2-79

2-79

Belgische Senaat

2-79

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 23 NOVEMBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

Samenstelling van commissies

Inoverwegingneming van een voorstel

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (Stuk 2-527)

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover (van mevrouw Erika Thijs c.s., Stuk 2-481)

Voorstel van resolutie betreffende het recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen (van de heer Michiel Maertens c.s., Stuk 2-507)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemming

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de sociale verkiezingen 2000» (nr. 2-244)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de minister van Justitie over «de beleidsmaatregelen tegen mobbing» (nr. 2-258)

Vraag om uitleg van mevrouw Marie Nagy aan de eerste minister over «de herbestemming van het Residence Palace tot internationaal perscentrum» (nr. 2-263)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

De voorzitter. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van de heer François Roelants du Vivier, aangewezen als senator door het Parlement van de Franse Gemeenschap, ter vervanging van de heer Alain Zenner, die ontslag heeft genomen.

Het Bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de heer François Roelants du Vivier te onderzoeken.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

Dan verzoek ik de heer Moens, rapporteur, kennis te geven van het verslag van het Bureau.

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. - Het Bureau heeft kennis genomen van de aanwijzing gedaan op 21 november 2000 door het Parlement van de Franse Gemeenschap, op voorstel van de PRL-FDF-MCC-fractie, met toepassing van artikel 211, §7, van het Kieswetboek, ten einde te voorzien in de vervanging van de heer Alain Zenner, die ontslag genomen heeft.

Het heeft vastgesteld dat de lijst die aan de griffier van de Senaat werd betekend, ondertekend is door de meerderheid van de leden van de betrokken fractie.

Wat het eigenlijke onderzoek van de geloofsbrieven betreft, acht het Bureau deze procedure overbodig omdat dit onderzoek reeds door de bevoegde Assemblee is verricht.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer U voor te stellen de heer François Roelants du Vivier als lid van de Senaat toe te laten.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen bij zitten en opstaan.

-De heer François Roelants du Vivier legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitter. - Ik geef de heer François Roelants du Vivier akte van zijn eedaflegging en verklaar hem aangesteld in zijn functie van senator. (Algemeen applaus)

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

De voorzitter. - De volgende wijziging wordt voorgesteld in de samenstelling van de Senaatsafvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie:

De heer Marc Hordies zou mevrouw Marie Nagy als plaatsvervangend lid vervangen. (Instemming)

-Hiervan zal kennis worden gegeven aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de voorzitters van beide Europese vergaderingen.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij het Bureau zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van sommige commissies:

In de commissie voor de Justitie:

In de commissie voor de Financiën en Economische Aangelegenheden:

In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

In de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

In de Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven:

In de commissie voor de politieke vernieuwing:

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van de heren Istasse, Monfils c.s., tot wijziging van artikel 42 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement (2-579/1).

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat dit voorstel in overweging is genomen en verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden. (Instemming.)

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van de Nationale Assemblee van Burundi. Ik wens haar een vruchtbaar verblijf in ons midden toe. (Algemeen applaus)

Regeling van de werkzaamheden

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik stel vast dat het Bureau voor de tweede opeenvolgende keer een mondelinge vraag van mij naar een volgende week heeft verschoven. Ik heb daarover de eerste keer geen opmerkingen gemaakt, maar het resultaat van de vorige verwijzing was dat minister Reynders hier een nietszeggende tekst is komen aflezen in antwoord op de vraag die ik aan de minister van Buitenlandse Zaken had gesteld.

Vandaag stel ik opnieuw vast dat een mondelinge vraag van mij aan de eerste minister volgende week in de vorm van een vraag om uitleg zal worden behandeld. Aangezien ik geen deel uitmaak van het Bureau ben ik natuurlijk niet om de hoogte van de motivatie van het Bureau om mijn vragen telkens weer uit te stellen. Ik teken echter bezwaar aan tegen deze werkwijze die het actuele belang van de Senaat schaadt.

De voorzitter. - Ik kan u daarop een eenvoudig antwoord geven. Het Bureau heeft uw vraag inzake het beleid op het vlak van de nucleaire wapens aandachtig gelezen. Gelet op de inhoud ervan heb ik het Bureau voorgesteld uw mondelinge vraag volgende week als een vraag om uitleg te behandelen. Ik zie immers niet in hoe de regering het nucleair beleid van België tegenover de andere landen, leden van de NAVO bijvoorbeeld, in enkele minuten uit de doeken kan doen. Door deze werkwijze kan hierover een echt debat worden gevoerd en kan de regering een omstandig antwoord voorbereiden. Alle leden van het Bureau waren het met deze zienswijze eens.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ze stemden ermee in de regering meer tijd te geven om zorgvuldig een nietszeggend antwoord voor te bereiden.

De voorzitter. - Dat is uw interpretatie, maar u ziet het verkeerd. Uw mondelinge vraag zal bijgevolg tijdens de volgende plenaire vergadering als vraag om uitleg worden behandeld.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-José Laloy aan de eerste minister over «de maatregelen die België tot nog toe heeft genomen om de rechten van het kind te bevorderen» (nr. 2-384)

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Talrijke officiële instanties hebben de elfde verjaardag van het Kinderrechtenverdrag gevierd. Dat is verheugend. Maar, zoals onder meer de eerste minister duidelijk verklaarde, we moeten ook rekening houden met wat de kinderen zeggen.

Weten de kinderen, die mee opstapten in de straten van Brussel, dat in België nog steeds een wet bestaat die het mogelijk maakt om minderjarigen in de gevangenis op te sluiten? Weten zij hoe moeilijk het is voor kinderen van gevangenen om een goede affectieve relatie met hun ouders te hebben? Weten zij ook dat buitenlandse kinderen, die hier illegaal verblijven, in gesloten centra zitten samen met hun ouders? Al deze vragen hebben betrekking op wat vandaag in België dagelijks gebeurt.

Daarom vraag ik de eerste minister kort de maatregelen op te sommen die België heeft genomen om het Kinderrechtenverdrag volledig na te leven. Welke initiatieven heeft de federale overheid in overleg met de Gemeenschappen genomen?

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - De regering heeft een tweetal weken geleden beslist niet begeleide minderjarigen niet meer onder te brengen in de gesloten centra, maar in beveiligde centra. Voor de uitvoering van deze maatregel plegen wij overleg met de Gemeenschappen die ter zake bevoegd zijn.

De wet van 16 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen die zopas werd goedgekeurd, is van groot belang voor de kinderrechten en de bescherming van kinderen tegen mishandeling.

Binnenkort zal een ontwerp van koninklijk besluit of van samenwerkingsakkoord worden goedgekeurd waardoor de werking van de Nationale commissie voor de kinderrechten structureel wordt vastgelegd. De gemeenschappen en de kinderrechtencommissarissen zullen dan over ruime overleg- en initiatiefmogelijkheden beschikken.

De regering onderzoekt op dit ogenblik een nieuwe wet betreffende het crimineel gedrag van jongeren. Deze nieuwe wet steunt op internationale teksten over de kinderrechten en legt de nadruk op de juridische waarborgen.

De nieuwe wet op de adoptie die door de regering wordt besproken, heeft ook betrekking op de internationale adoptie. We trachten deze wet volledig in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Den Haag van mei 1993.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ik verheug me over deze maatregelen. Het overleg met de Gemeenschappen is inderdaad bijzonder belangrijk. Bij de tiende verjaardag van het verdrag stelden wij dezelfde vragen. We hebben één jaar op resultaten moeten wachten. Er is nog veel werk. De antwoorden van de eerste minister schenken ons voldoening, maar we zullen ervoor waken dat op korte termijn vooruitgang wordt geboekt.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister over «het standpunt van de regering aangaande het gemeentelijk stemrecht voor vreemdelingen» (nr. 2-389)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De jongste dagen is er tussen verschillende coalitiepartijen een polemiek ontstaan aangaande het al dan niet invoeren van gemeentelijk stemrecht voor personen die niet over de Belgische nationaliteit beschikken.

De VLD-voorzitter kantte zich enkele dagen geleden resoluut tegen het invoeren van dit stemrecht en verwees daarbij naar het regeerakkoord, waarin dat stemrecht niet is opgenomen.

De politiek secretaris van Agalev verklaarde vandaag dat het gemeentelijk stemrecht voor vreemdelingen er moet komen of dat Agalev anders uit de regering verdwijnt. Dat betekent dus dat de eerste minister met een probleem zit aangezien een coalitiepartner een regeringszaak maakt van een punt dat niet in het regeerakkoord staat.

Kan de eerste minister het standpunt van de regering aangaande het gemeentelijk migrantenstemrecht toelichten? Overweegt de regering dit stemrecht tijdens deze legislatuur in te voeren? Wat is de houding van de regering ten aanzien van de wetsvoorstellen die dienaangaande zijn ingediend?

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Ik zal het antwoord herhalen dat ik daarnet in de Kamer heb gegeven op de vraag die mij over deze aangelegenheid werd gesteld.

Het is geen geheim dat er tussen de coalitiepartners meningsverschillen bestaan met betrekking tot het migrantenstemrecht. Ik vind het overigens niet abnormaal dat er binnen de meerderheid tegengestelde meningen bestaan over maatschappelijke thema's. Indien we over alle belangrijke thema's dezelfde mening hadden, zouden we allemaal tot dezelfde politieke partij moeten behoren, wat niet bevorderlijk is voor de democratie.

Het regeerakkoord bevat inderdaad geen voorstel om het migrantenstemrecht in te voeren. Er wordt wel gewag gemaakt van een versoepeling van de nationaliteitswetgeving. De wet op de naturalisatie werd inmiddels reeds door het Parlement goedgekeurd.

Een aantal partijen, waaronder Agalev en Ecolo, hebben wetsvoorstellen ingediend om het migrantenstemrecht in te voeren. Het is de taak van het Parlement om hierover een debat te organiseren. Gezien mijn groot respect voor deze instelling, zal ik dergelijke initiatieven zeker niet beletten.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Het is uiteraard niet abnormaal dat coalitiepartners van mening verschillen over een maatschappelijk thema. Het wordt echter wel problematisch wanneer een coalitiepartij het lot van de regering verbindt aan het welslagen van een parlementair initiatief. Ik weet niet of dit nieuwe politieke cultuur moet worden genoemd.

Ik voel mij verplicht de VLD te waarschuwen want indien het Parlement een wetsvoorstel in die zin goedkeurt, sneuvelt het laatste element van het vreemdelingenhoofdstuk in het verkiezingsprogramma van deze partij. De VLD had uitdrukkelijk in het regeerakkoord moeten laten opnemen dat er tijdens deze legislatuur geen gemeentelijk stemrecht voor migranten komt.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de sancties bij niet-betaling van de RSZ-voorschotten» (nr. 2-385)

De voorzitter. - De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen, antwoordt.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het koninklijk besluit van 18 juli 2000 tot uitvoering van de wet van 25 januari 1999 bepaalt de sancties die genomen worden tegen werkgevers die de maandelijkse voorschotten op de sociale bijdragen niet betalen. Die voorschotten zijn verschuldigd door elke werkgever die, voor een bepaald kwartaal, meer dan 250.000 frank RSZ-bijdragen heeft aangegeven.

De vooropgestelde sancties zijn op 1 oktober 2000 van kracht geworden. De werkgever die zijn verplichtingen terzake niet nakomt, moet het RSZ een vergoeding betalen in verhouding tot de voor het betrokken kwartaal aangegeven bijdragen.

Het is weliswaar nodig de inning van de werkgeversbijdragen te verzekeren, en de wetgeving met betrekking tot de maandelijkse voorschotten is ongetwijfeld een interessante waarborg voor de werknemers.

Toch ontstaan ernstige problemen voor talrijke VZW's, vooral diegene die zich bezighouden met reïntegratie. Zij zijn afhankelijk van de data waarop de federale, de gewestelijke, de gemeenschaps- of de Europese overheid de subsidies betalen.

Deze subsidies zijn in hoofdzaak bestemd voor de realisatie van loonintensieve projecten. De sancties bij niet-betaling van de maandelijkse voorschotten kunnen heel zwaar zijn: de vergoeding varieert immers van 5.000 tot 500.000 frank.

Is het mogelijk, ook al wordt verder nauwlettend toegekeken op de inning van de RSZ-bijdragen, om bijzondere voorwaarden in te voeren voor VZW's die hun overheidssubsidies niet zouden ontvangen binnen de termijn die geldt voor de betaling van de maandelijkse RSZ-voorschotten? Die subsidies vertegenwoordigen de financiën van de VZW's, en ook al zijn hun resultatenrekeningen en balansen correct, toch ondervinden zij soms moeilijkheden om leningen te krijgen bij de banken. Als de VZW's moeten lenen om RSZ-voorschotten aan te kunnen betalen teneinde sancties te voorkomen, komt het er in feite op neer dat het bedrag van die sancties naar de banken gaat waarvan zij lenen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De artikelen 34 en 34bis van het KB van 28 november 1969, die bepaalde werkgevers verplichten maandelijkse voorschotten te betalen, voorzien inderdaad in geen enkele uitzondering die verband houdt de hoedanigheid van de werkgever. Er wordt alleen rekening gehouden met het bedrag van de voor een bepaald kwartaal aangegeven bijdragen. Dat is trouwens slechts de bevestiging van een basisbeginsel inzake de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen.

De sociale, pedagogische of humanitaire VZW's die door de overheid worden gesubsidieerd, kunnen echter in ruime mate een beroep doen op de bepalingen van artikel 55, §3, 2°, van het KB van 28 november 1969, dat om billijkheidsredenen en onder bepaalde voorwaarden de totale opheffing mogelijk maakt van de sancties bij de laattijdige betaling van de bijdragen, voorschotten en/of saldi.

Overigens moet worden vastgesteld dat de problemen die de door de overheid gesubsidieerde VZW's ondervinden om die bepalingen strikt na te leven, vooral te wijten zijn aan de ondoeltreffende werking van het subsidiëringsmechanisme, dat hen nochtans in staat zouden moeten stellen hun wettelijke verplichtingen na te komen, in het bijzonder de verplichtingen m.b.t. de sociale zekerheid.

Er wordt al enige soepelheid aan de dag gelegd. De wetgeving en de reglementering maken het in een aantal gevallen mogelijk de sancties op te heffen. Die maatregelen worden vooral toegepast op de VZW's.

Als de heer Mahoux weet heeft van concrete gevallen die naar zijn mening op onaanvaardbare wijze worden behandeld, vraag ik hem mij die mee te delen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De minister wil dat de werkgevers hun RSZ-bijdragen betalen, maar hij wil in het kader van de bestaande wetgeving ook rekening houden met mogelijke uitzonderingen en bijzondere situaties. Ik dank hem daarvoor.

De minister heeft gelijk als hij zegt dat het probleem niet te wijten is aan de RSZ, maar afhangt van de regelmatige uitbetaling van de subsidies door de overheid. Dit verandert evenwel niets aan de fundamentele kasproblemen van de betrokken VZW's, wat daar ook de oorsprong van is.

Er wordt dus geprobeerd een oplossing te vinden die de VZW's in staat stelt hun taken zo efficiënt mogelijk te blijven vervullen. Het antwoord van de minister is in dat opzicht verhelderend.

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het geweld tegen dieren op veemarkten» (nr. 2-390)

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - De beelden die de wantoestanden op de veemarkten van Anderlecht en Ciney toonden, zorgden voor heel wat opschudding. Het is niet de eerste keer dat we dergelijke beelden te zien krijgen. Elke keer gruwelt heel België ervan, ook de ministers. De regering wordt dan ondervraagd en er volgen antwoorden. Enkele weken later is alles echter vergeten.

