2-74

2-74

Belgische Senaat

2-74

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 26 OKTOBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde acute aidsproblematiekĽ (nr. 2-230)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over ęhet alcoholgebruik en -misbruikĽ (nr. 2-229)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde hervorming van de civiele veiligheidĽ (nr. 2-233)

Mondelinge vraag

Vraag om uitleg van de heer Jean-Pierre Malmendier aan de minister van Landsverdediging over ęde toestand van de Belgische militairen die ziektes hebben opgelopen na het vervullen van humanitaire of vredesmissies in het buitenland en de diverse vormen van schadevergoeding die de Staat aan die militairen verleentĽ (nr. 2-234)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over ęde follow-up van het Wereldcongres tegen commerciŽle en seksuele uitbuiting van kinderen, Stockholm 1996Ľ (nr. 2-225)

Vraag om uitleg van de heer Mohamed Daif aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over ęde toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteitĽ (nr. 2-221)

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over ęde veiligheidsmaatregelen rond de terugkeer van het ruimtestation MIR in de dampkringĽ (nr. 2-227)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de staatssecretaris voor Ontwikkelings-samenwerking over ęde noodhulp en de ontwikkelingssamenwerking in PalestinaĽ (nr. 2-232)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over ęde mobbing op de werkvloerĽ (nr. 2-360)

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Deze week nog las ik in de krant een artikel over een onderzoek naar de waarden die de Belgen belangrijk vinden. Men peilde daarin onder meer naar wat ze belangrijk vinden op hun werk. Een prettige werksfeer scoort daar het hoogst, met het hoogste percentage dat in heel het onderzoek voorkomt, namelijk 74,5%.

Dezelfde week las ik ook verschillende artikels over mobbing, pesten op het werk. Dat kan gaan van roddelen en flauwe grappen tot het isoleren van iemand en zelfs het saboteren van iemands werk. De mensen op de werkvloer beseffen vaak niet de draagwijdte van hun gedrag, voor hen zijn het vaak maar kleine voorvalletjes zonder enige betekenis. Tot er zich een pijnlijk drama voordoet zoals dat van vorige week. Dan schiet iedereen plots wakker, dan komt mobbing plots op het voorplan in de media.

Mobbing doet denken aan pesten op school. Ook daar werd dit lang genegeerd. Jarenlang werden pestproblemen van tafel geveegd met dooddoeners als "je wordt daar weerbaar van", "de gepeste lokt het zelf uit", en dergelijke meer. Niets is minder waar.

De voorbije jaren zijn scholen meer aandacht beginnen schenken aan deze problematiek. Er wordt hard aan gewerkt om pesten op school tegen te gaan, onder meer door het op te nemen in de eindtermen en in de ontwikkelingsdoelstellingen. Sommige scholen hebben in hun schoolreglement zelfs sancties opgenomen voor pesten. Iedereen die op een of andere manier met pesten te maken kan krijgen, wordt gesensibiliseerd en opgeleid. Dat is dan niet alleen de pestkop, ook de andere leerlingen, de begeleiders en zelfs het onderhoudspersoneel van de school worden daarin betrokken. In de klas wordt de aanpak van het pesten afgestemd op de drie groepen die zich daarbij steevast vormen: de pestkop, de gepeste en de middengroep. Deze laatste zijn de leerlingen die het pesten wel zien gebeuren, maar er niet rechtstreeks bij betrokken zijn. Ze ondernemen geen enkele actie en nemen geen standpunt in.

Bij mobbing op het werk komt die middengroep bijna nooit ter sprake. Daarom lijkt het me belangrijk dat de aanpak die op de scholen de voorbije jaren ingang heeft gevonden en daar vaak succes kende, ook in de werksituatie wordt toegepast.

Bestaan er cijfers over mobbing? In welke sectoren komt dit meer voor? Is er een verschil naargelang van het geslacht, de leeftijd of de anciŽnniteit van de gepeste?

Staat de minister in contact met zelfhulpgroepen zoals Helpende Handen die slachtoffers van mobbing begeleiden?

Wat is ze van plan te ondernemen om dit probleem aan te pakken? Zal ze het wetsvoorstel over mobbing dat enkele senatoren hebben ingediend en dat we weldra zullen behandelen, ondersteunen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Pesten op het werk is een gekend fenomeen. Meerdere malen hebben slachtoffers daarvan zich tot mij gewend om mij hun pijnlijke ervaringen te vertellen. Zoals mevrouw De Roeck terecht zegt, gaat het niet om een nieuw fenomeen. Alleen doet het zich sinds enige tijd op een nieuwe manier voor.

Cijfers over pesterijen op het werk zijn niet voorhanden. Ter gelegenheid van een colloquium dat mijn departement op 23 oktober laatstleden organiseerde, heeft een vertegenwoordiger van de Europese Stichting voor de verbetering van de levens- en arbeidsvoorwaarden, de resultaten voorgesteld van de derde Europese enquÍte die tijdens het voorjaar 2000 werd gehouden in vijftien lidstaten van de Europese Unie. De eerste resultaten tonen aan dat 2% van de werknemers, dat zijn 3 miljoen mensen, het voorwerp uitmaakt van lichamelijk geweld van hun collega's.

Zes miljoen werknemers, 4%, maakten het voorwerp uit van gewelddadig gedrag vanwege personen vreemd aan het bedrijf; drie miljoen, 2%, maakten het voorwerp uit van ongewenste intimiteiten en 13 miljoen, 9%, van intimidatie of mobbing.

Vrouwen vertegenwoordigen daarin het grootste percentage, namelijk 10%. De sectoren waar het verschijnsel het meest voorkomt zijn: de openbare besturen 14%, de horeca 13%, handelszaken en diensten 13%.

Er worden eveneens nationale verschillen vastgesteld, maar volgens de Stichting van Dublin geven die de juiste omvang van de problemen niet weer. Dat de sensibilisatie in bepaalde landen intenser wordt gevoerd dan in andere, verklaart de vastgestelde geschillen.

Het pesten op het werk is een vorm van gewelddadig gedrag en moet worden beteugeld. Het is echter niet de enige vorm. Ik denk daarbij onder meer nog aan ongewenste seksuele intimiteiten. Ik meen dat wij voor elk fenomeen eenzelfde beleid moeten voeren.

Met mijn bestuur bereid ik een actieplan voor dat een preventief hoofdstuk zal bevatten. Ik ben ervan overtuigd dat de informatie en sensibilisering van de partners in het bedrijf de beste preventiemiddelen zijn. Ik ben bovendien van oordeel dat er in het bedrijf zelf zoveel mogelijk interne oplossingen moeten worden uitgewerkt. Het is slechts wanneer interne procedures niet werken dat naar een externe procedure moet worden gegrepen.

Ik ben ook de mening toegedaan dat de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur in de toekomst een meer essentiŽle rol zal moeten spelen. Hij moet in de procedure een belangrijke schakel worden. Tot slot ben ik ervan overtuigd dat de wet van 7 mei 1999 over de gelijkheid van behandeling tussen mannen en vrouwen een inspiratiebron moet zijn in de uitwerking van een aangepast instrument om gewelddadige gedragingen te beteugelen.

Einde november zal ik mijn beleid inzake gewelddadige gedragingen op het werk bekend maken. De vereniging "Helpende Handen" heeft contact opgenomen met mijn kabinet. Zij wordt binnenkort ontvangen.

Ik volg de acties die door dergelijke verenigingen worden gevoerd, maar ook de initiatieven die door de sociale partners zijn genomen. Zij hebben beslist dat dit thema op de agenda van de Nationale Arbeidsraad moet worden gezet. Ik verheug me over deze keuze, want ik ben er stellig van overtuigd dat er geen doeltreffende strijd kan worden gevoerd zonder de steun van de vakbonds- en werkgeversorganisaties. (Applaus)

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Het gaat hier ten eerste hoofdzakelijk om psychologisch geweld, dat geen zichtbare lichamelijke letsels achterlaat en bij meldingen bijgevolg ook moeilijk kan worden bewezen.

Het is dan ook erg belangrijk dat alle partners bij de sensibilisatie worden betrokken. Er moet vooral een manier worden gevonden om de middengroep te sensibiliseren. Daarmee bedoel ik de partners die geen directe betrokken partij zijn, maar die het rondom hen wel allemaal zien gebeuren. Zij kunnen een zekere controle of druk uitoefenen om te verhinderen dat de zaken nog meer escaleren en uiteindelijk onhandelbaar worden. Er zal ongetwijfeld altijd nog wel worden gepest op het werk, ook met een goede sensibilisatie, en bijgevolg is ook het melden belangrijk.

Ik raad aan de vertrouwenspersoon buiten de werkkring aan te wijzen. Als leerkracht heb ik altijd ervaren dat leerlingen minder snel melden in de eigen school omdat ze bang zijn dat iedereen er weet van krijgt. Misschien geldt dat ook voor meldingen van pesterijen op het werk.

Ik raad de minister aan het actieplan "Pesten op School" eens grondig te bestuderen. Het kan een inspiratie zijn voor haar actieplan "Pesten op het Werk".

Mondelinge vraag van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęhet voorleggen van de resultaten van een aids-test als voorwaarde voor het verkrijgen van een Belgisch visumĽ (nr. 2-363)

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Een deel van mijn vraag is gericht tot de minister van Buitenlandse Zaken. Zal mevrouw Aelvoet op het geheel van de vraag antwoorden?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ja.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Brazilianen die in BelgiŽ verblijven, hebben mij laten weten dat de Belgische consulaire diensten te Sao Paulo voor het afleveren van een Belgisch verblijfsvisum systematisch de voorlegging van het resultaat van een HIV-test eisen.

Hun beweringen worden gestaafd door documenten van het Belgische consulaat te Sao Paulo, die ik bij de tekst van mijn vraag heb gevoegd.

Onder meer de sociale dienst voor de vreemdelingen te Brussel bevestigt mij dat de eis van een HIV-test bij een visumaanvraag veel ruimer verspreid is dan men denkt. Dit geldt onder meer voor beursstudenten, maar ook voor kandidaten tot gezinshereniging.

Over welke inlichtingen beschikt de minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot deze praktijk, met name bij het genoemde Belgische consulaat? Hoe wordt de praktijk verantwoord?

Is de eis tot voorlegging van een HIV-test voor de aflevering van een visum van enig nut in de bestrijding van aids? Is het geen onaanvaardbare discriminatie ten opzichte van seropositieven en van de betrokken vreemdelingen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik zal eerst in eigen naam antwoorden en dan de inlichtingen meedelen die ik van mijn collega van Buitenlandse Zaken heb gekregen.

Ik was verbaasd te vernemen dat de voorlegging van een aids-test werd gevraagd. Iedereen weet dat dit vanuit het oogpunt van de volksgezondheid zinloos is. Sommige landen hadden hier eerder al om gevraagd, met name de Verenigde Staten, maar toen ze inzagen dat dit geen zin had, hebben ze ervan afgezien.

Ik ben het met u eens dat deze maatregel niet gerechtvaardigd is. Op de webstek van de federale regering vindt men trouwens de lijst van de landen die de test wel vragen en BelgiŽ is daar niet bij.

Een aids-test kan niet geŽist worden van Belgen en een dergelijke maatregel opleggen aan vreemdelingen kan dus als een discriminatie worden beschouwd.

De kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken heeft mij duidelijk bevestigd dat helemaal geen opdracht werd gegeven om een aids-test te vragen aan mensen die naar BelgiŽ wensen te komen.

Mijn gesprekspartner bij Buitenlandse Zaken was net zo verbaasd als ik over de tekst van het consulaat-generaal te Sao Paulo.

Het feit dat deze eis ook geldt voor beursstudenten heb ik aan mijn collega Boutmans gesignaleerd met de vraag dit te willen onderzoeken.

Kortom, officieel bestaat deze eis helemaal niet.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik dank de minister voor haar zeer duidelijk antwoord. Ik ben het met haar eens dat deze maatregel ondoeltreffend en discriminatoir is. Hij heeft uiteraard voor ongenoegen gezorgd bij de Braziliaanse gemeenschap in ons land.

Ik ben ook blij dat de minister bevestigt dat de Belgische regering daartoe geen opdracht heeft gegeven, wat ik verwachtte, aangezien ik dit zelf op de webstek al had opgezocht.

Ik heb in dit verband trouwens nog een aantal andere websites geraadpleegd. Slechts een tiental landen, waaronder China, Belize en Saoedi-ArabiŽ eisen nog een aids-test voor de aflevering van een visum, meestal van langere duur. BelgiŽ mag niet op die lijst voorkomen. Naar verluidt zouden mensen van andere nationaliteiten in andere landen ook met hetzelfde probleem geconfronteerd worden. Ik zal dit verder onderzoeken.

Wij rekenen op de regering om de al te ijverige diplomatieke posten tot de orde te roepen. Volgende week vertrekt een parlementaire delegatie naar Sao Paulo. Ik heb aan een aantal deelnemers gevraagd deze zaak ter plaatse met de Belgische ambassadeur te bespreken.

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie en aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde kampen voor asielzoekers die de regering gepland heeftĽ (nr. 2-358)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Het Vlaams Blok heeft er zowel in de commissie als in de plenaire vergadering op gewezen dat de massale regularisatie voor een aanzuigeffect zou zorgen in de landen van herkomst van de asielzoekers. De regering heeft dit aanzuigeffect altijd ontkend, maar volgens de media zouden maandelijks vijfduizend asielzoekers naar BelgiŽ komen.

Wij hebben er ook reeds op gewezen dat het zogenaamde bevel tot het verlaten van het grondgebied zonder effectieve terugvoering van de afgewezene naar zijn land van herkomst, is verworden tot een bevel tot onderduiken in de illegaliteit. De geplandeVerhofstadt-kampen zullen het probleem evenmin oplossen. Daarvoor zullen onze voorstellen moeten worden uitgevoerd. Die voorstellen worden overigens gesteund door de heer Coveliers die erop gewezen heeft dat maandelijks 2.500 afgewezen asielzoekers naar hun land van herkomst zouden moeten worden teruggevoerd.

Kan de minister mij meedelen hoeveel asielzoekers er vandaag in BelgiŽ aanwezig zijn? Hoeveel afgewezen asielzoekers werden er dit jaar reeds teruggevoerd? In welke vorm van inspraak wordt er voorzien voor de gemeenteraden en de burgers van de gemeenten waar de containerdorpen, die ik Verhofstadt-kampen heb genoemd, zijn gepland?

We stellen vast dat het aantal asielzoekers dat naar ons land komt voortdurend toeneemt. Waar zal de regering de grens leggen? Of moeten we onbeperkt asielzoekers blijven toelaten?

Graag vernam ik van de minister hoe het aantal opvangplaatsen van de Verhofstadt-kampen per regio zullen worden verdeeld.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Blijkbaar kan de heer Verreycken het niet laten over kampen te spreken.

Zodra wordt besloten dat er in een bepaalde gemeente een centrum komt, wordt het gemeentebestuur op de hoogte gebracht. Indien het betrokken gemeentebestuur het niet eens is met de beslissing en medewerking weigert, zullen we rechtstreeks contact opnemen met de bevolking. Het gemeentebestuur wordt dan niet verder ingelicht en het wordt ook niet meer betrokken bij het verloop van de gebeurtenissen.

Indien de gemeente positief reageert, zullen we samen een communicatieplan opstellen en de praktische problemen samen oplossen. Ik verwijs in dit verband naar het voorbeeld van de gemeente Wingene. Zodra de aanvankelijke bezwaren met betrekking tot de opening van een centrum daar waren overwonnen, hebben we afspraken gemaakt over het verloop van de communicatie en het oplossen van de problemen.

De regering wil dat elke asielzoeker van wie het dossier ontvankelijk wordt verklaard, opgevangen wordt. Die opvang zal in de komende maanden geregeld worden.

De overige vragen over de asielproblematiek kan ik niet beantwoorden omdat zij betrekking hebben op een materie die niet tot mijn bevoegdheid behoort.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mijn vraag, die tot de minister van Binnenlandse Zaken was gericht, werd door de diensten van de Senaat naar een andere minister doorverwezen, die ze niet kan beantwoorden omdat hij zegt niet bevoegd te zijn. Dat is hallucinant, een hoogst eigenaardige manier van werken. Ik ben bereid aan te nemen dat minister Vande Lanotte niet bevoegd is, maar dat men mij dan de kans geeft mijn vraag te stellen aan de minister van Binnenlandse Zaken, die volgens mij wel bevoegd is. Voortaan stel ik mijn vragen wellicht beter aan de regering in haar geheel, in de hoop dat ze aan de bevoegde minister worden toegewezen.

Uit het antwoord van de minister heb ik begrepen dat hij van plan is zich rechtstreeks tot de bevolking te richten indien het gemeentebestuur - toch de democratische vertegenwoordiging - het voorstel om asielzoekers op te vangen, afwijst. Ofwel respecteert de minister op basis van het subsidiariteitsprincipe de beslissingen van de democratische vertegenwoordigers in de gemeenten, ofwel negeert hij de rol van het gemeentebestuur en richt hij zich rechtstreeks tot de bevolking in de hoop ze te kunnen overtuigen. Het is het een of het ander. Met andere woorden, ik heb een probleem met de gevolgde procedure.

Wat mijn andere vragen betreft, dring ik erop aan dat de bevoegde minister, tot wie ik mijn vraag had gericht, mij een antwoord bezorgt. Ik begrijp uiteraard dat er communicatiestoornissen kunnen bestaan binnen de regering. Ik ken andere coalities met ongeveer dezelfde partners die eveneens met dat probleem hebben af te rekenen. Daarvoor ben ik echter niet verantwoordelijk, maar ik verwacht wel een schriftelijk antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Mondelinge vraag van de heer Didier Ramoudt aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over ęde uitvoeringsbesluiten bij de wet op de kansspelenĽ (nr. 2-359)

De heer Didier Ramoudt (VLD). Het aantal gokverslaafden bij jongeren neemt hallucinante proporties aan. Uit een enquÍte blijkt dat niet minder dan 50 tot 60% van de scholieren, van wie sommigen 12 tot 13 jaar zijn, wekelijks op gokautomaten speelt, meestal in cafťs. Ook op de bedragen die ingezet worden, staat nauwelijks nog een rem.

De hulpverlenende instanties trekken aan de noodrem. Nochtans beschikt de overheid over het ideale instrument om deze situatie een halt toe te roepen. In december 1999 verscheen namelijk de wet op de kansspelen in het Belgisch Staatsblad. Tot op heden zijn er evenwel geen uitvoeringsbesluiten voor deze wet. Het uitblijven van deze uitvoeringsbesluiten is de voornaamste oorzaak van de onmacht om de kinderen te beschermen tegen de verderfelijke invloed van het spel.

Initieel bleek de verantwoordelijkheid voor deze situatie bij het ministerie van Justitie te liggen, maar volgens recente persberichten zou de minister van Begroting verantwoordelijk zijn. In mei laatstleden werd de toezegging gegeven om zes personeelsleden voor de commissie aan te werven. De budgetten voor deze commissie werden door de minister echter pas vrijgemaakt midden september met als gevolg dat de commissie haar werkzaamheden nog steeds niet kon aanvatten.

Waarom heeft de minister nagelaten de kansspelencommissie operationeel te maken door de vereiste middelen ter beschikking te stellen? Dat zou er voor gezorgd hebben dat die commissie de mogelijkheden had om te helpen de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten op te maken.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Op de begroting 2000 is 31 miljoen ingeschreven. Het budget is dus beschikbaar. Op 5 mei is het akkoord verleend om zes personen aan te werven. Zij moeten de uitvoeringsbesluiten schrijven en zijn daar mee begonnen. Zij konden op 1 juni in dienst treden.

