5-35

5-35

Belgische Senaat

5-35

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 17 NOVEMBER 2011 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de veertiende algemene herziening van de quota van de lidstaten van het Internationaal Monetair Fonds en de amenderingen van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, zoals voorzien in Resolutie nr. 66-2 van 15 december 2010 van de Raad van Gouverneurs van het Internationaal Monetair Fonds (Stuk 5-1285)

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC (Stuk 5-1315) (Evocatieprocedure)

Huishoudelijk Reglement van het Parlementair Comité belast met wetsevaluatie (Stuk 5-1327)

Overlijden van een oud-senator

Samenstelling van het Parlementair Comité belast met de Wetsevaluatie

Inoverwegingneming van voorstellen

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Evocatie

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van wetsontwerpen

Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind


Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune

(De vergadering wordt geopend om 15 uur.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de vaderschapstests» (nr. 5-291)

De voorzitster. - De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Er komt geen einde aan de vooruitgang! Het is nu mogelijk prenatale vaderschapstests uit te voeren.

De klassieke vaderschapstests bestaan al lang en worden dikwijls gebruikt in juridische procedures. Het feit dat er nu in het prenatale stadium wordt gehandeld roept vanuit ethisch oogpunt vragen op, ook al verzekert men dat de methode minder ingrijpend is dan een vruchtwaterpunctie.

Kan de test worden misbruikt als blijkt dat het kind van een andere vader is, om bijvoorbeeld een abortus te rechtvaardigen en een noodsituatie in te roepen om de wettelijke termijnen eventueel te overschrijden?

Wat is de mening van de minister van Volksgezondheid over die werkwijze, die niet gepaard gaat met begeleidende maatregelen voor de motivatie van de vraag naar de test en voor de aankondiging van het resultaat ervan?

Welke garanties kunnen worden geboden en welke controles kunnen worden uitgeoefend betreffende de omstandigheden waarin de stalen in de Verenigde Staten worden bewaard en behandeld?

Mijn vraag is gericht aan de minister van Volksgezondheid maar ik had ze ook kunnen stellen aan de minister van Justitie aangezien het probleem over de vaststelling van het vaderschap en het wettelijk kader blijft bestaan.

Zouden wij dergelijke tests rechtsgeldigheid kunnen verlenen bij betwistingen en rechtsvorderingen inzake de afstamming?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De verkoop van genetische tests via het internet valt onder de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij. Die wet is ook van toepassing op de stalen of de resultaten die per post worden verstuurd. De verkoop via het internet in het algemeen valt in hoofdzaak onder de bevoegdheid van de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen.

Niettemin vestig ik er de aandacht op dat de controle over de producten die via het internet te koop worden aangeboden uiteraard het Belgische kader overstijgt. De tests die via het internet worden aangeboden kunnen worden uitgevoerd in laboratoria die aan de Belgische en zelfs de Europese wetgeving ontsnappen. De personen die hun toevlucht nemen tot die praktijken genieten bijgevolg geen enkele bescherming waarin de Belgische wetgeving voorziet, noch op het vlak van de bescherming van het privéleven, noch op het vlak van de kwaliteit van de onderzoeken.

Die techniek, die veel ethische, juridische en gezondheidsvragen oproept, moet uiteraard worden onderzocht.

U vraagt naar de houding van de regering, maar de regering is ontslagnemend. In ieder geval, als we over alle nuttige informatie over de betrokken techniek beschikken, moet er een diepgaand debat in het parlement plaatsvinden. Een minister in lopende zaken heeft immers niet de bevoegdheid om de regering te binden over een zo belangrijk onderwerp.

In afwachting van een diepgaande studie over de wetenschappelijke nauwkeurigheid van dat soort test, bevelen wij de grootste voorzichtigheid aan bij de toepassing ervan. We dringen er in elk geval bij de burgers op aan dat zij een arts raadplegen want enkel een arts kan de patiënt de raad geven die het best past bij zijn persoonlijke situatie.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Dat is dus het antwoord van de ontslagnemende regering in lopende zaken.

U heeft terecht gewezen op het feit dat de gegevens op geen enkele manier worden gecontroleerd, wat vragen oproept over de bescherming van het privéleven. Daarover moet grondig worden nagedacht, enerzijds vanuit een ethisch oogpunt en vanuit het oogpunt van de volksgezondheid, en anders vanuit juridisch oogpunt. We moeten ons immers afvragen of we aan dat soort tests rechtsgeldigheid verlenen, want dat kan rechtstreekse gevolgen hebben in de procedures.

Ik neem er akte van dat het probleem opnieuw zal worden besproken zodra de regering niet meer in lopende zaken is.

Mondelinge vraag van mevrouw Cécile Thibaut aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «nieuwe vormen van alcoholreclame voor jongeren» (nr. 5-294)

De voorzitster. - De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Alcoholreclame en de commerciële strategieën daarvoor zijn een federale bevoegdheid. In dat opzicht is het onrustwekkend dat een alcoholproducent een reclamecampagne via e-mail heeft gelanceerd voor jonge scouts in Brussel. Hij stelde een prijsvermindering voor, zogenaamde voordelen voor jongeren - alcohol en 100% vers sap - en gratis stalen.

De betrokken groepen hebben hun woede, onbehagen en verontwaardiging geuit. Sommige animatoren hebben eraan herinnerd dat alcoholconsumptie over het algemeen verboden is bij de scouts. De verantwoordelijken zijn van plan de feiten voor te leggen aan de Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame (JEP) of zelfs een klacht in te dienen op basis van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

Dokter Gueibe, psychiater en alcoholoog, verklaart dat de gelaakte alcoholproducent en zijn vertegenwoordigers onze kinderen in gevaar brengen. Hij voegt eraan toe dat zijn aanpak getuigt van een banalisering van het alcoholgebruik. Volgens hem is het ook verontrustend dat die mensen ervan overtuigd zijn dat ze niets verkeerds doen.

Dit feit wijst er eens te meer op dat de autoregulering in de sector niet volstaat en dat het Arnoldusconvenant dat met de sector werd ondertekend, niet in staat is de schadelijke reclamepraktijken in te dijken. Er zijn hoe langer hoe meer alcoholproblemen bij jongeren in onze maatschappij. De reclamecampagnes via internet en sociale netwerken vormen overigens een nieuwe uitdaging voor de bescherming van de consument en vergen een aanpassing van onze controlesystemen.

Welke maatregelen heeft de minister genomen om de inspecteurs op te leiden in verband met de nieuwe reclamepraktijken via e-mail en sociale netwerken? In dit concrete geval zijn de e-mails keurig naar meerderjarigen gestuurd, maar zijn ze wel duidelijk gericht op minderjarigen. Kunnen dergelijke praktijken volgens de huidige wet worden vervolgd?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ook ik heb kennis genomen van het geval dat u aanhaalt. Op mijn verzoek hebben de inspectiediensten van de administratie een onderzoek geopend naar de reclame die verzonden werd naar jongerenorganisaties, meer bepaald de scouts.

Er is dan ook contact opgenomen met die organisaties en we bestuderen de mogelijkheid om over te gaan tot een administratieve vervolging en eventueel een juridische vervolging op basis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, meer bepaald op basis van de artikelen 6 en 14 die de verkoop, het schenken of aanbieden van alcoholische dranken aan minderjarigen als een strafbaar feit beschouwt.

Ik ben het volkomen eens met uw opmerking over het Arnoldusconvenant. De minister van Volksgezondheid heeft evenwel geen enkele bevoegdheid inzake de controle op de naleving van dat convenant. Die controle werd, door alle partijen die het convenant hebben ondertekend, toevertrouwd aan de jury voor eerlijke praktijken inzake reclame.

Mijn diensten hebben evenwel amendementen uitgewerkt om het convenant te versterken en op te nemen in een koninklijk besluit. Zoals u weet, is daarvoor een regering met volheid van bevoegdheden nodig.

In het kader van de controle op de verkoop van tabak en alcohol aan minderjarigen en de controle op het algemeen rookverbod worden de inspecteurs voortdurend opgeleid in het licht van de voortdurende maatschappelijke, al dan niet elektronische, evoluties van de maatschappij.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Het verheugt mij ten zeerste dat de minister dit incident ernstig neemt en dat ze alle middelen zal aanwenden waarover ze beschikt. Het gevaar bestaat immers dat de alcoholconsumptie gebanaliseerd wordt, ook wat ook de alcoholproducenten betreft, die niet meer beseffen dat ze met hun handelingen de wet overtreden. Ik vind dat moet worden opgetreden.

Mondelinge vraag van mevrouw Inge Faes aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de bestraffing van artsen door het RIZIV» (nr. 5-286)

De voorzitster. - De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Op 1 juli 2010 werd het Sociaal Strafwetboek in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Op 1 juli 2011, een jaar later, trad het in werking.

Vanaf de inwerkingtreding van dat Wetboek kunnen zorgverleners en hun gelijkgestelden die een inbreuk begingen in het kader van de verplichte ziekteverzekering niet meer gestraft worden met de specifieke sancties uit de RIZIV-wet. Ze kunnen enkel nog gestraft worden met de sanctie die bepaald is in het Sociaal Strafwetboek, namelijk een boete van maximaal 500 euro, dat is een sanctie van niveau 4.

De sanctie uit het Sociaal Strafwetboek is fundamenteel lager dan de boetes uit de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. In die wet worden de boetes bepaald in functie van het bedrag dat het voorwerp is van de vaststelling.

Blijkbaar was er een vergissing in het spel. Het is nooit de bedoeling geweest die specifieke inbreuken uit de ziekteverzekering te bestraffen met de sancties bepaald in het Sociaal Strafwetboek. Het was enkel de bedoeling de bepalingen van het strafwetboek met betrekking tot de opsporing en de vaststelling van de inbreuken van toepassing te maken.

Waarom reageerden de minister of het RIZIV niet sneller; er is immers een jaar verlopen tussen de publicatie en de inwerkingtreding? Hoe verantwoordt ze dat er sedert 1 juli 2011 nog steeds sancties opgelegd worden door het RIZIV? Hoeveel dossiers lastens zorgverstrekkers en gelijkgestelden zijn er momenteel hangende bij het RIZIV? Kan de minister een raming geven van de mogelijke minderinkomsten voor de staat als gevolg van die legislatieve vergissing?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De regeringsinitiatieven die hebben geleid tot enerzijds het Sociaal Strafwetboek en anderzijds de gezondheidswetten inzake de responsabilisering van zorgverleners en de modernisering van de geneeskundige controle werden in 2002 gelijktijdig ingediend bij het Parlement.

Het RIZIV en de minister hebben op het ogenblik dat de repercussies van het Sociaal Strafwetboek op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (de GVU-wet) manifest duidelijk werden, onmiddellijk de nodige juridische en wetgevende initiatieven genomen om de onvolkomenheden en onverwachte en onbedoelde gevolgen ervan te herstellen.

Het Sociaal Strafwetboek, dat inderdaad in werking is getreden op 1 juli 2011, heft de bepalingen van artikel 73bis en 142 van de GVU-wet niet op. De mogelijk gelijktijdige toepassing van de nieuwe bepalingen van het Sociaal Strafwetboek lijkt in werkelijkheid niet opportuun, omdat de sanctiemechanismen waarin de GVU-wet voorziet, volstaan. De mogelijke toepassing van verschillende soorten sancties zou overigens enige juridische onzekerheid kunnen scheppen.

Het RIZIV, en in het bijzonder de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, heeft er dan ook vanuit dat perspectief voor geopteerd de dossiers die aanhangig konden worden gemaakt bij de bestaande organen van de dienst geschillen, verder vóór die organen in te leiden of te behandelen. Het enige andere alternatief was de verjaring van die dossiers. Daar de administratieve rechtscolleges ambtshalve de bevoegdheid moeten onderzoeken en zich uitspreken over de toepasselijke wet, werd ervoor geopteerd het juridische probleem te laten beslechten door die organen in hun rechtsprekende functie.

Gelet op het ontslag van de regering werd ondertussen via een wetsvoorstel een wetgevend initiatief genomen. Er is naar mijn oordeel geen sprake van het retroactief opleggen van een zwaardere straf omdat de reeds geciteerde GVU-artikelen steeds van kracht zijn gebleven.

Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 werden de dossiers vermeld in de bijlagen die ik zo dadelijk overhandig, ingeleid en behandeld door de organen van de dienst geschillen.

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Het antwoord baart me enigszins zorgen. De wet van 14 juli 1994 is zeer duidelijk: artikel 169 bepaalt dat de inbreuken op de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek. Dat betekent dat vanaf 1 juli 2011 de sancties moesten worden opgelegd die zijn vastgelegd in het Sociaal Strafwetboek.

Krachtens dat strafwetboek hebben de diensten van het RIZIV enkel een opsporingsopdracht. De dossiers gaan dan naar de arbeidsauditeur, die de zaak voor de rechtbank brengt. De diensten van het RIZIV hebben sinds 1 juli 2011 echter zelf sancties uitgesproken, die niet conform de wet zijn.

In haar antwoord verwijst de minister naar de retroactiviteit. Dat is echter een andere kwestie. De minister geeft ook aan dat voor het Riziv is gekozen omdat het enige andere alternatief de verjaring van de dossiers was. Dat is geen geruststellende uitleg. De wet moet worden nageleefd. Sinds 2010 was duidelijk dat de wet niet langer conform was. De minister had dus sneller kunnen ingrijpen.

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over «de klantvriendelijkheid van de Directie-generaal Personen met een handicap» (nr. 5-289)

Mevrouw Helga Stevens (N-VA). - Op 11 maart 2010 heb ik een aantal vragen gesteld over de werking van de Directie-generaal Personen met een handicap. Ik heb toen gevraagd hoe de Directie-generaal omging met het concept klantvriendelijkheid, of rond dit thema opleidingen worden georganiseerd voor het personeel en of er een vorm van evaluatie of follow-up bestaat.

Ik kreeg toen als antwoord dat klantvriendelijkheid voor de DGPH een van de topprioriteiten is. Het callcenter was sinds 1 mei 2009 actief en de invoering van een groen nummer vanaf 1 maart 2010 moest de klantvriendelijkheid verhogen. Bij de indienstneming en de opleiding van nieuwe personeelsleden wordt bijzondere aandacht besteed aan het aspect klantvriendelijkheid. Door regelmatige evaluaties van al de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks in contact komen met het publiek kan, waar nodig, worden bijgestuurd.

De jongste tijd heb ik van verschillende mensen opnieuw klachten ontvangen, meer bepaald over de moeilijke toegang tot het groene telefoonnummer. Om te testen of die klachten gegrond zijn, heeft mijn medewerker al enkele dagen het nummer drie keer per dag gebeld. Hij kon ook geen toegang krijgen en werd telkens verzocht om later terug te bellen. Mails blijven volgens de klagers ook onbeantwoord. Dat staat haaks op de klantvriendelijkheid die volgens de staatssecretaris een van de topprioriteiten voor de DGPH is.

Is er een verklaring voor het feit dat het blijkbaar zeer moeilijk is om binnen te raken bij het groene nummer? Hoe lang is dit al het geval? Welke maatregelen zal de staatssecretaris nemen om de toegankelijkheid van het groene telefoonnummer te verbeteren?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik kan inderdaad bevestigen dat klantvriendelijkheid een van de prioriteiten is van mijn departement, samen met het verkorten van de behandelingstermijnen van de dossiers. Die termijnen, waarover ik in het parlement gedurende vele jaren vragen heb horen stellen, zijn nu effectief gedaald van meer dan 10 maanden in 2008 naar ongeveer 5 maanden in september 2011, dat is minder dan de wettelijke termijn van zes maanden.

Ik herinner u er graag aan dat momenteel 550 000 mensen door de DGPH erkend zijn als persoon met een handicap en dat meer dan 300 000 onder hen een tegemoetkoming ontvangen. Dat is goed voor een stroom van ongeveer 200 000 dossiers per jaar inzake tegemoetkomingen. Dat zijn er 27% meer dan in 2009 en 67% meer dan in 2008. Ook het aantal uitgereikte parkeerkaarten is gestegen van 50 000 in 2008 over 55 000 in 2009 naar 60 000 in 2010.

De invoering van het groene nummer in maart 2010 is hoe dan ook een positieve, sociale maatregel die de administratie op zich toegankelijker maakt doordat het contact gratis is. Maar inderdaad, deze maatregel heeft ook voor een belangrijke stijging van het aantal oproepen gezorgd. De inkomende oproepen zijn met 60% gestegen ten opzichte van de periode voordien. In 2009 kreeg het callcenter meer dan 530 000 oproepen, in 2010 waren dat er meer dan 800 000 en eind september 2011 zaten we ook al aan bijna 800 000 oproepen. Op het einde van het jaar zullen we dus het miljoen oproepen overschrijden. Daarmee staan we op nummer 1 in het federale openbare ambt. Het is echter een feit dat in de huidige omstandigheden slechts ongeveer 30% van deze oproepen kan worden beantwoord. De directie-generaal en ikzelf zijn ons dus ten volle bewust van het probleem.

Een reeks objectief natrekbare factoren ligt hieraan ten grondslag.

Het callcenter kampt nog met een onderbezetting. De personeelsformatie moet stapsgewijs worden aangevuld.

Aanvankelijk gingen we ervan uit dat door de inkorting van de behandelingstermijn ook het aantal oproepen zou dalen, maar dat bleek duidelijk niet het geval te zijn.

Bovendien hebben we te maken met een doelpubliek dat op het vlak van communicatie specifieke noden heeft.

De gebrekkige bereikbaarheid van het callcenter veroorzaakt op haar beurt een belangrijke toename van het aantal mails naar de directie-generaal, zodat ook daar de antwoordtermijnen oplopen.

Om de bereikbaarheid te verbeteren, zijn volgende maatregelen genomen of in uitvoering.

De personeelsformatie wordt aangevuld. Deze aanwervingen zijn slechts gedeeltelijk gerealiseerd bij gebrek aan een voldoende aantal valabele kandidaten.

Het is belangrijk hierbij op te merken dat de nieuwe medewerkers een uitgebreide opleiding moeten volgen voordat ze kunnen worden ingezet, gelet op de omvang en de complexiteit van de materie en van de processen voor de behandeling van de aanvragen.

Een andere maatregel is het gebruik van een planningstool waarmee het personeel bij voorkeur wordt ingezet overeenkomstig de piekuren. Dat project is nu in voorbereiding en wordt vermoedelijk tegen februari 2012 afgerond.

Ik verwijs ook naar handiweb, het elektronische loket waar de begunstigden momenteel al hun dossiers kunnen raadplegen. We verwachten dat steeds meer mensen van deze mogelijkheid gebruik zullen maken, waardoor het aantal oproepen naar het callcenter zal dalen. In een volgende fase zullen de gebruikers ook zelf gegevens kunnen inbrengen. Daarnaast loopt er een project waarbij ook beroepsmensen, onder anderen maatschappelijk werkers, toegang krijgen tot de handiwebtoepassing.

Ten slotte moet het hele informaticanetwerk van de DGPH grondig worden gemoderniseerd om de dienst nog toegankelijker te maken. Ik heb hiertoe, met de goedkeuring van de Ministerraad, een studie laten uitvoeren door FEDICT. De kostprijs van het project wordt geraamd op ongeveer 8,5 miljoen euro.

Om af te sluiten, wijs ik nog eens op het bijzonder complexe karakter van de huidige wetgeving voor personen met een handicap. Het was één van mijn doelstellingen om die wetgeving na uitgebreid overleg met het middenveld en de sector van personen met een handicap te vereenvoudigen. Een vereenvoudigde wetgeving zal tot minder vragen leiden. Helaas heeft de val van de regering mijn plannen in dit verband doorkruist. Er is dus nog werk aan de winkel voor mijn opvolger.

Mevrouw Helga Stevens (N-VA). - De cijfers over het aantal oproepen zijn duizelingwekkend. Ik besef dat de invoering van een gratis nummer de drempel om overheidsdiensten te bellen heeft verlaagd, wat uiteindelijk de bedoeling was. Goed bestuur betekent echter ook dat op de toename wordt geanticipeerd door voldoende personeel in te zetten. Dat is wellicht de uitdaging voor de staatssecretaris. Ik hoop dat de maatregelen voor een betere toegankelijkheid efficiënt zullen zijn, aangezien mensen die niet via de telefoon worden geholpen, hun toevlucht zullen nemen tot e-mails. Dat zorgt alleen voor een verschuiving van de druk, waardoor men in een vicieuze cirkel terechtkomt. Personen met een handicap zijn bovendien kwetsbare mensen die recht hebben op een goede dienstverlening. Ik blijf de situatie met veel aandacht volgen.

Mondelinge vraag van de heer André du Bus de Warnaffe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «het vertrek van de Koningin Elisabethwedstrijd uit het Koninklijk Conservatorium in Brussel» (nr. 5-283)

De voorzitster. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.

De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Twee weken geleden werd in de pers de verhuizing aangekondigd van de voorronden van de Koningin Elisabethwedstrijd. Die verlaten voor het eerst sedert meer dan vijftig jaar het Koninklijk Conservatorium, een eerbiedwaardige instelling die gewijd is aan de kunsten.

De voorronden verhuizen naar het Flageygebouw, wat op zich geen slechte keuze is, al hopen we dat het een tijdelijke oplossing is. De verhuizing is hoofdzakelijk nodig wegens de vervallen staat van de gebouwen van het Conservatorium en de onveiligheid voor het publiek.

We zijn er ons wel van bewust dat het gebouw een federale en gemeenschapsbevoegdheid is, want het is eigendom van de Regie der Gebouwen en wordt gebruikt door de Vlaamse en de Franstalige Gemeenschap. Dat vergemakkelijkt de oplossing van het probleem niet.

Vorig jaar heb ik de minister tweemaal ondervraagd over de stand van zaken met betrekking tot het voorstel van de vzw Conservamus om een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk op te richten, om het dossier uit de uitzichtloze situatie te helpen waarin het nu verzinkt.

Wat is de stand van zaken in dit dossier? Welke steun geeft de Federale Staat aan het plan en aan de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk? Hoeveel kan de federale regering bijdragen tot het budgettaire voorstel dat door Conservamus werd uitgewerkt?

De pers meldt dat de werkzaamheden, die enkele jaren geleden geraamd werden op 45 miljoen, nu al meer dan 50 miljoen zullen kosten, waarvan 50% zou komen van regionale premies en federale fondsen, 25% van het mecenaat en 25% van huurprijzen en contracten met de gemeenschappen volgens de bezetting van de lokalen.

Minister Nollet van de Federatie Wallonië-Brussel, die ik vorige week heb ondervraagd, zei dat de Federatie bereid is haar budgettaire deel van het plan van Conservamus te dragen.

Al wie dit project steunt, en ook de talrijke Belgische en buitenlandse studenten hopen dat het dossier zeer snel zal vooruitgaan.

De vraag rijst wie de leiding van dit dossier op zich kan nemen. Aangezien de federale regering zich nog in de periode van lopende zaken bevindt, zouden minister Nollet en zijn Vlaamse ambtgenoot de aanzet kunnen geven tot dit project. Wat is de mening van de minister daarover?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de minister.

De heer du Bus de Warnaffe stelt mij geregeld vragen over dit onderwerp, wat wijst op zijn belangstelling voor dit zeer gevoelige dossier. Het gaat inderdaad om een zeer opmerkelijk gebouw waarin zeer interessante activiteiten plaatsvinden. Het is één van de weinige plaatsen waar de Vlaamse en de Franstalige gemeenschap samen pedagogische en artistieke activiteiten ontplooien, meestal in goede verstandhouding en op basis van een gemeenschappelijk verlangen om het gebouw gerenoveerd te zien.

Het zou overdreven zijn te zeggen dat de slechte staat van het gebouw een beetje het evenbeeld is van onze Staat, maar het gebouw lijdt alleszins onder het onvermogen om oplossingen te vinden en een regering te vormen.

Sedert uw laatste vraag is er jammer genoeg niet veel veranderd aan de situatie van het Muziekconservatorium te Brussel. Ik kan alleen, net als u, betreuren dat de Koningin Elisabethwedstrijd de plaats die de geschiedenis van deze wedstrijd heeft geschreven, moet verlaten en de selectieronde moet organiseren in een andere zaal, ook al is die prestigieus en interessant.