Ik hoop dat er nu wel een duidelijk antwoord komt. Ik hoop dat het publiek en Gaia blijven aandringen op een beleid dat ervoor zorgt dat zulke toestanden niet meer kunnen. Zonder een werkelijk andere aanpak zal er niets veranderen. Het schofterige gedrag van de handelaars wordt doorgegeven van vader op zoon. Kinderen krijgen een schouderklopje als ze zich "stoer" en "volwassen" gedragen. De doodsbedreigingen gericht aan Michel Vandenbossche bewijzen nogmaals dat sommigen voor niets en niemand terugdeinzen. De bevolking neemt dit echter niet langer. Als dit maffioze gedrag wordt voortgezet, dan zal de vleessector "in eigen vlees snijden". Om dat alles te stoppen, is nu onmiddellijke samenwerking tussen de ministers van Landbouw, Volksgezondheid en Justitie nodig.

Ik lees in de krant dat maar 1 op 9 veemarkten een wettelijke erkenning heeft. Is dat juist? Hoe lang duurt het vooraleer een erkenningprocedure rond is? Waaraan is die lange termijn te wijten? Is de minister bereid veemarkten die binnen een bepaalde tijdslimiet geen wettelijke vergunning hebben, te sluiten tot ze deze vergunning bekomen hebben? Is hij bereid om het koninklijk besluit van 1999 over de vergunningen onmiddellijk aan te passen, inclusief op het vlak van de de dierenwelzijnsnormen, en alle veemarkten te verplichten het koninklijk besluit na te leven? Is hij bereid om alle veemarkten juridisch door te lichten, bijvoorbeeld op voldoende strooisel en voldoende ruimte per dier?

Heeft hij reeds contact opgenomen met het departement van Justitie om ervoor te zorgen dat de daders van de gewelddaden vervolgd worden? Is het niet mogelijk om in samenwerking met de gemeenschappen zo snel mogelijk een vorming te organiseren voor de veehandelaars en in deze opleiding een ethisch aspect over dierenwelzijn op te nemen?

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - Iedereen is geschokt door de beelden over de behandeling van sommige dieren op de veemarkten van Anderlecht en Ciney. Zonder iets aan de verontwaardiging af te doen, moet ik wel zeggen dat ondertussen in Terzake andere beelden zijn getoond. Die geven een ander beeld van het geheel. In deze kwestie moeten we proberen het gezond oordeel en het evenwicht te bewaren. Tegen wantoestanden moet echter zonder enige uitzondering worden opgetreden.

Het koninklijk besluit over de organisatie van veemarkten is op 9 juli 1999 genomen. De uitvoeringsbesluiten zijn pas op 4 juli 2000 verschenen. Om een erkenning te krijgen, moet een veemarkt voldoen aan een aantal voorwaarden die voorafgaandelijk door mijn diensten worden gecontroleerd en geëvalueerd. Alle veemarkten zitten vandaag in een bepaald stadium van de erkenningsprocedure. Omdat er vele factoren meespelen, is de periode waarin een erkenningsdossier kan worden afgerond, afhankelijk van de snelheid waarmee wordt gecontroleerd. In afwachting van een erkenning laten mijn diensten de markten functioneren, wat niet wil zeggen dat om het even wat kan en zal worden getolereerd. Er wordt wel degelijk op een aantal zaken toegekeken. Hierbij was er een probleem, omdat tot nu toe in het koninklijk besluit van 9 juli 1999 niet expliciet wordt ingegaan op specifieke erkenningsvoorwaarden die te maken hebben met dierenwelzijn. Ondertussen werkt een interkabinettenwerkgroep een voorstel uit dat de voorwaarden bepaald in de wetgeving op het dierenwelzijn, in het koninklijk besluit integreert. Dat voorstel zal eerstdaags aan de Ministerraad worden voorgelegd. We zullen wel van nu af aan reeds op basis van de nieuwe criteria de vergunningen uitreiken.

De Ministerraad heeft gisteren beslist dat markten die op 1 januari 2001 nog geen erkenning hebben, zullen worden gesloten tot ze die erkenning wel hebben.

De voorlopige toestand die wij gedoogd hebben, mag dus maar tot het einde van dit jaar duren.

De Ministerraad heeft ook beslist een aparte bepaling over het dierenwelzijn op te nemen in het koninklijk besluit. Die bepaling zal als expliciete voorwaarde worden opgelegd voor de erkenning van veemarkten. Daarvoor moet uiteraard het koninklijk besluit worden gewijzigd. Het gewijzigde besluit wordt eerstdaags aan de Ministerraad voorgelegd.

Ik denk dat het weinig zin heeft de veemarkten juridisch te laten doorlichten. De minister van Justitie heeft zich op de Ministerraad er wel toe verbonden dat de processen-verbaal die door de bevoegde ambtenaren worden opgemaakt in het kader van hun controles op de erkennings- en exploitatievoorwaarden van de markten, niet worden geseponeerd. Dat zou duidelijk ontradend moeten zijn voor degenen die terzake kwade bedoelingen hebben.

Wij hebben ook de totale beeldopnames van de dierenrechtenorganisatie Gaia gevraagd om ze aan het parket te doen geworden en op die wijze tot identificatie en vervolging over te gaan. Mochten de procureurs van Dinant en Brussel niet tijdig optreden, dan zal de minister van Justitie gebruikmaken van zijn positief injunctierecht om ervoor te zorgen dat effectief wordt opgetreden.

Een opleiding van de veehandelaars in samenwerking met de gemeenschappen waarin een ethisch aspect over dierenwelzijn wordt opgenomen is volgens mij op korte termijn niet haalbaar. Ik zie de oplossing eerder in het kader van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, dat de mensen moet inspireren hoe ze niet alleen met de voedselveiligheid, maar ook met het dierenwelzijn moeten omgaan. De veehandelaars en -transporteurs zijn maar een schakel in de voedselketen. Elke schakel moet worden gecontroleerd, eerst door autocontrole, maar daarna door overheidscontrole, om er zeker van te zijn dat de autocontrole wel efficiënt wordt uitgevoerd.

De veehandelaarsverenigingen hebben zich ertoe verbonden op korte termijn een lastenboek op te stellen, met andere woorden een code voor goede veehandelaarspraktijken. Respect voor het dierenwelzijn moet hiervan een belangrijk onderdeel zijn, maar zeker niet het enige. Wie die code niet volgt of overtredingen begaat, kan zijn erkenning verliezen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Als bezitter van één koe ben ik mij ervan bewust dat er andere beelden kunnen worden getoond. Ik weet dat niet elke veehandelaar of elke boer op de getoonde manier te werk gaat. De veehandelaars en de boeren die het vee slecht behandelen, komen echter wel in het nieuws en zij tasten het imago van de volledige groep aan. Wij moeten dan ook onze verantwoordelijkheid opnemen en ervoor zorgen dat zij die het slecht doen, worden uitgesloten, zodat ze het imago van de anderen niet meer kunnen aantasten.

De procedure om een erkenning te krijgen mag niet te traag verlopen. Wijst een vertraging trouwens niet op een personeelsgebrek en moet daaraan niets gedaan worden?

Ik hoop dat de bepalingen betreffende het dierenwelzijn snel in het koninklijk besluit worden opgenomen en dat mensen die bezorgd zijn om het dierenwelzijn, hieraan kunnen meewerken. De minister heeft gezegd dat de veemarkten die op 31 december 2000 geen erkenning hebben, gesloten worden. Ik hoop dat dit inderdaad zal gebeuren.

Wat de opleiding van de veehandelaars betreft, is een vergelijking met de jagers mogelijk, die ook een heel negatief imago hadden, maar die dat imago opgepoetst hebben dankzij hun opleiding. Ik hoop dat echt werk wordt gemaakt van die opleiding. Ik heb een dochter die naar een landbouwschool gaat. Als ik de opmerkingen van haar klasgenoten over die beelden hoor, vraag ik mij af of zij andere beelden gezien hebben dan wij. In het onderwijs moet dus wel degelijk iets aan dit probleem gedaan worden. Dat geldt uiteraard niet alleen voor het dierenwelzijn, maar voor de gehele landbouwproblematiek.

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - Ik zal nog kort op de bijkomende vragen antwoorden. De regering kon niet eerder reageren. Op de eerste Ministerraad die volgde op de verspreiding van de ontstellende beelden, hebben wij gisteren gezamenlijk een standpunt ingenomen. Het standpunt van de ministers van Volksgezondheid en Landbouw is altijd geweest dat de goeden en de slechten niet over één kam moeten worden geschoren. De overtreders moeten worden gestraft zonder dat de anderen daarvoor moeten opdraaien. Dat zou onrechtvaardig zijn en in de praktijk aanleiding geven tot heel wat reacties.

De regering kon ook niet sneller reageren, omdat de uitvoeringsbesluiten van het koninklijk besluit pas op 4 juli jongsleden zijn gepubliceerd. Pas vanaf die datum konden de dierenmarkten een aanvraag tot erkenning indienen.

Uiteraard zullen elementen van dierenwelzijn aangebracht door mensen uit de praktijk in het beleid worden geïntegreerd. De minister van Volksgezondheid, die ook verantwoordelijk is voor het dierenwelzijn, is daar in samenwerking met mijn kabinet mee bezig.

Het gaat hier om een beslissing van de Ministerraad, die dus moet worden uitgevoerd. Veemarkten die vóór 31 december 2000 geen erkenning hebben, zullen bijgevolg onherroepelijk worden gesloten tot ze in orde zijn.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de uitvoering van de op 14 november unaniem goedgekeurde motie van het Vlaams Parlement met betrekking tot de betrokkenheid van het Vlaams Gewest bij het federale mobiliteitsbeleid» (nr. 2-386)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - De minister van Mobiliteit en Vervoer staat voor een aantal belangrijke beslissingen met betrekking tot de mobiliteit. Ik denk aan het federale mobiliteitsplan, het investeringsplan voor de NMBS, wijzigingen in de raad van bestuur van de NMBS enz.

De bevoegdheden inzake mobiliteit liggen in belangrijke mate bij de gewesten. De situatie van de mobiliteit is in Vlaanderen anders dan in Brussel en in Wallonië, zodat een regionale invalshoek in het mobiliteitsbeleid zich opdringt.

In het Vlaams Parlement werd dan ook reeds geregeld over het mobiliteitsbeleid gediscussieerd. Zo werd op 12 januari 2000 unaniem een motie goedgekeurd waarin gepleit werd voor het objectiveren van de spoorweginvesteringen, voor het betrekken van de gewesten bij het spoorbeleid en voor de mogelijkheid om regionale beheersovereenkomsten af te sluiten bovenop de basisbediening. Spijtig genoeg werd die motie door de minister van Mobiliteit niet erg welwillend onthaald en in ieder geval werd er geen enkele uitvoering aan gegeven.

Enkele weken geleden na de beslissingen van de regering omtrent het mobiliteitsbeleid werd deze problematiek opnieuw in het Vlaams Parlement besproken met als gevolg dat vorige week een door collega Carl Decaluwe en mezelf ingediende motie in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement opnieuw unaniem werd goedgekeurd.

Met die motie voegt het Vlaams Parlement aan haar vragen van 12 januari 2000 volgende concrete punten toe: effectieve betrokkenheid van de gewesten bij de opstelling van het federale mobiliteitsplan, harmonisering van de mobiliteitsbevoegdheden en opname van vertegenwoordigers van de gewesten in de raad van bestuur van de NMBS.

Heel concreet stel ik aan de minister opnieuw de vraag of zij bereid is om uitvoering te geven aan de unaniem goedgekeurde motie van het Vlaams Parlement?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik neem akte van de resolutie van het Vlaamse Parlement, maar de regering is van oordeel dat de 60/40-verdeelsleutel toegepast moet worden op de klassieke spoorinfrastructuurinvesteringen waartoe ook de GEN-infrastructuur behoort. De verdeelsleutel heeft betrekking op de infrastructuur die geografisch in Vlaanderen en in Wallonië gesitueerd kan worden. Dat wil niet zeggen dat de sleutel gerespecteerd wordt voor het GEN zelf, dat niet alleen over Vlaanderen, maar ook over het Brussels Gewest loopt. Eventuele afwijkingen voor het GEN zullen op andere plaatsen van het betrokken gewest gecompenseerd kunnen worden. De verdeelsleutel bestaat al jaren en werd niet uitgevonden door de vorige coalitie. Het is ook niet zeker dat zogenaamde objectieve normen beter zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat we op het vlak van mobiliteit in de komende maanden en jaren steeds meer zullen samenwerken met de gewesten. De onderhandelingen over het samenwerkingsakkoord voor het GEN bieden overigens een goede gelegenheid om de gewesten bij een ambitieus mobiliteitsdossier te betrekken. Dat geldt ook voor de voorbereiding en de gevolgen van het witboek van de regering. De gewesten hebben meegewerkt aan de voorbereiding ervan. Het witboek biedt een overlegmethode aan voor het federale mobiliteitsplan in het kader van het plan voor duurzame ontwikkeling.

De samenwerking tussen het federale niveau en de gewesten is belangrijker dan in het verleden. Ik heb de brief van minister Stevaert nog niet beantwoord. Wij hebben rekening gehouden met de opmerkingen van de minister over het beheerscontract.

Wij hebben de regering over het bijvoegsel geconsulteerd en zoveel mogelijk rekening gehouden met de opmerkingen van de gewesten. Laten we niet vergeten dat de NMBS met federale middelen wordt gefinancierd en dat de raad van bestuur de aandeelhouders vertegenwoordigt. Het spoorbeleid is nog altijd een federale bevoegdheid. De regionalisering ervan staat overigens niet in het regeerakkoord en dat blijft mijn enig referentiekader.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik betreur dat het onderzoek van de investeringen op objectieve basis niet mogelijk is. Ik wil wel erkennen dat dit in het verleden evenmin het geval was. Ik ben wel tevreden dat alle GEN-investeringen in de 60/40-sleutel worden verrekend. Het is niet ideaal, maar toch beter dan het oorspronkelijke plan om sommige investeringen buiten die verdeelsleutel te houden.

Ik hoop inderdaad dat de gewesten effectief betrokken zullen worden bij de federale beleidsmaatregelen die de eerstkomende maanden zullen uitgewerkt worden. Ik blijf echter ten zeerste betreuren dat op onze bescheiden vraag om één vertegenwoordiger per gewest in de raad van bestuur van de NMBS op te nemen, niet wordt ingegaan en de minister op haar eerder ingenomen standpunt blijft.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de numerus clausus voor artsen, tandartsen en kinesitherapeuten» (nr. 2-387)

De voorzitter. - De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Op 21 november laatstleden heeft de assemblee van de Franse Gemeenschap eenparig een resolutie aangenomen die de regering van de Franse Gemeenschap aanbeveelt de federale regering te verzoeken de nodige maatregelen te nemen met het oog op de afschaffing van de numerus clausus voor artsen, tandartsen en kinesitherapeuten.

De consideransen van die resolutie zijn verhelderend en veelbetekenend. Aangezien ze niet lang zijn, haal ik ze aan.