In september is dan het akkoord verleend om personen aan te werven die de uitvoeringsbesluiten moeten toepassen. Het is evident dat we geen toestemming gaven in april mensen aan te werven om iets uit te voeren dat nog niet bestond. Vanaf november zouden de uitvoeringsbesluiten er zijn. Daarna zullen de nieuwe personeelsleden worden aangeworven.

Er is dus geen sprake van vertraging op het vlak van de begroting. Men mag evenmin zeggen dat iemand verantwoordelijk is voor enige vertraging. De commissie is gestart. Sommige leden ervan hebben ontslag genomen. De leidend ambtenaar moest worden vervangen. De personen die de besluiten moeten schrijven, werden aangenomen. Wie denkt dat sluitende besluiten op ťťn maand kunnen worden geschreven, vergist zich. In de pers werd het onderscheid tussen de eerste aanwerving van contractuele ambtenaren, die de besluiten moeten schrijven, en de tweede aanwerving van personen die de uitvoering moeten doen, door elkaar gehaspeld. Ik ontken met klem dat pas in september budgetten werden vrijgemaakt.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - De zaak is al heel wat duidelijker geworden, maar er blijft een verschil tussen de aanwerving van personen die uitvoeringsbesluiten moeten schrijven, en de tweede aanwerving van personen die moeten zorgen voor de uitvoering. Ik vermoed dat de besluiten nu, na vijf maanden, toch ongeveer klaar moeten zijn. Ik meen dat de aanwerving van personen die moeten zorgen voor de uitvoering, simultaan met de andere aanwervingen had kunnen lopen.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - De tweede aanwerving is maar op 24 mei gevraagd.

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde vergoeding van de bureauleden in de Antwerpse districtenĽ (nr. 2-356)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ingevolge het nieuwe artikel 332, ß4, 2į, van de gemeentewet, zoals ingevoegd bij wet van 19 maart 1999 tot oprichting van districtsraden, moet een uitvoeringsbesluit verschijnen dat de wedden van de leden en de voorzitter van het bureau van die districtsraden vastlegt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de omvang van de bevoegdheden die aan de districten worden toegekend.

In Antwerpen zijn op 8 oktober voor het eerst rechtstreeks districtsraden gekozen. In de districten worden nu gesprekken gevoerd over de vorming van de bureaus. Maar dit wordt fors bemoeilijkt door het feit dat de mensen die eventueel een dergelijke verantwoordelijkheid wensen op te nemen, geheel niet weten op welke vergoeding zij kunnen rekenen. Nochtans heeft het Antwerpse college al enige tijd geleden de bevoegdheden vastgelegd die aan de districten worden overgedragen en recent ook de daarbij horende middelen.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat dit uitvoeringsbesluit zo lang op zich laat wachten. In feite hadden die mensen al voor de verkiezingen zicht moeten hebben op de exacte omvang van deze vergoeding. Uiteraard moet de wedde vastliggen voor 1 januari. Liefst sneller, want de komende weken moeten ze beslissen of ze een dergelijk mandaat kunnen opnemen en wat dit concreet betekent voor hun persoonlijk leven.

Kan de minister mij meedelen waarom het zo lang duurt om dit besluit uit te vaardigen en wanneer dit het er uiteindelijk komt? Is er al zicht op de omvang van de wedde in vergelijking met schepenweddes voor gemeenten met eenzelfde aantal inwoners als de betrokken districten?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Zoals het geachte Lid terecht opmerkt, bepaalt de wet dat de Koning bij het bepalen van de wedde van de voorzitter en de leden van het bureau rekening kan houden met de omvang van de bevoegdheden die aan de districten zijn toegewezen, alsook met het aantal inwoners van het district. Hoewel er vooralsnog enkel in Antwerpen districtsraden gekozen zijn, moet het uitvoeringsbesluit een algemene draagwijdte hebben die toepasbaar is op alle huidige en toekomstige districtsraden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de diverse aspecten van het statuut van de mandataris van de districtsraden die ook een weerslag zullen hebben op de financiŽn van de betrokken steden. Uit wat voorafgaat blijkt dat de voorbereiding van het uitvoeringsbesluit een uitgebreid onderzoek en overleg met de betrokken instantie vergde. De voorbereidingsfase is nagenoeg afgerond en het besluit kan thans worden besproken met de Antwerpse beleidsverantwoordelijken. Hierna zal het aan de Koning ter ondertekening worden voorgelegd en bekendgemaakt. Het zal waarschijnlijk in de week van 21 november 2000 worden gepubliceerd.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn concreet antwoord. Ik ben blij dat deze zaak op korte termijn wordt geregeld, want ik meen dat de betrokken personen ruim vůůr nieuwjaar moeten weten wat ze kunnen verwachten.

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van het parlement van NamibiŽ. Ik wens haar een vruchtbaar verblijf in ons midden toe. (Algemeen applaus)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęde financiering van een openbare navelstrengbloedbankĽ (nr. 2-361)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - De geboorte van de reageerbuisbaby Adam in Denver, Verenigde Staten, begin oktober heeft ook in ons land een wetenschappelijk en ethisch debat losgemaakt. De baby werd in het leven geroepen om zijn aan leukemie lijdende zus Molly te redden met donormateriaal uit de navelstreng.

De inzichten in de prenatale genetica vandaag roepen belangrijke ethische vragen op. Het is duidelijk dat in de toekomst embryo-selectie op basis van gezondheidskenmerken en andere kenmerken een toegankelijke optie dreigt te worden voor de mensheid. Er zijn ook ethische implicaties met betrekking tot het verantwoord ouderschap en de uniciteit van elk kind, wanneer een kind wordt verwekt om een ander kind te redden.

Dat onze publieke opinie huiverig staat ten overstaan van manipulatie en selectie van embryo's wordt bevestigd door het recente onderzoek van de stichting European Value Study dat aantoont dat 82% van de Belgische bevolking wetenschappelijke experimenten met menselijke embryo's afwijst.

De wetenschappelijke onderbouwde alternatieven voor embryo-selectie moeten dan ook verder worden uitgebouwd en worden gefinancierd. Vanuit de universitaire wereld wordt bevestigd dat op een termijn van vijf jaar bijna 95% van de leukemiepatiŽnten kan worden geholpen wanneer ons land zou beschikken over een openbare navelstrengbloedbank.

Het is zeer aangewezen dat de overheid hierin investeert. Op het moment dreigt immers de commercialisering van het donormateriaal door firma's die zwangere vrouwen benaderen en voor grof geld hun navelstrengbloed invriezen. De bestaande initiatieven zijn afhankelijk van vrijwilligersbijdragen of caritatieve werken. De levensreddende behandelingen moeten echter voor elke leukemiepatiŽnt op gelijke wijze toegankelijk blijven.

De minister verkreeg in de begroting 2001 een verhoging van het budget voor de ziekteverzekering met meer dan 42 miljard frank, waarvoor onze fractie hem overigens heeft gefeliciteerd. Een openbare navelstrengbloedbank, aangesloten op een wereldwijd net, vergt een investering van maximum 200 miljoen frank. Welke stappen zal de minister doen om dit initiatief volledig te financieren?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik ben het eens met mevrouw De Schamphelaere dat het project zinvol en wetenschappelijk goed onderbouwd is en kan bijdragen tot een betere behandeling van leukemiepatiŽnten. Heden ten dage is de kans een compatibele donor te vinden binnen het gezin immers veel kleiner geworden omwille van de afnemende gezinsgrootte. Ook de dreigende commerciŽle aanpak waar zij naar verwijst is een feit en kan, op termijn, tot een situatie leiden waarbij gegoede ouders het navelstrengbloed van hun pasgeboren kind zullen kunnen laten bewaren en anderen niet. Dat moet absoluut worden vermeden. Dat is het soort van geneeskunde met twee snelheden waarvoor ik wil waarschuwen en waartegen ik mij zal verzetten.

De overheid heeft tot op heden in geen structurele financiering voorzien voor navelstrengbloedbanken, die derhalve met middelen afkomstig van de fondsenwerving door bepaalde verenigingen of via bepaalde acties worden gefinancierd.

Met de huidige modaliteiten inzake de financiering van gezondheidszorg is het niet zo eenvoudig om een dergelijk initiatief te bekostigen. Het gaat hier immers om een preventieve maatregel en een niet geringe investering ten voordele van toekomstige patiŽnten. Als wordt gesproken over 200 miljoen frank investeringen daar waar mijn budget met 42 miljard frank stijgt, lijkt het inderdaad onaanvaardbaar dat een dergelijk klein bedrag niet kan worden vrijgemaakt voor een zinvol initiatief. Ik zal deze opmerking waarschijnlijk nog vaak te horen krijgen. Ik wil hier dan ook even de betekenis van die 42 miljard relativeren. Die bestaat voor een groot stuk uit de normale stijging binnen de bestaande budgetten. Daarin zitten ook een aantal facturen die moeten worden betaald als gevolg van vroegere beslissingen. Eigenlijk is de ruimte voor strikt nieuwe initiatieven beperkt tot enkele miljarden. Persoonlijk was ik dan ook niet zo gelukkig met de voorstelling van zaken in de pers alsof het om een stijging met 42 miljard ging. De werkelijke beleidsruimte voor nieuwe initiatieven is veel beperkter. Bovendien krijg ik te maken met heel veel vragen die tientallen of honderden miljoenen uitgaven vragen, waarvan de optelsom miljarden hoger ligt dan wat ik vandaag ter beschikking heb. Keuzes moeten dus worden gemaakt en dat is niet eenvoudig.

Dat is zeker het geval in verband met de chronische aandoeningen, een van de prioriteiten van mijn beleid. Om die reden werd bij het RIZIV vorig jaar een wetenschappelijk comitť opgericht dat mij advies moet geven inzake de zorgverlening ten aanzien van chronische ziekten en specifieke aandoeningen. Het comitť heeft de opdracht criteria te bepalen op basis waarvan een aandoening op een lijst met prioritaire pathologieŽn wordt geplaatst die in aanmerking komen voor een projectmatige vernieuwing. Daarna moet het comitť projectvoorstellen opmaken.

Het project waarover mevrouw De Schamphelaere het heeft valt niet onmiddellijk onder de projectvoorstellen die vandaag worden besproken. Het aanleggen van een navelstrengbloedbank kan inderdaad een waardevol element zijn in de behandeling van leukemie en kan misschien aan het comitť worden voorgelegd. Ik heb trouwens de betrokkenen gesuggereerd hun idee voor te leggen aan het wetenschappelijk comitť, zodat dit kan uitmaken of dit voorstel past in een project ter behandeling van leukemie.

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over ęde toekomst van de telecomsectorĽ (nr. 2-350)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De regering heeft de afgelopen weken heel wat beloften gedaan. Hierbij werd ťťn belangrijk thema over het hoofd gezien: de toekomst van de telecomsector in ons land. Meer dan een jaar lang heerst er op alle regeringsbanken volledige stilte. Intussen weten we dat de regering met tienjarenplannen werkt. Hopelijk geldt dit niet voor de telecomsector. Ondertussen vaart de consument er slecht bij.

Mijn eerste vraag gaat over de relatie tussen de minister, enerzijds, en de actoren van de telecomsector, anderzijds. Velen vragen zich af of de minister wel degelijk alle actoren van de sector bij de discussie betrekt en niet enkele actoren begunstigt ten nadele van andere. Zo heb ik in de pers kunnen lezen dat de minister de alternatieve operatoren van de telecomsector minder dan 24 uur op voorhand voor een vergadering op zijn kabinet uitnodigt. Blijkbaar brengt het kabinet eerst de pers op de hoogte over een dergelijke vergadering en dan pas de sector en het Parlement. Kan de minister dit toelichten?

Een tweede punt is het Belgacomdossier. De minister had beloofd vůůr het einde van 1999 een beslissing te nemen. Ondertussen heb ik de heer John Goosssens, de grote baas, in de pers horen verklaren dat hij het dossier volledig in eigen handen heeft. Blijkbaar speelt de meerderheidsaandeelhouder, in casu de Belgische Staat, niet langer een rol bij de beslissing over de toekomst van het bedrijf.

Het dossier heeft dus vertraging opgelopen. Had de minister dit gepland en is hij gelukkig met het feit dat dit dossier zo lang blijft aanslepen? Welke aspecten van het dossier heeft hij de afgelopen weken behandeld? Zal weldra tot een beursgang worden beslist? Brengt het mogelijk vertrek van een aandeelhouder, het Amerikaanse SBC, geen ernstige verandering teweeg in het aandeelhouderschap van Belgacom? Is het verlies van de knowhow die dat bedrijf levert, geen nadeel voor Belgacom?

Mijn laatste vraag gaat over het UMTS-dossier. De minister heeft een aantal beslissingen genomen. Toch is het debat niet stilgevallen. Er hebben in tegendeel onverwachte gebeurtenissen plaatsgevonden. Een aantal veilingen heeft weinig opgebracht. Bovendien blijkt nu dat de minister een aantal aspecten van dit dossier, zoals de site sharing en de roaming, aan het Parlement moet voorleggen. Blijkbaar zal dit in een programmawet worden geregeld. Ik dacht dat we deze zomer hadden beslist dat dergelijke fundamentele kwesties niet langer in een dergelijke wet konden worden behandeld.

Ziet de minister in de tegenvallende resultaten van veilingen in Nederland en ItaliŽ, de val van de telecomaandelen en het afhaken en aarzelen van bedrijven als Telenet en Telefonica (Suez) geen reden om toch voor een andere strategie in het UMTS-dossier te opteren?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Ik zal het eerst hebben over het telecomdossier in zijn algemeenheid. Vervolgens zal ik even stilstaan bij de actoren. Ten derde zal ik een antwoord geven over de vraag naar wat er nu met Belgacom moet gebeuren en ten slotte zal ik ingaan op de UMTS-licenties.

De heer Van Quickenborne stelt terecht dat de regering met meerjarenplannen werkt. Dat is ook logisch: investeren in een bedrijf is hetzelfde als investeren in een beleid. In zijn federale beleidsverklaring heeft de eerste minister zes kernelementen voor de volgende jaren naar voren geschoven. Een daarvan was de ontwikkeling van de informatiesamenleving in het algemeen en het opstellen van een project inzake elektronische overheid in het bijzonder. Samen met de ministers Piquť, Van Den Bossche, Verwilghen en Duquesne heb ik een plan uitgewerkt, het zogenaamde vijfsterrenplan, waarin op basis van vijf verschillende elementen de ontwikkeling van de informatiesamenleving wordt uitgestippeld.

De daarvoor benodigde middelen zijn vastgelegd. De regering heeft mijn voorstel om de opbrengsten van de veiling van de UMTS-licenties geheel of gedeeltelijk via de intrestwinsten en na schuldafbouw in de telecommunicatiesector te investeren aanvaard. Twee derden van die winsten zullen in de informatiesamenleving worden geherinvesteerd en een ťťn derde in de mobiliteit. Iedereen weet echter dat communicatie en mobiliteit steeds meer met elkaar verweven geraken. Dit zien we bijvoorbeeld in de link tussen mobiliteit en telewerk.

Het gaat om een investering van ongeveer 10 miljard, over vijf jaar gespreid, afhankelijk van de opbrengsten van de veiling. Daarnaast komen er ook middelen van de Federale Participatiemaatschappij voor het deel "elektronische overheid". De Federale Participatiemaatschappij investeert in een publiek-privaat bedrijf, waarin onder meer De Post en bedrijven uit de informatie- en technologiesector een belangrijke rol zullen vervullen.

Het is mijn bedoeling om dit vijfsterrenplan zowel in de Kamer als in de Senaat in de bevoegde commissies voor te stellen. Vorige week heb ik de operatoren op mijn kabinet uitgenodigd. Ook zij zullen, net als de consumentenorganisaties, bij dit plan worden betrokken. Ik ben immers van mening dat de actoren op de markt zelf het best weten hoe de markt zich optimaal kan ontwikkelen. Zij kunnen mij dan ook zeggen welk van de vijf prioriteiten eerst moet worden gerealiseerd.

Hiermee heb ik meteen een antwoord gegeven op de vraag over de betrokken actoren. Wie dacht dat de politieke wereld grote gevoelens kan losweken, moet eens naar de telecomwereld kijken. De geruchtenstroom op de economische pagina's is even fantasierijk als op de politieke pagina's. Dit was een van de grootste verrassingen waarmee ik sinds mijn aantreden werd geconfronteerd.

De operatoren hebben vorige week op mijn kabinet de stand van zaken bij de liberalisering toegelicht. Ze hebben beloofd binnen een maand voorstellen voor een verdere liberalisering in te dienen.

Hierbij gaat het zowel om grote dossiers, zoals unbundling of the local loop, als om kleinere dossiers, zoals de carrier select en de precarrier select, de zonale gesprekken en de vermindering met 20% voor de interconnectietarieven.

Gisteren nog werd het ontwerp van programmawet door de Ministerraad goedgekeurd. Hierin zijn bepaalde aspecten opgenomen, waaronder site sharing, dat een andere regeling kende dan wat werd vooropgesteld in het koninklijk besluit met betrekking tot wireless loop. Dit dossier werd even uitgesteld teneinde met dezelfde regels dezelfde markt te kunnen bespelen.

Natuurlijk was het niet gemakkelijk. Onze keuze voor de veilingprocedure was immers niet naar de zin van de drie bestaande operatoren, die, zoals in een beperkt aantal andere landen, op een beauty contest hoopten, ervan uitgaande dat de zittende operator daarin wel de licentie toegewezen zou krijgen. Dat zou echter een inbreuk betekenen op de correcte en niet-partijdige toekenning van de licenties. Overigens leidden deze beauty contests in de landen waarin ze georganiseerd werden, tot de meest verregaande rechtszaken, waarvan ik de uitkomst niet kan voorspellen. Alleszins bestond het vermoeden dat bij een beauty contest heel wat problemen zouden rijzen, omdat men de toewijzing van een schaars goed met een enorm hoge potentiŽle waarde nu eenmaal niet op een ondoorzichtige manier kan doen.

Dit aspect, en niet het financiŽle, is dan ook de reden waarom ik voor een veiling heb geopteerd. Een veiling is een transparant proces waarbij niemand kan beweren dat iemand bij de toewijzing van de licenties wordt bevoordeeld of benadeeld. Anticiperend op een andere vraag kan ik meteen meedelen dat dit ook de reden is waarom de betalingen voor de vorige licenties niet in aanmerking kunnen worden genomen. Met het oog op het vermijden van deloyale concurrentie of deloyale behandeling in een procedure van attributie van een schaars goed heeft Europa immers bepaalde regels opgesteld.

De aspecten roaming en site sharing zijn in de programmawet opgenomen omdat zowel de Inspectie van FinanciŽn als mijn consultants hebben opgemerkt dat ik op juridisch vlak absoluut zeker moet zijn, omdat bedrijven snel naar de rechtbank gaan als het om zoveel geld gaat, in een poging schadevergoedingen te bekomen die tot enorme bedragen kunnen oplopen.

In een advies heeft de Raad van State opgemerkt dat het niet absoluut zeker is dat roaming en een deelaspect van site sharing, meer bepaald het constitueren tegen betaling door de operatoren van een databank van de plaats van de masten, bij koninklijk besluit kunnen worden geregeld. Aangezien ik een van de onderdelen toch in een wet moest gieten heb ik, om absoluut zeker te zijn, er daarom voor geopteerd in de wet ook alle aspecten van roaming en site sharing op te nemen. De wet is immers niet aanvechtbaar als ze door het Parlement is goedgekeurd.

