4-34 | Belgische Senaat | 4-34 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Overlijden van een oud-senator
Inoverwegingneming van een voorstel
Civiele veiligheid - Nationaal Raadgevend Comité van de zones
Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Maurice Dewulf, eresenator, gewezen senator voor het arrondissement Gent-Eeklo en gewezen gecoöpteerd senator.
Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurde gewezen medelid betuigd.
De voorzitter. - Aan de orde is de bespreking over de inoverwegingneming van het wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van kinesitherapeuten (van de heer Jacques Brotchi, Stuk 4-803/1).
Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.
Tenzij er bezwaren zijn, wordt dit voorstel in overweging genomen en verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. (Instemming)
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a+Vl.Pro). - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging wil zich nog even beraden over de amendementen bij het voorstel van resolutie betreffende de toestand in Tibet.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Onze fractie steunt de vraag van de voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Als we nu samenkomen en de ingediende amendementen bespreken, kunnen we misschien vandaag nog over de resolutie stemmen.
De heer Paul Wille (Open Vld). - Open Vld is het volkomen eens met de vraag van mevrouw Temmerman.
-Tot terugzending wordt besloten.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Op vrijdag 6 juni is de bioweek 2008 gestart. Zoals elk jaar is dit een goede gelegenheid om de biosector extra in de kijker te zetten.
De biologische landbouw heeft onmiskenbaar een aantal voordelen. Onderzoek bevestigt dat de biologische landbouw bijdraagt tot het afremmen van de opwarming van de aarde en ook op het vlak van milieueffecten en dierenwelzijn scoort deze sector uitermate goed. Minder pesticiden, minder kunstmeststoffen, minder intensieve bedrijfsvormen, diervriendelijke teeltwijze ... het zijn allemaal enorme voordelen op het vlak van milieu, bodem, CO2-uitstoot en biodiversiteit. We hebben er dus alle belang bij de bioconsumptie te stimuleren en ook de omschakeling naar biologische teeltwijzen zou verder moeten worden aangemoedigd.
De consumptiecijfers voor biologische producten gaan lichtjes in stijgende lijn, maar toch blijft de prijs een belangrijke drempel om bioproducten te kopen. Deze producten zijn immers duurder, maar dat is niet verwonderlijk gezien de specifieke productiewijze. De milieuvoordelen kunnen echter niet in geld worden uitgedrukt.
Het Nederlandse ministerie van Landbouw heeft in een aantal supermarkten een studie laten uitvoeren over prijsverlagingen voor bioproducten. Dankzij de prijsverlagingen nam de totale omzet van bioproducten in de betrokken supermarkten toe. Dat bewijst dat een prijsverlaging wel degelijk effect heeft.
De verkoop van bioproducten kan worden bevorderd door de btw te verlagen: een nultarief voor verse groenten en fruit en een verlaagd tarief voor bewerkte producten en voor biohoreca. Dat is een zeer oude vraag, ook van de sector zelf.
Deze discussie wordt ook op Europees niveau gevoerd. Eurocommissaris Kovács verklaarde zich onlangs voorstander van een verlaagd btw-tarief voor producten met een geringe CO2-voetafdruk, waartoe de bioproducten behoren.
Is de minister voorstander van een verlaagd btw-tarief voor deze producten om op die manier de consumptie en de productie te stimuleren?
Is hij bereid deze vraag aan te kaarten op de volgende Ministerraad en op Europees niveau te pleiten voor een verlaging van het btw-tarief voor bioproducten?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees u het antwoord van minister Reynders.
Momenteel geldt voor levensmiddelen al het verlaagde btw-tarief van 6%. De ruimte voor een btw-verlaging is dus heel gering.
Overeenkomstig de artikelen 98 en 99 van de richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, ter vervanging van de zesde btw-richtlijn, kunnen de lidstaten benevens een normaal btw-tarief, dat niet lager mag zijn dan 15%, één of twee verlaagde tarieven toepassen voor de limitatieve lijst van goederen en diensten opgenomen als bijlage III bij deze richtlijn. Bij de omzetting in nationale wetgeving heeft België geopteerd voor twee verlaagde btw-tarieven, namelijk 6 en 12%.
Indien voor bioproducten wordt geopteerd voor een verlaagd tarief dat lager is dan het huidige tarief van 6%, dan moet de bestaande structuur van de verlaagde tarieven zo worden aangepast dat er maar twee verlaagde btw-tarieven overblijven, waarvan één dan het nieuwe verlaagde btw-tarief zou zijn. Praktisch houdt dit dus in dat een van de huidige verlaagde tarieven zal moeten worden opgeheven.
Gelet op het neutraliteitsbeginsel kan er bovendien geen onderscheid worden gemaakt in het toepasselijk btw-tarief naargelang de levensmiddelen al dan niet biologisch geteeld zijn.
Ten slotte wordt er op Europees niveau een debat gevoerd over de economische impact van het gebruik van de verlaagde btw-tarieven en over een evaluatie van het gebruik van verlaagde btw-tarieven als instrument om bepaalde beleidsdoelstellingen te realiseren, onder meer met betrekking tot ecologische doelstellingen. Bovendien zal de Commissie tegen het einde van dit jaar zelf een nieuw voorstel indienen aangaande de verlaagde btw-tarieven. In afwachting daarvan zal de regering dus geen beslissingen nemen.
Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Er zijn wel nog heel wat bioproducten waarop meer dan 6% btw wordt geheven. Dat verlaagd tarief geldt immers enkel voor vers fruit en verse groenten.
Nu de discussie op Europees niveau begint te lopen met de CO2-uitstoot als uitgangspunt is het zeer belangrijk de bioproducten daarin op te nemen. België zou hierin een proactieve rol moeten spelen. Ons land moet op een van de komende Europese ministerraden de discussie daarover aantrekken en zich als voorstander van dit verlaagde btw-tarief profileren.
De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik wil minister Onkelinx en eerste minister Leterme enkele vragen stellen naar aanleiding van een recent artikel in De Standaard van Guy Tegenbos over de beslissing om 1,4 miljard euro toe te wijzen aan de Waalse ziekenhuizen. In Le Soir konden we bovendien een euforisch artikel lezen over deze fameuze `chèque-cadeau'.
Mevrouw Onkelinx geeft 1,4 miljard euro federaal geld voor een spoedprogramma voor de modernisering van de Waalse ziekenhuisgebouwen.
Dit federale initiatief is bijzonder interessant voor de gewesten en gemeenschappen omdat de financiering gebeurt op basis van de 90/10-ratio. Nu blijkt dat de federale regering reeds belangrijke toezeggingen heeft gedaan aan de Waalse ziekenhuissector. Wallonië zou nu reeds kunnen beschikken over middelen die een budgettaire impact hebben op de begroting tot 2015.
Dit lokt uiteenlopende reacties uit aan beide zijden van de taalgrens en vraagt om enige uitklaring met betrekking tot de federale loyaliteit.
De Vlaamse ziekenhuizen en artsen hebben hierop furieus gereageerd.
In het Vlaams Parlement verklaarde minister Vanackere gisteren weliswaar dat er niets aan de hand is, maar dat hij op het Overlegcomité toch zal aankaarten dat de Vlaamse toelage gebetonneerd is. Er is dus wel degelijk iets aan de hand.
Welke waterdichte garanties kan de regering nu geven dat Vlaanderen in de toekomst zijn rechtmatige aandeel kan krijgen?
Welk standpunt zal de federale regering hierover innemen op het Overlegcomité?
Zijn de minister en de eerste minister van oordeel dat deze eenzijdige beslissing bijdraagt tot het oplossen van de communautaire spanningen die ons land, de regering en het beleid gijzelen?
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a+Vl.Pro). - De Waalse regering maakte vorige week een bedrag van 41,4 miljoen euro vrij voor investeringen in ziekenhuisinfrastructuur, aldus een mededeling van de bevoegde Waalse minister Didier Donfut. Volgens berichten in de Vlaamse pers vult de federale regering dit bedrag aan met 1,4 miljard euro. Daarop ontstond een discussie over de verdeling van de federale middelen voor ziekenhuizen tussen de gewesten en gemeenschappen. Omdat die discussie én de geciteerde cijfers onduidelijk blijven, is het nodig de puntjes op de i te zetten.
De investeringsprogramma's waarvan sprake moeten passen in de bouwkalender ziekenhuizen voor de periode 2006 tot 2015 zoals die door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid op 19 juni 2006 werd goedgekeurd. Voor de Vlaamse regering werd dit dossier onderhandeld en goedgekeurd door minister Inge Vervotte, bevoegd voor het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden.
De bouwkalender bepaalt het volgende.
Vanaf 2006 is een jaarlijks te indexeren bedrag van 7,58 miljard euro miljoen beschikbaar voor de federale subsidiëring van werken aan ziekenhuizen. Dit bedrag komt neer op een 100% theoretische jaarlijkse investeringscapaciteit van 555 miljoen euro waarvan de verdeling tussen de gewesten en gemeenschappen is vastgelegd in het akkoord van juni 2006.
Als normale verdeelsleutel geldt een subsidiëring van 40% vanuit het federale niveau. Voor prioritaire investeringen kan dit percentage op 90% worden gebracht.
De jaarlijkse enveloppe met federale middelen is gesloten en kan dus niet worden uitgebreid, tenminste niet tot een eventuele herziening van de bouwkalender in 2011.
Respecteert de federale regering de afspraken van de bouwkalender 2006-2015?
Klopt het dat de totale investeringscapaciteit van het Waals Gewest via een federale interventie ter waarde van 1,4 miljard euro op 1,6 miljard euro wordt gebracht? Zo ja, voor welke periode geldt dit bedrag en hoe verhoudt dit bedrag zich tot de bouwkalender? Welke budgettaire afspraken heeft de minister met de andere betrokken overheden gemaakt?
Wat is op het federale niveau het aandeel van de prioritaire investeringen, het 90%-regime, in de enveloppen voor de zes deelentiteiten: Vlaamse Gemeenschap, Waals Gewest, Franse Gemeenschap, Franse Gemeenschapscommissie, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Duitstalige Gemeenschap?
Heeft de FOD Volksgezondheid het onderzoek afgerond dat erop gericht is de ouderdom van het nationale ziekenhuispark te ramen en in te schatten welke middelen nodig zijn voor de instandhouding of de aanpassing ervan? Zo ja, wat zijn de resultaten van dat onderzoek? Werden al alternatieve financieringsoplossingen geformuleerd zoals het akkoord van juni 2006 dat vraagt? Zo neen, wanneer mogen we de resultaten van dat onderzoek verwachten? Houdt de FOD rekening met de zogenaamde ouderdomsindicator van de huidige ziekenhuisgebouwen, dit is de mate van afschrijving, die in de jaarlijkse financiële analyses van de ziekenhuissector door Dexia als richtlijn wordt gebruikt?
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - De voorbije week was de Waalse pers nogal lyrisch, en een deel van de Vlaamse pers ongerust over de mededeling van Waals minister Donfut dat voor de periode 2006-2015 een bedrag van 1,6 miljard in de bouw of vernieuwbouw van de Waalse ziekenhuizen zou worden gepompt. Daarbij werd meegedeeld dat de federale overheid 90% van dat bedrag zou betalen en het Waalse Gewest slechts 10%.
Op 19 juni 2006 hebben de federale overheid en de deelgebieden inderdaad een protocolakkoord gesloten over de zogenoemde bouwkalender voor de desbetreffende periode. Het klopt eveneens dat toenmalig minister Demotte in het verlengde hiervan bij koninklijk besluit van 1 maart 2007 een aanpassing van het koninklijk besluit van 13 december 1996 heeft doorgevoerd, waardoor de bijdrage van de federale overheid, die in deze bouwdossiers tot dan op 40% lag, voor een groot aantal werkzaamheden met betrekking tot de infrastructuur van de ziekenhuizen werd opgetrokken tot 90%. Dat was natuurlijk geen toeval en de regeling is in feite op het lijf van de situatie in Wallonië geschreven.
Zoals gezegd heeft de mededeling van minister Donfut ongerustheid veroorzaakt bij de Vlaamse ziekenhuizen. Ik heb dan ook de volgende vragen.
Bevestigt de minister dat de cijfers die minister Donfut gaf, inzonderheid die over de federale bijdrage, volledig overeenstemmen met het protocolakkoord van 19 juni 2006 en dat hiermee de verhoudingen tussen de gemeenschappen en de gewesten, zoals vastgelegd in dat protocolakkoord, volledig worden gerespecteerd? Heeft de federale overheid overigens al een beslissing genomen over het door minister Donfut genoemde bedrag van 1,6 miljard euro? Vlaams minister Vanackere heeft gisteren in het Vlaams Parlement ontkend dat dit al het geval was.
Kan de minister ons bevestigen dat de rekening van 1,6 miljard euro van minister Donfut, bij gebruikmaking van de 90/10-verdeelsleutel, klopt met wat in de bouwkalender staat? Ook dat werd gisteren door Vlaams minister Vanackere openlijk in twijfel getrokken. Hij zei: `U mag eruit opmaken dat door de combinatie van het gebruik van de 90/10-regeling en de middelen die vandaag beschikbaar zijn in de bouwkalender, de rekening van minister Donfut naar mijn smaak niet klopt'.
Bevestigt de minister dat federaal geld enkel zal komen uit de fondsen die in het protocolakkoord werden vastgelegd en dat geen geld via eventuele andere kanalen naar het Waalse ziekenhuisprogramma zal vloeien?
Waarborgt de minister dat voor de periode 2006-2015 geen extra middelen zullen worden uitgetrokken, gelet op de evaluatie van het protocolakkoord na 5 jaar, zoals dat in dit akkoord voorzien is?
Hoe moeten wij de passage uit het protocol begrijpen dat stelt dat de Franse Gemeenschap zich voorlopig zal verzekeren een bedrag te ontvangen, in overeenstemming met haar aantal erkende bedden en de huidige bepalingen betreffende oppervlakten en bouwplafonds? Wat is daarvan eventueel al geconcretiseerd?
Kan de minister bevestigen dat tegemoet werd gekomen aan de kritiek die de Raad van State heeft geuit naar aanleiding van het ontwerp van koninklijk besluit van 1 maart 2007, namelijk dat het protocolakkoord de instemming van de betrokken wetgevende vergaderingen moet krijgen om rechtsgeldig te kunnen zijn?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Vooreerst wil ik zeggen dat de vragen me verbazen. Het akkoord met Wallonië en de bedragen waaraan wordt gerefereerd zijn immers ingeschreven in wat men de bouwkalender noemt. Dat systeem is reeds 20 jaar van kracht. Het is wettelijk gereglementeerd door verschillende koninklijke en ministeriële besluiten en werd bovendien met de gemeenschappen en gewesten besproken in de Interministeriële Conferentie van Volksgezondheid.
Ik wil hier het algemene kader van de bouwkalender in herinnering brengen.
Teneinde het behoud van een kwaliteitsvolle ziekenhuisinfrastructuur te kunnen garanderen, neemt de federale overheid, conform de bepalingen van het koninklijk besluit van april 2002, voorheen het ministerieel besluit van 2 augustus 1986, de ziekenhuisinvesteringen met betrekking tot onroerende goederen en medisch en niet-medisch materiaal ten laste via de afschrijvingslasten en hierbij horen de financiële lasten, te financieren via het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Teneinde het jaarlijks noodzakelijk budget voor deze financiering te kunnen programmeren wordt rekening gehouden met een bouwkalender. Het gaat om een bedrag dat het aandeel van de federale overheid voor alle subsidieerbare investeringen van het Rijk dekt.
De regels met betrekking tot de vaststelling van investeringen, die subsidieerbaar kunnen zijn, zijn vastgesteld in het ministerieel besluit van 11 mei 2007 tot vaststelling van de maximumprijs die in aanmerking kan worden genomen voor de subsidiëring van nieuwbouwwerken, uitbreidingswerken en herconditioneringswerken van een ziekenhuis of een dienst.
Het koninklijk besluit van 1 maart 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 december 1966 tot bepaling van het percentage van de toelagen voor de opbouw, de herconditionering, de uitrusting en de apparatuur van de ziekenhuizen en van zekere voorwaarden waaronder ze worden verleend, creëert de mogelijkheid om voor prioritaire projecten de federale financiering te verhogen van 40% naar 90%.
Deze bouwkalender is voor een periode van tien jaar vastgesteld, waarbij het federale bedrag verdeeld is tussen de verschillende gemeenschappen en gewesten.
De verdeling van dit bedrag en de bijbehorende regels worden besproken op een interkabinettenwerkgroep van de Interministeriële Conferentie van Volksgezondheid die, zoals u weet, alle ministers bevoegd voor deze materie samenbrengt.
Hieruit is een protocolakkoord voortgekomen dat in wettelijke en reglementaire teksten is vertaald.
De huidige bouwkalender dekt de periode 2006 tot 2015 en vertegenwoordigt een jaarlijks bedrag van 7,58 miljoen euro. Dit bedrag is identiek, buiten inflatie- en constructie-index, aan het bedrag van de bouwkalender van de vorige periode 1995-2005, die over drie regeringsperioden liep. Hetzelfde geldt voor de verdeelsleutel tussen de gemeenschappen en gewesten.
Het protocolakkoord met betrekking tot deze bouwkalender is goedgekeurd op 19 juni 2006 en de inhoud ervan werd vertaald in bovengenoemde reglementaire bepalingen.
Het bedrag van het Rijk is als volgt onderverdeeld. Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt 4.351.678.000 euro uitgetrokken, of 57,41%.
Voor het Waals Gewest is dat 2.380.120.000 euro of 31,40%. Voor de Franse Gemeenschap is dat 0,77% en voor de Franse Gemeenschapscommissie eveneens 0,77%. Voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bedraagt het 8,57% en voor de Duitstalige Gemeenschap 1,08%.
Dat is het maximale bedrag dat in het federale budget voor de ziekenhuizen kan worden ingeschreven en de gemeenschappen en gewesten mogen het hun toebedeelde budget niet overschrijden.
Het Waals Gewest heeft zijn investeringen tot 2015 gepland conform de termijn van de bouwkalender en binnen de enveloppe.
Daardoor is de federale bijdrage voor Wallonië niet hoger. Dit is op geen enkel `bilateraal' akkoord gebaseerd en is volkomen transparant. Als bewijs hiervan verwijs ik ook naar het voorstel dat werd ingediend tijdens de laatste werkgroep van de IMC, die in mei samenkwam om een opvolgingstabel van de werken, met al dan niet prioritair karakter, goed te keuren.
Dan heb ik nog enkele cijfers van de eerste minister. Als de Vlaamse Gemeenschap dezelfde redenering zou volgen, krijgen de Vlaamse ziekenhuizen voor dezelfde periode 3,2 miljard euro, waarvan opnieuw 40% of 1,3 miljard afkomstig is uit de federale middelen en de rest, 1,9 miljard, door de Vlaamse Gemeenschap wordt bijgepast.
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a+Vl.Pro). - Ik dank de minister voor de informatie en blijf het onderwerp volgen.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In een huwelijk bijvoorbeeld zijn er ook bilaterale akkoorden, maar het kan toch niet dat bij een echtscheiding een van beide partners nog even snel de bankrekening leeghaalt. Dat gevoel krijg ik hier.
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - De minister heeft een antwoord gegeven, maar vertelde daarin vooral wat we al wisten uit de pers en uit de antwoorden gisteren in het Vlaams Parlement. Ze heeft echter op geen enkele van mijn zes concrete vragen geantwoord. Dat is onaanvaardbaar.
De voorzitter. - Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid, antwoordt.
De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Het bestelen van gsm-gebruikers is een oud zeer, maar toch blijven bepaalde providers ermee doorgaan.
De medeplichtigheid van de operatoren is duidelijk. In een geval dat recent aan het licht kwam, ging het zo: een provider, in casu Mobgames, stuurt een willekeurige persoon een sms met de vraag om games te leveren. De eigenaar van de gsm antwoordt dat hij niet geïnteresseerd is en stuurt een berichtje met `stop' terug. Mobgames antwoordt dat `stop' goed ontvangen is. In totaal drie sms'en, waar de klant niet om gevraagd heeft, maar waarvoor hem toch zes euro wordt aangerekend.
Een kleine minderheid van de slachtoffers zal dat opmerken en mogelijk een klacht indienen bij de operator, maar velen zullen het nooit te weten komen, omdat ze met een telefoonkaart telefoneren. De operatoren betalen bij een klacht die zes euro heel snel terug, waarmee ze in feite schuld bekennen, maar daarmee is het probleem uiteraard niet opgelost.
Het is duidelijk dat de operatoren helemaal geen controle uitoefenen op de activiteiten van de providers van diensten. Onbetrouwbare providers blijven hun gang gaan ondanks de vele klachten die worden ingediend. De operatoren Proximus, Mobistar en Base sluiten met malafide providers contracten die voor hen heel winstgevend zijn, want ze incasseren minstens de helft van de aangerekende bedragen. Men zou verwachten dat ze voor de winst die ze op die manier maken, een strikte controle uitvoeren. Wat ze niet doen! Ze klagen wel over de onbetrouwbaarheid van de providers, maar intussen incasseren ze ongegeneerd de winsten.
Uit het voorgaande blijkt dat de Gedragscode door de providers noch de operatoren wordt gevolgd. De verantwoordelijkheid van genoemde operatoren is in deze zeer groot. Ze debiteren de rekeningen van hun klanten voor diensten die niet geleverd zijn of waar die klanten niet om hebben gevraagd. Vergelijk het met een bank die geld van je rekening zou halen voor een dienst die je niet alleen nooit hebt gevraagd, maar zelfs hebt geweigerd. Dat is ondenkbaar en toch is dat wat de operatoren dagelijks doen, zonder blikken of blozen.
Graag had ik van de minister vernomen of hij op zeer korte termijn van plan is de operatoren hierover te interpelleren en of hij concrete maatregelen zal treffen om de fraude onmogelijk te maken. Is de minister bereid in afwachting van een sluitende controle alle inhoudingen van bedragen ten voordele van providers te laten opschorten?
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik lees het antwoord van minister Van Quickenborne.
Vandaag hanteren de drie mobiele operatoren de GOF-richtlijnen, waarbij GOF staat voor GSM Operators' Forum, om hun serviceproviders en contentproviders contractuele verplichtingen op te leggen en ervoor te waken dat bij het aanbieden van sms-abonnementen of sms-diensten, de klanten op een correcte manier worden behandeld.
De GOF-richtlijnen zorgen voor een autoregulering van de sector. De richtlijnen zelf zijn dan ook tot stand gekomen door een consensus tussen de verschillende actoren op de markt, zijnde de mobiele operatoren, de serviceproviders en de contentproviders.
De richtlijnen zijn contractueel bindend voor de verschillende actoren, maar toch doen de meeste spelers geen proactieve controle op de naleving van de richtlijnen en kijken ze veeleer passief toe of de regels niet worden geschonden op basis van klachten en structurele problemen bij eindklanten. Het spreekt voor zich dat het voorbeeld dat de heer Vankrunkelsven aanhaalt, niet strookt met de GOF-richtlijnen en het dubbele opt-inprincipe schendt. Dergelijke praktijken kunnen niet door de beugel.
