmensen. Er kunnen banden worden gesmeed tussen verenigingen van verschillende landen en gezamenlijke bekommernissen kunnen worden besproken. Ik heb trouwens op een congres meegemaakt dat door zulke nevenactiviteiten Israëlische neurochirurgen de kans kregen om Palestijnse, Syrische, Libanese of Iraanse neurochirurgen te ontmoeten. Op die manier worden er bruggen gebouwd tussen mensen die misschien ooit de maatschappij zullen veranderen, in het bijzonder in het Midden-Oosten.

Het is ook op zulke momenten dat er bijzondere banden ontstaan tussen universiteiten die beslissen aan een gemeenschappelijk medisch project te werken.

Kortom, enkele uren uittrekken om met elkaar te praten buiten de congreszaal is een zeer goed idee en draagt bij tot het wetenschappelijke belang van een congres.

Ik wil geenszins de wetgeving ter discussie stellen, maar een minder strakke, meer praktische interpretatie, die meer rekening houdt met de aard van menselijke relaties, is wenselijk. Het zou België de kans bieden zijn wetenschapsmensen op het internationale toneel te blijven steunen.

Kan er, om misbruiken te voorkomen, voor het verkrijgen van een visum van Mdeon geen maximale duur voor de nevenactiviteiten worden bepaald?

Mevrouw Laurette Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De vzw Mdeon werd erkend voor de uitreiking van de voorafgaande visa aan bedrijven die de deelnamekosten voor wetenschappelijke congressen die een overnachting inhouden, betalen voor beroepsmensen uit de gezondheidssector. Mdeon en de diensten van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen werken trouwens uitstekend samen op het vlak van de toepassing van de wet.

Wat het congres voor orthopedie in Marrakesh betreft, herhaal ik dat de uitzondering in artikel 10 bepaalt dat het verbod op premies en voordelen niet van toepassing is als de manifestatie een uitsluitend wetenschappelijk karakter heeft en de geboden gastvrijheid strikt beperkt wordt tot het wetenschappelijk doel van de manifestatie. Bovendien mag de plaats geen verwarring doen ontstaan over de wetenschappelijke aard van de manifestatie. Mdeon eist dat in de visumaanvraag het gedetailleerde wetenschappelijke programma van elke dag van de manifestatie wordt opgegeven, zowel op het vlak van de inhoud als van het tijdsgebruik, en een overzicht van de gastvrijheid die aan de gasten wordt geboden.

Volgens de regels die zijn goedgekeurd en worden toegepast door Mdeon, moet de wetenschappelijke doelstelling elke congresdag overheersen om een manifestatie als uitsluitend wetenschappelijk te kunnen beschouwen. Zowel de inhoud van het programma als het tijdsgebruik moeten daarvan blijk geven.

Over het algemeen moet minimum zes uur per dag aan wetenschappelijke activiteiten worden besteed. Daarnaast is er nog tijd voor gesprekken die de deelnemers de kans bieden elkaar beter te leren kennen tijdens nevenactiviteiten.

Mdeon heeft het dossier in kwestie onderzocht. Verschillende elementen rechtvaardigen de weigering van het visum.

De weigering verbiedt de deelname aan de wetenschappelijke manifestatie niet, maar verbiedt enkel dat een farmaceutisch bedrijf of een bedrijf voor medische hulpmiddelen de deelnamekosten draagt.

Ik kan overigens verzekeren dat het principe van transparantie en het ethisch principe Europese regels zijn geworden. Bovendien bevorderen de bepalingen van de Belgische wet de zelfregulering door de geneesmiddelensector, waardoor ze beter worden toegepast en aanvaard door alle partijen.

Het lijkt me dus nuttig de dossiers te kunnen aanpassen zodat kan worden gerechtvaardigd dat die manifestatie een wetenschappelijk doel heeft in overeenstemming met de ter zake geldende regels. Dat zal het wetenschappelijk werk en de gemoedelijke sfeer, die inderdaad moet heersen, mogelijk maken.

De heer Jacques Brotchi (MR). - Ik erken dat misbruiken moeten worden bestreden en ik ben voorstander van een strenge reglementering.

Voor een vergadering van 24 of 48 uur kan inderdaad niet worden aanvaard dat de helft van die vergadering van niet-wetenschappelijke aard is. Voor het congres in kwestie met vier overnachtingen heb ik een snelle berekening gemaakt: tien uur werken per dag gedurende vier dagen, plus vier uur werken op de bewuste dag met nevenactiviteiten - die acht uur duren - dat geeft als resultaat vierenveertig uur werken. Acht uur nevenactiviteiten tegenover achtenveertig uur werken: men kan niet beweren dat dit het wetenschappelijk karakter van het congres aantast.

Het feit dat een congres in het ene of het andere land wordt georganiseerd is geen relevant gegeven om het wetenschappelijk karakter van het congres in kwestie te beoordelen.

Als we in een `ontwikkelingsland' komen, zijn de mensen dikwijls blij te tonen wat ze hebben. Er is een reële vraag van hun kant. Wij vragen zelf niet om toeristische uitstappen.

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «fraude in het kader van de sociale zekerheid» (nr. 4-182)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In De Standaard van 29 februari 2008 lees ik: `De sociale zekerheid in dit land wordt op massale schaal opgelicht. Er bestaat in ons land een maffia die, tegen betaling, duizenden mensen C4's en andere documenten heeft bezorgd waardoor ze werkloosheidsvergoedingen en/of invaliditeitsuitkeringen konden verkrijgen.' Het Laatste Nieuws weet dat de fraude de Staat al 30 miljoen euro heeft gekost en dat het aantal fraudeurs op 10.000 wordt geschat.

De Standaard schrijft voorts: `Dit nieuws heeft nog een zeer pijnlijke kant: onze bronnen bevestigen dat de overgrote meerderheid van de betrokken `werknemers' laaggeschoolden zijn met bitter weinig kansen op de arbeidsmarkt. Dat betekent dat het allochtonen zijn, al zijn velen van hen genaturaliseerd. Dat is koren op de molen van wie een diverse maatschappij afwijst. Dat mag geen reden zijn om de feiten te minimaliseren, wel integendeel.'

Terwijl rechthebbende personen met een handicap onderworpen worden aan een administratieve rompslomp, zowel op fiscaal als op medisch vlak, waarna ze bij de controlearts van het Ziekenfonds of van de FOD Sociale Zaken een medisch controleonderzoek ondergaan, is het nu blijkbaar mogelijk om het statuut van invalide te kopen op de zwarte markt.

Weet de minister hoelang die wanpraktijken al bezig zijn?

Hoe is het mogelijk dat de kruispuntbank van de sociale zekerheid dergelijke fraudezaken over het hoofd heeft gezien?

In hoeverre hebben OCMW's inzicht of medeweten van dergelijke praktijken?

Is dat geen aanslag op het solidariteitsprincipe dat onze sociale zekerheid nastreeft?

Kan de minister cijfers geven over de juiste omvang van de zaak, zowel in Vlaanderen als in Wallonië?

De minister heeft het over een strengere aanpak. Wat zal zij doen om dergelijke misdrijven in de toekomst uit te sluiten?

Mevrouw Laurette Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De pers heeft inderdaad een belangrijk fenomeen van sociale fraude in de belangstelling gebracht. Het moet evenwel onderstreept worden dat die fraude ook in onze buurlanden bestaat.

De fraude werd al in 2005 ontdekt. Dankzij de koppeling van informatie van de RVA, de RJV, de RSZ en de inspectiediensten van de FOD's Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid, is gebleken dat er effectief carrousels met werknemers werden opgezet en dat er diverse vormen van fraude werden gepleegd die vooral de sociale sector raken, maar ook de fiscale en de banksector. Het gaat om een fraude op grote schaal die van dichtbij wordt gevolgd, zowel door de diensten van de sociale inspectie als door de gerechtelijke politie en de parketten.

De OCMW's werden op de hoogte gebracht van de fraude. Het gaat vooral om vormen van fraude die via het arbeidsrecht en de sociale zekerheid verlopen en niet via het recht op maatschappelijke integratie.

Er werden geen statistieken opgesteld per gewest. De frauderende bedrijven verplaatsen immers hun maatschappelijke zetel naar de drie gewesten om de sporen uit te wissen.

Het fenomeen komt zowel in het noorden als in het zuiden van het land voor; zoals gezegd heeft het ook een Europese dimensie.

Er werden meerdere circuits ontdekt. Ze worden nu beetje bij beetje ontmanteld. In de meeste dossiers loopt een gerechtelijk onderzoek en voor sommige is reeds een onderzoeksrechter aangesteld. Einde maart zullen de eerste dossiers naar de rechtbanken worden verwezen.

De betaling van de sociale uitkeringen die in het kader van die dossiers werden toegekend is inmiddels opgeschort; er werden al procedures opgestart om de bedragen te recupereren. Om de verschillende acties te centraliseren en te coördineren werd bovendien een beroep gedaan op de Sociale inlichtingen- en opsporingsdienst, die als opdracht heeft efficiënte strategieën voor fraudebestrijding uit te werken. De dienst houdt zich zowel met de bijdragen als met de uitkeringen bezig.

In het strategische plan 2008, dat de Ministerraad op 29 februari heeft goedgekeurd, wordt bijzondere aandacht aan die dossiers besteed. Alle betrokken sectoren worden tot versterkte samenwerking opgeroepen.

In de programmawet werd onder de titel Sociale Zaken een bijzondere bepaling ingevoegd die ertoe strekt een termijn van drie maanden in te voeren waarover de werknemer beschikt om beroep aan te tekenen tegen een beslissing van verwijdering uit de verplichte ziekteverzekering door de RSZ, zodat die werknemer geen laattijdige betwisting kan indienen terwijl de bijdragen voor de sociale zekerheid reeds verjaard zijn.

Ik volg die dossiers met bijzondere aandacht. Ze brengen immers enorme schade toe aan het solidariteitssysteem, dat mij zeer na aan het hart ligt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Volgens mijn informatie gaat het hier slechts om het topje van de ijsberg. Het is hoog tijd dat statistieken worden opgemaakt. Hoeveel personen in België ontvangen een invaliditeitsuitkering? Over welke groepen gaat het: Belgen, genaturaliseerde Belgen of vreemdelingen? Welk percentage van de aanvragers ontvangt zowel een vervangingsinkomen als invalide als een uitkering van de RVA of de ziekteverzekering? Hoe groot is het aandeel van mensen die een OCMW-uitkering ontvangen en tegelijkertijd een zaak voor de arbeidsrechtbank hebben lopen?

Is de tijd niet rijp voor een grondige doorlichting van alle invaliditeitsuitkeringen die door de ziekenfondsen en de overheid worden uitbetaald?

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over «het proces tot erkenning van het boeddhisme in België» (nr. 4-200)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Deze vraag komt juist op tijd, want maandag is het de Dag van Tibet en dan hebben belangrijke manifestaties plaats in Lhasa. Tibet vormt de kern van een debat, waarvan ik hoop dat het China ooit zal doen bewegen.

De vrienden van de dalai lama en de boeddhisten hebben met genoegen vernomen dat de minister onlangs een wetsontwerp heeft ingediend dat de weg opent voor de erkenning van het boeddhisme in België en dat zestien verenigingen wil aanmoedigen.

Hoe zullen die verenigingen gestructureerd worden? Zal één ervan het leiderschap krijgen? Kan het gaan om een Tibetaans boeddhisme? Het is immers dankzij de structuren rond de dalai lama dat in België stappen konden worden gedaan voor de erkenning van het boeddhisme.

Wat zijn de volgende stappen? Zal de minister bezoeken van boeddhistische vertegenwoordigers toestaan in de rusthuizen en de ziekenhuizen, zoals dat nu al het geval is in Brussel, Antwerpen en zelfs in Luik?

De heer Jo Vandeurzen, minister van Justitie. - Ik zal proberen enkele misverstanden rond de erkenning van het boeddhisme in België op te ruimen.

In 2006 werd bij de federale regering inderdaad een dossier ingediend met het oog op de erkenning van het boeddhisme als niet-confessionele levensbeschouwing.

Een dergelijke erkenning is een complex proces, waarbij rekening moet worden gehouden met verschillende parameters. Aangezien de gemeenschappen daar eveneens bij betrokken zijn, moeten onderhandelingen worden gevoerd om het proces af te ronden.

In het ontwerp van begroting van de FOD Justitie die aan het Parlement moet worden voorgelegd, werd een bedrag van 150.000 euro voorgesteld. Daarmee moet een beperkt secretariaat voor het boeddhisme kunnen worden georganiseerd dat zal instaan voor de follow-up van de onderhandelingen, wat niet betekent dat de erkenning van het boeddhisme al een feit is. In het verleden werd dezelfde weg gevolgd voor andere niet-filosofische overtuigingen, zoals het laïcisme.

Een wetsontwerp met het oog op de definitieve erkenning van het boeddhisme kan maar worden ingediend na afloop van een complex proces, wanneer de onderhandelingen met een bevredigend resultaat zijn afgerond.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik moedig hem aan zo voort te werken. De jongste jaren is het aantal personen dat het Instituut Yeunten Ling in Tihange bezoekt voortdurend toegenomen en die mensen kunnen echt aanspraak maken op vrijheid van filosofische overtuiging.

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie over «het rapport van het Comité tegen rassendiscriminatie» (nr. 4-203)

De voorzitter. - Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, antwoordt.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Op 7 maart publiceerde het UN Committee on the Elimination of Racial Discrimination een voorlopig rapport over België. Daarin wordt niet alleen kritiek gegeven op de Vlaamse wooncode, waarover gisteren in het Vlaams Parlement al heel wat te doen was, maar ook verschillende aspecten van het federaal beleid komen onder vuur te liggen.

Zo wordt in punt 10 van het rapport het ontbreken van een onafhankelijke instelling voor de mensenrechten betreurd. Elders wordt gepleit voor een verbod op specifieke politieke partijen - drie keer raden welke - en wordt er geïnsinueerd dat de federale politie en de Belgische rechters personen van vreemde origine strenger zouden beoordelen. Er zijn klachten over de behandeling van asielzoekers en, zoals verwacht, wordt België ertoe aangezet om de Framework Convention for the Protection of National Minorities te ratificeren. Er zijn in punt 22 ook klachten over de behandeling van de Roma. Kortom, volgens het rapport moet België wel een heel nare plek zijn om te wonen en zouden we ons moeten afvragen wat mensen bezielt om naar een griezelig land als het onze te emigreren.

Het Vlaams Parlement toonde zich gisteren verontwaardigd over het rapport, dat trouwens vol tegenstrijdigheden staat. In punt 15 wordt gezegd dat in sociale woningen te hoge concentraties vreemdelingen wonen en dat de overheid daaraan iets moet doen, maar in punt 16 staat dan dat de Vlaamse wooncode, die deels bedoeld is om dergelijke concentraties tegen te gaan, niet door de beugel kan. Wat we dus ook doen, het is fout.

Niet alleen onze fractie, maar ook vele andere collega's in het Vlaams Parlement vonden het rapport van een kwaliteit die de Verenigde Naties onwaardig is. Uit heel veel details blijkt dat het niet echt professioneel is opgesteld en dat men met weinig kennis van zaken spreekt. Zo wordt Vlaams Blok met ck geschreven. Een dergelijke taalfout verwacht ik in een pamflet van Franstalig extreemlinks, maar wie ervoor pleit een partij te verbieden, moet toch ten minste de naam van die partij correct schrijven. Er wordt gesproken over de Flemish language. Misschien denken Franstaligen dat Vlamingen le flamand spreken, maar we mogen er toch van uitgaan dat de auteurs van een officieel document van de Verenigde Naties weten dat in het noorden van België Nederlands wordt gesproken en geen Flemish.

Dat sterkt ons in onze overtuiging dat de pen bij het schrijven van het rapport is vastgehouden door mensen uit Franstalige hoek. Dat blijkt uit het onvermijdelijke pleidooi om de Framework Convention for the Protection of National Minorities te ratificeren, alsof dat het enige instrument tegen racial discrimination zou zijn.

Ik heb dan ook de volgende vragen.

Welk oordeel heeft de minister over de inhoud van het rapport en welk belang hecht hij eraan? Op welke punten en op welke wijze zal de regering dit rapport trachten bij te stellen? Ik heb begrepen dat het een voorlopig document is en dat de regering nog een jaar de tijd heeft om bij te sturen.

Op welke manier werd de federale overheid betrokken bij de totstandkoming van dit rapport? Dat intrigeert me omdat daarover gisteren heel wat discussie was. Was er overleg tussen het federale niveau en Vlaanderen of de andere entiteiten van de federatie? Minister Keulen verklaarde gisteren in het Vlaams Parlement alleszins dat hij absoluut niet op de hoogte was, terwijl uit documenten blijkt dat er vertegenwoordigers van de Vlaamse en de federale regering aanwezig waren.

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de minister.

Voor alle duidelijkheid, het gaat niet om een rapport van de VN zelf, maar om een periodiek, vierjaarlijks rapport, van het Comité tegen Rassendiscriminatie van de VN.

In het kader van de procedure tot afschaffing van door racisme ingegeven discriminatie werden vragenlijsten naar de Belgische federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten gestuurd.

Op 25 en 26 februari werden in Genève de resultaten van deze enquêtes voorgesteld. Op basis hiervan formuleerde het Comité een aanbeveling over het gehele dossier. De wooncode vormt dus maar één élément daarvan.

De gewesten en gemeenschappen zijn hierbij vertegenwoordigd en kunnen desgevallend bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen geven.

Het departement Buitenlandse Zaken speelt een coördinerende rol op administratief vlak, bijvoorbeeld om een evenwichtige samenstelling van de delegatie te verzekeren.

Inhoudelijk is het van belang erop te wijzen dat het om exclusieve bevoegdheden gaat: elk deelgebied is vertegenwoordigd en handelt op zelfstandige wijze; het beschikt al dan niet over een vertegenwoordiger ter plaatse die belast is met het inwinnen van informatie.

De rapporteur vatte de discussie samen door te verwijzen naar een aantal zeer positieve punten en een aantal knelpunten voor ons land. Het VN-Comité heeft nadien zijn aanbevelingen en zorgpunten geformuleerd. Deze aanbevelingen en zorgpunten zijn geen juridisch bindende uitspraken noch veroordelingen. Het is dus belangrijk ze in de juiste context te plaatsen.

Buiten dit officiële circuit was er ook een gedachtewisseling met de Franstalige Ligue des droits de l'Homme. Hun bevindingen werden als volgt geformuleerd: het was een goed debat, waaruit bleek dat België een voorbeeld voor anderen kan zijn. De Ligue des droits de l'Homme opteerde er wel voor om in de toekomst met de Nederlandstalige Liga en eventueel ook met andere ngo's te overleggen.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Het verbaast me een beetje dat het antwoord gedeeltelijk in het Frans is. Dat zal te maken hebben met het feit dat dit een doorslag is van het antwoord dat in de Kamer zowel aan de Nederlandstalige als Franstalige collega's werd gegeven.

Twee aspecten vallen op. Het rapport is met weinig kennis van zaken opgesteld. De zogenaamde experts stellen vragen over ons land, terwijl ze geen basiskennis hebben van hoe het er hier aan toegaat.

De Ligue des droits de l'Homme is een extreemlinks Franstalig clubje, waarvan de vlag de lading niet dekt. Het is merkwaardig dat deze organisatie een speciaal onderhoud kreeg bij het opstellen van het rapport. De resultaten zijn er ook naar.

Mondelinge vraag van de heer Richard Fournaux aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over «de spoorlijn tussen Dinant en Brussel» (nr. 4-194)

De heer Richard Fournaux (MR). - De pendelaars van het arrondissement Dinant-Philippeville, dat 22 gemeenten telt, hebben het al jaren moeilijk om Brussel te bereiken.

Eerst heeft men ons begrip gevraagd voor de werken in het station van Namen, die veel vertraging veroorzaakten, vooral omdat de reizigers daar moesten overstappen.

De pendelaars van de regio Luik en Hoei konden toen rechtstreeks naar Brussel reizen. Die van ons arrondissement, in het zuiden van de provincie Namen, werden benadeeld. Dinant is nochtans de mooiste stad van België!

Nu zijn de werken in het station van Namen afgelopen, maar toch zijn er nog tal van problemen. Ik heb kennis genomen van brieven van sommige pendelaars aan de directie van de NMBS, waarvan ze trouwe klanten zijn. Ze hebben, in enkele regeltjes, als antwoord gekregen dat wordt nagedacht hoe het dossier kan worden bespoedigd.

Dit kan niet blijven duren. Moeten we wachten tot er een federale minister uit Dinant wordt aangesteld of tot Dinant de hoofdstad van Wallonië of zelfs van de Federale Staat wordt opdat de toestand zou verbeteren?

De meeste pendelaars uit Dinant gaan elke dag naar Brussel en zijn vier uur per dag onderweg, soms voor een loon van amper iets meer dan 1.000 euro! We horen in deze assemblee of elders soms uitlatingen à la Sarkozy, waarin de steun aan de werknemers wordt geprezen. Die steun mag niet beperkt zijn tot de verhoging van de koopkracht en de herziening van de lage lonen, er moet ook meer respect komen voor de mensen die het openbaar vervoer gebruiken, dat weinig vervuilend en energiezuinig is. Dat respect vraag ik vandaag aan de federale regering.

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Ziehier de niet-geneutraliseerde stiptheidscijfers voor de IC M-verbinding Dinant-Brussel, bij aankomst in Brussel-Zuid, van november 2007 tot februari 2008: november 2007: 81,6%, december 2007: 87%, januari 2008: 93,3%, februari 2008: 92,3%.

De treinen op de IC M-verbinding Dinant-Namen-Brussel hebben stiptheidsproblemen gekend na de aanpassing van de uurregeling van december 2007. Die aanpassingen waren nodig in het kader van de werkzaamheden om de lijn 161 tussen Ottignies en Brussel-Luxemburg op vier sporen te brengen. In januari en februari 2008 zijn de stiptheidscijfers duidelijk verbeterd.