Beide aspecten zijn ook opgenomen in de programmawet omdat ze eveneens een financieel onderdeel bevatten, meer bepaald de investeringen die als gevolg van de opbrengst van de veiling via de minderintrest voortvloeien naar het vijfsterrenproject inzake informatiesamenleving en mobiliteit.

Deze maatregelen zullen tegen het einde van het jaar gepubliceerd zijn, uiteraard na goedkeuring door het Parlement, al dan niet met wijzigingen.

De spreker heeft het over tegenvallende resultaten van de veilingen en noemt me traag. Momenteel hebben maar een beperkt aantal landen de toewijzing gedaan. Drie ervan zijn iets meer bekend: Nederland, Groot-BrittanniŽ en Duitsland. In de pers heb ik vernomen dat ItaliŽ overweegt de procedure al dan niet te herbeginnen. Duitsland en Groot-BrittanniŽ boekten succes, vermits de opbrengst er zoveel groter is dan aanvankelijk begroot. Nederland wordt beschouwd als zijnde geen succes, omdat de opbrengst minder is dan verwacht.

Het is dus een kwestie van verwachtingspatronen. Zoals u weet: perception is reality. Dat geldt zeker in de politiek en bij de publieke opinie.

In ItaliŽ zien we hetzelfde: de verkoop brengt gewoon minder op dan verwacht. We moeten dus afwachten of het in BelgiŽ een succes wordt of niet.

Zijn we traag? De meeste landen moeten nog komen: Zwitserland, Oostenrijk, Ierland, Portugal, Zweden, Noorwegen, noem maar op.

Is het succes van de voorbije veilingen, die de middelen van de markt hebben weggezogen, een probleem? Het was sowieso een probleem, aangezien de twee grootste markten, Duitsland en Groot-BrittanniŽ, hoe dan ook altijd vůůr BelgiŽ hun veiling hadden gehouden. We konden niet verwachten dat ons land eerst was geweest. Dit is dus eigenlijk een non issue. Of de andere veilingen een invloed hebben op de attributie en de waarde van de attributie zullen we dus nooit weten. Ik heb de opbrengst altijd zeer conservatief op 40 tot 60 miljard geraamd. Dat lijkt me voor deze schaarse goederen een redelijke prijs. Ligt de opbrengst hoger, des te beter. Komen we op dat bedrag uit, dan zijn we tevreden, als de licenties maar op een correcte, transparante wijze worden toegewezen. Voor zover ik zie is een transparante toewijzing, zonder discussie en de daarbij horende rechtszaken, enkel mogelijk door het organiseren van een volledig open veiling waarbij iedereen gelijk is voor de wet.

Haken bedrijven in dit proces af? Ik weet niet hoe ik dat moet interpreteren. Vandaag zijn niet alle gegevens duidelijk. Binnenkort zijn ze dat wel, want de komende dagen worden de elementen van het koninklijk besluit en de programmawet gepubliceerd, subject to modification uiteraard, want het Parlement moet een aantal zaken nog behandelen. Het proces zal dus zeer transparant zijn.

Formeel gezien is er vandaag nog geen enkele kandidaat, aangezien de kandidaatstelling nog niet open is. We weten alleen dat toen de zeer hoge prijzen in Groot-BrittanniŽ werden gehaald, tien of elf bedrijven zo'n veiling wel zagen zitten. Als enkele daarvan vandaag afhaken, lijkt die beslissing me veel minder ingegeven te zijn door het concept van de veiling en de inhoud ervan, dan wel door een investeringsbeleid dat onafhankelijk van de procedure en de inhoud van de veiling is uitgewerkt. We moeten dus gewoon afwachten tot de procedure effectief loopt, vooral ook omdat zovele landen samen met of na ons hun licenties veilen.

Belgacom is een ander verhaal. Dit is een dossier dat met de nodige omzichtigheid moet worden behandeld. Wie de telecommarkt volgt, zal het met me eens zijn dat we beter kiezen voor een goede strategische operatie, die op langere termijn altijd de waarde maximaliseert, dan voor een operatie op korte termijn die hoe dan ook risicovol is. Kijk maar naar de beursgangen die moesten worden uitgesteld en die een feit zouden zijn geweest indien we een beursgang van Belgacom hadden gehad. We hadden van bij aanvang meer dan genoeg indicaties om, gezien de volatiliteit van de markt, op korte termijn niet naar de beurs te gaan, behalve wanneer een beursgang zou kaderen in een strategische operatie. Dat is altijd mijn doelstelling geweest en zal dat ook blijven. Kiezen voor een strategische operatie betekent dat we in een veranderend landschap nu eenmaal de betere kansen moeten grijpen. In dat opzicht zitten we perfect op dezelfde golflengte als ADSB, de andere partner in het bedrijf, die 50% van de aandelen min ťťn heeft en waarin SBC, de overnemers van Ameritech, zitten. Op het ogenblik onderzoeken we, zoals dat hoort in de telecommarkt, een aantal opties om op een bepaald ogenblik een strategische operatie uit te voeren die de waarde maximaliseert, maar vooral ook andere aspecten, zoals de telecomactiviteit in het centrum van Europa, als een belangrijk gegeven naar voren schuift. Als puur financiŽle maximalisatie de doelstelling was, dan moesten we niet naar de beurs gaan. Dan zouden we het bedrijf in vier stukken moeten hakken, de mobilofonie en het internet verkopen, hopen dat de data nog iets opbrengen en `wiring' failliet laten gaan. Zo zou een Amerikaanse geldwolf, die alleen naar de centen kijkt, het doen, maar dat is duidelijk niet mijn strategie. Ik kies voor een strategische operatie die zowel de aandeelhouders, als de stakeholders, als het personeel, als het land voordeel biedt.

Ik ben niet gebonden door de tijd.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De minister heeft het wel over de omzichtigheid waarmee het Belgacomdossier moet worden behandeld, maar waarom heeft hij dan een timing geÔntroduceerd? Hij zegde zelf dat hij vůůr eind 1999 een beslissing zou nemen. Hij heeft inmiddels blijkbaar zijn les geleerd. Intussen is de telecommarkt veranderd. Een jaar geleden waren er misschien interessantere opties dan nu.

Volgens mij is de betrokkenheid van de telecomactoren toch niet zo groot. Ik vind het nogal eigenaardig dat de uitnodigingen minder dan 24 uur vůůr de vergadering zijn toegekomen. Ik neem aan dat hij een aantal beslissingen heeft genomen onder druk van de telecomsector. Een aantal parlementsleden uit de meerderheid en de oppositie heeft geprotesteerd tegen het nieuwe tariefplan van Belgacom en er komen ongetwijfeld nog protestacties. Wij hebben de indruk dat de minister vooral opkomt voor Belgacom en de andere actoren in de kou laat staan. Dat is een slechte zaak voor de consument, want een maximale concurrentie is ideaal.

Ik wil ook nog even terugkomen op de UMTS-veiling. De Belgische mobilofoonmarkt is heel speciaal. Er zijn, in tegenstelling tot andere landen, twee dominante operatoren. De regering heeft beslist een van de twee of misschien allebei te laten domineren, zodat er voor sommige transacties op basis van een kostenstructuur moet worden gewerkt. Deze markt is echter zo verschillend van andere markten. Dat moet de minister er toch toe aanzetten een speciale procedure te ontwikkelen. Ik vrees dat er, precies door onze monopoliemarkt, weinig kandidaten zullen zijn om een bod uit te brengen op de vier licenties, zeker op de vierde, waarvan de marktpenetratie immers klein zal zijn. Ik prefereer een vast tarief in een hybride systeem boven een tarief waar men maximaal laat bieden met het risico dat het resultaat wel eens zou kunnen tegenvallen.

Mijn laatste opmerking betreft de discussie over de programmawet. De minister wil een aantal aspecten in die wet regelen. Als er iets bij wet wordt geregeld, dan heeft het Parlement een inbreng. Ik vind het nogal schaamteloos dat de minister een wetsontwerp indient bij het Parlement, maar er a priori van uitgaat dat er niet veel zal worden gewijzigd. Het Parlement is er om over wetsontwerpen en wetsvoorstellen te discussiŽren. Als de minister dit als een noodzakelijk kwaad ervaart...

De voorzitter. - Mijnheer Van Quickenborne, volgens het Reglement mogen een mondelinge vraag en het antwoord vijf minuten duren.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik vraag al maandenlang een debat over deze problematiek. Ofwel nemen we onze instelling ernstig ofwel niet.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Ik wacht op een uitnodiging voor een debat. Ik ben overigens altijd bereid om tijdens elk debat de zaken gedetailleerd te bespreken. U kunt mij toch niet verwijten dat ik de inbreng van het Parlement niet naar waarde schat. De uiteindelijke inhoud is inderdaad het prerogatief van het Parlement, maar de regering dient het ontwerp in.

Mondelinge vraag van de heer Olivier de Clippele aan de minister van FinanciŽn over ęde regionalisering van de registratierechtenĽ (nr. 2-354)

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Ik zou willen weten wat de minister denkt over het akkoord dat binnen de federale regering is afgesloten over de regionalisering van de registratierechten.

Het is logisch dat in een klassieke federale staat - ook al is BelgiŽ dat niet helemaal - de ontvangsten die verband houden met onroerende goederen, als eerste geregionaliseerd worden; onroerende eigendom kan men inderdaad niet onder de arm nemen en ermee naar een ander gewest trekken omdat men er minder belasting moet betalen.

Is het de bedoeling van de regering het gehele wetboek te regionaliseren of alleen de ontvangsten? Zal men met andere woorden hetzelfde doen als met de successierechten? Zal men de belastinggrondslag federaal houden, terwijl de aanslagvoeten en vrijstellingen gewestelijk blijven of wil men nog verder gaan?

Wat gebeurt er met de administraties van de registratie en van het kadaster, die beide nog federaal zijn?

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn. - Het akkoord tussen de federale regering en vertegenwoordigers van de gewestelijke en gemeenschapsregeringen heeft betrekking op de gewestelijke belastingen en op het kijk- en luistergeld.

Vermits er bij de belasting op onroerende goederen een fysieke band bestaat met het grondgebied van een gewest, is het normaal dat men dit soort van belastingen overhevelt, temeer omdat ze in de financieringswet zelf als gewestelijke belastingen worden omschreven.

We zijn dus overeengekomen de fiscale ontvangsten volledig over te hevelen. Daarnaast zullen ook de registratierechten op de overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen en de "afgeleide" belastingen, die in het verlengde van de huidige gewestelijke belastingen liggen, worden overgeheveld. Het gaat om de registratierechten op hypotheken en om de schenkingsrechten. Die overdracht zal budgettair neutraal zijn. De dotaties zullen dus verminderd worden met het bedrag van de fiscale ontvangsten uit de gewestelijke belastingen. We zullen ervoor waken dat verplaatsing om fiscale redenen wordt voorkomen, ook al is het gevaar bij onroerende goederen niet erg groot.

Voor het overige zullen, wat de aanslagvoeten, belastinggrondslag en vrijstellingen betreft, de regels van de financieringswet van toepassing zijn. De gewesten hebben terzake al bepaalde bevoegdheden. De toepassingsregels zullen worden opgenomen in de wetsontwerpen die de regering binnenkort bij het Parlement zal indienen.

In een aantal gevallen zal de belastingoverdracht het voorwerp uitmaken van samenwerkingsakkoorden tussen de gewesten.

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van FinanciŽn over ęhet arrest van het Hof van Cassatie inzake de fiscale aftrekbaarheid van beschrijfkostenĽ (nr. 2-362)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Tot op heden mochten bedrijven bij de aankoop van een grond de beschrijfkosten niet fiscaal aftrekken. De fiscus argumenteerde immers dat gronden en bijbehorende kosten een onbeperkte gebruiksduur hebben. In een recent arrest weerlegt het Hof van Cassatie echter deze redenering. Registratiekosten en notariskosten zijn bijkomende aankoopkosten die geen wezenlijke waardetoename uitmaken voor de onderneming. Volgens artikel 62 van het Wetboek op de Inkomstenbelasting zijn dergelijke kosten wel fiscaal aftrekbaar.

Hiermee bevestigde het Hof van Cassatie eerdere arresten van het Hof van Beroep van Brussel. Hoewel de fiscus niet anders kan dan dit arrest toe te passen en deze kosten te aanvaarden, toch blijkt volgens een krantenbericht dat de fiscale administraties alle bezwaarschriften die belastingplichtigen op basis van de eerdere arresten van de hoven van beroep hadden ingediend, in allerijl afwijzen. Dit impliceert dat de betrokkenen naar de rechtbanken zullen moeten stappen. Deze houding van de fiscale administraties is daarom zeker geen voorbeeld van behoorlijk bestuur.

Welke houding neemt de minister aan tegenover dit arrest van het Hof van Cassatie? Welk gevolg heeft dit arrest voor de inkomsten van de staat?

Heeft de minister de fiscale administraties reeds de nodige richtlijnen gegeven om dit arrest na te leven? Zo ja, wat is de inhoud ervan?

Zal de minister de fiscale administraties de opdracht geven de eerdere bezwaarschriften op basis van de arresten van de hoven ven beroep te behandelen conform de uitspraak van het Hof van Cassatie?

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn. - Ik kan mevrouw Thijs nog geen volledig antwoord geven op haar vragen over het arrest van het Hof van Cassatie. Ik kan haar enkel meedelen dat ik mijn administratie opdracht heb gegeven de gevolgen daarvan te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of dit kan worden beschouwd als een vaste rechtspraak. Op basis van de resultaten van dat onderzoek zullen zo snel mogelijk de nodige richtlijnen aan de betrokken diensten worden verstrekt teneinde een eenvormig standpunt te kunnen innemen.

Zodra het onderzoek beŽindigd is, wil ik haar graag een schriftelijk op haar vraag bezorgen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Heeft de minister enig idee wanneer dat zal gebeuren? Heel wat bedrijven moeten nu vrij grote bedragen aan beschrijfkosten betalen. Als dit arrest bevestigd wordt, kunnen ze die misschien recupereren. Ze dringen erop aan dat er zo snel mogelijk duidelijkheid in de materie komt.

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn. - Ik heb mijn administratie gevraagd me binnen veertien dagen een antwoord te bezorgen. Ik zal dat dan onmiddellijk aan mevrouw Thijs laten bezorgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde acute aidsproblematiekĽ (nr. 2-230)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Op woensdag 19 juli stelde ik de minister al een vraag om uitleg met betrekking tot de acute aidsproblematiek, ook in ons land.

Ik vermeldde toen onrustwekkende cijfers van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, dienst epidemiologie, van december 1999 inzake het toenemend aantal HIV-infecties in BelgiŽ.

Als inleiding op mijn vraag van vandaag, breng ik de belangrijkste cijfers in herinnering. Tussen 1993 en 1997 daalde het aantal infecties, om na 1997 opnieuw te stijgen. In 1997 stelde men per maand gemiddeld 58 nieuwe infecties vast en in 1999 liep dat cijfer al op tot 66. Dat betekent een toename van 15%, wat niet gering is.

De minister heeft deze gegevens in juli bevestigd. Zij kwam tot het besluit dat er wel degelijk sprake is van een beginnende trend aangezien er gedurende twee opeenvolgende jaren een stijging wordt vastgesteld. Ze was het met mij eens dat actie noodzakelijk is.

Ze beloofde mij dat ze de gewesten en gemeenschappen zou vragen deze cijfers te analyseren en dat ze dit probleem op de agenda zou zetten van de vergadering van de ministers van Volksgezondheid in september jongstleden ten einde over een aanpak te overleggen.

Tot slot benadrukte ze de betekenis van overleg in deze materie. Ze zei duidelijk dat ze de gemeenschappen en gewesten geen impulsen kan geven, maar dat ze wel met hen overleg kan plegen.

Er wordt over deze zaak de jongste tijd vaak gesproken, niet alleen in BelgiŽ, maar in alle landen van de geÔndustrialiseerde wereld. De nieuwe therapieŽn, de geneesmiddelencocktail en de verbeterde medicatie hebben de levenskwaliteit van de aidspatiŽnten in het noordelijk halfrond aanzienlijk verbeterd. De evolutie van de ziekte wordt uitgesteld en bijgevolg ook de dood. De dalende trend van het aantal aidsgevallen gaat nochtans gepaard met een stijging van het aantal HIV-geÔnfecteerden.

Het is duidelijk dat het risicogedrag opnieuw toeneemt en dat het bestaan van betere therapieŽn de verantwoordelijkheidszin, onder meer inzake het condoomgebruik, sterk doet afnemen. Dit bleek niet alleen uit het Report on the global HIV/AIDS epidemic van juni 2000 waarnaar professor Peter Piot, hoofd van Unaids verwees, en waarbij hij waarschuwde voor zelfgenoegzaamheid, maar enkele weken geleden ook uit recente bevindingen van Jerome Radwin, hoofd van Amfar, de American Foundation for Aids Research.

Het is opmerkelijk dat verenigingen die deze ziekte bestrijden, tot dezelfde bevindingen komen. Door het succes van nieuwe therapieŽn beschouwt een groot deel van de bevolking aids niet langer als een groot gevaar en de waakzaamheid tegenover het virus neemt eigenlijk af. Dat vertaalt zich in een gewijzigd gedrag van een nieuwe generatie risicogroepen. Het is bijzonder beangstigend dat de publieke opinie uit het dalend sterftecijfer de conclusie trekt dat men met aids kan leven. Deze gedachte wordt gevoed door het feit dat de aidspatiŽnt, dankzij de nieuwste therapieŽn, thans minder uiterlijke kenmerken van de ziekte vertoont.

De nieuwe jonge generatie kan zich de ravage van de jaren 80 uiteraard moeilijk voorstellen. De jeugd wordt bovendien onvoldoende ingelicht over de ernst van de ziekte. Dat wordt in de pers bevestigd.

De vzw Jeugd en Seksualiteit heeft een enquÍte georganiseerd onder leiders van jeugdbewegingen. Deze enquÍte bevestigt onder meer het gebrek aan kennis van jongeren over voorbehoedsmiddelen, zwangerschap, geslachtsziekten en aids.

Het Belgisch leger heeft de voorbije zomer een nieuwe interne campagne gelanceerd om de mensen bewust te maken van de betekenis van aidspreventie. De bevoegde diensten van het leger zijn tot de conclusie gekomen dat de kennis over dit fenomeen nog steeds zeer beperkt is.

Welke beleidsinitiatieven zal de minister nemen om dit fenomeen een halt toe te roepen? Door de toename van het aantal met het HIV-virus besmette patiŽnten is er meer dan ooit nood aan een preventief beleid. Hoewel preventie niet tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort, dring ik erop aan dat zij haar verantwoordelijkheid op dit vlak op zich neemt. Welke stappen werden er in de loop van de voorbije maanden en weken gezet in het raam van het overleg tussen de ministers die bevoegd zijn voor Volksgezondheid?

