3-131

3-131

Belgische Senaat

3-131

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 27 OKTOBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Stemmingen

Raad van de Franse Gemeenschapscommissie

Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement

Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de BTW-plicht van gemeenten in het kader van het beheer van hun riolering» (nr. 3-1065)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de hervorming inzake het spaarboekje als alternatief voor de kapitalisatie-bevek» (nr. 3-1069)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aansluiting van de OCMW's op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid» (nr. 3-1061)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de organisatie door Selor van de tweede selectieproef voor de toegang tot niveau C» (nr. 3-1068)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Werk over «het stemmen via internet» (nr. 3-1070)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de hoge concentratie aan illegale synthetische drugs in ons land» (nr. 3-1071)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken over «de gratis NMBS-parkings» (nr. 3-1067).

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de aanpak van dopinggebruik» (nr. 3-1063)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het arbeidsauditoraat van het gerechtelijk arrondissement Eupen» (nr. 3-1064)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de behandeling van chronische pijn» (nr. 3-1024)

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het antibioticabeleid» (nr. 3-1055)

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het gebruik van antibiotica in de veeteelt» (nr. 3-1058)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het draaiboek voor e-gezondheidszorg» (nr. 3-1060)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.20 uur.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldenregeling (Stuk 3-1207) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We hervatten de stemming over amendement 1 van mevrouw Nyssens die onbeslist is gebleven.

Stemming 1

Aanwezig: 61
Voor: 21
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 9 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 2

Aanwezig: 61
Voor: 21
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 3

Aanwezig: 61
Voor: 39
Tegen: 21
Onthoudingen: 1

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 81, 104, 569, 578, 579, 580, 583 et 1395 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-1210)

De voorzitter. - We stemmen over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 40
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Voorstel tot wijziging van artikel 84 van het reglement van de Senaat (van de heer Paul Wille c.s., Stuk 3-1393)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heren Van Hauthem en Ceder.

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 10
Tegen: 52
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel in zijn geheel.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Het uitstellen van de stemming over het voorstel tot wijziging van het reglement van de Senaat had het voordeel dat ik eindelijk een antwoord heb gekregen op mijn vraag waarom ik uit het comité I moest worden gezet.

Vandaag las ik in De Morgen namelijk dat ik de staatsveiligheid wil destabiliseren. Dat wordt afgeleid uit het feit dat ik een studiedag over de geheime diensten heb bijgewoond en dat `vrienden' van mij daar ook aanwezig waren. Tegen dergelijke doorslaggevende argumenten kan men zich natuurlijk moeilijk verzetten.

Nu begrijp ik ook waarom alle leden van dat comité tot één bepaalde filosofische groep moeten behoren. Men had me dat ook vorige week kunnen zeggen; dat ware veel eerlijker geweest.

Stemming 6

Aanwezig: 60
Voor: 50
Tegen: 10
Onthoudingen: 0

-Het voorstel tot wijziging van het reglement van de Senaat is aangenomen.

Raad van de Franse Gemeenschapscommissie

De voorzitter. - Bij boodschap van 21 oktober 2005 heeft de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

De voorzitter. - Bij boodschap van 21 oktober 2005 heeft de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan de Senaat laten weten dat hij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement

De voorzitter. - Bij boodschap van 20 oktober 2005 heeft de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

De voorzitter. - Aangezien er een vacature is in de Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dient de Senaat over te gaan tot de aanwijzing van een nieuw lid van deze commissie.

Ik stel voor dat de kandidaturen voor deze vacature mij uiterlijk op dinsdag 8 november 2005 worden toegezonden en dat de Senaat zich hierover bij geheime stemming uitspreekt tijdens zijn vergadering van 10 november 2005.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de mogelijke verhuizing van de Pantsercavalerieschool van Leopoldsburg» (nr. 3-835)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Vanmorgen lazen we met ontzetting in de krant dat een sociale ramp dreigt voor 600 militairen. Het artikel was de weergave van een debat dat de minister gisteren in de Kamer heeft bijgewoond en waarin hij verklaard heeft dat de Pantsercavalerieschool van Leopoldsburg in het kader van reorganisaties zou worden overgebracht naar Stockem bij Aarlen. Dat is een vrij eigenaardige beslissing omdat die pantsercavalerieschool pas in 1994 in Leopoldsburg gevestigd werd, met de bedoeling daar het pantsercentrum van het Belgische leger te vestigen. Deze reorganisatie in het kader van Reforbel zou in 1994 bovendien ettelijke miljoenen hebben gekost. Uiteraard zal een eventuele verhuizing enorme sociale gevolgen hebben voor de 600 militairen en hun gezinnen.

Kan de minister de beslissing tot verhuizing formeel bevestigen? Zo ja, wanneer is de verhuizing gepland? Welke zijn de objectieve redenen daarvoor? Is het correct dat bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld de simulatietechnieken, na de verhuizing in Leopoldsburg zullen blijven? Zo ja, is dat wel efficiënt? Was het niet beter alles in Leopoldsburg te concentreren, zoals in 1994 was gepland?

Wat zijn de concrete gevolgen voor de militairen en hun gezinnen in Leopoldsburg? Is er voorzien in afvloeiingsmaatregelen?

In 1994 heeft men ervoor geopteerd om het pantsercentrum in Leopoldsburg te vestigen. Hoeveel heeft het leger tot op heden geïnvesteerd in de uitbouw van dat centrum?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Zoals vermeld in hoofdstuk 9 van het strategisch plan van Defensie van februari 2003, is de beslissing om Stockem te kiezen voor de installatie van de toekomstige infanterie- en pantsercavalerieschool het resultaat van een diepgaande studie van de defensiestaf waarbij rekening werd gehouden met alle beoordelingsfactoren. De overbrenging is gepland tegen einde 2007. Met de sociale partners werd, in een sectoraal akkoord, overeengekomen dat het interne mobiliteitsbeleid rekening dient te houden met de reële sociale en familiale situatie van het personeel. Aangezien de organieke tabel alsook de verdeling van de activiteiten van de toekomstige school momenteel wordt bestudeerd, en die studie pas in juni volgend jaar zal zijn afgerond, is het nu niet mogelijk te antwoorden op de vragen van de heer Beke met betrekking tot het toekomstige personeelsbestand en simulatietechniek die al dan niet met de school zullen verhuizen. De overheidsopdracht voor het optrekken van de twee instructieblokken en een maintenance-blok voor lichte pantservoertuigen heeft 5 miljoen euro gekost. Ook een aanpassing van 101.000 euro aan het wapenmagazijn was noodzakelijk. Bijkomende niet-becijferde aanpassingen werden stap voor stap uitgevoerd, met inbegrip van andere algemene renovatiewerkzaamheden. De verhuizing van de school betekent evenwel niet dat die investering nutteloos was.

Leopoldsburg zal, net als Marche, voor Defensie een belangrijke plaats blijven. We voeren een reorganisatie door, maar blijven een evenwicht tussen de verschillende regio's nastreven. Uiteraard blijft de marine in Zeebrugge. Limburg behoudt echter in Kleine Brogel de belangrijkste basis voor jachtvliegtuigen. In het noorden is Brasschaat een belangrijke plaats en in het zuiden onder meer Dinant. We hebben beslist de scholen voor onderofficieren te fuseren. De scholen van Zedelgem en van Dinant zullen op één enkele plaats worden gehergroepeerd, in Sint-Truiden-Saffraanberg.

In de plannen die in 2000 door de staf werden bestudeerd en in 2003 werden geactualiseerd, werd rekening gehouden met de operationele eigenschappen van het terrein, maar werd ook een evenwicht nagestreefd in de verdeling tussen en zelfs binnen de verschillende regio's.

Ik herinner eraan dat alle Belgische militairen uit Duitsland werden teruggetrokken en dat die operatie zonder sociale problemen of incidenten verliep. Door mutaties heeft elke militair een plaats gevonden die hem en zijn gezin het best paste. Voor de Pantsercavalerieschool, die naar Stockem verhuist, hebben we hetzelfde gedaan.

De tijd waarin militairen statutair zomaar konden worden overgeplaatst, is voorbij. We houden nu rekening met hun sociale en gezinssituatie.

Leopoldsburg blijft evenwel een van de belangrijkste plaatsen in de organisatie van het Belgisch leger.

De lokalisering van onze defensie-infrastructuur dateert nog uit het tijdperk van de koude oorlog. De operationele eenheden bevinden zich langs de grens met Duitsland terwijl de ondersteuningsinfrastructuur ten westen daarvan werd gevestigd.

Vandaag komt de vijand niet meer uit Duitsland, Polen of Rusland. De vijand is nu het internationale terrorisme. Een reorganisatie is dus geboden. We moeten ook de nodige soepelheid inbouwen om rekening te kunnen houden met de vermindering het aantal manschappen. We trachten onze structuur geleidelijk aan te passen aan de sociale realiteit.

Ik betreur de titel in de krant vanmorgen. Nergens in België heeft Defensie brutale maatregelen genomen die de sociale situatie van de militairen en hun gezin hebben verstoord. Dat is nooit zo geweest en zal zeker ook niet voor Leopoldsburg het geval zijn.

Ik heb dat gisteren ook in de commissie gezegd. Blijkbaar heeft men alleen onthouden dat een beslissing werd genomen en is men vergeten de aanpassingen te noteren.

Ik dank u bijgevolg voor uw vraag.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister zegt dat uit een diepgaande studie blijkt dat de verhuizing naar Stockem wenselijk is, maar dat voor de effectieve verhuizing moet worden gewacht op een studie die in juni 2006 zal worden afgerond.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Er werd een beslissing genomen op basis van twee studies: één van 2000 door de generale staf en één van 2003, na de gebeurtenissen van 2001 in Amerika. Er werden ook onderhandelingen gevoerd met de vakbonden om voor het personeel de beste oplossing te vinden voor de verhuizing eind 2007.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Als uit die studie van 2006 zou blijken dat Stockem niet zo geschikt is en dat Leopoldsburg beter geschikt zou zijn, bijvoorbeeld omwille van de simulatietechnieken die daar zijn uitgebouwd, wordt de beslissing dan herzien?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Neen. De beslissing om naar Stockem te verhuizen werd genomen in het kader van een algemeen evenwicht tussen de verschillende componenten van Defensie; zeemacht, luchtmacht en landmacht. De modaliteiten van de verhuizing worden momenteel besproken met het personeel.

Mondelinge vraag van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de ratificatie door België van de kaderconventie voor tabaksbestrijding van de WHO» (nr. 3-808)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik kom terug op mijn vraag van 24 februari 2005 over de ratificatie door België van de kaderconventie voor tabaksbestrijding van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Hoever staat de ratificatieprocedure in ons land en tegen wanneer zal de ratificatie kunnen gebeuren? De tijd dringt. Acht november is immers de deadline voor indiening. Daarna zal België geen echte inspraak meer kunnen hebben in de wijze waarop dit internationale verdrag zal worden toegepast.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het ratificatieproces is eindelijk voltooid. De Vlaamse Gemeenschap heeft als laatste ingestemd met dit verdrag. Na herhaalde oproepen, heeft het Vlaams Parlement het decreet houdende instemming met de kaderconventie aangenomen.

De juridische instrumenten zijn op weg naar New York. We zullen dus kunnen deelnemen aan de eerste zitting, die gewijd wordt aan de toepassingsmaatregelen van de kaderconventie voor tabaksbestrijding.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. We zullen de ratificatie-instrumenten dus net op tijd indienen. Daar ben ik blij om en ik hoop dat het met alle andere maatregelen inzake tabaksbestrijding even vlot zal gaan.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de plannen met het Sint-Pietersziekenhuis te Leuven» (nr. 3-824)

De heer Jacques Germeaux (VLD). - In de jaren zeventig werd gestart met de bouw van het derde deel van het Sint-Pietersziekenhuis, het zogenaamde technische blok. Dat gebouw werd echter nooit volledig afgewerkt en is bijgevolg nooit in gebruik genomen. Toch werden de werkzaamheden evenmin volledig stopgezet. Nu zouden er plannen zijn om deze `nieuwbouw' af te breken.

Volgens de wet op de ziekenhuizen wordt voor elke nieuwbouw voorzien in een gedeelde financiering van de investeringskosten met volgende verdeelsleutel: 60% subsidies en 40% afschrijvingen. Deze afschrijvingen worden gespreid over 33 jaar en opgenomen in de verpleegdagprijs, betaald door het RIZIV.

Aangezien reeds meer dan dertig jaar belastinggeld wordt opgeslokt door een project dat uiteindelijk misschien weer met de grond gelijk wordt gemaakt, wil ik de minister hierover enige verduidelijking vragen.

Is er overleg geweest tussen de minister en zijn Vlaamse collega over dit dossier?

Wanneer zal het lot van het technische blok van het Sint-Pietersziekenhuis definitief worden bezegeld?

Wanneer werd de bouwtoelating voor de derde vleugel van het Sint-Pietersziekenhuis precies gegeven?

Hoe groot is het af te schrijven bedrag van de totale investeringskost?

Zijn er tot op heden reeds afschrijvingen gebeurd via de verpleegdagprijs en het ziekenhuisbudget?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Mijn diensten werd enkel gevraagd of er tot heden een schadeloosstellingspremie werd toegekend voor het technische blok, wat niet het geval is. Die beslissing hangt zowel af van de Vlaamse Gemeenschap als van het college van burgemeester en schepenen van Leuven.

De precieze datum van de bouwtoelating voor de derde vleugel kan beter door de diensten van de Vlaamse Gemeenschap worden meegedeeld, aangezien zij de bouwopvolging doen.

Het juiste af te schrijven bedrag is ons momenteel niet bekend. Daarvoor moeten de diensten van de Vlaamse Gemeenschap worden aangesproken. Zonder de Vlaamse Gemeenschap kan niet juist worden bepaald wat de afschrijvingswaarde is. Vanaf de herziening in 1995 werden de volgende afschrijvingen in de verpleegdag opgenomen: in 1995 201.000 BEF, in 1996 154.000 BEF, in 1997 184.000 BEF, in 1998 169.000 BEF, in 1999 154.000 BEF, in 2000 113.000 BEF en in 2001 110.000 BEF na toepassing van de omslagsleutels.

Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de resultaten van de campagne voor de bestrijding van baarmoederhalskanker» (nr. 3-828)

De heer Berni Collas (MR). - De federale regering heeft in samenwerking met Vlaanderen een campagne gevoerd voor de bestrijding van baarmoederhalskanker. In het Franstalige en het Duitstalige landgedeelte werd geen campagne gevoerd hoewel de vraag naar uitstrijkjes er groter was dan in Vlaanderen. Volgens het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid was de campagne een mislukking omdat de locale acties helemaal niet op elkaar waren afgestemd en er totaal geen coördinatie was tussen de federale en lokale overheden.

Op de schriftelijke vraag van VLD-kamerlid Yolande Avontroodt van 14 april 2005 antwoordde de minister dat hij ervoor pleit om, in overleg met de gemeenschapsregeringen, zo spoedig mogelijk een overleg met alle betrokken partijen - het RIZIV en de beroepsgroepen - op te starten. Zo kan worden nagegaan met welke intervallen de screenings moeten worden gedaan en kan `overscreening' worden vermeden.

Uit een antwoord van de minister van Volksgezondheid van de Duitstalige Gemeenschap op 17 oktober 2005 op een mondelinge vraag tijdens de plenaire vergadering van het parlement van de Duitstalige Gemeenschap blijkt dat dit overleg nog altijd niet heeft plaatsgevonden.

Heeft de minister het overleg met de gemeenschapsregeringen reeds opgestart of wanneer zal hij het opstarten? Zal het overleg plaatsvinden in het kader van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid of zal het op het niveau van de kabinetten worden georganiseerd?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik zal dit punt op de agenda plaatsen van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van december.

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de federale ombudsman inzake de rechten van de patiënt» (nr. 3-832)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Volgens de wet op de patiëntenrechten moet aan de federale commissie Rechten van de Patiënt een Nederlandstalige en een Franstalige ombudsman worden toegevoegd. Hun taak is patiëntenklachten te onderzoeken.

De Franstalige ombudsman is al sinds oktober 2003 in dienst. De Nederlandstalige ombudsvrouw ging pas op 1 juni 2004 effectief aan de slag, en vertrok al een jaar later. Sindsdien kunnen patiënten met klachten over hun huisarts, kinesist, tandarts of apotheker nergens terecht voor bemiddeling en advies.

Er werd wel een vacature gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar wie leest dat. Er waren slechts twee kandidaten. De geselecteerde kandidaat die intussen al weg is, was blijkbaar niet ingenomen met een brutojaarwedde van 32.500 euro voor een taak met verantwoordelijkheid, zonder administratieve omkadering.

Er werd een nieuwe vacature uitgeschreven die ruimer bekend werd gemaakt en de inschrijvingsperiode was ook langer.

Op 1 november zou, als de administratieve molen goed functioneert, een nieuwe ombudsman in dienst treden.

Welke maatregelen neemt de minister om dergelijke situatie in de toekomst te vermijden? Zullen vacatures voortaan op tijd bekend worden gemaakt?

Welke maatregelen worden in het vooruitzicht gesteld om de administratieve omkadering van de ombudsfunctie te verbeteren en de job aantrekkelijker te maken?

Waarom kon geen noodscenario worden toegepast om te vermijden dat de ombudsfunctie vijf maanden onbemand bleef?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De federale ombudsdienst Rechten van de patiënt werd door de vorige regering opgericht in toepassing van de wet van 22 augustus 2002 tot bescherming van de rechten van de patiënt.

Twee personen met een ombudsfunctie moeten de federale commissie Rechten van de Patiënt bijstaan. De procedure is dat de commissie eerst een kandidaat voorstelt die vervolgens kan worden benoemd.

De ombudsfunctie is belangrijk in het kader van de uitvoering en de evaluatie van de wetgeving over de rechten van de patiënt. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat de uitoefening van die functie afhangt van de aanwezigheid van één persoon. De oorzaak is de dubbelzinnige regelgeving die bepaalt dat twee personen van de FOD Volksgezondheid met de taak worden belast, zonder dat hiervoor de middelen, randvoorwaarden of verantwoordelijkheden van de FOD werden gepreciseerd.

Ik heb de bevoegde managers van de FOD voor hun verantwoordelijkheid geplaatst en daarbij gewezen op het beginsel van de continuïteit van de openbare dienstverlening. Zij hebben me inmiddels meegedeeld dat de federale commissie een kandidaat heeft voorgesteld en dat nog wordt gewacht op het advies van de inspecteur van Financiën. Zodra ik het dossier ontvang, zal ik mijn verantwoordelijkheid opnemen.