Mijn kabinet heeft begin januari 2010 een interkabinettenvergadering georganiseerd om het renovatieproject van de gebouwen aan de Regentschapsstraat 30 en 30A, aan de Wolstraat 3, 5, 7 en 9 en aan de Kleine Zavel 11 en 61/17 voor te stellen.

De eerste fase van het project zou bestaan in de oprichting, via een wetsontwerp, van een nieuwe juridische structuur naar het voorbeeld van de regeling voor het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in het verleden, namelijk de oprichting van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk. Deze vennootschap zou tot doel hebben, enerzijds, alle handelingen te stellen met betrekking tot de restauratie en de renovatie van de site van het Muziekconservatorium te Brussel en daartoe de nodige financiële middelen te vinden, en, anderzijds, die site te beheren, te ontwikkelen en te exploiteren, meer bepaald door de verhuur, de vorming van zakelijke rechten, de verlening van concessies teneinde wetenschappelijke, pedagogische en/of artistieke activiteiten te laten realiseren door instellingen, organen en verenigingen die daartoe door de overheid worden aangewezen.

Het advies van de Inspectie van Financiën over dit ontwerp, uitgebracht op 26 april 2010, dus enkele dagen na de val van de regering met volheid van bevoegdheden, luidde dan ook dat ze zich niet kon uitspreken over het wetsontwerp tot oprichting van een naamloze vennootschap van publiek recht.

Aangezien de regering van lopende zaken het wetsontwerp tot oprichting van deze naamloze vennootschap niet verder kan behandelen, heeft kamerlid François-Xavier de Donnea c.s. op 20 juni van dit jaar bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel ingediend met dezelfde doelstelling.

Ik veronderstel dat dit voorstel weldra besproken wordt in de commissie Financiën en Begroting.

Wat de werkzaamheden als dusdanig en de exploitatie van de naamloze vennootschap betreft, zullen alle mogelijke financieringsmogelijkheden worden bestudeerd met alle overheden die betrokken zijn bij de oprichting van die vennootschap.

De Vlaamse en de Franse Gemeenschap en hun ministers die bevoegd zijn voor deze materie, steunen dit project volledig. De oprichting van de naamloze vennootschap is een eerste stap, en daarna moeten de budgettaire en financiële middelen worden gezocht voor de realisatie ervan.

Het wetsvoorstel komt van de basis, namelijk de actoren van het Conservatorium. Eerst zou de eerste fase moeten worden afgerond. Alles hangt af van de stand van de werkzaamheden in de Kamer en de vorming van een regering die deze materie kan behartigen.

De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Ik dank u voor dit antwoord, maar ik betreur de situatie.

Wat staat ons nog te wachten indien niet snel een operationele beslissing wordt genomen? De AIB Vinçotte heeft het gebruik van de lokalen verboden voor de voorronden van de Koningin Elisabethwedstrijd. Ze zou ook de studenten de toegang tot de lokalen kunnen verbieden wegens de werkzaamheden. In die veronderstelling zouden alle studenten moeten verhuizen naar het Flageygebouw, wat niet gemakkelijk zal zijn.

Welke maatregelen zal de regering treffen als niet snel een oplossing wordt gevonden? U zegt dat gewacht wordt op de verdere afhandeling van het wetsvoorstel in de Kamer. Dat is een andere hypothese, maar ooit zal de federale regering haar verantwoordelijkheid moeten nemen in verband met de staat en de gezondheid van de lokalen.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik kan alleen bevestigen dat de Regie der Gebouwen een opmeting van het gebouw laat opmaken die als basis moet dienen voor de reflectie over het renovatieprogramma. Die werkzaamheden zijn aan de gang en worden gefinancierd door de Regie der Gebouwen.

Voor het overige kan ik alleen maar, net als u, de situatie betreuren en wensen dat er snel een regering met volheid van bevoegdheden komt die de nodige beslissingen kan nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Caroline Désir aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «het artiestenstatuut» (nr. 5-287)

Mevrouw Caroline Désir (PS). - De pers heeft recent een nota van de RVA van oktober 2011 gepubliceerd, die voor onrust zorgt onder de kunstenaars. De nota strekt ertoe de interpretatie van de regels voor de werkloosheidsverzekering in de artistieke sector strikter en homogener te maken.

Die regels, ook het `artiestenstatuut' genoemd, maken het de begunstigden mogelijk sneller aanspraak te maken op een werkloosheidsuitkering. Ook worden ze op het hoogste niveau behouden, zonder degressiviteit. Artikel 10 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 voorziet in een specifieke regel voor de berekening van het aantal werkdagen dat recht geeft op uitkeringen.

Volgens de recente nota van de RVA is die cachetregel slechts van toepassing voor artiesten van het spektakelbedrijf en artiesten-muzikant. Blijkbaar hadden de regionale kantoren van de RVA de regel ook toegepast voor scheppend kunstenaars en technici. In de RVA-nota worden ze echter uitdrukkelijk uitgesloten.

Veel scheppend kunstenaars, auteurs, regisseurs, illustratoren en beeldend kunstenaars hebben geen zelfstandigenstatuut, maar zijn ingeschreven bij sociale bureaus voor artiesten. Hoewel ze op hun domein actief zijn, is hun toestand relatief precair. Daar zijn veel getuigenissen van.

Omdat veel artiesten in onzekerheid leven heeft de vereniging SMartbe een petitie opgestart waarin de minister onder meer wordt gevraagd sociaal overleg te plegen. Is een overleg met de sector gepland?

De RVA meldt ook dat hij wil reageren omdat het aantal begunstigden van het bijzondere regime op onverklaarbare wijze en spectaculair is gestegen. Hoeveel begunstigden waren ingeschreven toen de maatregel van kracht werd en hoeveel zijn er momenteel ingeschreven?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. - Om aan te geven waarom zo wordt vastgehouden aan het onderscheid tussen uitvoerend en scheppend artiesten met betrekking tot de werkloosheidsreglementering, breng ik in herinnering hoe de regel tot stand is gekomen.

Het koninklijk besluit van 23 november 2000 heeft, met retroactieve werking vanaf januari 2001, het koninklijk besluit van 25 november houdende werkloosheidsreglementering gewijzigd. Hoofddoel van de wijziging was een oplossing bieden voor de uitkeringsgerechtigde werklozen die inkomsten hebben uit een artistieke activiteit.

Dat was nodig omdat de werkloosheidsreglementering alleen regels bevatte voor de klassieke arbeidssituaties, waar er een rechtstreeks verband bestaat tussen het werk en het loon en waar de prestaties in de tijd kunnen worden gesitueerd. Dat is uiteraard niet het geval voor artiesten. De wetgever had evenwel niet de bedoeling een algemeen gewaarborgd inkomen voor artiesten te creëren.

De RSZ-wet werd gewijzigd bij de programmawet van 24 december 2002, met inwerkingtreding vanaf 1 juli 2003. Het was in de eerste plaats de bedoeling de rechtsonzekerheid over het statuut van uitvoerende kunstenaars - werknemer of zelfstandige - weg te werken. Aanvullend konden creatieve kunstenaars worden onderworpen aan de sociale zekerheid voor werknemers. In de memorie van toelichting werd geenszins verwezen naar aanpassingen van de werkloosheidsreglementering.

In 2003 is geen enkel initiatief genomen met betrekking tot de werkloosheidsreglementering. De hervorming van de werkloosheid voor artiesten van januari 2001 werd voldoende geacht. Het bestaan van een definitie in de RSZ-wetgeving heeft dus geen enkel juridisch gevolg met zich meegebracht voor de werkloosheidsreglementering, die een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de uitvoerend en de scheppend kunstenaars en, anderzijds, de andere artiesten en technici.

De reglementering is sindsdien niet meer aangepast, noch uitdrukkelijk, noch impliciet. De RVA past de ongewijzigde reglementering toe.

We hebben vastgesteld dat het aantal artiesten het jongste decennium aanzienlijk is gestegen. In 2001 waren er 2076, in 2002 3000, in 2003 3900, in 2006 6000, in 2007 6600. In 2011 is het aantal opgelopen tot 8700. Een mogelijke verklaring voor de stijging is het gunstigere statuut dat echte voordelen biedt tegenover de huidige wetgeving inzake werkloosheid, of het nu gaat om het aantal gepresteerde dagen of om de terugkeer naar de werkloosheid na een korte periode van werk.

Mocht dat te wijten zijn aan een explosie van artistiek talent, dan zou me dat verheugen. Als het echter zo is dat sommigen een strengere wetgeving willen omzeilen zonder dat ze noodzakelijk kunstenaar zijn, dan rijzen enkele kleine problemen. Om die reden heeft de RSZ een onderzoek gedaan. Op basis van de resultaten heeft de Rijksdienst de aangiften geweigerd die niet overeenstemmen met aangiften van echte artiesten.

Waakzaamheid is geboden want ik wil dat de wetgeving inzake werkloosheid rechtvaardig blijft en door iedereen wordt gesteund. Soms kunnen bepaalde elementen argumenten aanreiken aan diegenen die de wetgeving op de helling willen zetten.

In de rondzendbrief van de RVA wordt eraan herinnerd dat de werkloosheidskantoren en de betalingsinstellingen de reglementering op een correcte en uniforme wijze moeten toepassen en misbruiken moeten tegengaan. De geldende regels worden in herinnering gebracht, zonder dat hun interpretatie of draagwijdte wordt gewijzigd.

Op 3 november heeft mijn kabinet de vertegenwoordigers van de artiestenverenigingen en de RVA ontmoet om hen de situatie toe te lichten. De regels die de RVA toepast, werden toegelicht. De interpretatie en de draagwijdte verandert niet. Er is ook over andere aspecten gepraat, zoals de vraag van de sector om het systeem ook toe te passen op de artiesten van het spektakelbedrijf - de cachetregel - en andere artiesten. Voor de artiesten van het spektakelbedrijf en gelijkgestelden kan het aantal prestaties dat met een gage wordt betaald, makkelijk worden geteld. Hoe kunnen we echter weten wanneer schrijvers en beeldhouwers werken?

De volgende regering zal moeten beslissen of de reglementering moet worden behouden, dan wel of er specifieke regels moeten komen. De cachetregel kan immers niet blindelings worden toegepast.

Met de nota brengt de RVA de reglementering in herinnering, die een aantal bewijzen vereist. Het is logisch dat de RVA bepaalde inlichtingen vraagt, zoals de aard van het contract, de plaats en de datum van de prestatie en het betrokken bedrag, alvorens belangrijke voordelen toe te kennen.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Het verheugt me dat met de sector en de RVA overleg is gepleegd om enkele punten uit te klaren.

Toch blijft er één groot probleem: de wetgeving maakt een onderscheid tussen artiesten van het spektakelbedrijf en de andere. Bij de uitwerking van het artiestenstatuut is uitgegaan van een vermoeden dat artiesten van het spektakelbedrijf werknemers zijn, terwijl scheppend kunstenaars eerder als zelfstandige moeten worden beschouwd. Heel wat artiesten bevinden zich in een grijze zone tussen de twee of werken volgens cyclische of nog complexere creatieprocessen.

Ik wil zeker geen misbruiken aanmoedigen. Het statuut en de specifieke vergoedingen zijn erop gericht de artistieke creatie te stimuleren en niet, mensen die niet aan de vereisten voldoen, te bevoordelen. Toch is er stof voor een debat. De wetgeving moet immers rekening houden met de specifieke kenmerken van de sector, wat nu niet het geval is.

Mondelinge vraag van de heer Luc Sevenhans aan de minister van Landsverdediging over «de gevolgen van het ontslag van generaal Peter Fuller» (nr. 5-290)

De heer Luc Sevenhans (N-VA). - Kritiek op de Afghaanse president Karzai, begin deze maand, kwam de Amerikaanse generaal-majoor Peter Fuller duur te staan. Hij werd ontslagen. De internationale troepenmacht ISAF maakte het ontslag zelf bekend. Generaal-majoor Fuller, een van de hoogste Amerikaanse militairen in Afghanistan, had gezegd dat het leiderschap in Afghanistan het contact met de werkelijkheid verloren heeft. Men kan zich afvragen of dit de taak is van een generaal, maar de sanctie staat niet in verhouding tot de uitspraak.