Voorts wil ik het hebben over de financiering van het wetenschappelijk onderzoek, dat tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Levert de federale overheid genoeg inspanningen om het wetenschappelijk onderzoek te stimuleren? Ik vermeld in dit verband een concreet onderzoeksproject, namelijk de ontwikkeling van een aidsvaccin in het Instituut voor Tropische Geneeskunde te Antwerpen. Enkele weken geleden heeft de regering 150 miljoen extra middelen beloofd voor het aidsonderzoek. Indien men binnen redelijke termijn over een aidsvaccin wil beschikken, is er minstens 50 keer meer nodig. Samen met het Leuvense Rega-Instituut onderzoekt het Instituut voor Tropische Geneeskunde de mogelijkheden van een zogenoemde morning after-pil, een geneesmiddel dat na onveilig vrijen het aidsvirus vernietigt. Aangezien dit "wondermiddel" nog niet voor morgen is, blijft preventie het belangrijkste wapen.

Stond de aidsproblematiek op de agenda van de interministeriŽle conferentie van de ministers bevoegd voor de Volksgezondheid? Wat werd er beslist? Welke beleidsinitiatieven zullen er worden genomen? Welke middelen zullen hiertoe worden aangewend?

Na de bespreking in juli van de evolutie van het risicogedrag verklaarde de minister bij de Gemeenschappen en de Gewesten te zullen informeren naar de manier hoe zij de statistieken interpreteren. Kan zij hierover vandaag concrete informatie verstrekken?

Wat is haar mening over de inspanning die de federale overheid heeft beloofd voor de financiering van het wetenschappelijk onderzoek? Acht zij het mogelijk dat er zal worden ingegaan op het verzoek van de wetenschappelijke sector om dit bedrag aanzienlijk te verhogen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Een interministeriŽle werkgroep volgt permanent de problematiek van de besmettelijke ziekten in het algemeen op. Die werkgroep brengt verslag uit op de interministeriŽle conferentie volksgezondheid. Die conferentie had gisteren namiddag plaats in aanwezigheid van alle ministers van Volksgezondheid die dit land rijk is. Zij hebben voor het hele pakket rond TBC-bestrijding meer tijd nodig gehad dan verwacht, zodat de aidsproblematiek niet meer aan bod kon komen. Tegen de volgende vergadering moet daarover echter meer duidelijkheid bestaan. Ook TBC gaat een zeer belangrijke groep mensen in dit land aan. Door de versnippering van bevoegdheden wordt het moeilijk om bepaalde zaken geregeld te krijgen. Het TBC-dossier is nu bijna afgerond.

De vragen rond wetenschappelijk onderzoek waren niet schriftelijk meegedeeld. Ik kan daarover nu niet improviseren. Ik zal daarover vragen stellen aan de betrokken administratie en u de antwoorden toesturen.

Het is juist dat de indruk dat er medicatie bestaat om de ziekte te behandelen, banaliserend werkt op de neiging van jongeren om hun gedrag aan te passen. Er bestaat een interferentie tussen de betere behandeling van de ziekte en het gedrag. De ziekte wordt stilaan bekeken als een chronische aandoening. Dat verscherpt de nood aan gerichte campagnes. Men is zich daar op het niveau van de gemeenschappen van bewust. Het bewustzijn om geactualiseerde preventiecampagnes op te zetten, is zeker aanwezig.

In BelgiŽ vormen de heteroseksuelen de belangrijkste risicogroep voor het overdragen van de ziekte en dit in tegenstelling tot de buurlanden, waar transmissie bij homoseksuelen en drugsgebruikers op de eerste plaats komt. Het is dus juist dat daar waar de levensverwachting is verhoogd, ook het aantal besmette patiŽnten toeneemt. Toch moet hieraan worden toegevoegd dat dankzij de behandeling de virale lading zeer laag wordt, zodat die patiŽnten de ziekte niet meer doorgeven. Dat is op zich een positief element. Het is duidelijk dat de problematiek met de grootste aandacht en de gepaste middelen en op de verschillende niveaus verder wordt opgevolgd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Ik noteer dat dit dossier niet behandeld is op de interministeriŽle conferentie van gisteren. Kan de minister mij zeggen wanneer een volgende interministeriŽle conferentie plaatsvindt, waarop dit thema eventueel aan de orde komt?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De werkgroep besmettelijke ziekten, die tussen de conferenties samenkomt, werkt de volgende maanden door. De conferentie zelf is gepland voor begin maart.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over ęhet alcoholgebruik en -misbruikĽ (nr. 2-229)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - In onze buurlanden Frankrijk en Groot-BrittanniŽ zijn recentelijk een aantal studies gepubliceerd die de economische gevolgen blootleggen van zwaar alcoholgebruik en andere drugs. In Frankrijk zou de kost van legale en illegale drugs de gemeenschap ongeveer 220 miljard Franse frank kosten, wat neerkomt op 2,7% van het BBP. De kosten worden berekend op basis van de sociale gevolgen van het drugsgebruik - voortijdig overlijden door auto-ongevallen en kanker -, maar ook op basis van de medische meerkost en kosten voor preventie en repressie. Uit de studie blijkt dat alcohol het meeste schade toebrengt, gevolgd door tabak en dan pas illegale drugs.

In Groot-BrittanniŽ wijst een gelijkaardige studie uit dat alcoholmisbruik ongeveer 215 miljard kost aan de Staat. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de invloed op het gezinsleven. Huwelijken waarbij ťťn van de partners of beiden een drankprobleem hebben stranden immers twee keer zo vaak als huwelijken die dat probleem niet kennen. Vijfenzestig procent van de zelfmoordgevallen wordt in Groot-BrittanniŽ geassocieerd met alcohol.

Aangezien alcohol de laatste tijd ook in ons land voor de nodige ophef zorgt, wil ik de minister enkele vragen stellen.

Hoe staat het in BelgiŽ met het epidemiologisch onderzoek naar de economische, sociale en culturele repercussies van alcoholgebruik en - misbruik? Zijn er concrete cijfers beschikbaar betreffende het aantal gebruikers en de hoeveelheden? Naar mijn weten is een probleemgebruiker iemand die vijf glazen alcohol per dag drinkt. Is het waar dat er steeds meer wordt gedronken en dat er meer probleemgebruik is?

Zo er nog geen onderzoek gevoerd is, bestaan er dan plannen voor? Ik vermoed dat dit het geval is in het kader van de drugnota die binnenkort wordt voorgesteld.

Ons land is heel streng voor tabaksreclame, maar voor alcohol mag onbeperkt reclame worden gemaakt. Is de minister van plan ook voor alcohol strenge regels in te voeren?

Het gebruik van alcoholpops, frisdrank met alcohol, zorgt voor een problematisch alcoholgebruik bij jongeren vanaf 12 ŗ 13 jaar. Die alcoholpops danken hun succes aan het feit dat je de alcohol niet proeft. Is de minister van plan maatregelen te nemen om het gebruik van die alcoholpops bij jongeren in te dijken?

Volgens de besluitwet van 14 november 1939 en de wet van 15 juli 1960 mag geen alcohol worden geschonken aan jongeren onder de 16 jaar, noch aan dronken personen. Worden deze wetten voldoende toegepast? Zijn er cijfers van overtredingen beschikbaar? Zo niet, wat zal de minister daarvoor doen? Is een horeca-uitbater aansprakelijk? In de Verenigde Staten bijvoorbeeld is de wet heel streng in verband met het schenken van alcohol aan minderjarigen - daar is men minderjarig tot 21 jaar - en aan dronken personen.

Mijn laatste vraag is eigenlijk gericht aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, en heeft betrekking op het alcoholmisbruik in een aantal werksituaties. Bij De Post bijvoorbeeld lijkt een structureel alcoholprobleem te bestaan. Vijfendertig procent van de arbeidsongevallen zou er te wijten zijn aan alcoholmisbruik op het werk. De heer Frans Rombouts van De Post heeft dat toegegeven in Het Laatste Nieuws van 19 mei laatstleden. De meerkost als gevolg van ziekteverzuim en arbeidsongevallen die daardoor ontstaat, bedraagt 1,5 miljard frank. Heeft de bevoegde minister al initiatieven genomen bij De Post en eventueel ook bij andere diensten en instellingen die met dezelfde problemen kampen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - In de eerste plaats wijs ik erop dat de staatshervorming de bevoegdheden ter zake over verschillende niveaus heeft verdeeld.

Wat het wetenschappelijk onderzoek op federaal vlak betreft, is de bevolkingsenquÍte een van de belangrijkste instrumenten van Volksgezondheid om een goed zicht te krijgen op alle problemen die verband houden met de levensstijl, en die kunnen lijden tot verslaving, ziekte en dergelijke meer. De laatste gezondheidsenquÍte werd uitgevoerd in 1997 met de medewerking van het Instituut Louis Pasteur. Het betreft een epidemiologische bevolkingsenquÍte met een hoofdstuk over leefstijlen, roken, alcoholgebruik en preventie. Daaruit bleek dat in BelgiŽ op jaarbasis 85% van de bevolking af en toe alcohol gebruikt, dat 8% dagelijks alcohol gebruikt en dat 18% van de Belgen minstens eenmaal per maand meer dan 6 glazen drinkt, wat overeenstemt met de WGO-definitie van alcoholmisbruik. De gedetailleerde resultaten van die enquÍte zijn te vinden op de internetsite http//www.iph.fgov.be/.

De tweede belangrijke bron van informatie is de systematische verslaggeving van alle ziekenhuizen en psychiatrische instellingen. Daaruit blijkt dat er in 1997 in de psychiatrische instellingen 14.440 opnames zijn geweest voor alcoholmisbruik of - verslaving en 9.761 in de algemene ziekenhuizen. Samen dus iets meer dan 24.000 opnames. Het lijdt dus geen twijfel dat BelgiŽ met een reŽel probleem van alcoholisme kampt. In de begroting 2001 zijn de nodige middelen ingeschreven om opnieuw een bevolkingsenquÍte te organiseren waarin specifiek zal worden gepeild naar alcoholgebruik en rookgedrag waardoor we over een heel actueel beeld zullen beschikken.

Hoewel het alcoholgebruik per inwoner sinds 1985 afneemt, drinken de Belgen 8,9 liter pure alcohol per jaar, wat ons op de wereldranglijst een dertiende plaats oplevert. Uit een studie van de Vereniging voor Alcohol en Drugs (VAD), die tijdens het schooljaar 1999-2000 bij de Vlaamse scholieren werd uitgevoerd, blijkt dat 39,5% van de scholieren tussen 11 en 18 jaar al een alcoholpop heeft gedronken. Voor de 18-jarigen zit men al op een percentage van 70,2% en gemiddeld drinkt een kleine 20%van hen dergelijke drank minstens eenmaal per week.

Uit de VAD-enquÍte blijkt dat gemiddeld een kleine 20% elke week een dergelijke drank gebruikt. Er is een samenwerkingsprotocol in de maak voor een geÔntegreerd drugsbeleid tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten. Dat is gisteren nog behandeld door de interministeriŽle conferentie volksgezondheid. In de interkabinettenwerkgroep zijn we al goed opgeschoten. Er wordt een cel drugs gepland, die op permanente basis zal werken. Zowel de federale overheid als de gemeenschappen en gewesten zullen daarin vertegenwoordigd zijn, zodat een globale aanpak voor het hele land mogelijk wordt. Naast het deel volksgezondheid zijn er nog heel wat andere aspecten aan de orde inzake drugsbeleid. Daarom is er binnen de interministeriŽle conferentie een parallelle werking opgestart. Zodra er een federaal acquis bestaat, zal een meer omvattend beleid in het samenwerkingsakkoord worden vastgelegd. Een naadloze samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus is van fundamenteel belang.

De vraag rond reclame en de reglementering daarover was interessant. Hieruit bleek dat de indruk bestond dat ik een algemeen verbod op tabak zou hebben uitgevaardigd. Dat is niet juist. Dat was een initiatief van de Kamer; maar het is wel zo dat, als je aanstuurt op de naleving van bestaande reglementering, zoals bijvoorbeeld die van 1991 op het roken in cafťs en restaurants, je al een storm krijgt. Ik ga door met de controles. Het is belangrijk dat mensen aangenaam kunnen eten en zij die verkiezen niet te roken moeten dat in gezonde omstandigheden kunnen doen.

Ik heb geen plan voor een algemeen verbod op alcoholreclame. Ik wil wel de geldende reglementering op een correcte manier doen toepassen en een aantal aspecten hiervan opnieuw bekijken. Ik wil met name nagaan hoe het staat met de wettelijke verplichting tot gescheiden aanbod van alcoholische en niet-alcoholische dranken. Precies op dat vlak is er een probleem met de alcoholpops, niet zozeer in warenhuizen, waar op dit ogenblik een vrij goede scheiding van het aanbod van beide soorten dranken bestaat, maar wel bij bepaalde promotiestands. Ik ben dus van plan de bestaande reglementering te bekijken in het licht van actuele problemen, zoals bijvoorbeeld ook misleidende verpakkingen. Daarnaar verwijst ook de VAD-enquÍte. De regering zal de aanbevelingen uit het Europese actieplan alcohol 2000-2005 uitvoeren, zeker wat de aanbevelingen betreft. Er moet natuurlijk altijd worden gekeken hoe dat maatschappelijk aanvaardbaar kan worden gemaakt. Daarvoor is de communicatie en de organisatie van zeer groot belang.

Ik kom nu bij het antwoord dat de heer Van Den Bossche mij heeft gegeven. Wat de initiatieven bij De Post betreft verwijst hij naar het antwoord van minister Daems.

Wat de andere federale administraties betreft is hij van mening dat er weliswaar individuele problemen zijn, maar dat er geen sprake is van een veralgemeend drankmisbruik tijdens de werkuren. Algemene maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Ambtenaren die met een individueel probleem worden geconfronteerd krijgen het aanbod om sociaal-psychologisch te worden begeleid en geholpen. In de meeste gevallen hebben de verantwoordelijken voor Veiligheid, Gezondheid en Preventie een zeer waakzaam oog voor dit probleem. De Sociale Dienst staat open voor deze problematiek wanneer deze verantwoordelijken een probleem signaleren.

Bij De Post is de situatie blijkbaar anders. Uit het antwoord van minister Daems blijkt dat er daar wel degelijk een probleem is. De Post heeft meegedeeld dat er in de loop van 1999, op initiatief van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk (IDBP), een sensibiliseringscampagne werd opgezet voor de postontvangers en afdelingsverantwoordelijken. Dit gebeurde in samenwerking met ARISTA. Deze organisatie heeft 12 sessies in Brussel, 29 in WalloniŽ en 16 in Vlaanderen georganiseerd. Als er zoveel sessies worden georganiseerd, betekent dit dat er een probleem is.

In de sorteercentra Luik X en Charleroi X werden op initiatief van de verantwoordelijken van deze centra en de respectievelijke Gewestelijke Directies, pilootgroepen opgericht. In Charleroi heeft de IDPB in samenwerking met "Prťvention Alcool Entreprise" een sensibiliseringscampagne voorbereid. Er loopt momenteel een affichecampagne. In Luik bereidt de IDPB in samenwerking met ARISTA een dergelijk initiatief voor.

De Franstalige maatschappelijk assistenten werden reeds opgeleid om oriŽnteringsgesprekken te voeren met personen die een alcoholprobleem hebben.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het verheugt mij dat de minister dit probleem in het hele drugsprobleem kadert. De bevolking krijgt duidelijk het beeld dat er een globale aanpak bestaat van alle verslavingsproblemen en dus niet alleen van de "klassieke" drugsproblemen. Het gaat om verslavingen aan alcohol, geneesmiddelen, gokken enzovoort. Wanneer zal de minister haar drugsnota in het Parlement voorstellen?

Minister Daems geeft open en bloot toe dat er bij De Post een reŽel probleem is waartegen een aantal concrete acties wordt ondernomen. Het verwondert mij dat er in de andere administratieve instellingen blijkbaar geen enkel algemeen probleem is, maar slechts individuele problemen die sociaal worden begeleid. Blijkbaar zet De Post aan tot alcoholgebruik.

De minister heeft gezegd dat ze erop zal toezien dat de bestaande regelgeving effectief wordt nageleefd. Wenst zij een betere controle op het schenken van alcohol aan dronken personen of personen jonger dan 16? Hoe gaat ze dit doen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. -. De federale drugsnota zal eind november aan de Ministerraad worden voorgelegd en na goedkeuring bij het Parlement worden ingediend.

Ik zal uw opmerking aan minister Van den Bossche overmaken.

Ik ben uiteraard bereid het probleem van de reglementering in zijn geheel te bekijken. Ik zal mij nu niet uitspreken over mijn aanpak. Ik wil eerst nagaan wat de stand van zaken is, welke nieuwe elementen zich aandienen en hoe die in het geheel van de reglementering moeten worden ingepast. Als dat klaar is, kunnen acties overwogen worden. Ik zal u daarvan zeker op de hoogte houden.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde hervorming van de civiele veiligheidĽ (nr. 2-233)

De heer Georges Dallemagne (PSC). - In het voorjaar heeft de Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken een verslag uitgebracht waarin een reeks aanbevelingen zijn opgenomen met betrekking tot de hervorming van de hulpdiensten in ons land.

Die aanbevelingen steunden op plaatsbezoeken en hoorzittingen met specialisten inzake hulpverlening in ons land. Door de betrokkenen werd aangedrongen op de noodzaak tot samenwerking tussen de verschillende diensten. Dit aspect moet ook terug te vinden zijn in de beheers- en beslissingsorganen van de nieuwe civiele veiligheidsdiensten.

Naar aanleiding van deze aanbevelingen hebben mevrouw Lizin en ikzelf op 14 juli 2000 een wetsvoorstel ingediend.

Wij hebben vernomen dat de minister werkgroepen met de voorbereiding van deze hervorming heeft belast.

Is de minister van plan om de aanbevelingen van de Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken in de zes opgerichte werkgroepen aan bod te laten komen? Hoe zijn de werkgroepen samengesteld? Zitten er ook vertegenwoordigers van de verschillende hulpdiensten in? Wanneer moeten die werkgroepen klaar zijn met hun verslag?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - In de inleiding op mijn uiteenzetting naar aanleiding van de voorstelling van de conclusies van de werkzaamheden in de commissie op 8 juni jongstleden heb ik de commissieleden gefeliciteerd voor het uitstekende verslag. De aanbevelingen waren volstrekt gelijklopend met de conclusies die ik zelf had getrokken uit het Witboek van de brandweerdiensten en de onderzoeken die ik zelf had gedaan.

Al die getuigenissen en conclusies werden opgenomen in een werkdocument dat als leidraad zal dienen voor de werkgroepen die nu worden gevormd.

Om efficiŽnt en pragmatisch te kunnen werken vond ik dat de personen die deel uitmaken van de werkgroepen over voldoende deskundigheid en ervaring moesten beschikken. Het is ook de bedoeling de mensen van de praktijk nauw bij de hervorming te betrekken.

Bovendien zal de nadruk worden gelegd op een interdisciplinaire aanpak en een volledige vertegenwoordiging van alle betrokkenen naargelang van de behandelde materies.

Zo zal elke werkgroep dus een eigen specifieke samenstelling hebben. De werkgroepen "personeel", "opleiding", operationele structuur en organisatie", "institutionele en administratieve structuur en organisatie" en "planning van urgenties en interventies" zullen bestaan uit vertegenwoordigers van de provinciegouverneurs, steden en gemeenten, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, brandweerdiensten, operationele eenheden van de civiele bescherming, 100-centra, brandweerscholen, artsen, industrie en lokale en federale politie.

De werking van elke werkgroep zal worden gecoŲrdineerd door een ambtenaar van de centrale administratie van de civiele bescherming, die een technisch deskundige inbreng moet verzekeren en het secretariaat van de werkgroepen op zich moet nemen.