De minister zal de GOF-richtlijnen laten opnemen in het in de maak zijnde koninklijk besluit betreffende de `ethische code'. Op die manier zullen alle regels afdwingbaar worden gemaakt en niet enkel afhankelijk zijn van de autoregulatie van de sector. De meeste mobiele operatoren zijn trouwens een voorstander van die oplossing, aangezien ze als eersten met de klachten van hun eindklanten geconfronteerd worden. Ook zij zijn vragende partij om de malafide service en content providers zo snel mogelijk uit de sector te verwijderen.
Intussen alle betalingen laten stopzetten, is het kind met het badwater weggooien. Genoemde diensten beantwoorden immers aan een vraag uit de markt en het overgrote deel van de content- en serviceproviders zijn bonafide.
Ter informatie: de diensten in kwestie omvatten ook het leveren van abonnementen op nieuwsinformatie per sms, weersinformatie, sportuitslagen, logo's voor het gsm-toestel, ringtones enzovoort. Als ik me niet vergis zijn heel wat mensen op dat soort zaken geabonneerd.
De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Mijn vraag werd niet volledig beantwoord.
Ik heb een wetsvoorstel klaar waarin de intekening op bepaalde abonnementen op een of andere manier wordt gekoppeld aan een schriftelijke bevestiging van de klant. Nu halen operatoren geld van de rekening van eigenaars van gsm-toestellen voor diensten die de klanten niet hebben gevraagd of zelfs hebben geweigerd.
Uit het antwoord van de minister blijkt dat de operatoren de wanpraktijken betreuren, maar intussen incasseren ze wel het geld.
Aangezien ik geen afdoend antwoord kreeg, zal ik de bevoegde commissie vragen mijn wetsvoorstel snel te agenderen.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet werd gewijzigd om te kunnen voorzien in gemeenschapswachten die door hun aanwezigheid op straat het veiligheidsgevoel in de wijken moeten verhogen.
De gemeenten wachten op de publicatie van de procedure die zij moeten volgen voor de oprichting van de dienst gemeenschapswachten. Sommige gemeenten laten nu al weten dat ze een dienst gemeenschapswachten willen oprichten om het recht op subsidiëring niet te verliezen.
Wanneer worden de voorschriften ten uitvoer gelegd? Welke werkkledij zullen de gemeenschapswachten dragen? Moet voor nieuwe uniformen worden gezorgd? Op welke manier zullen de gemeenschapswachten zich identificeren? Hoeveel gemeenten en steden hebben al gezegd dat ze de wet willen toepassen?
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - De elementen die nodig zijn voor de oprichting van een dienst gemeenschapswachten staan vermeld in de artikelen 3 en 6 van de wet van 15 mei 2007, die binnenkort zal worden ten uitvoer gelegd.
Op het ogenblik hebben 114 steden en gemeenten beslist een dergelijke dienst op te richten. De uitvoeringsontwerpen over de opleiding, het embleem, de werkkleding en de identificatiekaart werden door mijn administratie voorbereid.
De administratieve procedure voor de uitvoeringsbesluiten loopt nog. Wij wachten nog op het begrotingsakkoord en het advies van de Raad van State.
De heer Hugo Coveliers (VB). - De voorbije weken is hier gedebatteerd over criteria op grond waarvan illegalen legaal zouden kunnen worden. Dat schijnt te moeten kunnen.
Niemand heeft zich echter afgevraagd wat er gebeurd is met wie zich bij de grote regularisatiegolf van 2000 heeft aangediend. Blijkbaar is die regularisatie niet eens geëvalueerd. Het aloude Vlaamse spreekwoord `Bezint, eer ge begint' hoort men hier misschien niet graag, maar het is in deze wel op zijn plaats. Er zijn toen duidelijk een aantal fouten gemaakt.
Zijn alle dossiers van die regularisatie nu reeds teruggevonden? Recent bleek immers dat de commissie een aantal zaken na 7 jaar niet kon beoordelen omdat de dossiers zoek zijn. Wegens een vermoeden van fraude had het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen die dossiers in beslag laten nemen. De correctionele rechtbank heeft nadien een ambtenaar van de Kamer van volksvertegenwoordigers en nog enkele andere mensen veroordeeld. Intussen bleven die dossiers niet alleen onbehandeld, ze zijn ook met het Antwerpse parket van de Britselei naar de Bolivarplaats verhuisd. Bij die verhuizing zijn ze blijkbaar zoek geraakt.
Mevrouw de minister, hoe denkt u aanvragen waarvan het dossier zoek is, te behandelen? Zult u betrokkenen regulariseren? Eigenlijk is dat onrechtvaardig tegenover wie heeft moeten aantonen - ik laat in het midden op welke manier - dat hij aan de criteria voldoet.
Als u betrokkenen niet regulariseert, begaat u ook een onrechtvaardigheid, want de fout ligt wellicht - dat is uiteindelijk voor iedereen het gemakkelijkst - bij de door de Belgische Staat ingehuurde verhuizer die de dossiers in zijn vrachtwagen of op straat is kwijtgeraakt. Het antwoord op mijn vraag is relevant voor het lot dat zoekgeraakte dossiers in de toekomst beschoren zal zijn.
In hoeverre waren de destijds aangelegde criteria werkelijk toepasbaar? Blijkt uit de besluiten van de commissies dat die criteria natrekbaar waren en zijn ze ook daadwerkelijk nagetrokken?
Volgens sommigen leverden de vertegenwoordigers van ngo's een positieve bijdrage in de commissies, volgens anderen was hun deelname ronduit contraproductief en zou uitsluitend de bijdrage van leden van de balie positief geweest zijn? Klopt dat? Is u dat bekend?
Quid met de opmerkingen en verzuchtingen van de beroepsmagistraten in verband met de bewijsvoering en het fraudegevoelige karakter van de documenten, waarover artikelen in vaktijdschriften zijn verschenen? Sommige magistraten hebben documenten ontvangen, waarvan ze met de ellebogen aanvoelden dat ze nooit een diepgaand onderzoek zouden doorstaan, maar konden die documenten niet laten onderzoeken. Wat is de minister op dat vlak voornemens te doen?
In welke situatie bevinden de geregulariseerden van 2000 zich vandaag?
Hoeveel geregulariseerden werken in regelmatig wettelijk verband?
Hoeveel van hen werden reeds vervolgd of veroordeeld voor criminele feiten?
Hoeveel zijn er nog in het land?
Hoeveel hebben gebruikgemaakt van het recht op familiehereniging om familieleden naar hier te brengen? Zijn die familieleden economisch actief of passief?
Iedereen kent de miserie van de OCMW's die moeten bijspringen voor de oogoperatie van de moeder van een vreemdeling die twee jaar en één dag geleden, in het kader van een familiehereniging in België is beland. Haar oogziekte wordt pas dan acuut, want de eerste twee jaar draaien de kinderen zelf op voor de gezondheidszorg van hun ouders. Die oogoperaties kosten miljoenen aan de sociale zekerheid, en dus aan de belastingbetaler.
Is het wel aanvaardbaar om criteria voor de huidige regularisatie vast te leggen zolang u niet precies weet wat er bij de vorige regularisatie is gebeurd?
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - De vergelijking tussen de regularisatieoperatie van 1999 en het huidige regeerakkoord gaat niet op. Deze regering kiest expliciet voor een regularisatieoperatie op basis van individuele dossieraanvragen waarvan de behandeling geval per geval gebeurt.
De regularisatieoperatie van 1999 is zo goed als afgerond. Over ongeveer 150 dossiers moet nog een beslissing worden genomen. Het betreft dossiers die door het parket in beslag werden genomen. De Commissie voor regularisatie heeft ze opgevraagd bij het parket teneinde de regularisatieaanvragen te kunnen behandelen. De Commissie gaat aan de betrokken gemeentebesturen een kopie vragen van een zeer gering aantal dossiers die niet konden worden teruggevonden bij het parket.
De Commissie voor regularisatie heeft de criteria die in de wet werden vastgelegd toegepast. De cijfers betreffende de verdeling van de criteria kunnen schriftelijk worden bekomen bij de Commissie.
Over de werking van de Commissie voor regularisatie kan ik mij geen oordeel vormen. De regering heeft in 1999 gekozen voor een onafhankelijke commissie die geen verantwoording verschuldigd is aan de regering. Het klopt dat de Commissie geconfronteerd werd met vermoedens van fraude met betrekking tot documenten, die geleid hebben tot de inbeslagname van een aantal dossiers door verschillende parketten.
Er is enig zicht op de situatie van de geregulariseerden van 2000 door de studie die in 2007 door universitaire instellingen werd verricht op initiatief van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding. Het betreft een studie in opdracht van de minister van maatschappelijke Integratie over de sociale en economische positie van de personen die geregulariseerd werden door de wet van 22 december 1999. Die studie werd gesteund door de minister van Binnenlandse Zaken die er zijn volle medewerking aan heeft verleend. De studie werd gedaan aan de hand van een steekproef en berust op interviews met 116 geregulariseerden. Een en ander kan afgeleid worden uit deze studie. Voor meer informatie betreffende de resultaten van deze studie, verwijs ik dan ook naar de minister van Maatschappelijke Integratie. Er werd geen onderzoek gedaan naar feiten van openbare orde waaraan deze personen zich zouden hebben schuldig gemaakt.
De personen die geregulariseerd werden hebben, zoals andere vreemdelingen die een verblijfsrecht verwerven in België, gebruik gemaakt van de bepalingen met betrekking tot de gezinshereniging, wat een wettelijk recht is.
Twee van de vier regularisatiecriteria van de wet van 1999 hebben ondertussen een wettelijk kader gekregen, namelijk de medische redenen en de onmogelijkheid om naar het land van herkomst terug te keren, respectievelijk door de invoering van het medische verblijfsstatuut - door artikel 9ter - en de subsidiaire beschermingsstatus - door de wet van 15/09/2006, conform de Europese richtlijn. Wat de lange duur betreft is er sinds enkele jaren een regularisatiecriterium. Voor de lokale duurzame verankering zoeken we momenteel een gepaste invulling.
Het spreekt vanzelf dat de regularisatiewet van 1999 een precedent is in regularisatie. Er kunnen inderdaad een aantal besluiten worden getrokken betreffende de beste werkwijze bij regularisaties.
De heer Hugo Coveliers (VB). - Dit antwoord toont aan hoever de wetgevende macht in dit land is afgegleden. Ik stel een vraag om enige controle te kunnen uitoefenen en om de minister eventueel te waarschuwen voor gevaren bij een volgende regularisatie. Als antwoord verwijst de minister onder andere naar een studie - die studie kende ik trouwens al - over een steekproef van 116 gevallen. Weet de minister hoeveel gevallen ze geregulariseerd heeft? Tienduizenden! Nu stuurt ze mij met een kluitje - 116 gevallen - in het riet. Dat is niet ernstig! Aan die studie, die wel verdienstelijk is, heb ik geen boodschap. Ik vraag cijfers. De minister moet normaliter over die cijfers beschikken.
De minister vergist zich als ze zegt dat de regularisatie van 1999 anders was. Dat is niet juist: die regularisatie ging, net zoals nu, ook over individuele dossiers. De minister zal opnieuw moeten oordelen. Ze zal opnieuw worden geconfronteerd met de problematiek van de bewijsvoering, van de bewijskracht en de fraudegevoeligheid van de bewijsvoering. Ze wuift die problematiek echter weg. Ze zegt: `Er zijn wel wat dossiers verloren, maar er zijn kopieën opgevraagd aan het gemeentebestuur'. De gemeentebesturen hebben die kopieën niet meer na zeven jaar. Indien ze die wel nog hadden, zou het Parket ze ook in beslag hebben genomen, want het waren kopieën van valse stukken.
Tenslotte wil ik de minister waarschuwen. Ze gaat nogal licht over de familiehereniging. De steun die het OCMW van de grootste stad van Vlaanderen uitbetaalt gaat voor 71% naar burgers uit niet EU-landen. De minister vindt dat de belastingbetaler geen recht heeft op de vraag of er geen zieken geïmporteerd worden die twee jaar later in ons land worden behandeld. Er wordt met de voeten gespeeld van de brave burger en van het parlement. Vragen stellen in deze vergadering is eigenlijk van iedere zin ontbloot.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Zoals elk jaar staan ongeveer 350.000 jongeren klaar om te gaan werken als jobstudent.
De wetgeving op de studentenarbeid werd in 2005 versoepeld, maar de vakbonden stellen vast dat er toch nog problemen zijn.
Zo zou het interessant zijn om de degressie van het loon af te schaffen. Een jongere van 16 ontvangt slechts 70% van het gemiddelde gewaarborgd maandelijks minimuminkomen en dus van het loon van een student van 21 die hetzelfde werk verricht.
Ook de grilligheid van het RSZ-systeem leidt tot rechtsonzekerheid voor de jobstudent. Is het echt nodig om twee verschillende stelsels, een voor de schoolvakanties en een voor het schooljaar, naast elkaar te laten bestaan? De werkgevers zijn vragende partij voor één systeem waarin een jobstudent per kalenderjaar maximum 53 dagen mag werken. Een tweede vereenvoudiging zou erin kunnen bestaan om gedurende gans het jaar eenzelfde solidariteitsbijdrage toe te passen, met één tarief voor de werkgever en één tarief voor de student.
Tevens werd vastgesteld dat in 2007 het aantal arbeidsongevallen met 10% is gestegen tegenover 2006. Volgens sommigen is die stijging te wijten aan het feit dat de werkgevers minder geneigd zijn tijd en geld te besteden aan de opvang en een degelijke opleiding van de jobstudenten.
Ten slotte biedt het arbeidscontract voor jobstudenten niet alleen minder sociale bescherming, maar wordt ook de concurrentie tussen de werknemers aangewakkerd. Studentenarbeid is immers goedkoper, wat ten koste gaat van de contracten voor onbepaalde duur die jonge werkzoekenden zouden kunnen sluiten.
Wat is de stand van zaken in dit dossier?
Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen. - In het regeerakkoord staat dat de regering de wetgeving inzake studentenarbeid zal vereenvoudigen.
De Nationale Arbeidsraad heeft over dit thema gedebatteerd, maar is er niet in geslaagd een eenparig advies te uit te brengen.
Op de Ministerraad van 23 mei werd de kwestie van de studentenbanen aangestipt als een van de punten waarop tegen 15 juli vooruitgang moet worden geboekt. Het is dus een van de prioriteiten in mijn beleidsnota.
Het systeem is om verschillende redenen zeer complex. De werkgever moet onder andere weten of de jongere al gewerkt heeft. We moeten erkennen dat de huidige regeling van twee maal 23 dagen niet ideaal is. Het is de bedoeling de wetgeving aan te passen en te vereenvoudigen.
Er werden onder meer werkgroepen opgericht; een van die werkgroepen, die zeer actief is op regeringsniveau, is begin deze week nog samengekomen. Ik heb gisteren ook nog met verschillende mensen over dit thema overlegd.
We proberen op diverse manieren de verwachtingen van de studenten en de ondernemingen voor een controleerbaar en vereenvoudigbaar systeem in te lossen.
Hopelijk kunnen we tegen het einde van de maand oplossingen voorstellen. Idealiter moeten we vanzelfsprekend opnieuw met de sociale partners overleggen, eerst informeel, later formeel.
Mevrouw Kapompolé zal mijn antwoord misschien ontoereikend vinden. Ik zou inderdaad alle opties kunnen toelichten, maar dan wordt het wel erg technisch. We zijn nu bezig met de berekening van de kosten en de effecten. Daar kan ik moeilijk openlijk op ingaan. We doen er alles aan om tegen 15 juli een oplossing te kunnen voorleggen zodat het systeem op 1 januari 2009, of indien mogelijk vroeger, in werking kan treden.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik dank de minister voor haar duidelijk antwoord. Ik verwacht dat tegen 15 juli verschillende voorstellen worden uitgewerkt die hopelijk door de sociale partners worden aanvaard.
Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Momenteel krijgt de minister veel vragen van ongeruste melkproductenten. De melkprijs kende de jongste weken een sterke daling en de landbouwers kunnen hun productiekosten niet meer aan. Ik wil niet ingaan op het probleem van de melkprijs. Die hangt af van vraag en aanbod. Ik wil wel het standpunt van de minister kennen over twee maatregelen die de melkproducenten kunnen helpen.
De eerste betreft de rundveesector. Koeien van 30 maanden moeten verplicht een BSE-test ondergaan die 25 euro per dier kost. De minister heeft deze test al verplaatst naar 30 maanden. Daarvoor moest die op 24 maanden gebeuren.
Deze test, die vooral melkkoeien betreft, betekent een aanzienlijke kost voor de producenten. We wensen de opportuniteit van die controle niet te betwisten. Kan de regering die test echter niet gratis maken of op zijn minst de prijs ervan verminderen? De EG-richtlijnen over de staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een tegemoetkoming tot 40 euro per dier voor de BSE-tests. Werden de mogelijkheden van die richtlijnen volledig aangewend?
De tweede maatregel betreft de financiering van het FAVV. Zijn budget wordt vandaag gedeeltelijk gestijfd met forfaitaire bijdragen voor elke uitbating op Belgische bodem. Voor de primaire productiesector werden die bijdragen vastgesteld op 193,51 euro. Die bijdrage zou in de nabije toekomst worden verhoogd. Kan de regering die verhoging niet uitstellen?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid. - Allereerst wil ik u geruststellen: de federale regering heeft de ernst van de crisis begrepen. Vorige week vrijdag hebben de eerste minister, minister Van Quickenborne en ikzelf de vertegenwoordigers van de melksector en van de rundvleessector ontvangen.
We hebben drie werkgroepen opgericht. De eerste wordt door mezelf voorgezeten en is belast met het zoeken naar middelen om de kostprijs te verminderen of de maatregelen te vereenvoudigen zonder het niveau van de voedselveiligheid te verlagen. Deze groep is al eenmaal bijeengekomen. De tweede groep, voorgezeten door minister Van Quickenborne, wil de transparantie van de melk- en rundvleesprijs garanderen. Deze groep komt op dit ogenblik bijeen. De derde groep buigt zich over de fiscaliteit.
Ik deel uw analyse over de BSE-tests niet. Ik denk niet dat de kostprijs ervan moet worden verlaagd. Wat dat betreft, hebben we alle mogelijkheden die de EU biedt inzake cofinanciering uitgeput. Dat kost ons meer dan 15 miljoen euro per jaar. Daarentegen wil ik wel de opportuniteit van een dergelijke omvangrijke controle opnieuw in overweging nemen. Twee projecten worden momenteel onderzocht door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. Ik zal de Commissie daarover opnieuw ondervragen op 23 juni tijdens de komende Europese landbouwraad.
Het aantal controles moet worden verminderd aangezien er geen tekenen van BSE meer zijn. Er moet uiteraard over worden gewaakt dat dit niet terugkomt, maar tegelijk kan het aantal controles dalen. Dat zou de kost voor de landbouwers doen verminderen. Dat is trouwens wat de landbouwers die ik dinsdag heb ontvangen me hebben gevraagd. Ze weten dat wij voor de kostprijs al het maximum hebben gedaan.
Ik weet niet waar mevrouw Delvaux heeft gelezen dat de bijdragen voor het FAVV gaan verhogen. Daar is geen sprake van. Wellicht doelt zij op het bonus-malussysteem. Het is geenszins mijn bedoeling de kosten voor de landbouwers te doen stijgen. Daarom heb ik aan de regering een substantiële herfinanciering van het FAVV gevraagd en heb dat ook verkregen. In december 2007 werd het budget met 14 miljoen euro verhoogd en ik heb 24 supplementaire miljoenen verkregen om een deel van de vaccinatiecampagne tegen blauwtong te financieren, maar ook om de bijdragen van de kleinere operatoren te verlagen. We bestuderen nu de voorwaarden van die verlaging met het FAVV en zullen de vereiste onderhandelingen met alle actoren van de sector voeren.
Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Ik wilde het inderdaad hebben over het bonus-malussysteem. Ik ben blij dat ik dit antwoord aan de landbouwers kan overbrengen. Ze zullen tevreden zijn dat hun bijdrage effectief zal verminderen. Ze waren echt ongerust.
De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Sedert 1 januari 2008 rekenen de banken 5 tot soms 70 eurocent aan per keer dat een cliënt geld opneemt in de selfbankautomaat van een bankinstelling waar hij geen cliënt is. Het gaat hier dus niet alleen om de kosten voor een bijkomende service die de banken op hun cliënten willen verhalen, maar om het in rekening brengen van kosten voor het opnemen van het eigen geld.
Ik volg dit dossier al drie jaar. Twee jaar geleden stelden we vast dat de banken de voor iedereen toegankelijke openbare bankautomaten stelselmatig sloten met als gevolg ongeveer 60 blinde vlekken in ons land waar de mensen ver moesten gaan om buiten kantoortijd nog aan hun eigen geld te raken.
De vorige minister van Consumentenzaken bekwam, onder druk van mijzelf en enkele andere parlementsleden, dat de banken zich ertoe verbonden hun automaten voor selfbanking ook open te stellen voor niet-cliënten. De banken ondertekenden een charter en kwamen overeen de eventuele onkosten onderling te verdelen, wat ik kan begrijpen omdat de grote banken op dat ogenblik veel automaten voor selfbanking hadden en de kleine niet.
De banken verzekerden hun cliënten ook meermaals dat ze voor die dienst geen kosten zouden in rekening zouden brengen, ook niet onrechtstreeks, en dat ook in de toekomst geen vergoeding voor die basisdienst zou worden aangerekend. Het aantal geldopnames aan bankautomaten door niet-cliënten gaat dan ook in stijgende lijn. We stellen nu echter vast dat de banken hun beloften niet nakomen en sedert 1 januari de cliënten voor die basisdienst toch laten betalen.
Bovendien heb ik via Test-Aankoop vernomen dat enkele banken zelfs hun eigen cliënten kosten aanrekenen wanneer ze in hun eigen bank geld opnemen aan de automaat, zonder hierover te communiceren. Misschien willen de banken wel terug naar de tijd waar iedereen onder kantoortijd naar het bankkantoor moest gaan om geld op te nemen. Dat is uiteraard onaanvaardbaar en het druist in tegen alle gemaakte afspraken. Ik heb daar dan ook enkele vragen bij.
Wat vindt de minister van deze praktijken? Veroordeelt hij de manier waarop de banken in dit dossier met hun cliënten omgaan en het feit dat hierover vaak niet wordt gecommuniceerd?
Begin april beloofde de minister met de banken te onderhandelen om die praktijk ongedaan te maken. Met welke banken of koepelorganisaties heeft hij al contact gehad en wat zijn de resultaten van die contacten?
Wat denkt hij van een wettelijke verplichting voor de bankinstelling om het systeem van selfbankautomaten kosteloos te maken voor de rekeninghouders van alle banken?
Welke acties zal hij in de toekomst ondernemen zodat mensen te allen tijde aan hun geld kunnen komen zonder daarvoor extra te moeten betalen?