Er zijn ook problemen geweest met de samenstelling van verschillende piekuurtreinen op die verbinding, ze werden namelijk ingekort.

De NMBS was zich bewust van de problemen die de reizigers op die verbinding ondervonden en heeft snel gereageerd bij de bevoegde diensten om de situatie te herstellen, vooral tijdens de piekuren. De structurele problemen in verband met de samenstelling zijn nu opgelost.

Het rollend materieel dat op die lijn gebruikt wordt, is overigens hetzelfde als het materieel dat over het algemeen gebruikt wordt op de andere IC-lijnen van het spoorwegnet. De bediening van de lijn 154 Dinant-Namen is gekoppeld aan de bediening van de lijn 125 Namen-Luik. Daarom is specifiek materieel met een eigen aandrijving nodig, dat een koppeling in Namen mogelijk maakt, zodat een groot aantal reizigers kan worden vervoerd.

De komende maanden wordt dat materieel overigens grondig gemoderniseerd om beter tegemoet te komen aan de huidige normen inzake comfort, zoals bijvoorbeeld individuele plaatsen en airco.

Informatie is voor mij een prioriteit. Wanneer het treinverkeer verstoord is, moet de reden van de vertraging worden meegedeeld. De betrokken personeelsleden worden geregeld bewust gemaakt van de kwaliteit van de mededelingen aan de reizigers.

In 2008 zal bijzondere aandacht worden besteed aan de opleiding, de training en de begeleiding van het personeel dat in real time informatie moet verstrekken. Daartoe heeft een werkgroep `interne communicatie IRT - Information in Real Time -' de verschillende communicatiekanalen bestudeerd die moeten worden uitgewerkt.

De heer Richard Fournaux (MR). - Ik dank de minister voor haar antwoord, maar nog belangrijker is dat alle treinreizigers een dergelijk antwoord krijgen. Tot nu toe kregen de pendelaars een totaal ander antwoord van amper enkele lijntjes. Ik dring er dus op aan dat mevrouw de minister vanuit haar bevoegdheid voor de NMBS alle pendelaars een dergelijk antwoord bezorgt.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen over «zijn voorstellen omtrent de nachtvluchten» (nr. 4-202)

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Dat het dossier van de nachtvluchten in Zaventem vroeg of laat opnieuw op tafel zou komen, stond in de sterren geschreven. Een van de voorgangers van de minister heeft dit dossier ooit omschreven met woorden die niet voor herhaling vatbaar zijn, zeker niet in een parlementaire assemblee.

Alvorens mijn vraag te stellen, wil ik duidelijk maken dat ik volkomen begrijp dat de minister niet verantwoordelijk is voor de erfenis die hem is nagelaten en dus ook niet voor de beslissingen die sinds 1999 zijn genomen en die de oorzaak zijn van de problemen die we sindsdien kennen. Door de nachtvluchten boven de noordrand te concentreren heeft de toenmalige minister van Mobiliteit het maatschappelijke draagvlak dat er toen was, ook al was het zeer broos, compleet weggeslagen. Sindsdien zijn we van rechtszaak naar rechtszaak gesukkeld en leven we voor dit dossier een beetje in een systeem van le gouvernement des juges.

Vanochtend konden we in de media alvast enkele krachtlijnen vernemen van de voorstellen van de minister omtrent deze al jaren aanslepende problematiek. Een element daarvan is een verbod op nachtvluchten tussen middernacht en vier uur 's morgens. Ik neem aan dat dit verbod kadert in een globaler plan. De minister zou bijvoorbeeld ook pleiten voor een samenwerkingsakkoord tussen de gewesten inzake de geluidsnormen. Ik moet er de minister toch aan herinneren dat ook de partij waartoe hij behoort, als coalitiepartner van de Brusselse regering mee die bijzonder strenge en in feite onwerkbare geluidsnormen heeft goedgekeurd en nooit iets heeft ondernomen om daar enige versoepeling in te brengen.

Mijn vragen slaan vooral op de manier waarop de minister zijn voorstellen heeft bekendgemaakt. Daar zijn nogal wat furieuze reacties op gekomen, onder andere van de eerste betrokkene bij de nachtvluchten, namelijk het koeriersbedrijf DHL. Daar zou een verbod op nachtvluchten tussen middernacht en vier uur opnieuw meer dan duizend jobs in gevaar brengen. Het eigenaardige is dat we vanochtend van DHL vernamen dat zij van niets wisten. Dat lijkt ons toch al te kras. Als men dergelijke voorstellen op papier zet en men de haalbaarheid ervan wil toetsen, dan zouden in de eerste plaats toch alle betrokkenen moeten worden geconsulteerd. De eerste betrokkene is natuurlijk DHL.

Welke zijn precies de nieuwste voorstellen inzake de nachtvluchten?

Met wie werd tot hier toe hierover overleg gepleegd en wat zijn de reacties?

Heeft de minister al onderzocht welke impact zijn voorstellen zouden hebben op de werkgelegenheid op de luchthaven van Zaventem?

De heer Yves Leterme, vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen. - Daarnet in de Kamer hebben sommige volksvertegenwoordigers uit partijen die tot voor kort regeringsverantwoordelijkheid droegen - in tegenstelling tot mijn partij - zeer kritische bedenkingen geuit. De huidige problemen in verband met de exploitatie van Zaventem, die worden aangevoeld als een onevenwicht tussen het economische belang en de levenskwaliteit, zijn echter niet zozeer de verantwoordelijkheid van mij en van mijn partij, maar eerder van degenen die de voorbije acht jaar verantwoordelijkheid hebben gedragen. Het is nu mijn taak de `klantenservice' te leveren.

Het is mijn ambitie om verantwoordelijkheid op te nemen. Als minister van Mobiliteit had ik evengoed de komende dagen de tijd kunnen laten lopen en na 20 maart de bevoegdheid aan mijn collega overdragen. Ik heb echter geprobeerd de voorbije drie maanden, in samenspraak met de eerste minister, contacten te hebben met zoveel mogelijk betrokkenen, onder meer met sommigen die vandaag zeggen dat ze niet werden benaderd. Ik had ook contact met de bewonersgroepen, die voor het eerst op een systematische manier werden gehoord. Op basis van die veelvuldige contacten en op basis van adviezen van technici, heb ik een voorstel uitgewerkt. Het voorstel bevat negen elementen. Dit voorstel bindt alleen mezelf, niet mijn collega's in het kernkabinet of de Ministerraad, hoewel het er goed werd onthaald.

Zeven elementen uit het voorstel behoren rechtstreeks tot de bevoegdheid van de federale overheid.

Een eerste element is gebaseerd op het koninklijk besluit van 25 september 2003 en houdt exploitatiebeperkingen in die het evenwicht tussen de economische slagkracht van Zaventem en de vraag naar levenskwaliteit niet in het gedrang brengen. We willen proberen een `stille nacht' te bereiken. Daarmee wordt bedoeld enkele opeenvolgende uren in de nacht waarin de geluidshinder minimaal is. Dat betekent niet dat er in die periode geen vliegbewegingen zullen zijn. Landingen, die minder geluidshinder opleveren, zijn zonder beperkingen mogelijk, maar voor het opstijgen worden er beperkingen ingebouwd. Op dat punt komt DHL om de hoek kijken. De voorstellen worden getoetst aan de compatibiliteit met het voortbestaan van de activiteit van DHL vanop Zaventem. Het is nu zaak te onderzoeken hoe, eventueel door een aanpassing van vliegactiviteiten, het voortbestaan van DHL samen met de beperking van de geluidshinder kan worden georganiseerd.

Een tweede voorstel behelst een aanpassing van het baan- en routegebruik tijdens de nacht. Na samenspraak werd er gekozen voor het behoud van de `split night'. Er werd wel gevraagd het tijdstip van de `split' te verlaten.

Het tweede pakket bevat een aantal beperkingen die zowel 's nachts als overdag aan vliegtuigen worden opgelegd. Het dossier Zaventem gaat over veel meer dan alleen nachtlawaai. We willen vandaag ook de geluidsoverlast overdag aanpakken en lagere maximale geluidsquota opleggen dan vandaag. Ook in de overgang van dag naar nacht en van nacht naar dag willen we nuances aanbrengen door het maximaal toegelaten geluidsquotum tussen 21 en 23 uur te verlagen en door de nachtperiode te verlengen van 6 tot 7 uur.

Gezien het economische en logistieke belang van Zaventem zijn onze voorstellen gekoppeld aan een overgangsperiode van vijf jaar, een zogenaamde phasing out, zodat de bedrijven hun vloot kunnen moderniseren en we het technologische dividend van geluidsarme moderne toestellen kunnen innen.

Dat punt realiseren vergt de toepassing van de Europese richtlijn 2230, die bepaalt dat aan dergelijke maatregelen een kosten-batenanalyse moet voorafgaan. Tussen nu en 31 mei moeten we een aantal maatregelen proefondervindelijk evalueren en vervolgens moeten die op grond van de dan afgewerkte kosten-batenanalyse een definitieve vorm krijgen.

Het derde pakket heeft betrekking op de beperking van het aantal nachtbewegingen. Aangezien de Vlaamse regering de milieuvergunning uitreikt, is zij hiervoor als eerste bevoegd.

Mijnheer Van Hauthem, als Vlaams parlementslid weet u dat onder mijn ministerpresidentschap daarover in 2005 een principebeslissing is genomen: namelijk maximaal 15.000 bewegingen waarvan 5.500 of 5.700 vertrekken. Wij vragen dat een plafond zou worden ingevoerd, maar na contacten met de exploitant van Brussels Airport moet ik toegeven dat 15.000 bijzonder krap gerekend is. Het is eigenlijk 15.000 plus de humanitaire en militaire vluchten. Ik stip dat hier aan, maar ken uiteraard zeer goed de historiek van de besluitvorming van de Vlaamse regering.

Ik wens daarover van gedachten te wisselen met de Vlaamse regering.

Het vierde pakket bevat de herziening van de exploitatieprocedures.

Ten eerste heb ik voor de vliegroutes voorgesteld om met technische vertegenwoordigers van Belgocontrol, van Landsverdediging en van het Directoraat-generaal van de Luchtvaart een technische werkgroep samen te stellen die de inrichting en het gebruik van het luchtruim moet coördineren. Op advies van technische experts ben ik gewonnen voor een betere coördinatie tussen Melsbroek en Zaventem, tussen militaire en burgerlijke luchtverkeersleiders. Voor sommigen zou het luchtverkeer vanuit één toren moeten worden geleid zodat de beschikbare capaciteit optimaal kan worden aangewend. Ik ga niet zover, maar ik denk wel dat de technische werkgroep een aantal oplossingen kan formuleren voor onder andere de concentratie van overkruisingen van vertrekroutes, die zoveel als mogelijk dienen te worden vermeden. Ik denk meer bepaald aan de routes die op het baken van Huldenberg zijn gericht.

Ten tweede stel ik voor het baangebruik op zaterdag voor om via de techniek van de NOTAMs die ik heb geërfd van mijn voorganger Renaat Landuyt, een duurzame oplossing uit te werken. Zonder de overlast te willen bagatelliseren stel ik vast dat na enkele maanden NOTAM-beleid het aantal klachten in de regio is afgenomen. Stilaan vormen de experimentele NOTAM-toepassingen de basis voor een meer duurzaam beleid.

Ten derde zullen we voor de daluren op zondag dezelfde techniek toepassen. Uit de talrijke klachten blijkt immers dat mensen de huidige spreiding subjectief als niet billijk aanvoelen.

Ten vierde, tussen nu en 31 mei moeten we een beter evenwicht bereiken, zodat het aantal klachten vermindert. Daarbij dient een maximale windnorm van x knopen te worden vastgesteld, rekening houdend met de zijwinden of de zogenaamde rafales. We zullen aan benchmarking moeten doen en een aantal historische referenties opnieuw bekijken.

Het vijfde element is de juridische zekerheid. Ik herneem de keuze van de vorige regering, die via een federale vliegwet geprobeerd heeft een en ander wettelijk te verankeren. Dat biedt een element van rechtszekerheid in het voordeel van de economische positie van Zaventem en de levenskwaliteit van de burgers.

Een zesde element is het opnieuw activeren van het overlegforum, dat ooit al bestaan heeft en waar vooral de burgemeesters om verzoeken. Ik heb ze allemaal laten horen en voor een groot deel ook zelf ontmoet. Ik voeg daar in mijn voorstel enkele begrippen aan toe, bijvoorbeeld `voorgezeten door een onafhankelijk persoon'. Dat overlegforum moet worden samengesteld uit politiek verantwoordelijken, verantwoordelijken van Belgocontrol, vertegenwoordigers van de luchtvaartmaatschappijen en van de luchthavenexploitant, eventuele vakbondsorganisaties, enzovoort. In het forum moet op een structurele manier overleg worden gepleegd en informatie worden uitgewisseld.

Een zevende element is de oprichting van een intergewestelijk geluidsinstituut. Dat instituut moet de geluidshinder en de strategische cartografie inzake baan- en routegebruik objectiveren, op basis van een methodiek die door iedereen wordt aanvaard. In de vorige regeerperiode was men op dat gebied al ver gevorderd. Ik herinner mij een vergadering van het Overlegcomité waarin men heel dicht bij een algemeen akkoord was gekomen. Ik pleit dus voor de oprichting van dat instituut, dat zal worden beheerd door vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke overheden en door een onafhankelijk persoon moet worden voorgezeten.

Het achtste element van het voorstel is een duidelijke regeling van het toezicht en de handhaving. Het instituut kan een rol spelen bij de vaststelling van overtredingen. Het moet bij de registratie van overtredingen en vooral bij het geven van een gevolg eraan duidelijk zijn dat de gewestelijke milieu-inspecties bevoegd zijn voor de geluidsnormen en dat het DGLV, het Directoraat-Generaal Luchtvaart, bevoegd is voor geluidsquota, routes en de zogenaamde noise abatement procedure, de geluidsbeperkende procedures.

Het laatste en meteen zwakste element van mijn voorstel is dat wij de Vlaamse en Brusselse regering met aandrang zullen vragen tot een harmonisering van de geluidsnormen te komen.

De federale regering neemt haar verantwoordelijkheid ten volle op zich om de economische logistieke rol van Zaventem sterk te houden en tegelijkertijd maatregelen te nemen om de levenskwaliteit van de omwonenden te verhogen. Ze engageert zich op basis van het koninklijk besluit van 25 september 2003, met de oprichting van het geluidsinstituut, een federale vliegwet, enzovoort, maar ze zal de regionale regeringen vragen ook een inspanning te doen. Er is daarover nog geen akkoord bereikt, hoewel wij daar al jaren op wachten. Het gebrek aan harmonisering heeft bijzonder schadelijke gevolgen op economisch gebied. Bedrijven moeten in hun resultatenrekeningen hoge bedragen provisioneren omdat processen-verbaal zijn opgemaakt waarvoor ooit misschien zware boetes zullen moeten worden betaald. Dat is niet de beste maatregel om het internationale prestige van België als investeringsland te versterken. We moeten daar dus een oplossing voor vinden en de gewestelijke regeringen vragen om hun deel van de verantwoordelijkheid op te nemen.

Wat is de huidige stand van zaken? Dit voorstel bindt vandaag alleen mijzelf. Ik was van oordeel dat ik als minister van Mobiliteit mijn verantwoordelijkheid moest opnemen en heb dat gedaan in afspraak met de eerste minister. Er werd een procedure gestart die heel discreet is kunnen verlopen, waarvoor dank aan de collega's in de regering, alle medewerkers en politieke verantwoordelijken, onder wie de burgemeesters, maar ook aan de actiecomités. Sinds gisterochtend ligt er een globaal voorstel op tafel, dat vanmorgen even besproken werd en nu door een technische werkgroep wordt onderzocht.

Ik hoop dat we in de nabije toekomst een evenwicht zullen kunnen vinden en de noodzakelijke beslissingen zullen kunnen nemen, eerst in de federale regering en nadien in het overleg met de gewestelijke regeringen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb daaruit minstens twee zaken geleerd. Als ik tussen de lijnen lees, zou er volgens de minister wel degelijk contact geweest zijn met DHL. Heb ik dat goed begrepen? De minister zegt immers dat er in alle discretie gewerkt is met vele betrokken actoren, ook met actoren die vandaag zeggen dat ze niet werden benaderd.

De heer Yves Leterme, vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen. - Er is geen contact geweest met de directie van DHL. We kennen het businessplan en ook het sociaal plan dat op 1 april in voege treedt. We weten welke slots nodig zijn voor de afgeslankte werking van DHL, maar ik heb rechtstreeks geen contact gehad met de directie van DHL. Dat contact komt er binnenkort.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik vind het toch niet handig dat de minister alle betrokken actoren gedurende een aantal weken rond de tafel brengt om een oplossing te vinden die hij evenwichtig vindt, terwijl één van de rechtstreeks betrokkenen vandaag zegt niet op de hoogte te zijn.

Ik heb ook geleerd dat het niet zou gaan om een volledig verbod van welke vliegbeweging dan ook tussen middernacht en vier uur. Indien dat het geval zou zijn, zouden de vluchten immers wel eens geconcentreerd kunnen worden tussen vier en zeven uur, en dan zijn we eigenlijk geen stap verder.

Ik vind het plan vrij vaag wat het banengebruik en het routegebruik betreft, en ik vraag mij af in hoeverre een billijke spreiding wordt nagestreefd. De Vlaamse regering had een aantal principes in verband met het dossier Zaventem, waar ook wij achter stonden. Op dat punt blijft het plan echter vaag. Het zwakke punt blijven de geluidsnormen, die verschillend zijn in Vlaanderen en in Brussel. CD&V draagt daarin wel duidelijk een verantwoordelijkheid, want die partij maakt sinds de oprichting van het Brussels Gewest deel uit van de Brusselse regering, heeft die geluidsnormen goedgekeurd en heeft, voor zover ik weet, sindsdien in die Brusselse regering niet veel ondernomen om er iets aan te doen. Dat is in het Vlaams Parlement voldoende ter sprake gekomen.

Tot slot wijs ik erop dat degenen die de minister hier nu toejuichen, zich eigenlijk zouden moeten schamen, want het is door hun toedoen dat het gemeenschappelijke draagvlak voor wat dan ook in en rond Zaventem volledig verdwenen is. Dankzij mevrouw Durant zijn er steeds meer actiegroepen ontstaan, tot in Steenokkerzeel. Daar hebben de mensen sinds decennia leren leven met de luchthaven, zij zijn immers als eerste getroffen, en daar is nooit een probleem geweest. Sedert mevrouw Durant alle vluchten heeft geconcentreerd en daar terecht tegen werd geprotesteerd, is uiteindelijk elke oplossing voor iedereen onaanvaardbaar geworden en zijn de actiecomités als paddenstoelen uit de grond gerezen. Dat het gemeenschappelijke draagvlak verdwenen is, is alleen aan mevrouw Durant te wijten.

Mondelinge vraag van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de terugkeer van asielzoekers en illegalen naar de Democratische Republiek Congo» (nr. 4-195)

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Sinds 1998 kostte het conflict tussen verschillende gewapende groepen in de Democratische Republiek Congo (DRC) aan miljoenen mensen het leven. Het dagelijks leven werd voor heel veel Congolezen onhoudbaar: mensen zijn op de vlucht, leven in wanhoop en onzekerheid. Ondanks een overeenkomst tussen de strijdende partijen in 2003, de oprichting van een overgangsregering en de inauguratie van Joseph Kabila anno 2006, blijft het geweld voortduren. Vooral het oosten en het noordoosten van Congo heeft het hard te verduren. President Kabila slaagde er de voorbije jaren niet in de stabiliteit in die gebieden te herstellen. Tijdens de vredesconferentie in Goma van januari 2008, moest hij slikken dat de VN-troepenmacht MONUC de bufferzones overnam in Noord-Kivu, waar de rebellen moeten worden ontwapend.

Moorden, verkrachtingen en andere vormen van geweldpleging zijn vandaag nog steeds schering en inslag. Vooral vrouwen zijn slachtoffer. Seksueel geweld werd een oorlogswapen.

Mensenrechten zijn universeel en ondeelbaar. Mensenrechten zijn altijd, overal en voor iedereen geldig.

Maar in sommige delen van Congo heerst een situatie van totale straffeloosheid. De schaal waarop en de wreedheid waarmee verkrachtingen en seksuele geweldplegingen in Oost-Congo gebeuren, zijn ongezien. Zowel milities, gewapende groeperingen, het regeringsleger als de politie maken zich permanent schuldig aan wreedheden. De reactie van de internationale gemeenschap blijft beperkt en is weinig doeltreffend, ondanks de aanwezigheid van de MONUC-troepen.

Het voorstel van resolutie betreffende verkrachtingen en seksuele geweldplegingen tegen vrouwen in het oosten van de Democratische Republiek Congo van de senatoren Smet en de Bethune waarover vandaag in de plenaire vergadering wordt gestemd, is een stap in de goede richting. Nu moeten ook concrete daden volgen.

Ondertussen blijft de Dienst Vreemdelingenzaken Congolezen uitwijzen. Momenteel bevinden zich naar schatting 3.000 à 7.000 vluchtelingen en asielzoekers uit de DRC op het Belgische grondgebied.

Vorig jaar waren er volgens onze bronnen 716 asielaanvragen uit de DRC. Dat is bij benadering 6,4% van het totale aantal aanvragen van vorig kalenderjaar.

In 2007 werden 70 asielzoekers uit de DRC gerepatrieerd, 107 werden erkend.

In januari 2008 werden een twintigtal beslissingen van vrijheidsberoving van Congolese asielzoekers genomen. Momenteel zouden er in de gesloten asielcentra een veertigtal Congolese asielzoekers wachten op een verdict.

Het merendeel van de asielzoekers uit de DRC beweegt zich illegaal op Belgische bodem. Die mensen hebben geen werk, geen inkomen, geen steun. Hun leven speelt zich af in de illegaliteit en de anonimiteit.

Kan de minister bovengenoemde gegevens bevestigen?