Binnen elke werkgroep zal de voorzitter de werkzaamheden leiden volgens de afgesproken krachtlijnen. Op het kabinet van Binnenlandse Zaken vindt op dit ogenblik de eerste vergadering plaats met de voorzitters van de werkgroepen.

In verband met de samenstelling, de opdracht en de werkwijze van de werkgroep "dringende medische hulpverlening" pleeg ik overleg met mijn collega van Volksgezondheid.

De activiteiten van de werkgroepen zullen worden gevolgd door een begeleidingscomitť, samengesteld uit kabinetsleden van Binnenlandse zaken en de directeur-generaal van de civiele bescherming.

Eerst moet elke werkgroep een inventaris maken van de voorstellen tot verbetering van de structuur, organisatie, werking en efficiŽntie van de hulpdiensten die onder mijn bevoegdheid vallen.

Die voorstellen worden in drie categorieŽn ondergebracht, waarvan de twee eerste op korte termijn kunnen gerealiseerd worden, hetzij door de wijziging van bestaande teksten of door de aanneming van nieuwe wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen. In de derde categorie horen de wijzigingen of nieuwe bepalingen thuis die bestaande teksten grondig hervormen, zodat die grotendeels of zelfs helemaal moeten worden herschreven.

De werkgroepen moeten elk voor hun respectieve werkgebied concrete voorstellen formuleren in verband met de afbakening van hulpverleningszones, alsook de organisatie, de werking en het beheer ervan.

Er moet werk gemaakt worden van de oprichting van technische comitťs, beheerscomitťs en het provinciaal coŲrdinatiecomitť. Als hulpmiddel voor de uitvoering van het ministerieel besluit van 14 april 1999 zal de inhoud van een type-hulpverleningsovereenkomst in een circulaire worden toegelicht. In dit verband moeten experimenten en vrijwillige initiatieven worden aangemoedigd.

Ik verwacht de eerste conclusies en concrete voorstellen tegen eind volgend jaar. Een tussentijds verslag zal worden opgesteld tegen 31 maart 2001.

Voor de hervorming van de civiele veiligheidsdiensten ben ik voorstander van een pragmatische aanpak. Door een betere coŲrdinatie van de bestaande diensten, bijvoorbeeld, kan al snel een en ander gerealiseerd worden. Deze geleidelijke evolutie kan het startpunt zijn voor een meer diepgaande hervorming. Ik sluit geen enkele hypothese uit, ook de fusie niet, maar een betere samenwerking zou al een hele stap voorwaarts betekenen.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - De werkgroepen waarnaar de minister verwijst, beantwoorden inderdaad aan de bekommernissen in ons verslag. De pragmatische aanpak stemt overeen met de suggesties die tijdens de debatten in de Senaat werden geformuleerd.

-Het incident is gesloten.

Mondelinge vraag

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over ęhet wegwerken van de gerechtelijke achterstand en de toestand in de gerechtelijke arrondissementen Brussel en LuikĽ (nr. 2-340)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - In de regeringsverklaring heeft de minister aangekondigd dat de strijd tegen de gerechtelijke achterstand een van de prioriteiten van de regering was. Meer dan een jaar later maak ik me ongerust over de vorderingen terzake.

De gerechtelijke achterstand is niet alleen te wijten aan het gebrek aan middelen en magistraten. Het is vooral de magistratuur, in het bijzonder de balies van Brussel en Luik, die ontevreden is omwille van het personeelgebrek.

De minister had positieve maatregelen aangekondigd. De kwestie kwam opnieuw aan de orde bij de stemming over het ontwerp over het snelrecht. De minister beloofde toen de personeelsformatie aan te aanvullen, niet alleen met het oog op de toepassing van het snelrecht, maar ook bij de parketten.

In september meldde de pers dat het Brusselse parket een groot aantal processen-verbaal voor verkeersinbreuken had geseponeerd. Een dergelijk bericht is niet goed voor het imago van het gerecht. Ik heb daarover enkele vragen.

Vindt u het normaal dat, bij gebrek aan middelen, processen-verbaal worden geseponeerd?

Welke maatregelen overweegt de minister om dit te verhelpen? Ik verwacht dat u preciseert hoeveel magistraten zullen worden benoemd. In Brussel ontbreken er vijfentwintig. Deze functies waren trouwens al vacant voordat de Hoge Raad aantrad.

Hoever staat het in Luik? U had een wetsontwerp op de gerechtelijke achterstand aangekondigd. U wilde de rol van de magistraat versterken, zodat hij de partijen er kon toe dwingen hun procedures te versnellen. Bij de balies is nogal wat deining ontstaan omdat u de advocaten voor de vertragingen verantwoordelijk acht. Dat is zeker niet de enige oorzaak van de achterstand. Is het wetsontwerp klaar om te worden ingediend? Bestaat er een bevoegdheidsconflict tussen de Hoge Raad voor de Justitie en uzelf over de benoeming van bepaalde magistraten?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik dank mevrouw Nyssens voor haar vraag. Een bezoek in het kader van de Raad van Europa en mijn werkzaamheden met mijn Marokkaanse collega in de gemengde commissie hebben me belet vroeger te antwoorden.

Ik zal u een tabel over de personeelsformaties in Brussel en Luik bezorgen. Wat de zittende magistratuur betreft, omvat de personeelsformatie in Brussel 105 plaatsen, waarvan er 24 vacant zijn, en deze van Luik 48, waarvan er 5 vacant zijn. Wat het parket betreft, telt de Brusselse personeelsformatie 92 plaatsen, waarvan er 25 vacant zijn, en de Luikse 42, waarvan 12 vacant.

In Brussel werden onlangs drie tweetaligen en drie Franstaligen benoemd bij de rechtbank van eerste aanleg. Deze zes personen moeten dus in mindering worden gebracht van de 24 vacante plaatsen. Eťn Nederlandstalige werd ook benoemd bij de handelsrechtbank van Brussel, zodat er nog 17 vacante plaatsen zijn.

In verband met de seponering van processen-verbaal wegens personeelstekort moet ik toch onderstrepen dat het openbaar ministerie zelf bepaalt of al dan niet tot vervolging wordt overgegaan. Het houdt daarbij rekening met de haalbaarheid of gewoonweg met de opportuniteit van de vervolging. Het parket kan dus, binnen de algemene regels van het strafbeleid, zijn prioriteiten bepalen.

Dat processen-verbaal worden geseponeerd en niet alle inbreuken worden vervolgd, vloeit voort uit de wil van de wetgever en uit het grondwettelijke principe van de scheiding der machten.

Dat de parketten het personeelsgebrek als criterium voor seponering hanteren, roept wel vragen op. Ik heb daarover een onderhoud gehad met de korpsoverste van het Brussels parket, de heer Dejemeppe, die betreurde dat een van zijn eerste substituten dit zonder nuancering aan de pers had meegedeeld.

Inmiddels hebben we maatregelen genomen op het vlak van het personeel en vooral van de arbeidsorganisatie. De problemen die we deze zomer hadden, zullen zich dus niet meer voordoen.

In een recente studie van de universiteit van Louvain-la-Neuve staat dat, als de parketmagistraten hun werk reorganiseren, ze het volume met 25% kunnen verhogen. Samen met professor Deprť-Ondekem en met de Hoge Raad voor de magistratuur gaan we nu na wat de invloed van een dergelijk reorganisatie kan zijn op de personeelsformatie.

Vanzelfsprekend kan een benoeming niet worden gepubliceerd als niemand zich kandidaat stelt. Daarom publiceren we geregeld de vacatures. Niettemin kan de verhoging van het aantal referendarissen en parketjuristen een oplossing betekenen. Als de personeelsformatie in de grote steden niet volstaat, moet het percentage parketmagistraten worden opgevoerd.

We evolueren nu naar 25 procent. Inmiddels heb ik kunnen vaststellen dat de meeste parketjuristen bij het parket willen blijven.

Het dossier van de openstaande betrekking van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Luik heeft om procedureredenen vertraging opgelopen. De houding van de gerechtelijke autoriteiten in de uitoefening van hun adviesbevoegdheid staat haaks op de beslissing van de Raad van State. Ik heb hun dat gezegd en hoop dat zij hun advies zullen herzien.

Met betrekking tot het snelrecht waren er in het kader van artikel 11 van de wet van 20 juli 1998 aanvankelijk 48 plaatsen vacant; inmiddels werden 27 plaatsen gegeven, waarvan 19 aan nieuwe magistraten en 8 door mutatie. Dit betekent dat nog 29 plaatsen moeten worden gegeven. Voor 21 daarvan zal de benoemingsprocedure binnenkort afgerond worden. Voor de acht plaatsen van substituut van de procureur des Konings stelde niemand zich kandidaat. Deze zijn als volgt verdeeld: Antwerpen 1, Brussel 4 tweetaligen - 3 met een Franstalig diploma en 1 met een Nederlandstalig diploma -, Luik 1, Bergen 1 en Doornik 1.

Wat het snelrecht betreft, waren er aanvankelijk 30 plaatsen vacant. Inmiddels werden al 16 plaatsen gegeven, waarvan 10 aan nieuwe magistraten en 6 door mutatie, waarvan 4 substituten van de militair auditeur van Brussel.

Twaalf plaatsen van toegevoegd substituut van de procureur des Konings zijn nog vacant. Voor ťťn ervan is procedure aan de gang. Blijven dan nog Antwerpen 3, Brussel 1, Gent 2, Luik 3 en Bergen 2.

Voor het snelrecht werden de ter beschikking gestelde middelen duidelijk niet benut, wat ook eens onderzocht moet worden.

In verband met het wetsvoorstel tot herziening van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de strijd tegen de gerechtelijke achterstand is het inderdaad juist dat ik gezegd heb dat de rechter een actievere rol moet spelen en dat ik een responsabilisering wil, zowel van de rechtsonderhorigen als van de magistratuur en de balie. Het voorontwerp van wet zal hopelijk nog dit jaar door de Ministerraad worden goedgekeurd, waarna het, na advies van de Raad van State, bij het Parlement zal worden ingediend.

Er bestaat trouwens geen verschil in interpretatie meer tussen mezelf en de Hoge Raad.

Ik heb ten slotte nog slecht nieuws. Zoals u weet, werd beslist de formatie voor toegevoegde rechters in Brussel uit te breiden. Gisteren heeft het Vlaams Parlement echter een belangenconflict ingeroepen, wat de werkzaamheden zal vertragen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Elk punt daarvan verdient een uitvoerig debat.

Over de volgende drie punten zal ik later nog vragen om uitleg stellen.

U hebt voorzichtig gezegd dat de voor het snelrecht beschikbare middelen niet worden gebruikt. Ik zal het later nog eens over het nut van deze procedure hebben.

Ik noteer dat er een probleem rijst in verband met de toegevoegde rechters. Er is een taalprobleem. Niet iedereen is blij met de toegevoegde magistraten. Ik betreur dat het Vlaams Parlement een belangenconflict heeft ingeroepen.

In verband met de studie van Louvain-la-Neuve zou het ten slotte interessant zijn na te gaan hoe het werk van elke magistraat kan worden geoptimaliseerd.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Pierre Malmendier aan de minister van Landsverdediging over ęde toestand van de Belgische militairen die ziektes hebben opgelopen na het vervullen van humanitaire of vredesmissies in het buitenland en de diverse vormen van schadevergoeding die de Staat aan die militairen verleentĽ (nr. 2-234)

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC). - Sinds 1995 hebben 17.000 Belgische militairen zestien humanitaire en vredesmissies in ex-JoegoslaviŽ vervuld. Sommigen kregen na hun terugkeer gezondheidsproblemen. Men spreekt over tweehonderd gevallen, waarvan vijftien ernstige, en over vier verdachte sterfgevallen. Alle militairen met ziekteverschijnselen werden medisch onderzocht. De artsen stelden huid- en hersenkankers, geheugen- en concentratiestoornissen, multipele sclerose en extreme vermoeidheid vast. De slechte gezondheidstoestand van die militairen werd objectief vastgesteld. Toch bestaat er volgens experts twijfel over het verband tussen die slechte gezondheidstoestand en de aanwezigheid bij de militaire operaties.

Er rijst dan ook een probleem over de schadevergoeding van die militairen of hun familie in geval van overlijden. Men mag dat probleem niet louter juridisch of gerechtelijk benaderen. Dat zou slechts leiden tot betwistingen tussen experts en dubbelzinnige of onvolledige juridische teksten. Het echte probleem is politiek van aard. Al die militairen hebben vrijwillig beantwoord aan de oproep van de Belgische Staat zodat die zijn internationale verplichtingen kon nakomen. Zij stonden vrijwillig ten dienste van het beeld van ons land als promotor van vrede en humanitair optreden. Ik meen dat de Staat als tegenprestatie de verplichting op zich heeft genomen om aan die mannen en vrouwen de beste gezondheid en fysieke en psychische integriteit te verzekeren. Op dit ogenblik bestaat er twijfel over of de Staat die verplichting ten volle kan nakomen. Over de gevolgen van de gebruikte materialen zijn nog geschillen tussen de experts mogelijk. Ik zou graag de houding van de minister kennen over de vraag in wiens voordeel de twijfel in dergelijke gevallen moet spelen. Moet men bij een dergelijke twijfel die militairen vergoeden of niet? Van het antwoord op die vraag hangt het vertrouwen in de Staat af van diegenen die zich engageren in een missie die ons land siert en waarvoor de Staat uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op hun inzet voor de vrede en de humanitaire doelstellingen.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Voor de ernstige aandoeningen werd een precieze diagnose gesteld. Die gevallen werden nauwkeurig wetenschappelijk geanalyseerd. De resultaten van die analyse werden aan de academische overheden voorgelegd en die hebben er de deugdelijkheid van bevestigd. Er kan geen enkel oorzakelijk verband worden aangetoond met de militaire operaties. Die conclusies vormden het onderwerp van een wetenschappelijke publicatie in de Annales van de militaire geneeskunde.

Over de uiteenlopende klachten van militairen die deelnamen aan de missies in ex-JoegoslaviŽ werd een brede enquÍte gehouden. Reeds meer dan 3.000 vragenlijsten werden teruggestuurd. Een tussentijdse analyse had al aangetoond dat ongeveer 17% van de militairen ten minste ťťn klacht had. We moeten echter de volledige studie afwachten vooraleer we statistisch verantwoorde vergelijkingen kunnen maken. Die vergelijkingen zijn onontbeerlijk indien men een eventueel oorzakelijk verband wil aantonen met de uitgevoerde missie. De zekerheid over dat oorzakelijk verband is noodzakelijk om de beste behandeling mogelijk te maken en de beste preventie in de toekomst te verzekeren.

Er werden tot nu toe bijna 17.000 militairen ingezet bij buitenlandse missies. Er zijn momenteel 3.000 studies verricht. Ik heb opdracht gegeven om het onderzoek te versnellen door het personeel van de militaire medische dienst uit te breiden of door een beroep te doen op privť-artsen. Ik hoop tegen het begin van 2001 over alle onderzoeksresultaten te beschikken.

De schadevergoeding voor dergelijke risico's steunt op de gecoŲrdineerde wetten op de militaire pensioenen, die een vergoedings- of rustpensioen waarborgen. Het vergoedingspensioen voor de langstlevende echtgenoot en de wezen bedraagt 446.219 frank. In geval van pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid wordt het rustpensioen vastgesteld volgens de carriŤre met een minimum van 443.894 frank voor een alleenstaande en 556.178 voor een gezin. Het bedrag van het vergoedingspensioen bij invaliditeit wordt bepaald op basis van de toepassing van de officiŽle invaliditeitsschalen door de Pensioencommissie die afhangt van het ministerie van Pensioenen. Er is een minimum van 10% invaliditeit vereist.

De toekenning van een schadevergoeding op grond van vermoedens werd tussen de twee wereldoorlogen toegepast voor de oorlogsslachtoffers van de oorlog van 1914-1918. Bij de coŲrdinatie van de vergoedingspensioenen in 1947 legde de wetgever de bewijslast bij de aanvrager wegens de talrijke misbruiken. Het Parlement was daar toen unaniem over.

Gelet op de bewijsproblemen inzake de oorzakelijkheid heb ik in mijn beleidsnota de afsluiting van een bijzondere beroepsverzekering aangekondigd. Dat moet het militaire beroep aantrekkelijker maken. Ik heb daarover een grondige studie gevraagd, zowel voor het burgerlijke als voor het militaire personeel. De dekking van dat soort risico's is echter zeer specifiek. Niet alle verzekeringsmaatschappijen beschikken over aangepaste producten. Een zeer brede marktstudie is dus noodzakelijk. Die is nu aan de gang. Landsverdediging heeft een Europese marktprospectie gedaan via het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 2000 en via het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2000. De resultaten ervan zullen weldra beschikbaar zijn.

Het leger zal in de toekomst nog zulke opdrachten moeten uitvoeren en de uitbouw van een Europees leger zal de deelname van onze lucht-, zee- en landmacht en van de medische dienst op uiteenlopende niveaus onvermijdelijk maken. We moeten de werknemers van de "onderneming" die het leger is, in de toekomst tegen beroepsrisico's indekken zoals een andere onderneming dat doet voor haar werknemers die in het buitenland in risicosituaties werken. Een nulrisico bestaat niet, maar een verzekering kan geen probleem stellen. Ze moet een positief element in de carriŤre worden. Er rijzen wel problemen inzake de betaling van de premie door de werkgever, zoals dat het geval is in het systeem van de beroepsziekten. In Kosovo zijn de risico's op dit ogenblik onder controle. Er werden preventieve bezoeken uitgevoerd, er is een permanente follow-up en er zal ook voor een follow-up a posteriori worden gezorgd. Wij controleren ook het algemene milieu en de wijze waarop de militairen de missie beleven. Er is echter de last van het verleden van de missies waarvan men destijds de omgeving en de context niet kende. We handelden toen in een noodsituatie.

Ik wacht dus op het resultaat van alle studies betreffende de militairen van die missies. We zullen dan ongetwijfeld een beslissing moeten nemen die gestoeld is op het voorstel van mevrouw Moerman in de Kamer. Dat voert voor die mensen een vermoeden in dat hen een recht op verzekering geeft in geval van ziekte. We moeten dus duidelijk drie periodes onderscheiden: de last van het verleden, Kosovo dat nu onder controle is, en de toekomst waarvoor maatregelen moeten worden genomen zodat we beschikken over een gezondheidsbeleid of een verzekering voor beroepsrisico's, aangepast aan het nieuwe militaire beroep.

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC). - Ik dank de minister voor de geruststelling die hij geeft, de veiligheidsmaatregelen die hij voor zulke operaties in de toekomst in het vooruitzicht stelt en voor de vergoedingen die hij plant voor hen die in de toekomst aan zulke missies deelnemen.

Meent de minister dat het wetsvoorstel van mevrouw Moerman een retroactieve wet moet worden? Hij zegt dat we de lessen uit het verleden trekken, maar onze soldaten hebben dat ook gedaan.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Het wetsvoorstel van mevrouw Moerman zal noodgedwongen een overgangskarakter hebben. De wet zal gelden voor personen die sinds het begin van de jaren negentig aan missies hebben deelgenomen. In de toekomst moet worden overgestapt naar een verzekeringssysteem zoals ik het voorstel. De verdienste van het voorstel van mevrouw Moerman is dat het een vergoedingspensioen instelt zoals het in andere sectoren bestaat.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over ęde follow-up van het Wereldcongres tegen commerciŽle en seksuele uitbuiting van kinderen, Stockholm 1996Ľ (nr. 2-225)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - In augustus 1996 vond te Stockholm het eerste Wereldcongres tegen de commerciŽle en seksuele uitbuiting van kinderen plaats. BelgiŽ nam toen een leiderspositie in, mede door de dramatische gebeurtenissen in ons land in diezelfde periode. Een van de standpunten luidde: "BelgiŽ wordt het voorbeeld voor Europa." Met unanimiteit keurden de 122 aanwezige landen een agenda voor actie goed voor de bestrijding van kinderprostitutie, kinderpornografie en handel in kinderen. Hiermee verbonden ze zich onder meer tot het opstellen van een nationaal actieplan tegen het einde van het jaar 2000.