Gelet op het systeem tot beperking van het aantal artsen, tandartsen, kinesitherapeuten en studenten in die studierichtingen, dat is ingevoerd door de genoemde wettelijke bepalingen en gewoonlijk "numerus clausus" wordt genoemd; gelet op de resultaten van recente wetenschappelijke studies over de planning van het medisch aanbod waarin in de komende decennia belangrijke noden inzake medisch personeel worden verwacht; gelet op het feit dat die noden ook slaan op niet-curatieve activiteiten en op de wenselijkheid om gezondheidswerkers die zich van die taken kwijten, op dezelfde wijze te behandelen als hun collega's die verzorgende taken vervullen om geen twee categorieën gezondheidswerkers in het leven te roepen; overwegende dat de wetenschappelijke studies duidelijk aantonen dat met de vastgestelde quota niet zal kunnen worden beantwoord aan de verwachte noden; gelet op de mislukking van gelijkaardige beperkende experimenten in het buitenland; gelet op de verklaringen van de dekens van de betrokken faculteiten, zowel in de Franse als in de Vlaamse Gemeenschap, die de toepassing van een numerus clausus betreuren; gelet op de belangrijke rol van de Gemeenschap in de opleiding van de artsen met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking; gelet op de getuigenissen van studenten en docenten over de negatieve gevolgen van de numerus clausus voor het studentenleven en het verloop van de studie, de overdreven concurrentie, het gebrek aan solidariteit onder studenten, het theoretiseren van de studie, de moeilijker keuze voor armere studenten, de absolute verplichting om in tweede zittijd te slagen en overwegende dat een dergelijk klimaat volledig in strijd is met de geest van humanisme in de ruimst mogelijke betekenis waartoe een universitaire studie moet leiden en die vooral gekenmerkt wordt door wederzijdse hulp, solidariteit en de bezorgdheid om kennis door te geven en zoveel mogelijk mensen te laten vooruitgaan, heeft het parlement van de Franse Gemeenschap de federale regering gevraagd het dossier van de numerus clausus opnieuw te bestuderen, inzonderheid op basis van de recente studies die aantonen dat wij over enkele jaren niet te veel maar te weinig artsen zullen hebben.

Deze resolutie dateert van eergisteren. Ze is veelbetekenend, want alle partijen hebben ze ondertekend. Ik zou willen dat de minister van Volksgezondheid mij zegt of de federale regering van plan is het dossier opnieuw te bestuderen, of ze over de wetenschappelijke studies beschikt waarnaar de resolutie verwijst, en welke houding de regering in de komende weken en maanden met betrekking tot deze problematiek zal aannemen.

De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - De minister van Volksgezondheid heeft mij gevraagd het volgende mede te delen.

"De belangrijkste determinanten van de gezondheid zijn inkomen, baan, opleiding, verkeersveiligheid, erfelijkheid, levensstijl, samenstelling van het gezin, voedselveiligheid en milieu.

De gezondheid van een bevolking, uitgedrukt in levensverwachting, hangt voor 80 à 90% af van sociaal-economische, genetische en milieufactoren en slechts voor 10 tot 20% van passende en efficiënte medische of gezondheidszorg op het juiste ogenblik.

De medische en gezondheidszorg hangt niet alleen af van het aantal artsen, maar ook van het geheel van gezondheidswerkers in de context van de preventieve en curatieve zorg.

De nood aan artsen hangt van tientallen variabelen af. Sommige van die variabelen hebben betrekking op de patiëntenpopulatie, hun gezondheidstoestand, vergrijzing, ziektes, het consumptiegedrag inzake gezondheidszorg, het inkomen, het milieu, de levensstijl, risicofactoren, de neiging om sociale problemen als alcohol- en drugsgebruik en familieproblemen te medicaliseren.

Andere variabelen hebben betrekking op de organisatie van het systeem, zoals de toegang tot de gezondheidszorg, de kostprijs voor de patiënt, de echelonnering, de geografische spreiding, de financiële middelen van de gezondheidszorg, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en nieuwe geneesmiddelen en de doeltreffendheid van preventie.

Een laatste reeks variabelen heeft betrekking op de gezondheidsberoepen: de huidige artsenpopulatie, de huidige en toekomstige inschrijvingen van studenten, migratie, vergrijzing, sterfte, pensioenleeftijd, stopzetting en feminisering van het beroep, de neiging om deeltijds te werken, de arbeidsduurvermindering, de individuele productiviteit van elke arts, de complementariteit tussen de beroepen.

Sommige van die factoren kunnen volkomen worden beheerst, zoals de demografische ontwikkeling, het sterftecijfer, de leeftijdspiramide, de feminisering, de arbeidsduurvermindering, de deeltijdse arbeid; andere daarentegen niet.

Studies hebben aangetoond dat, als de zorgverstrekking niet wordt beheerst, ze alle middelen van een land kan opgebruiken.

Er blijft dus een onzekerheid bestaan. Die kan worden weggewerkt door vergelijking met de dichtheid van het aanbod, zoals het aantal artsen per 1.000 inwoners.

Zo telt de Franse Gemeenschap ongeveer duizend specialisten meer dan de Vlaamse Gemeenschap, terwijl ze twee miljoen minder inwoners heeft. De Franse Gemeenschap heeft, algemeen gezien, een overaanbod van 30% ten opzichte van Vlaanderen, 25% ten opzichte van Frankrijk en 46% ten opzichte van Nederland. In die genormaliseerde vergelijking is rekening gehouden met de leeftijdspiramide en met de feminisering. Er is dus geen dreigend gevaar voor een tekort, en als er een tekort zou optreden, zou dat eerder in de Vlaamse Gemeenschap zijn, of in andere landen waar het medisch aanbod minder groot is.

De begroting van de ziekte- en invaliditeitsverzekering is beperkt en vormt de belangrijkste inkomstenbron van de erkende beoefenaars van gezondheidsberoepen. Kunnen wij met een beperkte begroting nog een onbeperkt aantal beoefenaars van gezondheidsberoepen aanvaarden? De arts heeft een centrale rol in de kostprijs van de gezondheidszorg. Bepaalde deskundigen menen dat medische beslissingen rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor 70 tot 90% van de uitgaven in de gezondheidszorg.

In België mag elke houder van een artsendiploma de geneeskunde beoefenen, ook de curatieve. De federale regering heeft het aantal artsen niet beperkt. Ze beperkt alleen het aantal personen die, na het behalen van hun diploma, via erkenningen, het recht openen op terugbetaling van de gezondheidszorg. Ze treedt voorzichtig op en verbindt zich slechts voor een beperkte periode. Er wordt getracht het overaanbod te corrigeren, maar voldoende artsen te behouden als compensatie voor de vergrijzing, de feminisering, de arbeidsduurvermindering en de neiging om deeltijds te werken.

De huidige beroering in de Franse Gemeenschap rond de numerus clausus houdt vooral verband met de moeilijkheid om een selectiesysteem toe te passen dat nochtans met aandacht voor de billijkheid is ingevoerd.

Ik blijf evenwel bereid, in het kader van de werkzaamheden van de planningcommissie, met alle gefundeerde argumenten rekening te houden."

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De bevoegde minister betwist dus de conclusies van de jongste studie, volgens dewelke een tekort aan artsen kan ontstaan. De minister neemt al meteen een standpunt in. Ik vind in haar antwoord niets dat erop wijst dat de regering haar standpunt zou kunnen herzien. Dat stelt mij teleur.

De gemeenschappen, en de Franse Gemeenschap in het bijzonder, ondervinden moeilijkheden om die numerus clausus in de opleiding toe te passen. Vooral de wijze waarop hij thans wordt toegepast, doet problemen rijzen. De assemblee van de Franse Gemeenschap heeft de federale regering gevraagd het dossier opnieuw te bestuderen. Ik heb echter argumenten gehoord om dat niet te doen, en ook het resultaat van de recente wetenschappelijke studies, die het overaanbod van artsen betwijfelen, wordt betwist. Ik neem daarvan akte en hoop dat ik nog de gelegenheid zal hebben om de bevoegde minister daarover te ondervragen.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (Stuk 2-527)

Algemene bespreking

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Tijdens de vergadering van 8 november 2000 onderzocht de commissie voor de Sociale Aangelegenheden het onderhavige wetsontwerp. Dit ontwerp werd op 14 juli 2000 door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aangenomen. De Senaat moest zich daarna nog uitspreken over de niet door de Kamer geamendeerde tekst.

Zoals bekend maakt artikel 23 de grondslag uit van de controle op de gezinstoestand van de werklozen, in het bijzonder van de huisbezoeken die bij de werklozen worden afgelegd. Op basis van artikel 23 kan de RVA van de voorzitter van de arbeidsrechtbank de toelating verkrijgen om een huisbezoek af te leggen zonder dat de werkloze daarmee heeft ingestemd. Volgens de minister moet dit artikel worden gewijzigd omdat zij als minister voor de Gelijkheid van Kansen zeer gevoelig is voor de billijkheid die moet bestaan tussen mensen, tussen burgers en tussen de sociaal verzekerden. Zij acht het onontbeerlijk dat een administratieve procedure wordt opgezet die eerbied heeft voor de fundamentele rechten van de sociaal verzekerde en de administratie toelaat doeltreffende controles uit te voeren.

De tekst die aan de Ministerraad werd voorgelegd, beantwoordt aan twee vereisten: misbruiken voorkomen en de informatie verbeteren. Om die doelstellingen te bereiken, wordt de tussenkomst of aanwezigheid voorgesteld van een derde aan de zijde van de werkloze - een advocaat of een vakbondsafgevaardigde - op de beide sleutelmomenten van de procedure: bij de eerste hoorzitting en bij het huisbezoek.

Het wetsontwerp kan als volgt worden samengevat. Het beoogt:

De volksvertegenwoordigers informeerden naar de cijfers die betrekking hebben op deze aangelegenheid. Het aantal valse of onjuiste verklaringen inzake de gezinstoestand is bijzonder klein. Meer dan 90% van de verklaringen kloppen met de werkelijkheid.

De minister is van oordeel dat de RVA over voldoende middelen beschikt om beslissingen goed te keuren zonder een beroep te moeten doen op een opgelegd huisbezoek. Hij kan inderdaad oordelen dat het bewijs van de gezinstoestand niet voldoende tot uiting komt en bijgevolg de werkloze toelaten in een niet-bevoorrechte code, namelijk samenwonende in de plaats van alleenstaande of gezinshoofd.

In geval van fraude kan de RVA steeds een dossier samenstellen en de arbeidsauditeur verzoeken tot een gerechtelijk onderzoek over te gaan. Deze zal het dossier in de meest geschikte banen leiden; zo kan hij het aanhangig maken bij een onderzoeksrechter, die een huiszoekingsbevel kan uitschrijven zo hij dit nodig en opportuun vindt.

Er wordt natuurlijk pas voor de strafrechtelijke keuze geopteerd indien de toestand een bepaalde graad van ernst heeft. Het afleveren van een huiszoekingsbevel moet een uitzondering blijven.

Een senator vraagt zich af of de bepalingen van het ontwerp voldoende ruimte laten voor onvrijwillige controle.

Aangezien de statistische cijfers aangeven dat er momenteel slechts sporadisch een beroep wordt gedaan op de arbeidsrechtbank, acht een lid het niet opportuun een wetswijziging goed te keuren.

Een senator is van mening dat de bepalingen van het ontwerp strafrechtelijke stappen toelaten in een louter administratief onderzoek. Volgens haar verzwaart deze bepaling de procedure.

Een senator vindt artikel 2, paragraaf 2 niet logisch. Dit artikel bepaalt dat de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bij weigering tot huisbezoek uitspraak kan doen op basis van de elementen waarover hij beschikt. Met zijn aanvraag tot huisbezoek geeft de directeur echter juist aan dat hij niet over voldoende elementen beschikt om een beslissing te nemen, maar toch kan hij op basis van die onvoldoende gegevens een uitspraak doen.

Een andere senator wijst op de achterliggende redenen van deze foutieve verklaringen van de werklozen. Hij vindt het raadzaam dat ook met betrekking tot deze oorzaken maatregelen worden genomen.

De minister verklaart dat dit ontwerp de rechten of de plichten van de werkzoekenden niet wijzigt. De huidige burgerlijke procedure blijft dus bestaan. De procedure wordt wel aangepast, zodat de werkzoekenden reeds vanaf het begin van de procedure een beroep kunnen doen op een advocaat of een vakbondsafgevaardigde.

Bovendien zal de voorzitter van de arbeidsrechtbank na de hervorming geen toestemming meer kunnen geven voor een huisbezoek zonder toestemming.

Met deze maatregel wil men verhinderen dat ambtenaren van de RVA onder het mom van een huisbezoek eigenlijk een huiszoeking doen. Concreet betekent dit dat de ambtenaren van de RVA niet gemachtigd zijn echte onderzoeksdaden te verrichten.

Op de opmerking over de achterliggende oorzaken van de controle van werklozen antwoordt de minister dat de regering reeds heeft beslist bepaalde minimale uitkeringen te verhogen. Ze onderstreept bovendien dat slechts specifieke individuele gevallen onjuiste informatie over hun familiale toestand doorgeven.

Artikel 1 van het wetsontwerp werd aangenomen met 8 stemmen voor bij 1 onthouding.

De artikelen 2 en 3, alsook het wetsontwerp in zijn geheel werden aangenomen met 7 stemmen voor en 2 stemmen tegen.

Vertrouwen werd mij geschonken voor het opstellen van dit verslag.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - De PS-fractie verheugt zich over de wijziging van de huidige wet inzake de controle van de familiale toestand van de werklozen. We mogen immers niet uit het oog verliezen dat alle burgers, in het bijzonder de sociaal verzekerden, recht hebben op een billijke behandeling.

Deze wet moet zo vlug mogelijk in werking treden omdat ze de eerbiediging van de rechten en de waardigheid van de werklozen waarborgt.

Wij moeten een evenwicht vinden tussen de eerbied voor het privé-leven en het controleren van de juiste familiale toestand van de begunstigden van een werkloosheidsuitkering. De tekst van het ontwerp beantwoordt aan deze vereiste. Het verheugt mij dat het gedwongen huisbezoek wordt afgeschaft en dat in de mogelijkheid wordt voorzien een beroep te doen op een advocaat of een vakbondsafgevaardigde bij de eerste hoorzitting en bij het huisbezoek.

Dit bijzonder gevoelige thema was het onderwerp van talrijke debatten tijdens de vorige zittingsperiode. Het Parlement heeft zijn verantwoordelijkheid op zich genomen tijdens de bespreking van het wetsontwerp dat de toenmalige minister, mevrouw Smet, in het kader van het actieplan voor de werkgelegenheid had ingediend.

De onderhavige tekst komt tegemoet aan de verlangens die de werklozenorganisaties tijdens de vorige zittingsperiode hebben geformuleerd. Ik ben blij dat de officiële cijfers aantonen dat de opgegeven gezinstoestand in meer dan 90% van de gevallen overeenstemt met de werkelijkheid.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik steun dit wetsontwerp.

De tijd en de ervaring hebben bewezen dat de huidige wettelijke bepaling inzake de controle van werklozen niet efficiënt is. Bovendien overtreedt ze de regels met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het aantal foutieve verklaringen over de gezinstoestand was overigens uiterst klein.

De werkloosheidsdiensten zullen nog altijd over controlemogelijkheden beschikken.

De PSC zal dit wetsontwerp goedkeuren.

De heer Roeland Raes (VL. BLOK). - Het wetsontwerp waarover wij straks stemmen heeft tot doel de controle op de gezinstoestand van werklozen bij te sturen.

Het Vlaams Blok is van oordeel dat het voorliggend ontwerp een efficiënte controle misschien niet onmogelijk, maar dan toch zeer onduidelijk zal maken. Uit de praktijk blijkt dat de grote meerderheid van de werklozen de verklaringen betreffende hun gezinssituatie correct invullen. Een klein deel tracht, bijvoorbeeld door een valse opgave van de werkelijke gezinstoestand, een hogere uitkering te krijgen dan waarop ze recht heeft. Hierdoor wijken ze bewust af van een beginsel dat aan de grondslag van een geordende maatschappij moet liggen, namelijk dat er op alle vlakken van de menselijke gemeenschap solidariteit moet bestaan. Dit houdt meer bepaald in dat actieven solidair moeten zijn met niet-actieven en omgekeerd.