Kan hij ons ook iets zeggen over de toestand in de regio van de Congolezen die worden uitgewezen?

Is de minister bereid een moratorium in te stellen op de uitwijzing van vluchtelingen en asielzoekers uit probleemgebieden in de DRC en tevens werk te maken van de regularisatie van mensen zonder papieren die afkomstig zijn uit de probleemgebieden in de DRC, gelet op de uitzichtloze situatie die al jaren aansleept?

De heer Patrick Dewael, minister van Binnenlandse Zaken. - De aangehaalde cijfers zijn correct. De situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo is hartverscheurend. De mensonterende toestanden verdienen onze volledige en toegewijde aandacht.

In België zijn er echter heel weinig asielzoekers uit die streek. Het overgrote deel van de Congolezen die in België asiel aanvragen, behoren tot etnische groepen afkomstig uit het westen en uit Kinshasa. Zij worden meestal gedreven door economische motieven. In dat deel van Congo is de situatie overigens stabiel.

Een moratorium op de verwijderingen instellen is geen optie. Dat brengt niet alleen de rechtszekerheid in het gedrang, maar zou ook onrechtvaardig zijn ten aanzien van diegenen die wel de verwijderingsbeslissingen hebben nageleefd. Bovendien hebben mijn diensten enorme inspanningen geleverd met betrekking tot de Congolese migratie. Er werd niet alleen preventief gewerkt, bijvoorbeeld in bewustmakingscampagnes ter plaatse, maar ook organisatorisch, bijvoorbeeld in de opleiding van de Congolese grenspolitie. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft bijgevolg goede contacten met de Congolese immigratiediensten opgebouwd. Een immigratieambtenaar is geregeld ter plaatse om de situatie te evalueren.

Regularisatieaanvragen worden steeds geval per geval behandeld. De enkele vluchtelingen die uit het oosten van de DR Congo afkomstig zijn, worden meestal erkend als vluchteling of voldoen aan de regularisatiecriteria.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Ik stel de inspanningen van de diensten van de minister bijzonder op prijs.

Ik wil er wel op wijzen dat de situatie verschrikkelijk is in vooral het oosten en het noordoosten van Congo maar dat er grote problemen zijn in heel Congo. De vier tot vijf miljoen vluchtelingen zitten niet alleen in het oosten en het noordoosten van het land.

Dat asielzoekers vooral gedreven worden door economische motieven, strookt niet met mijn ervaringen. Ik heb de jongste maanden met veel Congolezen gesproken die asiel aanvragen om politieke en humanitaire redenen en niet zozeer om economische motieven.

De heer Patrick Dewael, minister van Binnenlandse Zaken. - Iemand die asiel aanvraagt en zich aldus beroept op de conventie van Genève, roept uiteraard geen economische motieven in. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat het wel degelijk om economische redenen gaat. Maar ik herhaal dat het aantal aanvragen uit het oosten van Congo al bij al heel beperkt blijft.

Mondelinge vraag van de heer Filip Anthuenis aan de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie over «de financiering en statistieken van het REAB-programma en de reïntegratiefondsen» (nr. 4-186)

De heer Filip Anthuenis (Open Vld). - De programma's voor de vrijwillige terugkeer van vooral politieke vluchtelingen richten zich tot drie categorieën van migranten: de asielzoekers die hun asielaanvraag hebben ingetrokken, de asielzoekers wier aanvraag werd verworpen en alle migranten van buiten de Schengenruimte die geen erkend politiek vluchteling zijn, die ten laste van de Belgische regering zouden kunnen vallen en die naar hun land van herkomst willen terugkeren. Tot de derde categorie hoorden oorspronkelijk de illegalen, de mensen die geen asielprocedure wensten op te starten.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden van de Senaat heeft onlangs een hoorzitting gehouden met afgevaardigden van de Internationale Organisatie voor migratie, IOM, die de programma's begeleiden en beheren. Die afgevaardigden hadden zelf graag nog enkele punten uitgeklaard gezien. Zo brengen de statistieken nogal wat eigenaardige fenomenen aan het licht. Een kwart van de personen die vrijwillig terugkeert, heeft de Braziliaanse nationaliteit, terwijl bij de asielzoekers nauwelijks Brazilianen te vinden zijn. Het moet toch de bedoeling zijn dat de middelen gaan naar de mensen die ze nodig hebben en voor wie de programma's oorspronkelijk bedoeld zijn.

Hoe worden de twee nieuwe fondsen gefinancierd? Hoeveel werd uitgegeven in 2007 en hoe groot is het budget voor 2008?

Hoe zijn de personen die een beroep op een van de fondsen doen, over de drie categorieën verdeeld?

Wordt ook nagegaan hoe de personen die een beroep doen op het programma, de EU en de Schengenzone zijn binnengekomen?

Is er een verklaring voor de uitschieters in de statistieken? Ik heb het voorbeeld van Brazilië al gegeven, maar ook uit Mongolië en Slowakije komen veel kandidaten.

Hoeveel ex-studenten deden in de afgelopen vijf jaar een beroep op het programma? Ik heb het gevoel dat ook heel wat studenten van de programma's gebruik proberen te maken, wat toch niet de bedoeling was?

De IOM vraagt zelf om enkele aspecten op te helderen. Heeft het departement van de minister al initiatieven genomen of zal het dat in de toekomst doen?

De heer Christian Dupont, minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie. - Het financieringsmechanisme biedt de organisaties, de IOM of de ngo's, de mogelijkheid om een geïndividualiseerd reïntegratieproject voor te stellen. Fedasil moet dat project goedkeuren. Vervolgens zullen de extra middelen bij het REAB-programma ter beschikking van de organisatie worden gesteld om het project te concretiseren. Het maximumbedrag bedraagt 700 euro per persoon en 1.750 euro per dossier. Dat bedrag komt bovenop de premie van 250 euro per persoon voor de eenvoudige vrijwillige terugkeer.

In 2007 werd op het fonds Reïntegratie en het fonds Kwetsbare Personen 132.000 euro aan kosten aangerekend. Dit bedrag is slechts een aanwijzing, want bepaalde facturen moeten nog in de loop van het eerste semester van 2008 worden betaald.

Hoe zijn de personen die een beroep doen op één van de fondsen verdeeld over de categorieën van het programma? Op het reïntegratiefonds hebben 483 personen een beroep gedaan, of 18% van de personen die vrijwillig terugkeerden. Twee derde van deze personen waren asielzoeker of uitgeprocedeerde asielzoeker.

Het beleid inzake vrijwillige terugkeer maakt het als dusdanig niet mogelijk de migratiestromen naar België te analyseren. Voor deze gegevens verwijs ik naar mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Voor Rusland en Oekraïne merk ik een sterke correlatie tussen de evolutie van het aantal asielaanvragen en het aantal personen dat vrijwillig terugkeert. De mensen die vrijwillig terugkeren naar Brazilië, Mongolië en Oekraïne zijn vooral mensen uit categorie C, dus mensen zonder administratief spoor of illegalen.

IOM werkt aan een onderzoek naar het profiel van de Braziliaanse remigranten, maar er zijn nog geen resultaten. Het is geen heel recent fenomeen. Zelf ben ik met het IOM naar Oekraïne gereisd. Ik heb er vastgesteld hoe moeilijk het is om vrijwillige terugkeer op te zetten, maar blijkbaar werkt het.

Over het aantal ex-studenten kunnen we geen cijfers geven, want de antecedenten van de personen worden niet nagetrokken. ledereen die illegaal op het grondgebied verblijft, kan van het programma gebruik maken en dat is ook de bedoeling.

We zijn bezig met de evaluatie van de eerste fase van het reïntegratieprogramma, gebaseerd op de verslagen die de service providers, de organisaties die ondersteuning hebben geboden, eind februari hebben ingediend. Ik verwacht de definitieve evaluatie zeer binnenkort.

De heer Filip Anthuenis (Open Vld). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. Ik heb begrepen dat ook hij erkent dat er onduidelijkheden zijn en dat hij die laat onderzoeken. Het is inderdaad niet normaal dat bijna 30% van de personen die vrijwillig terugkeren, van Braziliaanse afkomst is. Ik hoop dat de Senaat snel de resultaten van het onderzoek krijgt.

Mondelinge vraag van de heer Marc Verwilghen aan de minister van Klimaat en Energie over «de ombudsdienst voor energie» (nr. 4-190)

De heer Marc Verwilghen (Open Vld). - Bij wet van 16 maart 2007 hebben we de gas- en elektriciteitswet gewijzigd, niet om, zoals in de wet van 1999 was bepaald, binnen de CREG een ombudsdienst op te richten, maar wel om een afzonderlijke, autonome ombudsdienst voor energie in het leven te roepen.

Over deze wetswijziging zijn heel wat discussies gevoerd, ook onder de minister van Energie die mij voorafging. Toen ik in de zomer van 2004 minister werd, beschouwde ik dit als een van de prioriteiten. We moesten echter adviezen inwinnen bij de Raad van State en daardoor kon de Ministerraad het wetsontwerp pas in juli 2006 goedkeuren. Gelijktijdig met de goedkeuring van dit ontwerp keurde de Ministerraad, om geen tijd te verliezen, drie andere zaken goed: een koninklijk besluit betreffende de ombudsdienst voor energie, het opstarten van de SELOR-procedure en de beschrijving van het profiel van de leden van de ombudsdienst.

Niemand kon voorspellen dat de regeringsonderhandelingen zo lang zouden aanslepen. Daardoor liep de publicatie van het koninklijk besluit meer dan zes maanden vertraging op. Het verheugt me dan ook dat het koninklijk besluit uiteindelijk op 12 februari 2008 werd gepubliceerd.

Werden de uitgangspunten van de wet behouden?

De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de kandidaat-leden worden opgeroepen om hun kandidatuur in te dienen bij de bekendmaking van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad. Is dit inderdaad gebeurd?

Werd de SELOR-procedure opgestart? Zo nee, wanneer zal dit gebeuren?

Binnen welke termijn zullen de ombudsmannen of -vrouwen worden aangesteld?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Het dossier voor de vacatures werd opgemaakt en overgemaakt aan SELOR, die zal overgaan tot de nodige publicaties, niet alleen op haar website en via de pers, maar ook, zoals voorzien in de wet, via een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

De publicatie zal volgende week gebeuren.

Afhankelijk van de juiste datum van publicatie kan dan gestart worden met de procedure van indienstneming, zodat SELOR eind april of begin mei de meest geschikte kandidaten zal voorstellen en kan worden overgegaan tot de aanduiding van de ombudsmannen of -vrouwen.

De heer Marc Verwilghen (Open Vld). - Ik dank de minister voor het antwoord. De minister wil even krachtig optreden als wij. Geruststellend is dat deze ombudsdienst misschien nog voor de zomer van start zal kunnen gaan.

Mondelinge vraag van mevrouw Marleen Temmerman aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het verminderen van de budgetten voor de indirecte ontwikkelingssamenwerking» (nr. 4-196)

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de verhoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking en de voor de ngo's ongunstige verdeling ervan» (nr. 4-197)

Mondelinge vraag van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de financiële middelen voor de indirecte ontwikkelingssamenwerking» (nr. 4-199)

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het budget voor Ontwikkelingssamenwerking» (nr. 4-201)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het budget voor Ontwikkelingssamenwerking» (nr. 4-205)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Ik ben echt ontgoocheld. Terwijl de minister aankondigt het budget voor Ontwikkelingssamenwerking met 28% te zullen verhogen, worden alle organisaties die zich bezighouden met indirecte samenwerking, bij DGOS uitgenodigd voor een informeel gesprek over besparingen in eerder aangegane verbintenissen.

De VLIR-UOS (de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Universitaire Ontwikkelingssamenwerking) ziet zijn budget voor 2008 met 3.360.000 euro verminderd. Dat is gelijk aan 15% van het globale budget van VLIR-UOS. Tot overmaat van ramp wordt het overgrote gedeelte, namelijk 2 miljoen euro, geschrapt uit het extra budget beloofd zowel aan de VLIR-UOS als de CUD - of de Commission de Coopération universitaire au Développement. Hoe goed ook, de belofte om extra middelen uit te trekken voor de strijd tegen seksueel geweld in Oost-Congo mag niet ten koste gaan van de good practices, zijnde de verbintenissen tegenover de VLIR-UOS.

Ook de vele Belgische ngo's en hun partners wacht eenzelfde besparingslot. Ze moeten 1% inleveren van wat hun tijdens de beleidsdialogen was toegezegd. Ze moeten het doen met 3 miljoen euro minder. Bovendien werd voor de nieuwe programma's voor 2008 slechts in 87 miljoen voorzien. Dat is veel te weinig om de aangegane engagementen na te komen. Het aangevraagde budget is gebaseerd op een realistische schatting en op de echte noden. De administratie heeft eerder meegedeeld dat dergelijke budgetten voorhanden waren.

Kloppen de aangehaalde cijfers inzake budgetvermindering van de VLIR-UOS en de ngo's? Is de minister bereid de precieze cijfers van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking 2008 mee te delen, samen met de bedragen van de diverse allocaties, en andere gegevens die een vergelijking met voorgaande jaren mogelijk maken?

De minister klopt zich op de borst en beweert dat zijn budget met 28% stijgt. Hij maakt daarbij echter een foute vergelijking. Hij vergelijkt namelijk de uitgaven van vorig jaar met de begroting van dit jaar, in de plaats van begroting met begroting te vergelijken. Zijn budget groeit niet met 28%. Eind vorig jaar werd 40 miljoen euro overgeheveld naar het departement Financiën. Daarenboven werd het ankerprincipe toegepast. De begroting van 2007 bedroeg 0,50% van het bnp, maar strandde op 0,43%. Kan de minister verduidelijken waar precies vorig jaar werd gesnoeid? Welke gevolgen had dat voor de opmaak van de begroting voor 2008? Hoe wil de minister garanderen dat dit scenario zich niet herhaalt?

In zijn communicatie met de pers heeft de minister reeds aangegeven dat de stijging van de begroting grotendeels te maken heeft met de juridische verplichtingen van België tegenover de internationale instellingen. Volgens zijn eigen berekeningen zijn die goed voor 214 miljoen euro, waardoor er weinig ruimte overblijft voor politieke keuzes. Maar ondanks die kleine manoeuvreerruimte kiest de minister ervoor om voor de `gedelegeerde samenwerking' 19,5 miljoen uit te trekken. Ondanks het internationale discours over harmonisering van de hulp, is het zonder wettelijk kader uitgetrokken budget niet gering en gaat het ten koste van de indirecte samenwerking. Kan de minister verantwoorden waarom de indirecte samenwerking, ondanks eerder gemaakte afspraken en beloftes en ondanks het voorgestelde groeipad, wordt benadeeld en waarom de nieuwe programma's van de ngo's in het gedrang komen?

Kan de minister de verdeelsleutel verduidelijken voor de 1%-vermindering ten nadele van de ngo's? Zijn daarover al voorstellen gedaan door de sector zelf? Zo ja, hoe zien die eruit en hoe worden ze door de minister beoordeeld?

Voor de nieuwe programma's wordt in de begroting 2008 slechts 87 miljoen uitgetrokken. Is de minister bereid om, uit respect voor de aangegane engagementen tijdens de beleidsdialogen, de ordonnantie 2008 voor de basisallocatie van de programma's met minstens 12 miljoen te verhogen, zodat tenminste dit jaar volledig volgens plan kan verlopen?

Kan de minister verantwoorden waarom de organisaties van de indirecte samenwerking elk afzonderlijk werden uitgenodigd, terwijl de koepels volledig werden genegeerd? Waarom nodigt de minister de koepels niet uit die namens de ngo's kunnen optreden?

Vanuit de sector duikt ook meermaals de vraag op of de minister bereid is om in de eerste plaats met de actoren van het werkveld te communiceren, in plaats van eerst met de media te communiceren. Kan de minister aan deze vraag van het middenveld voldoen?

Is de minister bereid een open debat met correcte cijfers te organiseren over de verdeling van de middelen van ontwikkelingssamenwerking?

Toen ik de minister in januari mocht vergezellen op zijn blitzbezoek aan Afrika, had ik goede hoop voor de ontwikkelingssamenwerking. Vandaag ben ik ten zeerste ontgoocheld als ik zie dat zijn beloften en engagementen tegenover de indirecte samenwerking niet meer worden gehonoreerd.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Mijnheer de minister, u verklaarde op 11 maart 2008 dat het budget 2008 voor het departement Ontwikkelingssamenwerking met ongeveer 28% zou stijgen, wat een verhoging met bijna 146 miljoen euro zou betekenen. Honderd miljoen daarvan zou gaan naar multilaterale hulp, meer bepaald naar het IMF en de VN-agentschappen; veertig miljoen euro zou gaan naar directe bilaterale samenwerking. Wat de indirecte bilaterale samenwerking betreft, lijkt het voorziene bedrag geen rekening te houden met de substantiële uitbreiding van de projecten. Er zou ongeveer twaalf miljoen euro ontbreken voor de driejaarlijkse programma's 2008-2010. Uw voorgangers hebben nochtans formele engagementen aangegaan die door de ngo's werden bevestigd.

Zoiets is moeilijk aanvaardbaar en kan worden beschouwd als een ontkenning van formele verbintenissen. Die beslissing zal ook zware gevolgen hebben voor ontwikkelingsprogramma's die pas zijn opgestart.

Zo zal bijvoorbeeld de VLIR, de Vlaamse tegenhanger van APEFE, Association pour la promotion de l'éducation et de la formation à l'étranger, voortijdig een einde moeten stellen aan een opleidingsproject in de DRC. Dat staat volledig haaks op wat u dinsdag hebt verklaard over de oriëntaties van de regering die een steviger, permanent engagement voorstaan, in het bijzonder in de regio van de Grote Meren, en getuigen van de wil om tot een doeltreffend resultaat te komen.

Kan de minister verduidelijking geven over de aan de ngo's opgelegde budgettaire beperkingen? Welke maatregelen zullen worden genomen om de voorheen formeel aangegane verbintenissen na te komen?

Hoe zijn de onderhandelingen tussen de overheid en de ngo-sector over de uitwerking van de meerjarenplannen verlopen? Welke cijfers werden genoemd en aanvaard om tegemoet te komen aan de financieringsbehoeften van die meerjarenprogramma's?

Hoe wordt de nieuwe begroting van uw departement juist verdeeld? Waaraan worden de middelen besteed? U verklaarde immers dat de schuldkwijtschelding slechts 3% zou bereiken tegenover 15% in 2007. Heeft die beslissing gevolgen voor de maatregelen voor schuldverlichting die de Belgische regering heeft genomen?

De heer Georges Dallemagne (cdH). - De indirecte ontwikkelingssamenwerking via de ngo's en andere niet-gouvernementele partners vormt een essentiële pijler van het Belgische ontwikkelingsbeleid. Voor cdH is dat zeer belangrijk.

In het kader van het huidige begrotingsdebat en na contacten met de minister hebben sommige ngo's ons gemeld dat hun huidige financiering waarschijnlijk met 10 tot 12% wordt ingekrompen, in ieder geval wat de ordonnanceringskredieten voor 2008 betreft. Uit een persmededeling blijkt dat de minister formeel de geruchten over de vermindering van het budget voor de ngo's ontkent. Volgens die mededeling zal dat budget met 5,7% toenemen voor toezeggingen voor 2008-2010 en met 3,9% voor ordonnanceringen in 2008.

Aangezien het nog maar om voorstellen gaat, willen we de minister niet aan de kaak stellen, maar toch willen we graag enkele verduidelijkingen.

Sinds zijn aantrede op Ontwikkelingssamenwerking heeft de minister geregeld verklaard dat hij het werk van zijn voorganger zou voortzetten. Op de website van Ontwikkelingssamenwerking kan men trouwens het volgende lezen: We zullen over de begroting 2008 voor Ontwikkelingssamenwerking moeten onderhandelen met het doel om er al in 2008 naar te streven de ambitieuze doelstelling te bereiken om 0,7% van het bbp te bereiken tegen 2010. Het is des te meer belangrijk dat wij in het eerste trimester van 2008 de financieringsbeslissingen van de meerjarenprogramma's (3 of 5 jaar) moeten afronden van de 58 ngo's die door de vorige regering werden erkend.

Overigens zijn niet alleen de ngo's ongerust. Onder meer de universitaire samenwerking, Africalia, het Museum van Tervuren en het Instituut voor tropische geneeskunde zijn eveneens bang hun financiering te zien dalen. Ze hadden zich nochtans allemaal geschikt naar de eisen van de vorige regering die hun vroeg met meerjarenplannen te werken. Ze hebben daarop lang gewerkt met hun lokale partners. Ze hebben een audit ondergaan en het budget voor die nieuwe driejaarlijkse programma's voorzag in een verhoging van de ordonnanceringskredieten met 12 à 13% voor 2008. Het is redelijk dat die programma's in het jaar dat ze van start gaan, iets hogere kredieten krijgen teneinde een aantal uitgaven te financieren op het vlak van logistiek, installatie en eventuele werkzaamheden.

Kan de minister bevestigen dat hij dit logisch, verantwoord schema, dat beantwoordt aan de debatten die de jongste jaren met de actoren van de indirecte ontwikkelingssamenwerking werden gevoerd, zal respecteren?

In 2007 vertegenwoordigde de multilaterale samenwerking 38% van de ordonnanceringskredieten van de begroting van ontwikkelingssamenwerking, terwijl de niet-gouvernementele samenwerking 22% bedroeg. Zal de minister deze verdeling wijzigen? Zo ja, in welke mate en om welke redenen?

Het is de gewoonte dat bij de begroting een gedetailleerde `solidariteitsnota' wordt bijgevoegd die een soort vademecum is om de begroting correct te begrijpen. Zullen wij die nota ontvangen?

Deze week verklaarde de minister in de commissie dat het grootste deel van de verhoging van de begroting met 240 miljoen ten opzichte van 2007 dient om juridische verplichtingen na te komen, dat wil zeggen schulden.