De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - De banken hebben het aantal opnamepunten verminderd en als tegenprestatie hebben ze de toegang tot internetbankieren mogelijk gemaakt. Internetbankieren werd ontwikkeld om het aantal personeelsleden aan de loketten te beperken. Net nu de consumenten de mogelijkheid hebben elke terminal van welke bank dan ook te gebruiken, willen de banken de consument voor deze dienst laten betalen, gewoon om zijn eigen geld op te nemen. Ik vind dat niet normaal.
Deze tarieven zijn niet gereglementeerd; ze vallen onder het vrije beschikkingsrecht van de banken en de contractuele relatie met de consument. Wanneer een consument het aantal toegestane transacties overschrijdt of wanneer hij geld opneemt in een terminal die beheerd wordt door een andere bank, terwijl zijn bank het gebruik van de eigen automaten heeft opgelegd om te besparen op personeelskosten, kan hem 70 cent worden aangerekend per geldopname die niet aan de voorwaarden voldoet. Dat lijkt mij onaanvaardbaar.
De banksector moet zijn verantwoordelijkheid opnemen. De rol van de minister belast met consumentenzaken bestaat erin bedrieglijke tarifaire praktijken op te sporen. Wanneer blijkt dat bepaalde aangerekende kosten niet overeenstemmen met een economische noodzaak, zal ik vragen die praktijk stop te zetten. Het aanrekenen van 5 cent per geldopname lijkt op zich niet veel, maar wanneer uiteindelijk alles wordt samengeteld, kan dat een aanzienlijk bedrag vormen.
Door het ontbreken van een protocol voor de verdeling van de bevoegdheden inzake consumentenzaken is er lang onzekerheid geweest in verband met mijn bevoegdheid op dat vlak. Daarom heb ik nog niet met Febelfin onderhandeld. Nu het protocol ondertekend is, kunnen de onderhandelingen snel van start gaan.
De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het verheugt mij dat hij hetzelfde standpunt inneemt als ik en dat hij er ook iets aan wil doen. Het verheugt mij ook dat het protocol over de verdeling van de bevoegdheden ondertekend is, zodat de minister effectief met de banken kan onderhandelen.
Het doorberekenen van de kosten is ook weinig transparant. De meeste banken maken hun afrekening pas op het einde van het jaar. Eind 2008 zullen de mensen geconfronteerd worden met een extra kost en dan zullen de reacties pas losbreken. Daarom zou het goed zijn dat de minister zo snel mogelijk met de banken onderhandelt om het aanrekenen van deze kosten stop te zetten.
Mevrouw Carine Russo (Ecolo). - De Raad van de Europese Unie van 5 juni heeft een politiek akkoord bereikt over een voorstel van richtlijn over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
België zou voorbehoud hebben gemaakt bij de tekst en heeft dus geen stelling ingenomen ingevolge meningsverschillen binnen de meerderheid. Bevestigt de minister die informatie? Zo ja, waarover is de meerderheid het oneens en wat is de houding van de verschillende meerderheidspartijen ter zake?
In antwoord op eerdere vragen van Ecolo-Groen! over dit onderwerp, hebt u meermaals bevestigd dat de omzetting van genoemde richtlijn maar een beperkte invloed zou hebben op de Belgische wet.
Een dergelijke bewering is nogal verrassend als men de jongste versie van de tekst leest. Inderdaad, in artikel 9 staat duidelijk dat het terugkeerbesluit vergezeld gaat van een inreisverbod in de Schengenruimte, tenzij de persoon het grondgebied vrijwillig verlaat binnen de termijn die de lidstaat oplegt en die maximaal een maand bedraagt.
De lidstaten kunnen van die maatregel afwijken om humanitaire redenen. Het terugkeerbesluit heeft echter een verplichtend en systematisch karakter, wat op dit ogenblik niet het geval is in de Belgische wet. Wat denkt de minister hierover?
Nog andere bepalingen zijn verontrustend en lijken in te gaan tegen het internationaal recht.
Zo is een dubbele uitzetting mogelijk, namelijk de gedwongen uitzetting van buitenlandse onderdanen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, naar een ander land dan hun land van herkomst.
Niet begeleide minderjarigen kunnen worden uitgezet naar een derde land dat niet hun land van herkomst is, waar zij geen familie of voogd hebben, wat duidelijk indruist tegen het Verdrag inzake de rechten van het kind. Niet begeleide minderjarigen kunnen ook worden opgesloten.
Mensen, die binnen de zeven dagen nadat zij het land zijn binnengekomen worden opgepakt, kunnen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn en dus ook van elke bescherming.
Verder beperken de bepalingen ook de mogelijkheden van vrijwillige terugkeer, het enige alternatief voor gedwongen terugkeer.
Wat denkt de minister over die schandalige en alarmerende bepalingen? Zijn ze in overeenstemming met het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de andere internationaalrechtelijke verplichtingen van België?
Kan België niet officieel, zoals de Internationale federatie van mensenrechtenliga's (FIDH) vraagt, een schorsing van de goedkeuring van de tekst eisen zodat het EU-Agentschap voor de fundamentele rechten kan nagaan of het voorstel van richtlijn strookt met de internationale verplichtingen en verbintenissen van de lidstaten?
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Tijdens de Raad JBZ van 5 juni laatstleden, heeft het Sloveense voorzitterschap vastgesteld dat een zeer grote meerderheid van lidstaten het huidige compromis kon aanvaarden. Ik bevestig dat België een voorbehoud heeft gemaakt over de tekst en dat het intern overleg moet worden voortgezet.
Wat de gevolgen voor de Belgische wet betreft, heb ik op 14 mei gezegd dat het merendeel van de bepalingen al met de nationale wetgeving overeenstemde of facultatief was. Ik heb er echter ook op gewezen dat de termijn niet zou worden verlengd, dat wat het inreisverbod betreft, de tekst nog kon worden gewijzigd en dat het bijgevolg moeilijk was eventuele wijzigingen van onze wetgeving te voorzien.
In tegenstelling tot voorgaande versies, houdt de huidige compromistekst geen systematische verplichting meer in tot aflevering van een inreisverbod. De meeste lidstaten wilden dat nochtans. Het inreisverbod is van toepassing als betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan een eerste bevel om het land te verlaten of als het risico op ontsnapping bewezen is. De periode van vijf jaar is overigens een maximumtermijn. De richtlijn bepaalt duidelijk dat de duur van het inreisverbod moet worden aangepast aan het geval en de omstandigheden. Bovendien staat het de lidstaten vrij het inreisverbod niet af te leveren, in te trekken of op te schorten om humanitaire redenen.
Wat ten slotte de bepalingen betreft waarvan u vindt dat ze indruisen tegen het internationaal recht, vestig ik uw aandacht op de overwegingen 18, 19 en 20 van de richtlijn die verwijzen naar het Verdrag voor de rechten van het kind, het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de bescherming van de vluchtelingen.
Mevrouw Carine Russo (Ecolo). - Ik erken dat België goed werk heeft geleverd bij de uitwerking van de richtlijn. Niettemin zal de richtlijn een nivellering naar beneden voor gevolg hebben wat betreft de rechten van de mens en vooral van het kind. Ons land moet zijn inspanningen in dat domein voortzetten.
De voorzitter. - Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid, antwoordt.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - In het verleden gaf de minister aan dat hij onze bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Iran deelt. Meermaals ontbood hij, naar aanleiding van grove schendingen van de mensenrechten, de ambassadeur van Iran in Brussel. Bovendien steunt België alle demarches die het Voorzitterschap van de Europese Unie inzake mensenrechten in Teheran onderneemt. Zo is België, net als de andere lidstaten, sinds enkele jaren én jaarlijks voorstander van de gezamenlijke indiening van het ontwerp van resolutie betreffende de mensenrechten in Iran, zoals het door Canada werd ingediend bij de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Ook in 2007 werd opnieuw een resolutie betreffende Iran goedgekeurd.
De politieke situatie in Iran is de minister en ons allen welbekend. De schendingen van de mensenrechten in Iran zijn hem evenzo bekend.
De minister heeft ongetwijfeld ook kennis van recente parlementaire initiatieven die werden genomen in de Kamer van volksvertegenwoordigers en in de schoot van de senaatscommissie Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. De Belgische Senaat heeft al in december 2005 een resolutie aangenomen betreffende de politieke toestand in Iran en de betrekkingen van dat land met de Europese Unie. In die resolutie werd onder meer een onderzoek aanbevolen naar de rechtmatigheid van de vermelding van de PMOI op de Europese lijst van terroristische organisaties. Op donderdag 27 april 2008 werd in de Kamer een nog meer specifieke resolutie aangenomen, die het schrappen van de PMOI van de betreffende Europese lijst aanbeveelt.
Op 7 mei jongstleden oordeelde het Britse Hooggerechtshof dat de PMOI niet thuishoort op de Europese lijst van terroristische organisaties waar ze sinds 2002 naar aanleiding van een Brits initiatief op terechtkwam. Het Hooggerechtshof draagt de Britse regering op om de oorspronkelijke klacht in te trekken, waardoor de vermelding van de organisatie op de Europese lijst alle grond verliest.
Ten andere werden ook alle oorspronkelijke argumenten om de PMOI op de lijst te plaatsen, als zou de organisatie zich schuldig maken aan martelpraktijken en dies meer, weerlegd na grondig onderzoek. Dat onderzoek was overigens veel grondiger dan de argumenten waarop de beschuldigingen waren gebaseerd.
Voorzien was dat de EU-Commissarissen de lijst volgende week maandag zouden herzien. Die beslissing werd alvast uitgesteld in afwachting van een initiatief van het Britse parlement om de organisatie van de Britse blacklist te schrappen, zo luidt de officiële argumentatie.
Ondertussen wordt vanuit Teheran druk gelobbyd en gedreigd.
Heel binnenkort reist Javier Solana, secretaris-generaal van de Raad van Ministers en Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands- en Veiligheidsbeleid van de EU, naar Teheran met een aanbod van economische en mogelijk andere voordelen voor Iran, in ruil voor het bannen van elke nucleaire activiteit.
Welke bilaterale en multilaterale acties heeft de minister namens onze regering al ondernomen teneinde de parlementaire resoluties ten uitvoer te brengen?
Kan het schrappen van de PMOI van de Europese lijst van terroristische organisaties op de steun van de Belgische delegatie rekenen?
Zal de minister, conform de resolutie van de Senaat en het Europees Parlement, de Europese Raad ertoe bewegen de schrapping uit te voeren?
Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik lees het antwoord van de minister.
Tot nu toe is de Raad altijd tot het besluit gekomen dat hij niet over nieuwe elementen beschikte die een delisting van de People's Mojahedin Organization of Iran (PMOI) zou rechtvaardigen.
Het spreekt vanzelf dat de recente uitspraak van het Britse Hooggerechtshof na een beroep aangetekend door de PMOI tegen de inschrijving op de Britse lijst van verboden organisaties, als een nieuw element dient te worden beschouwd. Volgens het Britse gerecht bestaat er geen bewijs, ondanks zware antecedenten, dat de PMOI sinds 2003 een nieuwe structuur met een terroristisch oogmerk of potentieel heeft proberen op te bouwen.
De Raad heeft van die beslissing kennis genomen en onderzoekt momenteel of er nog elementen bestaan die de handhaving van de PMOI op de Europese lijst rechtvaardigen. De minister van Buitenlandse Zaken kan op de collectieve besluitvorming van de Raad niet vooruitlopen.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - De PMOI is op Brits initiatief op de lijst van terroristische organisaties geplaatst. Aangezien Groot-Brittannië de organisatie van zijn zwarte lijst zal schrappen, zien wij niet in op welke grond de PMOI op de Europese zwarte lijst moet worden behouden. Iedereen weet dat Teheran sterk aandringt bij Frankrijk om een initiatief te nemen. Aangezien Frankrijk wellicht geen initiatief zal nemen, zie ik niet in waarom België de schrapping van de lijst niet zou ondersteunen.
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a+Vl.Pro). - De voorbije dagen werd op een VN-top in New York het vooruitgangsrapport van UNAIDS voorgesteld. UNAIDS-directeur Peter Piot en VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon trokken enige hoopvolle conclusies uit het rapport: door de wereldwijd verhoogde middelen is de strijd tegen aids blijkbaar op een keerpunt gekomen. Tussen 2001 en 2007 daalde het aantal overlijdens ten gevolge van aids van 3,9 tot 2,1 miljoen, vooral omdat aidsremmers nu ook beschikbaar zijn in ontwikkelingslanden. Het aantal nieuwe infecties verminderde van 3,2 miljoen in 1998 tot 2,5 miljoen vorig jaar. Toch blijft aids de belangrijkste doodsoorzaak in ontwikkelingslanden, zeker in Afrika. De ruimere beschikbaarheid van aidsremmers is een positieve trend, maar daartegenover staat dat het aantal nieuwe besmettingen angstwekkend stijgt.
Het rapport van de Verenigde Naties toont aan dat nu ongeveer drie miljoen mensen in ontwikkelingslanden aidsmedicijnen krijgen. Dat is 42% meer dan in 2006. De vooruitgang op sommige vlakken is een goede zaak, maar er is nog een lange weg te gaan. Zo was het aantal nieuwe infecties vorig jaar uiteindelijk toch nog 2,5 maal hoger dan het aantal mensen die toegang hebben tot een behandeling. Dat heeft zeker te maken met de ontoereikende inspanningen op het vlak van preventie, vooral inzake condoompromotie. Tegelijk moeten alle zeilen worden bijgezet om het wetenschappelijk onderzoek naar vaccins en microbiciden te versterken. Een echt aidsvaccin moet binnen afzienbare tijd haalbaar zijn.
Op de UNAIDS-top in New York waren acht presidenten en meer dan negentig ministers aanwezig. Dankzij de Interparlementaire Unie kreeg ik daar de gelegenheid de assemblee toe te spreken over de hiv/aidsproblematiek. Ik was echter ontgoocheld door de afwezigheid van een standpunt van de Belgische regering. In de wandelgangen hoorde ik daarenboven verontrustende geruchten over de Belgische inspanningen op het vlak van het internationale hiv/aidsbeleid.
Kan de minister zijn hiv/aidsbeleid toelichten? Heeft België een duidelijk uitgeschreven hiv/aidsbeleid?
Klopt het dat de aangekondigde bijdrage van België aan het Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria van 78 miljoen euro voor de periode 2008-2011 in de definitieve begroting werd teruggebracht tot 52 miljoen euro? De planning van organisaties als het Global Fund wordt sterk bemoeilijkt door het feit dat donoren hun budgetten op korte tijd aanzienlijk terugschroeven.
Waarom heeft België geen aidsambassadeur meer? De vorige aidsambassadeurs hebben ervoor gezorgd dat ons land kon wegen op de besluitvorming in internationale instellingen die rond aids werken. Ze hebben ook de weg bereid voor onze ngo's en wetenschappelijke instellingen die aldus konden uitgroeien tot belangrijke partners op het gebied van internationale gezondheid en aids.
Overweegt de minister de aangekondigde middelen voor het Global Fund alsnog vrij te maken zodat ons land verder kan uitgroeien tot een geloofwaardige autoriteit op het vlak van hiv/aidsbestrijding?
De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De strijd tegen hiv/aids is een van de transversale thema's in het globale beleid inzake ontwikkelingssamenwerking. Het blijft dus een prioriteit van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en alle kanalen worden daarbij betrokken.
Het grootste deel van onze bijdragen zijn multilateraal. In 2007 ging het om 16.550.000 euro, waarvan 12.050.000 euro voor het Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria en 4.500.000 euro voor UNAIDS. Andere belangrijke partners zijn de bilaterale samenwerking via BTC, enkele gespecialiseerde ngo's en het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen.
Het is hierbij niet altijd eenvoudig de specifieke aidsbestrijding te scheiden van de holistische totaalbenadering die de basis is van het Belgische gezondheidsbeleid. In totaal werd in 2007 via de verschillende kanalen - bilaterale, multilaterale en indirecte hulp - 35,8 miljoen euro besteed aan projecten met een belangrijke aidscomponent.
Voor meer informatie over het beleid van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking verwijs ik naar de beleidsnota's `De Belgische bijdrage aan de wereldwijde strijd tegen hiv/aids' en `De Belgische Ontwikkelingssamenwerking op het gebied van Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten'. Beide documenten vormen ook de basis van het werk van de netwerken die mijn administratie met de civiele maatschappij daaromtrent opbouwt.
Het klopt dat de indicatieve raming in de begroting van 2008 voor de periode 2008-2011 tot 52 miljoen euro werd teruggebracht. De berekening van het voor 2008 aangevraagde krediet gebeurde op basis van de realisaties van 2007, verhoogd met 3%. Dat maakt deel uit van de geldende budgettaire beperkingen voor het lopende jaar.
Wat de derde vraag betreft, is er inderdaad nog geen beslissing genomen over de aanwijzing van een aidsambassadeur. Een van de redenen is dat ik nog dieper wil nadenken over de precieze taakomschrijving van deze functie, die ik ook wil optimaliseren.
Aidsbestrijding is de afgelopen jaren sterk geëvolueerd. Daar moet in de nieuwe taakomschrijving rekening mee worden gehouden. De balans die gisteren en eergisteren in New York op een High-level Meeting voor de strijd tegen aids werd opgemaakt, zal voor mij een belangrijke input zijn in die reflectie. Ik wijs erop dat er in mijn administratie een contactpunt is voor aidsbestrijding dat de aidsproblematiek in zijn verschillende facetten opvolgt.
Ten slotte ben ik vast van plan om, voor zover de budgettaire situatie het toelaat, het oorspronkelijke groeipad terug op te nemen. Ik heb in mijn begrotingsvoorstellen voor 2009 dan ook voorgesteld om onze bijdrage aan het Global Fund de komende jaren op te trekken zodat we in de periode 2008-2011 in totaal 76 miljoen euro kunnen besteden.
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a+Vl.Pro). - Het verheugt me dat de minister van plan is om de Belgische bijdrage aan het Global Fund op te trekken tot het niveau zoals voorzien was in het groeipad.
De heer Richard Fournaux (MR). - Parkeercontroles worden soms door privéfirma's uitgevoerd. Sommige magistraten betreuren dat een juridisch vacuüm is ontstaan met betrekking tot de onderzoeken die parkeerbedrijven instellen om de identiteit te achterhalen van de eigenaar van een voertuig die kan worden beboet wegens fout parkeren of omdat hij de parkeermeter niet heeft gevuld.
De recentste vonnissen met betrekking tot die inbreuken maken nog eens duidelijk dat ter zake rechtsonzekerheid bestaat. Steden en gemeenten die een aanbesteding willen uitschrijven voor de privatisering van de parkeercontroles hebben hun plannen opgeborgen in afwachting van een waterdichte wetgeving.
Ik heb vernomen dat de staatssecretaris onlangs een delegatie van de sector heeft ontvangen en binnenkort misschien een interessant initiatief zal nemen. Wat is de stand van zaken?
De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ten gevolge van enkele vrijspraken door vrederechters is gebleken dat er een grijze zone bestaat in de regelgeving voor de toegang tot de gegevensbank van de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen, de DIV.
In het kader van de concessie van het beheer en de controle op het parkeren op de openbare weg, delen de gemeenteontvangers, die wettelijk toegang hebben tot de gegevensbank, de identiteit van de automobilisten die de parkeerregels niet naleven, mee aan de parkeerbedrijven.
Die bedrijven hebben geen toegang tot de gegevensbank. Ze kunnen de boetes dan ook moeilijk innen, waardoor het parkeerbeleid in het gedrang kan komen. Ik heb dit probleem besproken met de betrokken instanties: Justitie, Binnenlandse Zaken en de drie verenigingen van steden en gemeenten. Aangezien de toegang tot de gegevensbank van de DIV ook betekent dat specifieke regels en procedures worden nageleefd, werd ook de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geraadpleegd.
Ingevolge dat overleg heb ik beslist om de regelgeving met betrekking tot de inschrijving van voertuigen aan te passen. Zo zal de `inning van de parkeergelden op de openbare weg' als doelstelling worden ingeschreven zodat parkeerbedrijven rechtstreeks of via de gemeente toegang krijgen tot de gegevens van de DIV.
Het is duidelijk dat voor de toegang tot de gegevensbank van de DIV regels en procedures zullen gelden met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zo zal de toestemming van het sectoraal comité vereist zijn. Die toestemming wordt slechts geven als er strikte waarborgen zijn betreffende de vertrouwelijke en beperkte behandeling en opslag van de gegevens, de personen die toegang krijgen tot die gegevens enzovoort.
Mijn administratie bereidt een aanpassing van de reglementering voor, die aan de gewesten en aan de Raad van State zal moeten worden voorgelegd. Dat zal drie tot zes maanden in beslag nemen. Ik hoop dat ik de steden en gemeenten hiermee een echte oplossing kan aanreiken zodat ze nieuwe concessies kunnen toekennen.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-713/4.)
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Dubié voor een mondeling verslag.
De heer Josy Dubié (Ecolo), rapporteur. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 3 en 12 juni.
Mevrouw Zrihen, de auteur van het voorstel van resolutie heeft een inleidende uiteenzetting gegeven. Het voorstel is ingediend toen België al sinds ongeveer achttien maanden als niet-permanent lid zitting had in de VN-Veiligheidsraad. Volgens mevrouw Zrihen was het tijd voor een evaluatie, te meer daar de commissie zeer binnenkort een delegatie op zending naar de VN stuurt. Als ik me niet vergis, reist ze deze week af.
Mevrouw Zrihen herinnerde eraan dat we verschillende verbintenissen zijn aangegaan en verdragen hebben gesloten.
Als lidstaat wensen we volgende punten in onze stellingname te beklemtonen: vredeshandhaving, internationale justitie, de coördinatie van ons standpunt met andere landen van de EU en een controlerapport zodra het werk is gerond.
Wat betreft de vredeshandhaving, wil België in zijn acties en verbintenissen de klemtoon leggen op ontwapening. Daarom moet onze vertegenwoordiger zijn internationaal diplomatiek werk voortzetten door verdragen te laten ondertekenen en ratificeren die onze acties tegen biologische wapens kracht bijzetten. In elk geval moet zijn aanwezigheid duurzame resultaten opleveren waarop zijn opvolgers kunnen steunen.
Inzake conflictpreventie is de oprichting van een comité voor conflictpreventie en een systeem van vroegtijdige waarschuwing ontegensprekelijk even prioritair als de ondertekening van een protocol inzake kinderrechten. Gezien de stellingnamen van onze assemblee hebben de werkzaamheden rond kindsoldaten ons inziens echter nog een hogere prioriteit.
Vredeshandhavingsoperaties blijven van wezenlijk belang, maar meer dan een sterke aanwezigheid ter plaatse, zouden we van in het prilste stadium over instrumenten willen beschikken om de operaties te evalueren. Dat kan via de uitvoering of de vernieuwing van mandaten, via een specifiek actieprogramma of via de rol van vrouwen bij die operaties of ook nog via een diplomatieke stellingname. Dat zijn de noodzakelijke wegen die België dient te volgen om zijn aanwezigheid in de VN-Vredescommissie te verzekeren.