De overheid kan uiteraard niet aan elke burger de spontane wil tot solidariteit opdringen. Ze mag er echter evenmin van uitgaan dat diezelfde burger uit zichzelf solidair optreedt met zijn medeburgers. Ze moet er dus voor zorgen dat bestaande misbruiken zoveel mogelijk worden tegengegaan en dat nieuwe misbruiken worden vermeden. Het geld van de belastingbetaler moet toch terechtkomen bij wie er werkelijk recht op heeft, en niet bij wie door allerlei handigheidjes van het stelsel van de sociale wetten tracht te profiteren. Dit moet de opdracht van de sociale controle zijn: geen plagerij, geen vernedering, maar erop toezien dat iedereen krijgt waar hij of zij recht op heeft.

De bevoegde minister heeft vooropgesteld dat inbreuken op het privé-leven van werklozen niet makkelijker mogen worden gedoogd dan op dat van andere categorieën burgers. Aldus zouden de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie worden geschonden. Volgens de minister was een bezoek aan huis zonder voorafgaande toestemming alleen maar gerechtvaardigd als het onderworpen was aan algemene rechtsregels die voor alle burgers gelden, dus na een beroep op de onderzoeksrechter.

Men mag niet overdrijven en doen alsof werklozen ook rechtlozen zijn, die op een niemand ontziende wijze zullen worden getergd en vervolgd. Niets is minder waar: de controle op de gezinstoestand heeft geen uitstaans met een gerechtelijk onderzoek, maar wel met een normaal administratief toezicht. De Raad van State was trouwens van oordeel dat het in het raam van deze administratieve onderzoeken niet mogelijk was de onderzoeksrechter om een bevel tot huiszoeking te verzoeken.

Wij stellen overigens vast dat de schending van het privé-leven alleen wordt ingeroepen als het om werklozen gaat. Hoe zit het met de andere categorieën van sociale verzekerden, die toch ook worden geconfronteerd met controles en arbeids- en sociale inspecties? Gaat de regering de controles in bedrijven, waarbij vaak doortastend te werk wordt gegaan, afschaffen? Een Kamerlid, dat met zijn beroepservaring deze materie zeer goed kent, meende dat alleen de regeling die vóór april 1999 gold, nuttig was. Om de zoveel jaar legden de sociale inspecteurs een huisbezoek af waarbij ze de werkelijke gezinstoestand ter plaatse konden vaststellen.

Voor de werklozen die hun aangifte correct invulden, een overgrote meerderheid onder hen, was deze procedure niet storend: ze moesten zich niet naar het werkloosheidsbureau begeven. Ze beschouwden dit meestal niet als een aanslag op hun privé-leven.

Wie daarentegen bewust nalatig was geweest of foutieve gegevens had ingevuld, keek hier natuurlijk anders tegenaan. Nu zijn er plannen om een en ander te herbekijken. Hierbij wordt vergeten dat de onverwachte controle aan huis de beste manier is om fraude doeltreffend te bestrijden. Zo kunnen overtredingen onmiddellijk worden vastgesteld zonder dat de minder correcte aanspraakmakers de tijd hebben om eventueel belastende sporen te laten verdwijnen.

De thuiscontroles werden in april 1999 afgeschaft. Nu gaat men een stap verder en worden de huisbezoeken helemaal afgeschaft. Wel wordt bepaald dat de directeur van het werkloosheidsbureau een beslissing kan nemen als er twijfel blijft bestaan omtrent de correctheid van de gegevens. Deze directeurs beschikken over een ruime interpretatiebevoegdheid, wat dan weer kan leiden tot een grotere rechtsonzekerheid voor de werklozen. De vrees bestaat dat dit systeem zal leiden tot diverse uitspraken die verschillen naargelang van de streek waar de betrokkene woont.

Het Vlaams Blok zal dit wetsontwerp niet goedkeuren. Het ontneemt de RVA alle mogelijkheden om fraude tegen te gaan. Integendeel, misbruiken lijken in de toekomst te zullen worden aangemoedigd. We zijn ervan overtuigd dat overheidsmiddelen correct moeten worden beheerd en moeten terechtkomen waar ze thuishoren. Fraude moet, nu en morgen, op een menselijke, maar efficiënte wijze worden aangepakt. We zijn voorstander van een duidelijke en rechtlijnige toepassing van de sociale wetgeving. Met dit wetsontwerp zijn deze duidelijkheid en rechtlijnigheid ver weg.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-527/3.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 1 ingediend (zie stuk 2-527/4) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - We verantwoorden dit amendement als volgt. De huidige bepaling van het wetsontwerp houdt te veel het gevaar in dat de directeur van het werkloosheidsbureau een beslissing neemt die gebaseerd is op een onvolledig dossier. De Raad van State merkt reeds in zijn advies op dat de betrokken directeur doorgaans over te weinig elementen beschikt om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen. Een huisbezoek met voorafgaande toestemming van de voorzitter van de arbeidsrechtbank moet mogelijk blijven. Het huidige ontwerp maakt elke administratieve controle de facto onmogelijk. Wie zich niet aan een controle wil onderwerpen, zal er inderdaad aan ontsnappen. Met andere woorden: de RVA beschikt niet over de middelen om de waarheid te controleren. De vraag rijst hoe dit te rijmen valt met de opvattingen van de regering over de actieve welvaartstaat.

Bovendien is het niet aangewezen een onderzoeksrechter te laten optreden op grond van zijn algemene onderzoeksbevoegdheid in strafzaken, zoals wordt gesuggereerd in punt 2.2 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp. Indien de RVA-directeur twijfelt aan de verklaring van de betrokken werkloze, is het beter ofwel de werkloze zelf te ondervragen, ofwel de arbeidsrechtbank in te schakelen. De voorzitter van de arbeidsrechtbank is door zijn bijzondere bekwaamheid in sociale zaken de meest geschikte persoon om op te treden. Een onderzoeksrechter grijpt enkel in, wanneer er een misdrijf zou zijn gepleegd. Het is grotesk dat men voorstelt de procedures van een strafonderzoek te hanteren wanneer men alleen maar onzeker is over de gezinstoestand van een werkloze. Op die manier controleren is schieten met een kanon op een mug. Het ligt dan ook in de lijn van de verwachtingen dat de onderzoeksrechters, die natuurlijk veel belangrijker taken te vervullen hebben, zich niet zullen lenen tot een dergelijk misbruik van de procedure.

Mag ik er ten slotte op wijzen dat voor fiscale controle de bevoegdheid van de fiscale ambtenaren om controles uit te voeren niet aan dezelfde voorwaarden worden onderworpen als de controles voor het uitkeren van werkloosheidsvergoedingen.

Men kan niet zeggen dat ons amendement willekeur invoert. De betrokkene wordt ingelicht dat onderzoek mogelijk wordt en dat daarvoor een verzoek kan worden ingediend bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank. We vinden deze twee waarborgen voldoende om de verschillende belangen in evenwicht te brengen.

Het aanvaarden van dit amendement is voor ons essentieel om de wijziging van artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 te kunnen goedkeuren.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik wil er enkel op wijzen dat met dit amendement de mogelijkheid van het gedwongen huisbezoek opnieuw wordt ingevoerd.

Het begrip "actieve welvaartstaat" impliceert sociale gelijkheid. Dergelijke gedwongen huisbezoeken worden aan geen enkele andere sociaal verzekerde opgelegd.

In een actieve welvaartstaat moet de waardigheid van de burgers, ook de werkzoekenden, worden geëerbiedigd.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Er kunnen natuurlijk ten overvloede grote woorden worden gebruikt, maar ons amendement bestrijden in naam van de waardigheid van de persoon is toch zeer verregaand. Ik nodig de minister uit eens te onderzoeken onder welke voorwaarden de ambtenaren van het ministerie van Financiën controles uitvoeren in fiscale zaken. Uit de verklaring van de minister leid ik af dat al die controles strijdig zijn met de menselijke waardigheid, want ik zie niet in waarom bij de bestrijding van de fiscale fraude bepaalde procédés kunnen worden gebruikt die veel verder gaan dan het amendement dat ik hier voorstel. Er mag toch worden vanuit gegaan dat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank een maatregel, die vooraf aan de betrokkene wordt aangekondigd, objectief zal inschatten en zal oordelen of de RVA voldoende elementen aanbrengt om tot die maatregel over te gaan. De controle afschaffen is voor ons volstrekt onaanvaardbaar.

-De stemming over het amendement en over artikel 2 wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover (van mevrouw Erika Thijs c.s., Stuk 2-481)

Bespreking

De heer Chokri Mahassine (SP), rapporteur. - Naar aanleiding van de tragische dood, in de nacht van 18 op 19 juni 2000, van 58 Chinese onderdanen in een container op weg van Zeebrugge naar Dover werden door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden een reeks hoorzittingen georganiseerd om de omstandigheden van het drama te onderzoeken.

Tegelijk diende mevrouw Thijs op 21 juni 2000 een voorstel in tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie naar de omstandigheden van en de verantwoordelijken voor de feiten en naar de verbeteringen die in het licht van de opgedane kennis door de onderzoeksrechter kunnen worden aanbevolen om preventie en controle van de mensenhandel efficiënter te doen verlopen. Buiten het kader van het wetsvoorstel werden volgende hoorzittingen gehouden:

Op 20 juni 2000 met minister van Binnenlandse Zaken Dusquesne, op 27 juni met minister van Justitie Verwilghen, op 4 juli met minister van Financiën Reynders en op 12 juli met de kabinetsmedewerker van de minister van Justitie, de heer Lamiroy.

Bovendien bracht de commissie op 7 juli een bezoek aan de haveninstallaties van Zeebrugge om de visu te kunnen vaststellen hoe de inscheping van het vrachtvervoer daar verloopt.

Bij de vraag of het opportuun is een onderzoekscommissie op te richten werd uiteraard rekening gehouden met de gegevens die tijdens de hoorzittingen en tijdens het bezoek aan Zeebrugge werden verzameld. Collega Thijs verdedigde haar voorstel op grond van deze elementen.

De verlenging van de werkzaamheden van de subcommissie Mensenhandel die in het vooruitzicht werd gesteld, deed volgens haar niets af aan de noodzaak om een onderzoekscommissie op te richten.

Tijdens de bespreking werden heftige reacties geuit vanwege de oppositie. De heer Vandenberghe onderstreepte uitvoerig de noodzakelijkheid van een onderzoekscommissie. Zijn uiteenzetting was evenwel duidelijk ook gericht tegen de opstelling van de regering tegenover deze kwestie, die hij beschreef als een bewijs van onbekwaamheid.

De meerderheid deelde met de oppositie wel de bekommernis om het lot van de 58 omgekomen Chinezen, maar wierp tegen dat de vraag tot oprichting van een onderzoekscommissie té politiek geïnspireerd was. In het huidige stadium achtte ze een grondig onderzoek door de subcommissie mensenhandel voldoende. Sommige leden van de meerderheid wilden het wapen van de onderzoekscommissie wel nog achter de hand houden, voor het geval de regering onvoldoende zou meewerken aan de opheldering van de zaak.

In de loop van de bespreking werd ook een beschuldigende vinger uitgestoken naar de firma P&O, die blijkens de gegevens van het bezoek aan Zeebrugge onvoldoende aandacht schenkt aan het aspect mensenhandel en aldus haar verantwoordelijkheden al te gemakkelijk afschuift op de Belgische, hetzij de Britse overheid.

Uiteindelijk werd het voorstel tot instelling van een onderzoekscommissie verworpen met 9 stemmen tegen, 3 voor en 2 onthoudingen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - In de nacht van zondag 18 op maandag 19 juli 2000 ontdekten de douanediensten van Dover in het Verenigd Koninkrijk in een Nederlandse vrachtwagen 58 dode vluchtelingen. De vrachtwagen was eerder per overzetboot vertrokken vanuit de haven van Zeebrugge. De tragische omstandigheden waarin deze 58 mensen de dood vonden en waarbij de controleverantwoordelijkheden te Dover, onder meer bij monde van de Britse Free Transport Association, uitdrukkelijk beweerden dat dit drama had kunnen worden voorkomen indien de Belgische verantwoordelijken hun controletaak consciëntieus hadden uitgevoerd, wettigen op zich reeds een verder onderzoek. Of dit onderzoek moet worden verricht door een onderzoekscommissie wil ik in het midden laten. Het belangrijkste is dat er een specifiek onderzoek komt naar de concrete omstandigheden en de oorzaken van deze ramp.

Deze bestuurlijke aanpak werd reeds uitvoerig toegelicht in de verslagen, conclusies en aanbevelingen van de onderzoekscommissie georganiseerde criminaliteit in België, de commissies mensenhandel en prostitutie en het recente senaatsrapport houdende aanbevelingen voor het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie. Ook het verslag van de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden over haar besprekingen van het voorstel van collega Thijs tot oprichting van een onderzoekscommissie naar de oorzaken van deze tragedie, kwam tot het besluit dat de huidige aanpak hoe dan ook niet bevredigend is. Dat verslag is, zoals de rapporteur daarnet nog opmerkte, zeer genuanceerd. Zijn bewering dat meerderheid en oppositie wel akkoord gingen over de beschrijving van de feiten, maar dat de meerderheid niet kon instemmen met een onderzoekscommissie, omdat wij zouden gezegd hebben dat de regering onbekwaam is, is echter onjuist. Wij hebben dit woord niet in de mond genomen maar enkel vragen gesteld die zelfs vandaag nog altijd niet zijn beantwoord.

Een onderzoek naar de dramatische feiten en naar de wijze waarop die konden worden vermeden, kan en zal resulteren in gerichte beleidsconclusies en aanbevelingen om de preventie van en de controle op de mensenhandel op de meest optimale wijze te onderbouwen mits de Senaat zichzelf overtreft, dit wil zeggen, de nodige wilskracht aan de dag zou willen leggen.

Het is ongetwijfeld zo dat deze regering en ook de vorige - en ik schaam me daarvoor niet, ook toen wij deel uitmaakten van de meerderheid in 1998 hebben wij dat verklaard in het verslag over de georganiseerde criminaliteit - de omvang van het drama niet ten volle heeft ingeschat. Dat blijkt overigens ook vandaag nog. Elke vraag echter naar een meer specifiek onderzoek wordt afgewimpeld met een verwijzing naar andere verantwoordelijkheden of bevoegdheden zodat het Parlement niet zou in staat zijn om zijn taak waar te nemen en tot waarheidsvinding te komen nopens de oorzaken van en de verantwoordelijkheden voor de feiten.

Uit de informatie waarover we tot op heden beschikken - en die zeer uitvoerig wordt uiteengezet in het verslag - kan worden afgeleid dat er aanknopingspunten zijn die een verder onderzoek naar het gebrek aan of de totale afwezigheid van enige controle wettigen en die de concrete omstandigheden verder dienen uit te klaren.

Het Parlement kan niet onverschillig blijven - en blijft ook niet altijd onverschillig - voor de uitwassen van de mensenhandel en het manifeste onvermogen van verscheidene landen in West-Europa om die mensenhandel te voorkomen en te bestrijden. Wij vinden derhalve dat het tot de meest normale activiteit van Parlementsleden behoort om hun controletaak ter harte te nemen en de regering hierop te wijzen, wat niet betekent dat het zo nodig tot een formele, politieke veroordeling moet komen.

Voor ons is het onbegrijpelijk dat men na het aanhoren van al de opgesomde argumenten tot de conclusie komt dat het niet noodzakelijk is een onderzoekscommissie op te richten noch subsidiair onderzoek te verrichten naar de gebeurtenissen volgens de Rwanda-formule - ik verwijs naar de formule die voor de Rwandacommissie werd uitgewerkt - terwijl het verslag vragen doet rijzen omtrent de nalatigheid van de politie- en de douanediensten en er hoe dan ook 58 slachtoffers zijn geweest.