Wat zijn die verplichtingen? Over welke organisaties, bedragen en periodes gaat het? Gaat het om schulden van 2007 of van 2008? We moeten weten of de reële stijging van het budget van ontwikkelingssamenwerking op die manier niet zal wegsmelten.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik heb enkele vragen in verband met het budget voor 2008 en in verband met de beleidsprioriteiten van de minister.

De minister spreekt in de pers van een stijging van het budget met 28% ten opzichte van 2007. Hij vergelijkt echter met de uitgaven van 2007 - en niet met de begroting van 2007 - en dat is een groot verschil. Eind vorig jaar werd immers nog 40 miljoen euro weggeplukt van de middelen van DGOS, bovenop het ankerprincipe. Dat kan in 2008 dus evengoed opnieuw gebeuren.

In de kleine beleidsruimte die overblijft na de juridische internationale verplichtingen kiest de minister vooral voor directe bilaterale en multilaterale samenwerking. Hij doet ook een voorafbetaling van 97 miljoen euro aan de Wereldbank, hoewel dat juridisch niet nodig is. Dat lijkt ten koste ten gaan van politieke engagementen ten opzichte van de indirecte actoren.

Het bericht circuleert dat de minister de indirecte actoren een voor een bij DGOS laat roepen om te bekijken waar ze in hun programma's gaan snoeien. Die procedure werd overigens niet met de sector besproken.

Uit de voorlopige raming van de verdeling van de budgetten voor de jaren 2009 tot 2011 blijkt een duidelijke verhoging van de gouvernementele samenwerking, zoals de gedelegeerde samenwerking, en van de begrotingshulp, maar slechts een zeer beperkte stijging voor de indirecte actoren.

Nochtans is over gedelegeerde samenwerking nog heel wat onduidelijkheid en is er dus nog een ernstig parlementair debat nodig.

Daarin moeten onder meer de volgende vragen aan bod komen.

In welke omkadering voorziet de minister voor de gedelegeerde samenwerking? Op basis van welke criteria worden de agentschappen waarnaar gedelegeerd wordt, momenteel gekozen? Hoe gebeurt de opvolging daarvan? Welke omkadering krijgt de BTC om zelf als een uitvoerend agentschap voor andere donoren op te treden?

Ook over de begrotingshulp is een ernstig debat vereist, voordat een zo grote stijging van het budget voor die post wordt doorgevoerd. Hoe is het grote verschil tussen de begroting 2007 en de werkelijke uitgaven te verklaren? Heeft de minister garanties dat in 2008 het budget daadwerkelijk zal worden gebruikt voor ontwikkelingssamenwerking?

Waarom kiest de minister voor een voorafbetaling aan de Wereldbank van 97 miljoen?

Klopt het dat de indirecte actoren bij DGOS moeten passeren met op de agenda het snoeien in hun programma's?

Is het de intentie van de minister om in de toekomst minder prioriteit te geven aan de indirecte actoren ten opzichte van de andere pijlers van ontwikkelingssamenwerking?

Op welke manier gaat hij het overleg met de indirecte actoren op een betere manier organiseren?

Plant de minister een debat in het Parlement over het kader voor gedelegeerde samenwerking en over begrotingshulp?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Namens mijn fractie val ik volmondig vorige sprekers bij.

Het goede nieuws van begin deze week over de aangroei van de begroting van ontwikkelingssamenwerking in 2008 tot 0,5% van het bruto nationaal inkomen - een aangroei die we overigens al onder de tweede paarse regering hadden moeten bereiken -, wordt meteen bedorven door de mededeling dat de bevoegde administratie en de minister wensen terug te komen op hun gegeven woord aan de partners van de indirecte ontwikkelingssamenwerking.

Het is niet het ogenblik om de begroting te bespreken - ik beschik trouwens niet over de cijfers -, maar naast allerhande geruchten verneem ik wel dat de partners van de indirecte actoren en de ngo's door de administratie worden uitgenodigd voor bilaterale gesprekken over het downsizen van de begroting voor het meerjarenprogramma dat al op 1 januari 2008 van start had moeten gaan.

Mijn fractie is hierdoor geschokt. De ngo's die hebben deelgenomen aan het overleg en de dialoog met de administratie over het beleid en over de aanpassing eraan van hun programma's, zijn er te goeder trouw van uitgegaan dat de continuïteit van hun programma's verzekerd was.

Ten aanzien van de andere indirecte actoren houden we er dezelfde logica op na. Ik denk aan het Tropisch Instituut, het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, de universitaire samenwerking en aan het volledige middenveld.

Als het goede nieuws over meer beschikbaar geld klopt, dan mogen we van een bestuur dat respect heeft voor het middenveld, verwachten dat het dat middenveld in de extra gelden zal laten delen. In mijn ogen moet overigens voorrang worden gegeven aan een inhaalbeweging ten gunste van de indirecte actoren. Onze ngo's verdienen die erkenning. Ze moeten zich kunnen specialiseren en professionaliseren zodat ze meer kwaliteit kunnen bieden. Instellingen als het Tropisch Instituut en andere verdienen het zich te handhaven aan de wereldtop en ze kunnen dat alleen als ook in de toekomst de daartoe vereiste extra budgetten worden vrijgemaakt.

Als we, nu de begroting aangroeit, een tegengesteld signaal geven, krijgt het middenveld de indruk dat het wordt miskend als indirecte speler.

Aangezien de minister de actoren uitnodigt om hun begroting 2008 vooralsnog aan te passen, kunnen we niet wachten tot de begroting wordt ingediend bij het Parlement om de discussie erover ten gronde te voeren.

Omdat de minister de discussie met gesloten deuren voert, zien de partners zich verplicht het debat op de publieke plaats te voeren, waar ze hun argumenten kunnen laten gelden. Het is dan ook niet meer dan normaal dat hun politieke partners zich vandaag reeds over de aanpak en de grond van de zaak uitspreken.

Ik hoop dat onze mening wordt gehoord en dat de minister in een open en constructieve dialoog tot het besluit zal komen dat ook deze ontwikkelingspartners waardering verdienen en groeikansen moeten krijgen.

Kan de minister ons bevestigen dat hij de politieke engagementen ten opzichte van de indirecte actoren zal kunnen nakomen?

Kan hij ons zeggen op welke manier hij de dialoog met de koepels zal voeren? Ik hoop dat hij dat op een globale wijze zal doen met heel de sector, in plaats van bilateraal met de verschillende ngo's afzonderlijk.

Wat is zijn visie op de rol van de indirecte actoren in de ontwikkelingssamenwerking en welk belang krijgen ze in de toekomst? Kan hij ons vooral bevestigen of de juridische engagementen die hij inroept voor de 213 miljoen euro wettelijk zijn? Over welke engagementen gaat het? De minister heeft vorige dinsdag in de plenaire vergadering van de commissies Buitenlandse Zaken van Kamer en Senaat in het Egmontpaleis zelf bevestigd dat hij in de begroting voor 2008 een bedrag van 20 miljoen euro zou inschrijven voor gedelegeerde hulp en voor budgethulp en 40 miljoen euro voor nieuwe posten. Als ik mij niet vergis, was er in 2007 slechts voorzien in 7 miljoen euro voor elk van die posten. Ik kan me niet voorstellen dat al die bedragen juridisch vastliggen en dat een interim-regering het risico zou hebben genomen om dergelijke bedragen zonder de dekking van het Parlement vast te leggen voor nieuwe vormen van hulp waarvoor nog geen wettelijke basis bestaat.

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Dit is een surrealistisch debat. Hier worden elementen naar voren gebracht die mij verbazen. Ik zal trachten de verschillende vragen zo nauwkeurig mogelijk te beantwoorden.

Het debat zelf over de begroting zal worden gevoerd in het Parlement, het normale democratische kader.

Ik begin met de cijfers. In 2007 bedroegen de realisaties 866 miljoen euro. In de begroting 2008 zijn de middelen met 243 miljoen euro verhoogd. Dat betekent concreet een verhoging met 17% ten opzichte van de begroting 2007. Tegenover de realisaties 2007 betekent dat een verhoging met 28%. Dat geeft voor 2008 een globaal bedrag van 1,109 miljard euro, wat een spectaculaire verhoging van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking is. Ik dank trouwens de collega's in de regering die de verhoging hebben gesteund.

Dan kom ik bij de doelstelling van 0,7% van het BNI die tegen 2010 moet worden gehaald. In 2007 werd slechts 0,43% bereikt, maar in de nieuwe begroting knopen we met 0,5% van het BNI terug aan met de groeilogica.

Mochten we ons echter gehouden hebben aan de groeinormen van de wet van 2002, dan zouden we in 2008 niet aan 0,5%, maar aan 0,6% moeten komen. In absolute cijfers zou het dan gaan om een bedrag van 243 miljoen euro plus 340 miljoen euro. Politiek gezien was dat echter moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk haalbaar.

In 2007 ging 25% van het budget naar de bilaterale samenwerking, ongeveer 20% naar de indirecte samenwerking, 39% naar de multilaterale samenwerking en 13% naar speciale programma's.

Mevrouw de Bethune pleit voor massale steun aan de indirecte sector. We moeten echter ook de bilaterale sector steunen. In ons land vertegenwoordigt die 25% van het budget, maar in Duitsland is dat 50%, in Denemarken 37%, in Zweden 46% en in het Verenigd Koninkrijk 52%. België kent de andere sectoren met andere woorden een belangrijke plaats toe.

Iedereen zal het eens zijn met de overwegingen die ertoe hebben geleid dat 243 miljoen euro extra werd vastgelegd.

De juridische engagementen van onze regering, en vooral van de vorige regering, vertegenwoordigen een bedrag van 214 miljoen euro. Enkele voorbeelden zijn: de bijdrage van ons land aan de Wereldbank, aan de Europese Unie en aan de MONUC in Congo.

Ik ben bereid onze juridische engagementen euro per euro na te gaan. Wie van de senatoren zal me antwoorden dat het niet erg zou zijn mochten we in 2008 onze engagementen tegenover de Wereldbank niet nakomen? Wie zal zeggen dat hij of zij het niet erg vindt als we in 2008 onze bijdrage aan de MONUC niet zouden betalen omdat we dat in 2007 ook niet hebben gedaan? Ik vind alleszins dat we onze engagementen volledig moeten nakomen. Onze geloofwaardigheid en ons internationaal imago staan op het spel.

Sommigen beweren dat we bespaard hebben op de budgetten van de indirecte sector, de ngo's en de interuniversitaire sector. Die idiote en intellectueel oneerlijke geruchten ontken ik formeel. Men moet er de cijfers van de realisaties voor 2007 en de begroting 2008 maar eens op nalezen. De indirecte sector zal met 5 tot 6% groeien. Ik daag iedereen uit het tegendeel te bewijzen.

Er is ook gesproken over aangegane engagementen en gedane beloften. Dat men mij die eens zwart op wit toont! Het was trouwens onmogelijk om precieze bedragen te beloven zolang het budget voor Ontwikkelingssamenwerking voor 2008 niet was vastgelegd.

Zoals voorzien bij de hervorming van de ngo's werd er wel overleg gepleegd met de administratie. De vooropgestelde procedure werd gevolgd, maar het spreekt voor zich dat geen enkel bedrag werd vastgelegd zo lang de begroting niet was goedgekeurd.

Ik heb de ngo's niets anders verteld toen ik hen in januari heb ontmoet. Ze hebben me perfect begrepen. Ik heb hen duidelijk gemaakt dat we de hervorming loyaal ten uitvoer willen leggen en dat we de procedure voor de 58 erkende ngo's willen volgen. Bovendien werken we aan een noodzakelijke hervorming binnen een meerjarenplan, met een gemiddelde groei voor de indirecte sector van 5 tot 6%. Dat engagement hebben we gehouden.

Het klopt dat we niet alle vragen van de ngo's hebben kunnen inwilligen. Beweren dat in Congo projecten werden geschrapt is intellectueel oneerlijk, mevrouw Temmerman. Dat is de keuze van de ngo's: als de ngo's of de universitaire sector met de schrapping van projecten willen dreigen, dan is dat hun zaak. Noch de minister, noch het kabinet of de administratie hebben ooit de ngo's gevraagd die richting uit te gaan. Er werden vragen ingediend, die werden bestudeerd en het budget is met 5% gestegen.

Ik wil iets doen met betrekking tot de situatie van de universitaire sector. We moeten eens grondig onderzoeken hoe we op basis van de vooropgestelde bedragen het best op de vragen van die sector kunnen ingaan. De universitaire sector mag binnen de indirecte sector niet worden benadeeld.

Zoals ik deze week op een vergadering met de ngo's toelichting heb gegeven bij de elementen die ik hier nu heb meegedeeld - maar blijkbaar wilde men dat niet horen - zal ik straks ook met de met de universitaire sector contact opnemen.

Vervolgens wil ik nog iets zeggen over de schuldkwijtschelding. Daarover bestaat een misverstand. Het is niet de bedoeling om in 2008 minder schulden kwijt te schelden dan in de voorgaande jaren. Voor schuldkwijtschelding moeten bepaalde voorwaarden samen vervuld zijn. In 2008 komen weinig landen in aanmerking voor schuldkwijtschelding. Dat is nu eenmaal zo. In 2009 zal dat in principe anders zijn. Dat dit jaar slechts 3% van de begroting naar schuldkwijtscheldingen gaat, is dus te wijten aan het feit dat de voorwaarden niet zijn vervuld. De groeidoelstelling ten opzichte van het BNI is trouwens moeilijk haalbaar.

De gedelegeerde samenwerking is ondergebracht in het budget voor de bilaterale samenwerking. De 19 miljoen euro voor de gedelegeerde samenwerking vertegenwoordigen voor een groot deel de engagementen die ons land heeft aangegaan.

Zo zullen de verkiezingen in Congo uit het budget voor gedelegeerde samenwerking worden gefinancierd. Wie vindt dat België niet moet bijdragen aan de organisatie van de gemeenteraadsverkiezingen die eind dit jaar of begin 2009 in Congo worden gehouden, moet het maar zeggen.

Bij de begrotingsbesprekingen zullen we de verschillende elementen punt per punt kunnen analyseren. Ik herhaal echter dat ik te goeder trouw handel. Uit de opmerkingen dat we onze engagementen niet zouden nakomen, blijkt ontgoocheling en irritatie. Het is echter niet omdat een ngo niet alles krijgt wat ze heeft gevraagd dat we onze engagementen niet zouden zijn nagekomen.

Het klopt niet dat we in het budget voor de ngo's hebben geknipt. Die begroting stijgt gemiddeld met 5 tot 6%.

Niet alle vragen werden ingewilligd. Dat is toch maar normaal als er geen budget is goedgekeurd. De projecten werden onderzocht vóór de goedkeuring van de begroting. Nu de begroting is goedgekeurd kennen we de bewegingsruimte.

We weten nu zeer duidelijk waarover we beschikken: 243 miljoen euro extra en 214 miljoen euro voor de juridische engagementen die ons land heeft aangegaan en waaraan we ons niet kunnen onttrekken zonder onze internationale geloofwaardigheid te verliezen en een groei van 5 tot 6% voor de indirecte sector.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Ik dank de minister voor deze toelichting. Op één punt ben ik het volkomen met hem eens, namelijk dat dit een hallucinante, kafkaiaanse vertoning is. Er wordt hier een heel eigenaardige wiskunde toegepast: enerzijds is er een stijging van de budgetten, anderzijds moeten de instellingen voor indirecte samenwerking, ook de VLIR, uitleggen waarom ze moeten besparen. Het budget van de VLIR wordt met 3,3 miljoen verminderd, ...

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Dat is niet waar.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Mijnheer de minister, kunt u mij hier bevestigen dat het budget van de VLIR niet wordt verminderd?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - In 2007 zijn er inderdaad vragen geweest vanuit de sector van de indirecte samenwerking.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Mijnheer de minister, uw voorganger heeft zich geëngageerd ten opzichte van de VLIR en de CIUF.

De voorzitter. - Ik denk niet dat de VLIR en de CIUF concrete bedragen werden toegezegd, maar ik meen dat die organisaties van fundamenteel belang zijn voor de internationale samenwerking. Het echte probleem ligt in de voorstelling van de cijfers. Als men budgetten vergelijkt, dan moet men naar de oorspronkelijke bedragen kijken. De initiële begroting voor 2007 bedroeg 954 miljoen euro, die voor 2008 1.109 miljoen euro. Dat is dus een geweldige stijging van 16,25%. Hiervan moet 97 miljoen euro voor de Wereldbank worden afgetrokken, waardoor de reële groei van het budget op 6% komt.

De minister zegt dat hij het budget voor de indirecte samenwerking met 6% zal verhogen. Die verhoging is volstrekt logisch want ze komt overeen met de reële stijging van het budget.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Dan berust dit waarschijnlijk op een misverstand en zullen de budgetten voor de sector van de indirecte samenwerking stijgen. Ik dank de minister daarvoor.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Het is duidelijk dat de budgetten voor de indirecte samenwerking zullen stijgen. Volgens ons stijgen ze in 2008 echter onvoldoende ten opzichte van het groeipad. Het is natuurlijk de vraag welke sleutel gebruikt wordt en welke politieke prioriteiten worden gelegd. Met de budgettaire ruimte die nu bestaat, vinden wij dat de beloften van de voorbije maanden aan de indirecte samenwerking moeten worden nagekomen. In de toekomst is een inhaalbeweging nodig voor de indirecte actoren, want die hebben een te klein aandeel in de begroting van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Dat vereist een politieke discussie. Ik wil niet zomaar met cijfers goochelen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik sluit mij aan bij de repliek van mevrouw de Bethune. De minister heeft met veel cijfers gegoocheld, maar ik vind het cynisch dat hij het niet realistisch acht om de wet te volgen en het groeipad, dat ooit wettelijk werd vastgelegd, onmiddellijk te bereiken. Dat is misschien wel zo, maar ik vind het bijzonder cynisch dat hij dat hier nu poneert, terwijl hij nog maar pas minister van Ontwikkelingssamenwerking is. Ik denk overigens dat de indirecte sector zelf niet uitgaat van een dermate grote stijging, maar wel rekent op de engagementen die zowel door zijn voorganger, de heer De Decker, als door mevrouw Laruelle en hemzelf op 16 januari 2008 werden aangegaan tegenover de indirecte sectoren in de ontwikkelingssamenwerking, maar ook en expliciet tegenover de ngo's. Ik wil net zomin als mevrouw de Bethune met cijfers goochelen, maar de manier waarop de minister deze zaak aanpakt roept enorme vragen op en ik denk dat de sector verduidelijking verdient.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - We krijgen hier informatie in drie tijden.

Eerst spreekt men van een stijging van 28%, vervolgens zegt men dat ze 17% bedraagt als men de begrotingen met elkaar vergelijkt en nu zou het slechts 6% zijn.

De voorzitter. - Het bedrag dat aan de Wereldbank wordt betaald, maakt ook deel uit van het budget.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - Dat zijn betalingen die men in 2008 doet voor verbintenissen die in 2007 werden aangegaan. Voor mij gaat het om een achterstallige betaling.

België doet grote inspanningen inzake ontwikkelingssamenwerking en ik feliciteer de minister voor de impulsen die hij op bepaalde domeinen probeert te geven. In elk geval moet in de toekomst worden vermeden dat bedragen worden genoemd die niet met de realiteit overeenstemmen. Dat bemoeilijkt het debat.

Als we de reële cijfers analyseren, stellen we vast dat we in 2008 schulden uit 2007 zullen aflossen. Waarom zegt men dan niet gewoon dat om diverse redenen in werkelijkheid de beschikbare middelen slechts met 6% stijgen?

Als ik de cijfers analyseer waarover ik beschik, kan ik het niet eens zijn met de minister. Ik geef het voorbeeld van de betalingskredieten: 104 miljoen in 2007, 103 miljoen in 2008. Opnieuw worden realisaties met budgetten vergeleken. Men moet zeer waakzaam zijn want dat kan leiden tot discussies over middelen die misschien niet bestaan.

Ook moeten de ngo's voor de programma's die in 2008 worden opgestart een strak stramien volgen. Als ze een programma opstarten hebben ze inderdaad extra middelen nodig. Blijkbaar is hen beloofd dat met die noden rekening zal worden gehouden, waardoor ze 12 tot 13% meer nodig zouden hebben dan in 2009 en 2010.

De Senaat telt heel wat leden met een grote ervaring, zelfs expertise, in de ontwikkelingssamenwerking. We moeten alleszins een diepgaand debat houden alvorens beslissingen te nemen.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - We beschikken hier inderdaad over expertise.

Er is een verhoging, maar de minister mag niet beweren dat er geen engagementen zijn. Hij zou daarmee ingaan tegen de verklaringen die hij in januari 2008 heeft gedaan. Hij heeft toen gezegd dat dringend maatregelen moesten worden genomen om de verloren tijd in te halen en de Belgische engagementen tegenover de partnerlanden, de ngo's en de actoren van de samenwerking na te komen. Het is dan ook logisch dat de ngo's verbaasd zijn dat ze niet voldoende middelen krijgen.

Minister Laruelle heeft in november vorig jaar gezegd dat volgend jaar alles normaal zou verlopen. Het gaat wel om engagementen voor de jaren 2008-2010. Toen hij minister was, heeft de heer Dedecker gezegd rekening te zullen houden met de budgettaire gevolgen van de hervorming van de cofinanciering van DGOS-ngo's.

De ngo's werken op lange termijn. Het kan dus niet dat ze in het eerste trimester van een lopend begrotingsjaar te horen krijgen dat de beleidsoptie jammer genoeg is gewijzigd.

Ten gronde is het probleem eenvoudig: zullen de aangegane engagementen worden nagekomen? Het gaat om 12 miljoen euro, een bedrag dat moeilijk kan worden betwist. Kan de minister de ngo's geruststellen? Via onze ontwikkelingssamenwerking moeten we een zo duidelijk en zo transparant mogelijk beeld van België geven.

Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), gedaan te Valletta op 16 januari 1992 (Stuk 4-540)

Algemene bespreking

De heer François Roelants du Vivier (MR), rapporteur. - Verdragen en overeenkomsten zijn meestal niet het voorwerp van lange debatten. Als archeoloog van opleiding wil ik echter even bij dit wetsontwerp stilstaan.