Ik heb de federale commissie Rechten van de Patiënt gevraagd om de wet op de patiëntenrechten op korte termijn te evalueren. Op basis van hun voorstellen zal ik de nodige initiatieven nemen. Op dat ogenblik zal ook de problematiek van de ombudsfunctie worden bekeken.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De minister slaat de nagel op de kop. Hij vindt dat het zo niet verder kan.

Patiënten hebben niet alleen klachten, maar ook veel vragen over de patiëntenrechtenwet. Ook daarvoor is een federale ombudsman of -vrouw meer dan ooit nodig.

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het gebruik van de Nederlandse taal in de Europese Unie» (nr. 3-833)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - In de vergaderingen van de Raad van de Europese Unie wordt het Nederlands steeds minder als vergadertaal gebruikt. Sinds 1 mei 2004, na de jongste uitbreiding van de EU, werd een nieuwe regeling ingevoerd voor het gebruik van talen en vertolkingen in de raadsvergaderingen, het request and pay-systeem. Daardoor krijgen slechts een beperkt aantal vergaderingen - Europese Raad en de Raad van ministers - automatisch vertaling in alle talen. Voor alle andere raadsvergaderingen krijgt elke EU-taal een jaarlijks bedrag toegekend, dat de lidstaten naar eigen inzicht aan tolken kunnen besteden. Sinds de invoering van dat systeem is het aantal tolken voor het Nederlands, dat wordt gesproken door 6 miljoen Vlamingen en 16,7 miljoen Nederlanders, bijna gehalveerd.

We vinden het bijzonder belangrijk dat het gebruik van het Nederlands als taal in de Europese Unie op eenzelfde niveau gehandhaafd blijft omwille van de moeilijkheidsgraad van de soms zeer technische vergaderingen en om verdere vervreemding van de burger tegen te gaan.

Het mogelijke voordeel van een besparing op de kosten voor de vertolking weegt mijns inziens niet op tegen de culturele waarde van het behoud van de positie van het Nederlands in de Europese Unie.

Beslist de regering hoeveel tolken zullen worden ingezet of beslist de permanente vertegenwoordiging dat autonoom?

Hebben België en Nederland hierover overleg gepleegd?

Hebben het federale niveau en Vlaanderen hierover overleg gepleegd?

Is het een bewuste politiek om de vertalingen naar het Nederlands in de raadsvergaderingen af te bouwen? Zo ja, wat is hiervoor de verantwoording?

Wordt het budget voor vertolking volledig opgebruikt? Zo niet, waaraan wordt het resterende bedrag besteed?

Krijgen Vlaanderen en Wallonië, die tot verschillende taalgroepen behoren, hetzelfde budget en besteden ze het budget op een identieke manier?

Zet die trend zich ook door in de vertaling van publieke documenten? Met andere woorden, worden ook minder publieke raadsdocumenten naar het Nederlands vertaald?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Bij de jongste uitbreiding steeg het aantal officiële talen van de Europese Unie van 11 naar 20. Hierbij rees de vraag hoe het principe van de gelijkheid van de officiële talen van de Unie kon worden behouden terwijl tegelijkertijd een oplossing moest worden gevonden voor de praktische problemen die de toename van het aantal officiële talen meebracht.

Elke Europese burger behoudt het recht om zich in welke officiële taal dan ook tot de instellingen van de Europese Unie te wenden en een antwoord in die taal te ontvangen. Bij de vergaderingen van de Raad van ministers - waarvan sommige publiek zijn - is er vertolking naar alle talen. De vraag van de heer Vandenberghe heeft dan ook alleen betrekking op de interne werking van de werkgroepen van de Raad.

Er moest een praktische oplossing worden gevonden voor de logistieke problemen die de toename van de talen in de vergaderingen van die werkgroepen met zich had gebracht. Er zijn te weinig zalen met voldoende cabines om naar alle talen te tolken. Het hoge aantal mogelijke taalcombinaties dreigde de kwaliteit van de vertolking in gevaar te brengen. Het is dus in de eerste plaats een praktische oplossing.

Op de communautaire begroting wordt jaarlijks voor elke officiële taal een identieke enveloppe van 2.068.000 euro vastgelegd. De lidstaten bepalen zelf voor welke werkgroepen ze een vertolking wensen. Als het bedrag dat door de Unie ter beschikking wordt gesteld, wordt overschreden, zal aan de betrokken lidstaat een financiële bijdrage worden gevraagd.

In november 2003 werd een principeakkoord bereikt over dit nieuwe systeem. Ook werd hierover met de gemeenschappen en de gewesten overlegd.

Voor België dienen de Belgische vertegenwoordigers in de werkgroepen of hun overheden een verzoek tot vertolking in bij het secretariaat van de Raad. Dit systeem geldt zowel voor de vertegenwoordigers van de federale overheid als voor de vertegenwoordigers van de gemeenschappen en de gewesten. Het aantal aanvragen varieert naargelang van het aantal vergaderingen dat wordt georganiseerd en naargelang van de moedertaal van de Belgische vertegenwoordiger (Nederlands, Frans of Duits).

België en Nederland dienen hun aanvraag voor tolken afzonderlijk in.

De eventuele kosten bij het overschrijden van de enveloppe worden gelijkelijk tussen België en Nederland verdeeld. Hoewel de aanvragen voor Nederlandse tolken die door België voor het tweede semester van 2005 ingediend werden 55% van het geheel bedragen, heeft Nederland gemakshalve de 50/50-verdeling aanvaard.

België dient de meeste aanvragen voor Nederlandse vertalingen in. Dat tal van werkgroepen door ambtenaren van de Franse taalrol worden gevolgd, waarvoor uiteraard geen Nederlandse vertaling wordt aangevraagd, vormt de reden waarom de aanvragen voor vertaling die door België worden ingediend, beperkt zijn in vergelijking met aanvragen voor vertaling van lidstaten met één officiële taal.

Indien de budgettaire enveloppe ten laste van de Unie niet wordt opgebruikt, vindt een teruggave plaats op het budget voor de vergoeding van reiskosten van experts. Deze mogelijke teruggave heeft trouwens geen gevolgen voor de ingediende aanvragen. Dit budget wordt evenwel nooit opgebruikt.

Omdat het systeem pas in werking trad in mei 2004, beschikken we niet over informatie die betrekking heeft op de periode vóór de uitbreiding. Voor de periode van 1 mei tot 31 december 2004 bedroeg het aantal vragen voor actieve vertaling voor het Nederlands 1.751 tolkendagen. De aanvragen voor het eerste semester van 2005 bedroegen 1.308 tolkendagen. Voor het tweede semester van 2005 wijzen de vooruitzichten op 1.182 tolkendagen. Het aantal dagen vertaling hangt niettemin af van het aantal effectieve vergaderingen van de werkgroepen waarvoor de actieve vertaling werd aangevraagd.

Tot op heden was het mogelijk te voldoen aan de functionele behoeften van de Belgische delegatie zonder de budgettaire enveloppe die de Unie voor het Nederlands op zich neemt, te overschrijden. Op die manier was, althans in dit stadium, een intern akkoord over de eventuele financiering van een overschrijding niet nodig. Omdat het secretariaat van de Raad de ongebruikte bedragen naar het budget voor de verplaatsingen van de experts van de lidstaten overdraagt, is ook een intern akkoord over de verdeling van een eventueel surplus niet noodzakelijk.

Voor de vertalingen in het Frans werd dezelfde aanpak gevolgd. De aanvragen voor vertalingen worden ingediend naargelang de verzoeken gericht door de Belgische vertegenwoordigers of hun overheden. Frankrijk, dat vroeg om een vertaling voor het geheel van de werkgroepen, besliste om zelf de totaliteit van de overschrijding van de voorziene budgettaire enveloppe voor het Frans te financieren. In dit kader was er geen Frans verzoek, noch aan België, noch aan Luxemburg, om een schikking te treffen ingeval de enveloppe voor het Frans wordt overschreden.

Er werd een aanvraag ingediend voor een vertaling in het Duits voor de werkgroepen die door de Duitstalige Gemeenschap worden gevolgd. Gezien het marginale karakter van deze aanvragen werd België niet betrokken bij de schikkingen ingeval de voor het Duits voorziene enveloppe wordt overschreden.

De minister is bereid om in de toekomst te antwoorden op elke vraag om informatie die hem over de evolutie van dit systeem wordt gesteld.

België blijft onverkort waken over het respect voor de taaldiversiteit en de gelijkheid tussen de officiële talen van de Unie.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor het door hem verstrekte antwoord en zal de minister van Buitenlandse Zaken bijkomend nog enkele technische vragen stellen.

Ik heb het er moeilijk mee dat wordt getwijfeld aan de kwaliteit van de vertalingen. Volgens mij staat in Vlaanderen de opleiding van tolken op een hoog peil.

Gebrek aan lokalen zou een andere argument zijn. Er zijn in de Europese wijk nochtans heel wat nieuwe bouwwerken. Daar moeten toch mogelijkheden liggen.

Ik hoop dat het overschot van de enveloppe, dat wordt overgedragen aan het budget voor de reiskosten van experts, goed wordt gebruikt.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de invoering van de sport- en cultuurcheques» (nr. 3-823)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Op 27 november 2003 diende ik een wetsvoorstel in over de oprichting van een sportfonds en de toekenning van sportcheques. Op het bedrag van de sportcheque zou evenmin als voor de maaltijdcheque een sociale bijdrage moeten worden betaald. Met de cheque zou de lidmaatschapsbijdrage voor sportclubs of fitnesscentra kunnen worden betaald. Het voorstel werd uitgebreid, onder andere door de senatoren Defraigne, Wilmots en Van Nieuwkerke, en daarna omgezet in een resolutie.

Op 2 juni 2004 legden we de resolutie voor aan de minister. Zijn medewerker, Philippe Bouchat, zei letterlijk: `L'octroi de chèques aux travailleurs (...) constitue une dérive en matière de politique salariale et de législation sociale.' Ook al was minister Reynders voorstander van de sportcheque, toch kelderde minister Demotte het idee.

Een tweetal weken geleden las ik echter in de pers dat minister Demotte met zijn collega Anciaux een overeenkomst heeft om toch sportcheques in te voeren. Dat verrast mij wel een beetje, maar ik ben er ook ontzettend blij mee. Wij hebben twee jaar tevergeefs bij allerlei ministeries de deur platgelopen om het idee erdoor te krijgen en nu duikt het ineens op in de krant. Ik wil dus graag de details kennen.

Normaal gezien betaalt de werkgever de cheques, maar zijn ze voor hem fiscaal aftrekbaar. De werknemer hoeft er geen belasting over te betalen en de cheques tellen niet mee voor de loonnorm. Ze vormen een extra dat de werkgever als collectief sociaal voordeel kan toekennen.

Neemt de minister die voorwaarden over? Wordt de cheque beschouwd als loon? Klopt het dat de waarde beperkt is tot 100 euro en waarom is dat zo? Destijds stelden we 250 euro voor. Waaraan zullen de cheques kunnen worden besteed? Hoe verloopt de controle erop?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Momenteel wordt een koninklijk besluit tot herziening van de reglementering opgesteld zodat sport- en cultuurcheques voor de sociale zekerheid niet als loon worden beschouwd.

Ik heb om volgende redenen het bedrag op 100 euro vastgesteld.

Ten eerste, de cheques moeten het sporten en het bezoeken van culturele evenementen aanmoedigen en zijn geen vorm van subsidiëring van de sport- of de cultuursector.

Ten tweede, een hoger bedrag zou geen cadeau meer zijn van de werkgever, maar neerkomen op een loonsverhoging, vrij van sociale bijdragen, wat nadelig is voor de financiering van de sociale zekerheid.

Ten derde, het is niet de bedoeling om met de cheques sportmateriaal of cultuurgoederen, zoals boeken of cd's, te kopen. Een bedrag van 100 euro per jaar en per werknemer lijkt me als aansporing dan ook een goed begin.

Werkgevers kunnen de cheques aan hun werknemers toekennen vanaf het derde trimester van 2006.

De controle op de naleving van de voorwaarden zal identiek zijn aan de controle op maaltijdcheques en worden uitgevoerd door de controlediensten van de FOD Sociale Zekerheid en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de maatregelen inzake de dienst Wetenschapsbeleid» (nr. 3-822)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Er gaan momenteel geruchten over de dienst Wetenschapsbeleid.

De minister besliste een ordemaatregel te nemen ten overstaan van een hoge ambtenaar van zijn departement. Ik wens me niet te mengen in deze zaak die alleen de minister en zijn administratie aanbelangt.

Als voorzitter van de werkgroep Ruimtevaart van de Senaat stel ik echter vast dat het conflict verschillende hoofdrolspelers verlamt en wel op een ogenblik dat fundamentele beslissingen over het ruimtevaartbeleid moeten worden genomen. Ik denk meer bepaald aan de Raad van ministers van de Europese Ruimtevaartorganisatie, die in december plaatsvindt.

Bovendien raakt die affaire ook stilaan buiten België bekend en dreigt dat negatieve gevolgen te hebben voor ons imago op het vlak van de ruimtevaart.

Kan de minister mij geruststellen en bevestigen dat België zijn ruimtevaartverplichtingen geheel zal nakomen en de komende internationale vergaderingen doeltreffend zal voorbereiden? Op welke manier zal hij zorgen voor de continuïteit van het overheidsbeleid terzake?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Met het oog op de ministerraad van het ESA die op 5 en 6 december 2005 in Berlijn plaatsvindt, heb ik aan mijn departement een nota over het Belgische ruimtevaartbeleid voorgelegd.

Tijdens een informatievergadering op 25 oktober laatstleden, hebben industriëlen en wetenschappers het Belgische ruimtevaartbeleid besproken, op basis van de ESA-voorstellen.

Ons land zal dan ook uitstekend voorbereid zijn om zich uit te spreken over de grote strategische keuzes, onder meer op budgettair vlak, die op de ministerraad in Berlijn aan bod zullen komen.

Bij de begrotingscontrole 2006 heb ik de ruimtevaartenveloppe kunnen handhaven zodat België zijn relatief belangrijke plaats als vierde geldschieter kan behouden en goed voorbereid naar de ministerraad kan gaan.

Ook werden stappen ondernomen om de belangen van de ruimtevaartsector in ons land te vrijwaren.

De situatie binnen de dienst Wetenschapsbeleid is moeilijk. Ik zal er echter voor zorgen dat de verschillende fasen van de voorbereiding van de ministerraad in de best mogelijke omstandigheden kunnen verlopen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het verheugt me dat de minister deze belangrijke fasen voorbereidt en dat eventuele persoonlijke conflicten zijn werk niet beïnvloeden, zeker nu de viering van het feest van de Dynastie in het teken staat van de ruimtevaart.

De voorzitter. - Ik wens de leden nog attent te maken op de Odissea-prijs die gisteren in de Senaat werd uitgereikt. Met die prijs wil de Senaat een laatstejaarsstudent van een universiteit of hogeschool belonen die een thesis of studie heeft gemaakt rond ruimtevaart. Het niveau van de laureaten was bijzonder hoog.

Ik wil hierbij ook de heer Roelants du Vivier en de leden van de werkgroep Ruimtevaart van de Senaat van harte danken voor het excellente werk dat zij in dit domein verrichten.

Mondelinge vraag van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de defiscalisering van biobrandstoffen» (nr. 3-826)

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Mijn vraag heeft betrekking op richtlijn 2003 met betrekking tot de biobrandstoffen en meer bepaald op de mogelijkheid om de accijnzen te verlagen.

De omzetting is gebeurd door middel van de programmawet van 12 juli 2005, maar ik zou graag weten hoever het staat met de uitvoeringsbesluiten.

In een studie van het Institut pour un Développement Durable wordt het beleid inzake biobrandstoffen betwist. De fiscale voordelen zouden te ruim berekend zijn en we zouden beter andere dingen doen. Wat denkt de minister hiervan?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Het eerste element is de belastingvrijstelling van biobrandstoffen. De wet van 11 juli 2005 maakt een budgettair neutrale, gedeeltelijke belastingvrijstelling mogelijk van het plantaardige gedeelte van een mengsel, hetzij van loodvrije benzine met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen, aangevuld met ten minste 7% vol bio-ethanol van de GN-code 2207 10 00 met een alcohol-volumegehalte van ten minste 99% vol, zuiver of in de vorm van ETBE, hetzij van zwavelarme diesel aangevuld met ten minste 2,45% vol.

De maatregel is budgettair neutraal omdat de accijns op het fossiele gedeelte van het mengsel evenredig wordt verhoogd. De producten die in grote volumes op de markt worden gebracht, zullen niet zuiver biologisch zijn, maar wel een gedeelte biobrandstof bevatten.

Koolzaadolie, die als brandstof wordt gebruikt en door een landbouwer door koude persing wordt verkregen uit eigen grondstoffen of uit grondstoffen van lokale oorsprong en die zonder tussenpersonen aan de eindverbruiker wordt verkocht, is volledig vrijgesteld van accijnzen. Dit punt zal in de volgende programmawet worden gepreciseerd.

Deze bepalingen werden aan de Europese Commissie genotificeerd conform de bepalingen van artikel 88, paragraaf 3 van het EEG-verdrag. Ze kunnen pas worden uitgevoerd na ontvangst van een formele toelating. Die hadden we op 15 oktober 2005 moeten krijgen, maar het Directoraat-generaal Mededinging van de Commissie heeft ons om meer uitleg gevraagd over de overcompensatie.

Volgens de richtlijn over de belasting op energieproducten mag de belastingvrijstelling van plantaardige olie geen overcompensatie mogelijk maken ten opzichte van de fossiele brandstof die ze vervangt. Dat betekent dat de prijs van de biobrandstof met inbegrip van de taksen niet lager mag zijn dan die van de fossiele brandstof die ze vervangt.

De doelstelling van 2% kan in 2005 niet meer worden bereikt, aangezien de Commissie haar goedkeuring nog niet heeft verleend.

Voor de uitvoering van de richtlijn zal, zoals in Frankrijk, een aanbesteding op Europees niveau worden uitgeschreven. Die documenten worden momenteel door de betrokken federale en gewestelijke overheden voorbereid.

De belastingvrijstelling is beperkt tot zes jaar, maar kan worden verlengd.

Tweede element: de evolutie op korte termijn. In overleg met de Gewesten wordt de laatste hand gelegd aan de teksten van de aanbesteding en van het gezamenlijke antwoord aan de Commissie.

We zullen wellicht de procedures kunnen opstarten zodat die producten nog dit jaar op de markt kunnen worden gebracht.

Derde element. U maakte een aantal opmerkingen met betrekking tot de biobrandstoffen. Voor het ogenblik houd ik mij uiteraard aan de Europese richtlijnen. De ministers van Energie hebben inderdaad beslist om geleidelijk bepaalde hoeveelheden biobrandstoffen in de algemeen gangbare brandstoffen te vermengen. De ministers van Financiën voeren de genomen beslissingen uit.