Dat de Amerikanen op de tippen van hun tenen lopen, kan ik begrijpen. Of hun manier van reageren de juiste was, laat ik aan hen over. Ik ben vooral bezorgd over het signaal dat werd gegeven. De uitspraak van de generaal was misschien niet diplomatisch, maar we kunnen toch niet ontkennen dat het Afghaanse regime heel wat op zijn kerfstok heeft. Het is naar westerse normen alleszins niet verdedigbaar. We hebben jarenlang in Afghanistan militaire inspanningen geleverd, maar het kan toch niet de bedoeling zijn een `politiek slagveld' achter te laten.

Hoe reageert de minister op het ontslag en vooral op het signaal dat ermee gegeven wordt?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Generaal Allen, commandant van de International Security Assistance Force, ISAF, heeft inderdaad generaal-majoor Fuller uit zijn functie van Deputy Commander for Programs, NATO Training Mission-Afghanistan ontheven.

Deze commandofunctie is een Flags-to-Post. Dat wil zeggen dat de NAVO een verdeelsleutel vastlegt, afhankelijk van de middelen die een staat inzet. Elke lidstaat dient zich akkoord te verklaren over de toekenning van een functie aan een staat. De aanwijzing van een persoon voor deze post is uiteraard alleen een verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat, in casu de Verenigde Staten. De andere staten worden niet geraadpleegd over de aanstelling, noch over het functioneren of verwijderen van een persoon uit zo'n functie.

De beslissing werd genomen na uitlatingen die generaal-majoor Fuller deed toen hij tijdelijk in de VS was. Generaal Allen zei het volgende over die uitlatingen: `These unfortunate comments are neither indicative of our current solid relationship with the government of Afghanistan, its leadership, or our joint commitment to prevail here in Afghanistan.' Hij voegde eraan toe: `Het Afghaanse volk is een eerbaar volk en commentaren als deze zullen ons niet weerhouden onze taak te vervullen, ofschoon ze ook soms zeer kritische en moeilijke opmerkingen en inspanningen met zich meebrengt. We willen een stabiel en vreedzaam Afghanistan tot stand brengen.'

Deze gebeurtenis zal geen gevolgen hebben voor de operationele inzet van de Belgische troepen in ISAF. Op het moment dat de Loya Jirga in Kaboel samenkwam, werd de aanwezigheid van de ISAF nog altijd gunstig beoordeeld. Ik hoop dat dit zo blijft. Ons land blijft zich inschrijven in de logica van de NAVO-top van Lissabon, die tot 2014 de engagementen vastlegde, en blijft de aanpak van president Obama steunen.

De heer Luc Sevenhans (N-VA). - Dat is een zeer diplomatisch antwoord ...

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - U kent mij, mijnheer Sevenhans.

De heer Luc Sevenhans (N-VA). - Ik herken u niet meer, mijnheer de minister. Ik heb u nog gekend als voorzitter van de CD&V-fractie van de Kamer en toen zou u totaal anders gereageerd hebben. Ik begrijp wel dat u als minister er vooral voor moet zorgen geen potten te breken.

Mij is het in deze kwestie vooral te doen om het politiek signaal dat wij geven. Als wij samen met de Verenigde Staten in Afghanistan mensenlevens op het spel zetten, dan mogen we toch verwachten dat we een regime steunen dat ten minste respect heeft voor wat wij daar doen. De uitlatingen van president Karzai de voorbije dagen gaven daar alleszins geen blijk van. Ik betreur ten zeerste de overdreven reactie tegen generaal Fuller. Ik ben het ermee eens dat hij zijn boekje te buiten ging, maar gelet op wat er de laatste tijd allemaal is gebeurd, kan ik daar begrip voor opbrengen. Ik had liever gehad dat u iets sterker zou reageren.

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de minister van Justitie over «het falende federale drugsbeleid» (nr. 5-295)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Het Europees Drugsobservatiecentrum stelt vast dat België de draaischijf en het distributiecentrum voor de internationale hasjhandel is geworden. België prijkt op de derde plaats voor import van cocaïne: 51% van de pure waarde van de cocaïneverkoop wordt in ons land opgetekend. Ons land is ook derde producent van amfetamines. Kortom, ons land, hoe klein ook, speelt een dubieuze hoofdrol in de internationale drugstrafiek.

Daarnaast werden er recentelijk 41 nieuwe psychoactieve stoffen ontdekt, die in ons land nog altijd niet verboden zijn en dus vrijelijk te koop zijn en zelfs via het internet worden aangeboden.

Op alle fronten is er in ons land een toename van de problematiek van drugs, de illegaliteit neemt toe, de bestrijding werpt steeds minder vruchten af, onze wetgeving loopt hopeloos achter, zeker wat de nieuwe psychoactieve stoffen betreft, en het beleid qua drugsbeleid en drugsbestrijding in ons land is in grote mate mislukt. Dit rapport van het Europees Drugobservatiecentrum is zeer verontrustend.

Hoe interpreteert de minister de vaststellingen van het Europees Drugobservatiecentrum, dat ons land zich steeds meer ontwikkelt als een toplocatie voor illegale drugshandel en internationale distributie, waaruit ook blijkt dat de federale inspanningen inzake de bestrijding en het drugsbeleid flagrant falen, terwijl de markt van illegale producten nog wordt uitgebreid met steeds nieuwe halflegale psychoactieve stoffen?

Bent u bereid om te overwegen de lijst van verboden drugs regelmatig bij koninklijk of ministerieel besluit aan te passen, zodat we niet altijd een wetgevend initiatief nodig hebben? Het feit dat de 41 psychoactieve stoffen niet op onze lijst staan verontrust mij in ieder geval in hoge mate.

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik deel de onrust van senator Anciaux over de drugsproblematiek. De strijd tegen drugs is zeer moeilijk en houdt nooit op. Er zullen steeds nieuwe fenomenen en nieuwe producten ontstaan. Een voortdurende inspanning is dus vereist.

Een eerste positief punt is het Europees Drugsobservatiecentrum, dat een globaler beeld geeft dan het beeld van een stad, een regio of een land. Zijn regelmatige rapporten zijn op zichzelf al positief, omdat de Europese landen hun beleid op elkaar kunnen afstemmen en omdat de basiskennis en de nieuwe informatie van gespecialiseerde diensten een richtsnoer vormen voor het beleid. Dat de rapporten slecht nieuws bevatten, moeten we erbij nemen. Er worden inderdaad zeer veel nieuwe stoffen ontdekt, overal in Europa, en er worden er steeds meer ontdekt. Dat is één van de grote uitdagingen voor de toekomst.

Ik heb deze week nog op een vraag van senator de Bethune geantwoord dat in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober laatstleden de recentste wijziging is verschenen van het koninklijk besluit houdende regeling van sommige psychotrope stoffen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies. Daardoor worden zestien stoffen aan de lijst van psychotrope stoffen toegevoegd. Dat koninklijk besluit is een maand oud en intussen zijn er reeds nieuwe stoffen ontwikkeld. We moeten trachten een generiek model te ontwikkelen. Dat wordt onderzocht en daarover is gedebatteerd in de Algemene Cel Drugsbeleid. Er moet een wettelijke basis worden gezocht voor de zogenaamde `legal highs', een nieuwe soort drugs die moeilijk met de huidige wetgeving kan worden aangepakt. Er is nog geen beslissing genomen over de te volgen weg. Het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten is bezig met een conceptnota over een nieuw systeem.

We moeten ook dringend een Interministeriële Conferentie houden, want het domein van drugs houdt zowel verband met verschillende gemeenschapsmateries als met materies die tot Justitie, Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid behoren.

We gaan in ons model uit van een integrale aanpak. Die zal nooit volstaan en zal nooit absolute tevredenheid leveren. Er wordt echter gepoogd over de hele strafrechtketen integraal prioriteit te geven aan preventie en hulpverlening. Daarnaast wordt nagegaan waar repressieve accenten moeten worden gelegd. Ik verwijs naar de federale beleidsnota drugs die daarover destijds werd opgesteld.

Ons land is centraal gelegen en dus kwetsbaar. Er zijn ook nieuwe producten. Politie, douane, Justitie enzovoort moeten dus samenwerken. Het Nationaal Veiligheidsplan voor de periode 2012-2015 wordt binnenkort verwacht. De volgende regering zal de prioriteiten moeten bepalen. Er zijn immers veel aspecten: productie, handel, import en export van cocaïne, productie en smokkel van synthetische drugs, verkoop van drugs. De teksten worden momenteel besproken in het College van Procureurs-generaal.

(Voorzitter: de heer Willy Demeyer, ondervoorzitter.)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Ik ben het eens met de voorgestelde prioriteiten.

De absolute prioriteit is natuurlijk dat er een einde komt aan het vrij en straffeloos verkopen van chemische rommel. De samenstelling van de nieuwe producten is totaal onbekend en daarvoor moet absoluut een oplossing worden gevonden.

Verder stel ik vast dat de hasj van vandaag niet langer de hasj van gisteren is, laat staan die van tien jaar geleden. Hij is immers veel zwaarder geworden.

Ondanks de sterke repressie blijft de handel in die zware hasj blijkbaar welig tieren. Dus vraag ik mij af of die illegale handel niet anders en meer succesvol aangepakt kan worden dan op de manier die nu al twintig jaar lang wordt gevolgd. Misschien moeten we andere denksporen durven volgen. De minister heeft dat ook al gesuggereerd.

Wat mij betreft, moeten die chemische drugs met wortel en tak worden uitgeroeid. Vandaar het belang om met koninklijke besluiten kort op de bal te spelen.

Mondelinge vraag van de heer François Bellot aan de minister van Justitie over «de rellen in Luik» (nr. 5-292)

De heer François Bellot (MR). - Na de begrafenis van Jordy Kasavubu, die doodgeschoten werd door een juwelier uit Tilff bij een poging de juwelier te overvallen, vonden zaterdag in het centrum van Luik gewelddadige rellen plaats. Jongeren hebben van de mars die door de nabestaanden van de overledenen was georganiseerd, gebruik gemaakt om onrust te zaaien en schade aan te richten aan bijna veertig auto's, aan een bus van TEC en aan verschillende gevels van gebouwen en van winkels van de Cité ardente.

Naar aanleiding van die incidenten werden achtendertig jongeren, waaronder meerderjarigen, door de politie aangehouden, maar slechts twee van hen werden in hechtenis genomen: een meerderjarige in de gevangenis en een minderjarige in een overheidsinstelling voor jeugdbescherming.

Waarom heeft het parket niet de vrijheidsberoving bevolen van alle personen die door de politie op heterdaad werden betrapt en werden aangehouden? Hoe komt u tegemoet aan de frustratie van onze politieagenten die, soms met gevaar voor eigen leven, die vandalen hebben aangehouden, en aan de woede van de bevolking, die niet begrijpt waarom die mensen werden vrijgelaten? Is er een probleem van bewijzen? Kunnen de bewakingscamera's in de stad dan niet dienen om de onrustzaaiers te herkennen? Kunnen de omwoners en de voorbijgangers geen nuttige getuigenissen afleggen?

Waren de ondervraagde personen allemaal gedomicilieerd in de Luikse regio? Wie gaat de getroffenen vergoeden voor de schade toegebracht aan hun gebouwen en voertuigen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het kantoor van de procureur des Konings van Luik heeft verslag uitgebracht aan de procureur-generaal die me het volgende antwoord heeft overgemaakt. Voorzichtigheid is uiteraard geboden aangezien het een zaak betreft die in behandeling is.

Het onderzoek werd met bekwame spoed verricht en is nog steeds aan de gang.

Zes personen werden van hun vrijheid beroofd en voor het parket gedaagd: twee meerderjarigen, waarvan één gedomicilieerd in Luik en een andere in Brussel, en vier minderjarigen, waarvan twee gedomicilieerd in Luik en twee in Beyne-Heusay.

Het parket heeft beslist om één van de twee meerderjarigen, degene die gedomicilieerd is in Brussel, voor de onderzoeksrechter te brengen en de andere in vrijheid te stellen, gezien de zwakke bewijslast die het politieonderzoek tegen hem had opgeleverd, in ieder geval op het ogenblik van zijn verschijning voor de parketmagistraat.