Mevrouw Zrihen wijst er verder op dat België bijzondere aandacht blijft hebben voor internationale justitie en meer bepaald voor de internationale regelgeving inzake mensenrechten en daarom het principe van in de tijd beperkte, doelgerichte economische sancties moet blijven verdedigen.
We moeten er ook voor pleiten dat de vredesoperaties geëvalueerd worden en opnieuw benadrukken dat de Raad daartoe over het wettelijke gezag en het vereiste arsenaal aan sancties moet beschikken.
Als lid van de Europese Gemeenschap hebben we een coördinerende functie. Het is belangrijk om onze positie in de Europese Gemeenschap te verstevigen. In 2010 zijn we opnieuw aan zet.
Dankzij rapportering kan het Parlement themadebatten voeren, controle uitoefenen en genomen maatregelen evalueren. Het is belangrijk om die rol te beklemtonen.
Mevrouw Temmerman feliciteert mevrouw Zrihen met haar initiatief en verklaart helemaal in te stemmen met de inhoud en doelstellingen van het voorliggend voorstel van resolutie.
Ook mevrouw de Bethune kan instemmen met de voorliggende tekst, maar heeft nog een vraag over de passage betreffende het bevorderen van de vrede waarin het initiatief van Oslo is vermeld. Zij stelt voor om ook te verwijzen naar de tekst van Dublin van mei 2008.
Als men toch alle materies wil vermelden, vindt mevrouw Lizin dat, naast andere dossiers die onder ons voorzitterschap nieuwe ontwikkelingen zullen kennen, best ook de operatie in Darfur en het uitblijven van de aanhouding van de heren Mladić en Karadžić kunnen worden genoemd.
Kinderen komen enkel aan bod als het gaat over kindsoldaten. De VN ziet kinderwelzijn echter ruimer. Zo staat er een initiatief op het getouw om de strijd aan te binden met websites met een pedofiel karakter.
Mevrouw Lizin suggereert dat België een initiatief zou nemen met betrekking tot de sluiting van de Israëlisch-Egyptische grens in de Gazastrook vlakbij Rafah. Een oplossing voor de Europese missie ter plaatse blijft nog steeds uit. De rol van de VN-macht is allesbehalve duidelijk.
Het zou spijtig zijn mocht de resolutie hiervan geen melding maken, precies nu onze gewezen permanente vertegenwoordiger bij de VN te New York, de heer Verbeke, weldra voor Libanon wordt aangesteld en dus bijzonder actief zal worden in de regio.
Mevrouw Zrihen wijst erop dat ze in haar oorspronkelijk 25 bladzijden lange tekst een groot aantal landen had vermeld, maar dat ze hem geleidelijk aan zo goed mogelijk aan de actualiteit heeft aangepast. Dat kan opnieuw gebeuren naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie. Nadien moet het globale resultaat geëvalueerd worden.
Zelf vond ik het hoofdstuk over ontwapening bevredigend, maar ik betreur wel dat het beginsel zelf van de ontwapening niet uit de verf komt. Eerst moet men alle mogelijke ontwapeningsprocessen in het algemeen opsommen en pas dan kan men het onderwerp uitleggen.
Het geheel van het aldus geamendeerde voorstel van resolutie werd eenparig door de negen aanwezige leden aangenomen. Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik dank de heer Dubié voor zijn gewetensvolle en nauwgezette verslag.
Met het voorstel trachten we opnieuw vorm te geven aan de meest fundamentele opdracht van onze Senaat, namelijk een zeer bijzonder, niet alleen controlerend, maar ook ondersteunend toezicht uitoefenen op alle instellingen die ons buitenslands en soms ook binnenslands vertegenwoordigen.
We hebben hoofdzakelijk de grote thema's in het licht willen stellen waarrond België als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad diplomatiek actief moet blijven. Die thema's hadden hoofdzakelijk betrekking op ontwapening, conflictpreventie, vredeshandhaving, internationale rechtspraak, coördinatie met andere lidstaten en, wat we nog altijd belangrijk vinden, de rapportering aan het Parlement.
Tot nu toe moeten we betreuren dat die aanbeveling vaak dode letter blijft. Wellicht zullen mijn collega's bij hun bezoek aan New York volledige toelichting krijgen bij de inspanningen van ons land in de Veiligheidsraad.
Het voorstel van resolutie zou ook kunnen uitmonden in noodzakelijk en nuttig denkwerk over de hervorming van het VN-stelsel. Dat is een enorme uitdaging voor de internationale gemeenschap. De hervorming is van wezenlijk belang om de instelling te moderniseren en haar legitimiteit en doeltreffendheid te versterken. Hoewel de VN groot internationaal gezag genieten, toch zou hun representativiteit voor heel de internationale gemeenschap veel groter moeten zijn: de plaats van ontwikkelingslanden, de vertegenwoordiging in de Veiligheidsraad, de rol en het belang van regionale groeperingen moeten in overeenstemming zijn met de nieuwe geopolitieke werkelijkheid en zich concreet afspiegelen in de samenstelling van de leidende organen. Moeten er vijftien leden zitting hebben in de Veiligheidsraad? Dat is een van de grote vragen.
Als men begint te sleutelen aan de vertegenwoordiging, dan zou men het best meteen ook de manier van werken aanpassen. Het veto dat regelmatig wordt ingeroepen, werkt bestraffend en ondermijnt zelfs het gezag van een instelling als de onze. We kunnen die praktijk zelfs als een anachronisme bestempelen. In de Europese Unie doen we trouwens inspanningen om nieuwe methodes voor een beter overleg te ontwikkelen.
Het democratisch respect voor de nieuwe entiteiten, het beginsel van de soevereine gelijkheid van Staten vormen de kern van de discussie en hopelijk kunnen we ons daarvoor gedurende de enkele resterende maanden blijven inzetten. Net zoals een gemeenschappelijke cel van de FOD's Buitenlandse Zaken en Landsverdediging zou het nuttig zijn ten behoeve van de Belgische delegatie te New York te voorzien in bepaalde diensten voor coördinatie, administratieve ondersteuning en informatiedoorstroming. Een cel met vertegenwoordigers van het Belgische middenveld zou onze delegatie in New York ook kunnen helpen haar waakzaamheid inzake vrede, bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden te verhogen. We zijn ervan overtuigd dat het middenveld een zeer belangrijke rol kan spelen in die instelling: de organisaties van het middenveld zijn onze bondgenoot, maar omdat ze dichter bij de realiteit staan, hebben ze tevens een kritischer kijk op de dingen.
Die aspecten van de resolutie wenste ik toe te lichten. Ik hoop dat al mijn collega's de resolutie zullen aannemen.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - België heeft inderdaad nog slechts enkele maanden zitting in de Veiligheidsraad. Voortaan zal de heer Jan Grauls, de nieuwe permanente vertegenwoordiger die functie op zich nemen. De resolutie komt dus op het gepaste tijdstip, al ligt het zwaartepunt van onze diplomatieke activiteit traditioneel in Afrika, meer bepaald in de Democratische Republiek Congo, in Europa en, bij bijzondere gelegenheden zoals het lidmaatschap van de Veiligheidsraad, in de Verenigde Naties.
Onze invloed in de Veiligheidsraad kan uitsluitend de standpunten van de zevenentwintig in de Europese structuur afspiegelen. Welke fundamentele stellingnamen ressorteren zowel onder de Europese Unie als onder de Verenigde Naties? Het gaat ontegensprekelijk om de stellingnamen in de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Onze commissie had de gelegenheid de speciale EU-vertegenwoordiger voor het vredesproces in het Midden-Oosten te horen, de adjunct van de heer Solana en gewezen Belgisch diplomaat, Marc Otte. De Europese Unie is er nog niet in geslaagd om de Europese missie voor bijstandsverlening inzake grensbeheer bij Rafah te ontplooien, terwijl die gepland en geprefinancierd is. De enkele personen die de komst van die missie voorbereiden bevinden zich nog altijd aan Israëlische zijde. Egypte wenst echt dat een tastbare Europese aanwezigheid kan bijdragen tot de stabiliteit in Gaza.
De WHO heeft zopas meegedeeld dat ziekten als tuberculose bij kinderen in de Gazastrook, die nagenoeg geen verzorging krijgen, opnieuw veelvuldig voorkomen. Egypte heeft de Israëlische blokkade per boot moeten omzeilen om een laatste lading geneesmiddelen ter plaatse te krijgen. In de komende maanden moeten we ons mandaat in de Veiligheidsraad gebruiken om tastbare acties in die regio voor te stellen.
Ik wijs erop dat de Verenigde Naties een assemblee van Staten vormen, van diplomaten die regeringen vertegenwoordigen, maar in tegenstelling tot de OVSE, de Raad van Europa en zelfs de NAVO, geen parlementaire vergadering hebben die gebonden is aan de vergadering van regeringsleiders. Een van de initiatieven die nauwelijks aandacht kregen toen de voorstellen tot hervorming werden ingediend, ging uit van een actieve groep parlementsleden uit haast alle landen ter wereld, die ijveren voor de oprichting van een parlementaire vergadering van de Verenigde Naties. Dat zou een belangrijk stadium kunnen zijn in de totstandbrenging van een wereld waarin Staten met verschillende politieke realiteiten naast elkaar bestaan.
De heer Karim Van Overmeire (VB). - Ik heb een meer technische vraag, mijnheer de voorzitter. De resolutie over China en Tibet behandelen we nog niet omdat de tekst nog niet is rondgedeeld, maar is de resolutie die we nu bespreken, al wel rondgedeeld? Vanmorgen werd ze nog op verschillende punten gewijzigd en ik kan nergens de nieuwe tekst vinden.
De voorzitter. - Ik heb de tekst hier voor me liggen, mijnheer Van Overmeire. Ik vraag onmiddellijk dat een bode u de tekst bezorgt.
De heer Karim Van Overmeire (VB). - Niet alleen aan mij, want ik denk dat de collega's ook graag willen weten waarover ze stemmen.
De voorzitter. - Ik zorg dat u met kennis van zaken kunt stemmen.
Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Voorstel van resolutie betreffende de doelstellingen en actieprioriteiten van België als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot 31 december 2008.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Berni Collas (MR). - Sinds enkele dagen is de nieuwe federale portaalsite `belgium.be' actief. De informatie voor de burger is nu vlotter toegankelijk en de lay-out is moderner en duidelijker.
Ook het Duitstalige gedeelte werd aangepast. Voor alle domeinen is er nu een korte inleiding in het Duits. De meer gedetailleerde informatie is echter alleen in het Frans en het Nederlands beschikbaar.
Op de homepage van `belgium.be' staat de volgende tekst:
»Auch wenn Sie in den öffentlichen Diskussionen oft vergessen werden, haben die deutschsprachigen Belgier ihren Platz im belgischen Staat. Dank der Anerkennung ihrer Sprache und politischen Autonomie sind sie ein fester Bestandteil des Landes.«
Weiter ist zu lesen: »Wenn Sie der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens angehören und uns Vorschläge für den weiteren Ausbau der deutschsprachigen Version dieser Website unterbreiten möchten, sind diese herzlich willkommen. Verwenden Sie dazu bitte unser Kontaktformular.«
Ook al worden ze in het publieke debat vaak vergeten, toch hebben de Duitstalige Belgen een plaats in België. Dankzij de erkenning van hun taal en hun politieke autonomie vormen ze een volwaardig bestanddeel van de Staat.
Ook staat er: Als u tot de Duitse Gemeenschap behoort en als u voorstellen heeft om de Duitse versie van de website verder te ontwikkelen, dan zijn die altijd welkom. Gelieve hiervoor ons contactformulier in te vullen.
Ik heb in dit verband de volgende vragen.
Zal meer gedetailleerde Duitstalige informatie op de portaalsite `belgium.be' worden gezet? Zo ja, binnen welke termijn?
Welke extra middelen zijn nodig opdat alle informatie in het Duits op de site wordt gezet?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.
Het Duitstalige gedeelte van de nieuwe federale portaalsite `belgium.be' is momenteel beperkt. Het werd uitgewerkt met onze collega's die binnen de Duitstalige Gemeenschap instaan voor de internetcommunicatie. Het is onze ambitie om meer actualiteit, adressen, links en publicaties toe te voegen. Het Duitstalige gedeelte moet een beeld geven van alles wat in het Duits beschikbaar is in de Belgische overheidsdiensten. Ook moeten onderwerpen aan bod komen die de Duitstalige Gemeenschap van België interesseren. Daartoe zullen we de samenwerking met die gemeenschap versterken.
De heer Collas vroeg ook welke extra middelen nodig zijn opdat alle informatie in het Duits op de website wordt gezet. De ploeg telt momenteel zeven Franstaligen en zeven Nederlandstaligen. Als we beslissen om de hele site in het Duits te vertalen, dan zouden logischerwijs zeven voltijdse Duitstalige equivalenten nodig zijn.
Moet die vertaling er komen? Het doel van de federale portaalsite is de gebruiker naar het goede antwoord te leiden via de beste en de snelste kanalen. Op de portaalsite staan veel links naar andere officiële sites in België, naar brochures, naar videos ...
Aangezien veel officiële websites in België geen Duitstalige versie hebben, zou een integrale vertaling van de site `belgium.be' in het Duits geen bevredigend resultaat opleveren voor de gebruikers. Daarentegen zullen veel thema's die in het Duits op websites van de overheid staan op de portaalsite in het Duits worden besproken.
De heer Berni Collas (MR). - Ik neem akte van deze lovenswaardige intenties.
Ik zal nagaan of de daad bij het woord wordt gevoegd.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Philippe Monfils (MR). - Het parlement heeft op 2 augustus 2002 een wet goedgekeurd tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de landverzekeringsovereenkomst.
Vroeger kon met behulp van het Veridassbestand de bestuurder van een autovoertuig worden geïdentificeerd. Meteen rees ook de vraag hoe tegen onverzekerde voertuigen kon worden opgetreden.
Na lange debatten werd de bevoegdheid van het Veridasssysteem uitgebreid: het beheert nu op jaarbasis alle verzekeringsgegevens van alle Belgische autovoertuigen.
Ingevolge de wet van 2002 gaat het Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds met behulp van het informaticasysteem na of alle polissen werd verlengd. Als een voertuig niet meer is verzekerd, vraagt het fonds uitleg aan de verzekerde. Als er geen antwoord komt of het antwoord onbevredigend is, deelt het fonds dit mee aan de bevoegde autoriteiten die de nummerplaat of de auto in beslag kunnen nemen.
Spijtig genoeg werkt dat systeem niet. Uit de pers vernemen we dat dagelijks 20 tot 30 ongevallen plaatsvinden met onverzekerde voertuigen. Bovendien vraagt de politie bij een ongeval het verzekeringscontract te mogen zien, terwijl het zou volstaan het gegevensbestand te raadplegen.
Waarom wordt de wet, die met een ruime meerderheid door het parlement is goedgekeurd, niet toegepast? Waarom werkt dat bestand niet? Waarom kan de jaarlijkse hernieuwing van de verzekeringspolissen niet worden gecontroleerd? Waarom krijgen de onverzekerden geen waarschuwing zoals in de wet is bepaald. Als er geen antwoord komt of het antwoord niet volstaat, waarom worden de gegevens dan niet naar de politie gestuurd die de nummerplaat of het voertuig in beslag kan laten nemen?
Op die manier zou het aantal ongevallen met onverzekerde voertuigen dalen, zouden de betrokkenen veel minder moeten betalen en zou een Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds niet meer nodig zijn om de schade door onverzekerde voertuigen te vergoeden.
Waarom kan de politiecontrole niet worden vervangen door een uitermate eenvoudig informaticasysteem?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.
De DIV voert een controle uit op het ogenblik van de inschrijving; maandelijks controleert hij de verzekering door de gegevens van zijn bestand te kruisen met die van het Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds. Op die manier weet de dienst hoeveel onverzekerde voertuigen rondrijden.
In 2006 waren 41.728 voertuigen niet verzekerd, wat overeenkomt met één procent van het totaal aantal voertuigen.
Het Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds stuurt dan een waarschuwing naar de persoon die het onverzekerde voertuig heeft ingeschreven. Als er geen reactie komt, wordt de politie ingelicht. De politie kan het voertuig controleren, indien nodig de nummerplaat van het onverzekerde voertuig in beslag nemen en het voertuig immobiliseren om te vermijden dat het nog onverzekerd rondrijdt.
Tegen eigenaars of bestuurders die een onverzekerd voertuig in omloop brengen, wordt proces-verbaal opgesteld. Dat proces-verbaal wordt door het bevoegde parket behandeld.
Niet ik, maar de minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd om aan de politiediensten richtlijnen te geven over het gevolg dat zij moeten geven aan de kennisgeving van het Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds in verband met onverzekerde voertuigen. Als u daarover meer wil weten, kan u altijd de minister van Binnenlandse Zaken ondervragen.
Ik lees nu het antwoord van de minister van Financiën.
Het jaarverslag 2007 van het Gemeenschappelijk motorwaarborgfonds preciseert: `In 2007 werd, in het kader van het artikel 19bis van de wet van 21 november 1989, de verzekeringstoestand van 52.861 in België ingeschreven voertuigen onderzocht. Wanneer deze verificatie het niet mogelijk gemaakt heeft de verzekeringsonderneming te identificeren, werden de desbetreffende voertuigen aan de politie gesignaleerd. Op 31 december 2007, werden 15.531 voertuigen gesignaleerd tegen 13.205 op 31 december 2006.'
Ik wijs erop dat het fonds steeds doeltreffender wordt. In 2007 werd slechts 29% van de ondervragingen aan de politie gesignaleerd tegenover 31% het jaar daarvoor, en dat terwijl het aantal gesignaleerde voertuigen in absolute cijfers steeg.
De heer Philippe Monfils (MR). - Ik ben tevreden met het antwoord over het Gemeenschappelijk waarborgfonds. Het verheugt mij dat de wet werkt.
Niettemin blijven onverzekerde voertuigen ongestraft voortrijden. Het probleem ligt dus bij de politiediensten die niet optreden. Dat is onaanvaardbaar. Op basis van de gegevens over de werking van het fonds en over het aantal ongevallen met onverzekerde voertuigen zal ik de minister van Binnenlandse Zaken ondervragen. Het aantal onverzekerde voertuigen is veel te groot. De politie doet haar werk niet.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - De politiezones met een strategisch preventie- en veiligheidsplan beschikken over een veiligheidsmonitor, gefinancierd door de federale overheid. Met dit bijzonder interessante instrument kan het gevoel van onveiligheid bij de burgers worden gemeten en kan men bepalen welke maatregelen moeten worden genomen. Misdrijven kunnen er systematisch mee worden geanalyseerd en er kan geanticipeerd worden door bepaalde preventieve maatregelen te nemen. Het is een efficiënt instrument voor de aanpak van de criminaliteit. De kostprijs bedraagt ongeveer 10.000 euro.
De politiezones die over geen strategisch preventie- en veiligheidsplan beschikken, kunnen dit instrument niet door de federale overheid laten financieren.
Waarom worden de politiezones op een verschillende manier behandeld? Waarom worden de veiligheidsmonitoren alleen maar in bepaalde politiezones gefinancierd? Zou het, gezien het belang van dit systeem voor de veiligheid en de preventie, niet verstandig zijn de veiligheidsmonitor zonder onderscheid in alle politiezones door de federale overheid te laten financieren?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.
Voor de politiehervorming werd de veiligheidsmonitor uitgevoerd in twintig interpolitiezones. Vanaf 2002 werden in tweeëntwintig politiezones en ook in de negenentwintig gemeenten met een veiligheidscontract enquêtes gehouden. De kosten voor de veiligheidsmonitor vielen volledig ten laste van de federale overheid.
In 2004 en 2006 werd de veiligheidsmonitor uitgebreid naar de 73 gemeenten met een veiligheids- en preventiecontract. Als één van de gemeenten tot een meergemeentepolitiezone behoorde, werden overeenkomstig hun bevolking bijkomende enquêtes gehouden.
In 2004 en 2006 werden 37.898 enquêtes uitgevoerd. In 58 van de 196 politiezones wordt de veiligheidsmonitor dus toegepast.
Deze veiligheidsmonitor werd door de federale overheid gefinancierd, maar werd om budgettaire redenen beperkt. Ik heb de andere lokale overheden voorgesteld zich uit eigen beweging aan te sluiten, maar dan volledig gefinancierd met lokale middelen. Het totaal aantal enquêtes steeg van 41.017 in 2004 tot 43.318 in 2006.
In 2008 zou de veiligheidsmonitor aanvankelijk worden gebruikt in 102 gemeenten met een strategisch veiligheids- en preventieplan en in de gemeenten die deel uitmaken van een meergemeentepolitiezone. Om budgettaire redenen werd die beslissing echter niet uitgevoerd. Ze zal binnenkort toch worden uitgevoerd, want de federale politie heeft een budget vrijgemaakt. De operatie zal evenwel beperkt zijn tot 12.000 enquêtes, proportioneel verdeeld over de 589 gemeenten van het koninkrijk. Dit onderzoek gebeurt met dezelfde vragenlijst als voorheen.
Andere politiezones kunnen vrijwillig bij de veiligheidsmonitor aansluiten, op voorwaarde dat ze hun deelname zelf financieren. De exacte kostprijs is nog niet bekend, want die hangt uiteindelijk af van het aantal enquêtes dat zal worden afgenomen. Mijn diensten verwachten een redelijke prijs van 30 tot 35 euro per enquête. Om een relevant resultaat te bekomen is per gemeente of politiezone een minimum van 350 enquêtes vereist.
Eind maart 2004, tijdens de speciale ministerraad over veiligheid, werden de krachtlijnen uitgezet voor een integraal en geïntegreerd veiligheidsbeleid.
Het is heel belangrijk een duidelijk beeld van de toestand te krijgen, zowel op federaal als op lokaal niveau.
We hebben een methodologie voor de lokale veiligheidsdiagnose uitgewerkt. De veiligheidsmonitor is één aspect, naast bijvoorbeeld de misdaadstatistieken van de politie.
Het nationaal veiligheidsplan werd aangenomen voor de periode 2008-2011. Op lokaal niveau worden de zonale veiligheidsplannen voor 2009-2012 uitgewerkt. Deze plannen zijn de vertaling van het integrale en geïntegreerde veiligheidsbeleid.
Ik doe al het nodige voor een gestructureerde en coherente aanpak op federaal niveau.
Ik verneem dat de lokale overheden daar evenveel belang aan hechten, want ze besteden er de nodige financiële middelen aan.
(Voorzitter: de heer Marc Verwilghen, ondervoorzitter.)
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Kan de minister precieze informatie verstrekken over de terugtrekking van de brandweer van Herve uit de overeenkomst voor het grondgebied Voeren, waar een op te richten vooruitgeschoven post van de brandweer Bilzen zijn opdracht zal overnemen?
Wanneer zal die post operationeel zijn?
Zal de brandweer van Herve blijven instaan voor de snelste adequate hulp, wanneer de vooruitgeschoven post niet tegen een rampsituatie opgewassen blijkt?