Het verdrag werd besproken in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen waar mevrouw Zrihen, de heer Dallemagne en ikzelf het woord hebben gevoerd. Dit verdrag is belangrijk omdat het betrekking heeft op de manier waarop archeologen, stedenbouwkundigen en planologen kunnen samenwerken om het archeologisch erfgoed zo goed mogelijk te beschermen. Het verdrag geeft oriëntaties inzake opgravingen, het onderzoek en de publicatie van de bereikte resultaten, de toegang van het publiek tot de archeologische vindplaatsen en de opvoedkundige dimensie van de opgravingen.

Het verdrag vormt een institutioneel kader van Europese samenwerking inzake het archeologisch erfgoed.

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse zaken heeft geantwoord op verschillende meer technische kwesties over de bescherming van het archeologisch patrimonium, niet alleen op federaal, maar ook op gewestelijk niveau. Het verdrag heeft immers vooral betrekking op gewestelijke materies. De bescherming van de archeologische opgravingen wordt hoofdzakelijk geregeld in decreten en de federale overheid heeft ter zake alleen een restbevoegdheid.

In ons land zijn verschillende wetgevingen van kracht of in voorbereiding die hetzij uitdrukkelijk, hetzij impliciet een antwoord bieden op de meeste verbintenissen die in het verdrag zijn aangegaan. Uit een diepgaande analyse door de bevoegde diensten moet blijken in hoeverre de bestaande wetgeving en/of regelgeving moet worden aangepast zodat België optimaal in orde is met zijn verplichtingen in het raam van het verdrag.

Het geheel van het ontwerp werd eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Ik heb enkele persoonlijke bedenkingen. Het verdrag kwam tot stand op 16 januari 1992 in Malta tijdens de derde Europese Conferentie van de ministers bevoegd voor het cultureel erfgoed. Het werd door ons land op 30 januari 2002 ondertekend, 10 jaar nadat het ter ondertekening werd opengesteld. Het is sinds 1995 van kracht en vandaag hebben 37 landen het geratificeerd.

We zijn dus bij de laatsten om de tekst te ratificeren. Ik dank mevrouw Laruelle, die ter zake bevoegd is, omdat zij de achterstand heeft kunnen inhalen, vooral ook omdat het om een gemengd verdrag gaat. In ons grondwettelijk stelsel moet elk verdrag, of de materie nu federaal of tot de bevoegdheid van zowel de federale staat als de gemeenschappen of gewesten behoort, eerst bij de Senaat worden ingediend. Wij moeten de machine dus op gang brengen. Wij moeten zo snel mogelijk handelen. Wij hebben wat vertraging opgelopen bij de ratificering van internationale verdragen, maar gelukkig veel minder dan in het verleden. In het jaar 2000 had de achterstand betrekking op 400 internationale verdragen. Nu zijn het er nog maar 65. Niettemin wachten sommige verdragen over materies die misschien minder politiek zijn, nog op behandeling.

In de opiniepagina's van La Libre Belgique van januari 2008 las ik het volgende: `Archeologie is geen luxe, negen tiende van de geschiedenis van de mensheid is alleen via deze wetenschap toegankelijk. Maar zoals elders al werd onderstreept, blijft een misverstand bestaan. De archeologie vindt slechts zelden schatten en voorwerpen die de collecties van musea kunnen verrijken. Slechts zelden kan ze monumentale overblijfselen blootleggen. Ze is vóór alles een bron van kennis, het resultaat van zorgvuldige opgravingen. En in tegenstelling tot de beeldvorming in de media, wordt het onderzoek waardoor het verleden beetje bij beetje opnieuw kan worden samengesteld, vooral gevoed door weinig spectaculaire overblijfselen van het dagelijkse leven. Vooral de preventieve archeologie heeft zich geprofessionaliseerd en de archeologen kunnen nu binnen een beperkt tijdsbestek en rekening houdend met het tijdschema van de planologen, heldere en betrouwbare diagnoses opstellen.'

Stenen en voorwerpen kunnen niet stemmen. Daarom worden ze vaak vergeten.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-540/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk Thailand inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken;
2º Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Thailand betreffende de overbrenging van gevonniste personen en betreffende de samenwerking in het kader van de strafuitvoering,
ondertekend te Bangkok op 12 november 2005 (Stuk 4-543)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-543/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-16)

Algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-16/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 682bis in het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-17)

Algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 4-17/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie betreffende verkrachtingen en seksuele geweldplegingen tegen vrouwen in het oosten van de Democratische Republiek Congo (van mevrouw Miet Smet c.s., Stuk 4-485)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-485/5.)

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS), rapporteur. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft dit voorstel van resolutie besproken op haar vergaderingen van 15 januari, 26 en 27 februari 2008.

Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen heeft op 16 en 30 januari hoorzittingen gehouden met verschillende experts aangaande seksuele geweldplegingen tegen vrouwen, wat ons kostbare informatie heeft opgeleverd voor het vervolg van de parlementaire werkzaamheden.

Sedert 1998 wordt het oosten van de Democratische Republiek Congo gebrandmerkt door een oorlog zonder voorgaande op het Afrikaans continent. Heel de provincie Kivu is een zone zonder rechten geworden waar geen menselijkheid meer bestaat. De jongste twee decennia heerst daar een onaanvaardbaar fenomeen van quasi systematische verkrachting en seksuele geweldpleging tegen tienduizenden vrouwen en jonge meisjes door gewapende groepen of burgers, die niet gestraft worden voor hun daden.

Uit de hoorzittingen met experts hebben we opgemaakt dat verkrachting werkelijk een oorlogswapen is geworden. Het wordt strategisch gebruikt om de fundamentele waarden van de getroffen gemeenschappen te vernietigen en het draagt bij tot hun volledige teloorgang. Seksueel geweld heeft niet alleen rampzalige fysieke of psychologische gevolgen voor de radeloze vrouwen en meisjes die er het slachtoffer van zijn, maar is ook een aanslag op de sociale en economische ontwikkeling van een hele gemeenschap.

De vredesinspanningen zijn tot vandaag vruchteloos gebleven en het sociaal, juridisch, politiek en economisch statuut van de Congolese vrouw blijft uiterst onzeker.

Onze parlementaire werkzaamheden hebben gewezen op de internationale verplichtingen van alle partijen die aanwezig zijn in Noord- en Zuid-Kivu. Ons land moet dringend de aandacht van de internationale gemeenschap vestigen op de situatie die er thans heerst.

In resolutie 1325 wees de VN-Veiligheidsraad erop dat geweldplegingen tegen vrouwen beschouwd worden als een volwaardig wapen.

MONUC, een VN-vredesmacht, moet het mandaat dat ze van de VN-Veiligheidsraad gekregen heeft, ten volle uitvoeren. Optreden tegen seksuele geweldpleging jegens vrouwen zijn een wezenlijk onderdeel van haar nieuw mandaat. België heeft zich overigens ten volle ingezet om deze problematiek in het nieuwe mandaat op te nemen.

De verantwoordelijkheid van de Congolese wetgever inzake de bescherming van de slachtoffers van seksuele geweldplegingen is ook van primordiaal belang. In de DRC werd een wet aangenomen die de bestraffing van de daders van dergelijke geweldplegingen mogelijk maakt, maar die wet moet kunnen worden toegepast. Dat is echter niet mogelijk omdat het Congolees gerechtelijk systeem vrijwel volledig faalt. Ons land moet dan ook alle initiatieven om een echt doeltreffend gerechtelijk systeem te ontwikkelen aanmoedigen.

Het internationaal Hof is bevoegd om misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken en de daders ervan te vervolgen. Het respect voor het humanitaire recht is essentieel. België moet alles doen wat in zijn macht ligt om de aandacht van de internationale gemeenschap te vestigen op de onaanvaardbare situatie in Oost-Congo.

Onze ontwikkelingssamenwerking moet een voortrekkersrol spelen, vooral wat de strijd tegen seksuele geweldplegingen in Congo betreft. Deze problematiek raakt de sociale, economische en juridische aangelegenheden en de gezondheid. Ze heeft dus mogelijk betrekking op verschillende sectoren van onze ontwikkelingshulp. Reden te meer dat de bestrijding van geweldplegingen tegen vrouwen opgenomen wordt in de prioriteiten van dat departement.

De strijdende partijen moeten dringend de engagementen van Goma nakomen, die in januari 2008 werden ondertekend. Dat akkoord was een echte doorbraak, want het bekrachtigde het herstel van een dialoog tussen de Congolese partijen die rechtstreeks betrokken zijn bij de humanitaire ramp in Kivu.

De tekst van het geamendeerde voorstel van resolutie werd eenparig aangenomen door de aanwezige leden.

Mevrouw Miet Smet (CD&V-N-VA). - Ik dank mevrouw Kapompolé voor het uitstekend verslag en ik dank alle collega's van het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen en van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging voor de interessante discussie.

Kivu is een strijdperk van economische belangen, zowel legale als illegale. Er worden allerlei grondstoffen verhandeld, zoals goud, diamant en coltan, dat gebruikt wordt in gsm's en andere technologische spullen. Er woedt een strijd om de grond in Kivu en de wapensmokkel tiert welig. In Kivu wordt gevochten.

De Forces Démocratiques de Libération du Rwanda en andere rebellen trachten de bevolking te verdrijven. Om dit te bereiken vernietigen ze de vrouwen. Vrouwen zorgen immers voor de familie en de kinderen, ze bewerken het land en zorgen voor eten. Die gemeenschappen zijn dus afhankelijk van het werk van de vrouwen. De vernietiging gebeurt systematisch, op grote schaal en op de meest gruwelijke manier. De verkrachtingen gebeuren vaak met bajonetten, stokken of geweren. Het voortplantingsorgaan van de vrouwen wordt vernietigd; bij zware mishandeling worden ook de urinewegen beschadigd en wordt zelfs de wand tussen vagina, urineleider en anus vernietigd. Sommige groepen gaan nog verder: ze zetten de vrouwen nadien op een kolenvuur, zodat ze volledig verbrand zijn.

Het gevolg is dat jonge meisjes niet meer kunnen huwen, omdat ze niet meer gewenst zijn. Getrouwde vrouwen worden verstoten uit hun familie. Sommige vrouwen zijn zwanger van hun verkrachters. De Congolezen noemen die kinderen bommen die later nog zullen ontploffen. De vrouwen werken niet meer op het veld, zodat er geen inkomen meer is. Het bredere gevolg is de desintegratie van de samenleving.

Niet alleen ngo's en kerkelijke gemeenschappen van protestanten of katholieken bekommeren zich om de problemen, maar ook de internationale gemeenschap: MONUC, de Europese Unie en België. Maar ofschoon er veel geld wordt gegeven en er veel inspanningen worden gedaan, is het resultaat zeer mager. De bescherming van de vrouwen is ontoereikend. Vaak komen de soldaten van MONUC pas toe als de rebellen of de verkrachters al uit het dorp verdwenen zijn. Er heerst volkomen straffeloosheid.

Zou het niet nuttig zijn om de manier waarop we daar werken, opnieuw te bekijken? Als er zo weinig resultaat wordt geboekt ten aanzien van zo'n groot probleem, dan moeten we toch vragen stellen over al het geld dat daar uitgegeven wordt en de inspanningen die gedaan worden.

Ik wil niet zeggen dat die inspanningen niet moeten worden voortgezet, integendeel. België speelt een belangrijke rol bij het uitoefenen van druk op Congo, op Rwanda en op de internationale gemeenschap. Ons land speelt ook een grote rol inzake financiële humanitaire hulp. Dat is ook de reden voor deze resolutie.

Toevallig zijn onlangs twee delegaties naar Kivu gereisd. De minister stond aan het hoofd van een van de delegaties. De andere delegatie, waarmee de heer Dallemagne en ikzelf meereisden, bestond uit vertegenwoordigers van een aantal Franstalige ngo's. We hebben daar een veertigtal organisaties gezien. We baseren ons dus niet op één of twee contacten, maar we hebben een grondige voorlichting gekregen.

De resolutie werd na onze reis dan ook aangepast. We beseffen nu dat de huidige acties misschien wel resultaten zullen afwerpen op lange termijn, maar dat er op korte termijn weinig zal gebeuren. Intussen worden elke dag opnieuw vrouwen verkracht en geterroriseerd. In 2007 alleen al waren dat er 40.000.

Vandaar het voorstel om in de Senaat zelf een rondetafel te organiseren met de bedoeling het probleem op de agenda te houden. De regering van haar kant moet onderzoeken hoe de straffeloosheid op korte termijn kan worden aangepakt. Straffeloosheid betekent immers dat het geweld voortduurt. De resolutie stelt voor te overwegen een specifieke rechtbank in Congo zelf - in de Kivustreek - op te richten. Minister De Gucht verklaarde zich bereid een dergelijke rechtbank te financieren en technische hulp te verstrekken. De rechtbank moet op basis van de Congolese wet op de verkrachting - een goede wet die echter niet wordt toegepast - de daders onmiddellijk kunnen veroordelen. De heropbouw van het justitiële systeem in Congo, waaraan ons land nu meewerkt, zal nog jaren in beslag in nemen. Intussen gaan de verkrachtingen, gaat de terreur gewoon door.

In Congo is expertise aanwezig. Ik bewonder de zwarte artsen die er in de ziekenhuizen werken. Ze studeerden in Parijs en hadden wellicht in Parijs kunnen blijven, maar ze zijn teruggekeerd. De gynaecologen kunnen wel fistels opereren, maar kunnen de huid en het gynaecologisch systeem van de vrouwen niet aan elkaar naaien. Daarvoor zijn urologen, gastro-enterologen en chirurgen nodig, die er in Congo niet zijn. Wij moeten dus medische hulp bieden. De minister zegt te zullen ingaan op onze vraag. Maar we zouden er vooral voor moeten kunnen zorgen dat die hulp overbodig wordt.

We hebben vele verhalen gehoord over het Congolese leger, dat er bijna in geslaagd was een van de rebellenlegers te overwinnen, maar het bevel kreeg te stoppen. Kan dat probleem ooit zonder militair optreden worden opgelost? Zullen besprekingen tussen diplomaten in Goma of waar dan ook volstaan? Zal gevolg gegeven worden aan die besprekingen? Ik betwijfel of dat voldoende is. We moeten ook nagaan of MONUC en wijzelf niet sterker moeten optreden, ook op militair vlak. De opdracht van MONUC is ruimer dan wat nu op het terrein gebeurt. MONUC moet zijn opdracht volledig uitvoeren.

Wie daar geweest is, vergeet dat nooit meer. Al onze problemen hier lijken dan heel eenvoudig. Ik dring dan ook aan op maatregelen op lange én korte termijn.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - De praktijken die onze resolutie hekelt, vinden wij schokkend. Zes jaar geleden al werd het eerste rapport hierover gepubliceerd. Het was een gedetailleerd rapport van Human Rights Watch, dat al in 2002 aantoonde hoezeer vrouwen het slachtoffer waren van verkrachting en foltering. Dit rapport kwam er na een noodkreet van de organisatie Artsen zonder grenzen, die in de dispensaria steeds meer gemutileerde vrouwen zag van wie het urogenitale stelsel beschadigd was en die zich zorgen maakte over de catastrofe die zich in het oosten van Congo afspeelde.

Na dit rapport volgden er nog andere. Er werden onderzoeksmissies uitgevoerd, de MONUC werd ter plaatse gestuurd en het mandaat van de MONUC werd herhaaldelijk uitgebreid. Er werden hulp- en preventieprogramma's opgezet door ngo's en VN-organisaties. Er werden dus initiatieven genomen, zowel inzake bescherming en justitie als inzake hulpverlening. Er is dank verschuldigd aan alle personen en organisaties die zich inspannen om de wreedheden tegen tienduizenden vrouwen in Congo een halt toe te roepen en hun leed te verlichten.

We moeten nochtans erkennen dat, zoals mevrouw Smet al zei, die maatregelen vrij weinig uithalen en dat er, ondanks de geleverde inspanningen, voor het merendeel van de vrouwen die in de conflictzones in Oost-Congo wonen, fundamenteel weinig veranderd is. De geboden hulp is volstrekt ontoereikend. De vrouwen staan er alleen voor, en ondanks de periodes van relatieve rust of hoop die er geweest zijn sedert de Conferentie van Nairobi in november 2007 en sedert de engagementen van Goma in januari van dit jaar, is er niet veel verandering gekomen in hun lot.

Begin dit jaar ben ik tweemaal naar Congo, Rwanda en Burundi gereisd, de eerste keer in het gezelschap van minister Charles Michel en de tweede keer samen met mevrouw Smet, enkele collega's van de Kamer en leden van ngo's. We zijn in Zuid-Kivu geweest. De getuigenissen die we hebben opgetekend, hetzij van slachtoffers, hetzij van ngo's en internationale organisaties die daar actief zijn, waren ontstellend. Allen wezen ze op de noodzaak om dringend initiatieven te eisen en op te starten die in verhouding staan tot de misdrijven die daar al zo lang gepleegd worden en die zo wijdverbreid zijn in het oosten van Congo.

We hebben vernomen dat elke gewapende groep zijn eigen methodes van seksuele mishandeling heeft. De artsen van het ziekenhuis van Panzi in Bukavu zeiden ons dat ze de daders herkennen aan het soort verwondingen die ze bij hun slachtoffers teweegbrengen, alsof het om een signatuur ging. De Congolese strijdkrachten, bijvoorbeeld, verkrachten hun slachtoffers en dwingen hen te trouwen. De Ninja's binden hun naakte slachtoffers in het openbaar vast en verkrachten ze dagenlang met als gevolg dat ze niet alleen zware psychologische en genitale beschadiging oplopen, maar ook verlamd zijn aan handen en voorarmen. De troepen van Nkunda kidnappen meisjes van twaalf tot vijftien jaar en nemen hen mee als seksslaven, van wie ze zich later ontdoen door hen te vermoorden. Andere groepen, zoals de FDLR, dwingen familieleden om toe te kijken wanneer vrouwen van alle leeftijden worden gefolterd en verkracht en nadien op een kolenvuur worden gezet. De Burundese FDC verkrachten mannen voor de ogen van hun familie, wetende dat die mannen daar niet mee zullen kunnen leven en zelfmoord zullen plegen. Andere groepen verkrachten met behulp van bajonetten en geweren. Dergelijke misdrijven zijn in strijd met ons geweten en het is niet makkelijk erover te praten. Deze woorden doen pijn, maar zijn slechts de uitdrukking van een wrede realiteit die niet verborgen mag blijven.

Gefolterde vrouwen, die wonden hebben opgelopen aan lichaam en ziel, worden vaak door hun gemeenschap verstoten. De kinderen die ze ter wereld brengen, overleven die verstoting van hun moeder niet, omdat ze in haar eentje niet voor hun levensonderhoud kan instaan. Veel van die kinderen sterven de hongerdood.

Die vrouwen hebben ook te lijden onder diverse infecties, in de eerste plaats aids natuurlijk, maar ook chlamydia, dat vrouwelijke steriliteit of bloedvergiftiging kan veroorzaken. Naar schatting 100.000 vrouwen hebben vesicovaginale fistels, veroorzaakt door seksueel geweld of door verwikkelingen bij bevallingen in slechte omstandigheden. Dergelijke fistels zijn zeer problematisch omdat ze fecale en urinaire incontinentie tot gevolg hebben, wat dan weer leidt tot verstoting door de gemeenschap vanwege de geurhinder.

Men kan niet anders dan te denken dat, gelet op het systematische karakter en de wreedheid van de seksuele mishandeling van vrouwen, maar ook van kinderen en mannen, het de daders erom te doen is de vrouwen te vernietigen, te ontmenselijken, onvruchtbaar te maken en terreur te zaaien bij hele bevolkingsgroepen om ze te dwingen hun land en hun dorp te verlaten. Het gaat om oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Sommigen spreken zelfs van genocide, wat niet helemaal uitgesloten is, aangezien sommige etnische groepen systematisch worden aangevallen. In Oost-Congo wordt verkrachting duidelijk als oorlogswapen gebruikt.

Hoe kunnen we het moorden een halt toeroepen, hoe kunnen we de slachtoffers beter helpen?

In vier domeinen worden door de internationale gemeenschap, de Congolezen en de ngo's pogingen ondernomen, maar kan het beter: preventie, bescherming, bestraffing en bijstand.

Inzake preventie gaat het tegelijk om campagnes die oproepen tot meer respect voor vrouwen en om de waarschuwing van geweldplegers over de risico's die hun gedrag met zich meebrengen. De MONUC, de ngo's en de Congolese regering treden meer en meer op in die zin. Het verzet tegen de sociale verloedering die samengaat met de heersende chaos en het ontbreken van een staatsapparaat is essentieel. Gaandeweg treedt er immers banalisering in van de verkrachtingen, omdat het soms de buurman of een familielid is dat seksueel geweld pleegt. De bewustmaking moet ook betrekking hebben op het leven na de verkrachting of de mutilatie, opdat families niet uit elkaar zouden vallen en de verkrachte vrouw zouden bijstaan, opdat wraakacties plaats zouden ruimen voor gerechtigheid, opdat slachtoffers aangemoedigd zouden worden om klacht in de dienen tegen de daders, en opdat de politiek en de justitie die brutaliteiten niet langer zouden dulden.