Wat de minderjarigen betreft heeft het parket beslist twee van hen voor de jeugdrechter te dagen. De twee anderen werden weer in vrijheid gesteld, gezien de zwakke bewijslast die het politieonderzoek tegen hen had opgeleverd, in ieder geval op het ogenblik van hun verschijning voor de parketmagistraat.

De meerderjarige die voor de onderzoeksrechter werd gedaagd, werd onder aanhoudingsmandaat geplaatst, op beschuldiging van vrijwillige brandstichting.

Van de twee minderjarigen die voor de jeugdrechter zijn verschenen, werd er één in een overheidsinstelling voor jeugdbescherming geplaatst wegens weerspannigheid tegen de politie. De andere werd weer in vrijheid gesteld.

Het onderzoek naar de identificatie van de verdachten is nog steeds aan de gang. De Technische en Wetenschappelijke Politie heeft materiële sporen op de plaats van de feiten genomen. Die sporen worden momenteel onderzocht en zouden de komende dagen tot aanhoudingen moeten leiden. Een gedetailleerd requisitoir van het parket van Luik werd op 16 november aan de onderzoeksrechter overgemaakt, zodat hij wordt gevat voor het geheel van de gepleegde feiten. Er werd hem gevraagd alle verzamelde materiële sporen te onderzoeken teneinde de daders te identificeren en een verband te kunnen leggen met de gepleegde feiten.

De identificatie van de verdachten via bewakingscamera's in de stad of via getuigen werd blijkbaar bemoeilijkt door het gebruik van rookbommen en door het feit dat de verdachten kleren droegen met een grote kap, waarmee ze hun hoofd bedekten.

Het is dus niet altijd mogelijk ze te identificeren.

Tot slot zal op vrijdag 18 november in Luik een zonale veiligheidsraad worden gehouden om de stand van zaken te bepalen en te beslissen over gepaste maatregelen.

Wat de schadevergoeding betreft, moet uiteraard worden afgewacht wie verantwoordelijk zal worden gesteld en de slachtoffers dus zal moeten vergoeden. Er moet ook worden nagegaan of de verzekeringen kunnen tussenkomen. Het is een beetje te vroeg om die vraag te kunnen beantwoorden.

Het onderzoek is aan de gang en de zonale veiligheidsraad zal zich morgen over het probleem buigen. Het is belangrijk dat iedereen aandacht schenkt aan wat er in Luik is gebeurd.

De heer François Bellot (MR). - Ik begrijp dat het moeilijk is details te geven over een onderzoek dat aan de gang is, maar de politie en de bevolking moeten ook worden gerustgesteld bij dergelijke verstoringen van de openbare orde.

Het is belangrijk dat u, zonder in detail te treden, informatie geeft over de vervolgingen. Die feiten lijken sterk op de rellen die plaatsvonden in andere, soms buitenlandse steden. We hebben er dus belang bij alles in het werk te stellen om dergelijke gebeurtenissen in de toekomst te vermijden.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «de Belgische verbintenissen inzake het verbod op clustermunitie» (nr. 5-288)

De heer Philippe Mahoux (PS). - De Staten die partij zijn bij het Verdrag op bepaalde conventionele wapens (CWV) van 10 oktober 1980, houden momenteel, tot 25 november, een toetsingsconferentie in Genève.

Volgens sommige bronnen zouden verschillende ondertekenende Staten, waaronder de Verenigde Staten en Frankrijk, een tekst willen goedkeuren (Protocol VI) dat landen toestaat om volkomen straffeloos clustermunitie te gebruiken, op te slaan en te verhandelen.

Een dergelijke tekst goedkeuren zou een onaanvaardbare achteruitgang betekenen inzake internationaal humanitair recht, vooral in het licht van de verbintenissen aangegaan in het Verdrag inzake clustermunitie dat werd goedgekeurd op 30 mei 2008 en dat vandaag door meer dan 110 Staten is ondertekend.

De consequenties van een dergelijk protocol zouden uiteraard aanzienlijk zijn. Eerst en vooral zouden Staten die clustermunitie produceren en gebruiken, voor hun activiteit een wettelijke legitimatie krijgen. Verder zou die liberale tekst ontradend kunnen werken voor Staten die overwegen het Verdrag inzake clustermunitie te ondertekenen.

België is uitgebreid vertegenwoordigd op de conferentie; welk standpunt verdedigt het daar over dat bijzondere probleem? Snijdt België dat onderwerp aan? Zo ja, op welke manier? Hoe maakt het zijn standpunt hard tegenover Frankrijk en de Verenigde Staten die, als we goed ingelicht zijn, geneigd zijn dat aanvullend protocol te ondertekenen?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - België handhaaft het Verdrag inzake clustermunitie als ijkpunt en prioritair instrument van internationaal recht in dezen. Dat Verdrag zit volkomen op dezelfde golflengte als onze nationale wet van 2006.

Op de Toetsingsconferentie van het Verdrag over bepaalde conventionele wapens in Genève worden inderdaad eindonderhandelingen gevoerd over een nieuw protocol (Protocol VI) dat het gebruik van clustermunitie in zekere mate zou beperken. De tekst reikt minder ver dan het Verdrag van Oslo inzake clustermunitie, maar voor de belangrijkste producenten en gebruikers van dat soort wapens zou hij een nieuwe, beperktere verbintenis inhouden.

Die landen oefenen overigens druk uit om dat protocol goed te keuren. Over de huidige tekst bestaat geen eensgezindheid. In de Europese Unie zelf zijn de lidstaten er uitermate verdeeld over. Sommige landen, zoals Finland, Polen, Estland en Roemenië, zijn overtuigde voorstanders. Andere landen, zoals Oostenrijk en Denemarken, zien het als een achteruitgang voor het internationaal recht.

Voor ons land hoort het volledige verbod op die wapens het enige einddoel te zijn. Momenteel zijn er al 66 Staten partij bij het Verdrag van Oslo. Volgens ons dienen we Protocol VI als een kleine stap voorwaarts te beschouwen voor Staten die het Verdrag van Oslo nog niet hebben aanvaard, maar de grote stap in de toekomst hopelijk zullen wagen.

Ik heb onze diplomaten in Genève opdracht gegeven een peiling te houden bij de Staten die net als wij al juridisch gebonden zijn door het Verdrag van Oslo en die onze bekommernis delen, met als oogmerk een gemeenschappelijke verklaring voor te stellen waarin wordt beklemtoond dat die Staten Protocol VI niet zullen ondertekenen enerzijds, en anderzijds dat we allen hopen dat het protocol uiteindelijk een eerste stap in de richting van een wereldwijd verbod op dat onmenselijke wapen wordt.

Elke vergelijking loopt mank. Niettemin wens ik de aangehaalde situatie te vergelijken met die van een land waar geen snelheidsbeperking geldt, en dat zou beslissen de snelheid voortaan tot 140 kilometer per uur te beperken. Moet men dat idee gunstig gezind zijn of zich terughoudend opstellen? Het klopt dat Frankrijk, dat het Verdrag van Oslo heeft ondertekend, zich uitspreekt voor Protocol VI dat, hoewel het minder ver gaat dan het Verdrag van Oslo, er niet mee in tegenspraak is.

We hebben al dezelfde dynamiek gekend in een soortgelijk dossier, met name de strijd tegen de antipersoonsmijnen, toen bepaalde landen het Verdrag van Ottawa niet hebben aanvaard, omdat ze vonden dat de tekst te ver ging. Landen als Finland en Polen zullen na een eerste fase weldra, namelijk in 2012, tot het Verdrag van Ottawa toetreden.

Hopelijk maakt mijn uiteenzetting duidelijk dat we blijven verdedigen dat het verdrag op zich ons hoofddoel moet blijven. We zullen echter nagaan of voor landen die het verdrag nog niet hebben ondertekend, het protocol een stap in de goede richting betekent.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik denk dat het probleem zeer duidelijk is. U legt uit, mijnheer de minister, dat België een dubbelzinnig standpunt over het verbod inneemt. Ik herinner eraan dat wij als eerste land die wapens, evenals de antipersoonsmijnen hebben verboden.

In werkelijkheid dient u dat aanvullend protocol absoluut te bekampen. Zoals ik zojuist heb gezegd, bezorgt men door een dergelijk protocol te aanvaarden een legitimiteit aan wie weigert het verbod op clusterbommen te onderschrijven.

België kan maar één houding aannemen, namelijk zich formeel verzetten tegen dat aanvullend protocol.

U beweert dat ons land het niet zal ondertekenen. Dat is toch het minimum. Mocht België dat protocol ondertekenen, dan zou dat betekenen dat het een internationaal document goedkeurt dat strijdig is met zijn eigen wetgeving. Dat is vanzelfsprekend onaanvaardbaar.

Men moet verder gaan en zich in de lopende discussie veel harder opstellen.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Ik vrees dat de heer Mahoux zich vergist. Het protocol gaat niet in tegen het verdrag; het gaat minder ver.

Landen die vandaag beslist hebben dat het verdrag voor hen onaanvaardbaar is, hebben geen enkele internationale verplichting.

Voor ons land heeft het juridisch weinig zin een protocol te ondertekenen dat minder ver gaat dan het verdrag.

Voor landen daarentegen die geen partij zijn bij het verdrag van Oslo - 66 landen hebben het ondertekend - moeten we erkennen dat het protocol, zonder strijdig te zijn met het verdrag, een kleine stap betekent in de zin van wat al dan niet mogelijk is met clustermunitie.

Leg niet in mijn mond dat het protocol strijdig is met het verdrag, mijnheer Mahoux. Ik moet die analyse tegenspreken.

U beweert dat bepaalde landen die het verdrag niet goedkeuren, dat argument zullen inroepen als een excuus om legitimiteit te verwerven. Ik erken met u dat daarover een politieke discussie mogelijk is. Moeten we dat `pasje' aanvaarden als vooruitgang, als een stap in de goede richting of moeten we het weigeren en zeggen `alles of niets'?

Bij het debat over de antipersoonsmijnen stonden we voor dezelfde dynamiek. Landen die aanvankelijk niet bereid waren het juridische kader te aanvaarden dat wij wereldwijd wensten op te leggen, hebben wel een eerste stap willen doen en hebben vervolgens besloten zich bij dat kader aan te sluiten.

In die logica zullen wij met heel wat Europese landen die onze bekommernis delen, ijveren voor een gemeenschappelijke verklaring. Die verklaring zal duidelijk in de verf zetten dat België het voortouw wil blijven nemen in de strijd tegen die wapens. Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat het protocol in niets afdoet van het engagement van de landen die het verdrag nog niet aanvaard hebben.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker, ondervoorzitter.)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik ben het volkomen oneens met wat u zojuist hebt gezegd. Wij hebben in dat dossier vooruitgang op internationaal vlak geboekt. Uw achterhoedestandpunt is bijgevolg ontoelaatbaar. Het is onverenigbaar met de strijd van België tegen de antipersoonsmijnen, de clustermunitie en de bommen met verarmd uranium. Mevrouw de Bethune heeft overigens een lans gebroken voor het verbod op dat laatste type. Bovendien is het volstrekt onverdedigbaar om dat aanvullend protocol legitimiteit te bezorgen. Nogmaals, ik ben het volkomen oneens met het standpunt dat u verdedigt.

Mondelinge vraag van de heer Bart Laeremans aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de metropolitie in Brussel» (nr. 5-284)

Mondelinge vraag van de heer Guido De Padt aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de stakingsaanzegging van de metropolitie in Brussel» (nr. 5-293)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Bart Laeremans (VB). - De metropolitie van Brussel heeft een langdurige staking aangekondigd voor begin december, die naar verluidt veertien dagen zal duren. Blijkbaar wordt al lang niet geluisterd naar de - terechte - verzuchtingen van die mensen. Ondanks beloften in het verleden, onder meer na de moord op Joe Van Holsbeeck in het Centraal Station, werd de personeelsformatie niet uitgebreid. De bestaande personeelsformatie wordt evenmin ingevuld, men kan zelfs spreken van een leegloop.

Hierdoor kan het meest elementaire werk niet meer worden ingevuld. Processen-verbaal blijven maandenlang liggen. De politie holt van het ene zware incident naar het andere - afgelopen weekend nog een hele reeks - en voert een soort brandweerpolitiek zonder enig afschrikkingseffect bij de criminelen, die zich aan van alles te buiten gaan.