Hoe zal erop worden toe gezien dat slachtoffers in hun taal worden opgevangen?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.
Pas vanaf 1 juli 2009 zal de gemeente Voeren van de gewestelijke groep Bilzen deel uitmaken. Die datum werd gekozen om iedereen genoeg tijd te geven om de overgang voor te bereiden zonder de bescherming van de bevolking in het gedrang te brengen. De vooruitgeschoven post kan pas operationeel zijn, als wordt voldaan aan talrijke voorwaarden van de brandweerinspectie, met name dat de brandweer Herve moet blijven instaan voor de dringende geneeskundige hulpverlening en dat de vooruitgeschoven post is uitgerust met minstens drie interventiewagens en bemand met personeel met een voldoende theoretische en praktische opleiding.
Het principe van de snelste adequate hulp is algemeen van toepassing, afgezien van de territoriale indeling in gewestelijke groepen.
Wat betreft de opvang van slachtoffers in hun taal, bepaalt de wet op het gebruik van de talen dat openbare diensten in taalgrensgemeenten met een bijzonder statuut burgers te woord staan in een van beide talen - het Frans of het Nederlands - waarin die burgers zich uitdrukken. In eentalige gemeenten staan openbare diensten burgers te woord in de taal van het gewest.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - De Nederlandse Vereniging van Banken is een campagne begonnen tegen de money mules of katvangers. Dat zijn mensen die in ruil voor een beloning, hun bankrekening beschikbaar stellen van criminelen.
In de praktijk benaderen criminelen vooral jongeren. Wie instemt, krijgt geld gestort op zijn rekening met het verzoek dat geld door te sluizen naar een bankrekening in het buitenland. Aangezien het meestal om witwassen gaat, begaat de persoon die overschrijft naar het buitenland, een overtreding.
Jongeren worden vaak geronseld op het internet, via e-mail of populaire websites.
Het probleem van de katvangers zou groot zijn in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Ook in Nederland neemt het fenomeen toe.
De pas opgestarte Nederlandse campagne, die bestaat uit een aantal waarschuwende filmpjes op het internet, is vooral preventief bedoeld.
Wordt het fenomeen van de money mules in ons land vastgesteld? Is er een stijgende trend waar te nemen?
Acht de minister het wenselijk om zoals bij onze noorderburen, preventieve of andere maatregelen te nemen die wijzen op de gevaren verbonden aan het fenomeen?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.
De modus operandi waarbij personen hun bankrekening ter beschikking stellen van criminelen, is in België eveneens bekend.
Volgens de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) werd in diverse dossiers die in 2006, 2007 en 2008 aan de CFI werden gemeld een gelijkaardige modus operandi vastgesteld.
Een persoon in België werd door een in het buitenland gevestigde vennootschap via het internet benaderd om hem een betrekking aan te bieden. De persoon moest geld ontvangen op een persoonlijke bankrekening, dat geld in contanten opnemen, het geld verzenden via een geldoverdracht, tegen betaling van een commissie, naar een begunstigde wiens gegevens per e-mail werden meegedeeld. De internationale transfer die de rekening van de betrokkene crediteerde bleek frauduleus te zijn omdat de verrichting werd uitgevoerd zonder medeweten van de opdrachtgever, die het slachtoffer was van phishing. Het geld van de oplichting werd door de initiële opdrachtgever witgewassen door het uiteindelijk in contanten te laten opnemen voor de geldoverdracht.
De jongste drie jaar werden jaarlijks ongeveer een tiental dergelijke dossiers aan de Procureur des Konings gemeld. Sinds de CFI bij de publicatie van haar dertiende activiteitenverslag in 2006 de aandacht op dit type van illegale activiteiten heeft gevestigd, zijn de banken hiervoor erg waakzaam en stellen ze dit type van verrichtingen snel vast.
Er zijn verder geen performante cijfers beschikbaar. Toch maakt het gebruik van money mules sinds oktober 2007 het voorwerp uit van een gestructureerde en geïntegreerde aanpak onder toezicht van het federaal parket en gecoördineerd door de directie van de Financiële en Economische Criminaliteit van de federale gerechtelijke politie.
Hoewel er geen exacte cijfers bekend zijn, wordt er sinds het gecoördineerd optreden tegen het fenomeen een dalende trend vastgesteld.
Momenteel pleegt de directie van de Financiële en Economische Criminaliteit van de federale gerechtelijke politie terzake op regelmatige basis overleg met de banken in samenwerking met Febelfin. Ook de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) levert een actieve bijdrage.
Naast het informeren door de CFI van de meldingsplichtigen kan men ook denken aan preventie. Daarvoor loopt momenteel nog een overleg met de verschillende betrokken partners, waaronder Febelfin en het Belgische Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie.
Een campagne zoals de Nederlandse Vereniging voor Banken organiseert op www.wordgeenmoneymule.nl, is een ludieke campagne die op een speelse wijze mensen, vooral jongeren, kan wijzen op de gevaren van oplichting via het internet, waardoor de kans dat iemand zich aanbiedt of zich als money mule laat gebruiken, kan verkleinen.
Sedert enkele jaren al staat de directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie tussen februari en maart in voor de Belgische bijdrage aan de internationale actie Fraud Prevention Month van het Internationale netwerk voor consumentenbescherming ICPEN. In 2006 en 2007 werden al preventiecampagnes gewijd aan de volgende fraudethema's: identiteitsfraude, internetoplichting, telefoonfraude, internetfraude, de risico's van elektronische handel zoals het aankopen van sms-diensten, piramideverkoop, enzovoort). Dit jaar wordt de strijd tegen consumentenbedrog op ludieke wijze gevoerd met de Lucky Lukestrip `Sluipend bedrog'. Een preventieve actie tegen het fenomeen van de money mules of katvangers zou dus perfect als thema in dit soort preventiecampagnes kunnen passen en zou vanuit de FOD Justitie kunnen worden gesteund.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Uit een studie van de KULeuven bij 173 weggebruikers blijkt dat weggebruikers hoofdzakelijk om drie redenen de verkeersregels volgen: om een boete te vermijden (externe druk), om een schuldgevoel te vermijden (interne druk) of omdat ze de verkeersregels zelf belangrijk vinden. Uit het onderzoek komt naar voren dat weggebruikers die persoonlijk overtuigd zijn van het nut van de verkeersregels, minder vaak beboet worden dan andere weggebruikers en dat weggebruikers die de verkeersregels volgen uit angst voor boetes, niet vaker bekeurd worden dan andere weggebruikers. De onderzoekers suggereren dan ook in te spelen op het gedrag van de weggebruiker. Om blijvend veilig rijgedrag te realiseren moet die overtuigd zijn van het nut van de regels.
Volgens de onderzoekers dreigt de afschrikkingsmethode met hogere boetes en een verhoogde pakkans haar doel te missen. Meer politiecontroles zouden alleen de externe druk om de verkeersregels te volgen, verhogen. De kans zou echter groot zijn dat weggebruikers opnieuw overtredingen begaan zodra de controles wegvallen. Volgens de studie zijn er twee opties: overal politieagenten en flitspalen zetten - een optie die ik niet voorsta - of preventief inwerken op de motivatie van de weggebruikers.
Welke conclusies trekt de staatsecretaris uit het onderzoek van de KULeuven?
Acht hij het wenselijk bijkomende, preventieve maatregelen te nemen om de verkeersregels beter te laten naleven?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Schouppe.
Ik heb kennis genomen van het onderzoek van de KULeuven over de motivatie om verkeersregels na te leven. Uit deze verkeerspsychologische studie onthoud ik hoofdzakelijk dat er zowel intrinsieke motivatiemiddelen als motivatiemiddelen van buitenaf bestaan om veilig aan het verkeer deel te nemen en geen overtredingen te begaan. Als een verkeersdeelnemer intern gemotiveerd is om de verkeersregels na te leven, zal hij spontaan veilig rijden en geen of minder overtredingen begaan. Als hij extern gemotiveerd is, zal hij zich aan de verkeersregels houden zolang de externe middelen, zoals verkeerscontroles of snelheidsradars, aanwezig zijn. In het eerste geval moet worden ingespeeld op education, in het tweede geval op enforcement, maar ook op engineering. Met dit laatste bedoel ik dat veilig verkeersgedrag ook kan worden afgedwongen door infrastructurele maatregelen. Een verkeersdrempel wordt niet voor niets ook wel eens een sleeping policeman genoemd.
Externe factoren, zoals verkeerscontroles, boetes, maar ook infrastructuuraanpassingen, kunnen op een directe en onmiddellijke wijze het gedrag van de weggebruikers beïnvloeden. Die inspanningen moeten worden volgehouden. Een voldoende hoge pakkans is noodzakelijk om een voldoende hoge subjectieve pakkans te creëren. Ook het rijgedrag van de andere weggebruikers is een externe factor die zowel positief als negatief het eigen rijgedrag beïnvloeden. Helaas is een negatieve beïnvloeding al te veel het geval. Daarnaast moeten we evenzeer intrinsiek motiveren, omdat verkeersdeelnemers ook moeten weten waarom verkeersregels moeten worden nageleefd, wat de verkeersrisico's zijn en waarom verkeerscontroles noodzakelijk zijn. Sensibilisatie- en communicatiecampagnes spelen daarbij een belangrijke rol: ze helpen om een groter draagvlak voor de naleving van verkeersregels en andere verkeersmaatregelen te creëren. Positief georiënteerde campagnes, zoals de Bobcampagnes, campagnes die het dragen van de veiligheidsgordel aanmoedigen of snelheidscampagnes die gericht zijn op de leefbaarheid in de bebouwde kom, dragen in ruime mate bij tot een betere aanvaarding van verkeerscontroles en strafrechtelijke sancties.
Niet iedereen zal echter voor elke verkeersmaatregel intrinsiek kunnen worden gemotiveerd. Bij sommigen zal dat nooit lukken. Ik ben er daarom van overtuigd dat externe factoren, zoals controles, in combinatie met zingeving er voor kunnen zorgen dat het individu intern wordt gemotiveerd en tot een duurzaam veilig gedrag zullen leiden.
De regering heeft zich tot doel gesteld om het aantal verkeersdoden tegen 2010 te verminderen tot maximum 750. Als we op deze korte termijn van twee jaar resultaten willen boeken, zullen verhoogde inspanningen op het vlak van handhaving en communicatie noodzakelijk zijn. Beide componenten dienen dan ook te worden versterkt.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-679/7.)
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA), rapporteur. - Tijdens haar vergadering van 3 juni 2008 heeft de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging drie voorstellen van resolutie behandeld betreffende de problematiek van de mensenrechten in China en de situatie in Tibet, namelijk de voorstellen 4-516, 4-679 en 4-699.
Voorafgaandelijk aan de bespreking ten gronde heeft de voorzitter van de commissie voorgesteld om de besprekingen ten gronde op basis van voorstel 4-679 te voeren. Tegen dat voorstel heeft de heer Ceder bezwaar geuit, omdat het volgens hem traditie zou zijn het oudste voorstel als uitgangspunt te nemen. De commissie besliste evenwel met 7 stemmen tegen 2 om voorstel 4-679 als basis voor haar besprekingen te nemen.
Volledigheidshalve moet worden aangestipt dat de commissie reeds eerder hoorzittingen over de mensenrechtensituatie in China en de toestand in Tibet had gehouden. Zo werden op 16 april 2008 samen met de bevoegde Kamercommissie hare excellentie, mevrouw Zhang Qiyue, ambassadrice van de Volksrepubliek China, en de vertegenwoordigers van Amnesty International gehoord. Ik verwijs hiervoor naar het verslag van de heren Van Den Driessche en Tuybens. Op 20 mei 2008 heeft de commissie van gedachten gewisseld met een Tibetaanse delegatie. Die vergadering vond plaats achter gesloten deuren. Op 28 mei 2008 heeft de commissie, opnieuw samen met de bevoegde Kamercommissie, de minister van Buitenlandse Zaken gehoord over zijn recente missie naar China.
In zijn inleidende uiteenzetting verwijst de heer Dubié naar de gewelddadige onderdrukking van de betogingen in Tibet door de Volksrepubliek China. Die onderdrukking moet met klem worden veroordeeld en de Chinese overheid moet worden aangemaand ze stop te zetten en alle gevangenen die sinds het begin van de onlusten zijn aangehouden, vrij te laten. De heer Dubié verwijst verder naar het voorstel van resolutie dat voor zich spreekt.
In de algemene bespreking verwijst mevrouw Temmerman naar het voorstel van resolutie betreffende de mensenrechtensituatie in China naar aanleiding van de Olympische Spelen, stuk Senaat 4-699/1.
De opstanden in Tibet vormden de aanleiding voor het indienen van dit voorstel van resolutie maar, volgens spreker, moet er ook aandacht worden gevraagd voor de bredere problematiek van de mensenrechtenschendingen in China, die ondanks de beloften van China en het IOC niet zichtbaar zijn verbeterd.
De dames Temmerman, de Bethune, Schelfhout, Tindemans, Zrihen, Lizin en de heer Dubié dienen amendementen in op het voorstel van resolutie, stuk Senaat 4-679/2.
De commissie beslist eenparig om het opschrift van het voorstel te wijzigen als volgt: `Voorstel van resolutie betreffende de toestand in Tibet en de mensenrechten in China op de vooravond van de Olympische Spelen'.
Op de considerans dienen de dames de Bethune, Tindemans en Schelfhout het amendement nr. 9 in dat ertoe strekt het punt A te hernummeren als punt Aquater en te doen voorafgaan door 3 nieuwe punten A, Abis en Ater, waarin wordt verwezen naar het proces van hervorming en openstelling dat al verschillende jaren in China aan de gang is, de enorme economische opmars die China heeft gemaakt, maar ook naar de toenemende economische marginalisering van de Tibetaanse bevolking.
De heer Dubié merkt op dat, ook al kent China de laatste jaren een enorme economische vooruitgang, dat niet wegneemt dat de arbeidsomstandigheden in vele gevallen schrijnend zijn en blijven.
Punt Aquinquies
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 10 in dat ertoe strekt een punt Aquinquies in te voegen waarin wordt verwezen naar de slachtoffers van de onderdrukking van de betogingen.
Punt Asexies
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 11 in dat ertoe strekt een punt Asexies in te voegen ten einde in de resolutie duidelijk te stellen dat de dalai lama geen onafhankelijkheid voor Tibet vraagt, maar wel een tussenoplossing van daadwerkelijke culturele en politieke autonomie en godsdienstvrijheid.
Punt Asepties
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout het amendement nr. 12 in dat ertoe strekt een punt Asepties in te voegen. Dat amendement verwijst naar de rapporten van Amnesty International, Reporters sans frontières en Human Rights Watch over de zorgwekkende situatie van de mensenrechten in China.
Punt Aocties
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 13 in dat ertoe strekt een punt Aocties in te voegen met betrekking tot de internationale campagne voor Tibet die gevoerd wordt door onder andere International Campaign for Tibet, Les Amis du Tibet - Vrienden van Tibet, Tibetan Community in Belgium.
Punt Bbis
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 14 in om een punt Bbis in te voegen met verwijzing naar de resolutie die op 10 april 2008 door het Europees Parlement werd aangenomen.
Punt D
Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 1 in ten einde het punt D aan te vullen met een zinsnede die stelt dat de Olympische Spelen ook zouden moeten bijdragen tot een algemene verbetering van de sociale omstandigheden, inclusief onderwijs, gezondheid en de mensenrechten in China.
Punt Dbis
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 15 in om een punt Dbis in te voegen waarin wordt herinnerd aan de beginselen waarop de Olympische gedachte gestoeld is.
Punten E en F
De commissie beslist eenparig om deze punten op te nemen in het dispositief van het voorliggende voorstel van resolutie.
Punt G
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 16 in om een punt G toe te voegen. In dit punt wordt verwezen naar het eerste informeel overleg dat op zondag 4 mei 2008 in Shenzhen plaatsvond tussen de Chinese autoriteiten en de Tibetanen.
Mevrouw Temmerman dient een amendement nr. 2 in dat er eveneens toe strekt een punt G toe te voegen.
In dit amendement wordt aangestipt dat China partij is bij het Internationaal Verdrag inzake Sociale, Economische en Culturele Rechten, het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en mensonterende behandeling of bestraffing, de Internationale Verdragen inzake de uitroeiing van alle vormen van respectievelijk discriminatie tegen vrouwen en rassendiscriminatie, het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het Internationaal Verdrag en het Optioneel Protocol inzake de status van vluchtelingen.
Punt H
Mevrouw Temmerman dient een amendement nr. 3 in ten einde een punt H toe te voegen waarin wordt verwezen naar andere minderheden, zoals Oeigoeren en de Mongolen, die ook ernstig te lijden hebben onder de aanhoudende discriminatie van hun bevolkingsgroepen.
Punt I
Mevrouw Temmerman dient een amendement nr. 4 in om een punt I toe te voegen waarin wordt opgemerkt dat wereldwijd almaar sterker wordt gereageerd op de schendingen van de mensenrechten.
Dispositief
Punt 1bis
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 17 in om een punt 1bis in te voegen met een oproep tot de federale regering om zich ten aanzien van de Chinese regering kritisch uit te laten over de herhaalde schendingen van de mensenrechten.
Punt 1ter
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 18 in om een punt 1ter in te voegen om de rechten van de verdedigers van de mensenrechten te respecteren.
Punt 2
De heer Dubié dient amendement 24 in dat ertoe strekt punt 2 te doen vervallen. Volgens de heer Dubié is punt 2 immers niet langer van toepassing, aangezien de Olympische vlam reeds voorbij de top van de Everest is gekomen.
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen vervolgens het amendement nr. 19 in om punt 2 te vervangen als volgt: `Vraagt de federale regering het Internationaal Olympisch Comité en zijn voorzitter ertoe aan te zetten de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen, alsmede de Olympische gedachte te vrijwaren;'.
De dames Lizin en Zrihen dienen amendement 26 in dat een subamendement bij amendement 19 is en dat ertoe strekt de woorden `de gelijkheid van mannen en vrouwen bij de Olympische Spelen' in te voegen tussen de woorden `de rechten van de mens' en de woorden `en de fundamentele vrijheden'.
Punt 2bis
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen het amendement nr. 20 in om een punt 2bis in te voegen dat betrekking heeft op de Olympische atleten. Er wordt gevraagd om de politieke standpunten van deze atleten niet langer na te gaan en hen hier niet op te beoordelen.
Punt 3
Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 5 in ten einde het punt 3 aan te vullen als volgt: `dat zij deze toegang uitbreidt naar binnenlandse journalisten, dat zij transparantie creëert inzake de internetcontroles, dat zij geen journalisten en activisten die op legitieme wijze gebruik maken van het internet arresteert en de schrijvers en journalisten Shi Tao, Huang Jinqiu en Yang Tongyan onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrijlaat'.
Mevrouw Zrihen heeft amendement 25 ingediend dat een subamendement bij amendement 5 is en dat ertoe strekt de woorden `dat zij de transparantie creëert inzake de internetcontroles' te vervangen door de woorden `dat zij de vrije toegang tot het internet waarborgt'.
Punt 6
Mevrouw Temmerman dient amendement nr. 6 in teneinde een punt 6 toe te voegen, luidende als volgt: `opdat de Belgische regering bij de Chinese overheid zou aandringen het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te ratificeren en te implementeren'.
Punt 7
Mevrouw Temmerman dient amendement nr. 7 in dat ertoe strekt een punt 7 toe te voegen opdat niet alleen aan de Tibetaanse kwestie aandacht wordt besteed, maar ook aan de situatie van andere etnische minderheden. Tevens wordt gevraagd om in het kader van de VN een onafhankelijk onderzoek te voeren naar de recente gebeurtenissen in Tibet.
Punt 7bis
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen amendement nr. 21 in om een punt 7bis in te voegen waarin aan de Belgische regering wordt gevraagd bij het parlement verslag uit te brengen over de evolutie van de mensenrechten in China.
Punt 8
Mevrouw Temmerman dient amendement nr. 8 in dat ertoe strekt een punt 8 toe te voegen om niet alleen een eensgezind standpunt in te nemen over de mensenrechtenschendingen in China, maar daar ook naar te handelen door aangepaste maatregelen te treffen, onder meer door de volledige toepassing van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers (European Union Guidelines on Human Rights Defenders) in China.
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen amendement nr. 22 in dat een subamendement op amendement nr. 8 is en dat ertoe strekt het voorgestelde punt 8 aan te vullen als volgt: `zonder, afhankelijk van de evolutie van de situatie, een politieke boycot van de openingsceremonie van de Olympische Spelen in 2008 in Peking uit te sluiten'.
Punt 9
Mevrouw de Bethune, mevrouw Tindemans en mevrouw Schelfhout dienen amendement nr. 23 in om een punt 9 toe te voegen opdat de kritische houding van de internationale gemeenschap en de diplomatie ten aanzien van de mensenrechtensituatie in China na de Olympische Spelen 2008 niet zou verslappen.
De amendementen 1 tot 26 werden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde voorstel van resolutie werd in zijn geheel eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Van Den Driessche voor een mondeling verslag na de terugzending naar de commissie.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA), corapporteur. - We hebben vanmiddag een geanimeerde en boeiende gedachtewisseling gehad met de bedoeling een akkoord te bereiken. Collega's Wille, Lijnen en Hermans hebben een amendement ingediend teneinde zowel het opschrift van de resolutie als een te veel herhaalde verwijzing naar de Olympische Spelen te schrappen, maar ook om te wijzen op positieve zaken, zoals de openheid die de Chinese autoriteiten aan de dag hebben gelegd bij de gruwelijke aardbeving die het land heeft getroffen.
Een amendement van de dames de Bethune, Tindemans en Schelfhout had betrekking op het feit dat vandaag een VRT-journalist werd opgepakt.
Amendementen van de heer Mahoux, de dames Zrihen en Lizin wezen op de solidariteit van ons land met de Chinese bevolking, meer concreet na de aardbeving.
Ikzelf heb samen met enkele collega's een amendement ingediend in de vorm van een subamendement aangaande de persvrijheid.
Die amendementen werden besproken in een open sfeer. Alle amendementen werden aangenomen, op één na.
Het was een moeilijke bevalling, maar uiteindelijk is een sterke tekst tot stand gekomen die een aantal zeer duidelijke elementen bevat. Er is nog geen beslissing genomen over onze houding ten opzichte van de openingsceremonie. De tekst is genuanceerd, want hij blijft niet blind voor de positieve evolutie in de Volksrepubliek.
De tekst werd door alle leden eenparig aangenomen, evenwel met een aantal bemerkingen. Dat is een sterk signaal.
Ik dank de diensten voor de zeer snelle verwerking, ondanks alle stemmingen, onthoudingen en de moeilijkheden die daarmee gepaard gingen. Ik feliciteer dus de diensten en dank de collega's voor de positieve sfeer.
De heer Paul Wille (Open Vld). - Ik wil eerst de heer Van Den Driessche bedanken voor het verslag over de besprekingen van vandaag in de commissie.