Was het voorstel van collega Thys niet de gelegenheid bij uitstek om aan te tonen dat het Parlement echt een nieuwe politiek cultuur voert? Blijft er dan niets meer over van de unanimiteit waarmee de Parlementsleden drie jaar geleden over alle partijgrenzen heen hadden besloten tot de oprichting van de Dutrouxcommissie? Waarom kan deze gezonde parlementaire trend niet worden verdergezet?

Met de oprichting van de commissie Dutroux meende de bevolking begrepen te hebben dat het Parlement eindelijk over de partijgrenzen heen haar controletaak op een verantwoorde wijze zou kunnen uitoefenen wanneer het algemeen belang van het land en van de bevolking op het spel staat. Daarom begrijpen we de houding van de meerderheid terzake niet. Ik wil niet beweren dat de meerderheid zou oordelen dat het overlijden van 58 vreemdelingen eigenlijk niet zwaar genoeg weegt om een diepgaand en open onderzoek te verantwoorden. Ik denk dat de meeste collega's deze opvatting niet delen maar dat het alleen aan de vereiste consequentie ontbreekt.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft op 22 juni verklaard dat alleen het gerechtelijk onderzoek de nodige antwoorden zou kunnen verschaffen. We kunnen enkel vaststellen dat het onderzoek tot op heden geen enkel antwoord heeft gegeven - we weten overigens niet hoe ver het met dat onderzoek staat - op de legitieme vragen die de tragische dood van deze personen heeft doen rijzen.

In het bijzonder weet de bevolking nog altijd niet of de douane- en politiediensten al dan niet getipt werden over de aankomst van de Nederlandse trucker. In de Nederlandse en Britse pers kwam die vraag onmiddellijk aan bod. Men vroeg zich af hoe men in redelijkheid kan verklaren waarom de containers plots, bijna per toeval, bij hun aankomst in Dover werden geopend, terwijl de Britse overheid er toch wel kon van uitgaan dat er tussen Nederland en Dover al enige controle was geweest. We stellen bovendien vast dat deze zaak in Nederland, en dat komt het Nederlandse Parlement ten goede, als eerste punt op de agenda is gezet. Na aanvankelijke ontkenningen, ik verwijs naar het NRC Handelsblad van 9 november, staat het nu vast dat de Rotterdamse politie wel degelijk van het dodelijke konvooi op de hoogte was. Er rijzen bijgevolg vragen over wie er in Nederland precies van wat op de hoogte was - er zou trouwens een kortsluiting zijn geweest tussen twee justitieofficieren, namelijk de parketten van Rotterdam en van Haarlem - en over het al dan niet op de hoogte brengen van Belgische of Britse collega's. Er rijzen nog meer belangrijke vragen. Volgens dezelfde krant zou de verdediging van de hoofdverdachte gedurende maanden bepaalde feiten naar voor hebben gebracht en volgens de verklaring van de Nederlandse minister van Justitie in de Tweede Kamer draait de ganse discussie rond de bewering dat een groot deel van de groep die volgens het openbaar ministerie het transport organiseerde, enkele dagen vóór het fatale weekend door de Rotterdamse politie zou zijn geobserveerd, maar dat die observatie in het weekend zelf zou zijn gestaakt. De Nederlandse autoriteiten nemen deze zaak in ieder geval bijzonder ernstig op en het debat daarover gaat voort.

Wij hadden dan ook voorgesteld de omstandigheden van deze feiten in een commissie of subcommissie te onderzoeken indien het verzoek tot oprichting van een onderzoekscommissie zou worden afgewezen, waarvoor wij begrip kunnen opbrengen. Er zijn nog tal van onduidelijkheden inzake de concrete omvang van de controle, de concrete omvang van de controle aan de buitengrenzen, de werking van het Verdrag van Schengen. De antwoorden op al deze vragen zijn niet alleen belangrijk voor dit concrete geval, maar ook voor de publieke opinie die steeds meer vragen stelt over de wijze waarop duizenden vreemdelingen per maand ons land binnengeraken. Er is ook geen duidelijkheid over de summiere controle die in Zeebrugge is gebeurd en waarbij op het computerscherm bepaalde gegevens werden vastgesteld, onder meer in verband met Van der Spek. Volgens de formele verklaringen waren die voor de Britse overheid voldoende om te oordelen dat het om een verdachte zending ging, maar voor de Belgische autoriteiten was dit blijkbaar geen verdachte zending zodat er geen enkele controle is gebeurd.

Het gaat niet enkel om een onderzoek naar de efficiëntie van de Belgische overheidsdiensten, het is bovendien de bedoeling om in de toekomst de controle op een veel effectievere wijze uit te voeren teneinde de geloofwaardigheid van ons land te herstellen. De voorbije maand telde België immers het grootste aantal immigranten van heel West-Europa.

Nederland en Groot-Brittannië hebben een grondig onderzoek ingesteld. De Belgische overheid moet dit voorbeeld volgen want indien Nederland en Groot-Brittannië de schuld bij ons leggen, moeten we over de nodige elementen kunnen beschikken om deze beschuldiging te weerleggen. De commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden had op grond van de vaststellingen die in juni werden gedaan, tot een vergelijk kunnen komen. Ze had deze aangelegenheid individueel kunnen bekijken en een preventief onderzoek opstarten zonder onmiddellijk over te gaan tot de oprichting van een onderzoekscommissie. Op die manier hadden we tijd gewonnen en hadden we de regering indicaties kunnen geven in plaats van de indruk te geven dat we achter de feiten aanhollen.

De feiten die zich hebben voorgedaan zijn ernstig en spelen zich in West-Europa helaas meer dan eens af. De jongste maanden heeft de mensenhandel heel wat slachtoffers geëist. De overheid moet de zorgvuldigheidsregel naleven en haar structuren en controle aan de uitdaging aanpassen. Dit is geen kwestie van bekwaamheid. Wanneer men met specifieke uitdagingen wordt geconfronteerd, moet er voor een aangepaste controle worden gezorgd. Het vermoeden van goede trouw inzake de werking van privé-ondernemingen en controle-instanties in Zeebrugge moet in dit geval worden opzijgezet.

Het zou ongepast zijn politiek misbruik te maken van deze spijtige gebeurtenissen. We hebben de kans gemist om over de partijgrenzen heen een oplossing voor het probleem te zoeken.

De CVP zal tegen de conclusies van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden stemmen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Het drama van de clandestiene vluchtelingen in Dover en de afschuwelijke omstandigheden waarin de 58 Chinezen de dood vonden, hebben ons allemaal diep geschokt.

Talrijke vragen kwamen naar boven. Wat is de verantwoordelijkheid van de overheid? Hoe staat het met de controle aan de grenzen? Wie zijn die mensen die in handen vallen van de mensensmokkelaars en het geloof in het beloofde Eldorado met hun leven bekopen?

Ook over de verhouding tussen rijke en arme landen, over de menselijke, sociale en economische catastrofe die een aantal volkeren in het Zuiden treft, rezen vragen. Wat heeft men met al deze vragen gedaan? Heeft het drama van Dover er daadwerkelijk toe bijgedragen dat men over een antwoord is gaan nadenken? Onze assemblee moet niet alleen verklaringen afleggen, maar moet de zaken objectiveren, want anders komen we terecht in de valkuil van de emocratie.

Het drama van de 58 Chinezen verdient zeker een speciale behandeling door het Parlement. De vraag is alleen welke behandeling. Moet er een bijzondere commissie komen die zich concentreert op die bepaalde gebeurtenis of moeten de werkzaamheden van de subcommissie Mensenhandel en prostitutie worden aangepast?

In feite is dit geen dilemma. De feiten zijn er. Het komt erop aan concrete oplossingen te vinden en ons niet te beperken tot de aansprakelijkheid van een vervoerder, maar de verantwoordelijkheid van de overheid in deze zaak te onderzoeken.

De tragedie van Dover confronteert ons met de problematiek van de netwerken en de mensenhandel. Het is een algemeen probleem en niet dat van een transportbedrijf of van een bepaald land. We hebben geen alternatief, we moeten maatregelen nemen.

Allereerst moeten onmiddellijk praktische maatregelen genomen worden, zoals de mobiele scanner die door de minister van Financiën werd beloofd. Er zijn ook structurele maatregelen nodig in verband met de netwerken, de mensenhandel binnen het immigratiebeleid van de regering, het ontwerpverdrag van de Verenigde Naties over de georganiseerde criminaliteit en het protocol over de clandestiene immigratie. De commissie voor de Binnenlandse zaken heeft in Zeebrugge zelf kunnen vaststellen dat er bij de inscheping weinig controle is op de mensenhandel.

De commissie vond dat de oprichting van een bijzondere commissie niet nodig was. Vermits het om een algemeen probleem gaat, kunnen we inderdaad beter het mandaat van de subcommissie Mensenhandel verruimen zodat zij zich kan bezighouden met transport, asiel en immigratie, economische slavernij, criminele netwerken.

Ik betreur dat de regering nog geen doortastende maatregelen heeft genomen, zoals de eerste minister had aangekondigd.

De minister van Financiën had drie scanners voor de controle van vrachtwagen in de transitzones van Antwerpen, Oostende en Zeebrugge beloofd. Heeft hij daarvoor al de nodige gelden kunnen vrijmaken? In verband met de strijd tegen de mensenhandel en de ontmanteling van de netwerken heeft de regering nog geen concrete voorstellen gedaan, behalve dan de oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor de immigratie waarover men al een jaar spreekt, maar dat nog altijd niet bestaat.

Deze week hebben we via de pers vernomen dat de grenscontroles werden verscherpt, dat de vluchten uit verdachte landen strenger gecontroleerd worden en dat ook bij de spoorwegen maatregelen werden genomen.

Dergelijke maatregelen zijn ongetwijfeld bijzonder doeltreffend voor de illegalen of de slachtoffers van criminele netwerken, maar concentreert men zich niet al te sterk op de slachtoffers van deze netwerken in de plaats van de netwerken zelf aan te pakken?

Ik vraag me trouwens af of de minister, zoals artikel 2 van het Toepassingsverdrag van Schengen voorschrijft, de verdragsluitende partijen over deze personencontroles aan de binnengrenzen heeft geraadpleegd of geïnformeerd.

Omdat de regering haar beloften nog steeds niet heeft ingelost, maar we vandaag een subcommissie oprichten die de zaken wel kan doen vooruitgaan, zullen wij ons bij de stemming onthouden.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik denk dat het goed is dat nu ook mijn fractie haar mening te kennen geeft.

Natuurlijk stemmen we in met de conclusies van het verslag van de heer Mahassine, maar ik wijs de heer Vandenberghe er nogmaals op dat hij voor zijn demarche niet het goede moment heeft gekozen. De doden in de vrachtwagen hebben diegenen die bij de immigratieproblematiek betrokken zijn, erg geschokt en hebben ons doen inzien dat ons land inzake immigratie in een stroomversnelling is terechtgekomen.

We hebben dus voor een andere formule geopteerd. Hoewel een onderzoekscommissie doeltreffender zou zijn geweest, hebben we er toch voor gekozen ons onderzoek naar de mensenhandel in de subcommissie voort te zetten en te verdiepen. Ongetwijfeld zijn we daar binnen de Belgische parlementaire instellingen de meest geschikte instantie voor.

Sinds we naar aanleiding van het drama in Zeebrugge hebben vastdgesteld dat vrachtwagens onvoldoende worden gecontroleerd, kunnen we, telkens als we een rij vrachtwagens op de autoweg zien aanschuiven, niet nalaten te bedenken dat ze misschien wel mensen vervoeren. De controles bewijzen dat ook. We mogen ons niet van doelwit vergissen. Ons doel is niet deze vluchtelingen als de zoveelste illegalen te beschouwen, maar de netwerken op te rollen, de logica erachter te ontrafelen, te weten wie ze betaalden om hen naar hier te brengen.

Een aantal illegalen kruipt wellicht in vrachtwagens zonder medeweten van de chauffeur, maar dat is een kleine minderheid. We hebben dus scanners nodig en onze fractie vindt dat die er ook moeten komen. Wat de herinvoering van de systematische grenscontroles betreft, zijn we terughoudender. Hoewel het om een voorlopige maatregel gaat, betekenen ze een achteruitgang op Europees vlak. We moeten dus andere controlemiddelen vinden.

Ik herinner eraan dat in ons verslag, dat de Senaat in juli heeft goedgekeurd, de herziening en aanpassing werd gevraagd van de COL 12, de rondzendbrief van de procureurs-generaal over de strijd tegen de mensenhandel. Hieraan zou vanaf september dit jaar worden gewerkt. De eerste opdracht van onze commissie zal dus zijn na te gaan hoever het met deze aanpassing staat. Vinden onze politiediensten dat ze al dan niet operationeel zijn en dat ze de mensenhandel aankunnen?

Het immigratiebeleid moet in een algemeen beleid worden ingepast, maar mag daardoor niet onmogelijk worden gemaakt. De gevolgen van een beleid mogen niet worden verward met de slachtoffers van die gevolgen. Het komt erop aan de netwerken en de kopstukken aan te pakken.

Mijnheer Vandenberghe, hoewel ik mij in de subcommissie bij de stemming heb onthouden, zal ik vandaag het verslag goedkeuren. Mijn onthouding was geen gevolg van een ongunstige beoordeling. Er zullen in dit dossier wellicht nog heel wat schandalen opduiken, vooraleer in ons land een rationeel beleid wordt gevoerd. Ik hoop dat onze subcommissie daaraan zal meewerken. Ik herinner eraan dat we vrijdag onze werkzaamheden over dit probleem aanvatten.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik ben het volkomen eens met mevrouw Lizin. De heer Hordies verkoos dan ook de voortzetting van het werk in de subcommissie te steunen, en niet te opteren voor een onderzoekscommissie. Ik herhaal dat wij het belang van deze kwestie niet in twijfel trekken, maar in dit geval leek het ons beter het werk in de subcommissie voort te zetten. De CVP-leden zijn overigens bijzonder actief in die commissie. Wij staan dus niet achter het voorstel.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Voorstel van resolutie betreffende het recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen (van de heer Michiel Maertens c.s., Stuk 2-507)

Voorstel tot terugzending

De heer Philippe Mahoux (PS). - Er is heel wat gebeurd sinds de commissie over deze resolutie stemde. De toestand in het Midden-Oosten is dramatisch. Men bevindt zich in een oorlogstoestand. De situatie in de bezette gebieden, noopt tot een voortzetting van de werkzaamheden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Ik vraag dus de terugzending van dit voorstel van resolutie naar de commissie.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De terugzending naar de commissie wordt voorgesteld omdat ik een amendement heb ingediend. Als de vergadering beslist dat voorstel te volgen, vraag ik er de nodige spoed achter te zetten. De toestand is inderdaad catastrofaal. Alle hoop op vrede en op een Palestijnse staat is verdwenen. De Palestijnse leiders worden systematisch vermoord.