In vergelijking met de lokale politie wordt het werk bij de spoorwegpolitie duidelijk lager verloond. Een verschil van zo'n 300 euro netto per maand. Er is onder andere geen Brusselpremie en er kunnen geen betaalde overuren worden gepresteerd. Hierdoor is de spoorwegpolitie veel minder aantrekkelijk en geven vele agenten hun ontslag. Door de onveiligheid in de metro is het risico op letsels voor metroagenten aantoonbaar veel hoger dan bij de lokale politie. Men moet tegenwoordig over een flinke dosis altruïsme en moed beschikken om daar nog te willen starten.

Er is ten slotte ook een operationeel probleem door de locatie waar de metropolitie gehuisvest is, met name in de kazerne van Etterbeek. Hierdoor wordt de interventietijd aanzienlijk vertraagd. Men spreekt van een gemiddeld tijdverlies van 20 tot 25 minuten. Het zou veel logischer zijn dat ze gehuisvest zou worden nabij het Zuidstation. Men spreekt van het Blérotgebouw, maar blijkbaar bestaat daarover onenigheid binnen de regering.

Ik lees in De Standaard dat de minister op 30 november met de vakbonden zal overleggen. Tot dan is de minister blijkbaar niet bereikbaar voor commentaar. Ik meen dat zij niettemin in het parlement mag antwoorden op vragen of er minstens mag naar luisteren.

Wat onderneemt de minister om de personeelsformatie van de spoorwegpolitie en in het bijzonder van de metropolitie uit te breiden en in te vullen? Op welke wijze wil de minister het beroep van deze mensen aantrekkelijker maken, zowel qua verloning, beveiliging als qua huisvesting?

De heer Guido De Padt (Open Vld). - Zoals aangegeven door de heer Laeremans zal de Brusselse metropolitie staken tussen 1 en 14 december. Dat is een vrij lange periode. De redenen zijn het personeelstekort, de toenemende agressie op de metro, problemen met het ASTRID-netwerk en het absenteïsme. MIVB-voorzitster Adelheid Byttebier heeft daar begrip voor. Volgens haar levert ook de MIVB bijzondere inspanningen om de veiligheid te vergroten, maar is de slagkracht van de maatschappij beperkt, en ze stelt dat de federale overheid aan zet is om de criminaliteit in de Brusselse metro aan te pakken.

Uit het antwoord op een schriftelijke vraag van mij bleek al dat er iedere dag gemiddeld 25 criminele feiten plaatsvinden in de Brusselse spoorweg- en metrostations. De metro neemt daarvan een derde voor zijn rekening, wat neerkomt op acht geregistreerde feiten per dag. In haar antwoord liet de minister ook weten dat er werd gezocht naar een locatie om de politie van de spoorwegen en de metro onder te brengen in één gebouw in de buurt van het Brusselse Zuidstation. De spoorwegpolitie kan volgens haar ook rekenen op 65 extra personeelsleden om de veiligheid in onze hoofdstad te garanderen.

Het moge duidelijk zijn dat die extra manschappen geen overbodige luxe zijn. Een centraal commissariaat kan een optimale aansturing van het personeel bevorderen en moet efficiënt beheer van mensen en middelen mogelijk maken, in het voordeel van de burger en de veiligheid.

Ondanks de enorme besparingsoperatie die ons te wachten staat en de noodzaak van een slankere overheid, mag niet zomaar worden bespaard op de veiligheid van de burger in onze hoofdstad.

Tijdens de lopende regeringsonderhandelingen bereikten de onderhandelaars blijkbaar een Brusselakkoord waarin een en ander zou staan over de veiligheid. De Brusselse minister-president zou voortaan een Globaal Gewestelijk Veiligheidsplan (GGV) opmaken in samenspraak met de Brusselse regering. Op die manier krijgt ook het Brussels parlement zijn zeg in het Brussels veiligheidsbeleid. Dat is volkomen nieuw. Tot nog toe konden de gemeenten en de politiezones blijkbaar elk hun eigen weg gaan.

In welke mate heeft de minister begrip voor de grieven van de metropolitie en voor de stakingsaanzegging? Kan zij haar standpunt duiden, onder meer op basis van de meest recente cijfers over de criminaliteit in de Brusselse metro en de maatregelen die genomen zijn om de problemen aan te pakken?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken. - De metropolitie wordt geconfronteerd met drie uitdagingen: een tekort aan effectieven, een infrastructuurprobleem en een communicatieprobleem. Al die punten krijgen mijn aandacht en we zoeken voor alles een oplossing.

Wat het aantal effectieven betreft, blijven we continu inspanningen doen om dat aantal verder te verhogen. Zo stellen we op het ogenblik 29 afgedeelde personeelsleden ter beschikking van de Brusselse metropolitie. Daarnaast werden 24 betrekkingen vacant verklaard in het kader van de lopende mobiliteitsprocedure. In december studeren opnieuw een heel aantal agenten af, van wie een deel kan terechtkomen bij de metrobrigade.

Een tweede probleem is de huisvesting. Aangezien de kazerne in Etterbeek ligt, zijn de verplaatsingstijden tussen kantoor en arbeidsplaats te lang. Dat is niet goed voor de operationaliteit van de metrobrigade en zorgt ervoor dat nieuwe rekruten minder geneigd zijn om voor de metrobrigade te kiezen. Wanneer we het infrastructuurprobleem oplossen, zullen we het aantal effectieven en de aanwezigheid van de politie in de metro zien stijgen en zal ook het welzijn van de agenten van de metrobrigade toenemen. Daarom heb ik deze week opnieuw het initiatief genomen om het overleg over de realisatie van de huisvestiging van de Brusselse metrobrigade in de nabijheid van het Zuidstation, meer bepaald in de Blérotstraat, te intensiveren. Daar wil ik snel resultaat zien. Dat betekent dat de aanpassingen in de Blérotstraat uiterlijk eind februari 2012 van start gaan. Aangezien dat tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken behoort, moet ik samenwerken met de Regie der Gebouwen en de FOD WASO, die een verdieping zou huren. Ik heb de contacten met die diensten deze week dus opnieuw geïntensiveerd.

Wat de communicatie betreft, is er het aspect van de radioverbinding. Concreet onderzoekt Astrid momenteel hoe vijf sites technisch nog beter kunnen worden bediend.

De goede werking van de metrobrigade is een prioriteit is voor mij, maar ook voor de federale politie. Ik verwacht dat de federale politie de maatregelen treft die nodig zijn om de capaciteit van de metrobrigade te versterken en organisatorische maatregelen neemt, die de inzet van het personeel en de uitvoering van de taken optimaliseren. Daartoe behoort onder meer het overleg met de verantwoordelijken voor de veiligheids- en preventiemedewerkers van de MIVB, dat maandelijks plaats heeft op initiatief van de Dirco Brussel.

Ondertussen is in juni 2011 ook een strategisch overleg gestart tussen de verantwoordelijke van de directie Spoorwegpolitie van de federale politie, waaronder de metrobrigade valt, en de verantwoordelijke van de dienst Veiligheid van de MIVB. Dat overleg is bedoeld om een protocol te sluiten waarin de concrete afspraken over de samenwerkingsmodaliteiten tussen beide organisaties worden vastgelegd.

Op operationeel vlak vinden er trouwens geregeld veiligheidsacties plaats waaraan, naast de leden van de metrobrigade, ook de veiligheidsagenten van de MIVB deelnemen.

Wat de criminaliteit in de Brusselse metrostations betreft, werden in 2007 3336 feiten geregistreerd. In 2008 en 2009 daalde het aantal feiten tot 3087 en 2796. In 2010 was er opnieuw een stijging tot 3155 feiten. Voor het jaar 2011 zijn nog geen officiële cijfers beschikbaar. Volgens de schattingen zijn de cijfers vergelijkbaar met die voor 2010.

De criminaliteitsvorm die het meest frequent wordt vastgesteld in de Brusselse metro en op het spoorwegnet is diefstal, met 69% van de feiten. Daarnaast worden vooral geweldsfeiten (5%), drugsfeiten (3%) en verboden wapendracht (1%) geregistreerd.

Ten slotte kan ik meedelen dat op 30 november een overleg is gepland met de vakbonden.

De heer Bart Laeremans (VB). - Het antwoord voldoet mij niet. De minister geeft een aantal volgens haar hoopgevende signalen, zoals het feit dat in december een aantal mensen zal afstuderen. Dat is valse hoop want we lezen dat personen die bij de metropolitie beginnen daar zo snel mogelijk weg willen. Wegens de onveiligheid en het lage verloning wordt dat korps als een soort strafkamp beschouwd. Het is financieel veel interessanter om voor de lokale politie te werken. De minister heeft niets gezegd over een loonsverhoging.

De minister heeft ook met geen woord gerept over de uitbreiding van de personeelsformatie, die nochtans na de moord op Joe Van Holsbeeck was aangekondigd. Ze gaat dus met een mager pakketje naar de onderhandelingen van 30 november. Op die manier zal ze een staking niet kunnen afwenden.

Iets meer hoop is er met betrekking de huisvesting in het Blérotgebouw. De minister geeft aan dat ze zou willen dat de werkzaamheden in februari volgend jaar worden aangevat. Het is mij echter niet duidelijk of de regering nu effectief een beslissing heeft genomen. Komt er een verhuizing of is het nog wishful thinking?

De heer Guido De Padt (Open Vld). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Ik heb er begrip voor dat het niet makkelijk is om geschikte personen voor de metropolitie te vinden. Het is niet de meest aantrekkelijke baan. Misschien moet de verloning worden aangepast.

Het verheugt me dat het er eindelijk naar uitziet dat de metropolitie een definitieve huisvesting zal krijgen in de nabijheid van het Zuidstation. Dat is een conditio sine qua non voor een goede aansturing van het veiligheidsbeleid.

Ik hoop dat de minister op de ingeslagen weg voortgaat en dat de staking kan worden afgewend.

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de veertiende algemene herziening van de quota van de lidstaten van het Internationaal Monetair Fonds en de amenderingen van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, zoals voorzien in Resolutie nr. 66-2 van 15 december 2010 van de Raad van Gouverneurs van het Internationaal Monetair Fonds (Stuk 5-1285)

Algemene bespreking

De heer Richard Miller (MR) rapporteur. - De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft het wetsontwerp houdende goedkeuring van de veertiende algemene herziening van de quota van de lidstaten van het Internationaal Monetair Fonds besproken in haar vergadering van 9 november 2011.

Ik vestig de aandacht van de collega's op het belang van dit wetsontwerp en verwijs daarvoor naar de minister van Financiën, die in zijn inleidende uiteenzetting preciseerde dat dit wetsontwerp bedoeld is om de veertiende algemene herziening van de quota van de lidstaten van het Internationaal Monetair Fonds goed te keuren, alsook de amenderingen van de statuten, zoals bepaald in een resolutie van 15 december 2010.

De veertiende algemene herziening van de quota heeft volgens de minister een dubbele doelstelling: waarborgen dat het IMF voldoende financiële slagkracht heeft in geval van een wereldwijde crisis en de legitimiteit van het IMF versterken door de quotaverdeling aan te passen aan de gewijzigde economische krachtsverhoudingen.

Er werd overeengekomen dat de quota zouden worden verdubbeld. Die zouden gaan van ongeveer 238,4 naar 476,8 miljard dollar speciale trekkingsrechten. Het quotum van België zal hierdoor 6,410 miljard speciale trekkingsrechten bedragen, dus een verhoging van 1,805 miljard, of ongeveer 39%. Proportioneel zal het Belgische quotum in het Fonds verminderen van 1,93% naar 1,35%.

Anderzijds beogen de amenderingen van de statuten een hervorming van de organisatie en de werking van de raad van bestuur en hebben ze betrekking op de verkiezing van de bestuurders en hun plaatsvervangers en op de omvang en samenstelling van die raad van bestuur.

Het is de bedoeling de representativiteit van alle lidstaten in de raad van bestuur te verbeteren en alzo de legitimiteit van de beslissingen van die raad te versterken. Gelet op die elementen is de regering van oordeel dat België moet instemmen met de verhoging van zijn quotum en met de wijziging van de statuten van het Fonds.