Niets is zo sterk als een resolutie die unaniem wordt aangenomen over een onderwerp waarover duidelijk verschillende meningen bestaan. Dat is goed parlementair werk. Open Vld heeft vandaag nog amendementen ingediend omdat onze fractie van mening was dat de goedkeuring van de tekst zoals hij voorlag ertoe kon leiden dat zich drie zaken konden voordoen die we niet wenselijk achten.
Ten eerste was onze fractie ervan overtuigd dat de resolutie in de Volksrepubliek China niet zou worden begrepen en dat China daar erg geïrriteerd zou op reageren. Ten tweede dachten we dat ons eigen land, dat al gedurende 35 jaar intens samenwerkt met China, daar niet beter van zou worden. Ten derde dachten we dat niet alleen de Tibetanen, maar al wie in de Volksrepubliek China als minderheid het slachtoffer is of denkt te zijn van onheuse behandeling, niet door deze resolutie zou worden geholpen.
Daarom hebben we geprobeerd om te komen tot een tekst waarin we ons wel konden terugvinden, en waarvan we hopen dat de andere collega's daarmee ook kunnen instemmen. We hebben ook gekeken naar de evolutie van de discussie tijdens de afgelopen weken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van Lhasa indrukwekkend en moesten ze aanleiding geven tot bepaalde politieke reacties, ook in ons land. Ondertussen is echter duidelijk gebleken dat de geesten in verschillende landen en ook in de internationale politiek daarover gewijzigd zijn. In de Raad van Europa bijvoorbeeld is men tot de conclusie gekomen dat het niet onverstandig zou zijn, terwijl de concrete aanleiding voor de verscherpte aandacht de Olympische Spelen zijn, om op een meer duurzame wijze met de Volksrepubliek China in dialoog te treden over de mensenrechten en de rechten van minderheden, en in het bijzonder ook over de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
De tendens van de amendementen die we hebben ingediend, gaat precies in die richting. Daardoor wordt minder nadruk gelegd op concrete situaties en wordt duurzame communicatie nagestreefd. Dat biedt ons de kans om de Volksrepubliek duidelijk de boodschap te sturen dat wat naar onze mening in dat land dient te gebeuren ook een duurzaam karakter moet krijgen.
We hebben gezien dat de aardbeving in Sichuan door de Volksrepubliek met grotere openheid is aangepakt dan de natuurramp in Myanmar door het regime van dat land.
Ook wanneer je, zoals de Open Vld, een aanvaardbare en duurzame resolutie nastreeft, dan is de aanhouding van een Belgische journalist een belangrijk feit dat niet kan worden ontkend. Daarom wordt daarover wel iets vermeld, zonder evenwel afbreuk te doen aan de benadering op lange termijn.
De combinatie van beide elementen is hier op zijn plaats.
België is een van de weinige landen die eerst signalen geven om te zeggen dat we bepaalde zaken onaanvaardbaar vinden, maar tegelijk investeren in een langdurige relatie met de Volksrepubliek. We beschikken over instrumenten, zoals de Interparlementaire Unie en andere internationale instellingen waarin de Senaat is vertegenwoordigd, om dat debat op structurele wijze te voeren. De nu voorliggende resolutie gaat voldoende in op deze filosofie.
De Open Vld-fractie heeft een amendement ingediend waarvan zij op voorhand wist dat andere fracties het daarmee moeilijk zouden hebben, namelijk de verwijzing naar het bijwonen van de openingsplechtigheid van de Olympische Spelen. Ook daar zijn evoluties merkbaar. De heer Sarkozy, die als eerste zei dat hij niet zou gaan, zal wel aanwezig zijn. Onze minister van Buitenlandse Zaken verklaarde op zijn terugreis van China dat België op de openingsceremonie vertegenwoordigd zou zijn door het Koningshuis in de persoon van de kroonprins. De Open Vld-fractie weigert aan te nemen dat de minister die verklaring niet namens de regering zou hebben afgelegd. Als de regering dat standpunt inneemt, zullen wij dat steunen. Wegens het symboolelement hebben wij het amendement behouden.
Alle elementen in de initiële resolutie die mogelijk schade hadden kunnen berokkenen aan onze bilaterale en langetermijnbelangen in de Volksrepubliek, werden aldus weggewerkt.
Buitenlandse Zaken is het bevoegdheidsdomein bij uitstek van de Senaat. Het is evident dat de meningen inzake het buitenlands beleid kunnen uiteenlopen. Wij zullen nooit beweren dat het grote gelijk altijd aan onze kant ligt. In elk geval moet de werking van onze commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen het debat mogelijk maken, met profilering waar noodzakelijk, maar in de mate van het mogelijke ook aanleiding geven tot gedragen en geloofwaardige stellingen.
In een resolutie vraagt de Senaat meestal dat onze regering zou tussenbeide komen bij een andere regering, in de lijn van de overtuiging die in de assemblee leeft. In dat opzicht is de resolutie die vanmiddag unaniem door de commissie werd goedgekeurd, in geen geval een zwakkere resolutie dan de resolutie die voordien in afwezigheid van de liberale familie was aangenomen. De voorliggende resolutie is sterker omdat zij unaniem is. Zij splijt niet, maar verenigt. Ik ben ervan overtuigd dat de Volksrepubliek deze boodschap veel beter zal begrijpen. Zij zal ook niet overkomen als betweterig of belerend. In dat opzicht stelt de voorliggende resolutie ons tevreden.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Aan de vooravond van de Olympische Spelen, die over zestig dagen starten, moeten verschillende waarden en kwaliteiten, in de eerste plaats solidariteit en respect, tot uiting komen. We moeten vooral tonen dat het belangrijk is deel te nemen aan het grote democratische systeem, dat soms met bloed en tranen werd gerealiseerd. Sommigen zouden moeten proberen er op een verstandigere en meer rationele wijze naar te streven.
In het kader van dit voorstel hebben alle partijen zich uitgebreid kunnen uitspreken en hun verschillende zienswijzen, in het bijzonder over de persvrijheid, kunnen naar voren brengen. Wij pleiten voor eerbied voor de rechten van de mens en van de minderheden; de plaats van de vrouwen moet worden bevestigd.
Dit voorstel van resolutie is er gekomen na verschillende hoorzittingen, maar vooral de schokkende beelden die door de pers werden verspreid hebben ons ertoe aangezet de stilte te doorbreken, want stilte betekent dikwijls goedkeuring.
We wilden de gebeurtenissen niet stilzwijgend goedkeuren. De Senaat en de Kamer hebben dus hun verantwoordelijkheid genomen door middel van dit voorstel van resolutie.
De eerbied voor de mensenrechten is één van onze fundamentele prioriteiten: het respect voor de rechten van mannen en vrouwen en van minderheden. De Olympische Spelen zijn een bijzonder moment waarvan we moeten gebruik maken om voor de Chinese bevolking - China is een opkomende macht - te onderstrepen dat het belangrijk is om dezelfde rechten te genieten als elk ander volk. Dat is misschien een toegevoegde waarde die wij kunnen aanbrengen, naast de economische positionering die de opkomende landen beogen.
China kent inderdaad een reële economische groei, maar die evolutie moet ten goede komen aan heel de bevolking en een echte sociale meerwaarde bieden. Dat was onze doelstelling toen we bepaalde gedragingen aan de kaak stelden. De mensenrechten vormen een belangrijk element van alle samenwerkingsakkoorden die op Europees niveau worden gesloten, dus van alle economische akkoorden; ze zouden in aanmerking moeten worden genomen in al onze relaties met die opkomende landen.
Door dit voorstel van resolutie hebben we de sterke aanwezigheid van het Belgische Parlement - via de regering - kunnen bevestigen naar aanleiding van de ramp die China onlangs heeft getroffen. Het feit dat we kritisch en helder zijn belet ons niet de bevolking terzijde te staan. Het is tevens onze bedoeling de ontwikkeling van de burgermaatschappij aan te moedigen; de arrestatie van onze journalist bewijst misschien dat dit idee niet altijd doorgedrongen is.
Wij respecteren de mensen en volkeren die de basis vormen van alle democratische systemen. We hopen dat deze tekst niet als radicale kritiek zal worden beschouwd, maar eerder als een voorstel voor een democratisch debat met een macht die we graag zouden beschouwen als een echte partner.
De heer Karim Van Overmeire (VB). - De Vlaams Belangfractie had een eigen voorstel van resolutie ingediend dat heel wat verder ging dan de voorliggende tekst. Eigenlijk had onze tekst als basis kunnen dienen, maar de meerderheid heeft voor een eigen tekst gekozen. Desondanks zullen we de voorliggende tekst goedkeuren.
China is geen democratisch land. Niet alleen in Tibet, maar in heel China worden de mensenrechten op grote schaal geschonden. De Chinese aanwezigheid in Tibet is niet meer of minder dan een bezetting.
In 2001 werd de organisatie van de Olympische Spelen aan Peking toegewezen, en niet aan Istanbul, Parijs, Osaka of Toronto. Dat was een overwinning voor de Chinese Volksrepubliek die er niet voor terugdeinst om van de spelen een gigantische pr-operatie te maken. Het is niet de eerste maal dat de Olympische Spelen door een totalitair regime worden gekaapt; iedereen herinnert zich de spelen van 1936 in Berlijn.
De keuze voor Peking werd omschreven als een window of opportunity. De aanwezigheid van talrijke atleten, journalisten en andere buitenlanders zou leiden tot een verbetering van de situatie in China. Zeven jaar later kunnen we een balans opmaken. Er is inderdaad een evolutie waarneembaar, soms in gunstige zin, maar over het algemeen is de toestand van de mensenrechten in Tibet zeven jaar na de toewijzing nog altijd teleurstellend.
Nog altijd zijn er mensen en krachten die ons aanraden om niets te doen. Chinezen hebben immers lange tenen en China is een opkomende economische en politieke grootmacht. De resoluties van de Belgische Senaat helpen de Chinezen toch niet vooruit, integendeel. Dat heb ik te horen gekregen; ik neem aan dat de meeste collega's hetzelfde hebben gehoord.
Het is goed dat we de moed hebben gehad om met alle fracties samen een tekst uit te werken waarin misschien niemand zijn volledige gading vindt, maar waarin de essentie van onze kritiek op het Chinese regime werd gehandhaafd. Zo hebben we punt 13 - het vroegere punt 14 - behouden. Dat stelt dat `afhankelijk van de evolutie van de situatie, een politieke boycot van de openingsceremonie' niet kan worden uitgesloten. Hiermee ligt de bal terug in het kamp van de Chinezen: zij moeten bewijzen dat ze op de goede weg willen voortgaan. Wij kunnen dan afwegen of die stappen voldoende zijn.
We hebben de wijzigingen die collega Wille vandaag heeft voorgesteld, aangenomen. Ze gaan uit van een visie op iets langere termijn. Ook na de Olympische Spelen moet er aandacht blijven voor de situatie in China en in het door China bezette Tibet.
Het is goed dat we ons niet hebben laten intimideren en dat we zeggen waar het op staat. Hopelijk kan dat via de unanieme goedkeuring van het voorstel van resolutie. Mijn fractie zal de tekst alleszins goedkeuren.
De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik verheug me op het debat van vandaag in plenaire vergadering over dit voorstel van resolutie, waaraan al intens parlementair werk in de commissie is voorafgegaan. De tekst is een weerspiegeling van het voorbereidende werk, maar ook van ons streven om vastberaden te reageren op de ontreddering van een volk, aan de vooravond van een gebeurtenis van wereldbelang.
Dit voorstel van resolutie is een uiting van onze bezorgdheid ten aanzien van sommige evoluties in dat immense land die ons werkelijk verontrusten. De economische en sociale rechten van de minderheden in de Volksrepubliek China, in Tibet en in andere gebieden, worden nog niet overal nageleefd; er is politieke onderdrukking. De buitenmaatse reactie van de autoriteiten op de betogingen in Lhasa en in andere steden in Tibet mag niet worden vergeten.
Wegens al die bekommernissen, maar ook uit diepe overtuiging, zal de cdH deze resolutie goedkeuren.
Ik kom niet terug op het olympisch ideaal die de waarden van wederzijds begrip en vrede tussen de volkeren met zich meedraagt. Ik wens enkel dat onze assemblee de Olympische Spelen in de Volksrepubliek China als een unieke gelegenheid aangrijpt om de autoriteiten eraan te herinneren dat er op hun weg naar de democratie nog een eind te gaan is. Die weg is voor geen enkel land in de wereld trouwens beëindigd.
Welvaart, stabiliteit en vrede kunnen enkel via onderhandeling, overleg en dialoog worden bereikt.
Tijdens de top tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten in Slovenië, waar de deelnemers `hun bezorgdheid hebben geuit ten aanzien van de recente rellen in Tibet en alle partijen hebben aangespoord zich te onthouden van bijkomend geweld', heeft China zeer snel en eerder venijnig gereageerd. We mogen nochtans vertrouwen hebben in onze Europese leiders en in dit geval zelfs in de leiders van de Verenigde Staten omdat ze in die verklaring voor een diplomatiek compromis hebben gekozen. Ondanks die voorzichtigheid moeten we erkennen dat de Chinese leiders nog altijd geneigd zijn boos te worden als die kwesties aan de orde komen.
De arrestatie van een journalist van de VRT is uiteraard niet van aard om onze ongerustheid weg te nemen. Laten wij hopen dat dit niet meer is dan een ongelukkig voorval en dat hij binnenkort wordt vrijgelaten.
De boodschap die onze assemblee met deze resolutie geeft mag niet worden beschouwd als een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van China. De resolutie heeft tot doel de vrede tussen Tibet en de Volksrepubliek China evenals de harmonieuze ontwikkeling van de universele waarden uit de Universele Verklaring van de rechten van de mens te bevorderen.
Dit voorstel van resolutie is allesbehalve een daad die gericht is tegen het Chinese volk. Het is niet geïnspireerd door een of andere verlangen om de westerse waarden in alle uithoeken van de wereld te zien zegevieren. Integendeel, dit voorstel van resolutie wil de dialoog met de Chinese autoriteiten doen voortbestaan en vooral bevorderen. Dit voorstel van resolutie wil gebruik maken van de Olympische zomerspelen die de hele wereld aanbelangen, om eraan te herinneren dat de ontwikkeling van China, die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de wereld, des te meer invloed zal hebben als sommige onontbeerlijke waarden worden geëerbiedigd.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Allereerst wil ik de rapporteurs danken voor het duidelijk mondeling verslag. Daarnaast dank ik de diensten van harte voor het werk en de goede opvolging van onze debatten, alsook alle senatoren voor het constructieve debat, dat wegens het belang van de problematiek tot driemaal toe werd gevoerd.
Dankzij de bespreking en - hopelijk - ook de ruime goedkeuring van dit voorstel van resolutie neemt ook ons land een duidelijk standpunt in over de toestand in Tibet en de schending van de mensenrechten in China. Hiermee werken we in het spoor van het Europees Parlement en van andere Europese landen, zoals Portugal, Denemarken, Tsjechië en Oostenrijk, die in de context van de Olympische Spelen de problematiek van de mensenrechten, de godsdienstvrijheid en de persvrijheid in China op de agenda hebben geplaatst.
Ondanks de enorme economische vooruitgang van China blijft de situatie van de mensenrechten er bijzonder zorgwekkend. Begin maart demonstreerden honderden monniken vreedzaam voor meer culturele en politieke autonomie en godsdienstvrijheid in Tibet. De Chinese ordediensten sloegen de betogingen hardhandig neer. Betrouwbare bronnen gewagen van meer dan 200 doden, 5000 vermisten en een onbekend aantal arrestaties.
Er is niet alleen de onderdrukking in Tibet. Vorige week was het precies negentien jaar geleden dat het bloedbad plaatsvond op het Tiananmenplein. Nog altijd weigert het Chinese regime bekend te maken hoeveel mensen er toen werden gedood en gevangengenomen. Evenmin wil het onthullen hoeveel demonstranten er negentien jaar later nog steeds gevangen zitten.
Rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch en de Verenigde Naties bevestigen wijdverbreide foltering en mishandeling van gevangenen in China, vooral van leden van etnische en religieuze minderheden. Vrijheid van godsdienst, meningsuiting en geweten is anno 2008 jammer genoeg eerder afgenomen dan toegenomen, aldus de vermelde rapporten. De communistische partij controleert en censureert zowel de binnenlandse als de buitenlandse media. Het stemde ons tevreden te vernemen dat vorige week een lichte vooruitgang werd vastgesteld en dat BBC World News kan worden ontvangen, maar dit belet niet dat in China nog steeds geen persvrijheid bestaat en dat grote stappen moeten worden gedaan om die te realiseren.
Daarnaast wordt ook de doodstraf in China grootschalig toegepast. Naar schatting worden er elk jaar meer dan 7500 mensen terechtgesteld, of 90% van het wereldtotaal. Nochtans is de Volksrepubliek China partij bij belangrijke internationale mensenrechtenverdragen.
In het verlengde van de politieke, economische en militaire macht die China geworden is, is de toon in het Westen gewijzigd. Ooit werden in de jaarlijkse vergadering van de VN-Commissie voor de rechten van de mens kritische stemmen gehoord over de schending van de mensenrechten, ook in de Volksrepubliek China, maar aangezien China er keer op keer in slaagt het Westerse kamp uiteen te spelen, zijn er sinds 1998 geen veroordelende resoluties meer ondertekend die China aansporen zijn beleid terzake aan te passen.
Ook op Europees niveau wordt elk jaar een dialoog over de mensenrechten gehouden met de Volksrepubliek China. Helaas is dit een dovemansgesprek geworden, wat enkele weken geleden nog is gebleken in Ljubljana. De Chinese ambtenaren geven jaar na jaar dezelfde antwoorden op de kritische vragen.
De Olympische Spelen vormen voor de internationale gemeenschap een uitgelezen kans om het gebrek aan respect voor de grondrechten in China aan te klagen. Een coherente, gezamenlijke boodschap van de Europese Unie is daarbij essentieel. Daarom is het ook belangrijk dat de Europese landen hun houding tegenover de openingsceremonie op elkaar afstemmen, signalen geven naar de Volksrepubliek en ook duidelijk maken dat ze van de Volksrepubliek nieuwe, positieve signalen verwachten. Het Europees Parlement maakte dit duidelijk in een resolutie van 10 april 2008 en riep op de situatie in China en in het bijzonder in Tibet van dag tot dag te evalueren. Ik roep dan ook onze minister van Buitenlandse Zaken op met deze boodschap rekening te houden bij het bepalen van de positie van ons land. Net zoals we in de Senaat proberen te komen tot een eenduidige boodschap, zo hebben we er ook belang bij ten minste in de Europese Unie eenzelfde taal te spreken.
Ik pleit namens mijn fractie voor een diplomatie die de druk op China hoog houdt en oproept tot een constructieve dialoog met de dalai lama om een vreedzame en duurzame oplossing voor de crisis in Tibet te vinden, met respect voor de territoriale integriteit van China. Ik pleit voor een diplomatie die aandringt op een gematigd optreden van de ordediensten en een onbeperkte uitoefening van het recht op vrije meningsuiting, een diplomatie die streeft naar een gemeenschappelijk Europees standpunt inzake de mensenrechtenschendingen in China.
Onze kritische houding doet niets af aan onze solidariteit met de Chinese Volksrepubliek en de Chinese bevolking, die getroffen is door zoveel leed ten gevolge van de aardbeving waarbij zoveel mensen het leven verloren, gewond werden en have en goed kwijt raakten. We willen ons respect uiten voor de wijze waarop de Chinese autoriteiten deze ramp het hoofd hebben geboden en de openheid waarmee ze hulp en samenwerking met de internationale gemeenschap hebben aanvaard. Het is dan ook te betreuren dat we precies vandaag op dit vlak dissonante nieuwsberichten krijgen. Uit de berichten die in de loop van de dag zijn binnengerold, blijkt dat de getroffen dorpen toch worden afgesloten en dat journalisten er worden geweerd. Dat gebeurt vooral in dorpen waar scholen zijn ingestort en kinderen zijn gestorven omdat de schoolgebouwen blijkbaar niet volgens de normen waren opgetrokken. Waarom beletten dat de internationale gemeenschap zich van een dergelijk drama vergewist en desgevallend steun geeft? In het verlengde daarvan veroordeel ik namens mijn fractie ook de tijdelijke aanhouding vandaag van VRT-journalist Tom Van de Weghe en zet ik de eis kracht bij dat alle in beslag genomen materiaal wordt vrijgegeven, zodat de internationale gemeenschap en ook de bevolking in de Volksrepubliek China weten wat er gebeurt. Uiteindelijk is dat de basis van een democratie en van een maatschappij waar de civiele samenleving duidelijk haar zeg kan doen.
Ik hoop dat we straks tot een eensgezinde stemming kunnen komen.
De heer Josy Dubié (Ecolo). - Ik sta volledig achter de woorden van de heer Wille: het feit dat de resolutie unaniem zal worden aangenomen is een pluspunt. De resolutie werd aangepast ingevolge de goedkeuring van enkele amendementen, waaronder amendementen waarmee ik niet instemde. Toch ben ik blij met het belangrijke signaal dat we aan de Chinese autoriteiten zullen geven door deze tekst, die de recente gebeurtenissen sterk bekritiseert, unaniem aan te nemen.
Ik onderstreep dat we, niettegenstaande onze kritiek op het Chinese regime, volledig solidair blijven met het Chinese volk. We maken deel uit van de oppositie, maar we steunen de acties van de Belgische regering om hulp te bieden aan de Chinezen, die werden getroffen door de verschrikkelijke aardbeving.
De punten van kritiek die de voorliggende resolutie bevat zijn uiterst belangrijk. Daarom zijn wij van oordeel dat we de tekst moeten goedkeuren, ondanks de amendementen die werden aangenomen. Ik citeer drie zinnen, die in mijn ogen uitermate belangrijk zijn.
`De Senaat,
1. veroordeelt met klem de gewelddadige onderdrukking van betogers in Tibet, die reeds vele slachtoffers heeft gemaakt;
2. maant de regering van de Volksrepubliek China aan tot het stopzetten van de gewelddadige onderdrukking van de betogingen en eist de vrijlating van de gevangenen die sinds het begin van de onlusten aangehouden zijn;
3. (...)
4. vraagt de federale regering zich ten aanzien van de Chinese regering kritisch uit te laten over de herhaalde schendingen van de mensenrechten in China, zoals de uitvoering van de doodstraf, en in dat opzicht de grootste waakzaamheid aan de dag te leggen.'
Ik hoop dat die boodschap wordt beluisterd, gehoord en begrepen door onze regering en dat ze onze boodschap overbrengt aan de Chinese leiders.
Het Chinese regime is om drie essentiële redenen aanvechtbaar. Eerst en vooral gaat het om een dictatuur van een eenheidspartij, de Communistische Partij, waarbij alle mensenrechten voortdurend met de voeten worden getreden. Dat is volledig onaanvaardbaar.