Zowel het Vlaamse als het Waalse Gewest vragen ons om een snelle uitvoering. Het Vlaamse Gewest is klaar om biobrandstoffen op de markt te brengen, maar in het Waalse Gewest zal men blijkbaar nog moeten wachten tot in de herfst van 2007.

Ik volg dus de Europese richtlijnen en ik probeer in te gaan op de dringende vragen van de gewesten. Als u dat wenst, ben ik graag bereid om in de commissie het debat aan te gaan over het reële belang van biobrandstoffen in het kader van de duurzame ontwikkeling.

Het zou dan wenselijk zijn het advies in te winnen van de Europese en nationale experts die daarvoor pleiten en van de vertegenwoordigers van de gewestministers. Ik sta vanzelfsprekend open voor een soortgelijk debat.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Wat het voorstel van de Europese Commissie betreft, vraag ik mij af of de fiscale eisen ten aanzien van België niet strenger zijn dan destijds ten aanzien van Frankrijk.

Het reële belang van biobrandstoffen voor duurzame ontwikkeling kan een interessant denkspoor zijn voor economische ontwikkeling en nieuwe afzetmarkten. Ik wens inderdaad dat dit debat in de commissie zou plaatsvinden.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - We bereiden ons antwoord aan de Europese Commissie voor in overleg met de Gewesten. We houden uiteraard rekening met de buitenlandse voorbeelden om ons standpunt te staven.

Ik heb u de huidige toestand beschreven, op Europees en op gewestelijk niveau en ik herhaal dat ik voorstander ben van een debat ten gronde in de commissie.

Mondelinge vraag van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de hervorming van de gemeenschappelijke markt inzake suiker» (nr. 3-827)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën, antwoordt namens mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Het is bekend dat het voorstel van de Deense Europese Commissaris vrij controversieel is. Tegen eind november wordt een akkoord verwacht. Wat is het Belgische standpunt daarover? Er is sprake geweest van flexibiliteit in de toekenning van steun en van garanties inzake prijsstabiliteit. Kunt u dat enigszins toelichten?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Dit onderwerp is nauw verwant met het vorige. Voor een aantal economische operatoren zou de productie van biobrandstof een gedeelte van de bietenteelt kunnen vervangen.

Ik lees u het antwoord van mevrouw Laruelle voor:

Op 25 oktober jl. hebben we in de Europese Raad van Ministers van Landbouw een discussie gevoerd op basis van een vragenlijst van het voorzitterschap. De eerste vraag ging over de gewenste verbeteringen.

België heeft de noodzaak van een hervorming erkend, meer bepaald op grond van de internationale verplichtingen van de Europese Unie. Niettemin hebben we erop gewezen dat naast het niveau van de prijs, vooral de stabiliteit van de suikerprijs en van de prijs van de suikerbiet een noodzakelijke voorwaarde is voor een nieuwe gemeenschappelijke ordening van de markt op lange termijn. Een neerwaartse spiraal moet worden vermeden, zeker in regio's waar een overschot is.

Daarom moeten substantiële verbeteringen worden aangebracht aan de instrumenten voor intern marktbeheer: prijsnotering en vangnet. Extern zijn vrijwaringsclausules of andere snelle en efficiënte, proactieve instrumenten onontbeerlijk om illegale handel tegen te gaan.

De twee andere vragen gingen over de aanpassingsvoorstellen met betrekking tot het herstructureringsfonds en de compenserende steun. België heeft benadrukt dat die voorstellen in de goede richting gaan, zowel wat de mogelijkheid om de fabrieken gedeeltelijk te ontmantelen als wat de flexibiliteit van de lidstaten bij toekenning van compenserende steun betreft.

België heeft herhaald dat een compensatie van 60% een minimum is en de effectieve prijsdaling moet compenseren.

Het voorzitterschap moet nu op basis van die antwoorden besluiten trekken en ze aan de Raad voorleggen.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik zal de minister opnieuw ondervragen na de volgende beslissingsronde.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de noodhulp voor Kasjmir en onze bijdragen aan het VN-noodfonds» (nr. 3-834)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën, antwoordt namens de heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De secretaris-generaal van de VN deed gisteren op de donorconferentie in Genève een dringende oproep om meer middelen voor Kasjmir uit te trekken. De VN streeft naar 550 miljoen euro extra voor Pakistan. Dat het geld maar met mondjesmaat wordt toegezegd, staat in schril contrast met de Tsunami-ramp van eind 2004, maar ook daarvoor schijnen de donorlanden de beloften niet altijd te respecteren. In de nasleep van deze ramp werd het noodfonds van de VN, het Central Emergency Revolving Fund, opgericht. Oxfam Internationaal bracht begin deze week in een rapport aan het licht dat ons land, naast een aantal andere landen, nog geen euro zou uitbetaald hebben en dit ondanks de toezeggingen.

Welk bedrag heeft onze federale staat gisteren voor de ramp in Kasjmir toegezegd? Staat dit los van de eerdere toezeggingen?

Bestaat er een coördinatie met de deelstaten?

In hoeverre heeft België zijn engagementen inzake het VN-noodfonds gerespecteerd? Hoeveel werd er globaal toegezegd en in welke schijven werd betaald? Hoeveel werd reeds effectief in het noodfonds gestort en welke bedragen zijn nog verschuldigd? Staan deze Belgische toezeggingen los van de financiële hulp voor de landen getroffen door de Tsunamiramp van december 2004? Wat antwoordt de minister op de opmerkingen van Oxfam?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Onmiddellijk na de aardbeving werd ons Belgian First Aid and Support Team, B-FAST, samengesteld uit 22 medische specialisten en logistieke experts, naar het getroffen gebied gestuurd. Dit team heeft een veldhospitaal opgericht in Garhi Dupatta, in de nabijheid van Muzaffarabad. Het ziekenhuis werd later overgenomen door de Rode Halvemaan, dat er gedurende drie maanden 20.000 mensen zal kunnen verzorgen.

Daarnaast hebben de Belgische federale overheid en de Vlaamse regering via het Rode Kruis de aankoop gefinancierd van tenten, dekens en keukenmateriaal voor een totaal bedrag van 500.000 euro. Een eerste deel van de wintertenten, besteld door het Belgische Rode Kruis en vervaardigd te Karachi, zal een van deze dagen aankomen in Islamabad. Tijdens de pledging-sessie van 26 oktober te Genève, heeft de Belgische overheid aangekondigd dat ze 1.400.000 euro aan voedselhulp toekent via het Wereldvoedselprogramma. Ze geeft ook een miljoen euro aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis voor de provisie van materiaal en benodigdheden die de bevolking moeten helpen de winter door de komen.

Het totale bedrag van de Belgische hulp aan Pakistan als antwoord op de aardbeving van 8 oktober jongstleden bedraagt 3.035.000 euro.

Bij humanitaire hulp is het OCHA verantwoordelijk voor de coördinatie.

Er lopen nieuwe initiatieven om betere humanitaire antwoorden te kunnen formuleren, zoals het Expanded Central Emergency Revolving Fund of het uitgebreide CERF (E-CERF). Dit initiatief is een antwoord op de noodzaak om over fondsen te kunnen beschikken om een snelle tussenkomst te kunnen verzekeren in nieuwe humanitaire noodsituaties. Het is ook een antwoord op de humanitaire noden in de vergeten crisissen.

België was altijd al voorstander van de versterking van humanitaire hulpmechanismen om ze doeltreffender, efficiënter en transparanter te maken.

Het idee van een uitgebreid fonds werd tijdens de ECOSOC-bijeenkomst van juli 2005 aangenomen. Aan de Algemene Vergadering werd gevraagd om een verbetering van een dergelijk fonds uit te werken. Op dit ogenblik kan dit fonds enkel leningen krijgen. Er werd gevraagd ook donaties mogelijk te maken.

Dit punt werd aangesneden tijdens de 59ste Algemene Vergadering van september 2005 in de reflectie over de versterking van de Verenigde Naties en de coherentie van het systeem en opgenomen in de resolutie in Hoofdstuk V, punt 169: `We support stronger system-wide coherence by implementing the following measures: (...) Strengthening the effectiveness of the United Nations humanitarian response, inter alia, by improving the timeliness and predictability of humanitarian funding, in part by improving the Central Emergency Revolving Fund.'

Intussen heeft OCHA een studie gemaakt over de werking van het fonds en de beperkingen ervan. Een eerste document, dat het uitgebreide fonds voorstelt, is verspreid onder de donoren tijdens de Side Event on Humanitarian Reform and the CERF, georganiseerd te New York in de marge van de septembertop van de E-CERF van 2005 en staat op de agenda van de 60ste Algemene Vergadering die momenteel aan de gang is.

Jan Egeland, de adjunct-secretaris-generaal belast met humanitaire hulp, doet een oproep om vanaf 2006 een fonds op te richten. Hij vraagt de hulp van de donoren om een fonds van 500 miljoen dollar te financieren, waarvan 50 miljoen dollar aan leningen en 450 miljoen aan donaties. Bepaalde landen hebben hun optionele bijdrage reeds aangekondigd: Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden, Nederland en Zwitserland.

Inzake het voorstel van Jan Egeland om zo'n uitgebreid fonds op te richten, heeft België een open, gunstige en pragmatische houding aangenomen. We vragen dat een hele reeks praktische voorwaarden inzake dit fonds, die vandaag alleen op papier bestaan, worden verhelderd. Het gaat dan vooral over de bedragen, het bestuur, de toekomstige werk- en gebruikswijze, de financiële steun op lange termijn, enzovoorts. België is in ieder geval voorstander van een uitgebreider fonds.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het uitgebreide antwoord maakt mij nog niet duidelijk hoe de samenwerking tussen de federale staat en onze deelstaten verloopt? De minister verwees daarvoor naar OCHA, maar dat slaat vermoedelijk op de Europese samenwerking. Verloopt de samenwerking tussen de federale staat en bijvoorbeeld de Vlaamse regering ook via dit OCHA?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Ik weet dat de federale en de Vlaamse overheid een samenwerking op touw hebben gezet en dat daarmee een bedrag is gemoeid van 500.000 euro. Ik zal deze vraag zeker doorspelen aan collega De Decker.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de verwijdering van personen die in onthaalcentra verblijven» (nr. 3-829)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de aanhoudingen, met het oog op uitwijzing, in de onthaalcentra» (nr. 3-825)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik kom terug op het probleem van de verwijdering of uitwijzing van de vreemdelingen die in opvangcentra verblijven. In juli en augustus verliepen die uitwijzingen bijzonder problematisch. U hebt beslist om de uitwijzingen deze maand te hervatten.

Er werd gedacht aan een protocol tussen de centra en de bevoegde ministers om de ondervonden problemen op te lossen. Ik verneem nu dat er geen protocol is, maar wel een modus operandi die door de dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil zou zijn goedgekeurd. Wat houdt die `samenwerking' tussen de opvangcentra en de dienst Vreemdelingenzaken in?

De NGO's zijn bijzonder kritisch. Houdt de overeenkomst rekening met de aard van de opdrachten van de opvangcentra? De opvangcentra moeten de asielzoekers opvangen, terwijl de dienst Vreemdelingenzaken en de minister van Binnenlandse Zaken heel andere bevoegdheden hebben. Zal het gevolg van die modus operandi niet zijn dat de bewoners die met een uitwijzing bedreigd worden, de opvangcentra verlaten en in de illegaliteit verdwijnen?

Ook het zenden van informatie van de opvangcentra naar de dienst Vreemdelingenzaken is belangrijk. De NGO's vragen zich af of hier geen inbreuk gepleegd wordt op de wetgeving ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De maatschappelijk werkers moeten in de plaats van de politie de oproep overhandigen aan de bewoners en aan de dienst Vreemdelingenzaken. Is dat wel verenigbaar met de missie van de opvangcentra?

Veel vreemdelingen die worden uitgewezen, wachten op een uitspraak van de Raad van State over het beroep dat ze hebben ingediend. Hoe staat het met uw ontwerp tot inkorting van de procedure bij de Raad van State?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik herhaal voor de zoveelste keer dat de overeenkomst tussen beide administraties bedoeld is ter ondersteuning van de uitwijzingsoperaties en van de missie van Fedasil, met name het zorgen voor de opvang en de begeleiding van asielzoekers in de centra, die vóór alles plaatsen moeten zijn waar iedereen kan leven in een klimaat van vertrouwen en veiligheid.

Het overeengekomen kader voor eventuele toekomstige uitwijzigingen handhaaft zowel de vertrouwensrelatie tussen het opvangpersoneel en de bewoners van de centra als de sociale opdracht van Fedasil.

In de instructies wordt veel belang gehecht aan de voorlichting van de `uitwijsbare' asielzoekers. De dienst Vreemdelingenzaken zal de centra voortaan vragen om individuele informatie over asielzoekers die wellicht worden uitgewezen. De betrokkene zal daarvan op de hoogte worden gebracht en hem zal worden gewezen op de verschillende mogelijkheden, ook op de vrijwillige terugkeer. Het personeel van het centrum kwijt zich op die manier van zijn wettelijke opdracht, namelijk het overbrengen van de informatie van de dienst Vreemdelingenzaken. Ook het transparantiebeginsel wordt nageleefd.

Het centrum kan de dienst Vreemdelingenzaken ook elementen aanreiken die een uitwijzing onmogelijk maken, al was het maar tijdelijk.

De afgewezen asielzoekers werden altijd al systematisch op de hoogte gebracht van hun eventuele uitwijzing. De nieuwe modus operandi voorziet in duidelijke informatie daaromtrent. Met de interne richtlijnen wil men in het centrum een sereen en rustig klimaat behouden en paniek voorkomen.

We moesten voorkomen dat de centra `valstrikken' worden voor de asielzoekers die er van rechtswege worden opgevangen. De centra mogen echter ook geen heiligdommen worden die de uitwijzing van afgewezen asielzoekers verhinderen.

Het centrum moet de gemeente één keer per maand een lijst overhandigen met de namen van alle bewoners van het centrum. Wanneer de gemeente nauwkeurig weet hoeveel inwoners ze heeft, kan ze haar wettelijke opdracht vervullen.

Conform artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens werd daarvan aangifte gedaan bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

In de interne richtlijnen voor de directeurs staat dat de politie de oproep om zich in het commissariaat aan te melden gewoon achterlaat als de asielzoeker zich op dat ogenblik niet in het centrum bevindt. Wanneer de asielzoeker in kwestie zich opnieuw in het centrum meldt, moet de directeur hem die oproep overhandigen.

Ik bevestig dat een kandidaat-vluchteling in de onderzoeksfase van de asielaanvraag recht heeft op sociale bijstand in een open centrum. Als gevolg van een arrest van het Arbitragehof behoudt de afgewezen asielzoeker dat recht als hij de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of van de Vaste Commissie voor Vluchtelingen heeft aangevochten bij de Raad van State. Een afgewezen asielzoeker, die hier dus illegaal verblijft, geniet sociale bijstand in een open opvangcentrum.

Ik wijs erop dat ik, hoewel een procedure voor de Raad van State geen deel uitmaakt van de asielprocedure - en de uitwijzingsbeslissing dus niet kan opschorten - een richtlijn van 23 juli 2002 van mijn voorganger heb overgenomen. Daarin staat dat het bevel om het grondgebied te verlaten pas kan worden uitgevoerd nadat de Raad van State een uitspraak gedaan heeft over het dringende beroep dat de afgewezen asielzoeker heeft ingediend. Dat beroep wordt dus gewaarborgd.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik heb enkele opmerkingen bij het antwoord van de minister op de vraag van mevrouw Nyssens.

Ik begin bij de modus operandi, de nieuwe organisatie van de uitwijzing van personen die in open opvangcentra verblijven. Toen men besliste de systematische financiële hulp te vervangen door opvang in centra, vroeg men zich af hoe de uitwijzing van daaruit zou moeten worden georganiseerd. Men was het er echter over eens dat dit nooit zou gebeuren omdat de dossiers van bewoners van open centra snel zouden worden onderzocht. Het verheugt me dat de minister toegeeft dat de procedure te lang duurt. De minister heeft de Raad van State een hervormingsplan voorgelegd om de achterstand weg te werken, de procedure te versnellen en een administratieve rechtspraak mogelijk te maken. Wij zijn reeds lang vragende partij voor die wijzigingen. De nieuwe modus operandi waarover de minister spreekt, zal op het terrein helaas niet veel veranderen. Het komt er immers gewoon op neer dat de asielzoekers voortaan op de hoogte zullen worden gebracht van het bevel om het grondgebied te verlaten. Het zal dan ook niemand verbazen dat ze nadien in de illegaliteit verdwijnen.

Deze modus operandi verandert haast niets aan de situatie van de asielzoekers die al heel lang in de open centra verblijven.

Ik heb uw uitleg over de vormaspecten goed begrepen. Men zal de asielzoekers een brief sturen, men zal hen wijzen op de verschillende mogelijkheden die ze hebben en men zal het personeel van de centra vragen om als tussenpersoon op te treden bij het overhandigen van de brief.

De procedure daarentegen blijft ongewijzigd. Asielzoekers die al lang in een open centrum verblijven en worden uitgewezen, zouden hun vertrouwen in het opvangcentrum kunnen verliezen. Normaal worden de uitgeprocedeerde asielzoekers immers naar gesloten centra overgebracht om van daaruit uitgewezen te kunnen worden.

De asielzoekers zullen de huidige regeling moeilijk kunnen begrijpen. Er heerst verwarring, niettegenstaande de elementen die u aanhaalt om het vertrouwen tussen het personeel en de asielzoekers in de centra te herstellen.

Er is niets geregeld zolang de procedure niet wordt ingekort.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik zal kort zijn. Mevrouw Durant heeft mijn repliek eigenlijk al overgenomen.

Wanneer zal het ontwerp tot inkorting van de procedures bij de Raad van State worden ingediend?

Ik blijf ervan overtuigd dat deze modus operandi onverenigbaar is met de opdracht.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb nog twee bijkomende mededelingen.

Ten eerste, de dossiers van asielzoekers die met een uitzonderlijk lange asielprocedure geconfronteerd worden, zijn het onderwerp van een individueel onderzoek met het oog op een snelle regeling van hun situatie. Hetzelfde geldt voor de mensen die zich in een uitzonderlijke medische of humanitaire toestand bevinden.

Ik zal in het parlement twee wetsontwerpen indienen. Het eerste heeft betrekking op de subsidiaire bescherming, het tweede op de hervorming van de asielprocedure. Het laatste bevat ook de hervorming van de Raad van State en de oprichting van een administratief rechtscollege, bevoegd voor het asiel en het verblijf van vreemdelingen. De regering heeft de beginselen goedgekeurd. Ik zal de wetsontwerpen op 23 november eerstkomend aan het kernkabinet voorleggen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik heb geen bijkomende vraag voor de minister. Ik wil vooral dat de termijnen van de asielprocedure worden ingekort. We zullen de ingediende teksten nauwkeurig onderzoeken.