Reeds op 17 februari van dit jaar heb ik de minister een vraag om uitleg gesteld omdat BelgiŽ toen nog steeds geen werk had gemaakt van een nationaal actieplan. In zijn antwoord deelde de minister mee dat een vijftiental gespecialiseerde diensten, waaronder het college van procureurs-generaal, de algemene rijkspolitie, de drie politiediensten en het Vast Secretariaat voor de Preventie, hun opmerkingen zouden geven bij het onderdeel "seksuele uitbuiting, mensenhandel en commerciŽle exploitatie van kinderen" van het federale veiligheidsplan, zodat er een geÔntegreerd beleid kon worden uitgewerkt en worden uitgevoerd. Einde maart of begin april zou de minister hierover uitsluitsel geven. Vandaag, na het zomerreces, is het tijd voor een evaluatie. Ik herinner me niet dat wij in maart of april iets over deze zaak hebben vernomen, maar ik hoop dat het gewoon aan onze aandacht is ontsnapt en dat de minister wel degelijk concreet aan dit plan heeft gewerkt.

Toch ben ik ongerust, ook omdat ECPAT-BelgiŽ, de nationale afdeling van de internationale organisatie die in 1996 belast werd met de opvolging van de conferentie van Stockholm en nu de conferentie van Tokio van volgend jaar voorbereidt, afgelopen zomer in een opiniestuk in De Standaard aan de alarmbel trok. Vier jaar na Stockholm en ruim een jaar voor Tokio heeft BelgiŽ immers, voor zover ons bekend is, nog steeds geen nationaal actieplan bij het secretariaat van de conferentie ingediend. Nochtans werd er tijdens de vorige legislatuur een sterke aanzet tot een dergelijk plan gegeven. Ik verwijs hier meer bepaald naar het eindverslag van de nationale commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen, die wetenschappelijk, objectief en evenwichtig was samengesteld en de politieke realiteit van toen zelfs oversteeg. Onder meer door de antwoorden die de minister me in februari gaf, weet ik dat er een aantal concrete en beloftevolle initiatieven in de pijplijn zaten waarvan ik hoop dat ze verder zijn uitgewerkt en dat een aantal specifieke wetten zijn opgesteld. Toch wil ik nogmaals het belang benadrukken van een algemeen samenhangend beleidsplan, niet alleen voor de bescherming van kinderen, maar eveneens voor preventie en participatie van kinderen, zodat de rechten van het kind een ruimere invulling krijgen.

Graag kreeg ik van de minister dan ook een antwoord op de volgende vragen.

Een eerste reeks vragen betreft de verwezenlijkingen op nationaal vlak. Welke initiatieven heeft hij genomen in verband met de opstelling van een nationaal actieplan tegen de seksuele uitbuiting van kinderen? Welke diensten, personen of organisaties zijn betrokken bij de uitwerking ervan? Welke zijn de krachtlijnen van het actieplan en de termijnen voor de uitvoering ervan?

Is in het kader van het veiligheidsplan de uitwerking van het gedeelte betreffende de seksuele uitbuiting, de mensenhandel en de commerciŽle uitbuiting van kinderen reeds afgerond? Zo ja, bestaat er reeds een nota die ter beschikking kan worden gesteld? Wat zijn de belangrijke krachtlijnen? Is de studie van de aanbevelingen betreffende dit gedeelte van het veiligheidsplan afgerond bij de betrokken departementen, inclusief gemeenschappen en gewesten? Zo ja, welke aanbevelingen zullen zij verder onderzoeken en/of concretiseren? Hoever staat het met de concrete vertaling van de betreffende aanbevelingen?

Eind maart of april kon uitsluitsel worden verwacht over de opmerkingen van een vijftiental gespecialiseerde diensten. Welke zijn hun concrete opmerkingen? Hoe zal de verdere samenwerking met deze diensten verlopen? Welke taken worden hen toebedeeld bij de uitvoering van dit gedeelte van het veiligheidsplan?

Hoever staat het met de studie betreffende de preventie van de mensenhandel en de seksuele en commerciŽle uitbuiting van kinderen en de studie omtrent de nazorg van slachtoffers, maatschappij en daders?

Welke zijn de opmerkingen van de gemeenschappen, aan wie enkele aanbevelingen, inzonderheid betreffende de preventieve fase, werden voorgelegd?

Volgende vragen hebben betrekking op de voorbereiding van de tweede wereldtop tegen commerciŽle seksuele uitbuiting van kinderen in Japan in 2001. Werd er reeds gewerkt aan de voorbereiding van deze tweede wereldtop? Zo ja, welke zijn de belangrijkste agendapunten voor deze top? Werd er een werkgroep aangesteld? Zo ja, wie is in de werkgroep vertegenwoordigd?

In het kader van de Europese Unie werden vier gemeenschappelijke acties aanvaard op de informele Raad van ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie te Dublin in 1996.

Wat zal BelgiŽ doen betreffende de strijd tegen seksuele uitbuiting van kinderen in het kader van het Belgisch voorzitterschap?

Zijn er door ons land initiatieven genomen binnen de internationale organisaties? Kan de minister ons inlichten over wat de agentschappen van de Verenigde Naties op dat vlak hebben gedaan? Heeft ons land in de voorbije maanden een initiatief genomen?

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (PRL-FDF-MCC). - Op ťťn jaar van de tweede wereldconferentie die in Japan zal worden gehouden, moeten we de stand van zaken opmaken van de maatregelen die ons land sinds Stockholm heeft genomen. Tevens moeten we nagaan op welke wijze de minister de nieuwe conferentie voorbereidt.

Mevrouw de Bethune heeft er reeds op gewezen dat ECPAT-BelgiŽ zich ongerust maakt over het ontbreken van een nationaal actieplan met het oog op deze conferentie.

Op 23 februari 2000 heeft het Parlement een zeer vernieuwende grondwetsbepaling inzake kinderrechten goedgekeurd die ertoe strekt de morele, fysieke en seksuele integriteit van kinderen te doen respecteren. Dit geeft ons de kans om op nationaal en internationaal vlak het belang te onderstrepen van de toepassing van de principes van de internationale Conventie inzake de kinderrechten van 1979 en te herinneren aan de wil die alle deelnemers aan het Congres van Stockholm van 1996 hebben geuit om actief te strijden tegen de seksuele uitbuiting van kinderen.

Vooral op dit laatste vlak moet BelgiŽ een voortrekkersrol blijven spelen. Het moet ervoor zorgen dat de aangekondigde maatregelen ook worden gerealiseerd en dat de resultaten regelmatig worden geŽvalueerd, aangepast en versterkt.

De seksuele uitbuiting van kinderen neemt nog altijd toe. Ik denk hierbij aan het Italiaans-Russisch pornografienetwerk op internet dat recent werd ontdekt en waarbij volgens de Italiaanse pers sprake was van zeer zwaarwegende feiten. Ook andere voorvallen moeten ons meer dan ooit aanzetten om op Belgisch, Europees en internationaal vlak op te treden. Ik heb vernomen dat de minister onlangs een vergadering van Europol over kinderporno op het internet heeft bijgewoond. Graag zou ik horen welke ontwikkelingen in de moeilijke strijd tegen de pornonetwerken kunnen worden verwacht.

De tragische gebeurtenissen die ons land heeft meegemaakt, verplichten ons ertoe bij elke gelegenheid te benadrukken dat de seksuele uitbuiting van kinderen onaanvaardbaar is en dat de strijd ertegen voor iedereen een prioriteit moet zijn. De nationale commissie tegen de seksuele uitbuiting van kinderen levert voortreffelijk werk. Haar voorstellen moeten de basis vormen voor de concrete maatregelen op het terrein.

Teneinde deze strijd efficiŽnt te voeren, moet een actieplan worden opgesteld tegen de seksuele uitbuiting van kinderen in ons land. We moeten niet alleen op internationaal vlak optreden, maar ook samenwerken met de Gemeenschappen en de Gewesten.

Hoever staat het met de voorbereiding van de tweede wereldtop in 2001 in Japan? Hoever staat het met het onderdeel van het veiligheidsplan dat betrekking heeft op de seksuele uitbuiting en de mensenhandel, en dan vooral van kinderen? Welke concrete maatregelen zijn in de begroting voor het volgend jaar vastgelegd? Hoever staat het overleg met de Gemeenschappen en de Gewesten inzake de preventie? Welke maatregelen werden sinds de top van Dublin van 1996 op Europees vlak genomen en wat is de evaluatie van de beslissingen die toen werden genomen? Wij zijn ervan overtuigd dat we een grote stap vooruit zouden kunnen zetten als we tot een betere coŲrdinatie binnen de Europese instellingen zouden komen.

Ik hoop dat wij onder het Belgische voorzitterschap zullen kunnen spreken van concrete realisaties en een actieplan zullen kunnen voorstellen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Mijn fractie sluit zich natuurlijk bij deze vraag aan. Dat het tewerkstellen en uitbuiten van kinderen, al dan niet op seksueel vlak, beperkt is tot arme landen en ontwikkelingslanden, is al lang onjuist gebleken. De tragische gebeurtenissen van augustus 1996 hebben aangetoond dat het ook bij ons mogelijk is.

De witte mars heeft onderstreept dat kinderen zo vlug mogelijk en met alle mogelijke middelen moeten worden beschermd tegen seksuele uitbuiting en elke andere vorm van geweld.

Zoals collega's de Bethune en T' Serclaes reeds op zegden, heeft het wereldcongres tegen de seksuele uitbuiting van kinderen voor commerciŽle doeleinden, dat in 1996 in Stockholm werd gehouden, de 122 deelnemende landen uitgenodigd om een actieplan op te stellen vůůr het einde van dit jaar, dat is enkele maanden vůůr het tweede congres in Japan.

BelgiŽ heeft veel initiatieven genomen met betrekking tot de bescherming van het kind in het algemeen en de seksuele uitbuiting in het bijzonder. Child Focus werd opgericht en er werd een interministeriŽle conferentie voor de bescherming van de kinderrechten opgericht die moet instaan voor de opvolging van de voorstellen die worden gedaan door de nationale commissie tegen de seksuele uitbuiting van kinderen.

Tegelijkertijd werden ook parlementaire initiatieven genomen:

Tijdens de derde dag van de kinderrechten op 20 november zal de minister het jaarlijks verslag voorstellen over wat BelgiŽ heeft gerealiseerd inzake de toepassing van de principes en de aanbevelingen van de conventie van de kinderrechten.

Graag had ik een concreet antwoord op de volgende vragen. Hoever staat het met de opmaak van het nationale actieplan voor de strijd tegen de seksuele uitbuiting van kinderen dat BelgiŽ binnenkort in Japan zal voorstellen? Wanneer is dit plan klaar?

Welke personen zijn met deze opdracht belast? Zullen zij de grote lijnen van het plan in de Senaat komen toelichten op de eerstvolgende dag van de kinderrechten? Welke parketten, verenigingen en politiediensten werden betrokken bij het opstellen van het actieplan?

Welke rol heeft het Parlement in dit actieplan?

Wat is de samenstelling van de Belgische delegatie voor Japan?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In de vragen die mij door de senatoren de Bethune, de T'Serclaes en Willame zijn gesteld, komen een viertal thema's terug. Ik zal ze een voor een behandelen.

Ik zal eerst antwoorden op de vraag over de voorbereiding voor de tweede wereldtop.

BelgiŽ zal in 2001 zeer nauw worden betrokken bij de problematiek van de kinderrechten. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zal in september in New York een bijzondere vergadering wijden aan de tiende verjaardag van de "kindertop". Krachtens artikel 44 van de conventie van 20 november 1989 zal BelgiŽ die maand zijn tweede verslag over de kinderrechten moeten voorstellen. Dit verslag werd reeds in mei 1999 ingediend, maar het Comitť voor de kinderrechten zal zich er pas in september in GenŤve over buigen.

Het tweede wereldcongres zal in Japan worden gehouden op een ogenblik dat ons land het Europees voorzitterschap bekleedt.

Aangezien de minister van Buitenlandse Zaken de Belgische delegatie voor het congres van Stockholm leidde, stond het departement Buitenlandse Zaken destijds in voor de coŲrdinatie. Ik heb nog maar weinig informatie over het congres van Yokohama. Naar verluidt, werd op 15 juni 2000een aanvang gemaakt met de voorbereiding tijdens een vergadering van de deelnemers aan het project, waaronder ook ECPAT en UNICEF. Ik verwacht dan ook dat die organisaties deel zullen uitmaken van de delegatie en dat Buitenlandse Zaken zal coŲrdineren. Een vertegenwoordiger van het departement heeft hiertoe contact opgenomen met ECPAT-BelgiŽ. Ik kan nu nog geen precieze informatie geven over de samenstelling van de delegatie.

Een tweede thema betreft de implementatie van het Federaal Veiligheids- en Detentieplan en de middelen die daarvoor op de volgende begroting worden uitgetrokken.

Wat de preventie aangaat, moet er bijzondere aandacht uitgaan naar de kinderen die het slachtoffer worden van misbruik in hun eigen omgeving. We weten ondertussen immers dat 80% van de misbruiken zich in de familiale sfeer voordoet, ook al moet dat woord dan in een iets ruimere betekenis worden verstaan dan de beperkte eigen familie. Ook kinderen die bijzonder kwetsbaar zijn, zoals de gehandicapte kinderen, verdienen een speciale aandacht. In het plan wordt bovendien sterk de nadruk gelegd op het vroegtijdig ontdekken van deze misbruiken door de diensten die de eerstelijnshulp verzorgen. Om het preventieve aspect uit de verf te doen komen, zullen we alleszins zowel de politiediensten en de sociale diensten die in deze sector werkzaam zijn, moeten sensibiliseren voor deze problematiek.

Wat het repressieve aspect betreft, legt het Federaal Veiligheids- en Detentieplan de gerechtelijke instanties de verplichting op om in hun onderzoeks- en vervolgingsbeleid prioriteit te verlenen aan de seksuele misdrijven tegen minderjarigen. Deze instanties moeten er eveneens over waken dat de bekomen informatie goed wordt beheerd en dat de minderjarige slachtoffers goed worden opgevangen. Daarom werken we op het ogenblik aan een ministeriŽle richtlijn die het opnemen op video van de verklaringen van de slachtoffers vastlegt. Precies vandaag geeft de Kamer goedkeuring aan de nieuwe wet op de bescherming van de minderjarigen, wat aantoont dat we daar nog steeds prioriteit aan geven. We beseffen ook heel sterk dat deze wet maar uitvoering kan krijgen als de parketten en de politiediensten daar op een gecoŲrdineerde manier aan kunnen werken. De ministeriŽle besluiten waaraan we werken moeten daarvoor zorgen.

In het Federaal Veiligheids- en Detentieplan heb ik me er ook toe verbonden om, in antwoord op de oproep van Lausanne, een wetgeving uit te werken die de georganiseerde uitbuiting van kinderen met het oog deze seksueel te misbruiken, gelijkstelt met een misdaad tegen de menselijkheid. Dat zal voor gevolg hebben dat er geen verjaring meer kan intreden voor deze misdaden die dan tot de bevoegdheid van het internationaal Strafgerechtshof zullen behoren. Het wetsontwerp ter zake ligt klaar om bij de ministerraad te worden ingediend. Mijn administratie werkt ondertussen ook aan een wetsontwerp dat de oproep van Lausanne moet waar maken. Voor het bijkomend probleem waarop we daarbij zijn gestoten, wordt een technische oplossing gezocht.

Wat de kinderpornografie betreft, zijn er bij het departement Justitie momenteel drie werkgroepen actief. De eerste werkt aan een betere definiŽring van het concept kinderpornografie zoals beschreven in artikel 383bis van het Strafwetboek. De tweede werkgroep bestudeert de noodzakelijke wettelijke wijzigingen om een gegevensbank in het leven te kunnen roepen. De derde ten slotte onderzoekt de technische vragen die verband houden met het oprichten van een gegevensbank, rekening houdend met de verbindingen die tot stand kunnen worden gebracht met internationale gegevensbanken. Naast het louter federale terrein werken we dus ook aan maatregelen om een specifieke aandacht te kunnen geven aan kinderen die het slachtoffer zijn van kinderpornografie en aan de catalogus die daaromtrent kan worden aangelegd, wat een gemeenschapsmaterie uitmaakt. Bovendien willen we ook de internationale samenwerking gestalte geven.

Gevolg gevend aan de aanbevelingen van de nationale commissie tegen de seksuele uitbuiting van kinderen, moeten we ook melding maken van het bestaan van de werkgroepen die binnen de dienst van het strafrechtelijk beleid werkzaam zijn rond de mishandeling van kinderen. Die werkgroepen brengen de mensen samen uit de gerechtelijke wereld en de psycho-sociale wereld die nadenken over de wijze waarop hun werk aan efficiŽntie kan winnen in het raam van hun respectieve bevoegdheden en praktijkeen inzake kindermishandeling. Het gaat hier in dit stadium om een rijpingsproces waarbij informatie wordt uitgewisseld. We hebben daarvoor reeds een werkschema kunnen opmaken.

De derde schakel in de veiligheidsketen is die van de nazorg van de slachtoffers. Daarvoor wordt een aantal centra opgericht die moeten instaan voor de gepaste opvang en begeleiding van de slachtoffers.

Dan kom ik tot het overleg met de Gemeenschappen en de Gewesten over de preventie.

De nationale commissie voor de kinderrechten werd opgericht bij beslissing van de Ministerraad van december 1996. Mijn diensten gaan momenteel na op welke mogelijkheden de wet biedt om deze commissie een juridische basis te geven, hetzij via een koninklijk besluit, hetzij via een samenwerkingsakkoord aangezien haar bevoegdheden en taken ruimer zouden zijn dan het opstellen van het vijfjaarlijks verslag voor het Comitť voor de Kinderrechten in GenŤve.

De vraag zal binnenkort aan de Raad van State worden voorgelegd.

Het verslag met betrekking tot de kinderrechten dat BelgiŽ in 1999 heeft ingediend, zal worden geactualiseerd voor de bijeenkomst in GenŤve in 2001. In principe zal de nationale commissie, waarvan de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten deel uitmaken, hierover dit jaar nog vergaderen.

Na de informele Raad van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van Dublin in september 1996 zijn er op het Europese niveau maatregelen genomen met betrekking tot de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen.

Diverse acties hebben een gemeenschappelijk karakter. De gemeenschappelijke acties die in november 1996 werden genomen en die betrekking hebben op de creatie en het bijhouden van een repertorium van de bevoegdheden, kennis en gespecialiseerde expertise inzake de strijd tegen de internationale, georganiseerde misdaad beogen een soepele samenwerking voor de toepassing van de wet tussen de verschillende lidstaten van de Europese Unie.

In het raam van de gemeenschappelijke actie van 29 november 1996 die een aanmoedigings- en uitwisselingsprogramma op het getouw zette met betrekking tot de personen die verantwoordelijk zijn voor de te ondernemen acties tegen de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen, werden verschillende programma's uitgewerkt, die beter bekend zijn als STOP.