Vooral de bescherming schiet duidelijk te kort, en wel op schokkende wijze. De MONUC is nochtans de omvangrijkste en de duurste VN-missie op dit ogenblik, met een jaarlijks budget van een miljard dollar en meer dan 20.000 manschappen ter plaatse. Ze is gegrondvest op een resolutie van de Verenigde Naties waarin het gebruik van geweld uitdrukkelijk wordt toegestaan in het kader van hoofdstuk VII van het Handvest. Bescherming van de bevolking is de kern van het mandaat dat door de Veiligheidsraad werd toegekend, wat de heer Alan Doss enkele dagen geleden nog eens herhaalde op een persconferentie in Kinshasa. De MONUC is nochtans niet doeltreffend genoeg, bevindt zich te ver af van het slagveld, komt te laat en in onvoldoende mate tussenbeide. Ik wil dat illustreren met een voorval dat we ter plaatse beleefd hebben. Toen we in Goma uit het vliegtuig stapten, kwamen verschillende mensen ons melden dat er zich opnieuw een groot incident had voorgedaan in de streek van Masisi met tientallen slachtoffers waarvan sommigen op dat ogenblik naar de ziekenhuizen van Goma werden gebracht. Toen we aan de MONUC vroegen wat er aan de hand was, wist men van niets, zei men ons dat er veel geruchten de ronde doen, dat er een missie heen zou worden gestuurd. Toen we een maand later in Bukavu terugkwamen, had de MONUC inderdaad een rapport opgesteld waaruit bleek dat er inderdaad geweldplegingen waren gebeurd die aan de heer Nkunda waren toe te schrijven. Dat is een typisch voorbeeld van de slechte werking. De MONUC had aanwezig moeten zijn op de plaatsen waar de bevolking gevaar loopt. En als dat niet het geval was, dan hadden ze onmiddellijk moeten ingrijpen en troepen, hulpverleners en onderzoekers sturen.

De MONUC had zich in die zones op veel efficiëntere wijze moeten ontplooien. Dit incident, dat we op twee momenten hebben waargenomen, in januari en in februari, toont aan welke kloof er gaapt tussen de middelen en het mandaat van de MONUC en de efficiëntie ter plaatse.

Zoals ons al vaker is gemeld, zijn de wreedste misdrijven het werk van zeer kleine groepjes. Het zijn Rasta's, Ninja's en Maji-Maji, allerlei groepen die een ongekende brutaliteit aan de dag leggen en die vaak maar uit enkele tientallen individuen bestaan. Het is niet te begrijpen waarom zulke kleine groepen actief blijven en niet al lang geneutraliseerd werden.

Het is ook niet te begrijpen waarom buitenlandse groepen, zoals de FDLR, of vanuit het buitenland aangestuurde groepen, zoals de troepen van Nkunda, niet al lang zijn geneutraliseerd.

Wat we vaststellen, is dat de internationale gemeenschap er vertegenwoordigers van arme landen naartoe heeft gestuurd die `doen alsof' ze de armen beschermen. Niemand vindt dat beschamend en men heeft nog geen manier gevonden om een eind te maken aan deze hypocrisie, die aan tienduizenden vrouwen het leven kost.

Het probleem zou eenvoudig aangepakt kunnen worden. Ik ben een beetje vertrouwd met de geografische situatie. Het is mogelijk een radionetwerk op te zetten, zodat alarm kan geslagen worden wanneer zich iets voordoet, en een lichte maar efficiënte interventiemacht op de been te brengen, zoals het geval is geweest in Masisi met de Guatemalteekse troepen die meermaals tussenbeide zijn gekomen om een einde te maken aan geweldplegingen tegen burgers.

Dat is niet moeilijk en vergt geen hopen geld, maar wel moed.

Mijnheer de minister, ik wil België oproepen om een deelname aan een dergelijke snelle interventiemacht te overwegen. We hebben troepen ter plaatse die zich bezighouden met andere nuttige zaken, zoals onderwijs, uitrusting, enz. We mogen onze blik niet langer afwenden van wat zich daar afspeelt en moeten met een macht van enkele honderden manschappen een alarmsysteem en een informatienetwerk tot stand brengen dat het mogelijk maakt om tussenbeide te komen in de risicozones, die bekend en lokaliseerbaar zijn.

Vandaag controleren de FDLR hele zones, in de dorpen bemannen ze zowel de politie als het gerecht, innen ze belastingen en laten ze al dan niet toe dat mensen zich vrij bewegen. Het is absurd dat dit soort toestanden in Congo blijft voortduren terwijl de MONUC ter plaatse is.

Mevrouw Smet had het over de bestraffing. Ook die kan beter. Er zijn enkele processen aan de gang in Congo, andere zullen starten in Den Haag maar dat stelt weinig voor. De namen van de belangrijkste verantwoordelijken zijn bekend. De MONUC, de Congolese regering en de internationale gemeenschap beschikken over die namen, maar toch kunnen die mensen zich vrij bewegen en hun geweldplegingen voortzetten. Dat moet kunnen stoppen, met name door middel van wat mevrouw Smet voorstelt en waarover ze met de minister van Buitenlandse Zaken heeft gesproken, en dat erin bestaat een Congolese rechtbank te installeren met internationale bijstand, naar het voorbeeld van wat momenteel in Cambodja gebeurt. Zulk een systeem zou efficiënter zijn dan de bestaande systemen.

Er wordt hard gewerkt in Congo. Dat is goed. Er zijn zeer veel ngo's actief. Men zou kunnen betreuren dat veel organisaties vooral in de centra aanwezig zijn, zoals Goma en Bukavu, en zeer weinig buiten de centra, waar de mensen met de ergste geweldplegingen te maken krijgen en wanhopig wachten op hulp, zoals in Masisi.

We moeten zijn waar die vrouwen zijn.

Ik zou het willen hebben over het UNFPA, het VN-Bevolkingsfonds, dat België voor een bedrag van 11 miljoen euro helpt financieren.

Ik kan erin komen dat België zo rijkelijk aan dat project bijdraagt, maar ik heb het UNFPA in Masisi nergens ontmoet; wel in Kinshasa, waar ons gezegd werd dat het in bepaalde zones niet optreedt.

Als België wil investeren in de bijstand aan vrouwen, slachtoffers van seksueel geweld, mag het zich niet tot dat fonds alleen beperken. We moeten aanwezig zijn waar vrouwen alleen, gewond of stervend zijn en niet in de kantoren in Kinshasa om verslagen op te stellen en mooie plaatjes te tonen aan afvaardigingen die op doortocht zijn.

We moeten reageren op de oproep van de MONUC om een fonds op te richten dat de slachtoffers van seksueel geweld schadeloosstelt. Vrouwen zonder inkomen die door hun echtgenoot in de steek gelaten zijn, hebben zelfs de kracht niet meer om hun land te bewerken. Ze zouden een maandelijkse uitkering moeten ontvangen om te kunnen voorzien in hun verzorging en voedsel.

Fistels tussen blaas en baarmoederhals vormen een ernstige handicap die een zware chirurgische ingreep vergen. Momenteel wachten 100.000 vrouwen in Congo op een behandeling. Tegen het huidige tempo van ongeveer 2.000 interventies per jaar zullen de laatste 50 jaar op een behandeling moeten wachten.

We moeten onze bijstand in Congo vormgeven door een Fistula Clinic op te richten naar het model van het wereldcentrum in Addis Abeba. Een netwerk van ziekenhuizen zouden moeten fungeren als referentie- en opleidingscentra.

Er bestaat ook een ziekenhuis in Panzi, in Bukavu en ook in Kinshasa is er pas één opgericht, maar geen van al beschikt over de vereiste technische uitrusting om fistels te verzorgen en evenmin over de middelen om chirurgen van andere centra voor dat type behandeling op te leiden.

Ik verneem zopas dat de minister het licht op groen heeft gezet om de equipes in Panzi te versterken. Ik dank hem daarvoor. Dit is een eerste impuls, maar we moeten veel verder gaan.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Toen het Adviescomité zijn rapport had neergelegd, is er al uitgebreid over het onderwerp gediscussieerd. Ik zal het dus kort houden.

Ik zou de leden van het Adviescomité en de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging willen feliciteren voor de diepgang waarmee ze de kwestie hebben behandeld.

Die onaanvaardbare barbarij heeft op ons allen een diepe indruk nagelaten. Naast dat alles verheugt het me dat minister Michel zo snel heeft gereageerd en een verenigd optreden inzake preventie en begeleiding in het kader van UNICEF en van het UNFPA heeft helpen financieren.

Het gaat om een bedrag van tien miljoen euro, waarvan drie miljoen voor Kivu.

Ik zou ook het Rejusco-project willen vermelden dat de strijd met de straffeloosheid wil aanbinden, de zending van twee specialisten in gynaecologische chirurgie, de toekenning van 400.000 euro aan de ngo Inuka, die meisjes en vrouwen opvangt en helpt bij hun reïntegratie, en de vraag van de VN om het mandaat van de MONUC uit te breiden, zodat de missie het probleem specifiek kan aanpakken.

De problematiek mag ons niet alleen beroeren bij de stemming over de resolutie van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden en voor de Defensie. Het is niet zomaar de zoveelste stemming. Vrouwen en meisjes lijden. We hebben niet alleen de plicht over hen te praten, we moeten ze ook concreet bijstaan. De Senaat en België hebben op dat domein een rol te spelen en kunnen niet afwezig blijven.

Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Mevrouw Smet en de heer Dallemagne waren ter plaatse en hebben een sterke getuigenis afgelegd. Wat ze gehoord en gezien hebben onder woorden brengen is belangrijk voor al wie zich aangesproken voelt, maar geen ooggetuige is en dus een andere kijk op de problematiek heeft. Ik dank beide collega's voor hun bijdrage tot onze bewustmaking.

Talloze denksporen voor onze initiatieven op dat vlak zijn aangehaald. Een resolutie goedkeuren is één zaak, de middelen die de minister vrijmaakt zijn een andere. Ik steun het voortstel om hierover opnieuw een ronde tafel te organiseren in de Senaat. Ik zou er een juridisch denkspoor aan willen toevoegen. Kortetermijninitiatieven zijn absoluut noodzakelijk, maar we mogen de middellange termijn niet uit het oog verliezen. Straffeloosheid is een centrale kwestie. De daders zijn bekend in de dorpen. Misschien moeten we wel ingaan op de suggestie van Josy Dubié en de notie `gendercide' in het internationaal recht invoeren. Voor verkrachtingen en geweldplegingen op vrouwen als oorlogstactiek zou men een bijzondere kwalificatie moeten invoeren en een gespecialiseerde rechtbank moeten oprichten. Zo zou de straffeloosheid kunnen worden aangepakt waarin gewapende bendes wreedheden kunnen blijven bedrijven.

Hopelijk kunnen ook andere parlementsleden deelnemen aan missies zodat ze de omvang van het fenomeen beter kunnen inschatten. Ik hoop vooral dat we in de komende weken, maanden en jaren iets nuttigs kunnen doen. We zijn verantwoordelijk voor de wijze waarop de MONUC haar zending volbrengt en we moeten het internationaal recht hervormen zodat dit soort verkrachtingen als een specifiek misdrijf kan worden veroordeeld. Dat is een van de voorwaarden om de straffeloosheid te kunnen bekampen en om een einde te maken aan die onmenselijke wreedheden.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Vandaag is het een gewone dag, een dag als alle andere in Kivu.

Een dag waarop de menselijkheid in Kivu wellicht nog rond het vriespunt schommelt omdat geweldplegingen dagelijkse kost zijn, omdat de officieel beëindigde oorlog blijft woeden, omdat de mensen er in extreme omstandigheden moeten overleven, omdat er moreel verval heerst en het geweld tegen de bevolking en tegen de vrouwen in het bijzonder er wordt gebagatelliseerd. Dat is onaanvaardbaar!

Mijn collega had het over gendercide, wat ik zou willen verfransen tot gynécide, gynecides waaraan zich in Kivu zowel bendes van burgers als van militairen straffeloos schuldig kunnen maken. Het is een praktijk van nagenoeg systematische verkrachtingen en seksueel geweld tegen tienduizenden vrouwen en meisjes.

Weer een dag waarop de menselijkheid in Kivu rond het vriespunt blijft.

Mijn collega's hebben het al breedvoerig besproken, vijftigduizend vrouwen, meisjes en kinderen waren het slachtoffer van seksueel geweld. Omdat verkrachting een taboe is, overtreft de werkelijkheid dat cijfer dan ook ruimschoots.

Weer een dag waarop de menselijkheid in Kivu rond het vriespunt blijft.

Het juridisch en politiek statuut van vrouwen is er ongelooflijk wankel. Sociale gelijkheid tussen mannen en vrouwen is niet bestaande. Elke seconde wordt een vrouw in haar integriteit aangetast met als psychologisch en emotioneel gevolg dat sommige van hen totaal ontmenselijkt zijn en niet langer in staat om te overleven.

Ook op deze seconde daalt de menselijkheid weer tot het vriespunt ...

Met het akkoord van Goma lijkt een oplossing te zijn gevonden voor het conflict in de Democratische Republiek Congo. We moeten echter vaststellen dat verkrachting de enige alomtegenwoordige vorm van schending van de mensenrechten blijft. Als een Staat er niet in slaagt de daders van dergelijke wreedheden te vervolgen, ontstaat in de samenleving de idee dat geweld tegen vrouwen en meisjes aanvaardbaar en normaal is.

In sommige samenlevingen zegt men dat ziekenwagens de oorlog niet beletten. Ik denk dus dat we moeten optreden. We moeten aan preventie doen, het geweld bestraffen en uitroeien. We moeten optreden in een zone van rechteloosheid waar het aan elk juridisch systeem ontbreekt. We moeten op alle mogelijke domeinen optreden: we moeten de samenleving heropbouwen, medische en psychosociale bijstand verlenen, werken aan de economische reïntegratie en het plaatselijke middenveld steunen, alle actoren bewustmaken en ijveren voor vrede.

We moeten hulde brengen aan al wie verzet biedt en aan al wie voor de geest houdt dat de gruwel noch in de vergetelheid van de ruimte, noch in die van de tijd mag verdwijnen.

Vandaag worden de rechten van vrouwen eens te meer met voeten getreden.

Vandaag net als op alle andere dagen blijft de menselijkheid rond het vriespunt schommelen.

Laten we dus iets doen.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Woensdag 19 maart 2008 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende het Eurokorps en de rechtspositie van zijn Hoofdkwartier tussen de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Spanje en het Groothertogdom Luxemburg, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 22 november 2004; Stuk 4-566/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, met de Bijlagen 1 en 2, en met de Aanhangsels, I, II, III, IV en V, gedaan te Straatsburg op 9 september 1996; Stuk 4-569/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Wijziging van het Verdrag inzake de externe beveiliging van kernmateriaal, aangenomen te Wenen op 8 juli 2005 door de conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag; Stuk 4-570/1 en 2.

Belangenconflict tussen het Parlement van de Franse Gemeenschap en de Kamer van volksvertegenwoordigers naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (Stuk K. 52-37/1) en het wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (Stuk K. 52-39/1); Stukken 4-547/1 en 2 en 4-548/1 en 2. (Pro memorie)

Vanaf 16 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten.

Donderdag 20 maart 2008 om 15 uur

Verklaring van de regering.

Zaterdag 22 maart 2008 om 16 uur

Bespreking van de verklaring van de regering.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), gedaan te Valletta op 16 januari 1992 (Stuk 4-540)

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk Thailand inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken;
2º Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Thailand betreffende de overbrenging van gevonniste personen en betreffende de samenwerking in het kader van de strafuitvoering,
ondertekend te Bangkok op 12 november 2005 (Stuk 4-543)

Stemming 2

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-16)

Stemming 3

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is eenparig aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 682bis in het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-17)

-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 3 aanvaard.

-Het wetsvoorstel is eenparig aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Voorstel van resolutie betreffende verkrachtingen en seksuele geweldplegingen tegen vrouwen in het oosten van de Democratische Republiek Congo (van mevrouw Miet Smet c.s., Stuk 4-485)

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het voorstel van resolutie is eenparig aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister, aan de minister van Buitenlandse Zaken, aan de minister van Landsverdediging en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking worden meegedeeld.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Zelfstandigen en Landbouw en aan de minister van Werk over «zondagswinkelen aan de kust» (nr. 4-158)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Het koninklijk besluit van 9 mei 2007 betreffende de tewerkstelling op zondag in kleinhandelszaken en kapperssalons gevestigd in badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra, dat sinds 3 juli 2007 van kracht is, veroorzaakt heel wat wrevel aan de kust. Krachtens het koninklijk besluit mogen werknemers op zondag in kleinhandelszaken worden tewerkgesteld vanaf 1 mei tot 30 september en gedurende de kerst- en paasvakantie.

Buiten die periodes mogen de winkels nog maximum dertien zondagen per jaar openen en dat alleen wanneer evenementen worden georganiseerd, zoals braderieën, salons, optochten, jaarbeurzen en sportmanifestaties. De handelaar moet bovendien aan de evenementen deelnemen.

In tegenstelling tot het vorige koninklijk besluit van 7 november 1966 werd niet vermeld dat het reglement tijdens het weekend niet geldt op plaatsen waar een toevloed van toeristen is.

Voor vele handelszaken heeft de zaak openhouden gedurende het weekend een belangrijke impact op de omzet. Zo zouden vele handelszaken 30 tot 40 procent van hun omzet immers realiseren tijdens het weekend.

Heeft de sociale inspectie sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit de naleving van de zondagsrust gecontroleerd? Wat waren de resultaten van die controles? Hoeveel personen werden er beboet?

Vindt de minister dat het koninklijk besluit van 9 mei 2007 moet worden aangepast zodat de handelszaken in de overgangsperiodes ook op zondag kunnen open blijven?

Acht de minister het wenselijk de verschillende actoren hierover te raadplegen?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Aan uw collega's in de Kamer van Volksvertegenwoordigers De Maght en Tommelein heb ik al gezegd dat het koninklijk besluit van 7 november 1966 betreffende de tewerkstelling op zondag in kleinhandelszaken en kapperssalons gevestigd in badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra, bepaalt dat werknemers gedurende ten hoogste dertien zondagen per kalenderjaar tewerkgesteld mogen worden indien één van de volgende twee voorwaarden is vervuld: een toevloed van toeristen ingevolge het bestaan van permanente toeristische bezienswaardigheden, of het plaatsgrijpen van manifestaties zoals beurzen, kermissen, braderieën, enz.

Het koninklijk besluit van 9 mei 2007 heeft evenwel slechts één van die uitzonderingen behouden, namelijk de tweede voorwaarde uit het koninklijk besluit van 7 november 1966, namelijk de bijzondere manifestaties.

Ik zal aan de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad vragen of deze wijziging strookt met het advies dat ze voorheen hebben uitgebracht over het ontwerp van koninklijk besluit.

Ik kan de heer Collas de cijfers bezorgen waarover ik beschik in verband met de uitgevoerde controles en de niet-naleving van de zondagsrust.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen over «de normen die gelden voor het openbaar vervoer» (nr. 4-163)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Ik verwijs naar mijn schriftelijke vraag van 14 januari 2008, nummer 4-142 met als titel: `Bus - Vervoer van kinderen - Maximumbezetting - Normen'. Het antwoord van de minister geeft me geen voldoening: er is geen oplossing voor het probleem.

In zijn antwoord van 13 februari 2008 verwijst de minister voor de normen voor het personenvervoer naar het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Artikel 65 van dit besluit bepaalt dat ten minste één reiziger op drie een zitplaats moet hebben.

Voor de veiligheid in de bus zou artikel 65 moeten worden gewijzigd: ten minste twee reizigers op drie zouden een zitplaats moeten hebben.

Wat denkt de minister over een verhoging van het aantal zitplaatsen tegenover het aantal staanplaatsen?

Kan de wet in die zin worden aangepast?

Zo ja, kan de minister meedelen binnen welke termijn de aanpassing kan worden gerealiseerd?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van vice-eerste minister Leterme.

Er is een zeer uiteenlopend aanbod voor het vervoer van schoolkinderen.

Er zijn twee hoofdcategorieën, het vervoer met de autocar en het vervoer met de autobus.

In het eerste geval moet iedereen over een zitplaats beschikken.

In het tweede geval gaat het om verschillende soorten verplaatsingen met het openbaar vervoer, waaronder het leerlingenvervoer.

Voor het vervoer met voertuigen van de openbare vervoersmaatschappijen is er een bestek, in overeenstemming met de geboden dienst. De normen variëren van het type stadsvervoer over korte afstanden met een maximum aantal staanplaatsen, tot het type snel intercommunaal vervoer over langere trajecten met een maximum aantal zitplaatsen.

Ik ben niet van plan de verhouding zitplaatsen/staanplaatsen, zoals bepaald in artikel 65 van het de technische reglementering, te wijzigen. De verhouding is: minimum één zitplaats voor drie staanplaatsen. Er moet een zekere soepelheid zijn bij de toepassing.

De platformen met inklapbare stoelen kunnen dienen voor dubbel gebruik, zowel voor zitplaatsen als voor staanplaatsen en voor personen met een beperkte mobiliteit of personen met een kinderwagen.

De twee andere vragen vergen geen omstandige uitleg.

De heer Berni Collas (MR). - Het antwoord van de minister is ontoereikend. Men houdt immers geen rekening met het landelijke karakter van bepaalde regio's, zoals de mijne. Er zijn niet alleen problemen in de winter, maar de kinderen moeten vaak een lange afstand afleggen om naar school te gaan.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Binnenlandse Zaken over «aanwervingen in het kader van gemeentelijke administratieve sancties» (nr. 4-153)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Het koninklijk besluit van 7 januari 2001 tot vaststelling van de procedure tot aanwijzing van de ambtenaar en tot inning van de boetes in uitvoering van de wet van 13 mei 1999 betreffende de invoering van gemeentelijke administratieve sancties, voorziet in twee mogelijkheden voor het aanwijzen van een sanctioneringsambtenaar. Ofwel wordt onder het gemeentepersoneel een ambtenaar met de nodige kwalificaties aangewezen. Ofwel, als deze niet beschikbaar is, wordt aan de provincie gevraagd een ambtenaar ter beschikking te stellen. Andere formules zijn er niet opgenomen in het koninklijk besluit.

De minister, net als zijn toenmalige collega bevoegd voor grootstedenbeleid, heeft in 2005 in antwoord op parlementaire vragen reeds laten weten dat hij er geen probleem mee heeft wanneer een dergelijke ambtenaar door één gemeente wordt aangewezen en ter beschikking van andere gemeenten wordt gesteld, althans voor zover de gemeenten deel uitmaken van eenzelfde politiezone.