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het advies van de privacycommissie omtrent de elektronische identiteitskaart» (nr. 3-830)

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Uit een advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer over de elektronische identiteitskaart blijkt dat het totaal onduidelijk is wie welke gegevens die op de elektronische identiteitskaart zijn opgeslagen mag lezen. Dat blijkt overigens de reden te zijn waarom er momenteel geen medische gegevens op de kaart worden gezet, vermits deze informatie alleen door artsen mag worden geraadpleegd.

In haar advies verwijst de commissie naar de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten. Daarin staat dat elke geautomatiseerde controle van de elektronische identiteitskaart het voorwerp moet uitmaken van een koninklijk besluit waarin de leesprocedure wordt bepaald, met andere woorden wie welke gegevens mag lezen. Dat besluit is er echter nog altijd niet.

Ik geef één anekdote die een praktisch gevolg weergeeft van de afwezigheid van dit koninklijk besluit. Een collega van mij ondervond enkele dagen geleden problemen toen hij in een autoverhuurbedrijf om een adresbewijs werd gevraagd. Dat is een document dat men op zak moet hebben, naast de elektronische identiteitskaart. Op de identiteitskaart zelf is immers geen adres vermeld. Aangezien de chip op de identiteitskaart niet mag worden gelezen, is een document met de adresgegevens nodig.

Bovendien heeft de commissie bedenkingen bij het ongebreideld gebruik van de kaart voor het opslaan van allerlei informatie die niets te maken heeft met de identificatie en met de controle van authenticiteit.

Intussen stellen wij wel vast dat de uitreiking van deze kaarten volop aan de gang is, voor zover ik aanneem samen met het adresbewijs.

Is het correct dat het bedoelde koninklijk besluit nog altijd niet is uitgevaardigd? Wordt dat momenteel voorbereid en zo ja, hoever staat het daarmee?

Welke gegevens worden er momenteel op de elektronische identiteitskaart gezet? Wie kan deze gegevens lezen? Zijn er via een andere weg dan een koninklijk besluit instructies verspreid in verband met de leesprocedure van de gegevens, bijvoorbeeld aan de politie?

Is het nog wel mogelijk de uitreiking van elektronische identiteitskaarten voort te zetten? Zijn de reeds verspreide elektronische identiteitskaarten wel rechtsgeldig?

Wat is het standpunt van de minister met betrekking tot de bedenkingen van de commissie inzake het ongebreidelde gebruik van de elektronische identiteitskaarten, meer bepaald het toevoegen van gegevens die er volgens de commissie niet horen op te staan, omdat ze bijvoorbeeld tot het medisch geheim behoren?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is mij niet toegestuurd. Noch mijn departement, noch ikzelf hebben er kennis kunnen van nemen. Ik antwoord dan ook met een zeker voorbehoud en beperk mij tot een eerste reactie.

De gegevens die op de elektronische identiteitskaart staan zijn vastgelegd bij wet van 25 maart 2003. De wetgever heeft dus zelf bepaald welke gegevens op de elektronische identiteitskaart staan. Het uitgangspunt daarbij is dat de gegevens op de chip dezelfde zijn als degene die met het blote oog zichtbaar is. Alleen het adres staat enkel elektronisch op de kaart. Die bepaling is in overeenstemming met de Europese aanbevelingen dienaangaande en werd ook ingegeven door economische overwegingen.

De geautomatiseerde controle van de elektronische identiteitskaart door optische of andere leesprocédés, zoals bedoeld in de wet betreffende de identiteitskaarten, veronderstelt een automatisch procédé en een controle door de politie of een soortgelijke controle. Een geautomatiseerde controle kan bijvoorbeeld een toegangscontrole tot een vliegtuig zijn. Dergelijke geautomatiseerde controleprocédés bestaan bij mijn weten nog niet. Zonder concrete toepassingen achten mijn diensten het voorbarig dit reeds te reglementeren.

De situatie lijkt me volkomen verschillend als de burger een beroep doet op een dienstverlener en zijn kaart dan op vrijwillige of contractuele basis gebruikt. Op een gepast apparaat zijn de elektronische gegevens van de kaart vrij leesbaar, zoals bij het manueel tonen van de identiteitskaart.

Het gebruik door de dienstverlener valt onder de toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Soortgelijke toepassingen werden al toegestaan door de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij voorbeeld om de toegang tot containerparken te controleren bij middel van de elektronische identiteitskaart.

Bij wijze van conclusie kan ik voorlopig stellen dat de kaart aanvankelijk werd ontworpen om uitsluitend identiteitsgegevens te bevatten. Vooraleer extra gegevens die geen verband houden met de identiteit, op de kaart op te slaan, moet ook in extra bescherming worden voorzien en moet er een aanvullende reglementering worden uitgewerkt.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Mevrouw de voorzitter, mag ik u beleefd verzoeken het advies dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan u heeft toegezonden, ook aan de minister te bezorgen?

De minister heeft niet geantwoord op mijn vraag of de burger nog altijd twee documenten nodig heeft. Ik hoop van niet, want alle gegevens zijn opgeslagen op de elektronische identiteitskaart.

De praktijk toont echter aan dat bepaalde firma's in contractuele relaties de adresgegevens nodig hebben en ze niet kunnen inlezen. Er schuilt een anomalie in wat wij de burger opleggen: ofwel moet hij alleen zijn identiteitskaart bij zich hebben ofwel moet hij ook het bewuste document bij zich hebben.

Mochten de gemeenten dat document niet meer moeten afleveren, dan zou hen een pak administratief werk bespaard worden. Ik heb dat document in het dubbel gekregen. De stad waar ik woon, telt 30.000 inwoners en moet dus 60.000 velletjes papier bedrukken. Daarvoor zijn heel wat bomen nodig.

Er moet duidelijkheid komen en het bewuste koninklijk besluit moet zo snel mogelijk worden uitgevaardigd.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Bij het begin van het jaar heb ik de politiezones laten weten dat het bewuste document bij controles niet meer mag worden gevraagd. Als de politie controles wil uitvoeren, dan moet ze over kaartlezers beschikken.

De aankoop van die niet eens zo dure lezers kan worden gefinancierd met gelden uit het Verkeersveiligheidsfonds.

De burgers hebben lang gedacht dat zij zowel hun identiteitskaart als dat document bij zich moesten hebben. Ik herhaal dat de politie dat document bij controles niet meer mag vragen.

Wil men de kaart ook in contractuele relaties nuttig kunnen gebruiken, dan moet eerst de reglementering worden uitgebreid.

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de publicatie van een koninklijk besluit inzake de partijfinanciering» (nr. 3-831)

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Een artikel in Het Laatste Nieuws van 8 oktober 2005 meldt dat de Ministerraad op 7 oktober de VZW Vrijheidsfonds met toepassing van de wet van 4 juli 1989 heeft erkend als VZW die de partijfinanciering voor de partij Vlaams Belang zal ontvangen. Die VZW zal echter pas als partijfinancierings-VZW kunnen functioneren wanneer het desbetreffende koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is verschenen. Tot op heden is dit niet gebeurd.

Wat is de reden van deze vertraging? Wanneer zal de publicatie ervan dan wel geschieden?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De Ministerraad heeft inderdaad het koninklijk besluit op 7 oktober goedgekeurd. Ik heb het ondertekend en aan de Koning ter ondertekening voorgelegd. Zodra de Koning het besluit getekend heeft, zal het in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Is het normaal dat deze procedure zo lang duurt? Of heeft de Koning gewetensproblemen?

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de BTW-plicht van gemeenten in het kader van het beheer van hun riolering» (nr. 3-1065)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Gemeenten beschikken momenteel over enkele mogelijkheden wat betreft de aanleg en het onderhoud van rioleringen. Zo kunnen ze het beheer overdragen aan een drinkwatermaatschappij of aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband. De gemeente kan ook de riolen in eigen beheer houden en met de drinkwatermaatschappij een overeenkomst sluiten om het vervuilde water in te zamelen en af te voeren. Voor dit goederenvervoer, een transportdienst, wordt aan de drinkwatermaatschappij een vergoeding aangerekend.

Uit de BTW-wetgeving kan moeilijk worden uitgemaakt of de gemeente in dat geval BTW-plichtig is. Een overheid is normaal niet BTW-plichtig: men gaat ervan uit dat het rioolbeheer rechtstreeks voortvloeit uit de taken van de gemeente als overheid. Nu er echter verschillende spelers op de markt zijn - intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, Aquafin NV, drinkwatermaatschappijen - gaat het om een activiteit waarvoor de gemeente in concurrentie komt met anderen. Bijgevolg zou de gemeente voor deze transportdienst BTW-plichtig moeten zijn. Bovendien wordt een gemeente, overeenkomstig de zesde BTW-richtlijn, aangemerkt als BTW-plichtige voor het vervoer van goederen. Deze bepaling uit de zesde BTW-richtlijn heeft rechtstreekse werking, zodat een gemeente er zich kan op beroepen ten opzichte van de overheid.

Het feit dat een gemeente voor deze transportdienst BTW moet betalen, is een budgettaire meevaller. De gemeenten kunnen dan immers de BTW op de aanleg en het onderhoud van de rioleringen terugvorderen. Bovendien is het een nieuw element in de besluitvorming over het overdragen van de gemeentelijke riolen in het kader van de saneringsverplichting die sinds 1 januari 2005 op de drinkwatermaatschappijen rust.

De meeste gemeenten willen vóór het einde van het jaar een standpunt innemen over hun rioolbeheer. Ik heb daar enkele vragen bij.

Klopt het dat een gemeente die het rioolbeheer in eigen beheer houdt en met een drinkwatermaatschappij een overeenkomst sluit om het vervuilde water in te zamelen en af te voeren, voor die transportdienst als een BTW-plichtige moet worden beschouwd en dit voorafgaand aan de invoering van een nieuw wetgevend kader inzake de BTW-plicht voor gemeenten? Hierdoor zal dan ook een recht op aftrek, in dit geval BTW, ontstaan op de aanleg en het onderhoud van de rioleringen.

Zo ja, kan de minister bevestigen dat de nodige instructies zullen worden gegeven aan de lokale BTW-kantoren die een BTW-nummer moeten geven aan de gemeenten die voormelde transportactiviteit wensen te ontwikkelen.

Welk gevolg zal de minister geven aan arrest 57/2005 van het Arbitragehof om de uitbreiding van de BTW-belastingplicht van gemeenten, conform de zesde BTW-richtlijn, in het Belgische BTW-wetboek in te voeren? Binnen welke tijdsspanne zal dat gebeuren?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Ik kan het standpunt van de heer Steverlynck bevestigen. Wanneer een gemeente een overeenkomst sluit met een drinkwatermaatschappij om het vervuilde water in te zamelen en af te voeren en deze handeling als een transportdienst kan worden aangemerkt, is die gemeente, overeenkomstig artikel 4, 5º, van de zesde BTW-richtlijn, BTW-plichtig, met recht op aftrek. Het gewoon ter beschikking stellen van rioleringen kan evenwel niet als een transportdienst worden aangemerkt, ook niet als dat met de nodige onderhoudsdiensten gepaard gaat.

De lokale BTW-kantoren zullen via het interne netwerk de nodige instructies krijgen.

Mijn administratie heeft een voorontwerp van wet opgesteld om artikel 6 van het BTW-wetboek in overeenstemming te brengen met de communautaire en de grondwettelijke regels, zoals opgelegd in arrest 57/2005 van het Arbitragehof.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De gemeenten zullen het sterk appreciëren dat er eindelijk een duidelijk antwoord wordt gegeven.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de hervorming inzake het spaarboekje als alternatief voor de kapitalisatie-bevek» (nr. 3-1069)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De regering heeft de bedoeling de kapitalisatiebeveks in nog nader te bepalen gevallen te belasten. De minister heeft gewezen op alternatieven voor de kleine spaarder, namelijk de aankoop van een huis of het bekende spaarboekje.

Onze commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is overigens begonnen met de discussie over een wetsvoorstel dat een grotere transparantie beoogt van de berekening van de aangroei- en getrouwheidspremies op spaarrekeningen.

Het spaarboekje is een erg populair spaarmiddel, maar de geldende bepalingen doen drie grote problemen rijzen.

Het eerste betreft de berekening van de rente. Niet alle banken brengen op dezelfde wijze het aantal dagen in rekening. Het is niet duidelijk vanaf wanneer de storting rente opbrengt en vanaf wanneer de rente stopt na een afhaling.

De valutadata zijn overigens niet dezelfde voor de basisrente en voor de aangroei- en getrouwheidspremies.

Ten tweede kent de reglementering verschillende interpretaties. Elke bank hanteert andere valutadata. De berekening van de premies varieert ook van bank tot bank.

Ten derde leiden de toepassing van de valutadata en de toekenningsvoorwaarden van de aangroei- en getrouwheidspremies soms tot een verschil tussen het beloofde rendement en het werkelijk ontvangen rendement. Dat vinden de spaarders belangrijk.

Met betrekking tot die drie problemen beveelt de Belgische Vereniging van Banken sinds 1 januari 2003 aan zijn leden aan om aan de spaarders een document te bezorgen met de voorwaarden van de spaarrekening. Toch gaat het slechts om niet dwingende aanbevelingen.

Het aanbieden van gedetailleerde informatie brengt overigens geen oplossing voor de ingewikkelde renteberekeningen of de valutadata.

Tijdens de besprekingen in de commissie heeft de minister ons wat geduld gevraagd omdat de regering een akkoord met de banken probeert te bereiken.

Zo zal vanaf 1 januari 2006 elke storting rente opleveren ten laatste vanaf de kalenderdag na de storting. Elke afhaling zal ten vroegste geen intrest meer opleveren vanaf de kalenderdag die de afhaling voorafgaat. Toch blijven de regels inzake de duur van de aangroeipremie en de vermindering van de wachttijd om de getrouwheidspremie te krijgen zodra de eerste 12 maanden zijn verstreken, onduidelijk voor de kleine spaarder.

Er zou op dat punt geen akkoord zijn bereikt met de banken. We moeten de discussie in de commissie hervatten waar ze is gestopt.

Als de regering de basisproducten van de kleine spaarder wil bevoordelen als alternatief voor de kapitalisatiebeveks, wil ik van de minister weten of hij een aanvullend initiatief gaat nemen om een volledige transparantie van de spaarrekeningen te garanderen door het verschil tussen het beloofde en het werkelijke rendement weg te nemen en de voorwaarden van die rekeningen voldoende begrijpelijk te maken voor de spaarders. Indien dat zo is, hoe zal dat dan gebeuren? Zo neen, waarom niet?

Vindt hij het niet opportuun om naast de basisrente nog alleen de getrouwheidspremie te behouden? Die zou na zes maanden worden verkregen, te beginnen op de dag na de storting, en nadien berekend worden naargelang de duur van de inleg. Als hij dat niet wenselijk acht, zou ik willen weten waarom.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - In België was het klimaat voor het sparen meer dan gunstig. We hebben dat in 2004 gezien met de toevloed van kapitaal naar ons land met de eenmalig bevrijdende aangifte. Men schat dat er meer dan 25 miljard euro naar België is teruggevloeid, met name op spaarrekeningen; 5,7 miljard werd rechtstreeks of onrechtstreeks aan Financiën aangegeven met een opbrengst van 500 miljoen voor de fiscus. Wij zullen dus verder gaan met een regularisatiesysteem dat waarschijnlijk nog ander kapitaal zal doen terugkeren. Dit keer wordt echter het normale tarief betaald, ongeacht de verschuldigde belasting. Voor de roerende voorheffing op rente is dat uiteraard 15%.

De mechanismen om het sparen aan te moedigen werden ook versterkt. De aftrek op hypothecaire leningen om een eerste woning te verwerven werd verhoogd. Het parlement heeft die maatregel aangenomen. We hebben ook maatregelen genomen voor het pensioensparen. Ze zullen aan het parlement worden meegedeeld, maar werden reeds opgenomen in koninklijke besluiten. Voortaan kan het aftrekbare bedrag voor pensioensparen worden verhoogd met 25%. Dat is gedurende twintig jaar niet gebeurd. We zijn van 620 naar 780 euro gegaan. De spaarder kan vanaf nu tot 31 december 2005 het bedrag van zijn pensioenspaarrekening aldus met 160 euro verhogen, een koppel met 320 euro. Dat levert een fiscaal voordeel van 120 tot 150 euro op. Dat is dus een belangrijke versterking van het pensioensparen. In het generatiepact hebben we tevens de tweede pensioenpijler versterkt en niet enkel de derde. Voor mensen die tot hun 65 werken wordt de fiscaliteit verlaagd van 16,5 naar 10%.

Ook voor het spaarboekje hebben we de vrijstellingen verhoogd. In het verleden kon een gezin daar slechts éénmaal van genieten. De volledige decumulatie, die wij voor alle soorten inkomsten hebben doorgevoerd, maakt dat, volgens een berekening die met de banken werd afgesproken, de vrijstellingen voor de gezinnen worden verdubbeld. Het gaat nu om een bedrag van meer dan 3000 euro omdat de fiscale vrijstelling op de roerende voorheffing geldt voor elk van de belastingplichtigen afzonderlijk. Met 3% rente, wat vandaag niet evident is, betekent dit dat er meer dan 100.000 euro spaargeld moet zijn op één of meer spaarboekjes om de grens van de vrijstelling te bereiken.

Er bestaan dus andere middelen dan een welbepaald product om bepaalde fiscale voordelen te kunnen genieten. De reglementaire bepalingen voor de spaarboekjes maken het mogelijk verschillende berekeningswijzen te gebruiken. Toch is een begin gemaakt inzake eenvormigheid van de berekening van de valutadata. Die regeling zal op 1 januari 2006 in voege treden. Daarnaast heeft Febelfin een aanbeveling opgesteld voor zijn leden om de spaarders een document ter beschikking te stellen waarin de werking en voorwaarden van de spaarrekening worden uitgelegd. Hoewel die niet bindend is, wordt ze toch door de banken gevolgd. De spaarder kan dus met kennis van zaken een spaarrekening bij de bank van zijn keuze openen. De aangroei van de stortingen toont aan dat het nog steeds om een zeer populair product gaat. Wat ik ook geregeld hoor of lees over de slechte werking van dit product, toch lijkt dit niet de mening van de spaarders zelf te zijn. Ik kan wel verder onderzoeken of het mogelijk is de berekeningswijze van aangroei- en getrouwheidspremies te vereenvoudigen. Ik ben echter geen voorstander van het samensmelten van beide premies. Aangroei en trouw zijn twee uiteenlopende begrippen die goed gekend zijn door de spaarders.