In de algemene bespreking heeft onze uitstekende collega, mevrouw Zrihen, verschillende vragen gesteld over de quotaherziening. Ze heeft ook gevraagd hoe het staat met de positie van de groeilanden en de landen met een overgangseconomie. Tot slot stond ze erop eraan te herinneren dat een voorstel van resolutie dat in april 2007 door de Franstalige socialistische fractie is ingediend, vooral bedoeld was om te onderstrepen dat het algemeen beleid van het IMF de ontwikkeling van een zo duurzaam mogelijke ontwikkeling niet echt bevorderde, aangezien het Fonds niet echt een sterke speler was in de strijd tegen het besmettingsgevaar dat een financiële crisis inhoudt.

De heer Daems benadrukte de wijzigingen die de hervorming van de statuten en het verschil in relatief gewicht van België met zich meebrengen. België ziet zijn relatieve gewicht dalen en hij heeft de minister daar vragen over gesteld.

De minister wijst er in zijn antwoord op dat er aan de voorgestelde wijzigingen heel wat discussie is voorafgegaan en dit zowel in de raad van bestuur van het IMF als tussen de Staats- en regeringsleiders en de ministers van Financiën van de verschillende lidstaten, in de G-20, in de Ecofin-Raad van de Europese Unie en in de Eurogroep.

Al die discussies gingen over één specifiek punt: het evenwicht tussen de nationale belangen, want wie zegt wijziging van de quota zegt ook versterking van de aanwezigheid van de regio's of de Staten ten nadele van andere regio's of Staten.

Zoals de minister reeds verklaarde in zijn inleiding, zal de Belgische positie in het IMF verzwakken. Het aandeel van België in het totale stemgewicht zal dalen van 1,86 tot 1,30%. De minister meent echter dat dit resultaat van de onderhandelingen in de lijn ligt van onder andere de resolutie die de Senaat in 2007 heeft aangenomen. Men kan in een resolutie niet vragen meer rekening te houden met de groeilanden en de landen met een overgangseconomie en er dan niet de conclusie uit trekken dat dit het aandeel van de ontwikkelde landen doet afnemen.

Wat betreft de wijziging van de statuten, namelijk de verkiezing van de bestuurders en hun plaatsvervangers, enerzijds, en de omvang en samenstelling van de raad van bestuur, anderzijds, voorzagen de statuten van het IMF tot nu toe in twee soorten bestuurders: aangestelde en verkozen bestuurders. Voortaan zullen alle bestuurders verkozen moeten zijn.

De heer Reynders erkent echter dat er over één punt nog wordt gediscussieerd, namelijk over het feit dat sommige lidstaten - ook Europese landen - enkel zichzelf vertegenwoordigen, gelet op hun gewicht in het IMF, terwijl andere landen een groep landen vertegenwoordigen. Zo leidt België een constituante met als huidige andere leden Oostenrijk, Hongarije, Turkije, de Tsjechische Republiek, Wit-Rusland, Kosovo, Slovakije, Luxemburg en Slovenië. Na de goedkeuring van de amenderingen van de statuten van het IMF door alle parlementen van de lidstaten zal België met onder meer Nederland besprekingen moeten blijven voeren, want als wij met hen een gezamenlijke constituante willen vormen, moet er gezorgd worden voor een afwisseling voor de bestuursorganen en -staf van het IMF. België zal dus het standpunt verdedigen van alle landen die deel uitmaken van de constituante.

Mevrouw Arena onderstreepte dat het de hoogste tijd is om de voorwaardelijkheid van de optredens van het IMF te evalueren. Het zou interessant zijn hierover een debat te voeren dat verder gaat dan de economische voorwaarden. Er kunnen ook sociale en milieugerelateerde aspecten in overweging worden genomen, vooral nu men het Fonds in Europa ziet optreden. Volgens mevrouw Arena zou het interessant zijn zich ook vragen te stellen over de voorwaarden voor de Europese Unie.

De tekst is unaniem goedgekeurd door de elf aanwezige leden.

(Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune.)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik dank eerst en vooral de rapporteur.

Dit wetsontwerp, dat bedoeld is om het Internationaal Monetair Fonds bijkomende financiële middelen ter beschikking te stellen om de wereldwijde crisissen het hoofd te bieden, is van essentieel belang.

Het beoogt de versterking van het gewicht van de ontwikkelingslanden in deze instelling. Die stap voorwaarts mag ons echter niet uit het oog doen verliezen dat er nog een lange weg moet worden afgelegd.

In dat verband heeft de Senaat in april 2007 het door de PS-fractie ingediende voorstel van resolutie met een zeer ruime meerderheid goedgekeurd. Daarin werd de regering verzocht te ijveren voor een grondige hervorming van het bestuur en het beleid van het Internationaal Monetair Fonds.

Wat betreft de interne organisatie van het IMF, gaat het om een pleidooi voor een grondige hervorming van het stemsysteem, die op lange termijn moet leiden tot de effectieve invoering van het principe `één Staat = één stem' van de Verenigde Naties, want het IMF is een gespecialiseerde instelling van de VN. De rechtvaardigheid eist dat, ook al is dat, zoals de minister heeft opgemerkt, in ons nadeel.

Op het vlak van het te voeren beleid zouden we het IMF moeten vragen een nieuwe definitie te geven aan de aard van de voorwaarden opdat die voor de Staten geen belemmering meer zouden zijn voor de noodzakelijke uitwerking van hun eigen ontwikkelingsstrategieën. Het is raadzaam er bij het IMF voor te pleiten dat die voorwaarden de debiteurlanden niet beletten een monetair beleid te voeren dat doelstellingen inzake groei, werkgelegenheid en sociale bescherming bevordert. We moeten het IMF tot slot aansporen tot het hertekenen van zijn beleid opdat het niet langer de privatisering van goederen en diensten van essentieel of zelfs algemeen belang - water, gezondheid, onderwijs - zou eisen en het de privatisering van openbare ondernemingen die inkomsten genereren voor de nationale autoriteiten niet meer zou verplichten.

Nu de Trojka, samengesteld uit vertegenwoordigers van het IMF, de ECB en de Europese Commissie, de Griekse bevolking, in ruil voor financiële hulp, voor meer dan 50 miljard privatiseringen oplegt, alsook maatregelen die het welzijn van miljoenen Grieken rechtstreeks treffen, druk ik namens al mijn socialistische collega's de wens uit dat het standpunt van deze assemblee eindelijk zou worden gehoord en gerespecteerd.

Ik herinner eveneens aan punt 24 van de resolutie die de regering vraagt om in het parlement elk jaar, ten laatste op 30 juni, een rapport neer te leggen met daarin onder meer de door België ingenomen standpunten over de belangrijke zaken die in het IMF werden besproken. De Senaat zou dat rapport bijzonder appreciëren. De Franstalige socialistische fractie zal dit wetsontwerp uiteraard steunen.

De heer François Bellot (MR). - De tekst waar we ons vandaag over moeten uitspreken, is het resultaat van beslissingen op internationaal niveau.

Over de algemene herziening van de quota en de hervorming van de raad van bestuur zijn al twee jaar lange discussies gevoerd in de raad van bestuur van het IMF, in het internationaal monetair en financieel comité van het IMF, in de G20 en in andere fora, meer bepaald in de Europese Unie.

Ten gevolge van de economische en financiële crisis is de vrees geuit dat het IMF niet over voldoende middelen zou beschikken om een adequate financiële hulp te kunnen bieden aan de lidstaten die erom zouden verzoeken.

Parallel daarmee hebben verschillende opkomende economieën felle kritiek geuit op de interne krachtsverhoudingen in het IMF. Die krachtsverhoudingen kwamen, zoals u weet, tot uiting in en via de quota.

In 2009 heeft het IMF zelf erkend dat een quotahervorming zich opdrong om efficiënter te werken en zijn legitimiteit te versterken. Het heeft erkend dat de quotaverdeling een betere afspiegeling zou moeten zijn van het respectieve gewicht van de lidstaten van het IMF in de wereldwijde economie en meer belang zou moeten hechten aan de opkomende economieën.

In het licht van de economische en financiële crisis die we nu doormaken, is besloten tot de verdubbeling van de huidige quota, die van 238,4 miljard speciale trekkingsrechten (STR) gaan tot 476,8 miljard STR. Voor België komen die rechten op 6,410 miljard STR, een stijging met ongeveer 39%.

Proportioneel, ten gevolge van de nieuwe quotaverdeling en de ruimte die gecreëerd is voor de opkomende economieën met een sterke groei, daalt het quotum van België echter van 1,93% naar 1,35%.

Ook het gewicht van België daalt, zoals dat van alle geïndustrialiseerde Europese landen. Die daling van de economische activiteit stemt proportioneel overeen met de economische groei van de opkomende landen. Toch is dat de prijs die moet worden betaald opdat meer rekening kan worden gehouden met die opkomende landen en de landen met een overgangseconomie.

De amenderingen van de statuten betreffen de verkiezing van de bestuurders en hun plaatsvervangers in de raad van bestuur, alsook de omvang en de samenstelling ervan.

Daarmee beoogt men een betere representativiteit van alle lidstaten in de raad van bestuur om de legitimiteit van de beslissingen van die raad de versterken.

Gelet op die elementen vindt onze fractie het noodzakelijk dit wetsontwerp goed te keuren.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik voeg eraan toe dat er een unaniem akkoord is over de grond van de zaak, namelijk het aandeel van de ontwikkelingslanden in het IMF verhogen en het daarmee overeenstemmende aandeel van de `rijke' landen, de schuldeisers, verminderen.

Een parallel debat sluit zich daarbij aan, namelijk dat van de voorwaardelijkheid van de hulp die het IMF biedt aan de landen die af te rekenen hebben met een noodsituatie. Het zijn nooit de crediteurlanden die aan de basis liggen van de ernstige economische en financiële crisis die soevereine landen treft. Die laatste hebben hun economisch beleid gedurende een zekere tijd kunnen kiezen, zijn nu plots in een crisis terechtgekomen en vragen hulp aan het IMF.

Die hulp is dan noodzakelijk en wordt ook geboden. Daar dient het IMF tenslotte voor. Er worden daar echter voorwaarden aan gekoppeld, want het is de bedoeling dat de hulp wordt terugbetaald en dat ze de landen helpt in het terugvinden van hun volle economische, financiële, sociale of andere soevereiniteit.

Een democratisch debat over de voorwaarden van het IMF is legitiem. Het zal een antwoord bieden op de vragen die velen zich stellen. Om dat te beseffen, moet men maar eens de boeken lezen van professor Stiglitz die sommige beleidslijnen van het IMF aan de kaak stelt.

Er zou uiteraard een debat moeten worden gevoerd over de manier waarop goede voorwaarden bij de hulpprogramma's van het IMF kunnen worden opgesteld. Zonder de hulp van het IMF zouden de betrokken landen immers geconfronteerd worden met een nog dramatischer economische en financiële situatie.

Ik kom terug tot de hoofdvraag. Het eenvoudige feit dat meer belang gehecht wordt aan de belangrijkste begunstigden van dit programma, namelijk de ontwikkelingslanden en de groeilanden, maakt een debat in het IMF mogelijk over de voorwaarden van de noodprogramma's die aan de landen in crisis worden geboden.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 5-1285/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC (Stuk 5-1315) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Louis Siquet (PS), rapporteur. - Het wetsontwerp waarover ik verslag uitbreng, valt onder de optioneel bicamerale procedure en werd aanvankelijk als wetsvoorstel ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 10 oktober 2011. Het werd goedgekeurd in de plenaire vergadering van 10 november 2011 met 117 stemmen voor bij 12 onthoudingen en dezelfde dag aan de Senaat overgezonden.

De Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, heeft uitgelegd dat de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit de Koning machtigt alle maatregelen te nemen betreffende de economische regulering van de luchthaven van Brussel-Nationaal enerzijds om die regulering te moderniseren en anderzijds om Richtlijn 2009/12/EG inzake luchthavengelden om te zetten. Met toepassing van de wet van 13 maart 2011 werden op 12 mei 2011 twee in ministerraad overlegde koninklijke besluiten genomen over de regulering van Brussel-Nationaal. Die koninklijke besluiten zijn van kracht geworden op 23 mei 2011. De laatste fase van de modernisering van de economische regulering van de luchthaven van Brussel-Nationaal vormt de wettelijke bevestiging van de koninklijke besluiten.