Wat de vergadering ook beslist, de zaak is dringend. Daarom pleit ik ervoor dat de commissie zeer snel bijeenkomt, indien mogelijk nog vanavond. Met dit amendement willen wij de Senaat geenszins beletten stelling te nemen. Integendeel, wij willen dat de Senaat zich duidelijk uitspreekt over de wanverhouding in de machtsontplooiing en over de noodzaak van een interventiemacht.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik heb uiteraard geen bezwaar tegen een terugzending, temeer omdat het verzoek uitgaat van de fractie die het amendement heeft ingediend. Ik wil alleen opmerken dat, als we ons bij elke resolutie door de actualiteit laten opjagen, we voortdurend teksten zullen moeten wijzigen waarover in de commissie langdurig werd beraadslaagd. Ik erken dat er een probleem is en ik volg, soms angstig, het Israëlisch-Palestijns conflict. Maar door te snel te reageren op de ontwikkelingen, brengen we de kwaliteit van ons werk in gevaar. We moeten wel rekening houden met belangrijke actuele gebeurtenissen, maar we moeten er toch ook voor waken dat onze resoluties een zekere bestendigheid hebben. Als onmiddellijk gereageerd moet worden, kunnen we altijd mondelinge vragen of vragen om uitleg stellen. Ik vind trouwens dat het reglement dringende vragen om uitleg mogelijk moet maken om zo op de actualiteit te kunnen inspelen. Ik heb dus geen bezwaar tegen een terugzending, maar wou toch deze algemene opmerking maken.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - De actualiteit in de regio vraagt om snelle politieke uitspraken. Een terugzending naar de commissie betekent echter een uitstel van ten minste één week. Ik heb geen probleem met het amendement zelf. Het is een duidelijke aanvulling van de goedgekeurde resolutie. De Senaat kan zich vandaag positief over het amendement uitspreken. Gelet op de actualiteit, was ik er voorstander van de oorspronkelijke tekst als eerste stap goed te keuren. Wanneer echter een fractie de terugzending vraagt, moeten we ons daarbij neerleggen.

De voorzitter. - De voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is op dit ogenblik niet aanwezig, maar het voorstel van resolutie werd in de commissie unaniem goedgekeurd. Daarna hebben mevrouw Lizin en de heer Dubié een amendement ingediend.

De heer Mahoux verzoekt uitdrukkelijk om de terugzending van het voorstel naar de commissie. Gezien de omstandigheden kan de commissie vandaag waarschijnlijk niet samenkomen. Als we nu beslissen om het voorstel van resolutie naar de commissie terug te zenden, kunnen we ons volgende week over deze aangelegenheid definitief uitspreken.

De heer Jacques Devolder (VLD). - De voorzitter van de commissie is afwezig en er zijn een aantal commissieleden op zending naar Kosovo. Ze hebben altijd actief aan de commissievergaderingen deelgenomen. Ik heb geen probleem met terugzending naar de commissie, maar vandaag kan die commissie zeker niet samenkomen.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik heb inderdaad het amendement van mevrouw Lizin medeondertekend. Ik wijs erop dat nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen. Wat wij vragen, is gebaseerd op een nieuwe resolutie van de VN-Veiligheidsraad.

Ik pleit ook voor een spoedige bijeenkomst van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Als ondervoorzitter kan ik die commissie voorzitten als de voorzitter afwezig is.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Het is inderdaad belangrijk dat onze resoluties niet op het verkeerde ogenblik komen. Dat is al te dikwijls het geval. Ik wens dat de commissie dringend samenkomt en dat de tekst van het voorstel van resolutie geamendeerd wordt. We moeten vandaag nog over dit voorstel van resolutie kunnen stemmen. De toepassingssfeer ervan is sterk uitgebreid door de grondige aanpak van de commissie. Ik ben bereid andere amendementen te bestuderen. Het komt er echter op aan tijdig te reageren, gelet op het belang, het dringend karakter en de ernst van de situatie. De boodschap van de Senaat moet ten gepaste tijde worden gehoord.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mijnheer de voorzitter, ik laat het aan u over om contact op te nemen met de voorzitter of de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging om de datum van die vergadering te bepalen. Ik vind ook dat we niet mogen treuzelen en dat we rekening moeten houden met de dramatische ontwikkeling van de situatie in de bezette gebieden. We moeten dus snel handelen en tegelijkertijd rekening houden met de situatie. We zijn het erover eens dat de vrede in het Midden-Oosten zo spoedig mogelijk moet worden hersteld, met respect voor de rechten van de Palestijnen en de veiligheid van Israël. Dat zeggen we al jaren.

De voorzitter. - Ik stel voor dat we ons uitspreken over de duidelijke vraag van de heer Mahoux om het voorstel van resolutie terug te zenden naar de commissie.

De commissie regelt zelf haar werkzaamheden. Ze legt haar vergadering vast wanneer zij wil. Iedereen neemt zijn verantwoordelijkheid op zich.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Kunnen we ons niet over een compromis uitspreken? We kunnen de stemming uitstellen tot volgende week, en ondertussen de commissie de gelegenheid geven om daarover te beraadslagen. Als de commissie daarover niet is bijeengekomen, kan de afspraak zijn dat we volgende week stemmen. We verzenden dan niet zonder meer, maar geven ons acht dagen uitstel om te stemmen.

De voorzitter. - Wij kunnen op uw voorstel niet ingaan, mijnheer Vandenberghe. Het reglement bepaalt dat het voorstel naar de commissie moet worden teruggezonden.

-Tot terugzending wordt besloten bij zitten en opstaan.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (Stuk 2-527)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 1 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 42

Voor: 6

Tegen: 30

Onthoudingen: 6

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 2.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 43

Voor: 36

Tegen: 3

Onthoudingen: 4

-Artikel 2 wordt aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 43

Voor: 36

Tegen: 6

Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Mijnheer de voorzitter, ik wil er uw aandacht op vestigen dat voor de tweede keer in veertien dagen de meerderheid niet in aantal is en dat de oppositie beleefdheidshalve in de zaal blijft.

De voorzitter. - Ik ben het volledig met u eens, mijnheer Vandenberghe. Ik vind het onoorbaar dat slechts 43 leden aanwezig zijn.

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover (van mevrouw Erika Thijs c.s., Stuk 2-481)

De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit voorstel te verwerpen.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 47

Voor: 34

Tegen: 8

Onthoudingen: 5

-De conclusie is aangenomen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 30 november 2000

's ochtends te 10 uur

Evocatieprocedure

Wetsontwerp betreffende de gezinsbemiddeling; Gedr. St. 2-422/1 tot 8.

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot aanvulling van de wet van 26 juni 2000 tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de provincie- en gemeenteraden en het Europese Parlement; Gedr. St. 2-524/1 tot 3.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 66 van de provinciewet en tot invoeging van een artikel 242bis in de nieuwe gemeentewet, inzake het beleidsprogramma (van de heer Paul Wille c.s.); Gedr. St. 2-490/1 tot 3.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap; Gedr. St. 2-576/1 tot 3.

's namiddags te 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsontwerp betreffende de wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank; Gedr. St. 2-558/1 tot 3.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

's avonds te 19 uur

Hervatting van de agenda van de namiddagvergadering.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemming

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heer Georges Dallemagne (2-238) en mevrouw Sabine de Bethune (2-231) aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over «de regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking», gesteld in plenaire vergadering op 16 november 2000

De voorzitter. - We stemmen over de gewone motie die voorrang heeft. (Samenspraken)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het is een gewone motie, waarbij vertrouwen wordt geschonken aan de regering.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik zal tegen de gewone motie stemmen. Ik zou immers graag het stemgedrag van een aantal collega's zien in verband met de motie die onder andere door mevrouw de Bethune is ingediend. Die motie druist volgens mij in tegen het standpunt van de CVP in het Vlaams Parlement. Ik kan akkoord gaan met een pleidooi voor een kwaliteitsvolle ontwikkelingssamenwerking op alle niveaus, maar ik vraag mij af waarom wij alleen voor een kwaliteitsvolle "federale Belgische" samenwerking moeten pleiten. Dat is trouwens een pleonasme, waarschijnlijk om heel duidelijk te zijn. Dit gaat in tegen de huidige federale bevoegdheden in ons land.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik nodig de heer Vankrunkelsven, die niet aanwezig was op het debat, uit mijn interpellatie te lezen, want dan zou hij het genuanceerde standpunt van de CVP over dit punt begrijpen.

De Senaat is uiteraard alleen bevoegd om aanbevelingen te richten tot de federale overheid. Ik heb er geen probleem mee minister Anciaux aan te moedigen om een goed beleid te voeren; ik heb dat trouwens in verschillende debatten gedaan. Zo wil ik ook hier zeggen dat ik het betreur dat minister Anciaux zijn budget voor ontwikkelingssamenwerking dit jaar heeft verminderd. Dat is ongelooflijk voor een regeringspartij die pleit voor een beter ontwikkelingsbeleid. Mijn partij betreurt dit expliciet, maar de Senaat is daarvoor niet het gepaste forum. Aangezien de vraag gesteld wordt, wil ik dit graag benadrukken.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het zal voor de leden van de Senaat geen geheim zijn dat wij de regering steunen, vooral de wijze waarop ze bij de laatste begrotingsbespreking een substantiële verhoging van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking op federaal niveau heeft goedgekeurd.

Agalev vindt de gemotiveerde motie een duidelijkere en explicietere formulering van de wil van de regering om het federale ontwikkelingssamenwerking te stimuleren en te steunen. Om die reden zal onze fractie zich onthouden bij de stemming over de gewone motie.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Met deze motie ondersteunen wij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, die aan een goede federale ontwikkelingssamenwerking wil werken, die bedenkingen heeft bij de manier waarop het debat over de defederalisering van dit departement is gevoerd en de wijze waarop de beslissing werd genomen, en die erop wijst dat heel wat is gerealiseerd.

Wij zijn het in grote lijnen eens met het beleid van de staatssecretaris. Met deze motie willen wij aantonen dat wij zijn inspanningen steunen en willen wij zijn vrees voor de toekomst van de ontwikkelingssamenwerking onderschrijven.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Door de gewone motie aan te nemen schenkt men het vertrouwen aan de regering. Moet het vertrouwen in de staatssecretaris in dit geval worden beschouwd als een blijk van wantrouwen ten opzichte van de regering? Het wordt tijd dat de Senaat zich over de kwestie van de gewone moties bezint. Het systeem van gemotiveerde moties lijkt me veel logischer.

Ecolo zal de gewone motie goedkeuren, maar een lid van mijn fractie steunt de gemotiveerde motie omdat hij ze mede heeft ondertekend.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Mijnheer de voorzitter, wij zouden alle stemverklaringen van de vorige zittingsperiode kunnen bovenhalen waarin senatoren, onder meer van Ecolo, herhaaldelijk pleitten voor de afschaffing van het volgens hun achterhaalde systeem van de gewone motie. Hun stelling was dat de senatoren over inhoudelijke punten dienden te stemmen, zodat ze hun standpunt duidelijk aan de bevolking konden kenbaar maken. Wij vonden dat een zeer goed voorstel en daarom hebben wij nu een met redenen omklede motie ingediend. Het verbaast mij dan ook dat Ecolo nu een diametraal tegengesteld standpunt inneemt.

De voorzitter. - Elke fractie heeft haar standpunt naar voren gebracht. Iedereen kent de regels van het spel. Overigens wordt met beide moties vertrouwen geschonken aan de regering, met de eerste op een welomschreven manier en met de tweede op een algemene manier. Dit is een zeer oude methode, die ikzelf wel eens heb gebruikt toen mijn partij deel uitmaakte van de oppositie. Iedereen weet dat er eerst wordt gestemd over de gewone motie.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 40

Voor: 26

Tegen: 9

Onthoudingen: 5

-De gewone motie is aangenomen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de sociale verkiezingen 2000» (nr. 2-244)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Begin dit jaar vonden sociale verkiezingen plaats. Vorig jaar deze tijd is de minister gestart met een campagne om diverse doelgroepen onder de werknemers, namelijk jongeren, vrouwen, allochtonen, ertoe aan te zetten zich kandidaat te stellen voor de sociale verkiezingen. Eén jaar later is de tijd rijp voor een evaluatie van die sociale verkiezingen. Enerzijds is de vraag hoeveel vrouwen verkozen werden en of er vooruitgang merkbaar is, anderzijds is het nuttig te reflecteren over de beleidsconclusies die de minister hieruit kan afleiden voor de toekomst.

Ik wil eerst even ingaan op de cijfers. Graag vernam ik wat verhoudingsgewijze het aantal gekozen vrouwen en mannen is in deze sociale verkiezingen. Wat waren de cijfers vorig jaar. Hoe groot is de vrouwelijke aanwezigheid vandaag? Hoe worden deze cijfers geanalyseerd? Wanneer zullen de resultaten officieel bekend gemaakt worden? Hoe zullen de statistieken in de toekomst worden bijgehouden? Welke conclusies kan de minister hieruit afleiden?

Dit thema is belangrijk, niet alleen in ons land maar ook in Europa. Ik verwijs naar een nota van de European Trade Union Confederation over de evaluatie van haar actieplan ter bevordering van gelijke kansen voor vrouwen en mannen binnen de syndicale organisaties dat liep van 1995 tot 1999. Ik verwijs ook naar een studie die in opdracht van de ETUC werd gemaakt onder leiding van professor Ada Garcia. De resultaten hiervan werden ook bekendgemaakt in 1999 onder de titel "The second sex of European Trade Unionism". Dit diepteonderzoek werd gevoerd bij 50 aangesloten syndicale organisaties in 26 landen. Daaruit blijkt dat de deelname van vrouwen in syndicale organisaties zeer laag ligt. Dat staat in schril contrast met het feit dat grosso modo voor Europa, ik beschik helaas niet over de Belgische cijfers, ongeveer 40% van de vakbondsleden vrouwen zijn. Binnen de organisaties voor sociaal overleg blijkt evenwel dat op besluitvormingsniveau minder dan één vierde vrouwen zijn. Dat is dus een belangrijke ondervertegenwoordiging. Deze cijfers illustreren de noodzaak aan omkadering en een beleid. Wellicht geeft de minister straks in haar antwoord de cijfers voor ons land. Ik ben benieuwd of wij al dan niet beter scoren dan het Europese gemiddelde en welke beleidsmaatregelen zij daartegenover stelt.

Een andere studie van 1999 van de "Dublin Foundation for improvement of living and working conditions" bevestigt dat in Europa tot nog toe te weinig aandacht werd besteed aan de plaats van de vrouwen in het sociaal overleg. De studie benadrukt ook dat het belangrijk is dat vrouwen deelnemen aan dit overleg om hun rechten op het werk te kunnen verdedigen. De studie toont aan dat door een grotere deelname van vrouwen aan het sociaal overleg, de vrouwenrechten op de arbeidsmarkt beter worden behartigd.

Beide studies wijzen op een aantal belemmeringen en reiken ook strategieën aan waarover binnen het wetenschappelijk onderzoek een ruime consensus blijkt te bestaan. Ik zal mij ertoe beperken de belemmeringen op te sommen waarmee trouwens ook vrouwen die een politiek engagement aangaan, worden geconfronteerd. Allereerst is er de moeilijke combinatie van gezin en arbeid met een engagement in een syndicale organisatie. Vervolgens zijn er de stereotiepe rolmodellen die ook in het sociaal overleg op vrouwen blijven wegen. Een derde belemmering is de beroepssegregatie waardoor een grote groep van vrouwelijke werknemers geconcentreerd is in een beperkt aantal sectoren, zodat ze weinig kans hebben om door te stromen naar het sociaal overleg. Bovendien bekleden vrouwen meestal ondergeschikte posities en maken zij daardoor minder kans om zich binnen hun sector te doen gelden en verkozen te worden binnen de sociale organisaties. Ten vierde is de mannencultuur nog altijd dominant binnen de syndicale organisaties die soms nog echte mannenbastions worden genoemd. Vrouwen worden er vaak nog gediscrimineerd, onder meer wat hun vormingskansen betreft.

Dezelfde studies reiken ook enkele strategieën aan. Ten eerste benadrukken zij het belang van duidelijke statistieken en monitoring, zodat op geregelde tijdstippen kan worden gepeild naar de deelname van vrouwen, binnen welke sectoren, op welke niveaus en of er vooruitgang wordt geboekt.