Het is onze bedoeling de belasting op het spaargeld stabiel te maken. We willen een werkgroep oprichten met vertegenwoordigers van de financiële sector en mijn departement. Die werkgroep zal de invoering van een hele reeks maatregelen opvolgen, zowel de nieuwe fiscale maatregelen voor de regularisatie van kapitalen als de eventuele verbetering van bepaalde aanbevelingen zoals die voor de spaarrekeningen.

Ik denk dat de spaarders met kennis van zaken een keuze kunnen maken, maar dat het nuttig kan zijn de berekeningswijze voor de verschillende soorten premies te vereenvoudigen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Zoals de minister zei, moet er voor het spaarboekje meer transparantie en duidelijkheid komen.

Bij gebrek aan een regeringsinitiatief is het raadzaam onze commissievoorzitter te verzoeken dit punt zo snel mogelijk opnieuw op de agenda te plaatsen.

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aansluiting van de OCMW's op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid» (nr. 3-1061)

De heer Luc Willems (VLD). - In het voorjaar van 2005 werd melding gemaakt van de verplichte aansluiting van alle OCMW's bij de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid (KSZ).

Er werden diverse doelstellingen ontwikkeld, zoals:

Enkele van de genoemde doelstellingen kunnen wellicht bijdragen tot de betere en snellere opsporing van misbruiken, zoals bijvoorbeeld het aanvragen van een leefloon bij verschillende OCMW's of het krijgen van een uitkering bij verschillende sociale zekerheidsinstanties.

Er was tevens sprake van de aanmaak van een `uniek sociaal zekerheidsdossier' voor sociaal verzekerden dat ook door derden zou kunnen worden geraadpleegd.

Ten slotte zouden er minimale kwaliteitsnormen voor maatschappelijk werk worden opgesteld, gekoppeld aan de oprichting van een ombudsdienst, die zou kunnen bemiddelen in geval van conflicten tussen de OCMW's en hun cliënten.

Hoeveel OCMW's zijn er inmiddels aangesloten bij de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid?

Is er reeds een datum vastgelegd waarop alle OCMW's bij de KSZ moeten zijn aangesloten?

Zijn er reeds misbruiken vastgesteld door de OCMW's, die toegang hebben tot de KSZ- gegevens van hun cliënten? Zo ja, om hoeveel en om welk soort misbruiken gaat het?

Hoever staat men met de ontwikkeling van het `uniek dossier' van de sociaal verzekerde? Welke gegevens zullen zeker in zo'n uniek dossier worden opgenomen?

Wanneer denkt de minister de minimale kwaliteitsnormen voor maatschappelijk werk in te voeren?

Wanneer zal de ombudsdienst, die kan bemiddelen tussen de OCMW's en hun cliënten, operationeel zijn?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Eind september 2005 bevonden er zich 540 OCMW's in de testfase voor aansluiting op het netwerk van de Kruispuntbank en 254 in de actieve productiefase. Dat is dus zeer positief. Daarnaast hebben 57 OCMW's de webtoepassing gebruikt die werd ontwikkeld door de POD Maatschappelijke Integratie om zich aan te sluiten op de KSZ.

De verplichting inzake de overdracht van gegevens voor de aanvraag van een toelage in het raam van de wet betreffende het leefloon via de Kruispuntbank, zal van start gaan op 1 januari 2006.

Begin 2007 zal de verklaring van de OCMW's met het oog op het krijgen van een toelage voor het recht op maatschappelijke integratie in het raam van de wet van 2 april 1965 ook worden opgenomen in de uitwisseling van gestandaardiseerde elektronische gegevens van het netwerk van de sociale zekerheid. De voorbereiding van het `enig dossier' is gepland vanaf 2008. In het raam van het stuurcomité dat werd opgericht, zal de POD Maatschappelijke Integratie werken aan een gestandaardiseerd sociaal dossier waardoor derden de dossiers kunnen gebruiken die door de OCMW's op het netwerk van de Kruispuntbank worden geplaatst. De federaties van OCMW's hebben reeds de inventaris opgemaakt van de gegevens die afkomstig zijn van andere sectoren op basis waarvan de OCMW's werken en waarvoor prioritair elektronische stromen moeten worden ontwikkeld.

Voor elke overdracht van gegevens van persoonlijke aard tussen de instellingen van sociale zekerheid of aan derden is het principeakkoord nodig van het Sectoraal comité van de sociale zekerheid. Elke toestemming die wordt gegeven is openbaar. Alleen de gegevens die door de OCMW's worden verstrekt aan de KSZ voor de opname van personen in het repertorium van personen, mogen ter beschikking worden gesteld van andere sectoren mits toestemming van het Sectoraal comité van de sociale zekerheid. De verschillende partners moeten dus vertrouwen hebben in elkaar en moeten ook zelf kunnen vaststellen dat er geen misbruiken zijn. Het gaat in hoofdzaak om het rijksregisternummer, de identificatie van het OCMW die de persoon ten laste heeft, de naam, de voornaam, de hoedanigheid en de start en het einde van de periode waarin het OCMW de persoon ten laste neemt.

De gegevens betreffende het sociaal onderzoek die door de OCMW's worden verstrekt aan de POD Maatschappelijke Integratie, zijn niet beschikbaar voor de andere sectoren. Het Sectoraal comité zal pas toestemming geven wanneer de betrokken sector over een wettelijke basis beschikt en/of wanneer er een aantoonbare sociale relevantie bestaat.

De POD Maatschappelijke Integratie, die deel uitmaakt van het netwerk van de sociale zekerheid en die de gegevens verkregen heeft via het netwerk, is gebonden aan het beroepsgeheim zoals vermeld in artikel 28 van de wet betreffende de oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. De risico's van misbruik van de gegevens van OCMW-cliënten, zijn dankzij de beschermingsmechanismen, zeer beperkt.

Het bestek voor een universitaire studie betreffende de kwaliteitsnormen inzake maatschappelijk werk, wordt nu voorbereid. Gezien de omvang van het onderzoeksveld wordt de tijdsduur van het onderzoek geschat op een jaar, wat globaal gezien overeenstemt met het startjaar van het project van het `enig dossier'. Er zijn enorme verschillen tussen de OCMW's; in de steden worden er immers veel meer dossiers behandeld dan in kleinere gemeenten.

Wat de ombudsman van de OCMW's betreft, heb ik net vrij positieve reacties binnengekregen vanuit de verenigingswereld. De federaties van OCMW's reageren minder positief, zij moeten nog overtuigd worden dat het geen middel is om hun werk te controleren. We vinden alleen dat het beter is om een bemiddelingsinstantie in het leven te roepen dan meteen naar de rechtbank te stappen. Eerstdaags wil ik een ontmoeting organiseren tussen mijn medewerkers, de federaties van OCMW's en de verenigingen om de grote lijnen van het dossier te bepalen.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor het uitgebreide antwoord. Alles zit blijkbaar nog in de opstartfase. Het is wel goed dat we tot nu toe nog geen misbruiken hebben kunnen vaststellen.

Er schijnen problemen te zijn rond de privacy. Het zijn blijkbaar vooral de OCMW's zelf die nog niet ten volle overtuigd zijn van het nut van het systeem. Ik ben er wel van overtuigd.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Misbruiken bestaan en kunnen worden opgespoord. De daartoe noodzakelijke uitwisseling van informatie is echter nog niet mogelijk. Er is overigens niet altijd opzet in het spel. Sommige mensen krijgen bijvoorbeeld een toelage waarop ze geen recht meer hebben omdat ze plots wat meer verdienen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de organisatie door Selor van de tweede selectieproef voor de toegang tot niveau C» (nr. 3-1068)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Selor heeft begin deze maand de tweede selectieproef voor de toegang tot niveau C georganiseerd voor de kandidaten die geslaagd waren voor de eerste proef. Er is heel wat commentaar op dat examen. Het OFO had weliswaar een opleidingsprogramma ontwikkeld en een voorbereidingsblaadje gepubliceerd dat door tal van kandidaten werd gewaardeerd, maar toch was menig deelnemer onthutst over het vereiste niveau, de compactheid en de lengte van de proef, maar vooral over het feit dat die helemaal niet overeenstemde met de inhoud van de door het OFO gegeven opleidingen.

Bevestigt de minister die situatie? Meent hij met andere woorden niet dat het vereiste niveau van de selectieproef voor de toegang tot niveau C, de compactheid van die proef en het gebrek aan overeenstemming met de door het OFO verstrekte opleiding bijdragen tot het bijzonder lage slaagpercentage? Zo ja, meent hij niet dat Selor die proef had moeten testen bij een doelpubliek? Vindt hij het niet opportuun dat de opleiders die bij het OFO belast zijn met de voorbereidende lessen, betrokken worden bij het uitwerken van de inhoud van de examens?

Is de minister van plan Selor te vragen het verloop van de proef te evalueren, alsook de overeenstemming van de door het OFO gegeven opleiding met de inhoud van de proef? Zal hij maatregelen nemen ten gunste van de personeelsleden die door dit gebrek aan overeenstemming niet geslaagd zijn voor de proef en daardoor een kans op promotie kunnen mislopen? Zo neen, waarom niet?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Sommige kandidaten voor de tweede selectieproef voor de toegang tot niveau C hebben inderdaad geklaagd over de moeilijkheidsgraad van de proef ten opzichte van de door het OFO voorgestelde opleiding. Ik heb bij Selor bepaalde zaken gecontroleerd om na te gaan wat daar juist van aan is.

Selor heeft de proef eerst getest op 150 personeelsleden van niveau C. Die test was langer om de vragen te kunnen kiezen die in aanmerking kwamen voor de echte proef. Dat waren de vragen waarop de personeelsleden het best hadden geantwoord.

Om de vragenlijst op te stellen werd Selor overigens bijgestaan door Nederlandstalige en Franstalige leraars van het secundair onderwijs.

Bij de correctie van de proef valideert Selor, net als bij elke proef die deze dienst organiseert, de resultaten pas na een evaluatie van het eliminatiepercentage van elke vraag. Met andere woorden, als bij een vraag te veel kandidaten worden geëlimineerd, wordt die vraag niet in aanmerking genomen.

Voor de toegang tot niveau C worden overigens geen negatieve punten toegekend aan de administratieve assistenten, maar wel aan de technische assistenten.

Daarenboven hebben het OFO en Selor vooraf overleg gepleegd om de opleiding zo goed mogelijk af te stemmen op de proef.

Aangezien beslist werd de nadruk te leggen op de beheersing van de moedertaal, hadden zowel de opleiding als de proef betrekking op die materie.

De door het OFO voorbereide opleidingssyllabus vermeldt uitdrukkelijk dat bepaalde vaardigheden die in het dagelijkse werk worden opgedaan, niet in het opleidingsboekje voorkomen, inzonderheid het structureren van het werk en het oplossen van problemen.

Wat de lengte van de proef betreft, zijn de meeste kandidaten doorgegaan tot het einde. Gewoonlijk verlaten 10 tot 15% van de kandidaten de zaal na een uur, de minimumtijd vooraleer te mogen vertrekken. Nu hebben minder dan 5% al na een uur de zaal verlaten.

De moeilijkheidsgraad van de taalproef stemt overeen met het niveau dat de leerlingen aan het einde van het zesde jaar secundair onderwijs moeten bereiken, wat overeenstemt met niveau C.

Selor meldt me bovendien dat er bij de vorige selectie voor toegang tot niveau C in 2000, 30% geslaagden waren voor de eerste proef, en 50% voor de tweede. Dat is dus een totaal slaagpercentage van 15% voor de selectie.

In 2005 zijn 80% van de kandidaten geslaagd voor de eerste proef. We beschikken nog niet over cijfers voor de tweede proef. Hopelijk zijn die beter dan in 2000. De definitieve resultaten zullen eind november beschikbaar zijn. Selor denkt dat het slaagpercentage ongeveer 25% zal bedragen, wat een totaal cijfer van 20% zou zijn, of 5% meer dan in 2000.

Het afwezigheidspercentage op de door het OFO georganiseerde opleidingen lag zeer hoog: 50% voor de technische functies en iets minder voor de administratieve. Bepaalde kandidaten vonden dat de proef gemakkelijker was voor de technische functies dan voor de administratieve. Dat is niet waar, al werden niet dezelfde vaardigheden getest.

Deze proef bevat ook een nieuw element. Overeenkomstig het protocolakkoord van 22 september 2004 zijn de geslaagden immers meteen ook laureaat van de toegangsproeven. Vroeger volgde slechts een benoeming wanneer er een betrekking vacant was. Ik ben vóór opleiding en vóór het feit dat die opleiding uitmondt in een benoeming, maar dat moet wel ernstig gebeuren. Anders zou het volstaan te zeggen dat alle personeelsleden een verhoging krijgen. Dat is sympathiek, maar het heeft geen zin wat de valorisatie van de opleiding betreft.

De kritiek heeft dus meer te maken met angst om te mislukken dan met objectiviteit en realiteit. We beschikken hoe dan ook nog niet over de eindresultaten. Wat mij betreft, lijkt het gezond na te gaan of de proeven volkomen opportuun zijn. Het gaat om een ernstige zaak die aan de basis ligt van de modernisering van de overheidsdiensten.

Het personeel is trouwens onze rijkdom. Ofwel werken we ernstig zoals u en ik dat wensen, en organiseren we ernstige beoordelingen, ofwel gebruiken we automatische procedures, maar dat willen we niet.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik dank de minister voor zijn antwoorden.

We hebben dezelfde informatie over de organisatie van de proeven en de subjectieve moeilijkheidsgraad ervan. We moeten wachten op de definitieve resultaten vooraleer we interessantere conclusies trekken. Fundamenteel moeten we nagaan of de opleiding die de personeelsleden krijgen, wel in overeenstemming is met het soort proef dat ze moeten afleggen. We zullen ons daarover uitspreken aan de hand van de resultaten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Werk over «het stemmen via internet» (nr. 3-1070)

De voorzitter. - De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt namens de heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In een gesprek met een Vlaamse krant kondigde de minister van Werk aan dat bij de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar in één of twee gemeenten een test met internetstemmen wordt georganiseerd.

Internetgebruikers krijgen er de kans om thuis te stemmen via het internet. Ze zullen evenwel ook naar het `gewone' stembureau moeten gaan. Als die test een succes is, dan zou het systeem in 2007 voor de verkiezingen van Kamer en Senaat worden uitgebreid en officieel gemaakt.

Hoe wil de minister de fraudegevoeligheid bij het stemmen via het internet tot een strikt minimum beperken?

Hoe kan de absolute geheimhouding van het stemmen via het internet worden gegarandeerd?

Hoe kan worden verzekerd dat de betrokken personen hun stem zelf hebben uitgebracht?

Op welke wijze wil de minister de personen die over geen internetaansluiting beschikken, de mogelijkheid geven om toch hun stem via het internet uit te brengen?

Zijn de gemeenten waar het stemmen via het internet zal worden getest reeds bekend?

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Uit een recente studie die de gespecialiseerde firma Indigov op vraag van minister Vanvelthoven heeft gedaan, blijkt dat 58,6% van de ondervraagden via het internet wensen te stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen. Dat resultaat heeft de minister ertoe aangezet een voorstel inzake e-voting uit 2004 terug op te diepen. De minister beseft dat nog heel wat problemen moeten worden geïnventariseerd, ontleed en opgelost zoals de fraudegevoeligheid, de geheimhouding, de persoonlijke vrijheid om te stemmen, de toegang tot het internet. Dat zijn mogelijk fundamentele hindernissen.

Om die reden wil de minister van Werk op een beperkte schaal, in één of twee vrijwillige gemeenten, mogelijke oplossingen voor al deze technische en sociaal-juridische problemen testen. Dergelijke tests impliceren geenszins dat de normale stemprocedure door het stemmen via het internet zou worden vervangen. Het resultaat van die tests kan een belangrijk element zijn bij een verdere parlementaire bespreking van de mogelijkheid om stemmen via het internet toe te laten.

Tot op heden zijn nog geen testgemeenten gekozen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zou ook willen weten of er in het buitenland al voorbeelden zijn van stemmen via het internet.

Naast het technische aspect is er ook het democratische aspect. Wordt men morgen burger vanuit de woonkamer? Gaat de Senaat binnenkort zijn vergaderingen organiseren via het internet? Als de virtuele wereld in die zin wordt uitgebreid, wordt de burger niet langer geconfronteerd met de fysieke handeling in een publieke ruimte die de deelname aan de democratie symboliseert. Daarover moet zeker diep worden nagedacht en ik weet dat ook de voorzitter van de Senaat zeer bekommerd is om de fraudegevoeligheid van dergelijke systemen.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Het gaat minister Vanvelthoven uiteraard ten zeerste ter harte dat op een democratische wijze wordt gestemd. Ik zal alleszins de vraag naar buitenlandse voorbeelden aan hem doorspelen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de hoge concentratie aan illegale synthetische drugs in ons land» (nr. 3-1071)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er gaat geen dag voorbij of de media berichten over de inbeslagname van XTC.

Uit een recent vrijgegeven rapport blijkt dat België na Nederland de tweede plaats inneemt voor het aanmaken van XTC en zelfs kampioen is van de labs waar illegaal synthetische drugs worden gemaakt. Omdat België in geen enkele andere wereldstatistiek op de eerste of de tweede plaats staat, vraag ik hiervoor de nodige aandacht. Jaarlijks doekt de politie in ons land vijf à tien drugslabs op, voornamelijk in de Limburgse grensstreek met Nederland en Duitsland en onlangs ook in het Leuvense.

In de productie van XTC doet op wereldvlak enkel Nederland `beter'. In Duitsland, Engeland, Spanje en de Verenigde Staten wordt deze drug ook geproduceerd, maar minder dan in Nederland en België. In het aanmaken van amfetamines komt ons land in de Europese rangorde op de derde plaats na Nederland en Polen. Het wereldklassement werd opgemaakt aan de hand van partijen die werden onderschept.

De Belgische burgemeesters wijzen op het groeiende probleem van de drugspanden in hun steden. Het gaat om privé-panden die tijdelijk door illegale Marokkanen worden gehuurd en dienst doen als distributiecentra voor de drugshandel. De burgemeesters vragen meer bevoegdheden voor het sluiten van dergelijke drugspanden, vermits ze nu uitsluitend bevoegd zijn voor publieke ruimten. De vraag rijst ook naar de mogelijkheid om de namen van eigenaars van tijdelijke huurcontracten door te spelen aan een databank van de politie, die deze gegevens ook nuttig vindt voor terrorismebestrijding.