Een tweede belangrijke tekortkoming van het Chinese regime is dat China gekenmerkt wordt door een ultraliberaal regime op economisch vlak, wat eigenaardig kan lijken voor een communistische dictatuur. Dat betekent dat de woorden van Deng Xiaoping van enkele jaren geleden - `het doet er niet toe of de kat wit of zwart is, zolang ze de muis maar vangt' - door de Chinese leiders werden begrepen als een aansporing om zich te verrijken op eender welke manier. Dat heeft geleid tot een ongeziene verergering van de sociale breuk in dat land. Dat is onaanvaardbaar, vooral omdat het totalitaire regime de Chinese werknemers en boeren verbiedt zich in vakbonden te verenigenen. Vakbonden worden er onderdrukt.
De derde belangrijkste tekortkoming is dat de Chinese leiders steeds meer een ultranationalistische houding tentoonspreiden. Terwijl onder Mao het Chinese communistische regime het internationalisme aanhing, geeft het vandaag blijk van een radicaal nationalisme, dat steeds afschuwelijker wordt.
Om die drie redenen hekelen we het Chinese regime, maar ondersteunen we het Chinese volk dat met onoverkomelijke moeilijkheden te kampen heeft.
Tot slot wil ik het verslag van Amnesty International over de toestand van de mensenrechten in de wereld citeren.
Een week geleden beschreef Amnesty International de situatie in China als volgt: Een groeiend aantal mensenrechtenactivisten werd dit jaar gevangen genomen, onder huisarrest of onder bewaking geplaatst, of achtervolgd. De autoriteiten hebben hun repressiebeleid ten aanzien van de minderheden, in het bijzonder de Tibetanen, de Oeigoeren en de Mongolen voortgezet. De beoefenaars van Falun Gong liepen een ernstig risico te worden gemarteld of andere vormen van mishandeling in gevangenschap te ondergaan. Christenen werden vervolgd omdat ze hun geloof praktiseerden buiten de officiële circuits. Ondanks de herinvoering van het onderzoek van de terdoodveroordelingen door het hoogste volkstribunaal, bleef uiterste geheimhouding over de doodstraf bestaan en werd ze nog steeds frequent toegepast. Marteling van gevangenen bleef wijdverbreid. Miljoenen mensen hadden geen toegang tot het gerecht en moesten noodgedwongen een beroep doen op een onefficiënt buitengerechtelijk systeem om klachten in te dienen teneinde schadeloosstelling te bekomen. Vrouwen en jonge meisjes waren nog steeds het slachtoffer van geweld en discriminatie. De voorbereidingen met het oog op de Olympische Spelen van 2008 in Peking gingen gepaard met repressiemaatregelen tegen mensenrechtenactivisten. Censuur van internet en andere media werd opgedreven.
Dat is het beeld van de zogenaamde Volksrepubliek China van vandaag. Het is afschrikwekkend en uiteraard onaanvaardbaar.
In het Westen vinden sommigen evenwel dat China ook een grote afzetmarkt is. Voor sommigen heeft geld geen geur. Voor ons wel. Geld stinkt soms. In China stinkt het geld omdat het dient om het regime in stand te houden en te versterken. Voor ons is dat moeilijk aanvaardbaar. Daarom zullen wij voor de resolutie stemmen.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Deze resolutie is een goed voorbeeld van het werk van de Senaat. Men kan, in termen van beslissingen van een assemblee, moeilijk spreken over actuele problemen, want soms kan onze perceptie van de dingen door bepaalde gebeurtenissen binnen de week veranderen. Ik ben tevreden met het resultaat van ons werk, waartoe de heer Wille ons bijna heeft gedwongen.
Dit soort werk gebeurt ook binnen de Interparlementaire Unie, waar bilaterale relaties centraal staan. Enerzijds worden we geconfronteerd met de actualiteit en de kritische beoordelingen over de Chinese communistische partij en anderzijds moeten we ook rekening houden met opvattingen van het land dat we vertegenwoordigen inzake onze betrekkingen met China. Deze aangelegenheid moest alleszins uitvoerig worden besproken. We zullen vandaag over deze resolutie kunnen stemmen, een beetje later dan verwacht, want alle aspecten moesten worden onderzocht.
Ik wens toch enkele kanttekeningen te maken. De dalai lama werd in België niet altijd hartelijk ontvangen. Zijn bezoeken werden uitgesteld, de ontvangst was niet altijd buitengewoon, een assemblee ging er zelfs prat op hem niet te hebben ontvangen ... Nu is dat allemaal vergeten. We moeten de dalai lama opnieuw uitnodigen. De oplossing die via onderhandelingen met hem tot stand zal komen, zal overigens een belangrijke test zijn voor een mogelijke nieuwe aanpak van China van het etnische probleem waarmee dat land heeft af te rekenen.
Ik heb geen bijzondere kennis van de Oeigoeren, maar als vicevoorzitter van het OVSE heb ik bij het opstellen van een rapport over Guantánamo ontdekt dat een sectie Oeigoeren die door het Amerikaanse leger in Kandahar was gevangengezet, een militaire training volgde met de troepen van Bin Laden om tegen China te vechten. Die training had niets te maken met de grote internationale jihad.
We moeten toegeven dat de oppositie kwaadaardig en militair is, maar dat is maar een klein deel. Net zoals de USSR eind de jaren tachtig moeten we vandaag China als één geheel beschouwen. De USSR viel in enkele maanden tijd uiteen omdat de verschillende streken klaar waren voor verandering: in Duitsland, al deed de heer Mitterand er twee jaar over om het toe te geven, in Hongarije, in Polen en waarschijnlijk in de meeste Baltische staten.
Als een militaire sectie, zoals de Oeigoeren, zich traint, wat moeten we daaruit afleiden? Is dit deel van China nu al klaar, om het zoals Tibet te durven tonen? We hebben het recht niet deze mogelijkheid niet te overwegen en er niet op te reageren. We moeten ervoor zorgen dat China geen blinde repressie ontwikkelt tegenover alle moslims, zoals in Tsjetsjenië is gebeurd.
Ik betreur dat de Olympische Spelen in de huidige versie van de resolutie minder aan bod komen. De organisatoren van de spelen zijn niet altijd even moedig. Dit evenement is een echt mediagebeuren, het is het belangrijkste wereldevenement. Degenen die de teugels van de Olympische Spelen in handen hebben, hebben een rol te spelen. Ze kunnen zich niet beperken tot de sport. Sinds de Wereldvrouwenconferentie van Peking in 1995 is dit het belangrijkste evenement voor China.
De organisatoren van de Olympische Spelen zijn geslaagd op het vlak van de apartheid. Ze zouden echter nog een stap verder kunnen zetten want op vele plaatsen in de wereld is dit probleem nog niet uitgeroeid. Ik denk aan de houding van de organisatoren tegenover de Franse atleten die gewoon kritisch waren ten opzichte van de mensenrechten. Op de Olympische Spelen is er geen duidelijkheid over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de sport, noch over verschillende andere kwesties. Dat is voor de PS het enige zwakke element in deze resolutie.
We hadden nog moediger moeten zijn. We hadden de organisatoren moeten vragen een duidelijker standpunt in te nemen omtrent onze doelstellingen en nog meer gewicht te geven aan deze korte aanwezigheid in China, die een belangrijk moment zal zijn in de wereldgeschiedenis.
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Voorstel van resolutie betreffende de toestand in Tibet en de mensenrechten in China.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - Bij artikel 15, §2, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele Veiligheid wordt het Nationaal Raadgevend Comité van de zones opgericht.
Het Nationaal Raadgevend Comité heeft als opdracht een voorstel aan de minister van Binnenlandse Zaken te formuleren over de territoriale afbakening van de hulpverleningszones. Het doet dit voorstel op advies van de Provinciale Raadgevende Comités, die op hun beurt het advies van de gemeenten inwinnen.
Het Comité wordt opgericht voor de duur van zijn opdracht.
Het Nationaal Raadgevend Comité is samengesteld uit de provinciegouverneurs, een vertegenwoordiger van de Union des Villes et Communes de Wallonie, een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en een delegatie van het Federaal Parlement.
Het Bureau stelt voor dat de Senaat, zoals de Kamer van Volksvertegenwoordigers, in deze delegatie één lid per fractie vertegenwoordigd in de vaste commissies aanwijst. (Instemming)
Ik heb de volgende kandidaturen ontvangen:
Aangezien het aantal kandidaten gelijk is aan het aantal te begeven mandaten, verklaar ik deze senatoren benoemd tot lid van dit Comité.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het voorstel van resolutie is eenparig aangenomen.
-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.
Stemming 2
Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het voorstel van resolutie is eenparig aangenomen.
-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Onlangs verscheen in de kranten een bericht inzake mogelijk gesjoemel met btw-vrijstellingen op het Congolees consulaat-generaal in Antwerpen. Buitenlandse diplomaten genieten een btw-vrijstelling op de goederen die ze in België kopen. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen goederen bestemd voor officieel gebruik en goederen bestemd voor persoonlijk gebruik en er worden ook duidelijke voorwaarden gesteld voor de btw-vrijstelling voor beide categorieën.
Naar verluidt zouden diverse uitgaven die als strikt persoonlijke uitgaven kunnen worden beschouwd en niet relevant zijn voor de diplomatiek taken, zoals handtassen, laarzen, jurken en dergelijke meer, aangegeven zijn als uitgaven voor officieel gebruik. Het officieel gebruik moet in beperkende zin worden omschreven als de goederen en de diensten die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de eigenlijke functies van een diplomatieke zending of consulaire post.
Als we de informatie in de krant mogen geloven zou het zelfs over georganiseerd gesjoemel gaan met facturen en officiële documenten. Ook in andere ambassades en consulaten zou dit een praktijk zijn die vaak voorkomt.
Is de minister op de hoogte van de problematiek met het Congolees consulaat-generaal in Antwerpen? Indien ja, hoelang al? Kan de minister ons wat meer informatie verschaffen betreffende het concrete geval met het consulaat-generaal in Antwerpen? Is hij op de hoogte van eventuele andere problemen inzake de btw-vrijstelling met diplomatieke zendingen in België? Kan de minister iets tegen dergelijke misbruiken ondernemen? Indien ja, overweegt hij maatregelen te nemen?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.
Ik noch mijn administratie waren op de hoogte van deze praktijken bij het Congolese consulaat-generaal te Antwerpen. Het huidige systeem voor het verlenen van btw-vrijstelling aan diplomatieke missies en consulaire posten en aan hun personeelsleden in ons land behelst in principe geen voorafgaande controle door de administratie. De begunstigde van de vrijstelling moet aan de verkoper een aanvraag voor btw-vrijstelling overhandigen. Fouten of misbruiken komen pas naar boven naar aanleiding van een fiscale controle bij de verkoper-btw-plichtige, of wanneer deze laatste mijn administratie om inlichtingen vraagt.
In het verleden zijn al fouten en misbruiken vastgesteld en de verschuldigde btw wordt steeds bij de verkoper ingevorderd. Als belastingplichtige is hij in de eerste plaats de schuldenaar van de belasting. Niettemin staat op de documenten waarmee de vrijstelling wordt aangevraagd, een engagement van de vrijstellingsgenietende waarin hij zich verbindt de verschuldigde btw te betalen ingeval de voorwaarden voor de vrijstelling niet zijn vervuld. Indien de verkoper dus te goeder trouw heeft gehandeld, dan neemt de FOD Buitenlandse Zaken contact op met wie de vrijstelling ten onrechte heeft genoten en nodigt hem uit om de verschuldigde btw aan de verkoper te betalen. Maar de verkoper draagt ook verantwoordelijkheid. Rechtspraak heeft reeds bevestigd dat hij zelf ook moet evalueren of de aankoop kan kaderen in een normaal officieel of persoonlijk gebruik. Bij twijfel kan hij steeds contact opnemen met mijn administratie.
Enkel een voorafgaande validatie van alle aankopen kan de misbruiken tot een absoluut minimum beperken. Momenteel valideren we voor de aankopen in België door diplomatieke missies, consulaire posten en hun personeelsleden enkel de aankoop van officiële gebouwen, de officiële recepties, de doorlopende leveringen van water, gas, elektriciteit, de diensten van telecommunicatie en teledistributie en de aankopen van voertuigen. Mijn administratie zal in overleg met de directie van het Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken onderzoeken of het nodig is deze voorafgaande validatie uit te breiden en de voorwaarden voor de vrijstellingen aan te passen.
De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Ik ben blij dat de minister de nodige initiatieven wil nemen om deze kwestie nader te onderzoeken. Dat kan helpen bepaalde carrousels te voorkomen, die een slechte zaak zouden zijn zowel voor de inkomsten van de staat als voor het imago van het diplomatiek personeel.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Wie een woning verwerft, kan in aanmerking komen voor de meeneembaarheid van de registratierechten. De maatregel werd ingevoerd door het decreet van 1 februari 2002 van het Vlaams Gewest en houdt in dat een persoon die in het verleden al een woning heeft gekocht en registratierechten heeft betaald, onder bepaalde voorwaarden die registratierechten kan aftrekken van de registratierechten verschuldigd bij een volgende aankoop.
Uit recente parlementaire vragen aan de Vlaamse minister van Begroting blijkt dat personen die kunnen de meeneembaarheid kunnen genieten tot twee jaar moeten wachten alvorens ze effectief de registratierechten terugbetaald krijgen.
Er blijken nog meer dan 10.000 dossiers op afhandeling te wachten. Daardoor dreigt een uitstekende maatregel zijn geloofwaardigheid te verliezen. De FOD Financiën is bevoegd voor de inning en de procedure tot terugbetaling van de registratierechten.
Welke maatregelen plant de minister om de opgelopen achterstand versneld in te halen? De Vlaamse minister van Begroting antwoordde in het Vlaams Parlement dat het invoeren van een wettelijke termijn voor de afhandeling van de dossiers alvast een goed idee is. Hoe staat de minister tegenover het vastleggen van een wettelijke termijn waarbinnen de dossiers moeten worden afgehandeld? Hoe staat de minister tegenover een overheveling van de inning van de registratierechten naar de gewesten?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.
Voor het antwoord op de vraag van de heer Wouter Beke kan ik verwijzen naar het antwoord van viceminister-president Dirk Van Mechelen van de Vlaamse regering op de vraag van de heer Koen Van den Heuvel in de vergadering van de commissie voor de Financiën van 27 mei 2008.
Die tekst beantwoordt aan de eerste twee vragen van de heer Beke. Ik citeer: `Ik kom even terug op de initiatieven die mijn federale collega ter zake had aangekondigd. Op 27 november 2007 vond de kick-offmeeting plaats van de werkgroep die binnen de FOD Financiën is opgericht om het probleem aan te pakken. Het project kreeg de welluidende naam "Automatisatie van de teruggave van de registratierechten" mee. De objectieven werden gedefinieerd, een plan van aanpak werd voorgelegd en de risico's, knelpunten en randvoorwaarden werden inmiddels opgelijst. De werkgroep startte zijn eigenlijke werkzaamheden op 4 december 2007.'
Wat de nieuwe software betreft, kan ik u meedelen dat de conceptuele fase - de fase waarin de workflow per categorie van teruggavedossiers wordt uitgewerkt - blijkbaar is afgerond. Momenteel worden de programma's uitgeschreven. Men verwacht dat dit klaar zal zijn tegen eind juli. De werkgroep zou dan kunnen overgaan tot het uittesten van de programma's. Het systeem zou operationeel moeten zijn tegen 1 september aanstaande.
Dat is de optimale situatie. Laten we er echter maar van uitgaan dat we blij mogen zijn als de zaak in het najaar begint te draaien.
De werkgroep heeft ondertussen ook afspraken gemaakt met de thesaurie. Zoals u weet, worden tegenwoordig maar één keer per maand uitbetalingen uitgevoerd. Het nieuwe systeem zou het mogelijk maken teruggaven eens per week of eens in de veertien dagen uit te betalen. Door de uitbetalingstermijn in te korten, kunnen we tijd winnen.
Het is de bedoeling om bij het opstarten van het project alle dossiers die nog niet afgehandeld zijn, in het systeem in te brengen. Zo kan in kaart worden gebracht waar de grootste achterstand bestaat en kunnen de dossiers evenredig over de kantoren worden verdeeld. Er wordt voorlopig geopteerd voor de afhandeling van de dossiers door de registratiekantoren zelf. In de toekomst kunnen dossiers eventueel aan gespecialiseerde cellen worden overgedragen. De werkgroep wil echter eerst de zaak in kaart brengen, nagaan waar de bottleneck zit, kijken hoe daaraan kan worden geremedieerd en dan nagaan hoe de achterstand kan worden ingehaald.
Over de verwijlintresten heb ik in de Kamer toelichting gegeven in antwoord op een parlementaire vraag van 5 oktober 2007: Alleszins leveren de terug te geven sommen niet van rechtswege intresten op. Traditioneel heeft de federale administratie steeds het standpunt ingenomen dat de intresten enkel toegekend en berekend kunnen worden voor de periode na aanmaning bij exploot.
Met een interne instructie van 30 oktober 2007 heeft de administratie een ander standpunt ingenomen. De administratie staat voortaan toe dat de terug te geven sommen intresten genereren nadat de rechthebbende de ontvanger bij aangetekende brief in gebreke stelt en aanmaant om onmiddellijk zijn verplichtingen na te komen. Die termijn kan wel ten vroegste aanvang nemen de dag na het verstrijken van een termijn van acht maanden na indiening van het verzoek tot teruggave.
Met dit versoepelde standpunt sluit de administratie zich aan bij de recente rechtspraak en de rechtsleer die voor een rechtsgeldige ingebrekestelling niet langer een deurwaardersexploot noodzakelijk acht. Een duidelijke en ondubbelzinnige aanmaning van de schuldenaar volstaat.
Wat betreft de vraag over de overheveling van de inning van de registratierechten naar de gewesten, verwijs ik naar de wet van 16 januari 1989 die een gewest toelaat de fiscale procedure te hernemen.
De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Zoals blijkt uit het antwoord van de Vlaamse minister van Begroting dateert het probleem van de achterstand al van oktober van vorig jaar. Na een half jaar is er onvoldoende vooruitgang geboekt, ondanks vergaderingen van de werkgroep bij de FOD Financiën. Het is nochtans belangrijk dat de maatregel over de meeneembaarheid van registratierechten uitwerking krijgt. Die maatregel is immers voor veel mensen belangrijk en het Vlaamse woonbeleid steunt er voor een groot deel op.
Ik ben ook blij met de verduidelijking van de minister op de vraag over de wettelijke termijn van afhandeling van dossiers. Ik zal de betrokkenen op de hoogte brengen. Het debat over de overheveling kunnen we misschien de komende weken aanvatten.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De Beldonoractie en het Giftproject betekenden een grote stimulans voor de orgaandonatie in België. Sinds de actie van 2005 heeft ons land bij Eurotransplant Oostenrijk ingehaald als donorland; het staat nu op de eerste plaats.
In België wachten echter nog 850 nierpatiënten op een nierdonatie. Eén patiënt op tien sterft terwijl hij op de wachtlijst voor een transplantatie staat. Gelet op het nijpende tekort aan nierdonoren zijn bijkomende maatregelen nodig. We moeten vooral het statuut van levende donor verbeteren. Aangezien een mens over twee nieren beschikt, is levende donatie immers mogelijk. De huidige benadeling van de levende donor moet daarom worden weggewerkt.
Wetenschappelijke studies staven dat levende donoren geen hoger risico op gezondheidsproblemen lopen dan andere mensen. De levende donoren hebben een levensverwachting die zelfs hoger is dan die van de modale Belg. De levende donor wordt immers nauw geconfronteerd met het belang van een goede gezondheid en met de waarde van het leven zelf. In die optiek gaat hij of zij er een gepaste levensstijl op na houden waardoor hij of zij langer leeft dan de gemiddelde Belg. Ik verwijs in dat verband naar het artikel van Novick in The Lancet.
Vandaag stellen we echter vast dat de operatie- en ziekenhuisfactuur vaak aan de gulle en bereidwillige donor worden doorgerekend als de orgaancoördinaten van de donor niet matchen met die van de receptor en de nieuwe nier dreigt te worden afgestoten. Krachtens de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen zou dat strikt gezien niet mogen, maar de realiteit is anders.
Hoe gaat de minister dit probleem oplossen? De levende donor is één week tot één maand werkonbekwaam en dat op eigen kosten indien hij of zij een zelfstandig beroep uitoefent. Kan in dat geval geen wettelijke vergoeding uitgekeerd worden?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Krachtens de wet moet elke wegneming op levende personen het voorwerp uitmaken van een voorafgaand multidisciplinair overleg. De arts moet de donor en in voorkomend geval de personen wier de toestemming vereist is, duidelijk en volledig inlichten over de lichamelijke, psychische, familiale en sociale gevolgen van de wegneming. Hij moet vaststellen dat de donor zijn beslissing oordeelkundig en met een niet te betwijfelen altruïstisch doel heeft genomen.
Levende donatie blijft in omvang beperkt omdat het moeilijk en delicaat is ze actief aan te moedigen, omdat morele dwang, zelfs onbewust, dient te worden vermeden en omdat verschillende neutrale artsen zowel de patiënt als de kandidaat-donor objectief en uitvoerig dienen voor te lichten.
De wetgever heeft zich bij het tot stand komen van de wet inzake levende donatie steeds zeer terughoudend opgesteld. Wanneer de wegneming ernstige gevolgen kan hebben voor de donor en wanneer het organen of weefsels betreft die niet regenereren, kan ze alleen worden verricht als de receptor in levensgevaar verkeert en de transplantatie van organen of weefsels van een overledene geen even bevredigend resultaat kan opleveren. In de praktijk zijn er echter bezwaren die maken dat we uiterst voorzichtig moeten omspringen met levende donatie.
Voor een donor die een zelfstandig beroep uitoefent, voorziet de wet in een vergoeding die momenteel 1500 euro per jaar bedraagt.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Nierdonoren moeten ook een hogere levensverzekeringspremie betalen. Misschien kunnen de diensten van de minister zich ook eens over die ongelijkheid buigen.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Op 3 april 2008 kreeg ik van de diensten van de minister van Justitie als antwoord op de schriftelijke vragen 4-620 en 4-695 over veelplegers, dat de nodige gegevens zouden worden opgevraagd bij de bevoegde instanties en dat het resultaat me later zou worden meegedeeld. Omdat ik die gegevens nog altijd niet gekregen heb, stel ik de minister hierover een vraag om uitleg.
In het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011 duikt verschillende keren het begrip veelpleger op. Op bladzijde 8 lees ik bij de specifieke dadergroepen: `Veelplegers hebben een relatief hoog aandeel in de opgehelderde feiten.' Op bladzijde 10 lees ik `Op politie- en parketniveau zal er een uniforme, systematische registratie komen van jongeren die veelvuldige feiten plegen (veelplegers) zodat die delinquentie in kaart wordt gebracht en er op de meest adequate wijze kan gereageerd worden bij nieuwe strafbare feiten.'