Er is het recente STOP-programma van de Gentse universiteit rond het thema "Internationaal verzamelen en beheren van de gegevens inzake vermiste en seksueel uitgebuite minderjarigen", dat werd verlengd tot in 2000. De drie gegevensbanken die voor deze materie worden bestudeerd, gaan over de verdwenen kinderen, de kinderen die het slachtoffer werden van seksueel misbruik en de daders van seksueel misbruik van kinderen.

Op die manier worden alle aspecten van de problematiek onderzocht, zowel met betrekking tot het slachtoffer als de dader.

In het raam van het STOP-programma startte de internationale organisatie voor migratie een proefproject voor het opsporen van netwerken van niet-begeleide minderjarigen met het doel ze in de Europese Unie seksueel te misbruiken.

Volledigheidshalve deel ik u ook mee dat een voorontwerp van wet met betrekking tot het statuut van de niet-begeleide minderjarigen en de curatele die hen ter bescherming zal worden toegekend bijna klaar is. Ik hoop het in de loop van de maand november met de interkabinetten te kunnen afronden zodat ik het nadien aan de ministerraad kan voorleggen.

Bovendien breidt de gemeenschappelijke actie van 16 december 1996 het mandaat uit dat aan de afdeling "drugs" van Europol werd gegeven. Deze aanpassing maakt het de afdeling mogelijk te werken als een ploeg die belast is met de uitwisseling en analyse van gegevens over onder meer de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen. De voorziene evaluatie moet nog worden uitgevoerd. BelgiŽ zal hierin het voortouw nemen wanneer het tijdens het tweede semester van 2001 het voorzitterschap van de Europese Unie zal waarnemen. Wij hechten veel belang aan deze werkgroep omdat inmiddels is gebleken dat er in de multidisciplinaire aanpak, die spijtig genoeg ook in de georganiseerde misdaad bestaat, linken zijn die erop wijzen dat de drugstrafiek gekoppeld is aan mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen.

Om de internationale samenwerking in de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad aan te moedigen, werd er op 21 december 1998 een gemeenschappelijke actie gestart met betrekking tot het strafbaar stellen van een misdaadorganisatie in de lidstaten van de Europese Unie. De evaluatie die werd gepland voor het einde van 1999, moet evenwel nog worden uitgevoerd.

In het verlengde van de initiatieven die werden genomen op de informele Top van Dublin en ter gelegenheid van het Belgische voorzitterschap zou de Belgische regering het volgende actieplan kunnen voorstellen:

Het aannemen door de Raad, op voorstel van de Commissie, van maatregelen die minimumregels vaststellen inzake de bestanddelen van de strafrechtelijke inbreuken en de sancties inzake de georganiseerde criminaliteit die betrekking heeft op de mensenhandel.

Het strafbaar stellen door de Raad, op voorstel van de Commissie, van de seksuele uitbuiting van kinderen, en in het bijzonder de kinderpornografie op het internet.

Dit moet leiden tot een gemeenschappelijke aanpak van de grensoverschrijdende criminaliteit in de hele Unie. Zodra BelgiŽ het voorzitterschap opneemt, zal het hierin een voortrekkersrol vervullen.

In het kader van de Verenigde Naties zal BelgiŽ in december 2000 in Palermo de Conventie tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de aanvullende protocollen ondertekenen. Eťn van deze protocollen strekt ertoe de mensenhandel, en vooral de vrouwen- en kinderhandel, te voorkomen, te beteugelen en te bestraffen.

Op basis van het federaal veiligheidsplan tracht ons land inhoud te geven aan de rol die wij moeten spelen in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, in het bijzonder tegen de seksuele uitbuiting van kinderen.

Wellicht zijn de wetgevende initiatieven die op dit vlak werden genomen, nog ontoereikend en is er nood aan verdergaande maatregelen. We beschikken inmiddels over voldoende elementen die we op het congres in Japan naar voren kunnen brengen ten einde de voortrekkersrol te blijven spelen die we onszelf hebben opgelegd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord.

Hij heeft de denkrichtingen toegelicht die in de loop van de vorige maanden op dit domein zijn ontstaan. Hoewel er al zeer veel werk is verricht, moet er toch nog heel wat gebeuren.

Ik moedig de minister aan om op dit vlak het voortouw te nemen in het raam van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie. Hij heeft zelf benadrukt dat een groot deel van deze thema's de nationale grenzen overstijgen.

Ik pleit voor een grondig debat in het parlement over dit thema. Waarom zouden we de actualisering van het rapport dat in 2001 moet worden besproken in GenŤve, niet in de commissie voorbereiden en de beleidsimplicaties voor de toekomst analyseren? Hierover kan een boeiend parlementair debat worden gevoerd. Ook de Wereldconferentie van Japan en de VN-top van september 2001 zouden in het parlement kunnen worden voorbereid, zoals dit is gebeurd voor de Vrouwenrechtenconferentie van juli te New York.

Ik doe een oproep tot de minister om een formule uit te werken ten einde de Senaat te betrekken bij de voorbereiding van de VN-top te New York. De participatie van de wetgevende macht is noodzakelijk om op een zinvolle wijze op dit niveau te werken. Wat is het standpunt van de minister dienaangaande?

Ik wil niet dieper ingaan op de concrete punten die de minister heeft aangehaald. Ik hoop dat wij hierop in de loop van de volgende weken nog kunnen terugkomen.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (PRL-FDF-MCC). - Ik dank de minister voor zijn antwoord waaruit blijkt dat vorderingen worden gemaakt. Dat vergt tijd, vooral omdat moet worden gewerkt op Europees en internationaal vlak. Ik ben dan ook blij met de voorstellen van de minister met het oog op het Belgische voorzitterschap. Er moeten standaardregels komen voor de vervolging van mensen die zich schuldig maken aan seksueel misbruik van kinderen, vooral op het internet. De minister kent even goed als ik de wet van 1995 en in het bijzonder de bepalingen over kinderpornografie en het bezit van cassettes. De cassettes zijn een van de beste manieren is om filiŤres te volgen. Ik benadruk dit omdat een dergelijke bepaling ook in andere Europese landen ingang moet vinden. Een tijd geleden heb ik deelgenomen aan een vergadering van de Raad van Europa op Cyprus waar onder meer over mensenhandel werd gesproken. Ik heb kunnen vaststellen dat zowel in de Europese Unie als in Oost-Europa bij parlementsleden een zeer grote bezorgdheid heerst over de kinderpornografie op het internet. De indruk bestaat dat dit fenomeen zich snel uitbreidt en dat het zeer moeilijk is om de strijd ertegen te organiseren.

Ik heb nog een bijkomende vraag over de vergadering van Interpol die de minister recent heeft bijgewoond. Is er daar enige evolutie?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het voorstel van werkwijze van mevrouw de Bethune om de vergadering van Tokio te kunnen voorbereiden en daaraan een debat te wijden in de Senaat verdient aandacht. Ik ben bereid daaraan mijn medewerking te verlenen.

Vandaag eindigt de zestiende conferentie van experts inzake de seksuele uitbuiting van minderjarigen, die gedurende drie dagen in Antwerpen werd gehouden. Tussen de politiediensten is er een zeer interessante internationale uitwisseling van werkmethoden geweest. Niet alleen onze politiediensten, maar ook de parketten en Child Focus waren aanwezig. Ik had de indruk dat we zeer nuttige informatie hebben ontvangen, te meer daar de Kamer vandaag twee belangwekkende ontwerpen over deze materie heeft goedgekeurd: een over de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen en een de computercriminaliteit die dankzij de nieuwe wetteksten efficiŽnt kan worden aangepakt.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Mohamed Daif aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over ęde toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteitĽ (nr. 2-221)

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Mohamed Daif (PS). - De hervorming van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die in maart laatstleden is aangenomen en in mei van kracht werd, betekent een fundamentele vooruitgang voor de integratie van vreemde burgers in de Belgische samenleving. Dank zij deze heilzame hervorming kunnen vrouwen en mannen die al gedurende vele jaren in ons land wonen, snel volwaardig Belg worden. De langverwachte hervorming strekt deze regering en deze legislatuur tot eer.

Er is echter een onbegrijpelijke vertraging opgetreden in de toepassing van de wet van 1 maart 2000, en meer in het bijzonder in de procedure tot verkrijging van de nationaliteit door verklaring, beschreven in artikel 12bis van ons Wetboek van nationaliteit. Zoals het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, MRAX en andere verenigingen, betreur ik dat vele van onze nieuwe burgers ingevolge deze vertraging hun stemrecht niet konden uitoefenen bij de gemeenteraads- en de provincieraadsverkiezingen in oktober.

De wet van 1 maart 2000 is nochtans duidelijk: als de parketten zich willen verzetten tegen een verzoek om nationaliteitsverkrijging door verklaring of door keuze, beschikken ze daartoe over een termijn van ťťn maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangstmelding van het dossier. Als het parket bij het verstrijken van die termijn niet gereageerd heeft, moet de gemeente de aanvrager ambtshalve inschrijven in de registers van de Belgische bevolking. Tijdens de besprekingen in de commissie voor de Justitie heeft de minister de commissieleden trouwens verzekerd dat de termijn van een maand zou worden nageleefd. De wet zegt niets over eventuele berichten van uitstel waarop de parketten zich zouden kunnen beroepen.

Toch treedt steeds meer vertraging op bij de inschrijving van nieuwe burgers in de registers. De parketten zouden over onvoldoende personeel beschikken om de nationaliteitsverklaringen binnen de opgelegde termijnen te behandelen.

De minister had nochtans het initiatief genomen om bij het secretariaat-generaal van het ministerie van Justitie een coŲrdinatiecel op te richten, belast met de indienstneming van contractuele juristen voor de behandeling van de nationaliteitsdossiers. De aangewezen personen zijn bij ministerieel besluit van 10 juli 2000 uit hun functie ontheven. Ik zou graag weten wat de reden is voor die beslissing, of al plaatsvervangers zijn aangesteld en, als dat niet zo is, of de minister van plan is plaatsvervangers aan te stellen.

Ik zou willen weten of de parketten binnenkort in staat zullen zijn om de wettelijke termijnen na te leven. Kan de minister al enige statistische aanwijzingen geven over het effect van de wet? Hoeveel nationaliteitsverklaringen zijn geregistreerd? Hoeveel positieve antwoorden en hoeveel weigeringen zijn totnogtoe afgeleverd?

Uit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel zou ik willen weten of er een oplossing komt voor het probleem van de consulaire documenten die gelijkwaardig zijn aan een geboorteakte. Verschillende gemeenten in Vlaanderen, Brussel en WalloniŽ weigeren de inschrijving van nationaliteitsverklaringen die vergezeld zijn van een consulair document. Het begrip "de onmogelijkheid om zich naar zijn land van herkomst te begeven om er een geboorteakte te halen" is nogal vaag. De beoordeling hiervan wordt dus best niet aan de gemeentelijke diensten overgelaten. Heeft de minister de nodige maatregelen getroffen opdat de wet van 1 maart overal op dezelfde wijze wordt toegepast en opdat alle gemeenten de door de consulaten afgegeven documenten aanvaarden?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Zodra een nationaliteitsverklaring, een nationaliteitskeuze of een aanvraag van nationaliteit door naturalisatie voor advies aan een parket is overgezonden, moet dit parket onverwijld de ontvangst ervan bevestigen. Vanaf dat ogenblik beschikt het over een maand om advies uit te brengen.

In de twee circulaires die ik heb goedgekeurd om de correcte en uniforme toepassing van de wet te verzekeren, heb ik er in het bijzonder op gewezen dat het parket wettelijk verplicht is onverwijld de ontvangst te melden van de verzoeken tot verkrijging van de Belgische nationaliteit. In de eerste circulaire van 25 april 2000 wijs ik erop dat het woord onverwijld, dat in de artikelen 12bis, 15 en 21 van de wet meermaals voorkomt, de wil van de wetgever weerspiegelt dat de procureur des Konings zijn verplichtingen zonder verwijl nakomt. In de circulaire van 20 juli 2000 bevestig ik dat de termijn voor de verschillende overheden die een advies moeten uitbrengen in de diverse procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit, namelijk het parket, de dienst vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat, uiteraard pas ingaat op de dag waarop zij de ontvangst hebben bevestigd van de hen overgezonden dossiers. Ik wijs er echter ook op dat die overheden onverwijld de ontvangst moeten bevestigen van alle aanvragen tot verkrijging van de Belgische nationaliteit. Ik heb er bij de procureurs-generaal op aangedrongen dat de wet en de twee circulaires nauwgezet worden nageleefd.

Voor het begrip gelijkwaardig document, afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden, dat vreemdelingen in het kader van een procedure tot verkrijging van de Belgische nationaliteit mogen indienen als ze in de onmogelijkheid verkeren om een geboorteakte voor te leggen, verwijs ik naar artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Ik wijs er nogmaals op dat de gemeentebesturen verplicht zijn dat document te aanvaarden, zoniet miskennen ze de letter en de geest van de wet.

Over het begrip onmogelijkheid om zich een geboorteakte te verschaffen, heb ik op 18 mei 2000 uitvoerig uitleg verschaft in mijn antwoord op een mondelinge vraag van de heer Daif. Ik bevestig dat antwoord integraal.

In het eerste punt van de reeds genoemde circulaire van 20 juli 2000 heb ik gepreciseerd dat het begrip onmogelijkheid om zich de geboorteakte aan te schaffen, is opgenomen in artikel 70 van het Burgerlijk Wetboek, met betrekking tot de onmogelijkheid voor een van de aanstaande echtgenoten om zijn geboorteakte voor te leggen. Volgens de interpretatie die de rechtsleer aan dat begrip heeft gegeven en die hier moet worden gevolgd, is het niet nodig dat de geboorteakte niet werd opgesteld of dat hij werd vernietigd. De afstand, de moeilijke verbindingen, de staat van oorlog in het land waar de geboorteakte is opgesteld, kunnen ook worden beschouwd als voldoende belemmeringen voor het voorleggen van de geboorteakte.

Voor sommige personen kan het ook materieel of financieel onmogelijk zijn om zich naar hun land van geboorte te begeven om daar hun geboorteakte te halen. Gelet op wat voorafgaat en rekening houdende met de doelstelling van de wetgever moet het begrip onmogelijkheid soepel worden toegepast.

Als de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt dat een persoon in de onmogelijkheid verkeert om een eensluidend afschrift van zijn geboorteakte voor te leggen, moet hij het gelijkwaardig document aanvaarden dat is afgegeven door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in BelgiŽ van het land van de geboorte. Gelet op de zeer duidelijke en dwingende bepalingen van mijn circulaire zou het misplaatst zijn dat de gemeentebesturen het gelijkwaardige diplomatieke of consulaire document nog zouden weigeren en zich daarbij zouden verschuilen achter de vermeende vaagheid van het begrip onmogelijkheid om zijn geboorteakte voor te leggen.

Totnogtoe beschikken mijn diensten niet over statistische gegevens over de weerslag van de wet. De procureurs-generaal hebben statistische gegevens over de nationaliteitsverkaringen opgevraagd om mij preciezere cijfers te kunnen geven. Zodra ik ze ontvangen heb, zal ik ze meedelen aan de heer Daif.

Bij het parket zijn vier juristen aangesteld om, binnen de gestelde termijn, de adviezen in het kader van de procedure tot verkrijging van de Belgische nationaliteit te behandelen. De regering had beslist dat zes juristen moesten worden aangesteld in de parketten. Er zijn er twee aangesteld in Brussel, ťťn in Antwerpen en ťťn in Luik. Bij gebrek aan kandidaten kon nog geen jurist worden aangesteld in Luik en in Charleroi.

Mijn ministerieel besluit van 10 juli 2000 heeft hoegenaamd geen betrekking op deze problematiek, maar eerder op de Copernicushervorming.

De vragen betreffen eerder de toepassing van bovengenoemde circulaires door de ambtenaren van de burgerlijke stand, inzonderheid de vertraging bij de inschrijving in het register en het aanvaarden van consulaire documenten. Meer informatie hierover kan wellicht worden verstrekt door de minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Mohamed Daif (PS). - De minister en de wetgever willen dat de wet wordt toegepast. Over de verzoeken die in mei en juni werden ingediend hebben de parketten evenwel pas in juli een beslissing genomen. De termijn werd dus ruimschoots overschreden. De parketten passen de wet niet toe.

Ik heb uw antwoord meegedeeld aan ambtenaren van de burgerlijke stand, maar ik stel vast dat sommige gemeenten nog steeds het begrip "onmogelijkheid" afwijzen, hoewel ze weten dat de betrokkenen geen afschrift van hun geboorteakte kunnen krijgen. Ik weet niet hoe dit probleem kan worden opgelost. De gemeenten en parketten passen de wet slechts schoorvoetend toe.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het college van procureurs-generaal is het geŽigende communicatiekanaal tussen de minister van Justitie en de parketten. Ik zal het college vragen de diensten van de parketten erop te wijzen dat de wil van de wetgever moet worden uitgevoerd.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over ęde veiligheidsmaatregelen rond de terugkeer van het ruimtestation MIR in de dampkringĽ (nr. 2-227)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Op 20 oktober laatstleden vestigde het VRT-programma Actueel de aandacht op de problematiek rond de terugkeer van MIR in de dampkring. De vereiste 10 miljard om het ruimtestation toeristisch te exploiteren zouden niet aanwezig zijn. Rusland zou nog twee sondes met brandstof naar het ruimtestation moeten sturen om het veilig op de aarde te laten terugkeren, maar dat zou niet meer mogelijk zijn. De veiligheid is dus niet gegarandeerd. Zowel het DWTC-tijdschrift "Space Connection" als de pers meldden over de terugkeer in de dampkring van het Russisch ruimtestation MIR, begin volgend jaar.

Van de 170 ton zouden er ongeveer 30 onverbrand op het aardoppervlak neervallen. Volgens de berekeningen en de besturingen zou dat vermoedelijk op een afgelegen plaats in de Stille Oceaan zijn.

Dit binnendringen in de dampkring wordt door de ESA-dienst, de ESOC, en door de IADC nauwlettend gevolgd en berekend en de "risicolanden" worden daarvan ook tijdig op de hoogte gebracht. Er is zelfs op internet een vrij toegankelijke database daaromtrent.

We zijn bijzonder bezorgd omdat de risico's met de MIR erg groot zijn en ik citeer de ESOC zelf: "Men kan de mogelijkheid niet uitsluiten dat de MIR-terugkeer ongecontroleerd gebeurt. In dit geval kan dit een risico zijn voor Europa. Een ongecontroleerde terugkeer is duidelijk een belangrijk risico voor mensen en eigendommen, op de grond en in de lucht."

Volgens de algemene NASA-schattingen bestaat er een risico 1 op 100, maar in het geval van MIR blijkt dit risico veel groter te zijn omwille van een aantal totaal nieuwe en onbekende factoren in vergelijking met de terugkeer van andere satellieten in de dampkring. Zo is men niet volledig op de hoogte van de aŽrodynamische kenmerken, omdat er in de ruimte aan MIR verschillende modules werden gekoppeld. Het is wel bekend dat er geen kernreactor aan boord is maar men weet nog niet of er radio-isotopen of plutonium in de verschillende modules aanwezig zijn. Dat verwondert ons ten zeerste. Het is ook nooit gebeurd dat een station op zo'n lage hoogte cirkelde, namelijk 330 km, en daardoor is het moeilijker om de landingsbaan te berekenen.