Intussen is men eigenlijk nog een stap verder gegaan. De gemeenten van het arrondissement Mechelen hebben onlangs beslist een interlokale vereniging op te richten waarbij één gemeente twee GAS-ambtenaren aanwerft. Eén beherende gemeente betaalt dus deze personen, is administratief verantwoordelijk voor hen en stelt hen middels een overeenkomst ter beschikking van de andere gemeenten. Deze gemeenten behoren dus niet meer tot eenzelfde politiezone, maar tot meerdere politiezones, weliswaar uit hetzelfde arrondissement.

Ik heb de indruk dat hiermee steeds verder wordt afgeweken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 januari 2001, die toch wel vrij strikt geformuleerd zijn. Dat is mijns inziens niet zonder gevaar. Het zou wel eens de rechtszekerheid van de benoeming van de GAS-ambtenaren in gevaar kunnen brengen en in die omstandigheden kan men ook vragen stellen bij de rechtszekerheid van de gemeentelijke administratieve sancties die deze ambtenaren zullen opleggen.

Deze problematiek roept overigens nog een andere vraag op. Volgens de huidige GAS-reglementering, meer bepaald volgens paragraaf 12 van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, kan de gemeente slechts in beroep gaan tegen het niet-opleggen van een sanctie door de sanctionerende ambtenaar, als het om een provincieambtenaar gaat. De gemeente kan niet in beroep gaan als de beslissing door een eigen ambtenaar is genomen.

In de toelichting over deze wetsbepaling lees ik: `Aangezien het onlogisch is dat een gemeente beroep zou aantekenen tegen een beslissing tot het niet opleggen van een administratieve sanctie zoals genomen door de sanctionerende ambtenaar die zij zelf heeft aangewezen, wordt thans uitdrukkelijk voorzien dat beroep door de gemeente enkel mogelijk is indien deze beslissing werd genomen door een "gedelegeerde" provincieambtenaar.'

Daar zit logica in. Alleen is onduidelijk in hoeverre er beroep kan worden aangetekend wanneer de GAS-ambtenaar wordt aangeworven door één gemeente en dan middels een samenwerkingsovereenkomst ter beschikking wordt gesteld van andere gemeenten. Is er ook hier niet sprake van een `gedelegeerde' ambtenaar, die slechts door één gemeente werd gekozen en waarop de andere gemeenten geen enkele invloed hebben?

Ten behoeve van de rechtszekerheid moet er dringend klaarheid worden gebracht in deze aangelegenheid.

Is de minister van mening dat de aanstelling van een GAS-ambtenaar middels een interlokale vereniging, zoals nu in het arrondissement Mechelen het geval is, nog in overeenstemming is met het koninklijk besluit van 7 januari 2001?

Vindt de minister het niet nodig dit koninklijk besluit aan te passen en te versoepelen om tot meer rechtszekerheid te komen en de gemeenten meer speelruimte te geven om de voor hen meest gepaste samenwerkingsformule voor de aanstelling van GAS-ambtenaren te vinden?

Kunnen de niet-beherende gemeenten in het aangehaalde geval van het arrondissement Mechelen al dan niet in beroep gaan tegen beslissingen van de GAS-ambtenaar die door de beherende gemeente werd aangesteld?

Is het niet eveneens wenselijk om ter zake de nodige regelgevende klaarheid te brengen?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Op het eerste gezicht lijkt het mij geen probleem dat meerdere gemeenten via de constructie van een interlokale vereniging, zoals bepaald in het decreet intergemeentelijke samenwerking, één en dezelfde ambtenaar gebruiken voor het procedureaspect van administratieve geldboetes.

De persoon die wordt aangesteld voor het opleggen van de administratieve geldboetes, moet een gemeentelijk ambtenaar zijn die voldoet aan de voorwaarden van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet en het uitvoeringsbesluit van 7 januari 2001.

Dit lijkt geen obstakel te zijn aangezien het decreet bepaalt dat de beherende gemeente eigen personeel kan inzetten ten behoeve van het samenwerkingsverband conform de voorwaarden bepaald in de overeenkomst en onder voorbehoud dat de rechten van dit personeel geëerbiedigd worden. Iedere deelnemende gemeente kan dan de bedoelde ambtenaar door de gemeenteraad laten aanwijzen als ambtenaar belast met het opleggen van de administratieve geldboetes, en dit overeenkomstig artikel 1 van het voormelde KB van 7 januari 2001.

Een aanpassing is mijns inziens niet aan de orde. Zoals hoger gesteld lijkt er mij geen beletsel te zijn om desgevallend een beroep te doen op `intergemeentelijke samenwerking'. Andere specifieke problemen met betrekking tot de hoedanigheid van de sanctionerende ambtenaren zijn mij momenteel niet bekend.

Sedert de wetswijziging van 20 juli 2005 bepaalt artikel 119bis §12 van de nieuwe gemeentewet dat de gemeente in beroep kan tegen een beslissing van een provincieambtenaar tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete. In een andere beroepsmogelijkheid is niet voorzien, behoudens uiteraard de mogelijkheid voor de overtreder zelf om beroep aan te tekenen tegen beslissingen die ten zijnen laste genomen worden.

De gemeentelijke ambtenaar die wordt aangewezen voor het opleggen van een gemeentelijke administratieve sanctie, moet mijns inziens in volle onafhankelijkheid kunnen oordelen. Deze onafhankelijkheid lijkt mij in het gedrang te komen indien de gemeente stelselmatig beroep zou kunnen aantekenen tegen zijn beslissing tot het niet-opleggen van een sanctie. Deze ambtenaar werd immers door de gemeente zelf aangesteld. Dezelfde redenering kan ook worden gevolgd voor gemeentelijke ambtenaren die binnen een interlokale vereniging worden aangesteld.

Artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet werd gewijzigd in 2004 en 2005 en laat de gemeenten momenteel voldoende ruimte om het systeem van de gemeentelijke administratieve sancties toe te passen. Ik stel trouwens vast dat steeds meer steden en gemeenten beroep doen op deze sanctioneringsmogelijkheid. Ik wil hen dan ook de nodige ademruimte geven om zich dit systeem steeds meer eigen te maken zonder om de haverklap wijzigingen aan te brengen, wat de rechtszekerheid trouwens evenmin ten goede zou komen.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's» (nr. 4-161)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Op 1 maart 2007 heeft de Senaat de wet op de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's aangenomen.

Deze wet bepaalt dat de verantwoordelijke voor de verwerking bij de toegang tot de voor het publiek toegankelijke besloten plaats een pictogram aanbrengt dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt.

Volgens artikel 14 moeten de bewakingscamera's die geplaatst zijn voor de inwerkingtreding van deze nieuwe wet, uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding ervan aan de nieuwe bepalingen voldoen.

In bepaalde omstandigheden kunnen de beelden worden overgedragen aan de politiediensten of de gerechtelijke overheden indien feiten worden vastgesteld die een misdrijf kunnen vormen en de beelden kunnen bijdragen tot het bewijzen van die feiten en het identificeren van de daders.

Ik heb de volgende vragen:

Hoeveel bewakingscamera's werden sinds de inwerkingtreding van de wet geïnstalleerd?

Hoeveel keer werden de beelden van een bewakingscamera doorgegeven aan de politiediensten of de gerechtelijke overheden als bewijs van strafbare feiten of om de daders te identificeren?

Hoe evalueert de minister de inwerkingtreding van de wet op de bewakingscamera's?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Als burgemeester ben ik zeer gevoelig voor deze kwestie, want in mijn gemeente zijn we erg bezorgd dat we een aantal gebouwen en plaatsen niet kunnen bewaken.

Ik lees het antwoord van de minister.

De verantwoordelijke voor de verwerking is verplicht de beslissing tot het plaatsen van bewakingscamera's mee te delen aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Volgens de informatie van de Commissie zijn er in totaal 1.112 bewakingssystemen gemeld. Ik kan u meer gedetailleerde gegevens bezorgen.

Voor het gebruik van de beelden door de politiediensten of de gerechtelijke overheden, raad ik u aan u tot de minister van Justitie te wenden.

Mijn diensten hebben geen cijfergegevens over wat de politiediensten met de beelden doen. Daartoe had men cijfers van alle zones moeten inwinnen, wat wegens de beperkte tijd onmogelijk was.

De politiediensten zijn alleszins overtuigd van de efficiëntie van de bewakingscamera's. Iedereen herinnert zich de zaak-Joe Van Holsbeeck en de rol van de bewakingscamera's bij de identificatie van de daders.

De totale uitvoering van de wet op de bewakingscamera's hangt af van drie koninklijke besluiten. Het koninklijk besluit over de manier waarop de aanwezigheid van bewakingscamera's wordt meegedeeld is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2008. De twee andere koninklijke besluiten zijn in de maak.

Uit de eerste evaluatie van de wet op de bewakingscamera's blijken enkele onduidelijkheden of moeilijkheden bij de toepassing van de wet op het terrein.

Ik zal deze evaluatie binnenkort aan het parlement voorleggen, vergezeld van een eerste versie van een voorstel van een herstelwet. De wet betreffende de bewakingscamera's is het resultaat van een parlementair initiatief. Het komt het parlement dan ook toe de wet aan te passen. De tekst die door mijn diensten werd opgesteld, is uitvoerig besproken met de betrokken diensten, zoals de politiediensten, de Vereniging van Steden en Gemeenten en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Dit document kan de basis vormen voor een grondige parlementaire discussie.

Voor de verstaanbaarheid en de toepassing van de wet en de uitvoeringsbesluiten zal ik binnenkort trouwens een verklarende omzendbrief opstellen.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de minister voor dit antwoord, al is uiteraard slechts gedeeltelijk, aangezien de tweede vraag tot de minister van Justitie gericht was.

Ik zal dit aspect tijdens het debat over de bewakingscamera's uitdiepen en bijkomende vragen stellen.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Klimaat en Energie over «de invoer van palmolie uit Colombia en de gevolgen hiervan voor de plaatselijke bevolking» (nr. 4-160)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - Onlangs heeft de Europese Commissie een aantal ambitieuze voorstellen gedaan om de klimaatverandering te bestrijden. Er is onder meer een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad om het gebruik van energie uit duurzame bronnen te bevorderen.

Er rijzen evenwel een reeks vragen bij de doelstellingen van deze richtlijn. Tegen 2020 moet elke lidstaat de minimumdoelstelling van 10% biobrandstoffen halen. Wat zullen de gevolgen zijn van de productie van biobrandstoffen in België en in het buitenland? Wat zal het werkelijke effect zijn op de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de voedselprijzen, de biodiversiteit en de bevolkingen?

Ik wil vooral de aandacht vestigen op palmolie, geproduceerd in Colombia en uitgevoerd naar de Europese Unie.

Er is niet alleen de verdwijning van oerbos, de achteruitgang van de biodiversiteit en de verdere uitbreiding van de monoculturen, maar volgens ernstige onderzoeken dwingen paramilitaire organisaties mensen te verhuizen om nieuwe gronden in gebruik te nemen voor de intensieve teelt van palmolie. Het gewelddadige verwerven van nieuwe akkergronden gaat gepaard met het fnuiken van de vakbonden en schendingen van de mensenrechten.

Volgens onze informatie voerde België tot eind 2005 relatief weinig palmolie in uit Colombia. De uitvoer van in Nederland, Groot-Brittannië of Duitsland geraffineerde Colombiaanse palmolie naar ons land doet de cijfers evenwel stijgen. In de toekomst zal de import van palmolie wellicht nog sterk toenemen.

Heeft de minister gegevens over de hoeveelheid palmolie die in de jaren 2006 en 2007 in België werden ingevoerd? Zo ja, welke hoeveelheden komen direct of indirect uit Colombia?

Zijn er garanties dat de palmolie die in België wordt ingevoerd, wel degelijk werd geproduceerd met inachtneming van de mensenrechten, de internationale conventies van het IAB en het verdrag van de Verenigde Naties over de biodiversiteit?

Het voorstel van de Europese Commissie houdt in artikel 16 al rekening met de milieucriteria bij de productie van biobrandstoffen. Een gelijkaardige bepaling is nodig voor de mensenrechten en de internationale conventies van het IAB.

Zal de minister zich daarvoor bij de bespreking in de ministerraad inzetten?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister van Klimaat en Energie.

Palmolie is een grondstof voor de voedingsmiddelen- en de cosmetica-industrie en voor biobrandstoffen. In België is de productie van biodiesel op basis van plantaardige olie geregeld in de wet van 10 juni 2006. De erkende producenten vervaardigen biodiesel volgens de Europese norm, EN 14214. Overeenkomstig die norm moet biodiesel samengesteld zijn uit meer dan 90% koolzaadolie en minder dan 10% soja- of palmolie.

We weten niet hoeveel palmolie wordt gekocht voor de productie van biodiesel, maar we kunnen een schatting maken op basis van de hoeveelheid biodieselbrandstoffen.

De productie van biodieselbrandstoffen is pas in 2007 gestart. In 2006 was er een verbruik van 1.000 m³ en in 2007 117.000 m³.

Op basis van een gemiddelde toevoeging van 4% palmolie gaat het om 4.700 m³ palmolie, de productie van ongeveer 200 hectaren.

Aangezien vele landen palmolie produceren, is het niet mogelijk de herkomst van de palmolie te achterhalen.

Ik ben me ervan bewust dat de doelstelling van 10% biobrandstoffen die op de Europese lentetop van 2007 werd voorgesteld, een sterke verhoging van de invoer van palmolie met zich mee zal brengen.

De herziening van de richtlijn over de kwaliteit van de brandstoffen en het voorstel voor een richtlijn over duurzame energie is dan ook de kern van de Europese discussies over de duurzaamheidcriteria.

Ik steun uiteraard de criteria die rechtstreeks in verband staan met de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, maar ook die welke gepaard gaan met de ethische productie, de biodiversiteit en de socio-economische ontwikkeling. De duurzaamheidcriteria en de aanbevelingen voor de eerbiediging van de mensenrechten en de internationale conventies van het IAB steunen, is het minste wat we kunnen doen. Het verband tussen de plaatsen waar de olie wordt geproduceerd en de niet-eerbiediging van de mensenrechten is evenwel moeilijk vast te stellen.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - Ik neem akte van de positieve elementen in het antwoord van de minister, maar het verontrust me dat hij de oorsprong niet kent van de palmolie die in België wordt verkocht. Men moet in de toekomst zeker aandacht besteden aan dit probleem. De exploitatievoorwaarden op de palmvelden zijn soms rampzalig voor de biodiversiteit en voor de bevolking. Ik heb dat zelf kunnen vaststellen in Maleisië, Indonesië en Congo.

Als we averechtse gevolgen voor de duurzame ontwikkeling willen vermijden, dan moeten we de olie kunnen traceren en de omstandigheden kennen waarin ze in België wordt ingevoerd en gebruikt.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de minister van Werk over «de berekening van differentiële kinderbijslagen voor Belgische grensarbeiders in Luxemburg» (nr. 4-148)

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Bijna 30.000 inwoners van de provincie Luxemburg werken in het Groothertogdom Luxemburg. Die grensarbeiders genieten een bijzonder regime op het vlak van de sociale zekerheid.

Ik werd op de hoogte gebracht van een zeer specifiek probleem dat te maken heeft met de berekening van de differentiële kinderbijslag van een Belgisch gezin.

De heer en mevrouw X wonen in België. Mijnheer werkt in het Groothertogdom Luxemburg, mevrouw in een overheidsdienst in België. Ze hebben een kind. In overeenstemming met de wetgeving en om te voorkomen dat Europese burgers twee keer kinderbijslag van dezelfde aard krijgen in twee Europese landen, wordt een differentiële uitkering berekend voor de kinderbijslag van Luxemburg. Dat resulteert terecht in een differentiële bijslag van 185,60 euro (Luxemburgse bijslag) min 80,17 euro (Belgische bijslag), hetzij 105,43 euro.

Mevrouw neemt een gewone loopbaanonderbreking, waarvoor ze maandelijks ongeveer 569,03 euro van de Belgische Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ontvangt, en stuurt een officieel attest naar de Nationale Kas voor kinderbijslag van Luxemburg, waarop duidelijk vermeld staat dat het om een gewone loopbaanonderbreking gaat en niet om ouderschapsverlof. Volgens het Gemeenschapsrecht kan die uitkering voor loopbaanonderbreking dus niet worden gelijkgesteld met kinderbijslag.

Nu blijkt dat Luxemburg de vergoeding voor loopbaanonderbreking van mevrouw gelijkstelt aan een vergoeding voor ouderschapsverlof, er verkeerdelijk van uitgaand dat het een opvoedingsvergoeding is die door België wordt betaald. Volgens hetzelfde principe als voor de kinderbijslagen wordt de differentiële uitkering als volgt berekend: 485,01 euro (Luxemburgse opvoedingsvergoeding) min 569,53 euro (uitkering voor loopbaanonderbreking), wat resulteert in een negatieve uitkering van 84,52 euro.

Het gezin krijgt uiteindelijk dus 20,91 euro in plaats van 590,44 euro!

Het Groothertogdom Luxemburg rechtvaardigt die situatie door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen C-469/02 betreffende de uitkeringen inzake loopbaanonderbreking, meer bepaald artikel 16, waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar ouderschapsverlof. De Nationale Kas voor kinderbijslag van Luxemburg breidt dit uit tot alle soorten loopbaanonderbrekingen in België.

De Luxemburgse Staat maakt wellicht gebruik van een leemte in de Belgische wetgeving, waarin onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende soorten loopbaanonderbreking, de voorwaarden voor de toekenning en vooral wat door de toegekende vergoedingen wordt gedekt, vooral in het licht van de Europese bepalingen terzake.

Het probleem doet zich ook voor in het kader van het systeem van het tijdskrediet dat in de Belgische privé-sector geldt. Bent u op de hoogte van dat soort problemen? Kan een precisering van de Belgische wetgeving worden overwogen om te voorkomen dat zich almaar vaker zulke situaties voordoen?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Uw vraag valt onder de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken, maar ik kan ze toch gedeeltelijk beantwoorden.

Het Europees Hof van Justitie heeft inderdaad een arrest geveld waarin de uitkeringen voor loopbaanonderbreking beschouwd worden als kinderbijslagen. De regels van de cumulatie zijn dus van toepassing en Luxemburg kan het verschil in mindering brengen.

Aangezien het een interpretatie van een arrest van het Europees Hof van Justitie betreft, is het beter deze problematiek te bespreken in de administratieve commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van de migrerende werknemers. Het probleem werd wel reeds besproken en zal nog worden besproken in het kader van onze bilaterale contacten met Luxemburg.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Dit concrete probleem, waarmee veel gezinnen worden geconfronteerd, is nochtans gemakkelijk te regelen. De bilaterale onderhandelingen zijn uiteraard de beste gelegenheid om erover te praten. Raadt u me aan mijn vraag aan mevrouw Onkelinx te stellen?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Het antwoord dat mijn kabinet heeft voorbereid, werd goedgekeurd door de minister van Sociale Zaken. Ik stel voor dat u zich tot mevrouw Onkelinx wendt voor bijkomende inlichtingen.

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Justitie over «gedwongen huwelijken» (nr. 4-155)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk antwoordt.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Schijnhuwelijken zijn in ons land een weerkerend probleem. Die praktijk heeft tot doel bepaalde voordelen te verkrijgen zoals de nationaliteit van de echtgenoot, de regularisatie van een verblijfssituatie of de toegang tot de sociale zekerheid. Het huwelijk met een Belg en het systeem van gezinshereniging behoren tot de gemakkelijkste mogelijkheden om het grondgebied binnen te komen en zijn het beste middel om, naast de asielaanvraag, de Belgische nationaliteit te verkrijgen.

Die praktijk is de jongste jaren in België aanzienlijk toegenomen. In 2006 telde de DVZ 5.474 vermoedelijke schijnhuwelijken; in 2007 werden 9.325 gevallen geregistreerd. Dat is een stijging met 70%. Naast de visafraude zijn de schijnhuwelijken voor onze rechtsstaat een belangrijk probleem in de strijd tegen de illegale immigratie.

Die huwelijken vormen vooral een gevaar binnen de problematiek van de gedwongen huwelijken, die ook elders in Europa voorkomen. Volgens een vereniging die strijdt tegen geweld tegen vrouwen lopen heel wat jongeren tussen 10 en 18 jaar het gevaar tegen hun zin te worden uitgehuwelijkt. Het aantal is moeilijk te tellen, maar alle verenigingen stellen een toename vast van het aantal gedwongen huwelijken in gemeenschappen waar die praktijk bestaat. Voor die toename zijn er in de eerste plaats administratieve redenen. Die huwelijken maken het immers mogelijk dat nauwe verwanten definitief naar België kunnen komen in het kader van de gezinshereniging. Statistisch gezien blijft Marokko het land waar de meeste schijnhuwelijken worden vastgesteld.

Het fenomeen stelt zich nu nog scherper nu de kennis van een van de landstalen niet langer vereist is. Op ons grondgebied komen dus mensen binnen die geen enkele band met België hebben en die de bekende problemen veroorzaken.

Om dat fenomeen in te dijken heeft de Nederlandse regering eind 2004 de voorwaarden om het land binnen te mogen voor een partner afkomstig van een land buiten de EU, verscherpt. Het inkomen van de persoon die zijn partner laat overkomen moet aldus op zijn minst 120% bedragen van het minimumloon en de twee partners moeten minstens 21 jaar oud zijn. Dat beleid, geïnspireerd op het Deense model, lijkt in Nederland al vruchten af te werpen.

De inspanningen van de Belgische wetgever om die gesel in te dijken, blijken niet te volstaan. Er moeten dus bijkomende maatregelen tegen deze praktijk worden genomen.

Hoe worden in ons land schijnhuwelijken en misbruik van gezinshereniging bestraft? Zal de regering inspiratie zoeken bij nieuwe beleidstrends in onze buurlanden? Zo ja, wat zal ze concreet doen?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Ik ben erg gevoelig voor de problematiek van de schijnhuwelijken en de gedwongen huwelijken.