Bij navraag bij de lokale politie merk ik echter dat het begrip veelpleger nog niet gedefinieerd werd. In de praktijk komt het erop neer dat de politie een top 10 of top 20 aanmaakt van daders die verschillende misdrijven op hun kerfstok hebben. Wie de meeste feiten pleegt, staat dan op de weinig lovenswaardige eerste plaats. Ook wordt in die lijst gekeken naar de aard van het misdrijf. Hoe groter het probleem voor de bevolking, hoe zwaarder dit doorweegt. In Nederland hebben ze wel een officiële, landelijke definitie van het begrip veelpleger en maken ze een onderscheid tussen minder- en meerderjarigen. De definities die in Nederland worden gebruikt, kunnen op het Internet worden gevonden.
Meent de minister dat het begrip veelpleger op nationaal vlak nog officieel moet worden gedefinieerd? Zo ja, welke definitie zou hij hanteren? Volgens welke criteria kunnen we spreken van een veelpleger? Is de Nederlandse definitie een mogelijkheid? Zo neen, waarom niet en zo ja, waarom wel? Zal de minister, wanneer hij een officiële definitie van een veelpleger vastlegt, aan de lokale politie vragen om statistieken bij te houden?
Is hij van oordeel dat de Belgische situatie in verband met veelplegers op die manier beter in kaart kan worden gebracht? Volgens Nederlandse cijfers plegen veelplegers daar 20% van alle geregistreerde en opgehelderde criminaliteit. Beschikt men in België over zulke cijfers? Welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken?
Van de in Nederland zeer actieve veelplegers, die ook in 2004 actief waren, had 60% geen diploma middelbaar onderwijs. Meer dan driekwart van hen had geen werk. Twee derde heeft een verslavingsprobleem, een derde heeft psychische problemen en 40% heeft problemen in verband met de huisvesting. De meerderheid van de veelplegers is ook van allochtone afkomst. Beschikt men over vergelijkbare cijfers voor ons land? Zo neen, moeten er dan geen actie worden ondernomen?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Vandeurzen.
De toestand is nauwelijks veranderd sinds 4 maart 2008, dag waarop de schriftelijke vraag werd beantwoord. We hebben nog geen definitie en er zijn nog geen cijfers beschikbaar. De federale politie werkt aan een definitie en zal zich baseren op wat in het buitenland bestaat. Pas wanneer de definitie vastligt, kan werk worden gemaakt van de invoering van gegevens in een algemene gegevensbank. Er zullen zo weinig mogelijk extra gegevens worden verzameld. De nodige statistische gegevens zullen worden gehaald uit reeds bestaande procedures.
Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Ik dank de staatssecretaris voor het lezen van het antwoord van de minister. Deze aangelegenheid heeft te maken met het Nationaal Veiligheidsplan 2008. Het is nu al juni 2008, ik meen dan ook dat het hoog tijd wordt om hiervan werk te maken. Ik vind het antwoord bedroevend. Ik zal niet nalaten op korte termijn nog vragen te stellen. Het is onaanvaardbaar dat deze zaak verder wordt uitgesteld.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
De heer Karim Van Overmeire (VB). - De toetredingsonderhandelingen met Turkije zitten duidelijk in het slop. Momenteel zijn slechts zes van de 35 hoofdstukken geopend, wat betekent dat het land nog lang niet voldoet aan de toetredingsvoorwaarden. De voorzitter van de Europese Commissie, de heer Barroso, liet begin april, tijdens een bezoek aan Turkije, uitschijnen dat het land dringend werk moet maken van hervormingen op het vlak van de mensenrechten. Barroso tilt ook zwaar aan het mogelijke verbod van de regeringspartij AKP door het Turkse Grondwettelijke Hof. Een ander belangrijk obstakel voor de toetreding blijft de weigering van Turkije om zijn lucht- en zeehavens open te stellen voor Cypriotische vlieg- en vaartuigen, terwijl Cyprus een lidstaat is van de EU. Alleen al door dit probleem werden acht hoofdstukken inzake het tot stand brengen van de douane-unie tussen Turkije en de EU bevroren.
Het geduld van bepaalde EU-landen voor Turkije raakt langzaam op en Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk vragen zich steeds meer af of we niet moeten streven naar een geprivilegieerd partnerschap met Turkije in de plaats van een volwaardig lidmaatschap. Het wordt immers steeds duidelijker dat Turkije nooit in staat zal zijn aan alle voorwaarden te voldoen, ten minste als de Unie voor Turkije even streng zal zijn als voor alle andere kandidaat-lidstaten. Het is merkwaardig dat Turkije in sommige Europese kringen over een bijna onbeperkt krediet beschikt. Ik geef twee voorbeelden in dit verband.
Artikel 301 van de Turkse strafwet bepaalt dat het beledigen van de Turkse identiteit strafbaar is met drie jaar gevangenisstraf. Het beledigen van de Turkse identiteit is hetzelfde als kritiek hebben op het staatsnegationisme inzake de Armeense genocide of op de vervolging van de Koerden. De Europese Unie zegt dat die strafbaarstelling niet kan in een EU-lidstaat. Daarom werd een wetsontwerp ingediend waarbij niet langer het beledigen van de Turkse identiteit strafbaar is, maar het beledigen van de Turkse natie waarbij de gevangenisstraf twee jaar bedraagt in de plaats van drie. Zo een houding zou de Europese Unie toch van geen enkel land dulden!
Een ander voorbeeld is dat Turkije met 10.000 man Irak binnenvalt. De Europese Unie zegt dat die operatie niet te lang mag duren en dat Turkije geen disproportioneel geweld mag gebruiken. Indien Kroatië Bosnië zou binnenvallen, of indien de Macedoniërs Albanië zouden binnenvallen, zouden de reacties van een heel andere orde zijn. Het toetredingsproces zou onmiddellijk stopgezet worden en de toetreding zou voor jaren worden uitgesteld.
Toch zei de Europese commissaris voor Uitbreiding, Olli Rehn, een maand geleden nog dat hij het tempo van de toetredingsonderhandelingen met Turkije wil opdrijven, dat hij in juni al twee nieuwe hoofdstukken wil openen en dat bijkomende hoofdstukken, zoals dat van energie, in de tweede helft van 2008 moeten worden aangevat.
Deze acceleratie is, gelet op het feit dat Turkije nog op heel wat elementaire vlakken niet voldoet aan de noodzakelijke hervormingen, in tegenspraak met het onderhandelingsakkoord van 3 oktober 2005, waarin duidelijk wordt gestipuleerd dat de snelheid van het toetredingsproces afhankelijk wordt gemaakt van het hervormingsproces dat Turkije doorvoert.
Wat is het standpunt van de regering omtrent dat versnelde onderhandelingsproces, gezien er over erg belangrijke vraagstukken zoals inzake de Douane-Unie geen doorbraak komt?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.
Het besluit om op 17 juni 2008 de onderhandelingen over hoofdstuk 6 (bedrijfsrecht) en hoofdstuk 7 (intellectueel eigendomsrecht) aan te vatten, is niet ingegeven door de wens om het tempo van de toetredingsonderhandelingen met Turkije te versnellen, maar vloeit voort uit het besluit van de Raad Algemene Zaken van 10 december 2007 om bij de toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten hoofdstukken waarvoor de technische voorbereidingen voltooid zijn, te openen in overeenstemming met de vastgelegde procedures en de onderhandelingskaders.
COREPER besloot op 25 juni 2007 dat de technische onderhandelingen over hoofdstuk 6 (bedrijfsrecht) geopend konden worden indien Turkije aan de Commissie een omvattende strategie zou presenteren, waarin alle noodzakelijke legislatieve amendementen op het gebied van bedrijfsrecht en financiële rapportering van bedrijfsresultaten werden opgenomen evenals gepaste mechanismen voor de afdwingbaarheid van die regelgeving. De strategie moest verder streefdata bevatten en maatregelen voor institutionele capaciteitsopbouw.
COREPER besloot op 4 april 2007 dat de technische onderhandelingen over hoofdstuk 7 (intellectueel eigendomsrecht) geopend konden worden indien Turkije aan de Commissie een gedetailleerd actieplan, met deadlines en tussenstappen, zou voorleggen voor de opbouw van de nodige capaciteit om het communautair acquis op het gebied van intellectueel eigendomsrecht toe te passen en de toepassing afdwingbaar te maken.
Op basis van rapporten van de Commissie is de Raad unaniem tot het besluit gekomen dat Turkije aan beide openingsijkpunten heeft voldaan. Daarmee zijn de technische voorbereidingen voor die hoofdstukken voltooid. Beide hoofdstukken kunnen daarom geopend worden op de volgende toetredingsconferentie, die door zal gaan in Luxemburg op 17 juni 2008.
Na kennisname van de onderhandelingspositie van Turkije met betrekking tot die twee hoofdstukken zal de Raad op basis van een voorstel van de Commissie bepalen aan welke sluitingsijkpunten Turkije moet voldoen, voordat de technische onderhandelingen over deze hoofdstukken voorlopig kunnen afgesloten worden. Eén sluitingsijkpunt staat voor beide hoofdstukken nu al vast: de Raad Algemene Zaken van 10 december 2006 heeft immers besloten dat geen enkel hoofdstuk kan worden afgesloten zolang Turkije het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara niet volledig en op niet-discriminerende wijze toepast, en zolang niet alle belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen, inclusief beperkingen op middelen van vervoer, worden opgeheven.
De heer Karim Van Overmeire (VB). - De uitleg van de minister is uiteraard een technische uitleg, die echter blijk geeft van een bepaalde strategie. De senatoren moeten goed beseffen waarmee ze inzake Turkije bezig zijn. Er zijn 35 vooral technische hoofdstukken. Andere landen moeten eerst een aantal voorwaarden inzake mensenrechten vervullen alvorens de technische hoofdstukken kunnen worden aangevat. Voor Turkije knijpt men een oogje dicht wat de mensenrechten betreft en begint men met de technische hoofdstukken. Na enkele jaren zal worden vastgesteld dat Turkije aan de technische voorwaarden voldoet en zal het onmogelijk zijn het Turkse lidmaatschap alleen om politieke redenen tegen te houden.
Ik stel de situatie van Turkije tegenover die van Servië waarvoor eerst de uitlevering wordt geëist van een aantal oorlogsmisdadigers voordat met onderhandelingen kan worden begonnen. Ik vind het merkwaardig dat Turkije oneindig veel krediet blijft krijgen in Europese kringen.
Als men zich afvraagt waarom een groot deel van de bevolking zo kritisch staat tegenover de Europese Unie, dan is dat omdat mensen in dossiers zoals dat van Turkije, in het ootje worden genomen. Een groot deel van de bevolking is tegen de toetreding gekant, maar merkt dat de EU-machthebbers het Turkse lidmaatschap blijven verdedigen. Turkije moet en zal lid worden van de Europese Unie. Helaas wordt hierdoor de geloofwaardigheid van de Europese Unie ernstig ondermijnd.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Op 28 mei stelde de Europese Commissie voor het embargo op kip uit de Verenigde Staten, dat sinds 1997 van kracht is, op te heffen. De Europese tekst, een reglement, zou tegelijkertijd dit soort behandelingen in Europa toelaten. Concurrentievervalsing ten voordele van de Amerikaanse producenten kan dus niet aangevoerd worden als argument tegen de opheffing van dit embargo. Behandelingen op basis van chloordioxide, aangezuurde natriumchloriet, natriumfosfaat of peroxyzuren hebben tot doel de karkassen te desinfecteren en te beschermen tegen salmonella-infectie.
De kwestie gaf aanleiding tot heftige woordenwisselingen in het college van commissarissen. Vicevoorzitter Günter Verheugen heeft de beslissing er doorgedrukt, niettegenstaande de sterke terughoudendheid van verschillende collega's. De Commissie stond onder sterke Amerikaanse druk en had blijkbaar geen andere keuze dan de opheffing van het embargo voor te stellen. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid bracht in december 2005 advies uit. Het gebruik van de opgesomde scheikundige stoffen zou geen toxicologische risico's inhouden. De ontwerptekst voorziet in een opheffing van het invoerverbod voor twee jaar en gaat gepaard met verschillende voorzorgsmaatregelen: één enkel product tegelijk gebruiken, beperkte concentraties, beperkte blootstelling van de karkassen, etikettering, enzovoort.
De argumenten tegen de opheffing van het embargo op `chloorkippen' zijn van een andere orde; ze zijn gebaseerd op bepaalde opvattingen inzake kwaliteit van de landbouw en op minder agressieve methodes inzake hygiëne. Een voorstel van reglement van de Commissie wordt vroeg of laat een beslissing van de Ministerraad .... De ministers van Landbouw, waaronder mevrouw Laruelle, staan bijzonder terughoudend tegenover dit dossier.
Het argument van concurrentievervalsing lijkt niet relevant. Kan de minister meedelen wat haar houding is in dit dossier? Als ze tegen het voorstel is, kan ze ons dan argumenten aanreiken om aan de Amerikaanse druk te weerstaan?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Laruelle.
Mijn houding in dit dossier is niet veranderd. Ik ben volledig tegen het voorstel van de Europese Commissie om het verbod op de invoer van Amerikaanse kippen die met chloor behandeld zijn op te heffen. Het Belgische standpunt werd reeds op twee vergaderingen van de Raad van Landbouwministers naar voren gebracht, na overleg met de gewestministers bij de voorbereidende vergaderingen van de Raad.
De toelating van de Commissie heeft niets te maken met concurrentievervalsing omdat de chemische behandeling ook zal worden toegestaan voor het gevogelte dat in de Europese Unie op de markt wordt gebracht. Er zullen dus andere argumenten moeten worden geformuleerd om zich tegen deze beslissing te verzetten.
Europese producenten moeten gedurende de hele productieketen strenge hygiënische normen naleven. Ze hebben grote inspanningen moeten leveren om zich aan deze normen aan te passen en zullen nog jarenlang de financiële lasten ervan dragen. Er zal gedurende een bepaalde tijd dus een soort oneerlijke concurrentie zijn.
Ook al is er geen toxicologisch risico aan deze behandeling verbonden, toch blijf ik ervan overtuigd dat een maximale hygiëne gedurende de hele voedselketen volgens de normen van de HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points) de beste garantie is. Het is de enige manier om het consumentenvertrouwen te behouden. Het toelaten van dergelijke praktijken ondermijnt het systeem dat op Europees niveau is uitgewerkt.
Producten die een dergelijke behandeling hebben ondergaan beantwoorden niet aan het soort voedsel dat de Europese consument verwacht. Hierover is momenteel overigens nagenoeg een consensus. Ik pleit opnieuw om in het kader van de WTO-onderhandelingen effectief rekening te houden met niet-commerciële aspecten.
Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Ik verheug me over het Belgische standpunt in dit dossier. We zullen kritisch blijven tegenover het opheffen van het embargo op de import van chloorkippen. Ik zou graag meer details krijgen over de argumenten die we kunnen aanvoeren om ons tegen de Amerikaanse druk te verzetten.
De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Het Festival international des Arts de la Rue de Chassepierre viert op 23 en 24 augustus aanstaande zijn 35ste editie. In 2007 trok het evenement 27.000 bezoekers en dit jaar worden 30.000 kijkers verwacht.
De organisatoren namen contact op met de NMBS om voor deze gebeurtenis een B-Dagtrip te organiseren en engageerden zich om daarvoor de toegangsprijs te verlagen. De TEC Namen-Luxemburg legt al busverbindingen tegen verlaagde prijs in tussen Chassepierre en de stations van Marbehan en Florenville.
In haar negatieve antwoord van 22 mei roept de NMBS commerciële redenen in, meer in het bijzonder de afstand om Chassepierre te bereiken vanuit de Belgische steden en de tijd voor het traject heen en terug.
De afstand en de duur van het traject lijken de 30.000 kijkers nochtans niet af te schrikken. Ze komen niet allemaal uit het kleine dorpje Chassepierre. De NMBS leidt daaruit zelfs ten onrechte af dat het potentieel aan reizigers voor een dergelijke B-Dagtrip onvoldoende is om de kosten te dekken - welke kosten? - terwijl het zeker niet nodig is extra treinen in te leggen. Daarom zou een B-Dagtrip voor Chassepierre zelfs meer inkomsten voor de NMBS genereren.
De NMBS stelt als alternatief een weekendbiljet voor dat de mogelijkheid biedt om op zondag terug te keren. De hotels en slaapgelegenheden ter plaatse en in de omgeving zijn echter al zo goed als vol voor het weekend van 23 en 24 augustus. Het evenement is dus niet zo plaatselijk als de NMBS denkt. Het weekendbiljet is trouwens minder voordelig dan de B-Dagtrip en zou dus minder reizigers aantrekken en aldus de statistieken over een evaluatie achteraf vervalsen.
Om milieuredenen wensen de organisatoren van het Festival international des Arts de la Rue de Chassepierre het aantal auto's te verminderen. De promotie van andere vervoermiddelen zou sterk moeten worden ondersteund door de TEC, die al deelneemt, en de NMBS. Die stelt overigens graag bijkomende treinen ter beschikking van de festivalgangers van Rock Werchter ... in Vlaanderen. Ik stel trouwens vast dat ongeveer 80% van de B-Dagtrips aan Vlaanderen worden toegekend.
Is de minister het eens met de houding van de NMBS? Die lijkt te insinueren dat, op basis van argumenten van afstand en reistijd, vele manifestaties in de provincie Luxemburg niet interessant genoeg zijn om ooit B-Dagtrips te kunnen krijgen.
Indien dat niet de mening van de minister is, welke stappen zal zij bij de NMBS dan ondernemen opdat beter rekening wordt gehouden met vragen zoals die van de organisatoren van Chassepierre?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Vervotte.
Vooreerst wil ik eraan herinneren dat de B-Dagtrip een commercieel product is dat door de NMBS wordt verkocht op basis van een aantal objectieve criteria. Ze biedt een korting aan voor een treinreis in combinatie met een verlaagd toegangsticket voor een evenement en eventueel met busvervoer. Het tarief van die formules maakt geen deel uit van het beheerscontract.
Het NMBS-standpunt dat de geografische ligging van Chassepierre geen voldoende potentieel aan treinreizigers biedt, steunt op de ervaring van de NMBS en op interne marktstudies. De Foire de Libramont bijvoorbeeld trekt 170.000 bezoekers in drie dagen aan van wie er slechts 800 een B-Dagtrip gebruiken, ondanks dat het station op slechts tien minuten gaans ligt. Het percentage treinreizigers is in dat geval verwaarloosbaar, ondanks de toeloop. Het aantal deelnemers is dus geen essentieel criterium voor een B-Dagtrip.
In het verzoek om de organisatie van een B-Dagtrip voor de manifestatie in Chassepierre maakte de organisator melding van ongeveer 20.000 bezoekers. Mevrouw Tilmans spreekt nu over 27.000 tot 30.000 `verwachte' bezoekers.
De NMBS preciseert dat voor Rock Werchter, waarnaar werd verwezen, geen B-Dagtrip wordt georganiseerd. Er worden wel extra treinen ingelegd voor de erg talrijke deelnemers die de trein nemen, namelijk 30.000 op een totaal van 125.000 in 2007. De situatie is dus helemaal niet vergelijkbaar.
Dat wil helemaal niet zeggen dat andere manifestaties in de provincie Luxemburg in de toekomst worden uitgesloten van de B-Dagtripformule. Het succes van treinreizen hangt niet samen met een B-Dagtrip, maar hangt af van het evenement en van het gemak om dit met de trein te bereiken.
De NMBS bevestigt dat de alternatieve formule van het weekendbiljet in het leven werd geroepen om goedkoper te reizen met de trein. Ze heeft verduidelijkt dat de klanten op zondag konden terugreizen, maar dat dit geen verplichting is.
In het weekend biedt het treingedeelte van het tarief voor een B-Dagtrip niet noodzakelijk een grotere reductie dan het weekendbiljet dat een vermindering met 50% biedt. Er bestaan ook andere voordelige formules zoals Go Pass, Rail Pass, Key Card, ...
De NMBS heeft voorgesteld om gezamenlijke acties te voeren die de bezoekers aansporen om de trein te nemen: een duidelijke en zichtbare aankondiging van de voordelige formules, een link naar de respectieve websites, affichering in de stations met preferentieel tarief, een promotieartikel in Metro, aankondiging van de dienstregeling van bussen vanuit en naar de stations.
Ik zal de NMBS op de hoogte brengen van mijn bezorgdheid om meer kansen te geven aan het openbaar vervoer, ook voor de grote evenementen zoals die in Chassepierre. Elk verzoek om samenwerking met organisatoren zal worden bestudeerd. Ik zal aandringen op een duidelijke en overtuigende communicatie om tot formules te komen die ten goede komen aan de organisatoren en aan de NMBS.
Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - De minister spreekt over toegankelijkheid en een aansporing om het openbaar vervoer te nemen. Ik sta versteld van haar antwoord. De mensen worden helemaal niet aangespoord om de trein te nemen, terwijl verbindingen met de bus door de TEC wel worden georganiseerd om dat evenement bij te wonen. Ik betreur dan ook het antwoord.
Wat Werchter aangaat, weet ik niet of alle kosten voor het inleggen van treinen door de NMBS gedekt zijn. Ik reken daarbij ook het opnieuw bruikbaar maken van de treinen en de eventuele herstellingen van schade.
Ik stel eens te meer vast dat de NMBS haar voornaamste opdracht niet vervult, namelijk het aanmoedigen van het gebruik van het openbaar vervoer.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 19 juni 2008 om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 19 juni om 15.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.50 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Smet en de heer Van den Brande, in het buitenland, mevrouw Hermans, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Christophe Collignon, José Daras, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Jean-Paul Procureur, Carine Russo, Els Schelfhout, Helga Stevens, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 2
Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Christophe Collignon, José Daras, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Jean-Paul Procureur, Carine Russo, Els Schelfhout, Helga Stevens, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschap van 10 juni 2008 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:
Wetsontwerp tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 20 december 2007 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E voor het kalenderjaar 2008 (Stuk 4-772/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 5 juni 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 77 van de Grondwet
Herziening van artikel 22bis van de Grondwet (Stuk 4-800/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
Kennisgeving
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 1597 van het Burgerlijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys, Stuk 4-11/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 5 juni 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
De regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst, gesloten door uitwisseling van brieven te Belgrado op 21 december 2006, tussen de regeringen van de Benelux-Staten en de regering van de Republiek Servië inzake de afschaffing van de visumplicht voor houders van diplomatieke of dienstpaspoorten (van de Regering; Stuk 4-799/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol en de Gezamenlijke Verklaring, ondertekend te Brussel op 17 april 2007, tot wijziging van het Aanvullend Protocol inzake de belastingen, gevoegd bij de Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's Gravenhage op 29 april 1969 (van de Regering; Stuk 4-801/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 4 juni 2008 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 mei 2008.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 4 juni 2008 heeft de Procureur des Konings te Charleroi overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Parket van de Procureur des Konings te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 2 juni 2008.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 23 mei 2008 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2007 "Mensenhandel en -smokkel".
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 21 april 2008 heeft de voorzitter van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling, overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2007 van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling.
De verslagen van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling en van de leden van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling kunnen ook geraadpleegd worden op volgende webpagina: http://www.icdo.be/.
-Gedeponeerd ter Griffie.