Hoe staan de ministers tegenover de voorstellen van de burgemeesters? Zijn ze het idee genegen om burgemeesters meer bevoegdheden te geven voor het sluiten van privé-panden waar drugs worden verhandeld? Hoe willen ze de uitwisseling van gegevens over drugshandel en -productie tussen lokale besturen, parketten, lokale en federale politie bevorderen en bestendigen? Hoe wil de regering de productie van synthetische drugs in ons land tegengaan?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - België bekleedt een weinig benijdenswaardige positie op het vlak van de productie van synthetische drugs in het algemeen en ecstasy in het bijzonder. De invloed van Nederland is merkbaar. De meeste illegale laboratoria worden overigens opgedoekt in de grensstreek.

Het verschijnsel van grote stedelijke panden waar drugs worden verspreid, is van een heel andere aard. Het ligt in het verlengde van het drugstoerisme naar Nederland. Het drugsbeleid van Nederland zet heel wat Franse, Belgische en Duitse gebruikers ertoe aan om zich in Nederland te gaan bevoorraden. De Nederlandse steden van de Euregio werden het eerst geraakt door deze vorm van toerisme.

Om dat te verhelpen werd het Hazeldonk-overleg in het leven geroepen. Door dit overleg wordt de samenwerking tussen Frankrijk, Nederland en België geïntensiveerd. Dat uit zich in grootschalige controles op de grote toegangswegen van Nederland naar België.

Krachtens die overeenkomst opereren politieteams van Nederlandse en Belgische agenten, de zogenaamde `Joint Hit Teams' sinds enkele weken op het Nederlandse grondgebied. Ze voeren intense zoekacties in drugspanden die zich uitbreiden in de nabijheid van coffeeshops. Als gevolg van die inspanningen is een verschuiving naar het Belgisch grondgebied opgetreden. Sommige bendes vermijden voortaan liever de grenzen en leiden hun handel vanuit kamers en appartementen in grotere steden. Steden met een groot aanbod aan kamers, dicht bij een universiteit, zijn het meest in trek.

Het verschijnsel van de drugspanden wordt momenteel waargenomen in Antwerpen, Gent, Kortrijk en Bergen.

De lokale en federale politie werden gewaarschuwd. Door de prioriteit die aan dat verschijnsel werd toegekend, werden een aantal successen geboekt. In Gent werden bijvoorbeeld 60 panden opgedoekt in de loop van dit jaar.

Het probleem van de handel en de productie van drugs moet op een geïntegreerde wijze worden aangepakt in samenwerking met alle actoren die instaan voor de veiligheid, met name politie, justitie en administratie.

Met dat doel voor ogen hebben de burgemeesters, de lokale politiechefs van Bergen, Luik, Gent en Antwerpen, de procureurs- generaal, de federale procureur, de procureurs des Konings van de verschillende arrondissementen en de verantwoordelijken van de federale politie woensdag laatstleden samen vergaderd op initiatief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Een twee vergadering is gepland in de lente van 2006.

Er werden werkgroepen opgericht. Er werden verschillende voorstellen gedaan. Ze zullen worden uitgewerkt en hun haalbaarheid zal worden bestudeerd. Er zullen verschillende voorstellen met betrekking tot het Openbaar Ministerie worden uitgewerkt in het nieuwe `drugsnetwerk' dat zijn werkzaamheden heeft aangevat op initiatief van de procureur- generaal van Luik. Andere voorstellen zullen in de verschillende specifieke werkgroepen worden onderzocht.

De centrale `drugsdienst' van de federale politie heeft een forum opgericht om een maximale verspreiding van de informatie te verzekeren en om ervaringen uit te wisselen. Het federaal parket heeft het initiatief genomen alle juridische aspecten te coördineren.

Het is nog te vroeg om een definitief standpunt in te nemen over de ideeën die zijn opgeborreld. Over sommige voorstellen is zelfs nog geen akkoord bereikt op elk niveau. Zo zijn sommige burgemeesters voorstander van een aangifte en registratie van huurcontracten van korte duur, maar andere, zoals de burgemeester van Gent, verwerpen dat voorstel om praktische redenen. Dat neemt niet weg dat er intussen gewerkt wordt aan de bestaande mogelijkheden.

In de kadernota `integrale veiligheid', die in de buitengewone ministerraad van 30 en 31 maart 2004 werd goedgekeurd, wordt aandacht besteed aan het oprukken van synthetische drugs. In dat verband moet de onontbeerlijke samenwerking met de chemische industrie en met een aantal Oost- Europese landen worden vermeld op het vlak van de aanpak van de handel in de bestanddelen die nodig zijn voor de fabricage van synthetische drugs.

Het federaal parket heeft onlangs ook bijzondere aandacht beloofd voor de labs die ecstasy produceren, voorzover er een direct verband met het buitenland is. Dat is zeker het geval voor de meerderheid van die illegale installaties.

Onlangs zijn ook twee wetenschappelijke projecten opgestart om de nieuwe coördinatiemechanismen te ondersteunen. Het eerste project heeft als doel te bepalen in welke mate de chemische analyse van ecstasypillen kan bijdragen tot de opstelling van een profiel van ecstasytabletten. In de tweede studie wordt nagegaan in welke mate het uitzicht van de pillen - logo, kleur, broosheid - kan bijdragen tot de opstelling van zulk een profiel.

De Belgische justitie en de federale politie organiseren samen een internationale conferentie die op 22 en 23 november aanstaande zal plaatsvinden in Maastricht, onder de naam Syndec 2. Die conferentie zal gaan over de nationale en internationale samenwerking in de strijd tegen de handel en productie van synthetische drugs.

Op basis van echte dossiers zullen ervaringen worden uitgewisseld tussen magistraten, politie en douane om tot een betere samenwerking te komen. Alle gespecialiseerde magistraten werden via hun korpschef uitgenodigd om aan die conferentie deel te nemen.

De inschrijvingsprijs en de verblijfskosten van de 19 arrondissementsmagistraten worden volledig ten laste genomen door de FOD Justitie.

Op een vergadering van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken met hun collega's van Nederland en Duitsland die binnenkort plaatsvindt, zullen de drugsproblemen in de Euregio worden besproken. Het doel bestaat erin bijkomende overeenkomsten te sluiten, afhankelijk van het beleid dat in die drie landen wordt gevoerd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor het uitgebreide antwoord. Ik ga er nu niet verder op in, maar reken erop de discussie later met de minister van Justitie voort te zetten.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken over «de gratis NMBS-parkings» (nr. 3-1067).

De heer Wouter Beke (CD&V). - Op 15 augustus 2005 startte de NMBS met een proefproject gratis parkeren in 12 stations: Genk, Leopoldsburg, Tienen, Gent-Dampoort, Oostende, Aalst, Aarlen, Andenne, Eigenbrakel, Hoei, Jemelle en Saint-Ghislain. Het werd toen door de voorganger van de staatssecretaris met veel aplomb en breedvoerig in de pers voorgesteld. Na tweeënhalve maand lijkt het mij tijd voor een eerste evaluatie van dit proefproject. Vandaar de volgende vragen.

Hoeveel personen hebben van de gratis parkeergelegenheid gebruik gemaakt? Hoeveel personen hebben met andere woorden een parkeerkaart afgehaald? Kan de staatssecretaris me de cijfers per station geven?

Hoeveel personen hebben tickets gekocht, eventueel per station?

In hoeveel stations is de NMBS ten volle eigenaar van de grond waarop gratis kan worden geparkeerd?

Wie voert de controles uit? Op welke juridische basis worden deze controles uitgeoefend?

Ik heb vernomen dat een privé-firma de eventuele boetes verwerkt. Op welke juridische basis gebeurt dat?

Hoeveel boetes voor onterecht gebruik van de gratis parkeerplaatsen zijn er tot nog toe uitgeschreven?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Het klopt dat de NMBS sinds 15 augustus een proefproject gratis parkeren heeft lopen. In 7 van de 12 betrokken stations is de NMBS ten volle eigenaar van de grond, namelijk in Hoei - zij het gedeeltelijk -, Aarlen, Oostende, Gent-Dampoort, Saint-Ghislain, Eigenbrakel en Jemelle. In 5 plaatsen zijn de stationsparkeerterreinen ingelijfd in de `kleine wegenis' en zorgt de gemeente ervoor. Dat geldt voor Tienen, Aalst, Hoei - opnieuw gedeeltelijk - Andenne en Genk. In Genk is door de inlijvingsovereenkomst het proefproject overigens nog niet opgestart. Voor het parkeerterrein van het station te Leopoldsburg bestaat een bezettingscontract tussen de NMBS Holding en de gemeente.

Alleen de controle op de parkeerplaats van Oostende wordt uitgevoerd door de firma Parketing NV. Voor de controle op de andere parkeerplaatsen staat het personeel van de NMBS zelf in. Het gaat meer bepaald om de hoofdwachters, die beëdigde statutaire ambtenaren zijn en gerechtigd zijn de identiteitskaart van de betrokkenen op te vragen. De NMBS steunt hierbij op een koninklijk besluit van 4 april 1895.

Voor het afwerken van de dossiers van de niet-betalers heeft de NMBS met de voornoemde firma een contract gesloten. Momenteel kan men nog niet van boetes spreken, maar wel van forfaitaire toeslagen die als dusdanig door het Hof van Cassatie zijn erkend. Deze forfaitaire toeslagen zijn hernomen in het Algemeen Reglement Reizigers en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Ik verwijs naar de artikelen 16 en 18 van de wet van 25 augustus 1891 op de vervoerscontracten en naar de wet van 31 december 1899 betreffende de toegang, het verkeer en het stilhouden in de stations van karren, wagens en andere voertuigen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 januari 1900.

De testperiode loopt nog maar twee maanden. Er zijn momenteel dan ook geen cijfers beschikbaar over het aantal personen dat parkeerkaarten heeft afgehaald of tickets heeft gekocht. De testperiode zal één jaar lopen. Nadien volgt een eindevaluatie. Een positieve eindevaluatie kan leiden tot de uitbreiding van het systeem naar andere NMBS-parkeerterreinen. Indien de heer Beke dat wenst, zullen we hem op de hoogte brengen van de resultaten van de eindevaluatie of van een tussentijdse evaluatie.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het is jammer dat er geen cijfers kunnen worden meegedeeld. Dat moet toch niet moeilijk zijn, aangezien ze in de stations snel en efficiënt geregistreerd worden. Het zou ons de mogelijkheid geven om na te gaan hoever het proefproject na twee maanden staat.

Het stationspersoneel moet de controles doen, maar is daar absoluut niet gelukkig mee. Eerst hebben ze een cursus klantvriendelijkheid moeten volgen. Ze moeten de NMBS-klanten dus vriendelijk ontvangen, maar daarna moeten ze diezelfde klanten verbaliseren. De boetes, in dit geval een forfaitaire toeslag, zullen door een privé-firma worden verwerkt. Het fijne werk gebeurt dus door een privé-firma. Het vervelende werk gebeurt daarentegen door het NMBS-personeel. Bij een tussentijdse evaluatie moet toch worden nagegaan of dit de meest optimale manier is om controles te doen.

Ik heb de NMBS er in augustus al op gewezen dat krachtens de bezettingsovereenkomst tussen de NMBS Holding en Leopoldsburg het niet mogelijk is om controles te doen en een forfaitaire toeslag aan te rekenen. Men zit daar op het ogenblik met het proefproject in een situatie van onwettigheid. Ik heb de NMBS gevraagd dat zeer snel recht te trekken, maar tot vandaag is dat jammer genoeg nog steeds niet gebeurd.

Over Leopoldsburg heb ik nog diverse andere opmerkingen, maar die bespreek ik liever met de staatssecretaris apart.

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de aanpak van dopinggebruik» (nr. 3-1063)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Mijn vraag sluit aan bij die van de heer Vandenberghe over de hoge concentratie aan illegale synthetische drugs in ons land.

Het satirische weekblad DENG beschrijft doping als de nieuwe drug. Het blad schrijft daarover het volgende: `Doping is veel groter dan de topsport. 99 procent van de illegale prestatieverhogers gaat vandaag niet naar atleten, maar naar u, recreatieve sporters, studenten, fuifbeesten, workaholics. Een markt waar de maffia zich met zijn volle gewicht op heeft gestort, waar het IOC voor wegbereider speelt en waar de geneesmiddelenindustrie enthousiast aan levert. Het is zo erg dat de politie zich vragen begint te stellen bij de overproductie door farmaceutische bedrijven en het gemak waarmee ze hun depots laten leegroven'. DENG interviewde de Italiaanse antidopingveteraan Sandro Donati, `moe maar nog niet van plan om aan de EPO te gaan', over zijn uitzichtloze strijd. Ook wij in de Senaat weten van geen opgeven, wij gaan ermee door. De voorbije twee jaar heeft de senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden zich intensief gebogen over de dopingproblematiek. Dit resulteerde in een omvangrijk verslag, waarin niet minder dan 27 aanbevelingen werden gedaan om het dopinggebruik aan te pakken, zowel binnen als buiten de sport.

In verband met de materies die tot de bevoegdheid van de minister van Justitie behoren, werden de volgende aanbevelingen gedaan.

De geneesmiddelenwet en de drugswet moeten effectief worden toegepast door actiever onderzoek en effectieve vervolging.

Justitie moet van de aanpak van leveranciers en producenten van dopingproducten een prioriteit maken.

Bij opsporings- of gerechtelijke onderzoeken dienen alle betrokken diensten rond de tafel te worden gebracht. Dit vergt een grotere openheid van de parketten.

Het feit dat een dopinggebruiker reeds een disciplinaire straf heeft opgelopen, mag er niet toe leiden dat de zaak strafrechtelijk geseponeerd wordt. Daartoe dient het toepassingsgebied van de omzendbrief van 4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent, tot het hele land uitgebreid te worden.

Om zicht te krijgen op de leveranciers en producenten van dopingproducten is het raadzaam op doping betrapte sporters die meewerken aan het gerechtelijk onderzoek, vermindering of kwijtschelding van straf te verlenen.

Artsen die dopingproducten voorschrijven aan hun patiënten, moeten strafbaar worden gesteld.

De procureurs des Konings moeten de politiediensten opdragen om meer aandacht te besteden aan de strijd tegen doping.

Politiemensen moeten daartoe de nodige opleiding krijgen van de Hormonencel over de bestraffing en van de gemeenschappen op het gebied van preventie.

Per gerechtelijk arrondissement moet één politieambtenaar uit de federale of de lokale politie worden aangesteld, die gespecialiseerd is op het gebied van doping.

Concreet heb ik voor de minister van Justitie volgende vragen.

Hoe staat de minister tegenover de voormelde aanbevelingen?

Welke van deze aanbevelingen zullen op korte termijn uitgevoerd worden?

Plant de minister overleg met de minister van Binnenlandse Zaken, met de Hormonencel en met de gemeenschappen, teneinde de opleiding van politiemensen met het oog op de strijd tegen doping te organiseren?

Mevrouw Mandaila heeft daarnet namens de minister van Justitie al een deel van de oplossing naar voren gebracht. De organisatie van de strijd op de twee fronten tegelijk: tegen drugs en doping, zoals de senaatscommissie ook al heeft bepleit. Op het terrein voelen we een verschuiving aan, zoals collega Vandenberghe ook al heeft onderstreept.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Allereerst stelt de minister van Justitie vast dat de meeste aanbevelingen die vermeld staan in het verslag van de senaatscommissie, niet tot haar bevoegdheid behoren en dat zwendel in dopingproducten al een aandachtspunt is voor zowel de politionele als de gerechtelijke autoriteiten.

De suggestie van de senaatscommissie om alle bij opsporings- en gerechtelijke onderzoeken betrokken diensten rond de tafel te brengen lijkt, gelet op het geheim van het onderzoek, moeilijk te realiseren.

Het is niet zo gemakkelijk het toepassingsgebied van de circulaire van 4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent uit te breiden, want die circulaire kan, per definitie, alleen in Vlaanderen worden toegepast.

Er is al contact opgenomen met minister van Sport Claude Eerdekens. De Franse Gemeenschap is bereid een gelijkaardige circulaire op te stellen, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de Waalse wetgeving.

Bovendien zorgt de Interdepartementale Coördinatiecel voor de Controle van de Voedselveiligheid - de ICCV - ervoor dat overleg wordt gepleegd met de Franse Gemeenschap. Die werkzaamheden zullen misschien uitmonden in de redactie van een gemeenschappelijke circulaire.

Tijdens het debat van 12 april 2005 signaleerde de medewerker van mevrouw Onkelinx al dat de minister geen voorstander is van een regeling inzake spijtoptanten. De referentiemagistraat vindt die regeling ook ongeschikt. De verschoningsclausule die een strafvermindering mogelijk maakt in het kader van de doping- en de hormonenwet, wordt immers bijna nooit toegepast.

Bovendien kunnen artsen die aan patiënten dopingproducten voorschrijven, in principe al worden gestraft. De artsen voeren echter altijd als verdediging aan dat ze een therapeutische diagnose hebben gesteld die het voorschrijven van bepaalde producten verantwoordt. Op wettelijk gebied kunnen we niets aanvangen tegen die argumentatie, want tal van dopingproducten zijn reguliere geneesmiddelen.

Substituut-procureur des Konings Sabbe, hoofdcoördinator van het expertisenetwerk `Residuen en Voedselveiligheid' geeft geregeld opleidingen in de politiescholen van Oost- en West-Vlaanderen.

In overleg met het departement Binnenlandse Zaken moet worden nagegaan in welke mate de opleiding van de politiediensten nog kan worden verbeterd. Politiediensten die met dopingdossiers worden geconfronteerd, kunnen altijd inlichtingen en steun krijgen bij de Multidisciplinaire Cel Hormonen van de federale politie.

Mevrouw Onkelinx denkt dat zij, in het kader van haar bevoegdheden, tegemoet gekomen is aan heel wat aanbevelingen van de senaatscommissie, en wil dat verder blijven doen.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Het antwoord van de minister stemt me maar matig tevreden. Ik deel de analyse die de heer Vandenberghe maakt in zijn vraag over drugs. Er heerst in België nog steeds een misvatting over wat doping is. De synthetische producten waarnaar verwezen werd, zijn doperende producten. Het zijn anabolica. Het enige wat ik de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie vraag is dat ze als dopingproducten worden erkend. Dat zou de huidige verschuiving kunnen tegen gaan. Dat heb ik in het antwoord niet gehoord. Ik zal de minister daar in de toekomst opnieuw over ondervragen. Ik hoop dat ze dan zelf zal antwoorden.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het arbeidsauditoraat van het gerechtelijk arrondissement Eupen» (nr. 3-1064)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie

De heer Berni Collas (MR). - Het arbeidsauditoraat van het gerechtelijk arrondissement Eupen beschikt sinds enkele jaren niet meer over een tweetalige arbeidsauditeur. Momenteel nemen een advocaat en een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die taak zo goed mogelijk op zich.