Om daartegen te strijden werden al verschillende burgerrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen genomen.

Inzake schijnhuwelijken heeft de wet van 12 januari 2006 een artikel 79bis ingevoegd in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Die bepaling straft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden of met een geldboete van zesentwintig tot honderd euro elke persoon die een schijnhuwelijk sluit met de bedoeling een verblijfsvergunning te verkrijgen of een dergelijke vergunning aan zijn echtgenoot te bezorgen. Het artikel bepaalt strengere straffen voor eenieder die een geldsom ontvangt die ertoe strekt hem te vergoeden voor het sluiten van een dergelijk huwelijk en eenieder die gebruik maakt van geweld of bedreiging om een persoon te dwingen een dergelijk huwelijk te sluiten. Die bepaling bestraft dus het gedwongen huwelijk wanneer het samenvalt met een schijnhuwelijk.

Wat het gedwongen huwelijk betreft is de wet van 25 april 2007, die een artikel 391sexies invoegt in het Strafwetboek en sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wijzigt om het gedwongen huwelijk strafbaar te stellen en de middelen tot nietigverklaring ervan te verruimen, op 25 juni 2007 in werking getreden. Artikel 146ter van ons Burgerlijk Wetboek luidt nu: `Er is evenmin een huwelijk wanneer het wordt aangegaan zonder vrije toestemming van beide echtgenoten en de toestemming van minstens een van de echtgenoten werd gegeven onder geweld of bedreiging.'

Door deze nieuwe bepaling kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, net zoals voor schijnhuwelijken, weigeren een gedwongen huwelijk te voltrekken.

Het gedwongen huwelijk is absoluut nietig en die nietigheid kan worden ingeroepen door het openbaar ministerie, de echtgenoten zelf en ieder die daarbij belang heeft.

Er werd ook een strafsanctie ingevoerd. Een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar of een boete van 100 tot 500 euro wordt opgelegd aan eenieder die door geweld of bedreigingen iemand tot een huwelijk dwingt. Ook de poging daartoe is strafbaar.

Voor het misbruik van gezinshereniging in ons land is de FOD Binnenlandse Zaken en meer bepaald de Dienst Vreemdelingenzaken bevoegd.

Het probleem van de schijnhuwelijken en de gedwongen huwelijken maakt ook het voorwerp uit van discussies binnen internationale fora, met name de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand. De vergaderingen van dit orgaan geven de lidstaten de gelegenheid van gedachten te wisselen over hun praktische standpunten ter zake.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik hoop dat de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand meer doet dan informatie uitwisselen en dat er op nationaal- en internationaalrechtelijk vlak strenger zal worden opgetreden.

Het antwoord van de minister was een opsomming van bestaand recht. Met betrekking tot dat recht delen verschillende diplomatieke posten mij mee dat de fenomenen waarover we het hebben toenemen. De bestaande bepalingen volstaan duidelijk niet. Wij blijven de situatie volgen. Als ze blijft verergeren, moeten er wel degelijk bijkomende maatregelen worden getroffen.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Paul Procureur aan de minister van Justitie over «de overbevolking in gevangenissen» (nr. 4-156)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik heb de minister op 28 februari jongstleden, naar aanleiding van de Europese actiedag tegen de overbevolking in de gevangenissen, vragen gesteld over de situatie in onze gevangenissen.

Omdat de minister de vergadering van de Europese ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken bijwoonde, heeft de minister van Landsverdediging ons zijn antwoord voorgelezen.

We hebben daarbij vernomen dat nieuwe gevangenissen moesten worden gebouwd in Gent en in Antwerpen om plaats te bieden aan 390 gedetineerden die thans in andere gevangenissen verblijven en dat er uiterlijk in 2012 nog een nieuwe gevangenis zou komen in Dendermonde. Dat is natuurlijk heuglijk nieuws.

De minister verklaarde ten slotte dat de capaciteit van het gesloten centrum van Everberg zou worden opgetrokken en dat ook Wallonië een soortgelijke instelling met een even grote capaciteit zou krijgen.

Ik zou graag nog even ingaan op enkele elementen.

Kan de minister mij zeggen wat zijn plannen zijn voor de gevangenissen in het zuiden van het land? Ik denk bijvoorbeeld aan de gevangenissen van Doornik, Bergen, Namen, Andenne, Lantin of Jamioulx. Zullen die instellingen worden uitgebreid?

De minister bevestigde op 28 februari dat het aantal gedetineerden sinds het begin van dit jaar nog gestegen is. Er zijn nu 9.871 gedetineerden, van wie 584 onder elektronisch toezicht staan.

Men wijt de overbevolking vaak aan de toenemende toepassing van de voorlopige hechtenis en de daling van de vervroegde invrijheidstellingen. Kan de minister daar meer uitleg over geven?

Kan hij mij, tot slot, meer uitleg geven over het gesloten centrum voor jeugdige delinquenten dat in Wallonië zou worden gebouwd? Ik vernam dat de stad Florennes daarvoor in aanmerking zou komen. Heeft de minister in dat verband al contacten gehad met de minister van Jeugdbijstand van de Franse Gemeenschap?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Dit probleem was het onderwerp van een lang debat in het begrotingsconclaaf, dat onder meer gewijd was aan het nieuwe beleid van de Regie der Gebouwen. We hebben er eergisteren nog over gediscussieerd in de kern en hebben het investeringsplan van meer dan honderd miljoen euro voor het ministerie van Justitie vastgelegd.

Ik lees u nu het antwoord van de minister van Justitie.

Ik bekommer mij op dit ogenblik niet alleen om het optrekken van de gevangeniscapaciteit, maar ook om het renoveren van de gebouwen die in een slechte staat zijn. In Doornik en Jamioulx zijn grote werkzaamheden gestart. Daarna zullen de cellen die nu leegstaan opnieuw in gebruik kunnen worden genomen, waardoor de beschikbare capaciteit zal toenemen.

Binnenkort wordt gestart met werken in Vorst en Verviers. De oppervlakte van de gevangenisinstellingen uitbreiden is meestal onmogelijk omdat de meeste gevangenissen in de steden werden gebouwd en omringd zijn met gebouwen die elke uitbreiding onmogelijk maken. De meeste gevangenissen dateren trouwens van de negentiende eeuw.

De toename van de gevangenisbevolking kan niet worden ontkend. Daar zijn tal van redenen voor. Naast de twee oorzaken die de heer Procureur heeft opgegeven, is er nog het feit dat veel gedetineerden wachten op overplaatsingen naar instellingen die meer aangepast zijn aan hun situatie, maar omdat in die instellingen geen plaats is, blijven ze langer dan voorzien in de gevangenis. Ik doe mijn best om oplossingen te vinden voor dat probleem. Ik heb al verwezen naar de renovatiewerken die aan de gang zijn. Tot slot is in het meerjarenplan 2008-2012 voorzien in een nieuwe instelling met 300 plaatsen.

Het project voor een gesloten instelling voor jeugdige delinquenten in Wallonië zal niet in Florennes kunnen worden gerealiseerd omdat het terrein ongeschikt werd verklaard. Het is immers niet stabiel wegens de dynamiteringen in een nabijgelegen steengroeve. We hebben samen met de Regie der Gebouwen een nieuwe plaats gezocht en er werd gekozen voor Achêne, dat geschikt zou zijn voor een dergelijke instelling. Er zal later contact worden opgenomen met de minister van Jeugdbijstand van de Franse Gemeenschap om de inhoud van het project te bepalen.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik dank de minister van Justitie voor zijn nauwkeurig antwoord. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de heer Piette het beste te wensen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de minister van Justitie over «de vervolging van bijzitters» (nr. 4-157)

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Op 10 juni 2007 vonden er federale verkiezingen plaats. Wegens de niet-splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde weigerden 187 personen in te gaan op de oproep om voorzitter of bijzitter te zijn van een stembureau of stemopnemingsbureau. Ze lieten dat weten middels een gemotiveerd schrijven aan de voorzitters van hun respectievelijke hoofdkantonbureaus. Al in 2004 waren er enkele weigeringen tengevolge van het probleem BHV.

Van de 187 personen die in 2007 dienst geweigerd hebben, worden er 68 effectief vervolgd. In Dendermonde werden er vier personen vrijgesproken, maar die zijn in beroep toch nog veroordeeld tot het betalen van een boete. In totaal hebben nu al 61 van de 68 vervolgden een effectieve veroordeling opgelopen. De straffen bestaan uit boetes van 275 tot 550 euro, toch geen kleine bedragen.

Het is opmerkelijk dat in 2004 dienstweigeraars door het hof van beroep te Gent werden vrijgesproken, waarbij de motivering inzake de ongrondwettigheid van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde als wettige reden om niet te zetelen werd aanvaard, en dat nu alle vervolgden wel bestraft worden, ondanks het inroepen van identieke redenen.

Het College van procureurs-generaal zou zelfs een richtlijn hebben opgesteld teneinde prioriteit te geven aan die vervolgingen, hetgeen door het parket werd bevestigd tijdens de diverse zittingen waarop de zaken voor de correctionele rechtbanken werden behandeld.

Collega Lijnen stelde enkele weken geleden al eens een vraag over de richtlijn van het College van procureurs-generaal. Maar de minister heeft er niet op geantwoord.

Kan de minister ons de richtlijn bezorgen van het College van procureurs-generaal voor de verschillende parketten inzake de vervolging van personen die afwezig waren als voorzitter of bijzitter in een stembureau of een stemopnemingsbureau? Waarom wordt in het beleid van het openbaar ministerie prioriteit gegeven aan de vervolging van personen die weigerden om te zetelen als voorzitter of bijzitter van een stembureau of stemopnemingsbureau?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Zoals aan uw collega op 5 februari 2008 werd meegedeeld, heeft het College van procureurs-generaal een werkgroep opgericht voor het vastleggen van richtlijnen voor de vervolgingen tegen personen die weigeren in te gaan op de oproep om voorzitter of bijzitter te zijn van een stembureau of stemopnemingsbureau.

De parketten hadden vóór de verkiezingen van juni 2007 geen circulaire met richtlijnen gekregen. Ik kan ze u bijgevolg niet geven. De werkgroep zal wellicht nieuwe richtlijnen opstellen voor de volgende verkiezingen. Hij heeft me echter al een verslag gestuurd, samen met een model van begeleidende brief houdende de instructies die de verschillende parketten-generaal moeten volgen bij de hoorzittingen van de weigeraars. De parketten-generaal hebben die instructies doorgestuurd naar hun parketten met het verzoek de aanbevelingen te volgen.

Het initiatief voor een uniform vervolgingsbeleid werd genomen op vraag van de Vereniging van Vrederechters, die zich ernstig zorgen maakte over de ernstige problemen die zich bij elke verkiezing voordoen. Als de opgeroepen voorzitters of bijzitters niet opdagen, kunnen de stembureaus of stemopnemingsbureaus immers niet worden samengesteld.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Als ik het goed begrijp kan ik de richtlijn niet inkijken omdat ze niet af is. Toch wordt ze door de rechtbanken gevolgd. Dat is nogal kras.

De minister antwoordt me dat de richtlijn tegen de volgende verkiezingen klaar zal zijn.

Vermoedelijk vind ik het antwoord op mijn vraag naar de uniformiteit van het beleid in de richtlijn, maar zolang ik die niet heb, kan ik daar alleen maar naar raden. Ik vraag de minister dan ook met aandrang me die richtlijn te verschaffen, ook al is die nog niet helemaal af. Al wat ik vraag is dat de minister mij de voorlopige richtlijn bezorgt.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Klimaat en Energie over «het gebruik van waterstof binnen het energieaanbod in België» (nr. 4-159).

De voorzitter. - De heer Josly Piette, minister van Werk, antwoordt.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - Een wetenschappelijk project dat gefinancierd wordt door het EU-kaderprogramma voor onderzoek, kwam tot de conclusie dat het gebruik van waterstof in het energieaanbod het totale aardolieverbruik van het wegtransport tegen 2050 met 40% kan doen dalen.

Uit het onderzoek blijk echter ook dat de overgang niet automatisch zal gebeuren. Aangezien eerst belangrijke economische, technologische en institutionele hinderpalen moeten worden overwonnen, komt het erop aan er zo snel mogelijk mee te starten. Aan het HyWaysproject werken ondernemingen, onderzoeksinstituten en overheidsagentschappen van tien Europese landen mee.

Het project heeft geleid tot een onderzoeksopdracht over de mogelijke gevolgen van het grootschalige gebruik van waterstof op korte en lange termijn voor de economie, de samenleving en het milieu van de EU. Daarnaast wordt een actieplan uitgewerkt dat aangeeft op welke manier het programma kan worden geconcretiseerd.

België neemt verbazingwekkend genoeg niet deel aan het HyWaysproject, in tegenstelling tot zijn buurlanden.

Nochtans is het gebruik van waterstof een van de meest realistische opties om de ecologische en economische leefbaarheid van het vervoer met personenwagens, lichte bedrijfswagens en autobussen te verbeteren. Dat vergt echter een geleidelijke aanpassing van het hele energiesysteem en bijgevolg ook een strikte planning.

We moeten verstandig en snel handelen willen we voorkomen dat België vertraging oploopt wat het rationele gebruik van waterstof betreft.

Wat denkt de minister over het aandeel dat waterstof zal innemen in het toekomstige energieaanbod? Wijst het feit dat België, in tegenstelling tot zijn buren, niet deelneemt aan het HyWaysproject erop dat ons land geen belangstelling heeft voor de productie en de distributie van waterstof en voor transportmiddelen die aan die vorm van energie zijn aangepast? Welke ontwikkelingen kunnen wij in België verwachten aangaande de productie van waterstof en wat zijn de mogelijke productiemethoden?

De heer Josly Piette, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Magnette.

Reeds in zijn publicatie van 2005 besloot het International Energy Agency dat op grond van de meest optimistische hypothesen over de technische vooruitgang en een energiebeleid dat het gebruik van waterstof als energiedrager promoot, voertuigen op brandstofcellen met waterstof vanaf 2020 op de markt kunnen worden gebracht en hun marktaandeel tegen 2050 dertig procent kan bedragen.

Minder optimistische hypothesen gaan ervan uit dat voertuigen op waterstof nooit de kritische massa zullen bereiken om ze op de markt te brengen en dat andere technologieën, die geringere infrastructuurkosten vergen, een belangrijkere rol zullen spelen; ik denk aan de biobrandstoffen en de synfuels uit gas of steenkool. De voertuigen op waterstof zouden bovendien aanzienlijk duurder zijn dan de traditionele voertuigen.

De verschillende benaderingen van de `waterstofmaatschappij' laten uitschijnen dat de ontwikkeling van waterstof als energiedrager zeer complexe politieke, economische, sociale, technische en milieudomeinen bestrijkt.

Daarom hebben de diensten van Wetenschapsbeleid in 2006 de studie Development of tools to evaluate the potential for sustainable hydrogen in Belgium gepubliceerd die was opgesteld door de VITO, de Universiteit Luik, de KULeuven en 3E.

In het referentiescenario speelt waterstof geen rol als energiedrager. In de alternatieve scenario's komt waterstof vanaf 2040 wel voor.

Bovendien kan moeilijk worden ingeschat welk type technologie op dat ogenblik zal worden gebruikt: verbrandingsmotoren met waterstof, hybride voertuigen met brandstofcellen, enzovoorts.

België beschikt over een uitgebreid net voor de distributie van waterstof en aardgas, over grote industriële verbruikers, zoals Air Liquide met hun grootste waterstofcentrum in Antwerpen, Hydrogenics dat waterstof produceert door elektrolyse, Intensys dat alkalische brandstofcellen (AFC) ontwikkelt.

De grootte van ons land, de bevolkingsdichtheid, het sterk ontwikkelde wegennet en bijgevolg de grote concentratie van potentiële gebruikers, verlagen de kosten van de distributie van waterstof tot bij de eindgebruiker.

In het Vlaamse Gewest zijn er twee belangrijke initiatieven, het Vlaams Samenwerkingsverband Waterstof en Brandstofcellen en het Witboek waterstof- en brandstofceltechnologie in Vlaanderen. Autobusconstructeur Van Hool heeft zelf een bus op waterstof ontwikkeld.

In het Waalse Gewest biedt het Marshallplan bijkomende middelen voor het onderzoek naar brandstofcellen; de opgebouwde expertise inzake brandstofcellen en industrieel gebruik van waterstof hoeft niet meer te worden aangetoond.

Alle experts zijn het erover eens dat we actief moeten meewerken aan de ontwikkeling van een Europese visie.

De meeste deskundigen zijn van oordeel dat de productie van waterstof op grote schaal in de volgende decennia wegens de kostprijs eerst zal gebeuren op basis van fossiele brandstoffen, met procédés die het mogelijk maken koolstofdioxide op te vangen en op te slaan, en niet op basis van duurzame of nucleaire energiebronnen. Voor het opvangen en opslaan van CO2 zijn demonstratieprojecten nodig op het niveau van de Europese Unie.

Het Studiecentrum voor Kernenergie neemt deel aan het Europese RAPHAEL-project voor de ontwikkeling van reactoren die geschikt zijn voor de productie van waterstof.

Ook de toekenning van O&O-middelen voor de optimalisering van innovatieprocessen in kmo's is op zich niet slecht. De technologische knowhow en de kleine Belgische structuren zijn sterke troeven die pleiten voor een dergelijke benadering.

De heer Georges Dallemagne (cdH). - België mag niet bang zijn voor dat soort energie.

Ik hoor over de Waalse en Vlaamse initiatieven. De minister van Klimaat en Energie, tot wie ik mijn vraag heb gericht, moet echter ook tonen dat hij geïnteresseerd is. Ik begrijp niet waarom de cijfers die hij noemt, zoveel lager liggen dan die van de Europese Unie.

Ongeacht de vragen die nog rijzen, moet men resoluut voor die nieuwe energievormen durven kiezen. Ik heb dat besproken met eminente experts zoals de heer Van Ypersele, die een groot voorstander is van de productie van waterstof, die ook ver van België kan gebeuren, aangezien waterstof gemakkelijk transporteerbaar is.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats woensdag 19 maart 2008 om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Delpérée en Van den Brande, in het buitenland, de heer Wille, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Georges Dallemagne, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Etienne Schouppe, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Georges Dallemagne, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Marc Elsen, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Etienne Schouppe, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Georges Dallemagne, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Etienne Schouppe, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Georges Dallemagne, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Etienne Schouppe, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, met het oog op de invoering van het elektronisch toezicht (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-613/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, met betrekking tot de regeling inzake noodweer en tot invoering van de algemene schulduitsluitingsgrond "noodweerexces" (van de heer Yves Buysse c.s.; Stuk 4-615/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van hoofdstuk V van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (van de heer Yves Buysse c.s.; Stuk 4-616/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wat betreft de verscheidene hoedanigheden als persoon ten laste (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-617/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wat het BTW-tarief voor aardgas en elektriciteit betreft (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Freddy Van Gaever; Stuk 4-619/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende gratis tandzorg voor kinderen tot 18 jaar (van mevrouw Olga Zrihen; Stuk 4-620/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende instelling van de echtscheidingsvereffenaar om de vereffening en verdeling bij echtscheiding te versoepelen (van de heer Guy Swennen; Stuk 4-621/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot toekenning van een vergoeding aan de ouders van een gehospitaliseerd kind (van mevrouw Myriam Vanlerberghe; Stuk 4-622/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 39, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen (van de heer Michel Delacroix; Stuk 4-623/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 93 en 95 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, teneinde de moederschapsrust in geval de pasgeborene opgenomen wordt in een verpleeginrichting te kunnen verlengen (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-626/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot het verlenen van rechtspersoonlijkheid aan het ongeboren kind (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Hugo Coveliers; Stuk 4-627/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken met het oog op de uitbreiding van de regeling van de verplichte DNA-afname bij bepaalde groepen van veroordeelden (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 4-628/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel betreffende het draagmoederschap (van de heer Philippe Mahoux; Stuk 4-633/1).

-Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de omvorming van het hypotheekregister tot een grondboekregister (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-614/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie tot het bevorderen van het verstrekken van informatie bestemd voor de burger met het oog op het versnellen van de afhandeling van lopende strafonderzoeken (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 4-618/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie om verlenging van de moederschapsrust toe te staan voor vrouwelijke zelfstandigen die dat wensen wanneer hun pasgeborene in het ziekenhuis wordt opgenomen (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-625/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschap van de Kamer

Bij boodschap van 6 maart 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen:

Kennisgeving

Wetsontwerp dat ertoe strekt de inbeslagneming of de overdracht te verhinderen van overheidsgeld bestemd voor de internationale samenwerking, met name via de techniek van de aasgierfondsen (van de heer Paul Wille c.s.; Stuk 4-482/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 maart 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag, gedaan te Brussel op 8 december 2004, betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, gedaan te Brussel op 23 juli 1990, en tot het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 23 juli 1990, gedaan te Brussel op 25 mei 1999 (van de Regering; Stuk 4-629/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van het Koninkrijk Bahrein inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Manama op 11 juli 2006 (van de Regering; Stuk 4-630/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Federale Democratische Republiek Ethiopië, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 26 oktober 2006 (van de Regering; Stuk 4-631/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Republiek Rwanda, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Kigali op 16 april 2007 (van de Regering; Stuk 4-632/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, en met het Protocol, ondertekend te Singapore op 6 november 2006 (van de Regering; Stuk 4-638/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Mededeling van koninklijke besluiten

Bij brief van 22 februari 2008 heeft de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie aan de Senaat overgezonden, voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 3bis, §1, 2de en 3de lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het ontwerp van koninklijk besluit voor advies voorgelegd aan de Raad van State van volgend voorontwerp van koninklijk besluit:

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 10 maart 2008 heeft de arbeidsauditeur te Tongeren overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Arbeidsauditoraat te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 27 februari 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 6 maart 2008, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig artikelen 259bis-7, §3, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het verslag over het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van interne controle binnen de rechterlijke orde - Kalenderjaar 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.