ESOC zegt daarover: "In case of a problem with the final deorbit manoeuvre, MIR could pass over Europa with an increased risk of entry". Europa is voor het eerst een risicogebied. Er wordt dus letterlijk en figuurlijk met de MIR Russische roulette gespeeld boven Europa.

De 30 ton brokstukken, radioactief of niet, worden verwacht over een lengte van 1500 km en een breedte van 26 km. Dit kan pas een halve dag vůůr de terugkeer worden vastgesteld. Slechts enkele minuten ervoor kan de landingsplaats met zekerheid op een paar 100 km na worden berekend. Dit is voor het dichtbevolkte West-Europa en zeker voor ons land een ernstige bedreiging. Er werden trouwens met Westerse radioactieve satellieten al 3 ongevallen op 24 gemeld, met nucleaire satellieten al 6 ongevallen op 39. Dit is niet 1 op 100, maar bij de Russische 1 op 6, en MIR is Russisch...

Ik geef even een kort overzicht van de voornaamste ongevallen: in januari 1978 kwam 3,8 ton van Kosmos 954 neer in noordwest Canada met 34 kg uranium; in juli 1979 kwam een grote brok van Skylab in AustraliŽ terecht; in 1991 kwamen grote brokken van Salyut 7 en Kosmos 1686 in Chili en ArgentiniŽ neer; in 1996 kwam een groot stuk van de Russische Mars 1996 neer in de Andes, in Chili en BoliviŽ en waarvan 200 gr. Plutonium dicht bij Santiago werd teruggevonden. Mocht men in dit gebouw 200 gr. Plutonium vinden, denk ik dat BelgiŽ te klein zou zijn. Toch waren al deze landingen beter controleerbaar dan die van MIR en voorzien in de Stille Oceaan.

Het meest angstaanjagende is daarenboven dat de NASA vandaag nog plutonium gebruikt in 23 rondom ons cirkelende satellieten, ook al is dit in de meeste gevallen perfect te vervangen door zonnebatterijen. In feite is het hallucinant wat ons boven het hoofd hangt. De Cassinisonde, die een paar jaar geleden naar Saturnus is doorgevlogen, had zelfs 36 kg plutonium aan boord. De NASA zelf had berekend dat bij een ongeval - dat gelukkig niet gebeurde - 5 tot 8 miljard mensen aan een dodelijke stralingsdosis konden blootgesteld worden. Als men dit cijfer vergelijkt met de wereldbevolking, is men daar niet ver vanaf. Gelukkig is er, naar ons bekend, nog geen enkel ongeval gebeurd tijdens de terugkeer van satellieten, maar met MIR is het risico toch bijzonder groot, veel groter dan voorheen.

Daarom had ik van de minister graag geweten of zijn diensten, namelijk DWTC en het crisiscentrum, reeds op de hoogte werden gebracht van de gevaren, en zo ja, wanneer en door wie en met welke aanbevelingen. Werd dit reeds aan de ministers zelf gemeld, en zo ja, wanneer en door wie en met welke aanbevelingen? Welke concrete maatregelen hebben de ministers reeds genomen of rekenen zij tot hun beleidsopties om de bevolking te beschermen tegen de risico's? Op welke wijze zal de bevolking daarover worden ingelicht? Als men maar een half uur vooraf op de hoogte is, is dat natuurlijk niet zo evident, maar de hulpdiensten kunnen zich voorzichtigheidshalve wellicht standby houden.

Welke bedragen werden de voorbije jaren door BelgiŽ gespendeerd aan ESA-ruimtevaartprogramma's, waarbij het gebruik van radioactief materiaal misschien een onderdeel was? Is er een wettelijke of verdragsrechterlijke basis aanwezig om de Belgische bijdrage tot de nuclearisering van de ruimte af te bouwen, en zo ja welke? Zo neen, wat is het standpunt van de ministers t.a.v. de nuclearisering van de ruimte zowel op wetenschappelijk als op militair gebied?

Met al deze vragen loop ik misschien de kans het verwijt te krijgen dat ik de mensen nodeloos bang maak. Hier zijn er niet zoveel mensen aanwezig en ik doe dit niet voor de televisie. Ik besef dat er nog nooit ťťn brokstuk op iemand terecht is gekomen, zelfs geen meteoriet, ofschoon die jaarlijks op de aarde neerkomen. Toch vond ik het belangrijk op dit risico te wijzen om te weten of wij ons tegen dit risico wel indekken.

De heer Charles Picquť, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Allereerst is het nog niet zeker dat het ruimtestation MIR uit zijn baan om de aarde zal worden gehaald. Er zijn alternatieve oplossingen mogelijk, zoals de aanwending van het station voor commerciŽle doeleinden bijvoorbeeld. Als het ruimtestation toch uit zijn baan wordt gehaald, zou dit eind februari 2001 gebeuren. Onze diensten worden geregeld op de hoogte gehouden via ťťn van de leidinggevende comitťs van de ESA. Bij problemen zal de ESA de crisiscellen van elke lidstaat informeren. Ik zal dus door die crisiscel op de hoogte worden gebracht. Bijgevolg denk ik dat het nog te vroeg is om maatregelen te treffen. Natuurlijk zou ingeval de regering wordt gewaarschuwd voor een inslag op het continent, het noodplan voor nucleaire risico's in actie kunnen treden. Het Instituut voor RuimteaŽronomie heeft mij echter verzekerd dat MIR geen radioactieve elementen bevat.

In verband met de begroting voor ruimteprojecten die radioactief materiaal kunnen bevatten, kan ik u verzekeren dat alle opdrachten van de ESA de VN-principes over het gebruik van radioactieve materialen in de ruimte eerbiedigen. Het is niet mogelijk het aandeel van de technologische ontwikkelingen, die met radioactieve elementen te maken hebben, in de enveloppe van het wetenschappelijk programma waaraan BelgiŽ ten belope van 3% verplicht is deel te nemen, te bepalen.

Ik kom nu tot de wettelijke toestand. De problematiek van MIR moet in het raam van het ruimteafval worden bekeken. Er bestaat geen internationale reglementering over dit afval. Deze problematiek wordt behandeld op het niveau van de samenwerking tussen de verschillende nationale en internationale ruimtevaartagentschappen. De ESA bereidt nu een ontwerp van resolutie voor om het traceren en observeren van ruimteafval te verbeteren. Juridisch moet men het onderscheid maken tussen het risico van MIR als voorwerp in de ruimte en het risico dat MIR zou betekenen als drager van radioactief materiaal.

Als voorwerp in de ruimte impliceert MIR de internationale verantwoordelijkheid van de Staat die het heeft gelanceerd. Dit betekent dat de Staat verantwoordelijk is voor het herstel van de schade die door een voorwerp in de ruimte wordt aangericht.

In onderhavig geval is de Russische Federatie hiervoor verantwoordelijk.

Als drager van radioactief materiaal is MIR onderworpen aan de conventie inzake de principes over het gebruik van kernenergie in de ruimte, die de Algemene Raad van de Verenigde Naties in 1992 heeft goedgekeurd. Deze conventie vaardigt meerdere veiligheidscriteria uit, alsook een evaluatie van de risico's. De staten zijn verplicht officieel kennis te geven van de terugkeer van een ruimtetuig dat radioactief materiaal aan boord heeft. Er bestaan overigens nog drie andere teksten die het gebruik van kernenergiebronnen in de ruimte regelen. Het gaat onder meer om het verdrag dat proefnemingen met kernwapens in de atmosfeer, in de ruimte boven de dampkring en onder water verbiedt. Dit verdrag werd door BelgiŽ geratificeerd. Ten tweede is er de conventie over de onmiddellijke notificatie of de officiŽle kennisgeving in geval van een kernongeval. Ten slotte is er de conventie over de hulp in geval van een kernongeval of een radiologisch noodgeval.

Net als de heer Maertens ben ik mij volledig bewust van het toenemend risico dat aan het ruimteafval te wijten is. Ik vind de ongebreidelde commercialisering van bepaalde activiteiten in de ruimte eveneens erg verontrustend, evenals het probleem dat rijst door het gebruik van de kernenergiebronnen in banen die niet ver van de aarde zijn verwijderd. Dit probleem moet op internationaal niveau worden aangepakt omdat deze problematiek per definitie grensoverschrijdend is. Het Comitť van de Verenigde Naties voor een vreedzame aanwending van de ruimte boven de dampkring wordt belast met de periodieke herziening van de resolutie over de principes betreffende het gebruik van kernenergiebronnen in de ruimte.

Overigens wordt binnen de DWTC een werkgroep opgericht die zich moet uitspreken over een Belgische wetgeving inzake activiteiten die onder onze rechtspraak vallen en die slaan op het lanceren van ruimtetuigen of het gebruik ervan.

Ik heb vernomen dat er sprake is van het aanwenden van een "cargo-progress" om de snelheid van MIR te wijzigen en om toezicht uit te oefenen op de manier waarop MIR op de aarde zou vallen. Dit is een geruststellende gedachte.

Wij moeten alleszins waakzaam blijven en ik ben van plan zoveel mogelijk informatie te verzamelen in functie van de risico's die wij zouden kunnen lopen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Over de "cargo-progress" bestaat net als voor alle andere zaken geen enkele vorm van geheimhouding. Het bevindt zich echter nog in een experimenteel stadium en het is natuurlijk nog maar de vraag wat het resultaat zal zijn.

De minister heeft gezegd dat we ons in een vroeg stadium bevinden en dat we niet op de zaak kunnen vooruitlopen. Toch zou het goed zijn dat de minister een algemene omzendbrief voor de hulpdiensten opstelt waarin staat dat ze een stand by moeten organiseren als ze berichten ontvangen dat bepaalde dingen op de aarde dreigen te vallen.

Er bestaat alsnog weinig of geen internationale reglementering rond ruimteafval. Daarom zou het niet slecht zijn als de minister dit onderwerp tijdens ons Europees voorzitterschap op Europees niveau aan de orde zou brengen. ESA is ten slotte een Europese aangelegenheid en heeft ook een enorme invloed op de NASA. BelgiŽ staat bovendien bekend als een van de landen die in Europa de grootste invloed heeft op het vlak van de ruimtevaart en er daarenboven de grootste spin-off uithaalt.

Wat de wettelijke regelingen betreft met betrekking tot het kernvrij maken of houden van de ruimte, die jammer genoeg al lang niet meer kernvrij is, zou op VN-niveau moeten worden onderzocht hoe wij zo weinig mogelijk kernmateriaal zouden kunnen gebruiken, wat eveneens door onze ambassadeur op de agenda kan worden gezet. Er bestaan nu immers talrijke alternatieven. Van technici weten wij daarenboven dat het merendeel van de energiebronnen door zonnepanelen kan worden vervangen.

Als men de ruimte in het raam van Star Wars zou willen gebruiken voor militaire toepassingen en om er atoomkoppen te plaatsen, is het hek helemaal van de dam. Jammer genoeg vrees ik dat we al bijna zover zijn. Daarom moeten de Europese pacifisten voorkomen dat de ruimte definitief wordt "genucleariseerd".

De heer Charles Picquť, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - De werkgroep van de DWTC kan zich buigen over de diverse aspecten die de heer Maertens heeft aangehaald. Het is inderdaad opportuun om op internationaal vlak op te treden, gezien de toename van het ruimteafval. Zijn opmerkingen zijn dan ook gerechtvaardigd. De problemen van MIR moeten inderdaad met bijzondere aandacht worden gevolgd. Het ligt dan ook in mijn bedoeling een diepgaande studie uit te voeren over de weerslag, de gevolgen en de invloed van de toename van het ruimteafval. Ik zal hem op de hoogte brengen van het verloop van de studie en van de resultaten die de werkgroep binnen DWTC zal opleveren.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de staatssecretaris voor Ontwikkelings-samenwerking over ęde noodhulp en de ontwikkelingssamenwerking in PalestinaĽ (nr. 2-232)

De heer Georges Dallemagne (PSC). - De Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft op 17 oktober onder meer de vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit, de heer Chawki Armali, ontvangen en met hem de militaire, politieke en humanitaire problemen besproken die verband houden met de gebeurtenissen in het Nabije Oosten.

De heer Armali was zeer bezorgd over de toestand van de gewonden en andere aspecten van de humanitaire situatie, zoals de voedselbevoorrading. Hij heeft de Belgische regering om noodhulp verzocht, met name geneesmiddelen en medisch materieel. Hij liet ook verstaan dat de Belgische samenwerking in Palestina zowel nu als in het verleden op grote moeilijkheden stuit.

Kan de staatsecretaris meedelen welke houding hij aanneemt of zal aannemen inzake de dringende medische hulpverlening aan de gewonden van het nieuwe IsraŽlisch-Palestijnse conflict? Ik vernam dat het budget voor noodhulp voor 2000 is uitgeput. Heeft de staatssecretaris aan de regering extra kredieten gevraagd of overweegt hij dat te doen, om te kunnen voldoen aan de vraag van de Palestijnse autoriteiten en aan andere dringende oproepen? Wat is de stand van zaken in de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse autoriteiten?

De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Wij zijn net zoals de heer Dallemagne op de hoogte van de zorgwekkende situatie ingevolge het nieuwe conflict in Palestina.

Het koninklijk besluit van 19 november 1996 laat ons niet toe rechtstreeks in te gaan op een verzoek om bilaterale humanitaire hulp. Totnogtoe hebben wij geen verzoek ontvangen, maar ik verwacht binnenkort zo'n verzoek en de Palestijnse vertegenwoordiging is daar niet geheel vreemd aan. Wij zullen dan nagaan of het redelijk en ontvankelijk is. Wij zijn ons uiteraard bewust van het nut van humanitaire hulp. Ik verbind er mij niet toe om in te gaan op een verzoek dat ik nog niet ken, maar ik heb een gunstig vooroordeel.

De begroting voor 2000 laat ons weliswaar weinig ruimte, maar we zullen bij het Parlement een ontwerp indienen voor de herbestemming van 165 miljoen frank. Een gedeelte van het klein overschot op bepaalde begrotingsposten zal worden overgeheveld naar de humanitaire hulp, vooral om het hoofd te bieden aan onze verbintenissen ten opzichte van Centraal-Afrika. Hiervan kunnen we ook middelen gebruiken voor Palestina, als we een redelijk en ontvankelijk verzoek ontvangen.

Wat het tweede gedeelte van de vraag betreft, wijs ik erop dat BelgiŽ sedert de akkoorden van Oslo en meer bepaald als gevolg van de samenwerkingsakkoorden van 1997 en 1998 een speciaal soort samenwerking heeft met de Palestijnse gebieden. Er is nog maar een gedeelte van die akkoorden uitgevoerd. Sedert enkele dagen heeft de BTS de uitvoering van dit bilaterale programma hervat en ze heeft aangekondigd dat de uitvoering van de twee programma's is aangevat. Globaal genomen gaat het om hulp aan het ministerie van onderwijs voor het invoeren van het eerste Palestijnse schoolprogramma, dat ondermeer de eigen geschiedenis en aardrijkskunde behelst. Het bevat ook de opleiding van 20.000 leerkrachten voor het lager en het secundair onderwijs, het vervaardigen van schoolboeken en de voortdurende evaluatie van het programma. In een gedeelte van de Palestijnse gebieden onderwees men nog het Egyptische programma en in andere gedeelten het Jordaanse. In samenwerking met ons en met andere donorlanden werd een echt Palestijns programma uitgewerkt.

Het tweede programma van de Belgische Technische Samenwerking betreft de steun aan het Palestijnse ministerie van Planning en Internationale Samenwerking. Het is institutionele hulp waartoe enige tijd geleden is beslist. Ik begrijp de bezorgdheid van de heer Chawki Armali, hij kan echter gerust zijn want het project is gestart. Wij hopen dat de evolutie van de toestand op het terrein het de BTS mogelijk maakt het overeengekomen programma voort te zetten.

-Het incident is gesloten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor de week van 6 november deze agenda voor:

Donderdag 9 november:

te 10 uur: vragen om uitleg over de armoede en het geweld tegen vrouwen;

te 15 uur: mondelinge vragen en een reeks wetsontwerpen, waarover vanaf 17 uur wordt gestemd. Na de naamstemmingen volgen nog vragen om uitleg.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 9 november 2000 om 10 en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Lizin, de heren Van den Brande, Colla en Thissen, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Indiening van voorstellen

De volgende voorstellen werden ingediend:

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende de gevaarlijke honden (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Gedr. St. 2-559/1).

Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek met een hoofdstuk over het doden en het toebrengen van lichamelijk letsel door huisdieren (van de heer Francis Poty; Gedr. St. 2-560/1).

-Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

-Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over de sancties in het internationaal recht (van mevrouw Marie-Josť Laloy c.s.; Gedr. St. 2-561/1).

-Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

-Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met een onderzoek van de verwijdering van twee speurders uit de Brusselse onderzoekscel "Neufch‚teau" (van de heer Frans Lozie; Gedr. St. 2-563/1).

-Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

-Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel houdende de organisatie van de civiele veiligheidsdiensten (van de heer Georges Dallemagne en mevrouw Anne-Marie Lizin; Gedr. St. 2-532/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over de zichtbaarheid van zwakke weggebruikers voor vrachtwagen-chauffeurs (van de heer Johan Malcorps; Gedr. St. 2-555/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Alain DESTEXHE aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de verdere opvolging van de Cidex-crisis" (nr. 2-236)

van Mevrouw Magdeleine WILLAME-BOONEN aan de Eerste Minister over "de maatregelen die de regering gaat nemen rond de stijgende lijn die extreem-rechts in BelgiŽ kent" (nr. 2-237)

van de heer Georges DALLEMAGNE aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over "de gedeeltelijke defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking" (nr. 2-238)

van de heer Michel BARBEAUX aan de Eerste Minister over "de herfinanciering van de Franse Gemeenschap" (nr. 2-239)

van Mevrouw Magdeleine WILLAME-BOONEN aan de Eerste Minister over "de regionalisering van de gemeentewet en van de provinciewet" (nr. 2-240)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Landbouw en Middenstand over "de CJD- en de BSE-problematiek en het beleid dat op dit vlak wordt gevoerd" (nr. 2-241)

van Mevrouw Iris VAN RIET aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over "gelijke kansen voor vrouwen op het vlak van arbeid en werkgelegenheid" (nr. 2-242)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Eerste Minister en aan de Minister van Justitie over "het geweld tegen vrouwen" (nr. 2-243)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over "de sociale verkiezingen 2000" (nr. 2-244)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Justitie over "de opleiding van magistraten" (nr. 2-245)

van Mevrouw Erika THIJS aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over "het budget voor ontwikkelingssamenwerking" (nr. 2-246)

van Mevrouw Erika THIJS aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over "de schuldverlichting van de derdewereldlanden" (nr. 2-247)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Brusselse Hoofdstedelijke Raad

Bij boodschap van 18 oktober 2000 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Raad aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen

Commission communautaire franÁaise

Bij boodschap van 20 oktober 2000 heeft de Vergadering van de "Commission communautaire franÁaise" aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Bij boodschap van 19 oktober 2000 heeft de Verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Indiening van een wetsontwerp

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Wetsontwerp betreffende de wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (Gedr. St. 2-558/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 20 oktober 2000 heeft de voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven aan de Senaat, overeenkomstig artikel 5 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, aan de Senaat overgezonden het technisch verslag over de maximale beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en de Economische Aangelegenheden en naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brieven van 17 oktober 2000 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 2 tot en met 6 oktober 2000.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.