De besluiten genomen krachtens artikel 6 worden immers geacht zonder gevolg te blijven als ze niet worden bekrachtigd door de wet binnen de zes maanden na hun inwerkingtreding.

Voor het debat verwijs ik naar het schriftelijke verslag.

Het geheel van het wetsontwerp werd aangenomen met 9 stemmen voor bij 2 onthoudingen.

Ik dank het commissiesecretariaat voor de redactie van het verslag.

De heer Frank Boogaerts (N-VA). - Tijdens de bespreking gisteren in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heb ik de staatssecretaris enkele vragen gesteld, vooral dan over de rol en de macht van de regulator, die in de nieuwe teksten duidelijk wordt beknot. De grote verandering ligt inderdaad in een nieuw artikel 53bis dat onder meer bepaalt dat de licentiehouder jaarlijks een overleg moet organiseren met de gebruikers en met de regulator. De licentiehouder kan daarbij een voorstel over tariefcontrole, tariefsysteem en tariefwijzigingen formuleren. Uit de tekst wordt duidelijk dat precies op dat vlak de rol van de regulator heel erg wordt beknot. Volgens de nieuwe regeling kan de regulator enkel nog optreden na een klacht die ten minste door twee luchtvaartmaatschappijen wordt geformuleerd en moeten die maatschappijen minimaal 25% van het luchtverkeer vertegenwoordigen, wat zowel slaat op het personenvervoer als op de cargo. Aan al die voorwaarden moet voldaan zijn om van een `meningsverschil' te kunnen spreken. Slechts in dat stadium kan de regulator vragen om wijzigingen aan te brengen. Ten slotte zijn het tariefsysteem en alle wijzigingen daaraan onderworpen aan een beslissing van de bevoegde minister of staatssecretaris. Daarmee is duidelijk aangetoond dat de rol van de regulator fel wordt uitgehold.

Vergeet ook niet dat deze beknotting tariefverhogingen mogelijk maakt die aan de gebruikers, zowel personen, als vrachtvervoerders, zullen worden doorgerekend. Dat is van groot belang voor de luchthaven van Zaventem en kan een bedreiging van onze concurrentiepositie vormen. Luchtvrachtexpediteurs die niet aan een bepaalde luchthaven gebonden zijn, kunnen zeer makkelijk en snel voor een andere Europese hub kiezen en deze regeling kan ertoe bijdragen dat de luchthaven het zeer moeilijk krijgt om eventueel nieuwe maatschappijen aan te trekken.

Ten slotte denken we dat deze regeling indruist tegen de geest van de Europese richtlijn.

Daarom heeft onze fractie zich bij de stemming in de commissie onthouden.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - In tegenstelling tot wat de heer Bogaerts verklaart, is voorliggend ontwerp bedoeld om de Europese richtlijn toepasbaar te maken in België. De nadruk ligt daarbij niet zozeer op de macht van een ambtenaar, maar op de relaties die de luchthavenexploitant moet hebben met de luchtvaartmaatschappijen en de andere gebruikers. Er komt een procedure voor een verplicht, jaarlijks overleg tussen de luchthavenbeheerder - TBAC voor Zaventem - en de luchtvaartmaatschappijen, met de mogelijkheid tot verhaal wanneer er geschillen zijn. Er wordt ook duidelijk bepaald welke informatie de luchthavenbeheerder aan de gebruikers ter beschikking dient te stellen. Ook moet de beheerder de gebruikers consulteren wanneer er nieuwe infrastructuurprojecten worden gepland. Ten slotte geeft het ontwerp toegang tot de informatie aan de toezichthoudende autoriteit.

Door het ontwerp goed te keuren, conformeren we ons aan de Europese richtlijn en zorgen we tegelijk voor een betere ondersteuning van de belangen van de luchthavengebruikers.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 53-1817/6.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Huishoudelijk Reglement van het Parlementair Comité belast met wetsevaluatie (Stuk 5-1327)

Bespreking

De voorzitster. - Wij gaan over tot de bespreking van het huishoudelijk reglement van het Parlementair Comité belast met de Wetsevaluatie.

Het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie heeft in zijn vergadering van woensdag 16 november 2011 naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden, bij consensus, zijn huishoudelijk reglement aangenomen.

Overeenkomstig artikel 15 van de wet van 25 april 2007 tot oprichting van een Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, dient dit reglement door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat te worden goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het Parlementair Comité zal aldus de taken kunnen uitoefenen die de wet eraan toekent.

Aangezien niemand het woord vraagt, kunnen we de bespreking sluiten.

-De bespreking is gesloten.

De voorzitster. - Wij zullen later over het geheel van deze tekst stemmen.

Overlijden van een oud-senator

De voorzitster. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Mathieu Rutten, eresenator.

Uw voorzitster heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Samenstelling van het Parlementair Comité belast met de Wetsevaluatie

De voorzitster. - Bij de Senaat werd een voorstel ingediend tot wijziging van de samenstelling van het Parlementair Comité belast met de Wetsevaluatie:

(Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitster. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Zijn er opmerkingen?

Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen.

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de veertiende algemene herziening van de quota van de lidstaten van het Internationaal Monetair Fonds en de amenderingen van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, zoals voorzien in Resolutie nr. 66-2 van 15 december 2010 van de Raad van Gouverneurs van het Internationaal Monetair Fonds (Stuk 5-1285)

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC (Stuk 5-1315) (Evocatieprocedure)

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 39
Tegen: 0
Onthoudingen: 18

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen. Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Huishoudelijk Reglement van het Parlementair Comité belast met wetsevaluatie (Stuk 5-1327)

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het Huishoudelijk Reglement is eenparig goedgekeurd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitster. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 24 november 2011 om 15 uur

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de mede-eigendom betreft; Stuk 5-1155/1 tot 3.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft het oprichten van een bijzondere rol voor de collectieve schuldenregeling; Stuk 5-1170/1 tot 3.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van het Sociaal Strafwetboek; Stuk 5-1187/1 tot 3.

Mededeling van de Europese Commissie COM(2011) 541 betreffende het 4de forum op hoog niveau inzake de doeltreffendheid van steun, te Busan; Stuk 5-1329/1 en 2. - Advies aan de Europese Commissie.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Vanaf 17 uur: Stemmingen

Geheime stemming over de voordracht van kandidaten voor een ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitster. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 24 november om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 17.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Matz, in het buitenland, de dames Khattabi en Niessen, de heren Brotchi, Cheron en Courtois, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, François Bellot, Frank Boogaerts, Hassan Bousetta, Huub Broers, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Rik Daems, Sabine de Bethune, Piet De Bruyn, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Bart De Wever, Filip Dewinter, André du Bus de Warnaffe, Inge Faes, Cindy Franssen, Liesbeth Homans, Louis Ide, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Lieve Maes, Philippe Mahoux, Richard Miller, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Danny Pieters, Freya Piryns, Ludo Sannen, Luc Sevenhans, Louis Siquet, Elke Sleurs, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Muriel Targnion, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Bart Tommelein, Rik Torfs, Johan Vande Lanotte, Anke Van dermeersch, Karl Vanlouwe, Mieke Vogels, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 39
Tegen: 0
Onthoudingen: 18

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, François Bellot, Hassan Bousetta, Yves Buysse, Dirk Claes, Rik Daems, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Filip Dewinter, André du Bus de Warnaffe, Jan Durnez, Cindy Franssen, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Richard Miller, Philippe Moureaux, Ludo Sannen, Louis Siquet, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Muriel Targnion, Dominique Tilmans, Bart Tommelein, Rik Torfs, Johan Vande Lanotte, Anke Van dermeersch, Peter Van Rompuy, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Frank Boogaerts, Huub Broers, Jurgen Ceder, Piet De Bruyn, Bart De Wever, Inge Faes, Liesbeth Homans, Louis Ide, Lieve Maes, Jacky Morael, Danny Pieters, Freya Piryns, Luc Sevenhans, Elke Sleurs, Helga Stevens, Cécile Thibaut, Karl Vanlouwe, Mieke Vogels.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Bert Anciaux, Marie Arena, François Bellot, Frank Boogaerts, Hassan Bousetta, Huub Broers, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Rik Daems, Sabine de Bethune, Piet De Bruyn, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Willy Demeyer, Guido De Padt, Gérard Deprez, Caroline Désir, Bart De Wever, Filip Dewinter, André du Bus de Warnaffe, Jan Durnez, Inge Faes, Cindy Franssen, Liesbeth Homans, Louis Ide, Ahmed Laaouej, Bart Laeremans, Nele Lijnen, Lieve Maes, Philippe Mahoux, Richard Miller, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Danny Pieters, Freya Piryns, Ludo Sannen, Luc Sevenhans, Louis Siquet, Elke Sleurs, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Fauzaya Talhaoui, Muriel Targnion, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Bart Tommelein, Rik Torfs, Johan Vande Lanotte, Anke Van dermeersch, Karl Vanlouwe, Peter Van Rompuy, Mieke Vogels, Fabienne Winckel, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1307/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 109bis van het Gerechtelijk Wetboek (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1309/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het versneld afhandelen van sommige cassatieberoepen (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1299/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat betreft de inning van boetes (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1300/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking op de termijnen voor hoger beroep en voorziening in cassatie (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1301/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat het verzoekschrift op tegenspraak betreft (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1302/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden teneinde de beschikbaarheid van het personeel van de gevangenissen te garanderen (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1303/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 136 van het Wetboek van strafvordering wat betreft de termijn van onderzoek (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1304/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen betreft (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1305/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de regels betreffende de handelshuur (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1306/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek ter versnelling van de rechtspleging (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 5-1308/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 5 van de provinciewet met een bepaling over de taalkennis van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad (van de heer Yves Buysse; Stuk 5-1310/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 met het oog op de invoering van accreditatie bij officina-apothekers (van de heer Louis Ide; Stuk 5-1311/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarbij de OCMW's bij de opvang van de asielzoekers worden betrokken (van mevrouw Freya Piryns; Stuk 5-1318/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 3 november 2001 tot oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden en tot wijziging van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de "Belgische Technische Coöperatie" in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht (van mevrouw Marie Arena en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 5-1326/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie om in de debatten over het Groenboek over de toekomst van de pensioenen rekening te houden met genderaspecten in ons pensioenstelsel en om in het Witboek over de toekomst van de pensioenen concrete voorstellen op te nemen om de ongelijkheid van mannen en vrouwen in ons pensioenstelsel te verhelpen (van mevrouw Zakia Khattabi; Stuk 5-1276/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de aardolie in Libië (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 5-1282/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de Westelijke Sahara (van de heer Karl Vanlouwe; Stuk 5-1296/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie aangaande de veroordeling en de gevangenisstraf voor Julia Timosjenko en andere voormalige leden van de Oekraïense regering (van de heer Karl Vanlouwe; Stuk 5-1312/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 14 november 2011 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van het volgend wetsontwerp:

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft (Stuk 5-1315/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 15 november 2011 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (II) (Stuk 5-1279/1).

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende de mobiliteit (Stuk 5-1280/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 10 november 2011 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Stuk 5-1324/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (Stuk 5-1325/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft (Stuk 5-1315/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 14 november 2011; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 29 november 2011.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 november 2011.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE) (Stuk 5-1322/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 november 2011; de uiterste datum voor evocatie is maandag 21 november 2011.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 november 2011.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Stuk 5-1323/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 14 november 2011; de uiterste datum voor evocatie is maandag 21 november 2011.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 november 2011.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, en met de Slotaktes gedaan te Luxemburg op 29 april 2008 (Stuk 5-1164/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 november 2011 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, tot wijziging van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking, gedaan te Kleinmond, Zuid-Afrika, op 11 september 2009 (Stuk 5-1313/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Leden van de Groep van Staten in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005, en met de Slotakte, open voor ondertekening te Ouagadougou op 22 juni 2010 en te Brussel van 1 juli tot en met 31 oktober 2010 (Stuk 5-1314/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind

Bij brief van 14 november 2011 heeft de voorzitter van de Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind, aan de Senaat overgezonden, overeenkomstig artikel 13 van het Samenwerkingsakkoord van 19 september 2005 houdende oprichting van een Nationale commissie voor de rechten van het kind, tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, het werkingsverslag voor 2010.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.