De tweede strategie omvat positieve actiemaatregelen, becijferde doelstellingen, quota, voorbehouden zetels. De derde strategie bestaat erin de vrouwencommissies of gelijkekansencommissies binnen de syndicale organisaties te versterken. De studiediensten moeten speciaal aandacht besteden aan de behartiging van vrouwenbelangen. De vierde strategie is gericht op vorming en gendertraining. Ten slotte moet er een mentaliteitsverandering komen, een nieuwe syndicale cultuur, waarin plaats wordt gemaakt voor vrouwen en gendermainstreaming.

Het beleid heeft dus een belangrijke rol te spelen op drie niveaus: voorwaarden scheppen, ondersteunen en reguleren.

Hoe staat de vice-eerste minister hiertegenover?

Ik heb nog drie aanbevelingen. Ten eerste, wijs ik nogmaals op het belang van de statistieken zelf teneinde te weten welke stappen nog moeten worden gedaan en wat de pijnpunten zijn. Ten tweede, is er het belang van de evaluatie van de gebruikte strategieën en in het bijzonder van de gevoerde campagne. Opdat dergelijke initiatieven in de toekomst nog meer vruchten afwerpen moet een degelijke evaluatie worden gemaakt. Hier geldt hetzelfde als bij de stem-vrouwcampagne. Ook hier zijn een permanente sensibilisatie en mentaliteitswijziging noodzakelijk.

Ten derde, wijs ik op het belang van een globaal beleid ter ondersteuning van de aanwezigheid van vrouwen in het sociaal overleg. Dit geldt voor alle strategische punten die ik eerder heb aangehaald: het bijhouden van cijfers, het uitwerken van structurele maatregelen zoals wetgeving of quota, het versterken van de vrouwencommissies binnen de vakbonden, het empowerment van vrouwenorganisaties, de training, de vorming en de mentaliteitswijziging.

Hoe kijkt de vice-eerste minister terug op de gevoerde campagne? Hoe wordt deze geëvalueerd? Wat zijn de concrete resultaten? Hoe zal de minister die kaderen in een globaal gelijkekansenbeleid? Welke ruimte wil ze geven aan het empowerment van vrouwen binnen het syndicaal overleg?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - De sociale verkiezingen hebben tussen 8 en 21 mei 2000 plaatsgevonden. Het departement van Werkgelegenheid had besloten rond deze verkiezingen een informatiecampagne te voeren en hieraan werd een belangrijk budget besteed.

De sociale verkiezingen zijn een belangrijke sociale gebeurtenis: duizenden bedrijven zijn erbij betrokken en honderdduizenden werkneemsters en werknemers worden verzocht zich uit te spreken. Allen nemen deel aan de verkiezingen van de leden van de ondernemingsraden en van de comités voor de preventie en de bescherming op het werk.

De sociale verkiezingen zijn een van de uitdrukkingsvormen van de democratie in het bedrijf. De deelname van de werknemers aan het bedrijfsleven toont aan dat het sociaal overleg goed functioneert.

Het departement van Werkgelegenheid heeft voor de sociale verkiezingen 20,5 miljoen uitgetrokken om een campagne te voeren in de audiovisuele en geschreven pers, in de vorm van spots op radio en televisie en van advertenties in dagbladen en tijdschriften.

Naast de fundamentele doelstelling van sociale democratie in de bedrijven, waren er ook andere doelstellingen: de werknemers en meer bepaald de vrouwelijke werknemers ertoe aanzetten om kandidaat te zijn; de werknemers ertoe aanzetten om te gaan stemmen; elke vorm van discriminatie ten overstaan van werknemers van buitenlandse afkomst bestrijden; de werkgevers overtuigen van het belang van degelijk sociaal overleg voor hun bedrijf en van het nut van de sociale verkiezingen in dit opzicht.

De informatiecampagne bestond uit twee delen. Ten eerste werden werknemers, en dan vooral vrouwen, opgeroepen om zich kandidaat te stellen. Ten tweede, werden de werknemers, en meer in het bijzonder de vrouwen, opgeroepen deel te nemen aan de verkiezingen.

Het accent werd eveneens gelegd op twee andere doelgroepen: de jonge werknemers en de werknemers van buitenlandse afkomst.

De sociale partners werden vanzelfsprekend betrokken bij elke fase van de sociale verkiezingen: voorbereiding, verloop, telling van de uitgebrachte stemmen, controle van de resultaten. Het partnerschap kreeg meer bepaald vorm in het Comité voor de begeleiding van de sociale verkiezingen dat vóór en na de sociale verkiezingen vergadert.

Ook bij de informatiecampagne werden de vakbondsorganisaties nauw betrokken bij het bepalen van de doelstellingen.

U vraagt me wat de weerslag is geweest van de "stem vrouw"-campagne.

Het is niet gemakkelijk daarop te antwoorden want het effect van een sensibiliseringscampagne is moeilijk te meten, behalve misschien wat de participatiegraad betreft.

Ik zou u hetzelfde antwoord kunnen geven als voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ik zal nooit beweren dat de verhoging van het aantal stemmen voor vrouwen het gevolg is van de campagne. Die heeft er zeker toe bijgedragen, maar in welke mate? Deze vraag vereist een ernstig onderzoek.

Hetzelfde geldt voor de sociale verkiezingen.

Hierbij werd een daling van de participatiegraad geregistreerd. Men mag hieruit niet overhaast besluiten dat er geen belangstelling is voor de sociale verkiezingen in de ondernemingen. Men moet er rekening mee houden dat er veel méér overeenkomsten werden gesloten in de ondernemingen.

Ik heb een onderzoek gevraagd naar het effect van de campagne om te stemmen voor vrouwen, voor jongeren en voor werknemers van vreemde origine. Op basis hiervan kan ik de toekomst voorbereiden.

Deze analyse zal worden uitgevoerd door mijn departement, in samenwerking met de sociale partners. Tevens heb ik het CRISP om een evaluatie verzocht.

In januari zal ik over de resultaten beschikken. Het is beter nog enkele weken geduld te oefenen en te wachten op de analyse van de specialisten dan overhaaste conclusies te trekken.

Vandaag kan ik enkel zeggen dat er nog altijd een grote meerderheid van mannelijke vertegenwoordigers is, hoewel sedert 1991 een stijging werd vastgesteld van het aantal vrouwelijke kandidaten en verkozenen. Bovendien werd er een stijging van het percentage verkozen vrouwen geregistreerd. Dit zou erop kunnen wijzen dat vrouwen, wanneer zij zich kandidaat stellen, meer kans hebben om te worden verkozen dan mannen.

Ik herhaal dat deze aangelegenheid nader moet worden onderzocht en moet worden getoetst aan de conclusies van de specialisten. Het zou interessant zijn om te weten of we evolueren naar een syndicalisme met meer vrouwelijk trekjes.

Ik kan nog geen regionale of sectorale resultaten meedelen, evenmin als resultaten op basis van de omvang van de ondernemingen. De analyse van deze gegevens vergt veel tijd omdat het om een enorm groot aantal ondernemingen en sectoren gaat.

Ik zou natuurlijk globale cijfers kunnen meedelen. U weet dat er een begeleidingscomité werd opgericht. Volgende week zullen de sociale partners en het ministerie de cijfers voor Wallonië, Brussel en Vlaanderen voor elke vakbond bekendmaken. Dan zal ook een vergelijking worden gemaakt met de verkiezingen van 1995.

Volgende week zullen we over alle gegevens beschikken. Voor een nauwkeuriger analyse moet men de bedrijfsakkoorden ontleden, rekening houden met het aantal jongeren per sector en precies nagaan waarom er voor een welbepaald programma wordt gestemd. De resultaten van die analyse zullen mij eind 2001 worden meegedeeld. Begin volgend jaar zal ik evenwel over de resultaten van de studie over het gevoerde gelijkekansenbeleid beschikken. Ik zal op dit dossier terugkomen zodra het onderzoek van het CRISP en van het ministerie en de sociale partners is afgerond.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor haar antwoord en wil graag nog enkele aanvullende vragen stellen.

De minister sprak van een budget van 20,5 miljoen voor deze campagne. Ze heeft duidelijk uitgelegd dat ze met deze campagne - terecht trouwens - verscheidene doelstellingen had. Kan ze me zeggen welk deel van de middelen werd ingeschreven op het budget voor het gelijkekansenbeleid?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Per begrotingsartikel dat daarop al dan niet betrekking heeft? Eigenlijk werd het geheel ondergebracht onder de post "sociale verkiezingen" en niet bij de begroting voor het gelijkekansenbeleid.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Om het anders te formuleren: zijn er middelen van het gelijkekansenbudget gebruikt voor de campagne voor de sociale verkiezingen en zo ja, hoeveel ongeveer?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Zes miljoen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Dat wil zeggen dat ongeveer een vierde tot een derde van de campagne werd ingeschreven op het budget van het gelijkekansenbeleid.

Ten tweede hebt u wel een zicht op de participatie maar beschikt u nog niet over precieze cijfers inzake het aantal verkozen vrouwen. Ik begrijp dat u wacht op de CRISP-studie, maar kunt u niet zeggen hoeveel vrouwen er ongeveer verkozen zijn en hoe groot de globale vooruitgang grosso modo is? Vermits er volgende week resultaten bekend worden, neem ik aan dat u toch een zicht hebt op de globale omvang van de vooruitgang.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Zoals ik daareven heb uitgelegd, zullen de werkzaamheden betreffende de globale percentages en de vergelijkingen 1995-2000 volgende week afgerond zijn. Vooraleer deze discussie verder te zetten, zou ik liever over betrouwbare cijfers beschikken. Tegen december of januari zal dat wel het geval zijn.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Rond het jaareinde kan ik u deze vraag dan opnieuw stellen.

Mijn derde vraag betreft eigenlijk het raam waarbinnen mijn vraag moet worden gesitueerd en daarop hebt u eigenlijk niet geantwoord. Welke beleidsmaatregelen denkt u globaal te nemen? Indien u moet wachten op de detailstudie die eind volgend jaar rond is, dan zitten we al heel dicht bij de volgende sociale verkiezingen. Welke maatregelen zult u dus nemen, ook op andere niveaus zoals structureel, op het vlak van vorming enzovoort?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Om efficiënte maatregelen te kunnen nemen, wacht ik liever de resultaten van de gevraagde analyse af. Voor het beleid inzake gelijkheid zal de CRISP-analyse, waarvan de resultaten tegen januari 2001 worden verwacht, zeer nuttig zijn. Samen zullen wij er zonder twijfel in slagen om het beste beleid uit te stippelen voor de volgende sociale verkiezingen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Dan kijken we uit naar de resultaten die in januari verwacht worden. Natuurlijk betreur ik een beetje dat men niet iets vroeger van start is gegaan, zodat u op het budget van volgend jaar al een post had kunnen inschrijven voor de aanloop naar de volgende verkiezingen. In elk geval kunnen we de discussie dus in januari voortzetten.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de minister van Justitie over «de beleidsmaatregelen tegen mobbing» (nr. 2-258)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - De aanleiding tot deze vraag is de dood van een jonge postbode. Hij pleegde zelfmoord omdat hij - zo bleek uit een korte afscheidsbrief - de verregaande pesterijen van een kliekje collega's op het werk niet langer aankon. In dezelfde periode werden enkele vergelijkbare gevallen publiek gemaakt. Het geval van de postbode is een extreem geval. In de meeste gevallen loopt het gelukkig niet zo een vaart. Toch is het fenomeen van pesterijen op het werk belangrijk genoeg om bij stil te staan.

Welke maatregelen kan de overheid nemen tegen mobbing? Pesten op het werk is geen recent fenomeen, al beweren sommigen dat het toeneemt door de grote stress waaronder de mensen in onze gejaagde samenleving gebukt gaan. Ik kan mij daarover niet uitspreken. Dat vereist wetenschappelijk onderzoek. Het gaat alleszins om een algemeen probleem. De gevolgen van pesterijen zijn onder meer psychosomatische klachten, posttraumatische syndromen en algemene angststoornissen.

Gebeurt er in België onderzoek over dit probleem? Zijn er voor ons land exacte cijfers voorhanden? Er hangt een taboesfeer rond pesterijen op het werk. De slachtoffers schamen zich en de daders realiseren zich niet altijd dat ze zich schuldig maken aan een ernstig feit.

In Noord-Europa wordt dit fenomeen reeds geruime tijd onderzocht. Een Zweedse psychiater, Heinz Leyman, is een van de eersten die sinds begin de jaren tachtig op grote schaal onderzoek doet naar pesterijen in werksituaties. Hij concludeert dat 3,5% van de werknemers het slachtoffer zijn van mobbing.

Ook in Nederland is er onderzoek verricht. Eén op vier werknemers zou er tijdens de loopbaan met pesterijen op het werk worden geconfronteerd.

Het gaat hier dus om een ernstig fenomeen.

Mijn vraag aan de minister is voor een groot deel informatief: in welke mate kan de overheid daarop door beleidsmaatregelen inspelen?

Vorig jaar werd in België de organisatie Helpende Handen opgericht. Ze heeft ondertussen enkele voorstellen uitgewerkt, waarover ik graag de mening van de minister zou kennen.

De vzw stelt bijvoorbeeld voor een centraal meldpunt op te zetten, waar slachtoffers van mobbing terechtkunnen. Tijdens de ontmoeting die ik met medewerkers van Helpende Handen had, vertelden ze met plezier over het meldpunt dat ze sinds enige tijd zelf, met de inzet van vrijwilligers, draaiend houden en over de eerste analyse van de klachten die ze tot nu toe hebben ontvangen.

Ze vragen dat de overheid meer steun geeft aan de andere zelfhulpgroepen van slachtoffers van pesterijen. Denkt de minister dat die een rol kunnen spelen in de strijd tegen mobbing?

Ze pleiten ook voor een intensivering van de preventie, bijvoorbeeld door een campagne in de bedrijven, spreekbeurten en dergelijke. Dergelijke dingen kosten natuurlijk geld. Denkt de minister dat dit een bijdrage kan leveren aan de vereiste mentaliteitsverandering en wil ze deze vzw financieel ondersteunen?

Ten slotte wijzen ze op het belang van een wettelijk kader dat fysiek en psychisch geweld aan banden legt. Men zegt dat een dergelijke wetgeving al op een min of meer afdoende wijze functioneert in Noord-Europa. Zelf plaats ik daar wel enige vraagtekens bij. Voor een deelaspect van mobbing, het ongewenst seksueel gedrag - waar vooral vrouwen het slachtoffer van zijn - is tijdens de vorige legislatuur een ernstige poging gedaan om dit fenomeen terug te dringen, bijvoorbeeld door de uitwerking van een wettelijk kader en van een procedure inzake de aanpak door de administratie en via een mentaliteitsverandering. Dat blijkt niet gemakkelijk. Acht de minister het huidige wettelijk kader afdoende of bereidt ze een nieuwe wetgeving voor?

Helpende Handen pleit er ook voor om middels een opvoedende en informatieve campagne in samenwerking met de pers de bevolking te sensibiliseren.

Ik ben zelf niet deskundig genoeg om deze voorstellen op hun efficiëntie te beoordelen. Ik neem aan dat de diensten van de minister dat wel kunnen. Ik kijk uit naar haar antwoord.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Mevrouw de Bethune haalde uit cijfers uit het buitenland dat 3,5 procent van de werknemers slachtoffer is van mobbing. Over een hele loopbaan is dat een op de vier. Hoe belangrijk die cijfers ook zijn, ook al is het aantal slachtoffers één honderdste daarvan, dan nog zijn dat er te veel. Recent viel er bovendien een dodelijk slachtoffer, wat de ernst van het probleem en de noodzaak om het effectief aan te pakken, nog onderstreept.