Dat schept soms problemen vanuit het oogpunt van de deontologie, vooral wanneer de advocaat opgeroepen wordt te zetelen als plaatsvervangend rechter voor een zaak, om tussen te komen als arbeidsauditeur in een andere zaak en in een derde zaak op dezelfde voormiddag als advocaat moet optreden bij de zitting voor de arbeidsrechtbank van Eupen.

De idee van een geïntegreerde arrondissementsrechtbank werd reeds meermaals opgeworpen. Het gerechtelijk arrondissement Eupen is gegadigde voor een proefproject en de Eupense magistraten zijn van mening dat een mobiel openbaar ministerie, samengevoegd met het arbeidsauditoraat, zeer heilzaam zou zijn voor het gerechtelijk arrondissement Eupen en een oplossing kan bieden voor de deontologische problemen die ik heb aangehaald.

De mogelijkheid voor een rechter om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat is in Eupen bijna `geïnstitutionaliseerd'. Zo heeft een advocaat gedurende meerdere maanden de vacante plaats ingenomen van de vrederechter van het kanton van Eupen die afwezig was wegens ziekte.

Als de rechtbank van eerste aanleg van Eupen verplicht is om met drie rechters te zetelen, is er geen andere mogelijkheid dan een beroep te doen op een advocaat om het quorum te bereiken, aangezien de personeelsformaties niet volstaan. Over dat probleem heb ik de minister van Justitie ook al ondervraagd.

Wat het arbeidsauditoraat betreft, blijken de rechtzoekenden steeds meer problemen te ondervinden doordat er geen tweetalige magistraat voor het arbeidsauditoraat van Eupen is, en doordat de advocaat gedurende eenzelfde zitting meermaals `van pet moet veranderen'.

Ik ben geen advocaat of jurist, maar ik heb gedurende anderhalf jaar de gelegenheid gehad me in de materie te verdiepen en om contacten te leggen op het terrein. Het betrokken arrondissement leent zich zeer goed tot dergelijke proefprojecten.

Wat denkt de minister over de huidige toestand in het arbeidsauditoraat in het gerechtelijk arrondissement Eupen?

Denkt de minister in de nabije toekomst een tweetalig rechter te benoemen om de deontologische problemen die ik heb beschreven, te vermijden?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De personeelsformatie van magistraten van het arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbanken van Verviers en Eupen bestaat uit de arbeidsauditeur en twee substituten.

Artikel 45bis, §2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat onder de magistraten van de arbeidsrechtbanken te Verviers en te Eupen een substituut-arbeidsauditeur het bewijs moet leveren van de kennis van het Duits.

De huidige situatie is als volgt: de arbeidsauditeur is mevrouw Damienne t'Serstevens en de substituut-arbeidsauditeur is de heer Delmarche. Geen van beide magistraten heeft het bewijs van kennis van het Duits geleverd.

Sinds januari 1996 is er een plaats van substituut vacant ten gevolge van de benoeming van de heer Barth, die wel het bewijs van kennis van het Duits had geleverd, in een ander ambt. Die vacature werd meermaals in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd omdar er geen kandidaten waren die aan de taalvereisten voldeden. De laatste publicatie dateert van 13 oktober 2005 en tot op vandaag werd geen enkele kandidatuur ingediend.

Om die situatie het hoofd te bieden oefent de heer Kittel, de enige plaatsvervangende rechter bij de arbeidsrechtbanken van Verviers en Eupen die het bewijs van kennis van het Duits heeft geleverd, sinds mei 2001 de opdracht van openbaar ministerie bij de arbeidsauditoraten van Verviers en Eupen uit.

De wet van 15 juni 1935 bepaalt ook dat twee plaatsvervangende rechters bij die rechtbanken het bewijs moeten leveren van de kennis van het Duits. Een plaats van plaatsvervangend rechter is momenteel vacant, maar kan niet worden toegekend bij gebrek aan kandidaten die aan de taalvereiste voldoen.

De kandidaat-magistraten worden door de Koning benoemd op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie. Er is duidelijk een nijpend gebrek.

De heer Berni Collas (MR). - De staatssecretaris heeft de huidige situatie en de problemen bij de aanwerving van Duitstalige rechters of rechters die voldoende Duits kennen, goed weergegeven.

Ik ben er steeds meer van overtuigd dat er een specifieke oplossing moet komen. Er is al gedurende bijna tien jaar geen tweetalige auditeur meer. Dat is onaanvaardbaar.

De idee van een geïntegreerde arrondissementsrechtbank is dus bijzonder interessant omdat daardoor samenwerkingsverbanden en een grotere mobiliteit van de magistraten bij de verschillende rechtbanken mogelijk worden.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de behandeling van chronische pijn» (nr. 3-1024)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Mijn vragen konden vorige week niet worden behandeld, omdat de minister hier niet kon zijn. Ik ben dus bijzonder ontgoocheld dat de minister vandaag opnieuw afwezig is.

Van de vijf vragen die ik wou stellen, zal ik er maar één aan de staatssecretaris voorleggen. Voor de vier overige kan ik net zo goed het schriftelijke antwoord afwachten, want de staatsecretaris kan wellicht niet reageren op mijn replieken zoals de minister dat zou kunnen. Zonder woord en wederwoord wordt het toch maar een steriele bedoening.

De Belgian Pain Society stuurde minister Demotte een noodkreet in verband met de gebrekkige terugbetaling van analgetica en co-analgetica in ons land. Chronische pijn is moeilijk te behandelen en werkt vaak invaliderend. Dat analgetica veelal om budgettaire redenen niet worden terugbetaald, terwijl dat in andere landen zoals Nieuw-Zeeland wel gebeurt, heeft vaak een kostprijs in bijvoorbeeld de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of de vervangingsinkomens.

De minister heeft al geantwoord op verschillende vragen over de niet-terugbetaling van anticonvulsiva van de tweede generatie, veelal de enige medicatie die wat soelaas brengen. Op 30 juni antwoordde de minister bijvoorbeeld dat de terugbetaling van Lyrica in een eerste procedure werd geweigerd omdat de minister van Begroting niet akkoord ging.

Neurontin wordt sinds 1 november 2003 terugbetaald aan patiënten met diabetische polyneuropathie of met posttherapeutische pijn en is vanaf 1 juli 2005 opgenomen in de referentieterugbetaling.

Anticonvulsiva van de tweede generatie die in aanmerking komen voor terugbetaling, worden evenwel alleen terugbetaald op voorschrift van een neuroloog aan patiënten met therapieresistente epilepsie.

Pijnartsen kunnen hun patiënten dus vaak niet helpen, omdat alleen neurologen dat voorschrift kunnen opstellen.

Verder zijn opioïden, met uitzondering van morfine, weinig of niet beschikbaar in ons land. Vandaag las ik toevallig in een krantenartikel dat in ons land te veel opiumderivaten als pijnbestrijder worden gebruikt en dat daarover een polemiek wordt gevoerd.

De Belgian Pain Society en mensen die op het veld voortdurend met pijnbestrijding bezig zijn, vragen evenwel dat andere soortgelijke opioïden ruimer beschikbaar zouden zijn.

Uiteraard moet men rekening houden met het gevaar van tolerantie en verslaving, maar middelen zoals bijvoorbeeld oxycodon zijn in de ons omringende landen wel op de markt.

Wat antwoordt de minister op de noodkreet van de pijnartsen die hem daarover een brief hebben gestuurd?

Welk beleid wil hij voeren ten opzichte van pijnpatiënten?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Niet met kanker verbonden chronische pijn is een veel voorkomende aandoening. Om dit te bestrijden beschikken artsen en patiënten over verschillende behandelingen, met of zonder geneesmiddelen.

Wanneer geneesmiddelen tegen de pijn worden gebruikt, is het raadzaam te werken met de klassieke schaal inzake pijnstillende middelen van de WGO. Die bevat de volgende aanbevelingen. In de eerste subschaal staan de niet-opiaten, in de tweede de zachte opiaten samen met niet-opiaten. In de derde subschaal staan de harde opiaten, al dan niet gecombineerd met niet-opiaten. Subschaal vier gaat over opioïden met parenterale toediening, onder meer via epidurale of intrathecale toediening.

Voor elk van die schalen bestaan er terugbetaalbare geneesmiddelen tegen chronische pijn. Voor subschaal 1 kan de magistrale bereiding van paracetamol worden terugbetaald na een gemotiveerde aanvraag aan de adviserend geneesheer. De niet-steroïde anti-inflammatoire middelen (NSAID) worden terugbetaald.

Voor subschaal 2 wordt codeïnefosfaat in magistrale bereiding terugbetaald na een gemotiveerde aanvraag aan de adviserend geneesheer. Specialiteiten met dihydrocodeïnetartraat, tramadol of buprenorfine worden zonder voorwaarden terugbetaald.

Voor subschaal 3 worden morfine, fentanyl en hydromorfon en, indien nodig, methadon onvoorwaardelijk terugbetaald.

Voor subschaal 4 beschikken de artsen die pijn behandelen, over een grote ervaring met epidurale of intrathecale injecties met corticoïden, anesthetica en morfine.

Bij onvoldoende controle van de pijn of bij specifieke pijnsymptomen kunnen adjuvansen worden gebruikt als pijnstillers.

In die groep geneesmiddelen zijn er een aantal die ook onvoorwaardelijk terugbetaalbaar zijn, namelijk amitriptyline en carbamazepine. Gabapentine wordt terugbetaald voor neuropathische pijn (post-herpesaandoeningen of suikerziekte) wanneer amitriptyline niet helpt of bij intolerantie of contra-indicatie tegen dit product.

Naast de terugbetaling van de geneesmiddelen die ik opsomde, werd ook in een budget voorzien voor een aangepaste nomenclatuur voor gezondheidszorg die tijdens de komende maanden door de Technisch Medische Raad zal worden uitgewerkt.

Die specifieke prestaties zullen ook in rekening kunnen worden gebracht, niet enkel door de pijncentra, maar ook door andere ziekenhuizen.

De minister streeft ook naar de aanwezigheid van pijncentra op het gehele grondgebied.

Hij heeft het RIZIV ook opdracht gegeven om bijzondere aandacht te schenken aan chronische pijn bij kinderen. Daarvoor zullen aangepaste maatregelen worden genomen.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik waardeer de aanwezigheid van de staatssecretaris, maar betreur dat zij in het Frans antwoordt.

Mijnheer de voorzitter, ik vraag u mijn vraag om uitleg over de ziekenfondswet te verplaatsen naar een volgende vergadering. Mijn andere vragen zal ik als schriftelijke vraag indienen. Ik reken erop dat minister Demotte die volgende vergadering aanwezig zal zijn, zodat ik hem dan een repliek kan geven.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het antibioticabeleid» (nr. 3-1055)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Nederland en de Scandinavische landen staan bekend om hun strenge antibioticabeleid, maar ook in die landen zouden meer mensen drager zijn van resistente bacteriën dan werd gedacht. Uit onderzoek naar bacteriën in de keel en in de luchtwegen van zevenhonderd patiënten die bij hun huisarts in Nederland werden behandeld, bleek dat 60% drager was van resistente bacteriën. Een vergelijkbaar onderzoek in België wees op 71% patiënten met resistente bacteriën in de keel of de luchtwegen.

In Japan, de Verenigde Staten en Nederland werden al bacteriestammen gesignaleerd zoals Pseudomonas, die nergens meer op reageren en onder andere verwikkelingen bij taaislijmziekte veroorzaken. Ook multiresistente TBC komt steeds vaker voor. De hoge resistentie van de ziekenhuisbacterie MRSA, afkorting van Methicilline-resistente Staphylococcus aureus, is eveneens berucht. Telkens wanneer deze bacterie opduikt slaat de paniek toe in ziekenhuizen. Gezonde mensen lopen nauwelijks risico maar patiënten met een verminderde weerstand kunnen ernstige infecties oplopen. De MRSA, die zich op de huid en in de neus nestelt, komt veel voor in mediterrane vakantielanden zoals Spanje en Turkije. Daarom zijn Nederlandse ziekenhuizen niet happig op patiënten die in deze landen werden gehospitaliseerd. De Nederlandse ANWB-alarmcentrale moet soms zelfs naar België en Duitsland uitwijken om zieken te plaatsen.

Enkele jaren geleden werd de internationale Alliance for the Prudent Use of Antibiotics in het leven geroepen om erop toe te zien dat het antibioticagebruik wereldwijd aan banden wordt gelegd. Hiermee is tegemoet gekomen aan een verzoek dat de WHO in 1988 al heeft gedaan. Zij streeft een selectief antibioticabeleid na. Dat zoiets effect kan hebben, is bijvoorbeeld gebleken in Hongarije, waar in de jaren tachtig steeds vaker resistente pneumokokken opdoken. De jongste jaren werd het penicillinegebruik er aanzienlijk teruggeschroefd en daalde het aantal penicilline-resistente stammen van 50 naar 34 procent. Behalve een selectief antibioticabeleid kunnen ook een goed toezicht en registratie resistente bacteriën vroegtijdig opsporen en bestrijden. Nederland kent een intensief toezicht. Er zijn zeven streeklaboratoria, over het land verspreid, die al hun gegevens over resistentie maandelijks naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu sturen.

Welke maatregelen heeft België al genomen om het overdreven gebruik van antibiotica terug te schroeven? Hoe scoren wij momenteel inzake het voorkomen van resistente bacteriën, vergeleken met Nederland en de Scandinavische landen?

Als Nederlandse patiënten na een ziekenhuisverblijf in een risicoland vanuit Nederland worden doorverwezen naar hospitalen op ons grondgebied, welke extra maatregelen neemt men dan om te voorkomen dat zij multiresistente bacteriën bij ons introduceren?

Bestaat er in ons land een netwerk van laboratoria die resistentie opsporen en de gegevens daarover systematisch doorgeven aan een centraal meldpunt, zoals de genoemde zeven laboratoria dat voor het Nederlandse RIVM doen? Welke dienst beheert dit centrale meldpunt?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De toename van de resistente bacteriën is een onvermijdelijk gevolg van de overconsumptie van antibiotica in veel Europese landen, waaronder België.

Om dit probleem op te lossen werd in 1999 de Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid, BAPCOC, opgericht. Die commissie `streeft naar het promoten van een verantwoord antibioticagebruik in België en het bestrijden van de toenemende antibioticaresistentie'.

Aangezien de preventie van ziekenhuisinfecties ongetwijfeld bijdraagt tot een vermindering van het antibioticagebruik, maakt de bevordering van de ziekenhuishygiëne integraal deel uit van de aanpak van de BAPCOC.

De commissie werkt intensief samen met de volgende instanties: het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV), het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA), het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV), het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), wetenschappelijke verenigingen, referentielaboratoria en universiteiten.

Hier volgt een overzicht van de belangrijkste campagnes.

a) De voorlichtingscampagnes `Antibiotica: minder vaak en beter gebruiken'.

b) De antibiotherapiebeleidsgroepen (ABTBG). Op 1 oktober 2002 startte het proefproject aangaande de antibiotherapiebeleidsgroepen (ABTBG) in 36 Belgische ziekenhuizen van uiteenlopende grootte. Een dergelijke ABTBG moet fungeren als een adviesorgaan inzake het verantwoord gebruik van antibiotica en de beheersing van resistente kiemen in het ziekenhuis. In 2006 zullen 24 nieuwe ziekenhuizen zich bij het project aansluiten.

c) Het beleidsplan Ziekenhuishygiëne. Hierin geeft het federaal platform voor ziekenhuishygiëne zijn visie over de toekomstige ontwikkeling en de optimalisering van het beleid inzake ziekenhuishygiëne.

d) Praktische richtlijnen voor de behandeling van enkele veel voorkomende infecties.

e) Een antibioticagids voor de ambulante praktijk.

f) Een campagne ter promotie van handhygiëne. Die strekt ertoe de zorgverleners en de ziekenhuispatiënten te sensibiliseren voor het belang van goede handhygiëne als maatregel om ziekenhuisinfecties te vermijden. Het is de bedoeling de campagne in de herfst van 2006 te herhalen.

g) Het rapport Antibiotic Policy, Use of Antibacterial Agents and Bacterial Resistance in Belgium - Human, Animal and Food. Dit rapport werd vorig jaar voor het eerst gepubliceerd door het BAPCOC en het geeft een overzicht van alle beschikbare gegevens inzake antibioticaconsumptie en antibioticaresistentie.

Het is de intentie in de toekomst regelmatig een dergelijk rapport te publiceren teneinde een correct beeld te hebben van de evolutie van het antibioticaconsumptie en de antibioticaresistentie.

Recente cijfers van het RIZIV (Ambulant voorschrijfgedrag antibiotica en antihypertensiva - studierapport 2005) tonen aan dat de antibioticaconsumptie in de ambulante praktijk aanhoudend gedaald is van 88.668.298 DDA in 1999 tot 67.117.475 DDA in 2004, oftewel een daling van 24%.

Tegelijk stellen we vast dat de prevalentie van penicilline-resistente pneumokokken de jongste jaren niet meer is toegenomen. Recent werd zelfs een afname vastgesteld.

Alle Europese landen worden met multiresistente bacteriën geconfronteerd. Om die reden worden patiënten niet ingedeeld op basis van herkomst, maar op basis van andere factoren, zoals een recent verblijf in een woon- en zorgcentrum of een ziekenhuis.

Als blijkt dat risicopatiënten drager zijn van of besmet zijn met multiresistente bacteriën, meestal MRSA, dan worden ze in afzondering geplaatst. Ook worden extra voorzorgsmaatregelen genomen zoals het dragen van handschoenen, een masker en een schort om te vermijden dat de bacteriën op andere patiënten worden overgedragen.

Minister Demotte onderstreept dat de naleving van de voorzorgsmaatregelen inzake standaardhygiëne, en zeker inzake handhygiëne, essentieel is bij de verzorging van ziekenhuispatiënten.

Veel Belgische laboratoria kijken toe op de resistentie van een grote waaier van bacteriën.

Die laboratoria bevinden zich in het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV), in het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) en in diverse, vooral universitaire ziekenhuizen.

De gegevens worden door het WIV en de BAPCOC verzameld en verwerkt en vormen de basis voor bovengenoemd rapport.

Er zijn te weinig structurele middelen voor de ziekenhuizenlaboratoria. Omdat het toezicht belangrijk is, heeft de BAPCOC beslist om zelf vier belangrijke referentielaboratoria te financieren: UZ Gasthuisberg, UZ Antwerpen, ULB Erasmus en UCL Mont-Godinne.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Ik apprecieer het omstandige antwoord van de minister. Ik betreur op mijn beurt dat het antwoord niet werd gegeven in de taal van de vraagsteller. Dat is niet de schuld van de staatssecretaris maar van de verantwoordelijke minister.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het gebruik van antibiotica in de veeteelt» (nr. 3-1058)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - In de veeteelt worden antibiotica voor vier verschillende doeleinden gebruikt.

Ze worden om te beginnen gebruikt als therapie, om zieke dieren te genezen van een ziekte die nauwkeurig gediagnosticeerd is. Dit gebruik is niet echt omstreden.

Bij subtherapeutisch gebruik worden antibiotica toegediend aan dieren die inderdaad ziek zijn, zonder dat men echter de ziekte kent. Men weet dus niet eens of het om een bacteriële infectie gaat of om een virale, waarvoor antibiotica per definitie nutteloos zijn. Dat is al twijfelachtiger.

Het profylactische gebruik van antibiotica gebeurt als voorzorgsmaatregel, meestal via het veevoer. Hier gaat het om het preventief toedienen van antibiotica om epidemieën te voorkomen.

De meest omstreden toepassing is het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar.

Hoe ernstig het probleem wel is, blijkt uit het feit dat 70% van alle antibiotica die in de VS geproduceerd worden, aan vee toegediend worden.

Deze praktijken zijn op langere termijn onhoudbaar en autodestructief. Bovendien heeft dit massale misbruik van antibiotica nefaste gevolgen voor de volksgezondheid. Niet zozeer omdat de consument resten van antibiotica zou binnenkrijgen via vlees of melkproducten - dat effect is verwaarloosbaar klein -, maar wel omdat dit massale misbruik van antibiotica leidt tot versnelde resistentie bij bacteriën. Ook dat is geen rechtstreekse bedreiging voor de mens zolang het alleen om bacteriën gaat die ziekten bij vee veroorzaken.

Die resistentie wordt echter ook doorgegeven aan andere soorten bacteriën, die wél gevaarlijk kunnen zijn voor de mens. Er zijn wetenschappelijk goed gedocumenteerde gevallen bekend waarbij resistentie tegen tetracycline bij de bacterie Escherichia coli van kippen overging op mensen. Er is minstens één geval bekend waarbij een kind op een Nederlandse boerderij een salmonella-infectie opliep en de bacteriën resistent bleken te zijn tegen ceftriaxon, een antibioticum dat in Nederland slechts zeer zelden bij mensen werd gebruikt, maar dat op de bedoelde boerderij wel aan runderen was toegediend.

In de Verenigde Staten, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië blijkt er een verband te zijn tussen de invoering van chinolonen in de veeteelt en de opkomst van resistente stammen campylobacter bij mensen. Campylobacter is samen met salmonella in Nederland jaarlijks verantwoordelijk voor meer dan 100.000 voedselinfecties en ongeveer 25 doden. In oktober 2000 reeds stelde de Amerikaanse Food and Drug Administration daarom voor tenminste sommige soorten fluorochinolonen in kippenvoer te verbieden.

Microbiologen van het Britse ministerie van Volksgezondheid deden soortgelijke aanbevelingen tegen het misbruik van antibiotica in veevoer. Het gezaghebbende New England Journal of Medicine schreef al in oktober 2001 een ophefmakend hoofdartikel met de titel: `Tijd om te stoppen.' En men bedoelde: te stoppen met het misbruik van antibiotica in de veeteelt.

Hoe is de resistentie van bacteriën in de veeteelt de voorbije jaren in België geëvolueerd?

Zijn er in België reeds gevallen vastgesteld waarbij resistentie overging van bacteriën bij vee of andere boerderijdieren op bacteriën bij de mens?

Welke maatregelen heeft de overheid reeds genomen om de overconsumptie van antibiotica in de veeteelt tegen te gaan?

Wat is het standpunt van de minister inzake subtherapeutisch en profylactisch gebruik van antibiotica in de veeteelt?

Acht de minister het gebruik van antibiotica als groeimiddel nog verantwoord?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - In België hebben we geen totaalbeeld van de evolutie van de resistentie van bacteriën in de veeteelt in de afgelopen jaren. Verschillende wetenschappelijke artikelen gaan in op bepaalde aspecten van de resistentie van dieren die deel uitmaken van de voedselketen en van dieren die daarvan geen deel uitmaken.

Onlangs publiceerden het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) en het Centrum voor Onderzoek in de Diergeneeskunde en de Agrochemie (CODA) ter toepassing van richtlijn 92/117/EEG een gezamenlijk rapport over de zoönotische agentia (Report on zoonotic agents in Belgium in 2002).

Er zijn reeds verschillende hypotheses naar voren gebracht over de overdracht van de resistentie van dierlijke naar menselijke bacteriën. In België is tot op heden nog geen direct bewijs gevonden. De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu financiert momenteel enkele onderzoeksstudies terzake.

Teneinde de overconsumptie van antibiotica in de geneeskunde en de diergeneeskunde tegen te gaan werd in 1999 de onafhankelijke Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid opgericht, die onder andere tot doel heeft `het promoten van een verantwoord antibioticagebruik in België'. De sector van de diergeneeskunde wordt door het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie via de Folia Veterinaria regelmatig geïnformeerd over de geneesmiddelen voor dierlijk gebruik.

Het FAVV heeft alle dierenartsen onlangs een `Vademecum voor dierenartsen' bezorgd. Dat bevat alle informatie over geneesmiddelen voor dierlijk gebruik: goed gebruik van antibiotica in de diergeneeskundige praktijk, de keuze van antibiotica en de overgang van de antibioticaresistentie.

Alle veetelers zullen het `Vademecum voor de veeteler' ontvangen met informatie over de wettelijke bepalingen inzake het gebruik van geneesmiddelen in de veeteelt. Hopelijk zal het geneesmiddelenregister van de veehouder leiden tot een meer doordacht gebruik van antibiotica.

Het subtherapeutische gebruik van antibiotica in de veeteelt is niet gerechtvaardigd en kan leiden tot een selectie van de weerstand. Het profylactische gebruik is in welomschreven omstandigheden toegestaan. In uitzonderlijke gevallen is die behandelingsmethode opgenomen in de bijsluiter van een antibacterieel geneesmiddel, maar enkel na een advies van de Geneesmiddelencommissie. Elk gebruik buiten de bepalingen van de bijsluiter valt onder de verantwoordelijkheid van de voorschrijvende dierenarts of van de leverancier van de geneesmiddelen.

België is voorstander van een Europees verbod op het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het draaiboek voor e-gezondheidszorg» (nr. 3-1060)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - ICT zal ongetwijfeld een steeds grotere rol spelen op het vlak van gezondheidszorg. Deze evolutie kan alle betrokken partijen ten goede komen en verdient bijgevolg alle mogelijke ondersteuning van de overheid. Ik wil het hebben over drie aandachtspunten inzake e-zorg.

Begin juni 2005 werd een mededeling van de Europese Commissie, met als titel `i2010 - Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid' bekendgemaakt. De mededeling vermeldt onder andere dat de lidstaten door middel van de half oktober 2005 vast te stellen nationale hervormingsprogramma's prioriteiten voor de informatiemaatschappij dienen te bepalen die zijn afgestemd op de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid. Eén van de prioriteiten die de Commissie naar voren schuift op ICT-gebied, is de zorg in een vergrijzende samenleving, vooral inzake technologieën die welzijn, zelfstandigheid en gezondheid bevorderen.

De lidstaten dienen vervolgens over de prestaties jaarlijks verslag uit te brengen in de uitvoeringsverslagen voor de nationale hervormingsprogramma's overeenkomstig de nieuwe governance-cyclus van de Lissabon-strategie. De vooruitgang zal worden geëvalueerd in het jaarlijkse voortgangsverslag voor de Lissabon-agenda.

Ten tweede verscheen eerder, op 30 april 2004, in het kader van de Lissabon-strategie de mededeling van de Europese Commissie `e-Gezondheidszorg - een betere gezondheidszorg voor de burgers van Europa'. Daarin werd aan de lidstaten gevraagd om uiterlijk tegen eind 2005 een draaiboek voor e-gezondheidszorg op te stellen.

Ten derde wil ik nog een aantal concrete beleidspunten aanhalen. Om tot een efficiënt en daadkrachtig beleid te komen inzake e-zorg, is het mijns inziens in eerste instantie aan te bevelen dat de overheid een haalbaarheidsstudie verricht en advies uitbrengt over de vraag wat de toekomstige markt voor e-zorg in België is. Hierbij dient de socio-economische impact van e-zorg voor ouderen, mantelzorgers, zorgverleners, instellingen, diverse beleidsinstanties en voor het algemene publiek in ogenschouw te worden genomen.

Daarnaast zou best een stuurgroep van de voornaamste belanghebbenden in het leven geroepen worden. Belangrijk is dat daarbij diverse disciplines, inclusief ouderen en informele zorgverleners, en middenveldorganisaties, zoals mensen uit de praktijk, ziekenfondsen, onderzoek en bedrijven, betrokken worden. De stuurgroep kan advies verlenen aan de overheid inzake juridische, ethische en financiële aspecten van e-zorg.

Dit zou vervolgens moeten leiden tot een actieplan. Op die manier wordt een gecoördineerde beleidsaanpak mogelijk. Een dergelijk actieplan moet een antwoord geven op de vraag van beleidsverantwoordelijken: hoe moet het ouderenbeleid met betrekking tot e-zorg gestuurd worden?

Andere landen worden met dezelfde vragen, problemen en knelpunten met betrekking tot de implementatie van e-zorg geconfronteerd en hebben in een aantal gevallen reeds relevante informatie hierover door middel van allerhande studies verkregen. Op het seminarie dat in juni in deze Senaat heeft plaatsgehad, werden trouwens een aantal van die buitenlandse voorbeelden vermeld. Er kan dus een beroep worden gedaan op de ervaring in andere landen.

In het antwoord op mijn schriftelijke vraag stelde de minister dat in de loop van het tweede semester van 2005 een wetsontwerp `Telematicawet' aan de Ministerraad zou worden voorgelegd om, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overgemaakt te worden aan de Raad van State. De minister stelt ook algemene kwaliteitscriteria voor ter ondersteuning van een kwaliteitslabel voor toepassingen inzake telegeneeskunde. De Commissie `Normen inzake Telematica ten behoeve van de sector van de gezondheidszorg' zou instaan voor het uitwerken van technische aanbevelingen om de procedures voor toekenning van een label concreet vorm te geven. Alle spelers op het terrein zullen volgens het antwoord van de minister betrokken worden bij dit proces.

Hoe ver staat de minister met de hervormingsprogramma's en het definiëren van de prioriteiten voor de informatiemaatschappij op het vlak van e-zorg in een vergrijzende samenleving? Wat heeft de regering in antwoord op de mededeling van juni aan de Europese Commissie voorgelegd of wat zal ze voorleggen? Welke maatregelen zal de minister nemen om jaarlijks een verslag af te leveren?

Is er op heden al een draaiboek voor e-gezondheidszorg, conform de Europese mededeling van april 2004? Indien niet, wanneer kunnen wij dat verwachten? Kan de minister een korte inhoudelijke samenvatting geven? Hoe kwam het draaiboek tot stand? Welke instanties werden geraadpleegd bij het opstellen ervan? Welke plannen of voorstellen zal de minister voor eind 2005 aan de Europese Commissie bezorgen?

Deelt de minister de mening dat een haalbaarheidsstudie noodzakelijk is voor een goed beleid inzake e-zorg? Wat zal de minister hieromtrent ondernemen? Welke timing wordt er gevolgd?

Hoe staat de minister ten opzichte van het oprichten van een stuurgroep van key stakeholders? Wat mag hiervan verwacht worden?

Worden vergelijkbare studies uit andere lidstaten in kaart gebracht, geconsulteerd en aangewend in het beleid? Heeft dit op heden al geleid tot samenwerkingsverbanden? Zo ja, welke?

Kan de minister een overzicht geven van eventuele proefprojecten waarbij de federale overheid betrokken is? Staan er in de nabije toekomst nieuwe proefprojecten op stapel? Zijn er reeds initiatieven om bepaalde projecten op een ruimere schaal toe te passen en op die manier de experimentele fase te verlaten?

Wordt het bedrijfsleven bij projecten betrokken, zo ja, op welke manier?

Zijn er reeds stappen gezet om kosten specifiek verbonden met e-zorg terug te betalen aan de patiënt via het ziekenfonds?

Op het vlak van gezondheidszorg beschikken ook de gemeenschappen over heel wat bevoegdheden. Pleegt de federale overheid overleg met de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschappen? Zo niet, is de federale overheid van plan om structureel overleg te plegen met de gemeenschappen?

Wat is de stand van zaken inzake het ontwerp van `telematicawet'? Wanneer zal dit wetsontwerp bij het parlement worden ingediend?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De modernisering van de gezondheidszorg door een gecoördineerde ontwikkeling van informatica en telematica is een van de prioriteiten van de minister van Sociale Zaken. Zijn beleid houdt rekening met de prioriteiten van de Europese Commissie voor de informatiemaatschappij.

In 2004 keurde de ministerraad twee nota's goed. Deze hadden betrekking op het gemeenschappelijk BeHealth-platform en op de financiering en het beheer ervan. De laatste nota werd goedgekeurd door de ministerraad van 23 december 2004.

De strategie voor de ontwikkeling van de e-gezondheidszorg steunt op drie regelgevende, prioritaire en elkaar aanvullende pijlers.

In de eerste plaats moeten de gegevens beter worden beschermd en beheerd, meer bepaald door de definitie van gezondheidsgegevens, de aanmaak van een persoonlijk gezondheidsidentificatienummer en de oprichting van een sectoraal comité voor gezondheidsgegevens.

Ten tweede moeten regels en standaarden worden vastgesteld die de veiligheid en interoperabiliteit van de software voor het medisch dossier en telegeneeskundige toepassingen moeten garanderen.

Ten derde zal een telematicaplatform worden opgericht dat voor iedereen toegankelijk is.

Voor elk van die drie pijlers zijn afzonderlijke regelgevende initiatieven nodig.

Dergelijke projecten hebben er baat bij dat de regels en standaarden al toegepast, geëvalueerd en aanvaard werden door de gebruikers.

Twee werkgroepen, een voor het beheer en een andere voor de gebruikers, waaronder ook de zorgverstrekkers, werken mee aan het gemeenschappelijk telematicaplatform.

De volgende proefprojecten werden ontwikkeld op initiatief van de federale regering. Ze moeten de oprichting van ambitieuze nationale gezondheidsnetwerken voorbereiden:

Gedetailleerde informatie hierover is beschikbaar op http://www.health.fgov.be/telematics/.

Het kabinet van de minister van Sociale Zaken neemt op dit ogenblik deel aan overlegvergaderingen met Agoria, de Belgische multisectorfederatie van de technologische industrie.

Vooraleer te beslissen welke e-zorgprestaties door de verzekering gezondheidszorg ten laste zullen worden genomen, moeten hun functionaliteit en de veiligheidsvoorwaarden worden bepaald.

Voor de bescherming van de privacy is de federale wetgever bevoegd. Inzake gezondheidszorg is echter overleg met de gemeenschappen en gewesten nodig.

Mijn collega zal binnenkort, samen met de minister van Werk en Informatisering van de Staat, de inhoud en het tijdschema van zijn voorstellen aankondigen.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister verwijst uitdrukkelijk naar het draaiboek dat door de Europese Commissie voor 2004 werd gevraagd. Met betrekking tot de belangrijke mededeling van de Commissie van juni waarin ze tegen half oktober onze prioriteiten vroeg, heb ik echter geen antwoord gekregen. Precies die problematiek handelde over ICT in de vergrijzende samenleving. Men had het daarin niet zozeer over zorg in ziekenhuizen of over gezondheidsverstrekkers, maar over de thuiszorg. Hoe wil men er voor zorgen dat de telematica kan worden gebruikt om de zorg op afstand, de thuiszorg, beter te organiseren?

Lopende proefprojecten zoals Telesenior, dreigen vandaag door de onduidelijkheid over de federale en de gemeenschapsbevoegdheden, dood te bloeden. Dat is zeker het geval wat de thuiszorg betreft, waarvoor ook de gemeenschappen bevoegd zijn. Ik wens hierover met de minister later nog van gedachten te wisselen

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De volgende vergadering vindt plaats donderdag 10 november 2005.

Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan zijn voorzitter om de agenda van de volgende plenaire vergadering te bepalen? (Instemming)

(De vergadering wordt gesloten om 19.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van dermeersch en de heer Wilmots, wegens andere plichten, de heer Galand, in het buitenland, en mevrouw De Schamphelaere, om familiale redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 61
Voor: 21
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jean-Marie Cheffert, Christine Defraigne.

Stemming 2

Aanwezig: 61
Voor: 21
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jean-Marie Cheffert, Christine Defraigne.

Stemming 3

Aanwezig: 61
Voor: 39
Tegen: 21
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Jean-Marie Cheffert.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 40
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 5

Aanwezig: 62
Voor: 10
Tegen: 52
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 6

Aanwezig: 60
Voor: 50
Tegen: 10
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot invoeging van een artikel 104bis in hetzelfde wetboek, inzake de publicatieverplichting over de besteding van de gelden van organisaties die een beroep op giften doen (van mevrouw Annemie Van de Casteele; Stuk 3-1397/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijvingen van voertuigen, teneinde bepaalde categorieën van kentekenplaten af te schaffen (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Frank Creyelman; Stuk 3-1403/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende daderherkenning en het recht van slachtoffers van misdrijven om foto's van daders die op heterdaad gefilmd of gefotografeerd werden openbaar te maken (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Jurgen Ceder; Stuk 3-1404/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel dat ertoe strekt te waarborgen dat zichtrekeningen bij kredietinstellingen kosteloos kunnen worden gesloten (van mevrouw Joëlle Kapompolé en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 3-1406/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, in verband met de collectieve consumptieakkoorden (van mevrouw Joëlle Kapompolé en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 3-1407/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot versoepeling van de verblijfsvoorwaarden voor hooggekwalificeerde vorsers (van de heren François Roelants du Vivier en Jacques Brotchi; Stuk 3-1410/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot aanpassing van diverse bepalingen aan de nieuwe benaming van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-1405/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de zesde ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (Hongkong 13-18 december 2005) (van mevrouw Olga Zrihen; Stuk 3-1398/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocatie

Bij boodschap van 25 oktober 2005 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Wetsontwerp tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 met betrekking tot de procedure van verificatie van schuldvorderingen (Stuk 3-1307/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 20 oktober 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 64 en 1476 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 59/1 van het Wetboek van Zegelrechten met het oog op de vereenvoudiging van de formaliteiten voor het huwelijk en de wettelijke samenwoning (Stuk 3-1401/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 21 oktober 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 14 november 2005.

Wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan (Stuk 3-1402/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 21 oktober 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 14 november 2005.

Kennisgeving

Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie met bepalingen over de rol van de apotheker en het gebruik en de beschikbaarheid van euthanatica (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-791/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 oktober 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle

Bij brief van 26 oktober 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig artikel 26, van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle aan de voorzitter van de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2004 van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.