In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden hebben we ons over deze problematiek gebogen tijdens de bespreking van het voorstel van de heer Mahoux en mevrouw Vanlerberghe. Ik herhaal hier kort wat ik daar heb verdedigd. We moeten niet alleen degene die pest of mobt en degene die wordt gepest of gemobd aanpakken, maar ook de middengroep van collega's die toekijkt zonder iets te ondernemen. Ook zij maken zich door passiviteit schuldig aan mobbing. Kan het beleid ook hen sensibiliseren?

Mevrouw de Bethune onderstreepte ook het belang van een meldpunt, zowel binnen als buiten het bedrijf. Heel veel werknemers, die om een of andere reden zich binnen hun bedrijf niet kenbaar durven te maken, kunnen hun verhaal alleen kwijt bij een extern centraal meldpunt. Daar kunnen ze dan tegelijk ook begeleid worden en nazorg krijgen.

Die begeleiding en nazorg zijn ook van belang voor de pesters. Een mobber of pester alleen maar straffen, lost het probleem immers niet op, maar verschuift het alleen maar. Hij of zij kan zijn slachtoffers dan bijvoorbeeld buiten de eigen werkkring zoeken.

Ik verwijs hier opnieuw naar het onderwijs waar er al een jarenlange ervaring inzake strijd tegen de mobbing bestaat. Ik raad de minister ten zeerste aan ook daar haar licht te gaan opsteken.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Tijdens de plenaire vergadering van 26 oktober laatstleden heb ik samen met de minister van Justitie reeds gedeeltelijk op deze vraag gereageerd.

Mobbing is een uitermate belangrijk probleem waarover ik dagelijks brieven ontvang.

Van bij mijn aantreden heb ik de oplossingen die de wetgever voor dit probleem heeft aangereikt, in detail willen onderzoeken. Wij beschikken immers al over een heel arsenaal.

Maar is dat alles wel efficiënt? Waarom wordt dit probleem meer en meer gesproken? Hoe vergaat het de slachtoffers? Hoe wordt hun klacht behandeld? Hoe kunnen zij worden vergoed? Welke gerechtelijke procedures zijn voorhanden? Hoe vergaat het de personen die het gebeuren van nabij beleven, maar die het stilzwijgen bewaren? Het is een complex probleem.

Gedurende verscheidene maanden hebben mijn medewerkers en ikzelf raad ingewonnen bij een aantal personen en verenigingen. Naast de vereniging "Helpende Handen" hebben wij ook werkgevers ontmoet, vakbondsafgevaardigden, arbeidsgeneesheren, psychologen, magistraten, journalisten die over het onderwerp schrijven, slachtoffers, verenigingen die zich met het probleem inlaten, en universitaire onderzoekers. Wij zijn ook gaan kijken wat hieromtrent elders gebeurt.

Wij beschikken over een schat aan informatie en moeten nu uitzoeken hoe op de meest efficiënte manier kan worden gereageerd.

De ontwerptekst is gereed. Hij zal binnenkort ter sprake komen op een interkabinettenvergadering en vervolgens op de ministerraad.

Er komt schot in de zaak en ik hoop dat wij hierover gedurende het eerste trimester van 2001 in het Parlement kunnen discussiëren.

De mentaliteitsverandering ligt het moeilijkst. Die kan niet worden gedecreteerd, daaraan moet door alle actoren dag in dag uit worden gewerkt.

Die mentaliteitsverandering is zich aan het voltrekken. Gevallen van mobbing komen meer en meer in de media. De sociale partners zijn ervoor gesensibiliseerd. Sommige ondernemingen, zoals de Post, hebben al initiatieven genomen. De Nationale Arbeidsraad heeft een aantal beslissingen genomen. Het klimaat is rijp voor deze onontbeerlijke mentaliteitswijziging.

De wettekst zal de leidraad zijn voor een voorlichtings- en sensibiliseringscampagne tegen mobbing.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Dit zijn alvast stappen in de goed richting. Wij kijken uit naar het regeringsontwerp.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Marie Nagy aan de eerste minister over «de herbestemming van het Residence Palace tot internationaal perscentrum» (nr. 2-263)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik zal het hebben over een probleem dat weliswaar niet van kapitaal belang is voor heel België, maar dat in Brussel toch heel wat weerklank krijgt en meer en meer reacties uitlokt naarmate de bedoelingen van de regering duidelijker worden. Ik betreur dan ook dat de eerste minister niet persoonlijk komt antwoorden en dat het halfrond nagenoeg leeg is. Ik heb helemaal geen kritiek op de heer Gabriëls, die namens de eerste minister zal antwoorden. De situatie is echter wel frustrerend als men weet dat een miljoen Brusselaars, die dagelijks worden geconfronteerd met de sluipende Europeanisering van hun stad, geen gehoor vinden bij de gemeentelijke en de gewestelijke overheden.

Iedereen is het er over eens dat België aan zijn nakend Europees voorzitterschap het belang moet geven dat het verdient. Mijn fractie en ikzelf zijn er ons, samen met de Belgen en de Brusselaars, van bewust hoe belangrijk het is dat België zijn voorzitterschap met succes volbrengt, niet alleen op politiek vlak, maar als gastland ook op materieel organisatorisch vlak. Maar ik vind niet dat ons land de traditionele fout in zijn relatie met Europa mag herhalen. Ik vind niet dat het patrimonium en de ontwikkeling van Brussel als stad opnieuw mogen worden verminkt. Een ambitieus en duurzaam project voor Brussel en zijn Europese functie - die ik uiteraard onderschrijf - kan en mag slechts worden gevoerd met eerbied voor de inwoners en voor de complexiteit van de stad.

De regering wil aan het Residence Palace een bestemming geven als perscentrum. De pers zou er de verschillende Belgische overheden kunnen ontmoeten en er een werk- en ontspanningsruimte vinden. Zeer goed, zij het wat nipt in de tijd, want België neemt het voorzitterschap al waar vanaf 1 juli. Maar beslissingen in extremis zijn nu eenmaal de gangbare methode in ons land. Deze werkwijze zal weerom nefast blijken.

De keuze van het Residence Palace vind ik problematisch. De merkwaardige architectuur van het gebouw in Jugendstil zal niet ongeschonden uit de steigers van dit project komen, want de structuur van het gebouw is weinig geschikt voor vergader- en conferentiezalen, televisiestudio's en kantoren.

Dit gebouw, dat een heel eigen cachet heeft behouden, kreeg van bij het ontwerp een woonfunctie. Het is een van de zeldzame zeer geslaagde voorbeelden van luxeflats uit het begin van deze eeuw in Brussel.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Stad Brussel trachten enige samenhang te geven aan de Europese wijk die totaal verloederd is door de vastgoedspeculatie en de eenzijdige ruimtelijke bestemming. Het enthousiasme waarmee zij dat doen, varieert volgens de opeenvolgende meerderheden, maar de druk van de inwoners is en blijft groot.

Langzamerhand hoopt iedereen het stedelijk karakter van de wijk te herstellen. De steden zijn tenslotte de bakermat van de Europese geschiedenis en cultuur.

Om die reden heeft de Stad Brussel in 1992 in een bijzonder plan van aanleg de volgende bestemming gegeven aan de C-vleugel van het Residence Palace: "Het gebouw krijgt hoofdzakelijk een woonfunctie. De collectieve infrastructuur, zoals de toneelzaal, het zwembad en de vergaderzaal en hun nevenruimten blijven behouden. Het gedeelte voorbehouden aan de collectieve uitrustingen mag maximaal 20% van de vloeroppervlakte in beslag nemen." Zo ziet de reglementaire toestand er vandaag uit. De Stad had begrepen dat om deze wijk terug menselijker te maken en te verzoenen met de verwachtingen van de bewoners, er eerst en vooral een band moet worden geschapen tussen de Europeanen en de Brusselaars. Een gemengde bestemming en het herstel van de woonfunctie in een gebouw dat zich daartoe bijzonder goed leent, is een manier om dat doel te bereiken. Het voorstel van de regering is strijdig met dit BPA uit 1992. Waarschijnlijk zal dus moeten worden onderzocht of er een afwijking van het BPA kan worden toegestaan. Zoals gewoonlijk zal men het openbaar nut inroepen. Het verschil in opvatting tussen de federale overheid en de bewoners zal nog duidelijker aan het licht komen. De bewoners zijn er geenszins tegen gekant dat hun stad de hoofdstad van Europa is, maar zij willen er niet telkens opnieuw voor opdraaien. Zij willen de rijkdom die Europa bevorderen in een gemengde stad waar Europese en Brusselse inwoners elkaar kunnen ontmoeten.

Het merkwaardige gebouw is echter niet geklasseerd. Een klasseringsdossier werd ingediend bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, maar de procedure werd blijkbaar opgeschort omdat externe krachten de klassering niet opportuun vinden. Gelet op het historisch belang van het gebouw is de Task Force, die werd opgericht door de regering en de Regie der Gebouwen, toch zo verstandig geweest om over de geplande werken het advies van de Commissie in te winnen. Deze maakt ernstig voorbehoud in verband met de bekabeling, de studio's en de verbouwing van de toneelzaal tot conferentiezaal.

Kan de eerste minister mij zeggen hoe de reglementering inzake openbare aanbestedingen zal worden geëerbiedigd? Kan de spoedbehandeling wel worden gevraagd voor een aanbesteding die sinds lang werd gepland? België weet toch al lang dat het eerlang het voorzitterschap zal waarnemen.

Hoe werd de architect gekozen?

Hoeveel zal deze operatie kosten, met inbegrip van de verhuizing van de administraties?

Wat doet de regering met de woonfunctie die werd vastgelegd in het Bijzonder Plan van Aanleg?

Welk lot is de toneelzaal in het Residence Palace beschoren en wat is de aard van de overeenkomst die met de Franse Gemeenschap werd gesloten? Zal het publiek nog toegang hebben tot het gebouw en zijn uitrusting?

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - De Regie der Gebouwen bevestigt dat zij de reglementering inzake de openbare aanbestedingen zal toepassen. Artikel 12 van het KB van 8 januari 1996 maakt het bij voorbeeld mogelijk om de termijn voor het ontvangen van de offertes in te korten.

Voor de keuze van de architect heeft de Regie der Gebouwen de artikelen 17, §2, 1 a) van de wet van 24 december 1993 en artikel 120 van het KB van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten toegepast. Het ereloon van de architect bedraagt minder dan 2,5 miljoen frank. De overlegde procedure zonder bekendmaking werd toegepast. Tien architectenbureaus werden geraadpleegd en acht hebben een offerte gedaan. De Regie heeft de offertes onderzocht en de meest voordelige voorgedragen.

De studies zijn nog onvoldoende gevorderd om een concrete schatting te kunnen maken. De Regie der Gebouwen heeft op haar begroting voor het jaar 2000 voor de realisatie van het Internationaal Perscentrum 90 miljoen uitgetrokken.

Van bij de aanvang van het project hebben Stedenbouw en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen aan de vergaderingen deelgenomen. Rekening houdend met hun opmerkingen en raadgevingen, blijken de behoeften van het project goed inpasbaar te zijn in de bestaande ruimtelijke schikking van de lokalen. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan het eerbiedigen van de architectuur en de binnenhuisinrichting van het gebouw. De toneelzaal zal niet tot conferentiezaal worden verbouwd. Het gedeelte van de vloeroppervlakte dat voor collectieve uitrustingen wordt voorbehouden - maximum 20% volgens het BPA - zal lichtjes moeten toenemen. Zelfs voor een woningproject zou het moeilijk zijn om aan die voorwaarde te voldoen als men tenminste de oorspronkelijke bestemming van de lokalen wil respecteren.

Op 4 april 1995 heeft het overlegcomité van de federale en de deelregeringen beslist om de toneelzaal van de Residence Palace over te dragen aan de Franse Gemeenschap, die de verplichtingen van de gebruiker zou overnemen en de schulden betalen. Het KB dat deze beslissing moest uitvoeren, werd echter nooit genomen. Samen met minister Hasquin wordt naar een oplossing gezocht, maar er is nog geen concreet voorstel.

De gebouwen en uitrustingen zullen toegankelijk blijven voor het publiek. Vanzelfsprekend kan de toegang voor het publiek tijdelijk worden verboden als de veiligheid van een personaliteit in het centrum zulks vereist.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik dank de heer Gabriëls voor zijn antwoord. Mijn fractie hecht veel belang aan het naleven van de verbintenissen in het BPA met betrekking tot de woonfunctie in dit gedeelte van de Europese wijk. Ik zou ook willen dat aan de eerste minister wordt meegedeeld dat het toegankelijk blijven van de openbare uitrustingen voor ons een belangrijke voorwaarde is. Europa is zeer bekommerd om de veiligheid maar overdrijft soms. De parking onder het Europees Parlement was in principe bestemd voor de autobussen van bezoekers, maar de veiligheidsdiensten van het Parlement laten de autobussen niet door. De autobussen parkeren dus in de omgeving en de reacties van de wijkbewoners blijven niet uit.

Ik vind dus dat aan drie voorwaarden moet worden voldaan: respect voor het merkwaardig architecturaal karakter van het gebouw, respect voor de verbintenissen met betrekking tot de woonfunctie van de wijk en toegankelijkheid.

Ik ben ervan overtuigd dat de heer Gabriëls de eerste minister op de hoogte zal brengen van mijn verzoek.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 30 november 2000 om 10 uur, om 15 uur en om 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Colla, De Grauwe, Hordies en Vandenbroecke, wegens andere plichten, mevrouw Thijs en de heer Geens, in het buitenland, de heer Verreycken, om gezondheidsredenen en de heer Van Quickenborne, wegens ambtplichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 42
Voor: 6
Tegen: 30
Onthoudingen: 6


Voor

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem.


Tegen

Marcel Cheron, Mohamed Daif, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Clotilde Nyssens, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 43
Voor: 36
Tegen: 3
Onthoudingen: 4


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 43
Voor: 36
Tegen: 6
Onthoudingen: 1


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem.


Onthoudingen

Patrik Vankrunkelsven.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 47
Voor: 34
Tegen: 8
Onthoudingen: 5


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 40
Voor: 26
Tegen: 9
Onthoudingen: 5


Voor

Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

Jacinta De Roeck, Josy Dubié, Meryem Kaçar, Frans Lozie, Johan Malcorps.

Indiening van een voorstel

Het volgende voorstel werd ingediend:

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 42 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement (van de heren Jean-François Istasse, Philippe Monfils c.s.; Gedr. St. 2-579/1).

In overweging genomen voorstel

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 42 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement (van de heren Jean-François Istasse en Philippe Monfils c.s.; Gedr. St. 2-579/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 16 november 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de overheidssector (Gedr. St. 2-578/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 17 november 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 4 december 2000.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de benaming van het Vast Wervingssecretariaat (Gedr. St. 2-577/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 17 november 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 4 december 2000.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer

Bij brief van 20 november 2000 heeft de voorzitter van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 8 september 1983, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag voor 1999-2000.

-Neergelegd ter Griffie.

Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

Bij brief van 20 november 2000 heeft de minister van Sociale Zaken, overeenkomstig artikel 52, 9°, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, aan de voorzitter van de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Controledienst voor de ziekenfondsen voor het jaar 1999.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten

Bij brief van 9 november 2000 heeft de voorzitter van het, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 20 juli 2000, houdende wijziging van artikel 35, 1° van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, aan de Senaat overgezonden, het aanvullend activiteitenverslag van het Vast Comité voor het jaar 1999.

-Verzonden naar de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Verzoekschrift

Bij verzoekschrift uit Terhagen, zendt de heer Achiel De Staercke aan de Senaat een motie betreffende de instellingen van Bijzondere Jeugdzorg waar zijn kinderen opgevangen worden.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, belast met de verzoekschriften.